Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 6 - Kijker 4 - Thema 5 - N2 - Het verloren kraaltje

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Het verloren kraaltje Katrien Vervaele

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

4


Het verloren kraaltje

In het Romeinse castellum van Oudenburg, derde eeuw na Christus …

1


Wonen in een soldatenkamp ‘Livia!’ ‘Livia!’ Ik duw mijn vingers in mijn oren. Dat ze me nu asjeblieft nog even laten slapen, ik lig nog zo lekker te soezen1. ‘Liviaaaaa … opstaan!’ Ach, laat ze maar roepen, ik blijf nog wat onder de warme pels. Ik ben geen vroege vogel, nee. Ik slaap graag lang uit. Maar op de dag van de maan kan dat niet. Dan moeten we altijd vroeg op. Dan gaat mijn moeder inkopen doen en mijn zus Claudia en ik moeten mee. Niet dat we ertegen opzien, want we gaan telkens ook bij familie en vrienden langs. Altijd leuk om andere mensen te zien, altijd leuk om even weg te zijn van de soldaten. O ja, je leest het goed. Ik woon in een soldatenkamp, te midden van stoere venten. Mijn moeder, mijn zus Claudia en ik wonen in het castellum2 van Oudenburg, op een paar mijl van de zee. Vrouwen in een soldatenkamp zijn nogal vreemd, geef ik toe. Mijn moeder is getrouwd met de commandant. Zo komt het dat wij er ook wonen. Natuurlijk niet in zo’n krap soldatenbarakje, wel in een mooi huis, want mijn vader is de belangrijkste man van het kamp. Zoals ik al zei, is het wat vreemd dat vrouwen en kinderen in een kazerne wonen. In de meeste kampen zíe je geen vrouwen. Vroeger was ook dit kamp gesloten voor iedereen die geen legeruniform droeg. Alle contacten met mensen van buiten gebeurden buiten de muren van het kamp, aan een van de vier poorten. Sinds wij hier wonen, gaat het er heel wat losser aan toe. Het is voor niemand een probleem om binnen en buiten 2


te lopen. Vaak worden ze niet eens door de wachten gecontroleerd. Handelaars wandelen in en uit, en mensen van het dorp zie je hier zowat dagelijks. Veeboeren komen huiden en leer verkopen, landbouwers komen onderhandelen over de prijs van het graan, herbergiers rollen vaten bier binnen, pottenbakkers stallen hun waar uit en vrouwen verkopen fruit en honing al knipogend naar de wachten. Ikzelf vind het de normaalste zaak van de wereld dat ik tussen de soldaten woon en heb er geen probleem mee dat ik nog voor het ochtendgloren word gewekt met klaroengeschal3. Ik ben het gewoon om soldaten te horen marcheren, te horen trainen, te horen vloeken en roepen, lachen en moppen tappen onder elkaar. Hoe wij in het kamp terechtgekomen zijn, zul je je wel afvragen. Dat is een lang verhaal en daarvoor moeten we een hele poos terug in de tijd. Ik was toen nog niet geboren. Ik weet het dus alleen van horen vertellen. Nu ja, horen vertellen … er wordt niet openlijk over gepraat. Af en toe hoorde ik een flard en op den duur kon ik alle eindjes aan elkaar knopen en het hele verhaal reconstrueren. Mijn moeder was getrouwd met de smid van het dorp, naar het schijnt een kolos van een vent. Met armen als boomstammen en handen als berenklauwen. Niemand legde hem een strobreed in de weg, want als iets hem niet aanstond, ging hij meteen op de vuist. Maar in zijn vak was hij een kunstenaar. Met zijn vuurvaste handen smeedde hij niet alleen zwaarden, hij was ook goed in het fijnere decoratieve werk. Wilde je een amulet voor aan je hals of een speciale versiering op een gesp4, dan voerde hij dat met succes uit. 3


De kampcommandant – de man die later dus mijn vader werd – was om de haverklap in de smidse te vinden. Was het niet om een losgeraakt lusje in zijn maliënkolder5 te laten herstellen of om een helm te laten uitblutsen, dan was het voor een bestelling van versiersel om zijn paardentuig mee op te smukken. teugelgeleider in brons (3de - 4de eeuw)

In werkelijkheid kwam mijn vader helemaal niet voor die prullen in koper of brons, maar wel voor de vrouw van de smid. Voor mijn moeder dus. De smid en de kampcommandant waren aanvankelijk beste vrienden. Totdat de smid doorhad dat de commandant mijn moeder aan het versieren was. En toen hij dat besefte, werd hij razend. Zoals ik al zei, heb ik het niet zelf meegemaakt, want ik was nog niet geboren, maar wat ik hoorde vertellen, is het volgende … Eerst vielen er hoge woorden. Vloeken en schelden. De smid trok met zijn ene hand een gloeiende pook uit het vuur en met zijn andere hand greep hij een nog onafgewerkt, maar toch al vlijmscherp zwaard van de muur. Ook de commandant trok zijn zwaard. Een zwaard dat de smid nog voor hem had vervaardigd! Er ontstond een hevig gevecht. Een duel op leven en dood. Een gevecht met als inzet mijn moeder. In de eerste instantie leek de smid het te halen. De commandant moest stap na stap wijken. Dat litteken in zijn gezicht liep hij trouwens niet in een veldslag op. Nee. Die kreeg hij tijdens dát gevecht. Dat litteken is een blijvende herinnering aan de smid.

4


Naarmate het gevecht vorderde, leken ze allebei even sterk, maar stilaan keerde het tij in het voordeel van de commandant. En of de commandant nu de bedoeling had om de smid te doden of hem alleen maar te kwetsen, feit is dat de smid werd geraakt in zijn hals. Het bloed stroomde, de smid zonk door zijn knieën en nog geen kwartier later stierf hij. De mensen in het dorp waren geschokt. Maar omdat de commandant zo machtig is en bovendien een smak soldaten kan inzetten om de mensen rustig te houden, durfden ze het voorval niet aan te klagen. Ook durfden ze er niets tegenin te brengen wanneer de commandant mijn moeder ook nog bij zich in de kazerne nam. Openlijk durfde niemand zijn mening zeggen. Het kwam er nog bij dat mijn moeder hoogzwanger was. Haar buik bolde van het kind van de smid. Maar het kon de commandant niet deren. Hij was verliefd op mijn moeder en hij nam haar, met kind en al. Mijn moeder was blij dat ze het dorp kon ontvluchten, want de roddels verspreidden zich als mist en motregen. Aanvankelijk vonden de soldaten het maar niets, een vrouw en een klein kind, een huilend wicht, in de kazerne. Maar dat duurde niet lang. Mijn moeder kon hen met haar charmes moeiteloos voor zich winnen. Na een tijd was er geen enkele soldaat die er nog bedenkingen bij maakte en op den duur vonden ze het zelfs heel normaal. En wat meer was, het opende ook voor hen nieuwe mogelijkheden. Zo konden ze het zich ook al eens veroorloven om nu en dan eens wat vrouwen mee te brengen. Een paar maanden na de geboorte van Claudia was mijn moeder opnieuw zwanger. Ik was op komst! Toen was het helemaal vanzelfsprekend dat wij in de kazerne bleven wonen.

