ucatieve uitgaven
BIEB
Ecuador Tine Mortier
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
2
Ecuador
1
2
Even voorstellen! Hoi. Ik ben Loria. Mijn volledige naam is Loria Christina Arianne Ayavaca Flores. Drie voornamen dus, en twee achternamen. Dat komt omdat ik van twee landen afkomstig ben: de helft van België en de andere helft van Ecuador. Mijn vader komt uit Ecuador, in Zuid-Amerika. Daar krijgen alle kinderen een dubbele achternaam: die van hun vader én hun moeder. Omdat ik in België geboren ben, heb ik de volledige achternaam van mijn vader gekregen. Eigenlijk is dat dus de achternaam van mijn opa en mijn oma in Ecuador, wat een beetje raar is. Volgens de regels van ginder had ik de eerste achternaam van mijn vader en die van mijn moeder moeten krijgen. Dan zou het Loria Ayavaca Mortier geweest zijn. Ingewikkeld, hé? Meestal zeg ik gewoon dat ik Loria Flores heet. Dat is een stuk gemakkelijker. Ik ben nu dertien, maar een paar jaar geleden – toen ik ongeveer zo oud was als jullie nu – hebben we een grote reis gemaakt naar Ecuador. Vijf weken zijn we daar geweest! Het was de mooiste reis van mijn leven. Ik was er nog nooit geweest, dus alles was helemaal nieuw. Het was reuzespannend. In dit boek vertel ik jullie over mijn reis. Over de spuitjes die we moesten krijgen, hoe we bijna 5.000 kilometer met de wagen rondtrokken en hoe we een vulkaan omhoog reden. Over nieuwe familie, raar eten, spuwende lama’s en nog veel meer. Heb je zin om mee met mij op reis te gaan? Daar gaan we dan!
3
Een pijnlijke voorbereiding Mijn moeder boekte de tickets in maart en vier maanden later zouden we vertrekken. Cool, dacht ik. Nog even geduld en dan gewoon zorgen dat we op tijd onze valiezen maken. Toch? Hm. Niet echt. Als je naar de andere kant van de wereld vertrekt, komt er nogal wat bij kijken. Er moeten een heleboel dingen geregeld worden: • De vliegtuigtickets, natuurlijk. • Een hotel voor de eerste nacht – daarna zien we wel weer, zei mijn moeder. En ze had gelijk. We hebben nooit buiten moeten slapen. • Een auto om rond te trekken. Ecuador is namelijk best groot: meer dan acht keer groter dan België. • Spuitjes. Van de meeste dingen moest ik mij niets aantrekken, maar dat laatste was helaas voor iedereen. Mijn moeder had op het internet opgezocht welke vreselijke ziektes je allemaal kon krijgen in Zuid-Amerika en dat waren er heel wat. We moesten daarom met zijn allen naar het ziekenhuis in Gent. Daar is een afdeling ‘tropische ziekten’ waar ze je alle spuitjes kunnen geven die je nodig hebt. Het waren er niet minder dan vier: • tegen hepatitis (dat is een ziekte aan je lever), • tegen tetanus (dan krijg je van een klein wondje een erge ontsteking waar je dood van kunt gaan), • tegen hondsdolheid, • en tegen gele koorts. En dat gaat allemaal in je kont en in je arm. Maar ik heb niet gehuild! Geen traan. Want wie naar Ecuador wil vertrekken, moet wel een beetje stoer zijn, vind ik.
4
Dit ben ik, met mijn moeder en mijn twee broers, Inti en Nando. Hier zijn we net in Zuid-Amerika geland.
5
Vliegen, slapen en wachten. Vooral wachten. Helaas pindakaas: er gaat geen vliegtuig rechtstreeks vanuit België naar Ecuador. We moesten maar liefst twee keer overstappen: eerst in Amsterdam in Nederland en dan in Lima in Perú (dat spreek je uit als Peeroe, met de nadruk op de oe), een van de buurlanden van Ecuador. Overal moesten we keilang wachten. In Amsterdam wel bijna acht uur en in Lima nog eens drie uur! Dat is vreselijk saai, want er valt niet veel te beleven op een luchthaven. Je kunt wel een keer naar de winkels gaan kijken, maar dat is ook niet zo spannend. Ze verkopen er vooral veel drank en sigaretten en parfum. Niets voor mij dus. En voor souvenirs was het nog veel te vroeg. Ik verveelde me stierlijk1. Van de luchthavens herinner ik mij dan ook niet veel. Ik weet vooral dat het vreselijk lang duurde en dat ik heel hard mijn best heb gedaan om overal zoveel mogelijk te slapen. Mijn broers ook, trouwens, en mijn moeder. Mijn vader was de enige die wakker bleef. Zo kon hij een oogje in het zeil houden, zei hij. Hij is altijd superbezorgd! In het vliegtuig waren er gelukkig wel films en koptelefoons om naar muziek te luisteren. En je kon er de hele tijd drankjes krijgen.
6
Bovendien was het er zó groot, dat je bijna een wandeling kon maken. Maar dat mocht niet van mijn moeder. Ze was bang dat ik zou verdwalen. Tsss.
Gelukkig hadden ze in de luchthaven makkelijke zetels om een dutje te doen.
