ucatieve uitgaven
BIEB
De Gelukkige Prins Noëlla Elpers
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
2
De Gelukkige Prins
door Oscar Wilde vertaling: Noëlla Elpers
1
Hoog boven de stad, op een smalle zuil, stond het standbeeld van de Gelukkige Prins. Hij was helemaal bedekt met dunne laagjes van het fijnste bladgoud, zijn ogen waren twee heldere saffieren1 en een grote rode robijn2 gloeide op het gevest3 van zijn zwaard. De Gelukkige Prins werd door iedereen bewonderd. ‘Hij is zo mooi als de weerhaan op de torenspits van de kerk,’ merkte een raadslid van de stad op die een goede naam wilde verwerven met zijn artistieke smaak. ‘Alleen is het beeld niet zo nuttig,’ voegde hij eraan toe, want hij vreesde dat de mensen hem onpraktisch zouden vinden en dat was hij helemaal niet. ‘Waarom kan je niet zijn zoals de Gelukkige Prins?’ vroeg een verstandige moeder aan haar kleine jongen die huilde om de maan. ‘De Gelukkige Prins droomt niet en huilt nergens om.’ ‘Ik ben blij dat er nog iemand op de wereld is die er gelukkig uitziet,’ mompelde een teleurgestelde man die naar het prachtige standbeeld stond te staren. ‘Hij ziet eruit als een engel,’ zeiden de arme weeskinderen toen ze uit de kathedraal kwamen in hun helderrode manteltjes en met hun nette, witte schorten voor. ‘Hoe weten jullie dat?’ vroeg de wiskundeleraar. ‘Jullie hebben nog nooit een engel gezien.’ ‘Ah! Toch wel, in onze dromen!’ antwoordden de kinderen. De wiskundeleraar fronste en keek streng, want hij kon het niet goedkeuren dat kinderen droomden.
2
Op een nacht vloog een kleine zwaluw over de stad. Zijn vrienden waren zes weken eerder naar Egypte vertrokken. Hij was achtergebleven want hij was verliefd geworden op de allermooiste rietstengel. Hij had haar vroeg in het voorjaar ontmoet toen hij laag over de rivier scheerde om een gele nachtvlinder te vangen. Hij had zich zo aangetrokken gevoeld tot de slanke taille van de rietstengel dat hij gestopt was om met haar te praten. ‘Zal ik van u houden?’ vroeg de zwaluw die graag meteen ter zake kwam, en de rietstengel boog zich naar hem over. Dus vloog hij rond en rond haar terwijl hij met zijn vleugels het water raakte en zilveren rimpelingen maakte. Zo maakte hij de rietstengel het hof4 en dat duurde heel de zomer. ‘Het is een belachelijke verbintenis,’ kwetterden de andere zwaluwen. ‘Ze heeft geen geld, en veel te veel familie.’ En inderdaad, de rivierbedding stond vol prachtriet. De herfst kwam en de zwaluwen vlogen weg. Toen ze verdwenen waren, voelde de kleine zwaluw zich eenzaam en de dame waarop hij verliefd was geworden, begon hem een beetje te vervelen. ‘Ze voert nooit eens een goed gesprek,’ zei hij, ‘en ik ben bang dat ze te koket5 is, ze flirt graag met de wind.’ En inderdaad, telkens als de wind blies, maakte de rietstengel een sierlijke buiging. ‘Ik moet toegeven dat ze iets te huiselijk is voor mij,’ zei de zwaluw, ‘ik hou van reizen, en mijn partner zou dus ook van reizen moeten houden.’