5


Kwijt of gestolen? ’s Morgens in bed lig ik graag te luisteren naar de geluiden van buiten bij de inspectie door mijn vader. Ik hoor hem brullen en meteen erna in koor volgt het brommende antwoord van de soldaten. Mijn vader, de soldaten … mijn vader, de soldaten … gebrul en gebrom … En dan is daar weer mijn moeder. ‘Livia, sta op!’ Zoals je hoort, moet ze in brullen zeker niet onderdoen voor mijn vader! Maar ik geloof dat haar geduld zo stilaan op is. Ik spring dus maar snel uit bed en trek mijn tunica6 boven mijn onderhemd. Met een bronzen speld schik ik ze mooi in plooien. draadfibula 3de eeuw

fragmenten lederen vrouwenschoen (4de eeuw) en kinderschoen (3de eeuw)

6


Straks steekt Micia mijn haar wel op. Nu nog wat mascara rond mijn ogen. Niet te veel, want mijn moeder vindt dat niet goed. We moeten de mensen van het dorp niet afgunstig maken. We moeten niet te veel de chique dames spelen, al wonen we in een stenen huis en eten we al liggend zoals het in Rome de gewoonte is. We moeten ons niet beter voordoen dan we zijn, want er wordt nu al zoveel over ons geroddeld! Maar een juweeltje doe ik graag aan. Iets wat niet te opvallend is, een fijne halsketting, een elegant ringetje of een passende armband. Ik trok speciaal mijn lichtblauwe tunica aan om het perfect te laten passen met mijn nieuwe armband, een paar dagen geleden cadeau gekregen van mijn vader. Een armband van prachtige blauwe kralen. Mijn zus was weer eens jaloers. Stikjaloers! En ik begrijp het wel. Mijn vader brengt altijd geschenken voor mij mee. En zelden of nooit voor haar. Niet zo vreemd eigenlijk. Hij is niet haar echte vader, hij is slechts haar stiefvader. Maar dat laat hij toch wel al te vaak en al te duidelijk merken. Ik neem het ivoren juwelenkistje waarin ik mijn mooiste sieraden bewaar. Het heeft een gouden slotje in de vorm van een blaadje. Ik duw het haakje van het kistje en doe het deksel heel voorzichtig open. Heel voorzichtig, want in dat kistje zitten mijn mooiste spelden, halssnoeren, ringen en armbanden. Dus ook die armband met de blauwe kralen. Maar … Ik krijg het ineens heel warm. En heel koud tegelijk. Ik begin te zweten, ik sta te bibberen. Mijn blauwe armband, die prachtige armband van glazen kralen die ik van mijn vader kreeg, ligt er niet meer in! Paniek, paniek, paniek!

7


Ik probeer na te denken. Legde ik hem ergens anders? In het houten kistje, tussen al die goedkopere rommel en prullen? Ik pak het kistje dat propvol kralen en snoeren ligt en kieper het om op mijn bed. Ik zoek en zoek, maar nee, ook daar ligt hij niet tussen. Ik kijk weer in het andere juwelenkistje, want ik herinner me heel goed dat ik hem netjes opborg. Ik mag dan nogal eens slordig zijn, maar niet als het om mijn juwelen gaat. En dan hoor ik mijn moeder weer … ‘Livia … waar blijf je?’ Ja, ze moet me nu nog opjagen ook! ‘Liviaaaaaa!’ Een paar tellen later komt Claudia eraan. Haar lompe voeten bonken op de houten trap. Ze duwt de deur open. ‘Wat ben je aan het uitspoken?’ vraagt ze. ‘Ik zoek iets,’ mompel ik. Ik ga haar echt niet vertellen dat ik mijn armband kwijt ben. Ze zou er alleen maar om lachen, ze zou er alleen maar plezier in hebben, in haar handjes wrijven. ‘Kan ik helpen?’ vraagt ze terwijl ze met opgetrokken wenkbrauwen kijkt naar de rommel die op mijn bed ligt. ‘Jij blijft uit mijn spullen!’ bries ik. ‘Met het verkeerde been uit bed gestapt zeker?’ Ik haal mijn schouders op en draai me weer naar mijn kistjes. ‘Ben je soms wat kwijt?’ vraagt ze, ietwat treiterig. ‘Nee hoor,’ ontwijk ik. Maar dan vraag ik me af of zij er iets mee te maken heeft. ‘Heb je soms …?’ vraag ik, maar dan hou ik me in. Ik kan toch mijn zus niet verdenken? ‘Haast je nu maar,’ zegt ze alleen maar. ‘We wachten op je.’ ‘Ik ben er zo,’ mompel ik en ik jaag haar de deur uit.

8


Ik hoor weer haar voeten bonken op de trap. Lompe trut, denk ik. Ik kijk nog eens in het ivoren kistje, rommel wat tussen de juweeltjes die ik op mijn bed uitstrooide, maar geen blauwe armband. Ben ik het nu zelf op een domme manier kwijtgespeeld of heeft iemand het gejat? In ieder geval durf ik het mijn vader niet te vertellen!

Luisjes in de soep ‘Waar bleef je weer?’ vraagt mijn moeder. ‘Ik ben hier nu toch,’ zeg ik. ‘Hoe dikwijls heb ik moeten roepen?’ Al dat gemopper! Ik heb geen zin om bij haar en mijn zus te ontbijten. Ik ga naar de keuken waar Domitia, onze meid, nu al bezig is met de stoofpot voor deze avond. ‘Toch weer geen everzwijn?’ zucht ik. ‘Ja, dat is niet je lievelingsmaaltje, ik weet het,’ zegt ze. ‘Maar als ik altijd naar je grilletjes zou luisteren …’ ‘Ach, laat maar,’ zeg ik. ‘Ik eet wel wat de pot schaft.’ ‘Het zal je geraden zijn!’ Ik ga op een kruk zitten en lepel snel mijn pap naar binnen. ‘Weet je soms of er iemand in mijn kamer is geweest?’ vraag ik haar tussen twee scheppen door. ‘Ik heb zoals elke dag je bed opgemaakt,’ zegt ze. ‘En ’t was er zoals altijd een rommelnest.’ ‘Zag je soms mijn blauwe armband?’ vraag ik. ‘Die nieuwe?’ Ik knik. ‘Die je me een paar dagen geleden liet zien?’ Ik knik weer. Ik was die inderdaad uitgebreid aan iedereen gaan tonen. Ook bij haar. Zelfs in een aantal soldatenbarakken was ik hem gaan showen … 9