7
8
Leguanen en nog meer leguanen Toen waren we eindelijk in Guayaquil. Ik kon bijna niet wachten om alles te gaan bezoeken. We begonnen met een bezoekje aan het park om de hoek van het hotel. Daar heb ik een beetje mijn hart verloren aan … leguanen. Die zijn echt ongelofelijk leuk! Ze zijn tamelijk lui: ze liggen bijna de hele dag te zonnen. Daardoor kun je tot heel dicht bij hen komen. Je kunt ze zelfs eten geven. Vooral met een stukje watermeloen zijn ze makkelijk te lokken. Ze zijn er dol op. Leguanen zijn een soort grote hagedissen. Met staart en al kunnen ze tot twee meter lang worden! Dat is behoorlijk groot, al moet ik er wel bij vertellen dat vooral hun staart heel lang is. Die wordt dubbel zo lang als hun lijf. En op hun rug hebben ze een kam met stekels. De leguanen in het parkje zaten werkelijk overal: in het gras, onder en op de bankjes, in de bloemenperken en in de bomen. Je moest uitkijken waar je stapte, of je kon er zomaar op trappen. Dat was best grappig, want als je een leguaan doet schrikken, gaat hij er heel snel vandoor. Zijn poten draaien dan raar in het rond alsof hij aan het peddelen is. Leguanen zien er nogal gevaarlijk uit – ze lijken een beetje op dinosaurussen, vind je niet? – maar dat zijn ze echt niet. Ze eten vooral insecten en planten en vallen geen mensen aan. Het zijn goede klimmers en ze zitten dan ook vaak in de bomen. Er was één boom in het park waar wel twintig leguanen of meer in zaten. En dat is meteen het enige gevaarlijke aan die beestjes. Als je onder zo’n leguanenboom loopt, moet je dus goed uitkijken. Anders zou je zomaar iets op je hoofd kunnen krijgen. Iets wat niet zo lekker ruikt …
9
Kersverse familie! Enkele dagen later gingen we onze familie bezoeken. Die wonen bijna allemaal in Cuenca. Dat is de derde grootste stad in Ecuador en het is er echt prachtig mooi. Ik heb een heel grote Ecuadoraanse familie. Mijn vader heeft zomaar eventjes drie broers en zeven zussen, en de meeste van hen hebben ook kinderen. Daarnaast zijn er nog een heleboel ooms en tantes en neven en nichten van mijn vader, maar die ken ik niet allemaal bij naam. Daarvoor zijn het er echt te veel. Ik kreeg dus zomaar opeens een kersverse familie! Hieronder zie je mij met twee van mijn nichtjes.
10
Het was een beetje vreemd om ineens zoveel familie te hebben. Ik had al wel foto’s van hen gezien en sommigen had ik ook al op Skype gezien. Maar het was de eerste keer dat ik hen in het echt ontmoette. En het moeilijkste van alles was dat ze Spaans praten. Zelf spreek ik niet zo goed Spaans. Ik begrijp meestal wel wat ze zeggen, maar ik kan nog niet goed antwoorden. Gelukkig vonden ze dat niet erg. En met een paar woorden Engels lukte het ook. Iedereen verstond prima wat ik wou zeggen. Of ze deden goed alsof. Ik heb mijn neefjes en nichtjes zelfs liedjes geleerd in het Nederlands! Na een paar dagen konden ze al ‘Klein, klein kleutertje’ zingen. De eerste avond in Cuenca was er een familiefeest. Dat hadden ze speciaal voor ons georganiseerd. Ecuadoranen zijn goed in feesten. Ze houden van muziek en lekker eten. En bijna iedereen speelt een instrument! Mijn broers en ik trouwens ook. Zelf speel ik cello en gitaar, Nando speelt piano en Inti speelt gitaar en piano. We hebben een klein concertje gehouden en daarna hebben we gezongen en gedanst tot laat in de nacht. Dat was super. In België mag ik nooit zo lang opblijven!
11
De allermooiste stad Misschien moet ik ook iets over Cuenca vertellen. Het is tenslotte de stad waar ik vandaan kom en dat is best iets om trots op te zijn. Cuenca heeft meer dan 400.000 inwoners en bestaat al erg lang. Aan het begin van de 16e eeuw was er op dezelfde plek een stad van de Inca’s: Tomebamba. De Inca’s waren een indianenvolk dat in Ecuador en Perú leefde. Ze hadden een groot en machtig rijk, dat op een bepaald ogenblik tot in Colombia, Bolivia, Argentinië en Chili kwam. Het was het grootste rijk ter wereld en er woonden miljoenen mensen. De Inca’s hadden een rijke cultuur: ze bouwden reusachtige tempels, legden wegen aan in steen om van de ene kant van hun rijk naar de andere te raken, maakten terrassen voor landbouw en bouwden bruggen. Daarnaast waren het ook fantastisch goede ambachtslieden. Ze produceerden schitterende voorwerpen in zilver en goud, zoals je hieronder kunt zien. Veel inwoners van Cuenca zijn rechtstreekse afstammelingen van de Inca’s. Maar de meesten zijn zoals ik: een mengelmoesje van allerlei rassen.