3
‘Ga je mee weg met mij?’ vroeg hij haar ten slotte. Maar de rietstengel schudde haar hoofd, ze was te zeer gehecht aan haar thuis. ‘Je hebt met mijn gevoelens gespeeld,’ riep de zwaluw uit. ‘Ik vertrek naar de piramides. Vaarwel!’’ En hij vloog weg. De kleine zwaluw vloog de hele dag en ’s avonds kwam hij aan in de stad. ‘Waar zal ik de nacht doorbrengen?’ zei hij. ‘Ik hoop maar dat de stad voorbereid is op mijn komst.’ Op dat moment zag hij het standbeeld op de hoge kolom. ‘Ik zet me hier neer!’ riep hij uit. ‘Het is een prima plek met een overvloed aan frisse lucht.’ En hij streek neer bij de voeten van de Gelukkige Prins. ‘Nu heb ik een gouden slaapkamer,’ zei hij zachtjes tegen zichzelf. Hij keek nog eens rond en maakte zich klaar om te slapen. Net op het moment dat hij zijn hoofdje onder zijn vleugel wilde stoppen, viel er een grote waterdruppel op hem. ‘Wat een vreemde zaak!’ riep hij uit. ‘Er is geen wolkje aan de hemel, de sterren zijn helder en toch regent het. Het klimaat in het noorden van Europa is werkelijk vreselijk. Mijn rietstengel houdt van de regen, maar dat is een vorm van puur egoïsme!’ Toen viel er een volgende druppel op hem neer.
4
5
‘Wat voor nut heeft een standbeeld als het de regen niet kan tegenhouden?’ zei de zwaluw. ‘Ik moet op zoek gaan naar een holte in een schoorsteen.’ Hij was van plan om weg te vliegen, maar op het moment dat hij zijn vleugels opende om op te stijgen, viel er een derde druppel op hem neer. De zwaluw keek omhoog en zag … Ah! wat zag hij? De ogen van de Gelukkige Prins vulden zich met tranen, en tranen liepen over zijn gouden wangen. Zijn gezicht was zo mooi in het maanlicht dat de kleine zwaluw vervuld was van medelijden. ‘Wie bent u?’ vroeg hij. ‘Ik ben de Gelukkige Prins.’ ‘Maar waarom huilt u dan?’ vroeg de zwaluw, ‘u hebt mij helemaal doorweekt.’ ‘Toen ik nog leefde, had ik een mensenhart,’ antwoordde het standbeeld. ‘Ik wist niet wat tranen waren, want ik woonde in het Paleis zonder Zorgen waar verdriet niet was toegestaan. Overdag speelde ik met mijn metgezellen in de tuin, en ’s avonds leidde ik de dans in de grote zaal. Rond de tuin was een dikke muur gebouwd, maar ik dacht er niet aan om te vragen wat er buiten die muur gebeurde. Alles rondom mij was zo mooi. Mijn onderdanen noemden mij de Gelukkige Prins, en gelukkig was ik! Op die manier leefde ik en zo stierf ik. En nu ik dood ben, hebben ze me hier zo hoog op een zuil gezet dat ik alle lelijkheid en alle ellende van mijn stad kan zien. En hoewel mijn hart gemaakt is van lood, kan ik niet anders dan huilen ...’
6
‘Wat, is uw hart niet van massief goud?’ zei de zwaluw tegen zichzelf, maar hij was te beleefd om zo’n persoonlijke opmerkingen hardop te zeggen. ‘Ver weg,’ vervolgde het standbeeld met een lage, muzikale stem, ‘ver weg, in een klein straatje staat een armoedig huisje. Eén van de ramen staat open en door dat raam kan ik een vrouw zien zitten aan tafel. Haar gezicht is mager en vermoeid, en ze heeft ruwe, rode handen omdat ze zich vaak aan haar naald prikt. Ze is een naaister, zie je. Ze heeft passiebloemen geborduurd op een satijnen jurk voor de lieftalligste eredame van de koningin. De eredame wil die jurk dragen op het volgende hofbal. In een hoek van de kamer ligt een kleine jongen ziek te bed. Hij heeft hoge koorts en vraagt om sinaasappelen. Zijn moeder kan hem niets anders geven dan water uit de rivier, dus blijft hij maar huilen. Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw, wil je haar niet de robijn brengen uit het gevest van mijn zwaard? Mijn voeten staan vast op dit voetstuk en ik kan mij niet bewegen.’ ‘Mijn vrienden wachten op mij in Egypte,’ zei de zwaluw. ‘Ze vliegen op en neer langs de Nijl en praten met de lotusbloemen. Binnenkort zullen ze gaan slapen in de graftombe van de grote koning. De koning ligt daar in een beschilderde kist. Hij is in geel linnen gewikkeld en zijn lichaam is gebalsemd met kruiden. Om zijn hals hangt een ketting van bleekgroene jade6 en zijn handen zijn als verdorde bladeren.’