Best dat mijn vader dát niet zag! Want dat wil hij absoluut niet. Hij wil niet dat mijn zus en ik ons tussen de soldaten begeven, want daar zitten herrieschoppers tussen, zegt hij. Dat is misschien wel waar, maar er zitten ook heel wat sympathieke kerels tussen. Jonge mannen die grapjes maken en die mijn zus en mij aan het lachen brengen. En daar heb ik weleens behoefte aan! Lachen en plezier maken, want hier in huis is het vaak zo saai, zo ongelooflijk saai! ‘Je wilt me toch niet vertellen dat je die kwijt bent?’ vraagt Domitia. Ze klinkt wat bezorgd. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik. ‘Ik vind hem nergens.’ ‘Bij alle godinnen, laat ons hopen dat het niet waar is,’ foetert ze. ‘Zo’n prachtig juweel! Een heel duur ding voor zover ik het kan inschatten!’ ‘Mocht je hem vinden …’ zeg ik en ik hoor warempel wat gekreun in mijn stem. ‘Jij sloddervos,’ zucht ze. We zwijgen allebei abrupt wanneer Micia binnenkomt. Micia is net als Domitia een slavin, maar we behandelen hen niet zo. Integendeel! We benaderen hen met veel respect. Niet meer dan normaal als je weet hoe goed zij ons dienen. Domitia verwent ons met viergangenmenu’s en Micia verzorgt ons kapsel, knipt onze nagels, geeft massages … Ze zorgt ervoor dat mijn moeder, Claudia en ik altijd pico bello voor de dag komen. Al wonen we hier te midden van de soldaten! haarspeld in git (3de eeuw)

10


‘Is er iets?’ vraagt ze wanneer ze mijn haar begint te borstelen. Ik zucht. Hoe is het mogelijk dat zij altijd meteen weet dat er iets niet pluis is. Alsof ze een zesde zintuig heeft. Maar ik schud van neen. ‘Er is helemaal niets …’ ‘Ik dacht dat jullie twee iets aan ‘t konkelfoezen waren,’ zegt ze. ‘Misschien wel, maar ik ga het niet aan je neus hangen,’ grijns ik. Micia gaat er niet verder op in en borstelt verder. Tot Domitia het in de gaten krijgt. Ze plant haar handen in haar heupen. ‘Asjeblieft niet hier!’ roept ze. ‘Ik wil geen luizen in mijn soep.’ Micia en ik vertrekken dus maar naar mijn kamer, nageroepen door mijn moeder die niet wil dat we nu veel tijd verliezen. ‘Oei, wat een troep is dat hier!’ schrikt Micia wanneer ze de deur van mijn kamer openduwt. Ik schaam me wel een beetje en verzamel mijn uitgestrooide juwelen en leg ze weer in het houten kistje. ‘Ben je wat kwijt?’ vraagt ze. Ik schud haastig van nee, maar vraag me af waarom ze dat oppert. Heeft zíj hem misschien gejat? Micia gaat verder met kammen. dubbelzijdige kam in been (4de eeuw)

11


‘Je hebt er weer van,’ zegt ze. ‘Ik zie de luisjes alweer lopen. Maar dat zal niet voor nu zijn … Jullie moeten zo weg!’ ‘Vanwaar komen die toch altijd opnieuw?’ mopper ik. ‘Vanwaar denk je? Je moet niet zo vaak tussen die soldaten lopen! En al zeker niet te dicht bij hen komen.’ ‘Ja, jij moet spreken!’ Want ja, zowat alle soldaten hebben een oogje op Micia. En zij vertoeft graag tussen het ruige mannenvolk. Van zodra ze even vrij heeft, is ze tussen de soldaten te vinden. Zo weet ze ook heel goed wat er in het kamp gebeurt. ‘Het is sinds die nieuwe rekruten zijn aangekomen,’ vertelt ze. ‘Ze hadden elk een vrachtje luizen op hun kop! Weet je dat er nu per barak een soldaat is aangesteld om dagelijks de koppen te controleren en zo nodig uit te kammen? Nog best dat ze mij niet vroegen om dat aan te pakken!’ ‘Ze zouden ervoor vechten!’ lach ik. Ze geeft me een duw. En dan hoor ik niet meer wat ze verder vertelt, want het begint weer te malen in mijn hoofd. Ik kan alleen nog maar denken aan die armband die ik ben kwijtgespeeld. Ik durf het mijn vader niet eens te zeggen dat ik zijn geschenk al kwijt ben. Hij zal boos zijn. Razend! Ik weet maar al te goed hoe hij zal reageren. Roepen, brullen alsof hij een compleet legioen beveelt om aan te vallen. Niet dat zijn boosheid lang duurt. Het zal gaan zoals altijd. Als hij uitgeraasd is, beent hij naar buiten en gooit hij de deur met een oorverdovende klap dicht. En als hij terugkeert, is er van zijn woede niets meer te merken.

12


Terwijl Micia mijn haar opsteekt, denk ik ook weer aan het voorval dat we vorig jaar met haar voorhadden. Mijn moeder was een mooie mantelspeld kwijt. Ze maakte daar geen drama van want ze heeft er toch genoeg. Maar feit is wel dat Micia die speld op een bepaald moment op haar kleren droeg. Hoe durfde ze?! Ze werd beschuldigd van diefstal, maar ze hield vol dat ze hem van een leurder7 had gekocht. Wat natuurlijk kon. Misschien was mijn moeder hem kwijtgespeeld, had iemand hem opgeraapt en doorverkocht? Of misschien was het gewoon een andere speld die heel goed op die van mijn moeder leek … wie zal het zeggen? Maar misschien had ze hem toch gepikt! De straf die ze voor zoiets zou krijgen, is niet min. Ze riskeerde ook om verkocht te worden. Een stelende dienstmeid doe je beter van de hand. Micia had bij hoog en laag blijven beweren dat ze die speld niet gestolen had. Ze klonk zo overtuigend. Bovendien stond de hele kazerne in rep en roer. Tumult bij de soldaten toen ze hoorden dat ze gestraft zou worden. Mijn vader werd bang, want als je zo’n hele bende soldaten tegen je krijgt, kan er van alles gebeuren. Mijn moeder heeft toen ook een goed woordje voor haar gedaan. Ze wilde haar kapster niet kwijt. Dus heeft mijn vader de zaak maar zo gelaten. Micia werd niet gestraft. Ze mocht blijven. Snap je nu dat het niet zo vreemd is dat ik haar verdenk? Ik durf haar wel niet te vragen of ze mijn armband pikte. En al vroeg ik het haar, ze zou het toch ontkennen. Natuurlijk zou ze het ontkennen.