12
Cuenca is een van de mooiste steden van Ecuador. Misschien wel de allermooiste. En ik ben heus niet de enige die er zo over denkt! De stad is zó mooi, dat het centrum op de lijst staat van Werelderfgoed. Op die lijst staan alleen maar dingen die iedereen prachtig vindt en die belangrijk zijn voor de hele wereld. Die worden dan beschermd, zodat er niets mee kan gebeuren. Dat betekent dus dat het centrum van Cuenca een soort museum is. De oude huizen, pleinen en kerken mogen niet zomaar verbouwd worden. Alles moet zoveel mogelijk blijven zoals het is. En dat is maar goed ook. Want er zijn ontzettend veel bijzondere plekjes in Cuenca. Mijn lievelingsplek vind je op de volgende bladzijde: de bloemenmarkt. Ze verkopen er prachtige snijbloemen in alle kleuren. Die worden allemaal in Ecuador gekweekt. Het ruikt er heerlijk en vele verkoopsters dragen nog de traditionele Cuencaanse klederdracht: een wijde, al dan niet geborduurde rok, een omslagdoek om hun schouders en een hoed. Hun haar dragen ze in een lange vlecht op hun rug.
13
14
Er zijn veel verschillende markten in Cuenca. Eigenlijk kun je er bijna alles kopen op de markt: eten en drinken, dieren, meubels, boeken, potten en pannen, speelgoed, auto’s en ga zo maar door. Je vraagt je af waarom er nog winkels bestaan. Oh, en ze verkopen er ook hoeden! Panamahoeden, om precies te zijn. Dat zijn hoeden die gemaakt worden van gedroogde en gevlochten bladeren. Ze worden helemaal met de hand gemaakt en het duurt een dag of twee voor er eentje af is. Als je een echt goede, sterke hoed wilt, betaal je wel wat meer. Maar dan heb je een hoed die helemaal voor jou op maat is gemaakt. Echt waar. Ze nemen de maat van je hoofd en maken zelfs een soort nephoofd waarrond ze de hoed vlechten. Soms werken ze maandenlang aan één enkele hoed. Die gaat dan ook je hele leven lang mee. (Tenzij je hoofd opeens heel erg zou gaan zwellen. Of krimpen. Maar ik denk niet dat dat kan.) De naam van de hoeden klopt eigenlijk niet. Je zou verwachten dat Panamahoeden in Panama gemaakt worden, maar dat is dus niet zo. Ze komen echt uit Ecuador. Daar noemen de mensen ze trouwens anders: het zijn ‘sombreros de paja toquilla’, ofwel ‘hoeden van toquilla-stro’. Wij noemen ze Panamahoeden omdat ze vroeger met de boot via Panama naar Europa gingen. Bovendien is er in Panama een kanaal dat de Stille Oceaan met de Atlantische Oceaan verbindt. Dat is er niet vanzelf gekomen. Dat hebben ze gegraven. De mannen die aan dat kanaal moesten werken, stonden de hele dag in de brandende zon. Dus hadden ze een hoed nodig. En je mag drie keer raden welke hoeden ze daarvoor gebruikten. Juist, ja!
15
De vrolijkste markt ter wereld Van markten gesproken: wij hebben in Ecuador de vrolijkste markt ter wereld bezocht, in Zumbahua (dat spreek je uit als zoembawa). Het is er een bonte wirwar van kleuren, geuren, zalige lekkernijen en schattige beesten. Na vijf minuutjes op de markt, loop je de rest van de dag met een glimlach op je gezicht! Zumbahua is een dorpje op 3.500 meter hoogte. Dat is heel hoog. Daardoor is het er tamelijk koud, zoals je op de foto’s kunt zien. Iedereen draagt er dan ook een dikke sjaal of een poncho2. En een zelfgebreide muts erbij! Veel van die sjaals en mutsen zijn gemaakt van lamawol. Op de markt kun je zowel de wol, de poncho’s én de lama’s kopen. Nu hoor ik je al denken: pff. Zo’n beest wil ik niet. Dat ziet er wel erg lief en schattig en pluizig uit, maar het is gemeen. Want lama’s spuwen, dat weet iedereen. Wel, ja. Je hebt gelijk.
16
Maar je kunt natuurlijk ook een alpaca kopen. Die lijkt erg goed op een lama. Kijk maar naar de foto hieronder. Alpaca’s zijn alleen iets kleiner en ze zijn zelfs nog schattiger. En bovendien spuwen ze niet! Toch is de alpaca geen doetje. Hij wordt zelfs ingezet tegen vossen. Alpaca’s zijn namelijk erg stoer. Als ze aangevallen worden door een vos, dan rennen ze niet weg zoals de meeste dieren. Integendeel. Ze gaan in de aanval om hun groep te beschermen. De lama’s werden tussen 4.000 en 5.000 voor Christus tam gemaakt door de Inca’s. Zij hielden de dieren vooral als lastdier, want paarden waren er in die tijd nog niet in ZuidAmerika. Die zijn er pas gekomen nadat de Spanjaarden er in 1492 aankwamen. Lama’s zijn erg sterk. Ze kunnen overleven op grote hoogtes en dragen tot 60 kilogram op hun rug. Per dag kunnen ze op die manier 15 tot 30 kilometer afleggen. De Inca’s hadden een groot rijk, dus kwamen de lama’s goed van pas. Ze hadden hele karavanen3 met lama’s om hun goud en zilver te vervoeren. Maar de lama’s werden ook gekweekt voor hun wol en voor het vlees. Erg, hé? Zou jij zo’n schattig beest kunnen opeten? Ik alvast niet!