7
‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘wil je nog één nacht blijven en mijn boodschapper zijn? De jongen is zo dorstig en zijn moeder is zo bedroefd.’ ‘Ik geloof niet dat ik van jongens houd,’ antwoordde de zwaluw. ‘Afgelopen zomer, toen ik op de rivieroever verbleef, waren er twee ondeugende jongens, de zonen van Miller, die altijd met stenen naar mij gooiden. Ze hebben me natuurlijk nooit geraakt; wij zwaluwen vliegen veel te goed. En trouwens, ik kom uit een familie die beroemd is om haar behendigheid. Maar toch, het was een teken van gebrek aan respect.’ Maar de Gelukkige Prins zag er zo triest uit dat de zwaluw spijt kreeg van zijn woorden. ‘Het is erg koud hier,’ zei hij, ‘maar toch zal ik nog één nacht bij u blijven en uw boodschapper zijn.’ ‘Dank u, kleine zwaluw,’ zei de Prins. De zwaluw pikte de grote robijn uit het gevest van het zwaard en vloog over de daken van de stad met het juweel in zijn snavel. Hij kwam voorbij de kathedraaltoren met zijn witmarmeren engelen. Hij vloog over het Paleis zonder Zorgen en hoorde muziek en het geluid van dansende voeten. Een mooi meisje kwam met haar liefje naar buiten, op het balkon. ‘Hoe wonderlijk zijn de sterren,’ zei hij. ‘En hoe groots is de kracht van de liefde!’ ‘Ik hoop dat mijn jurk op tijd klaar is voor het staatsbal,’ antwoordde zij. ‘Ik heb geborduurde passiebloemen besteld, maar de naaisters zijn zo lui tegenwoordig ...’
8
De zwaluw vloog over de rivier en zag de lantaarns in de masten van de grote zeilschepen hangen. Hij kwam voorbij het getto7 en zag de oude Joden onderhandelen met elkaar en geld wegen op een weegschaal met koperen schoteltjes. Eindelijk kwam hij bij het arme huisje en keek naar binnen. De jongen lag koortsachtig te woelen in zijn bed en de moeder was met haar hoofd op de tafel in slaap gevallen, zo moe was ze. De zwaluw hupte door het open raam naar binnen en legde de grote robijn op tafel naast de vingerhoed van de vrouw. Vervolgens vloog hij voorzichtig rond het bed van de jongen terwijl hij zijn voorhoofd koelte toewuifde met zijn vleugels.
9
‘Hoe verfrist voel ik mij,’ zei de jongen. ‘Ik denk dat ik beter ben.’ En hij verzonk in een heerlijke sluimering. De zwaluw vloog terug naar de Gelukkige Prins en vertelde hem wat hij gedaan had. ‘Het is vreemd,’ merkte hij op, ‘maar ik heb het een stuk warmer nu, hoewel het toch behoorlijk koud is.’ ‘Dat is omdat je een goede daad hebt gedaan,’ zei de Prins. De kleine zwaluw begon te denken, en kort daarna viel hij in slaap. Denken maakte hem altijd slaperig. De dag brak aan en de zwaluw vloog naar de rivier om een bad te nemen. ‘Hoe opmerkelijk,’ zei de professor in de ornithologie8 toen hij over de brug liep. ‘Een zwaluw in de winter!’ Hij schreef een lange brief over die gebeurtenis naar de lokale krant. Ieder citeerde9 daarna uit die brief, hij stond zo vol moeilijke woorden dat niemand er iets van begreep. ‘Deze avond vertrek ik naar Egypte,’ zei de zwaluw, en hij was opgetogen bij dat vooruitzicht. Hij bezocht alle openbare monumenten, en zat een lange tijd op de torenspits van de kerk. Overal waar hij naartoe ging, tsjirpten de mussen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wat een voorname vreemdeling is dat!’ Daar genoot de zwaluw wel van. Toen de maan opkwam, vloog hij terug naar de Gelukkige Prins. ‘Heb je nog een boodschap voor Egypte?’ vroeg hij. ‘Ik vertrek zo!’
10
‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘Kun je niet nog één nacht langer blijven?’
‘Ik word verwacht in Egypte,’ antwoordde de zwaluw. ‘Morgen vliegen mijn vrienden naar de tweede grote waterval. De nijlpaarden rusten daar tussen de lisdodden10. Op de oever zit de god Memnon op een grote granieten troon.