13


Langs de soldatenbarakken ‘De kar is er!’ roept mijn zus. Micia is bijlange nog niet klaar met mijn kapsel. Ik zie er belachelijk uit, maar volgens mijn zus valt het mee. Het kan haar gewoon niets schelen! Zelf ziet ze er prachtig uit. Ik kijk nog snel even in mijn handspiegel. Mijn haar lijkt meer op een pluk hooi dan op een kapsel. Niets aan te doen, ik ga dan maar mee als een verwaaide hooimijt. Voor geen geld ter wereld wil ik onze wekelijkse uitstap missen. Ons leven hier is al saai genoeg! Of dacht je dat wij hier een opwindend en avontuurlijk leventje leiden, hier tussen de soldaten? Vergeet het maar! Weet je dat mijn vader niet wil dat we tussen de barakken struinen? Hij heeft er zelfs problemen mee als we op de verdedigingsmuur rond het kamp lopen. Terwijl het een heerlijke plek is. Je kunt ver kijken en bij helder weer kun je er zelfs de glinstering van de zee zien. Mijn zus en ik houden ons meestal aan de regels wanneer mijn vader in het kamp is, maar wanneer hij op verkenning is, dan zijn wij niet binnen te houden. Dat kun je wel denken zeker? En zo kennen wij toch heel wat soldaten. Meer nog, wij kennen het kamp vanbinnen en vanbuiten. Mijn moeder is soepeler. Zij knijpt weleens een oogje dicht. Ze begrijpt dat we ons opgesloten voelen. Ze begrijpt dat jonge meisjes ook een vleugje vrijheid nodig hebben. En wat ze ook weet: de momenten dat we rondzwerven in het kamp, mijn zus en ik, zijn we de beste vriendinnen. En wat ze niet moet weten, verzwijgen we wel. Als mijn zus weer eens verliefd kijkt naar een jonge soldaat, doe ik alsof ik het niet zie. En als ik eens een zwaard hanteer of een speer probeer te gooien, verzwijgt ze het thuis in alle talen.

14


Het paard, een volbloed bruine merrie, staat ongeduldig te trappelen voor de huifkar. De voerman8 helpt ons instappen. Het is Octavius, een van de oudere soldaten die orde in de stallen houdt en voor de verzorging van de paarden instaat. Je kunt wel denken dat mijn vader niet aan een jonge kerel vraagt om ons te voeren! Er is plaats genoeg onder de linnen huif, maar zoals gewoonlijk ga ik naast Octavius zitten. ‘Ik mag straks weer even de teugels?’ vraag ik. Hij lacht, knikt en roept dan zijn paard in beweging. ‘Haraa!’ Een eerste moeizame stap, de kar sjokt erachteraan en we zijn weg. Eerst stapvoets, dan in lichte draf. We passeren de soldatenbarakken die zijn opgedeeld in ruimtes voor telkens tien soldaten. Ze slapen er samen, eten er samen, onderhouden hun wapens … De soldaten zijn meestal hechte vrienden. Altijd zijn ze bezig met grapjes te verkopen. Daar staan twee wat oudere soldaten een praatje te maken. Als we passeren, zegt de ene iets tegen de andere en beiden schieten ze in de lach. Wat ze zeggen, heb ik niet begrepen, maar dat het over ons gaat, weet ik maar al te goed. ‘Waar hebben ze het over?’ vraag ik aan Octavius. Maar die grijnst alleen maar en haalt zijn schouders op. Dat hij het ook niet begrepen heeft, zegt hij. Maar die vonkjes in zijn ogen verraden dat hij het wel degelijk heeft verstaan. En wat ze vertelden, ging gegarandeerd over ons!

15


Het graf van Claudia's vader We rijden de westpoort uit en rijden verder stapvoets het dorp door. Er zijn mensen die zwaaien en die roepen, anderen blijven met hun rug naar ons gedraaid en weigeren ons maar aan te kijken. Ik trek me dat niet aan, maar ik weet dat dat wel mijn moeder pijn doet. Iets verderop ligt het grafveld. Daar houden we even halt, want daar ligt de vader van mijn zus begraven. Ze stapt zoals gewoonlijk uit en gaat een ruikertje bloemen neerleggen op zijn graf. Een graf, nu ja … het is niet meer dan een hoop aarde met keien. Geen zerk, geen steen, geen naam. Wat nog vreemder is: hij werd niet eens gecremeerd. Je zou toch denken dat een smid, een man van vuur en vlammen, toch op een brandstapel wordt gelegd voor zijn laatste reis? Maar nee, mijn moeder is nogal voor nieuwe gebruiken. Het lichaam werd in een houten kist in de aarde gelegd.

opgegraven skelet met een glazen fles als grafgift.

16


Hij kreeg wel tondelzwam mee in een potje dat naast zijn lichaam werd geplaatst. Zo zal hij in ieder geval vuur kunnen maken op de plek waar hij terechtkomt. En die glazen fles? Die zat vol wijn. Want de smid dronk graag een glaasje. We zien Claudia een hele poos stilstaan bij het graf. Praat ze nu met hem? Ik weet dus echt niet hoe je praat met iemand die naar het eiland van de overledenen is vertrokken. Hoe je praat met iemand die je ook nog nooit gezien hebt. Want toen hij gestorven is, was zij nog niet geboren. Naar ik hoorde vertellen, lijkt mijn zus heel erg op haar vader. Dat moet haast wel, want ze heeft helemaal niets van mijn moeder. Ikzelf lijk trouwens ook niet zo op mijn moeder. En al helemaal niet op mijn zus. Ik ben klein en tenger, mijn zus is groot en een beetje mollig. Ik vind haar wel mooi, mijn zus, met dat mollige en die eeuwige blos op haar wangen. Zij heeft ook het blonde haar van de mensen hier. En blauwe, stralende ogen, als het water in de beek op een heldere dag. Ik heb donker haar en donkere ogen, zoals mijn vader, zoals de mensen uit het land vanwaar hij komt. Dat we het grafveld bezoeken, mag mijn vader eigenlijk niet weten. Hij wil niet dat Claudia te veel aan haar vader denkt en hij wil niet dat mijn moeder haar eerste man op die manier gaat begroeten. En dat ik hen dan nog eens vergezel, vindt hij alleszins niet goed. Maar wij vertellen hem dat niet. Wij verzwijgen dat in alle talen. Over de dood wordt er trouwens nooit gesproken als mijn vader erbij is. Dat is taboe9 voor hem. Hoewel hij vaak vertelt dat hij er tijdens veldslagen al wel honderden de Styx heeft overgeduwd.