17
Sneeuw, vuur en hoofdpijn Van de markt van Zumbahua is het maar een paar uur rijden naar de Cotopaxi. Dat is de tweede hoogste berg van Ecuador en een van de hoogste actieve vulkanen ter wereld. Hij is 5.897 meter hoog. Dat is een stuk hoger dan de Mont Blanc in Frankrijk – die is maar 4.810 meter hoog – lekker puh. Er is altijd veel volk op de Cotopaxi, ook al is de vulkaan nog actief. Dat betekent dat er binnenin nog altijd vuur en lava zit en dat er op elk moment een uitbarsting zou kunnen komen. Eeuwen geleden zijn er verschillende uitbarstingen geweest, waarbij dorpen in de buurt volledig van de kaart werden geveegd. Gelukkig is er nu niet zoveel gevaar meer. Tegenwoordig kunnen de wetenschappers tamelijk goed voorspellen wanneer er kans is op een uitbarsting. Dan wordt iedereen geëvacueerd (dat is een moeilijk woord voor ‘weggebracht’).
18
Ook wij zijn de Cotopaxi gaan bezoeken. Hij ligt in een nationaal park waar de natuur beschermd is. Het landschap is kaal en ruw, maar toch is het er erg mooi. Toen we bijna boven waren, zijn mijn vader en mijn broers een eindje de berg op gerend, tot bij de sneeuw. Dat was best grappig: ze hadden geen bergschoenen aan en zelfs geen jas. Ze liepen gewoon op hun sandalen en in een poncho de berg op. En ze gingen sneller dan alle toeristen met hun speciale bergbeklimmersuitrusting. Ik heb niet meegedaan, hoor. Ik zal wel gek zijn! Samen met mijn moeder ben ik lekker in de warme wagen blijven zitten. Eerlijk gezegd: we hadden een beetje hoofdpijn. Dat is normaal op grote hoogtes. Er zit dan minder zuurstof in de lucht en daardoor krijg je last van je hoofd. Bovendien was het vreselijk koud daarboven en ik had helemaal geen zin in sneeuw of vrieskou. Dat hebben we hier in België al genoeg. Als ik op reis ga, heb ik het liever lekker warm. Dat is er gelukkig ook in Ecuador, maar eerst moesten we nog iets anders bezoeken: Ingapirca.
19
De muren van de Inca Ingapirca is een dorp in de Andes4. De naam is Quichua (dat spreek je uit als kietsjuwa), de taal van de Indianen, en betekent letterlijk ‘De muren van de Inca’. Naast het dorp vind je namelijk de belangrijkste Inca-ruïnes van Ecuador. De Inca’s waren ontzettend goeie architecten. Dat kun je ook nu nog zien aan de overblijfselen van hun bouwwerken. Ze gebruikten geen mortel5 om de stenen op elkaar vast te zetten, maar toch staan de gigantische blokken heel erg stevig op elkaar. Ze zijn zo perfect gekapt dat ze precies aansluiten. Je kunt er zelfs geen speld tussen krijgen. Het belangrijkste gebouw in Ingapirca is de zonnetempel. Die heeft de vorm van een ellips (een uitgerekte cirkel dus) en is gebouwd rond een groot rotsblok. Je kunt de tempel zien op de foto hiernaast. Hij is zo gebouwd dat het zonlicht exact door de deur van de smalle kamer bovenop de tempel binnenvalt. Dat gebeurt maar twee keer op een jaar: op 21 juni en op 21 december. Die dagen noemen we de zonnewende, de dagen waarop de dagen korter (in juni) of langer (in december) beginnen te worden. De Inca’s kenden die momenten. Dat betekent dat ze wel het een en ander afwisten van de zon en de aarde en de beweging ervan.
20
Tot op vandaag vieren de indianen in Ingapirca feest op die dagen. Ze doen dat ter ere van de zon en de maan die ze al eeuwenlang aanbidden. Toch is het een beetje vreemd dat de zonnewende zo belangrijk is in Ecuador. Omdat het land precies op de evenaar ligt, zijn de dagen daar namelijk altijd even lang. Elke dag van het jaar komt de zon op net hetzelfde moment op en gaat ze op net hetzelfde moment onder. Je kunt er je horloge gelijk op zetten! Men is er nog altijd niet helemaal zeker van waarvoor de andere gebouwen in Ingapirca precies dienden. Het was waarschijnlijk een soort fort voor soldaten en een opslagplaats voor voedsel voor het leger. Tegen de tijd dat de Spanjaarden er aankwamen, was alles verlaten en niemand weet waarom. Mysterieus!