11
De hele nacht bestudeert hij de sterren en als de morgenster aan de hemel verschijnt, slaakt hij een kreet van vreugde. Daarna is hij stil. ‘s Middags komen de gele leeuwen naar de waterkant om te drinken. Ze hebben ogen als groene edelstenen en hun gebrul is luider dan het geraas van de waterval.’ ‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins,’ ver weg in de stad zie ik een jongeman op een zolderkamertje. Hij leunt over een bureau dat bedekt is met papieren. In een glaasje vlakbij staat een tuiltje verwelkte viooltjes. Zijn haar is bruin en droog, zijn lippen zijn zo rood als een granaatappel en hij heeft grote, dromerige ogen. Hij probeert een toneelstuk af te maken voor de directeur van het theater, maar het is te koud om te schrijven. Er brandt geen vuur op het rooster en de honger maakt hem zwak.’ ‘Ik zal nog één nacht langer bij u blijven,’ zei de zwaluw, die echt wel een goed hart had. ‘Zal ik hem een andere robijn brengen?’ ‘Helaas, ik heb geen robijn meer,’ zei de Prins. ‘Mijn ogen zijn alles wat ik nog heb. Ze zijn gemaakt van zeldzame saffieren die duizend jaar geleden vanuit India naar hier werden gebracht. Pik er eentje uit en geef die aan hem. De student zal de saffier verkopen aan een juwelier en dan kan hij brandhout en etenswaren kopen en zijn toneelstuk af maken.’ ‘Lieve Prins,’ zei de zwaluw, ‘dat kan ik niet doen.’ En hij begon te huilen.
12
‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘doe zoals ik je beveel!’ Dus pikte de zwaluw het oog van de Prins uit en vloog ermee naar de zolderkamer van de student. Het was gemakkelijk genoeg om binnen te geraken want er was een gat in het dak. Via dat gat schoot de zwaluw de kamer in. De jongeman had zijn hoofd in zijn handen begraven, hij hoorde het gefladder van de vogelvleugels niet. Toen hij opkeek, vond hij de mooie saffier, verborgen tussen de verwelkte viooltjes. ‘Ik word eindelijk gewaardeerd,’ riep hij uit. ‘Dit komt vast van een bewonderaar. Nu kan ik mijn toneelstuk afmaken!’ En hij zag er heel blij uit. De volgende dag vloog de zwaluw naar de haven. Hij zat op de mast van een zeilschip en keek naar de matrozen die met touwen en katrollen grote kisten uit de laadruimte hezen. ‘Bijdraaien, a-hoy!’ schreeuwden ze als er een kist uit het ruim omhoogkwam. ‘Ik ga naar Egypte!’ riep de zwaluw, maar niemand gaf daar iets om en toen de maan aan de hemel verscheen, vloog hij terug naar de Gelukkige Prins. ‘Ik ben gekomen om u vaarwel te zeggen,’ riep hij. ‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘blijf je niet nog één nacht langer bij mij?’ ‘Het is winter,’ antwoordde de zwaluw, ‘en de kille sneeuw komt er zo aan. In Egypte schijnt de zon op de groene palmbomen.
13
De krokodillen liggen lui in de modder om zich heen te kijken. Mijn metgezellen bouwen een nest in de tempel van Baalbec. De roze en witte duiven kijken naar hen en praten koerend met elkaar. Lieve Prins, ik moet u verlaten, maar ik zal u nooit vergeten.
Volgend voorjaar kom ik terug en dan breng ik twee schitterende juwelen voor u mee om de juwelen die u weggegeven hebt te vervangen. De robijn zal roder zijn dan een dieprode roos, en de saffier zal zo blauw zijn als de grote zee.