17


De Styx is de rivier die de stervenden moeten oversteken om in de onderwereld terecht te komen. Dat beweren de Romeinen toch. Charon is de veerman die de doden overzet. En om die veerman te betalen, krijgt de dode een munt op de tong gelegd. Maar wat gebeurt er als je op het slagveld sterft? Als er niemand is die een munt op je tong legt? Kun je dan de veerman niet betalen? Moet je dan blijven dolen aan deze kant van de rivier? Wij, mensen van hier, hebben andere opvattingen. Het is een visser die ’s nachts de doden meeneemt in zijn boot en ermee naar een ver eiland vaart, het eiland van de eeuwige jeugd. Dat zijn allemaal zaken waar ik graag met mijn leraar over discussieer. Mijn zus vindt dat onzin. Ik leer graag wat dingen bij. Ik hoor ook graag vertellen over de keizers van Rome en over hoe Rome zoveel landen veroverde. Onlangs las ik het boek De Bello Gallico van Julius Caesar. Daarin staan alle oorlogen beschreven die hij gevoerd heeft, hoe hij ook hier veroveringen heeft gedaan. Ik vind dat je al die verhalen moet gelezen hebben, toch zeker als je in een Romeins kamp woont. Mijn zus daarentegen is daar helemaal niet in geïnteresseerd. Het enige wat ze van dat boek onthouden heeft, zijn deze woorden: Horum omnium fortissimi sunt Belgae. Dat is Latijn, de taal van Rome. Dat betekent in de taal van hier: De Belgen zijn de dappersten van alle Galliërs.

18


Het vissertje, de stroper en de pottenbakker Als Claudia weer is ingestapt, krijg ik de teugels. Ik klak met mijn tong, geef een rukje, de paarden zetten aan. Heerlijk is dat, het hotsebotsen van de kar, het ratelen van de wielen, het geluid van de hoeven, de geur van de paarden … en van vrijheid! ‘Kan het niet wat rustiger?’ roept mijn moeder vanuit de kar. ‘Alles onder controle,’ bromt Octavius. ‘Als er maar geen wiel afdraait,’ antwoordt mijn moeder bazig en ook wat angstig. Ze is er nooit helemaal gerust op als ik de teugels in handen heb. We nemen de weg naar de zee. Een wat hobbelige, weinig onderhouden weg omdat die niet vaak gebruikt wordt. We rijden naar ‘het vissertje,’ zoals we hem noemen.

19


Zijn naam ken ik niet, ik weet alleen dat hij in een hutje aan de voet van de duinen woont en dat hij dagelijks naar het strand gaat, met zijn ezel en karretje volgeladen met netten en touw met haakjes aan. De vis die hij te koop aanbiedt, is pas gevangen en ruikt naar frisse zeewind. Naast vis heeft hij meestal ook schelpen te koop. Mijn vader is daar dol op. Mossels, oesters, kokkels … ook rauw lust hij ze. Hij steekt ze dan open met zijn dolk en slurpt ze zo op. Walgelijk vind ik dat! Ik eet ze alleen maar als ze gekookt zijn. Dan is het vlees niet meer zo’n pakje kwijl, maar mooi vast. En de schelpjes zijn dan door de hitte open gaan staan. De rit naar de zeekant, is fantastisch. Beetje spannend ook. Zeker als het vloed is, als de zee in geulen het land binnensijpelt. Gorgelend slingert het water tussen de schorren met gras. De schapen weten dat en vluchten naar die plekken waar ze de poten droog kunnen houden. Wij rijden met onze kar op de dijk die wat hoger ligt, te midden van dat sijpelende water, dat geurt naar zee, naar zout, naar wier. Met vloed, dat is het mooiste moment. Hoe hoger het water staat, hoe mooier ik het vind. Met eb sluipt al dat water terug naar zee en dan zie je veel slib10 en slijk, maar ook daar is het niet veilig lopen. Dat weten we van die keer dat mijn zus bloemen ging plukken. Het was in de nazomer. Hele velden kleur zie je dan. Mijn zus wilde een boeket plukken, maar ze zakte tot haar enkels in de modder. Het vissertje komt ons tegemoet en roept dat hij verse tongetjes heeft. Mijn moeder is in haar nopjes. Claudia en ik ook, want dat is veel lekkerder dan haring die het hele huis doet walmen. Deze keer heeft hij geen schelpen. Zoveel te beter, denk ik bij mezelf. Mijn moeder vraagt nog een potje garum. Mijn zus en ik trekken een gezicht. Dat moeten we niet, die vieze saus van rotte vis. Maar het is een delicatesse uit het land vanwaar mijn vader afkomstig is. 20


Mijn vader is daar wild van. Maar wij moeten dat stinkende goedje niet! De graten en het andere afval van vis liggen eerst een hele poos te rotten en te stinken, daar wordt nog zout bijgevoegd en kruiden en weet ik allemaal niet wat … maar het resultaat is om te gruwen. Onze volgende stop is de hut van de stroper, Gaius. Ook een adresje dat we nooit overslaan. Hij woont aan de rand van een strook bos. Zijn vrouw is gestorven en het is zijn oudste dochter die voor het nest kinderen instaat. ‘Ik heb weer een aantal hazen gestrikt,’ zegt hij.

beker in gevernist aardewerk (grafgift) (2de eeuw) 21


Mijn moeder voelt aan het vlees van de dode dieren en kiest de vetste uit. Dat het verboden is om te stropen, dat weet iedereen. Maar Gaius mag zijn gang gaan. Men weet immers dat hij het moeilijk heeft om zijn gezin te voeden. Men ziet liever het stropen door de vingers dan hem te moeten berechten omdat hij gaat stelen om zijn kinderen te voeden. Mijn moeder betaalt hem een heel goeie prijs voor de haas. De ogen van Gaius blinken als hij de zilveren munt in zijn hand krijgt gedrukt. ‘Ik wilde dat ik ook zo goed werd betaald,’ moppert de voerman. Ook in het dorp dat naast het kamp ligt, hebben we nog een en ander te doen. Het is het dorp van mijn moeder en ze heeft er nog altijd banden die ze niet wil verbreken. Hoewel ik zelf nooit in het dorp heb gewoond, voelt het altijd een beetje als thuiskomen. Het dorp is zoveel knusser, gezelliger en warmer dan de strakke barakken, in rijen opgetrokken. Hier liggen de huizen verspreid, met een omheining om de koe, het schaap, de paar geiten en de kippen bijeen te houden. Kinderen spelen buiten, de wat oudere meisjes helpen hun moeder, de jongens helpen hun vader. Stapvoets rijden we het dorp door. Kindjes wuiven, mannen steken hun hand op, vrouwen roepen ons wat toe. Bij de graanboer houden we halt. We kopen een zak graankorrels en een zak meel. Bij een boomgaard kopen we appels. Domitia maakt er lekkere taarten mee en ook appelmoes, wat lekker is bij gestoofde haas. Ook voor groenten weet mijn moeder een goed adres. Ze weet precies waar ze moet zijn voor de beste kolen en wortelen.