21
Aan tafel! Van al die mysteries krijg ik honger. En ik heb je nog niets verteld over het lekkere eten in Ecuador! Dat eten kan ik eigenlijk het best zo samenvatten: • Aardappelen (die komen oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, wist je dat? Vroeger hadden we dat niet in Europa!) • Maïs (ook al uit Zuid-Amerika. Ze hebben ontelbaar veel soorten. Wat wij in België eten noemen ze hier kippenvoer.) • Bananen (uit Afrika. Haha! Maar ze telen ze ook in Ecuador. Ze worden warm en koud gegeten en er zijn wel tien soorten. Echt waar. Zelfs roze en zwarte!) • Vlees. Dat vlees is soms wel anders dan wat wij gewoon zijn. Om te beginnen zijn Ecuadoranen heel zuinig op vlees. Als ze een beest slachten, dan eten ze dat helemaal op. En dan bedoel ik echt helemaal. Je hoeft dus niet raar op te kijken als je een pan ziet zoals hieronder.
22
Daar zit al het vlees van het varken in. De gewone dingen zoals bij ons: koteletjes (de ribben van het varken) en worst en spek, maar ook de neus en gebakken stukjes vel. En van het bloed maken ze bloedworst. Het ziet er raar uit, maar het is eigenlijk erg lekker. Ook van de kip gebruiken ze alles. Het is even schrikken als je kippensoep eet en plots een poot in je bord vindt. Maar het gekste is toch ‘cuy’. Dat spreek je uit als ‘koei’, maar het heeft helemaal niets met koeien te maken. Cuy is een hamster. Die eten ze in Ecuador gewoon op. Ze maken ze klaar aan het spit, zoals wij hier kip eten. Cuy smaakt een beetje zoals konijn, maar het is moeilijker om te eten. Een hamster is namelijk een erg klein beest, en het is nogal peuteren … Voor ons is het raar om hamster te eten, omdat dat voor ons een huisdier is. Zo’n schattig, knuffelig beestje dat je in een kooitje houdt. Maar voor een Ecuadoraan is het gewoon een beest om op te eten. Dat is eigenlijk ook wel logisch. Het heeft alles met geschiedenis te maken. Ik leg het je even uit. Vóór de Spanjaarden naar Zuid-Amerika gingen, leefden er geen hamsters in Europa. In Ecuador dus wel. Er zaten zodanig veel hamsters dat je er bijna op trapte zodra je een voet verplaatste. Echt ontzettend veel hamsters dus. De Spanjaarden vonden het een bijzonder beest en namen het mee naar Spanje. Ze vingen een hoop hamsters en staken die in een kooi. Maar de reis naar Europa was lang: het duurde maanden om met hun schip van Zuid-Amerika naar Europa te zeilen. Je kunt je dus wel voorstellen dat er onderweg nogal wat beestjes doodgingen. Tegen de tijd dat ze met hun hamsters in Europa aankwamen, hadden ze er maar een paar meer over. En die wilden ze natuurlijk heel duur verkopen.
23
Je kunt je wel inbeelden dat de rijke mensen die de hamsters kochten, ze niet in de pot wilden steken. Integendeel. Ze hadden er enorm veel voor betaald. Daarom wilden ze dat de beestjes lang zouden meegaan. Dus besloten ze om ze als huisdier te houden. Ze deden de hamsters cadeau aan hun kinderen. De Europese hamsters hadden dus een mooier leven dan hun Zuid-Amerikaanse broertjes en zusjes. Want die belandden – zoals je op deze foto kunt zien – nogal vaak op iemands bord!
24
Pech onderweg En toen kregen we autopech. Tja. Dat kan gebeuren als je een tweedehandsje koopt dat 28 jaar oud is. Dan gaat er weleens iets stuk. Helaas gebeurde dat niet één keer, zelfs niet twee keer, maar niet minder dan vier keer! We kregen een lekke band, de motor ging stuk, het regende binnen en ook de ruitenwissers deden het niet meer. Dat laatste was het meest vervelende: het gebeurde net toen we in de gietende regen naar het oerwoud reden. Gelukkig is mijn vader erg handig en vindt hij op alles een oplossing. Hij bond een touwtje vast aan de ruitenwissers en deed dat door het raam naar binnen. Toen moesten hij en mijn moeder elk op beurt trekken. Links, rechts, links, rechts. Zo gingen de ruitenwissers toch heen en weer. Anders zagen we niets. Echt waar. Het leek wel een tekenfilm! Ook voor het water dat langs alle kanten de auto binnenkwam, had hij een oplossing: mijn broer moest gewoon alle lekken met een dikke rol tape afplakken. Het zag er erg gek uit, maar het werkte wel!