14
‘Op het plein hier beneden,’ zei de Gelukkige Prins, ‘staat een klein meisje dat lucifers verkoopt. Ze heeft haar lucifers in de goot laten vallen en nu zijn ze nat en ze branden niet meer. Haar vader zal haar slaan als ze zonder geld thuiskomt en ze huilt. Ze heeft geen schoenen of kousen en ze heeft niet eens een muts om haar arme hoofd te bedekken. Pik mijn andere oog uit en geef het aan haar, dan zal haar vader haar niet slaan. ‘Ik zal nog één nacht langer bij u blijven,’ zei de zwaluw,’ maar ik kan uw oog niet uitpikken want dan zou u helemaal blind zijn.’ ‘Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘doe zoals ik u beveel.’ Dus pikte de zwaluw het andere oog van de prins uit zijn hoofd en dook naar beneden met het juweel in zijn snavel. Hij scheerde langs het meisje met de lucifers en liet de saffier in de palm van haar hand glijden. ‘Wat een mooi stukje glas,’ riep het kleine meisje, en ze liep blij lachend naar huis. De zwaluw vloog terug naar de Prins. ‘Je bent nu blind,’ zei hij, ‘Dus zal ik voor altijd bij u blijven.’ ‘Nee, kleine zwaluw,’ zei de arme Prins, ‘je moet vertrekken naar Egypte.’ ‘Ik zal voor altijd bij u blijven,’ zei de zwaluw en hij viel in slaap bij de voeten van de Prins.
15
Alle volgende dagen zat de zwaluw op de schouder van de Prins en hij vertelde hem verhalen over de vreemde landen die hij gezien had. Hij vertelde over de rode ibissen die in lange rijen aan de oevers van de Nijl staan en gouden vis vangen met hun snavels. Over de sfinx11 die zo oud is als de wereld, in de woestijn woont en alles weet.
Van de kooplieden die langzaam naast hun kamelen wandelen en die kralen van amber door hun vingers laten glijden. Van de koning van de maanbergen, die zo zwart is als ebbenhout en een grote kristal aanbidt. Van de groene reuzenslang die in een palmboom slaapt en wel twintig priesters in dienst heeft die haar voeden met honinggebak.
16
En van de pygmeeën12 die altijd oorlog voeren met de vlinders: ze varen over een meer op boten, gemaakt van enorme platte bladeren. ‘Lieve kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘je vertelt me over wonderlijke zaken, maar wonderlijker dan dat alles is het lijden van mannen en vrouwen. Er is geen mysterie zo groot als die ellende. Vlieg over mijn stad, kleine zwaluw, en vertel me wat je ziet!’ Dus vloog de zwaluw over de grote stad. Hij zag hoe de rijken plezier maakten in hun mooie huizen terwijl de bedelaars aan de poorten zaten. Hij vloog door donkere stegen en zag de witte gezichten van hongerige kinderen lusteloos kijken naar de vuile straten. Onder de boog van een brug lagen twee jongetjes in elkaars armen, zo probeerden ze elkaar warm te houden. ‘Hoe uitgehongerd zijn we toch …’ zeiden ze. ‘Hé! Jullie mogen hier niet blijven liggen,’ riep de poortwachter van de stad, en de jongens liepen weg, de regen in. De zwaluw vloog terug naar de prins en vertelde wat hij gezien had. ‘Ik ben overdekt met fijn bladgoud,’ zei de Prins, ‘je moet het eraf halen, blad na blad, en uitdelen aan de armen. Mensen die nog leven denken altijd dat goud hen gelukkig kan maken.’ Blaadje na blaadje plukte de zwaluw het fijne goud af, tot de Gelukkige Prins er heel saai en grijs uitzag.
17
Blaadje na blaadje van dat fijne goud bracht hij naar de armen. De gezichten van de kinderen werden roziger, ze lachten en hielden wedstrijdjes op straat. ‘We hebben nu brood!’ riepen ze. Toen kwam de sneeuw en na de sneeuw kwam de vorst. Het was alsof de straten van zilver waren, zo helder waren ze en ze glinsterden. Aan de dakranden van de huizen hingen lange ijspegels, scherp als kristallen dolken. Iedereen liep rond in een bontjas en de kleine jongens droegen dieprode mutsen en ze schaatsten op het ijs. De arme, kleine zwaluw kreeg het kouder en kouder, maar hij wilde de Prins niet verlaten, hij hield veel te veel van hem. Hij pikte kruimels op voor de deur van de bakkerij als de bakker niet keek. Hij probeerde zichzelf warm te houden door met zijn vleugels te klapperen. Uiteindelijk wist de zwaluw wel dat hij zou sterven. Hij had nog net genoeg kracht om tot op de schouder van de Prins te vliegen. ‘Vaarwel, lieve Prins!’ mompelde hij. ‘Mag ik uw hand kussen?’ ‘Ik ben blij dat je eindelijk besloten hebt om naar Egypte te gaat, kleine zwaluw,’ zei de Prins, ‘je bent te lang hier gebleven, maar je moet me een kus geven op de lippen, want ik hou van je.’ ‘Ik vertrek niet naar Egypte,’ zei de zwaluw. ‘Ik ga naar het huis van de dood. De dood is de broer van de slaap, dat is toch zo?’ En hij kuste de Gelukkige Prins op de lippen en viel dood neer aan zijn voeten.