22


‘En nu zijn we klaar zeker?’ vraagt mijn zus wat ongeduldig. Net als ik heeft ze dorst en ook trek in wat lekkers. Toch moeten we eerst nog bij de pottenbakker langs.

kommen en beker in lokaal aardewerk (3de eeuw)

Mijn moeder wil een nieuwe wrijfschaal om zaden en kruiden in fijn te stampen. Ze kiest een groot, mooi afgewerkt exemplaar. Glad aan de buitenkant met veel scherpe korrels aan de binnenkant. ‘De meid heeft er zeker weer één gebroken?’ vraagt de pottenbakker grijnzend. Iedereen weet namelijk dat Domitia een fantastische kokkin, is, maar verder erg onhandig. Het servies is bij haar niet in veilige handen. 23


‘Nee hoor,’ zegt mijn moeder. ‘Ik heb alleen graag dat ze een aparte schaal gebruikt voor komijnzaad, want dat laat zo lang een aparte smaak na. En look stampt ze ook best in een aparte wrijfschaal. ‘Tja, die Romeinse keuken …’ zegt de pottenbakker. ‘Al die specialiteitjes, dat wil ik niet op mijn eigen bord!’ ‘Ik heb die keuken wel leren appreciëren,’ zegt mijn moeder. ‘Zoals je weet is mijn man een zuiderling en die wil zijn voedsel toch ietsje pikanter dan wat men hier gewoon is.’ ‘Ja, ja,’ bromt de pottenbakker en hij zucht een keer diep. Net zoals de meeste mensen van het dorp moet hij niet veel weten van de commandant na wat er gebeurd is met de smid.

Een jongen met wolvenogen Zoals gewoonlijk blijven we de rest van de dag in het dorp. We gaan bij de familie van mijn moeder langs, een bezoek dat we nooit overslaan. Mijn moeder heeft er nood aan om wat te praten met haar zus. Hoewel zij het nog niet helemaal kan verkroppen dat mijn moeder nu samen is met de kampcommandant. Ze noemt hem nog altijd ‘die moordenaar’. Maar mijn moeder trekt zich dat niet aan en ik en mijn zus evenmin. Wij vinden het fijn om meisjes en jongens van onze leeftijd te zien. Lang blijven zij wel niet bij ons, want zij moeten de koe melken, de groentetuin wieden, graan malen, een gat in het rieten dak dichten, een afsluiting herstellen … nee, vergeleken met hen hebben wij echt wel een lui leventje!

24


Als we klaar zijn met eten – linzensoep en erna honingkoeken met een kruikje bier – lopen we naar de smederij. Want ook daar wil mijn moeder elke keer ze het kamp uit kan, even heen. De smid is namelijk de broer van haar overleden man. Terwijl mijn moeder wat met hem staat te keuvelen, scharrelen mijn zus en ik wat in de smederij rond. Ik hou ervan om in de vuren te staren en te kijken naar de werkzaamheden. Hoe het ijzer verhit wordt, hoe het dan sissend en stomend in een emmer koud water wordt gedompeld en hoe het wordt geklopt en geslagen tot de juiste vorm. De nieuwe leerjongen is een heel knappe kerel. Hij heeft bruin, wat krullend, halflang haar en groengrijze wolvenogen. Mijn zus staat nu al rond hem te draaien. Vroeger kon een bezoek aan de smid haar maar matig of zelfs helemaal niet interesseren, maar nu die jongen hier werkt, is ze ineens bijzonder geboeid hoe zo’n staaf ijzer tot een zwaardkling wordt gesmeed. Voortdurend probeert ze zijn aandacht te trekken. ‘Het is nu al welletjes, Claudia!’ fluistert mijn moeder. Maar kun je denken dat Claudia zich daar iets van aantrekt? Ze blijft rond het vuur paraderen. Af en toe kijkt de jongen op van zijn werk. Maar dan krijgt de smid het in de gaten. ‘Marcus, werk voort!’ De jongeman knikt en werkt door. Maar ondertussen loert hij vanuit zijn ooghoeken naar mijn zus. En dan knipoogt hij naar haar. Maar nog geen seconde later kijkt hij ook mijn kant uit en knipoogt hij naar mij. Naar mij! Op slag voel ik vuur op mijn wangen, een soort gloed. Mijn zus heeft het in de gaten. 25


‘Klein kind,’ zegt ze smalend als we wat later weer op de kar zitten. Ze fluistert: ‘Je moet je nu niet gaan inbeelden …’ ‘Wat moet ik me nu niet gaan inbeelden?’ zeg ik luid. Wat al voldoende is om haar de mond te snoeren. ‘Haraa!’ roep ik, luider dan nodig, hoewel het niet de bedoeling is om het paard door het dorp laten draven. ‘Rustig,’ waarschuwt Octavius. Nu we weer huiswaarts rijden, denk ik alweer aan mijn verdwenen armband. Ik hoop dat mijn vader straks niet vraagt waarom ik hem niet draag. Of misschien vraagt hij niets en denkt hij gewoon dat ik hem niet mooi vind. Ik zucht heel diep. ‘Zo jong nog en al zoveel zorgen?’ Ik antwoord er niet eens op. ‘Wat zit je weer te dromen, Livia?’ vraagt moeder. ‘Ik, dromen?’ Octavius glimlacht. ‘Je bent inderdaad nogal stil en afwezig vandaag.’ ‘Ik weet wat er aan de hand is,’ komt mijn zus tussen. Ik zucht nog maar eens. Dat ze nu toch haar mond houdt! Maar nee, daar roert ze haar snater al: ‘Ze is haar armband kwijtgespeeld …’ Maar hoe weet ze dat nu? ‘Oh,’ doet mijn moeder verschrikt. ‘Ben je hem verloren?’ ‘Maar misschien is hij wel gejat ...’ zeg ik met een klein stemmetje. ‘Wie haalt het nu in zijn hoofd om die armband te stelen?’ zegt mijn moeder. ‘Wie komt er allemaal in je kamer?’ ‘Domitia … Micia …’ ‘Domitia heeft alleen oog en oor voor koken en keuken, zij is niet geïnteresseerd in opsmuk. Bovendien is ze doodeerlijk,’ zegt mijn moeder. ‘En Micia?’ moeit mijn zus zich nu weer. ‘Ja, wat Micia betreft …’ zucht mijn moeder. 26


‘We hadden al eens iets met haar voor. Maar ze weet best wat er op het spel staat mocht het nog eens gebeuren.’ Een slavin die tot twee keer toe iets durft te stelen …? Nee, zij kan het niet zijn. Ze zal het geen twee keer riskeren! Ondertussen zijn we bij het oefenveld van de soldaten aangekomen. Vandaag zijn ze bezig met het inoefenen van de testudo, de schildpadformatie. De soldaten staan verspreid op het veld en bij het bevel van de hoofdman, de centurio, verzamelen ze zich vliegensvlug en duwen hun schilden als dakpannen tegen elkaar. De bovenkant vormt een dakje, de zijkanten en voorkant een muur. Geen speer of geen pijl die daar doorheen raakt. ‘Verspreiden!’ roept de centurio. Weer gaan de soldaten uiteen. Zo mooi, hun glimmende helmen, hun blinkende maliënkolders boven hun rode tunica. En dan die prachtige schilden! ‘Testudo,’ schreeuwt de centurio. De soldaten haasten zich naar de afgesproken plek en sluiten aaneen. En weer gaan de soldaten uiteen, terwijl ik ‘bravo’ roep en mijn zus enthousiast applaudisseert en zich de ziel uit haar lijf schreeuwt. Als ze maar kan opvallen! Ik geef een driftige ruk aan de teugels, de paarden schieten vooruit, de kar snokt erachteraan. Mijn zus dendert bijna uit de kar. ‘Hela, ’t zal gaan zeker?’ roept ze. Mijn moeder moppert iets wat ik niet wil verstaan. We rijden de poort binnen en Octavius neemt de teugels van me over. Hij laat het paard halt houden voor ons huis en we stappen uit.