25
Chocopasta en regenwoud Het duurde nogal lang en we werden af en toe behoorlijk nat onderweg, maar eindelijk kwamen we dan toch aan in het regenwoud. Het regenwoud is een heel bijzondere plek. Het is een reusachtige jungle waar het hele jaar door erg veel regen valt. Nog meer dan in België, al lijkt het misschien moeilijk om dat te geloven! Gelukkig is het er niet koud zoals hier. Zelfs wanneer het regent, blijft het er altijd lekker warm. Ook al lijkt het oerwoud in Ecuador ontzettend groot, toch is het maar een klein stukje van het Amazoneregenwoud, dat zich over een groot stuk van Zuid-Amerika uitstrekt. Slechts 1,5 procent ervan ligt in Ecuador. Het Amazoneregenwoud is dan ook het grootste regenwoud op de hele wereld. Het heeft een totale oppervlakte van niet minder dan zeven miljoen vierkante kilometer en het is verspreid over negen landen: Brazilië (het allergrootste stuk, met 60%), Perú, Colombia, Venezuela, Bolivia, Guyana , Suriname, Frans-Guyana en Ecuador. Er leven onvoorstelbaar veel dieren: grote beesten en kleintjes. Er zijn ongeveer 100 miljoen soorten insecten, honderdduizenden soorten planten en bijna tweeduizend soorten vogels en zoogdieren. Eén op de vijf van alle vogelsoorten ter wereld leeft in de regenwouden van het Amazonegebied. En elke dag worden er nog planten en dieren ontdekt die vroeger nog niet bekend waren. Miljoenen soorten dus. Dat is onvoorstelbaar veel. Het Amazoneregenwoud is dan ook heel belangrijk voor de aarde. Niet alleen zorgt het voor al die verschillende soorten dieren en planten, het is ook een bron van zuurstof. Helaas is er een probleem: mensen kappen het oerwoud. Dat doen ze om van het hout van de bomen mooie meubels te maken. Tuinmeubels, bijvoorbeeld. Die kun je dan in België kopen. 26
Maar ze willen de grond ook gebruiken voor veeteelt en landbouw. Wist je dat er veel bomen worden omgehakt om palmen te planten voor palmolie? En weet je waar die palmolie onder andere in zit? In de chocopasta die je op je boterham smeert! Bovendien zit er olie in de grond van het regenwoud, zodat grote bedrijven ernaartoe gaan om te boren. Ze leggen dan oliepijpleidingen aan om de olie naar andere landen te brengen. En dat is een probleem: de leidingen lekken nogal. Daardoor komt er vervuiling in de grond en in het drinkwater van de plaatselijke bevolking en van de dieren. Die worden daar natuurlijk ziek van, maar dat kan de grote bedrijven niets schelen. Als zij maar winst maken. Tegenwoordig zijn er veel indiaanse organisaties die zich verzetten tegen de oliemaatschappijen en tegen het kappen van het bos. Gelukkig maar: er is al een vijfde van het regenwoud verdwenen! Wat denk je: zullen we toch maar een boterhammetje minder eten met chocopasta?
27
Maar voor de rest is het regenwoud gewoon een fantastische plek: er zijn superlieve mensen, lekker eten en prachtige natuur. En ze hebben de meest fantastische huisdieren! Het aapje hieronder is van mijn familie in Puyo. Ze wonen aan de rand van het regenwoud en op een dag vonden ze dit beestje. Het mankte een beetje en waarschijnlijk was het daarom achtergelaten door de rest van de groep. Dieren die gewond of ziek zijn, kunnen niet mee en brengen zichzelf en de groep in gevaar. Mijn familie heeft het meegenomen naar huis en verzorgd. Het mankt ondertussen niet meer, maar het blijft gewoon bij hen wonen. Leuk toch, zo’n aapje als huisdier? Het is een doodshoofdaapje. Die heten zo omdat ze een tekening op hun gezicht hebben die aan een schedel doet denken. Ze hebben een zachte vacht en hun kleur is grijs met oranje en geel. Ze worden niet groot: maximum 36 centimeter. Maar hun staart kan best lang worden, meer dan 40 centimeter. Ze kunnen tot 30 jaar oud worden. Doodshoofdaapjes eten van alles. Vruchten, bessen, noten, spinnen en insecten. Maar ook kleine beestjes, zoals muizen. Als je een tam doodshoofdaapje hebt, dan komt het gewoon op je schouder zitten. Het is heel lief en geeft kopjes zoals een kat. En het haalt de luizen uit je haar.
28
Bananenbladeren en tattoos Bananenbladeren en tattoos. Dat zijn twee heel belangrijke dingen in het Ecuadoraanse regenwoud. Ik leg het even uit. Bananenbladeren kun je voor van alles gebruiken. Als het regent en je hebt geen paraplu, dan pluk je zo’n blad en je houdt het boven je hoofd. Dan word je niet nat. Maar dat is niet alles: ook in de keuken komen bananenbladeren goed van pas. In het regenwoud gebruiken de mensen veel minder potten om te koken. Ze wikkelen hun rijst en vis in een bananenblad en leggen dat zo op het vuur. Heerlijk! En wanneer het eten klaar is, gebruiken ze nóg een bananenblad. Om de tafel te dekken. Er is wel één ding waar je moet aan denken als je op zijn indiaans wilt tafelen: leg het blad altijd met de onderkant naar boven! Waarom? Denk eens na … In het regenwoud zitten vreselijk veel beestjes, toch? En die doen wel eens wat. Dat valt dan op de bovenkant van het blad, niet op de onderkant. Dus als je liever geen viezigheid wilt eten, denk daar dan aan!