18
Op dat moment klonk er een zonderling gekraak binnenin het standbeeld, alsof er iets gebroken was. En dat was ook zo: het loden hart van de Prins brak in twee stukken. Het was ook een verschrikkelijk strenge winter … Vroeg in de volgende ochtend wandelde de burgemeester met zijn raadsleden over het plein. Toen ze voorbij de hoge zuil kwamen, keken ze omhoog naar het standbeeld.
19
‘Goeie hemel! Hoe verwaarloosd ziet de Gelukkige Prins eruit!’ zei de burgemeester. ‘Hij ziet er inderdaad verfomfaaid uit!’ riepen de raadsleden van de stad die de burgemeester altijd naar de mond praatten13 en ze stonden allemaal naar het standbeeld te kijken. ‘De robijn is uit het gevest van het zwaard gevallen, zijn ogen zijn verdwenen en het beeld is niet meer van goud,’ zei de burgemeester. ‘In feite, ziet hij er niet beter uit dan een bedelaar!’ ‘Inderdaad, hij ziet eruit als een bedelaar,’ praatten de raadsleden hem na. ‘En kijk eens, er ligt werkelijk een dode vogel aan zijn voeten,’ merkte de burgemeester op. ‘We moeten toch echt een keer een wet uitvaardigen dat het niet is toegestaan aan vogels om hier te sterven!’ De stadsklerk maakte een nota van die laatste opmerking. Het standbeeld van de Gelukkige Prins werd dus naar beneden gehaald. ‘Nu hij niet langer mooi is, is hij niet langer nuttig,’ zei de professor in de Schone Kunsten aan de universiteit. Het standbeeld van de Gelukkige Prins werd gesmolten in een oven. De burgemeester belegde een vergadering met de raadsleden om te beslissen wat ze zouden doen met het overgebleven metaal.
20
‘We moeten natuurlijk een ander standbeeld hebben,’ zei de burgemeester, ‘en het wordt een standbeeld van mezelf!’ ‘Van mezelf!’ zeiden alle raadsleden van de stad, en ze kregen prompt ruzie. En toen ik laatst van hen hoorde, waren ze nog steeds ruzie aan het maken. ‘Wat een vreemde zaak!’ zei de ploegbaas van de gieterij. ‘Dit gebroken, loden hart wil niet smelten in de oven. We moeten het maar weggooien.’ Ze gooiden het hart op de vuilnishoop waar ook de dode zwaluw lag. ‘Breng me de twee waardevolste dingen in de stad,’ zei God tot een van zijn engelen. De engel bracht Hem het loden hart en de dode vogel. ‘Je hebt goed gekozen,’ zei God. ‘In de tuin van het paradijs zal dit vogeltje eeuwig zingen en in mijn stad van goud zal de Gelukkige Prins mij voor altijd prijzen en loven.’
21
22
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
saffier = edelsteen met een blauwe kleur robijn = rode edelsteen gevest = handvat van een degen, sabel of dolk iemand het hof maken = iemand verleiden koket = ijdel jade = groene edelsteen getto = benaming van een afgesloten Joodse volkswijk in een stad, zoals bijvoorbeeld in WO II ook gebeurde ornithologie = vogelkunde citeren = iemands woorden herhalen lisdodden = waterplanten met gele, irisvormige bloemen sfinx = wezen met het lichaam van een leeuw en het bovenlijf van een mens pygmeeën = dwergvolk iemand naar de mond praten = zeggen wat iemand wil horen
23
Het standbeeld van de Gelukkige Prins staat op een smalle zuil hogen boven de stad. Toch is de prins niet zo gelukkig als zijn naam doet vermoeden. Daarom besluit de zwaluw om hem te helpen.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Sanne Vanderkrieken Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.