27


Domitia komt ons tegemoet. Wanneer mijn moeder haar de wrijfschaal overhandigt, is ze heel erg in haar nopjes. ‘Ik zal er voorzichtig mee omspringen,’ zegt ze. ‘Het is je geraden,’ zegt mijn moeder. Als ze niet zo lekker kookte, zou ze weleens meer op haar donder krijgen omwille van al dat gebroken servies. Maar mijn moeder ziet het meestal door de vingers. Enkel wanneer het een mooie pot betreft of een beker in glaswerk, krijgt ze een uitbrander. Maar als het goedkoop materiaal van de pottenbakker hier in het dorp is, dan knijpt mijn moeder een oogje dicht.

scherven van pot in terra sigillata (3de eeuw)

28


Loden plaatje Het is nog een poosje wachten vooraleer we al liggend gaan eten. Ik loop wat ongedurig11 rond, want nu we weer thuis zijn, overvalt het me weer in duizendvoud. Die armband … Als ik nu eens wist waar ik hem verloren heb of wie hem gepikt heeft … Ik kijk toch nog even rond in mijn kamer en loop dan naar de badkamer. Wie weet vergat ik wel dat ik hem uitdeed net voordat ik in bad ging? Het is nu wel niet mijn gewoonte om met juwelen in bad te gaan, maar je weet maar nooit. Trouwens, Micia zou het wel opgemerkt hebben. Zij ruimt altijd onze kleren op. Tenzij ze de armband zag liggen en het niet kon laten hem mee te nemen. Het is vergeefse moeite. In de badkamer is geen armband te vinden, niet het minste kraaltje! Er staan alleen badspullen: flesjes met badolie, potten met zeezout en er liggen ook sponzen. Ik draai de dopjes van de flacons12 met olie en ik ruik de rozenolie die helpt om te ontspannen, de eucalyptus die verkoudheden verzacht en de kamille voor wanneer een rustige nacht nodig is. Er liggen ook dikke blokken zeep die schuimen als je ze nat maakt en op je huid wrijft. Die laten we speciaal uit Italië komen. En stukjes puimsteen natuurlijk waarmee we het eelt van onze voeten schrapen. Allemaal pure luxe dus. Maar wist je dat de soldaten ook zo’n badhuis hebben? Zij hebben een heel complex met warme, lauwe en koude baden. Naar het schijnt heel gezond! De soldaten nemen daar met velen tegelijk hun bad. Maar je kunt best begrijpen dat wij meisjes daar niet binnen mogen! Geen enkele vrouw trouwens. Of het zijn de slavinnen die zorgen voor de schoonmaak en het stoken van de vuren.

29


Ach, wat dan ook. Wij zijn al heel tevreden met een badje, lekker warm gestoomd vanuit de stookplaats die ook ons hele huis verwarmt via buizen die doorheen de muren lopen. Luxe dus die de mensen in het dorp niet hebben. Ondanks de geur van kalmerende rozenolie en kamille neemt de onrust bij me toe. Ik word hoe langer hoe chagrijniger en ik ben ontzettend kwaad op mezelf. Ik had beter op die armband moeten passen! Ik durf het echt niet aan mijn vader te vertellen. En verzwijgen zal niet helpen, hij komt het toch te weten. Als ik nu eens een loden plaatje kerf? Met daarop de tekst:

Vervloekt wie mijn armband stal! Moge de dief schele hoofdpijn krijgen tot hij of zij mijn armband teruggeeft. Dat plaatje zal ik begraven in de tuin en wanneer de schuldige er voorbij stapt, zal hij (of zij) schele hoofdpijn krijgen, dagen en weken aan een stuk. Ja, dat doe ik. En hoewel ik vermoed dat dat niets zal uithalen, wil ik het toch proberen. Maar als ik een tijdje aan het kerven ben, spookt er van alles door mijn hoofd. Wat als het gewoon mijn eigen fout is, omdat ik het ergens verloor? Dan zullen nog geen duizend vloeken en loden plaatjes helpen! Misschien is het beter dat ik het op een andere manier probeer. Als ik nu wat wierook op ons huisaltaar brand …

30


huisaltaar

Ik twijfel niet langer en doe wat ik eigenlijk al langer had moeten proberen. ‘Fortuna, godin van het geluk, ik bid u, ik ben mijn armband kwijt. Help me hem terug te vinden …’ prevel ik. Ik blijf nog een hele poos staan, zachtjes biddend, in de hoop dat ze naar me luistert. En raar maar waar, het stemt me in ieder geval toch wat rustiger.

31


Bij Jupiter Ik open de deur van mijn slaapkamer, maar schrik me te pletter. Mijn zus staat bij mijn juwelenkistjes! ‘Wat doe jij hier?’ roep ik. ‘Rustig maar,’ zegt ze, zo arrogant als maar kan. En dat alleen is al voldoende om me nog meer op te jutten en nog luider te gaan schreeuwen. ‘Bij Jupiter, wat doe jij in mijn kamer?’ ‘Bij alle Romeinse goden en alle goden van hier, stop met dat gebrul!’ overtroeft ze me. ‘Zeg dan wat je hier doet!’ sis ik, kokend van woede. ‘Niets!’ ‘Niets?’ ‘Ik wilde je alleen maar helpen!’ ‘Helpen?’ ‘Alleen maar even kijken of je armband er écht niet tussen zat. Je bent ook zo’n warhoofd!’ ‘Ik heb wel twee ogen in mijn hoofd,’ bries ik. Nu ineens zie ik dat ze haar hand zo raar houdt, verborgen in een plooi van haar kleed. ‘Wat heb je daar?’ vraag ik. ‘Niets, wat bedoel je?’ ‘Wat heb je in je hand?’ ‘Niets!’ ‘Toch!’ roep ik en ik ruk aan haar arm, waardoor ze wegloopt. Ik ren achter haar aan. Ze loopt naar de tuin, maar ik haal haar snel in. Als het op snelheid aankomt, ben ik haar wel de baas! Ik grijp haar tunica vast en pak dan haar hand beet. En jawel, je raadt het al: mijn armband! ‘Geef dat terug!’ roep ik en ik snok aan haar hand.