29
De tattoos zijn eigenlijk geen echte tattoos. Het zijn eerder een soort schilderingen op je gezicht en op de rest van je lijf. Daarvoor gebruiken de indianen in het regenwoud twee verschillende soorten verf. De rode verf die je op de foto’s hieronder ziet, is achiote (dat spreek je uit als atsjotee). Dat is een struik waaraan een soort bolster groeit met zaadjes erin. De zaadjes worden geweekt in water of gemalen, om er verf van te maken. Indianen geloven heel sterk in het bestaan van geesten. Wanneer iemand doodgaat, blijft zijn of haar geest in het dorp ronddwalen. Dat klinkt een beetje eng, maar dat is het niet. De geesten beschermen het dorp en de familie tegen allerlei kwaad, dus je moet er niet bang voor zijn. Alleen wanneer je niet echt bij de familie hoort, heb je een probleem. Dan proberen de geesten je weg te jagen. Omdat wij alleen maar op bezoek waren, kenden de geesten ons niet. Daarom kregen we elke avond deze tattoos op ons gezicht. Zo wisten de geesten dat wij bij de familie hoorden en zouden ze ons niet lastig vallen. Zoals ik al zei: het is geen echte tattoo. De strepen worden gewoon met een stokje op je gezicht geschilderd, dus dat doet geen pijn. En de volgende dag was je alles er gewoon weer af. Want overdag zijn er geen geesten. Of het werkt? Dat weet ik niet zeker. Maar we zijn in elk geval nooit door de geesten uit ons bed gejaagd …
30
Mijn broers kregen nog een andere tattoo: eentje met wituk (wietoek). Wituk is een boom uit het regenwoud, waaraan een soort vrucht groeit die binnenin wit is. Het vruchtvlees wordt geraspt en gekookt in een bananenblad op het vuur. Wanneer dat klaar is, kun je het uitknijpen en dan komt er zwart sap uit. Dat sap gebruiken de indianen alleen voor speciale feesten. Ze maken hun haar er dan extra zwart mee en versieren hun gezicht en hun lichaam met speciale tekeningen. Maar als je het lief vraagt, krijg je ook een tattoo zonder dat er een speciale gelegenheid moet zijn. Zo kreeg mijn broer Nando een jaguar op zijn rug en Inti kreeg een slang op zijn bovenarm. Je kunt ook je gezicht versieren, maar dat is misschien niet zo’n goed idee. De rode achiote kun je er namelijk makkelijk afwassen met water, maar de zwarte wituk niet. Dat blijft minstens twee weken zitten. Zelfs als je boent met een sponsje en zeep. Misschien niet zo handig als je een week later naar school moet!
31
Een sjamaan in de familie Er zijn nog andere bijzondere gebruiken bij onze familie in het regenwoud. Zo moeten we tijdens ons verblijf minstens één keer een reiniging doen. Een wat? Een reiniging. Tja. Indianen geloven niet alleen in geesten, ze zijn er ook van overtuigd dat de ziel van een mens vuil kan worden. Zoals je voeten vuil worden door in de modder te lopen, wordt je ziel vuil door slechte dingen die gebeuren.
32
Door te roddelen, bijvoorbeeld. Of doordat er over jou geroddeld wordt. Of door snoepjes te pakken uit de kast, terwijl je weet dat je niet mag van je moeder. Gelukkig kan je ziel ook gewassen worden, net zoals je vuile voeten. Je hebt er alleen een sjamaan voor nodig. En die hebben wij toevallig in onze familie! Onze oom is een sjamaan: een soort priester en dokter tegelijkertijd. Hij kent ontzettend veel van planten en kan ook magie. De planten gebruikt hij om mensen te genezen van allerlei ziektes of van een slangenbeet. En zijn magie gebruikt hij om de toekomst te voorspellen. Bij een reiniging moet je in het midden van de hut gaan zitten en dan slaat de sjamaan met bladeren van struiken op je blote vel. Dat is om de slechte geesten te verjagen. Ondertussen zegt hij allerlei woorden waar ik niets van begrijp. Ik denk dat het een toverformule is in het Quichua. Daarna rookt hij een soort sigaar en blaast hij de rook over je heen. Vreemd hé? En dat is nog niet alles! Op het einde van de reiniging neemt hij een flesje dat er erg eng uit ziet. Daarin zit bruin sap met allerlei dingen erin. Kruiden en bladeren en soms ook een paar insecten. Uit dat flesje neemt hij een flinke slok en die spuwt hij over je heen. Dat vind ik eerlijk gezegd een beetje vies. Daarom heb ik die reiniging zelf niet laten doen. Gelukkig was het voor mij niet verplicht: alleen de volwassenen en de grootste kinderen moeten dat doen. Volgens mijn broers werkte de reiniging trouwens echt wel. Ze voelden zich superlekker nadien, zeiden ze. Dat kan best zijn. Maar ik vond dat ze een raar geurtje hadden!
33
Op zoek naar walvissen en golven Onze reis zat er bijna op. Er was maar één plek waar we nog niet waren geweest: de zee. Ecuador grenst aan de Stille Oceaan. Elk jaar komen daar tussen juni en oktober groepjes walvissen voorbij. Het zijn bultruggen: een grote vinvis met een brede, ronde kop en lange borstvinnen. Een bultrug kan 12 tot 16 meter lang worden en weegt soms wel 30 ton. Dat is 30.000 kilo! Maar in het water lijkt hij niets te wegen. Hij springt soms helemaal boven het water uit en slaat met zijn grote staartvin op het wateroppervlak. Echt spectaculair! Als je bultruggen wilt spotten, kun je met een bootje de zee op varen. Ze komen tamelijk dicht tot bij de bootjes, dus je moet wel een zwemvest aan. Bultruggen zijn dan wel geen vleeseters, maar het lijkt me geen goed idee om er een rondje mee te gaan zwemmen.
34
Net zoals vele andere dieren in Ecuador, wordt ook de bultrug door de mensen bedreigd. In het verleden werd er veel op deze walvissoort gejaagd: vanaf de prehistorie door de Eskimo’s en indianen, en later ook door de Vikingen. Gelukkig werden er in die tijd niet zoveel walvissen gevangen. In de 19e eeuw werd het echter een stuk erger: toen waren er hele vloten die op walvissen gingen jagen. Het was zelfs zo erg, dat de bultruggen met uitsterven bedreigd waren. Mensen maakten ze dood voor hun olie, die gebruikt werd als smeermiddel en in margarine. Maar ook voor hun botten en hun vlees. Gelukkig werd de jacht in 1966 verboden en nu gaat het weer beter. Er zijn steeds meer van deze prachtige dieren. Toch zijn ze nog niet helemaal veilig. Vaak worden ze aangevaren door schepen of raken ze verstrikt in de netten van vissers.
35
Maar er valt nog van alles te beleven aan de kust van Ecuador. Je kunt er bijvoorbeeld prima surfen. De kust van Ecuador is meer dan 2.000 km lang en er zijn een boel stranden waar het hele jaar door gesurft kan worden. Er komen surfers van over de hele wereld naartoe. Een van de mooiste stranden daarvoor is Montañita (dat spreek je uit als Montanjieta). De golven zijn er in de winter wel twee meter hoog. Daar gingen wij naartoe, want mijn broers wilden leren surfen. Gelukkig gingen we in de zomer wanneer de golven een stuk kleiner zijn. Anders waren ze vast verdronken. Niet dat ze niet kunnen zwemmen, integendeel. Ze zwemmen allebei als waterratten. Maar het surfen bleek toch iets moeilijker dan ze hadden gedacht. Ik denk dat ze het stiekem vooral voor de lerares deden. Ze kregen namelijk les van een heel mooie dame die nationaal kampioen was van Ecuador. Het was in elk geval de eerste keer dat ik mijn broers zich zo zag uitsloven.
36
Enkel de jongens leerden surfen: papa was op stap met vrienden en mama zat te schrijven op het strand. Dat doet ze altijd en overal. Mijn moeder is namelijk schrijfster. Ze sleurt overal haar laptop mee, of een schriftje. Om aantekeningen te maken, zegt ze, want je weet maar nooit wanneer je een goed idee krijgt voor een boek. Zelf had ik geen zin om mee te doen aan de surfles. Waarom zou je proberen om zoiets moeilijks onder de knie te krijgen terwijl je ook gewoon lekker in het zand kunt spelen? Er was bovendien zoveel moois te vinden op het strand van Montañita. Er lagen pluimen van grote zeevogels, zoals de Jan Van Gent, en ik vond zelfs twee stukken schild van een zeeschildpad en een heleboel koraal. Prima materiaal om een zandkasteel te maken, toch? En met zo’n surfpak aan kan je ook niet zonnen.
37
38
Afscheid Zo. Dit was het verslag van mijn reis door Ecuador. Het was de allerbeste vakantie ooit! Ik heb walvissen gezien, gezwommen tussen de vissen in het regenwoud, een aapje op mijn schoot gehad, een lama geaaid, gewinkeld tussen de indianen op de vrolijkste markt ter wereld en een vulkaan beklommen. (Nou ja, niet echt. Maar ik ben toch heel hoog geraakt met de auto.) Ik heb er verse familie bij gekregen in Cuenca en in het regenwoud, nieuwe vrienden en vriendinnen gemaakt die ik keihard mis, eten geproefd waarvan ik niet wist dat het bestond en geslapen in een hangmat. En dan heb ik je nog een heleboel dingen niet verteld omdat er geen plaats meer voor is … Misschien in een volgend boek? Ik hoop dat je ervan hebt genoten. En dat je er misschien ook iets van hebt geleerd. Misschien heb je zelfs zin gekregen om ook eens naar Ecuador te gaan, ooit. Dan moet je dat zeker doen. Geloof me maar: je zult er geen spijt van krijgen! Adiós. (Vaarwel.) Hasta luego. (Tot ziens.)
39
Woorduitleg 1 zich stierlijk vervelen = zich heel erg vervelen 2 poncho = Zuid-Amerikaanse mantel, die bestaat uit een rechthoekige wollen doek met een opening in het midden om het hoofd door te steken 3 karavaan = groep reizende mensen of rijdende voertuigen 4 Andes = grote, langgerekte bergketen langs de westkust van Zuid-Amerika 5 mortel = mengsel van cement, zand en water om mee te metselen
Waar ligt Ecuador?
40
41
In dit boek vertel ik jullie over mijn reis naar Ecuador. Over nieuwe familie, raar eten, spuwende lama’s en nog veel meer. Heb je zin om mee met mij op reis te gaan? Daar gaan we dan!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Foto’s: Tine Mortier Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.