32


‘Laat me het uitleggen!’ roept ze en ze trekt daarbij haar arm weg. Wij hebben allebei de armband vast en we trekken allebei. Het touwtje breekt. De kralen glippen door onze vingers, ze stuiteren op de tegels, rollen tussen de potten met planten, springen in het gras. ‘O nee …!’ kerm ik. Maar ik zie dat ook mijn zus heel erg schrikt, ze slaat de handen voor haar mond, de tranen springen in haar ogen. ‘Jij pikte mijn armband?’ bries ik. Ze schudt van nee. Ze schudt dan van ja. ‘Ik wou het echt teruggeven!’ piept ze. Nu begint ze nog te grienen13! ‘Maar waarom? Eerst pikken en daarna teruggeven?’ ‘Kun je ’t niet raden?’ vraagt ze. Ik schud van nee. Hoe zou ik dat nu kunnen weten? ‘Vertel op!’ zeg ik. ‘Kun je het niet raden?’ Ik schud van nee. Ze staat te draaien met haar handen. En dan eindelijk komt het eruit. Dat ze kwaad is en jaloers, ja, jaloers! Dat vader mij overlaadt met cadeaus en dat hij nooit iets voor haar meebrengt. ‘Maar het is toch mijn vader, niet de jouwe?’ zeg ik. ‘Ja, mijn vader is dood! En je weet ook wel door wie en waarom!’ Nu begint ze nog heviger te huilen. Ik begrijp het nu allemaal wel zo’n beetje. Ik ontdooi, ik pak haar even vast. Ik ben nu niet langer kwaad, ik ben allang blij dat ik die kralen terug heb. Dat het touwtje gebroken is, is een kleinigheidje, we repareren dat in een handomdraai. ‘Kom, we rapen ze snel op,’ zeg ik tegen mijn zus en we bukken ons en beginnen te rapen.

33


Ik raap er twaalf, zij raapt er negen. ‘Klopt het?’ vraagt ze. Ik schud van nee. Het waren er tweeëntwintig. Eentje te kort. We zoeken nog een hele poos. In elke kier, in elke spleet en gaatje. Niets! ‘Niet erg,’ sus ik, ‘hij zal het nooit merken!’ Wat zou hij! Ik pak een gevlochten zijden touwtje en rijg ze eraan. Claudia knoopt het touwtje vast rond mijn pols. ‘Ben je boos?’ vraagt ze. Ik schud van nee, ik begrijp het echt wel. Ik zal er misschien mijn vader eens over aanspreken. Dat hij haar niet altijd vergeet. Dat hij ook eens iets voor haar meebrengt. Ik rommel in mijn ivoren kistje en neem er een mooie fibula14 uit. Eentje die past bij haar blauwe ogen. En mijn vader? Die heeft natuurlijk nooit gemerkt dat er een kraal weg was. Wat dacht je? Nadien heb ik nog verschillende keren naar dat ene verloren kraaltje gezocht. Ik heb het nooit, nooit meer teruggevonden.

Epiloog Het kraaltje bleef onvindbaar. Eeuwenlang bleef het verloren, verborgen in de grond. Tot in het jaar 2004. Tijdens opgravingen vonden archeologen een blauw glazen kraaltje op de plek waar het Romeinse castellum stond. Het was bijzonder genoeg om een plekje in een vitrinekast in het Romeins Archeologisch Museum in Oudenburg te krijgen. Het ligt er nu tussen de vele andere juwelen.

34


Of dit kraaltje verloren raakte zoals in bovenstaand verhaal, is natuurlijk verre van zeker. Archeologen en historici zouden zoiets nooit mogen verkondigen, een schrijver mag echter een stapje verder gaan en een eigen invulling en eigen interpretatie van de gebeurtenissen geven. Dit verhaal is dus puur verzonnen, net zoals de meisjes Claudia en Livia en hun moeder. De historische setting is wel echt. Het feit dat er in het castellum op bepaalde ogenblikken vrouwen en kinderen leefden, klopt ook. Natuurlijk waren niet alle soldaten getrouwd, maar er waren er die samenwoonden met een vrouw en die misschien ook kinderen hadden. Archeologen en historici hebben daar voldoende bewijzen voor. Er werd heel wat opsmuk voor vrouwen gevonden: halskettingen, ringen, haarspelden, armbanden, kralen. Ook spinschijfjes en vrouwen- en kinderschoenen troffen ze aan. 35


spinschijfjes en -klosjes

Het castellum van Oudenburg was een kamp dat deel uitmaakte van een verdedigingslinie aan onze Noordzeekust. De grenzen van het Romeinse Rijk moesten beschermd worden tegen invallen van Germanen. Het kamp bood plaats aan 500 manschappen waarvan ook een regiment ruiters. Rondom het kamp lag het dorp. De dorpelingen dreven handel met de soldaten. De ene soldaat kocht er bier, de ander honing of appels. Wellicht waren er ook die schapenvellen kochten om zich tijdens de koude winternachten warmer toe te dekken. Net buiten het dorp lagen enkele grafvelden.

36


Er vonden tal van opgravingen plaats in Oudenburg. Daardoor weet men nu precies waar het kamp lag en waar de barakken stonden. Bij elke opgraving kwamen er in de grondsporen ook heel wat potten, scherven, munten, stukken leer, metalen voorwerpen en juwelen aan het licht. Wil je meer weten over zo’n Romeins kamp en hoe de soldaten er leefden? Wil je zien wat er allemaal werd opgegraven? Dan is een bezoek aan het Romeins Archeologisch Museum in Oudenburg, het RAM, iets voor jou. Je kunt er heel wat voorwerpen bekijken, ook deze die hier staan afgebeeld. En je kunt er zelfs op zoek gaan naar het armbandje in het speurspel ‘Het geheim van het blauwe kraaltje’.

37


38


Woorduitleg 1 soezen = nog half aan het slapen zijn 2 castellum = Romeins legerkamp 3 klaroengeschal = getoeter van klaroen (trompet zonder of met maar één ventiel met heldere toon) 4 gesp = voorwerp om twee uiteinden aan elkaar vast te maken 5 maliënkolder = krijgshemd gemaakt van ijzeren ringetjes 6 tunica = lang kledingstuk van linnen, wol of katoen dat rond het middel werd vastgesnoerd bij de Romeinen 7 leurder = straatverkoper 8 voerman = persoon die de koets bestuurt 9 taboe = waarover mensen niet veel durven spreken 10 slib = modderige grond 11 ongedurig = onrustig 12 flacon = sierlijk flesje 13 grienen = huilen 14 fibula = sierspeld

39


40


Reis terug in de tijd naar het Romeinse soldatenkamp in Oudenburg. Livia neemt je mee op haar zoektocht naar het blauwe kraaltje dat ze kwijtspeelt. Haar zoektocht leidt langs het soldatenkamp, de pottenbakker en nog veel meer plaatsen. Maar waar ligt het kraaltje?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Anne-Mie De Leener Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook