Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 4 - Thema 8 - N3 - Yolanda

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Yolanda Inge Misschaert

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

4


Yolanda

1


1 Haiyan de verschrikkelijke Het is voorbij. De woorden dansen voor mijn ogen, terwijl ik naar de strakke blauwe lucht tuur. Ik zie ze stuiteren tussen de wolken, die onschuldig naar de horizon drijven. Ik lees ze in de ogen van oma Lola, die groente hakt en regelmatig naar de uitgang van het kamp kijkt. Ik hoor ze in mijn hoofd, samen met het afschuwelijke huilen en gillen dat ik niet kan vergeten. Ik sta aan de rand van de tent, mijn hand vastgeklampt. Als ik loslaat, zou ik dan vallen? Rond mijn been zit een verband. Het zit te strak en het jeukt. Het is uitzonderlijk warm voor de tijd van het jaar en ik zweet. De lucht ruikt naar vocht en brand. De brandgeur wil niet uit mijn neus, niet uit mijn kleren en ook niet uit mijn haar, hoe vaak ik het ook was met het beetje zeep dat we hier van een verpleegster kregen. Een stofwolk nadert het kamp. Mijn hart begint sneller te bonzen, ik hijg alsof ik een marathon heb gelopen. Het is een jeep, die slingerend over de weg groter wordt, tot hij stopt en bij het kamp halt houdt.

2


Als het stof neerdaalt, zie ik de drie mannen: twee voorin en een achterin. Hulpverleners. Mijn hart wordt zwaar. Het is al weken geleden. ‘Weken,’ prevel ik. ‘Imee,’ zegt oma Lola. Ze zegt het zacht, maar toch zo luid dat ik het kan horen. Oma Lola schreeuwt nooit, ze fluistert bijna en toch luistert iedereen naar haar, ook hier in het kamp. Ik laat los en ga naar haar toe. Mijn benen zijn sterk, ik wankel niet, ik val niet. De wonden op mijn lichaam genezen snel, want ik ben jong. De wonden in mijn ziel steken harder dan de snee in mijn been. Papa. Ik zie de film in mijn hoofd die niet te stoppen is. Hij draait en draait verder, zelfs als ik mijn ogen dicht doe. Het geschreeuw van een kind, dat door merg en been ging. Papa die het niet meer kon aanhoren. Het donkere silhouet dat de deur uitging. De huizenhoge watergolf die op ons afkwam. ‘Papa,’ zeg ik. Ik schrik van mijn schorre stem. Pedro kijkt op, hij speelt de hele tijd in het zand. Het lijkt alsof hij alles is vergeten. ‘Het is voorbij,’ zegt hij wijs en trekt met een kapot autootje een spoor in het zand.

3


Ik draai me om en ga bij oma Lola zitten. Ze geeft me zwijgend de rijst aan. Mijn handen doen wat ze moeten doen: ik schud de rijst in een kom en giet er water over. Water dat al gekookt heeft, want we moeten opletten met bacteriën en ziektes, zeker hier, met zoveel mensen samen. Besmetting ligt altijd op de loer en als je ziek wordt, is het hek van de dam. Het is niet voorbij, denk ik, en ik bijt in mijn lippen tot het pijn doet. Mama moet nog terugkomen. Mijn mooie mama, die aan de andere kant van de stad werkte. Ze leeft, dat weet ik zeker. Ik voel haar hart kloppen in de snee in mijn been. Zolang dat er nog is, geef ik niet op. Niet nu papa ... Ik voel een warme hand op mijn arm. ‘Imee,’ zegt Pedro. Hij wijst naar de grond. In het zand heeft hij vijf mensen getekend. Ik, Pedro, oma Lola, papa en mama, hand in hand.

4


2 Het huis van de vijfentwintig stormen We zaten op school toen de wind toenam. Ik kan me niet meer herinneren welk vak het was. Rekenen misschien. Een vuilnisbak kletterde om en er waaide een tak van een boom tegen het venster, zodat we allemaal opsprongen. Mijn juf zag wit om haar neus en schraapte haar keel een paar keer. ‘Laten we opruimen en naar huis gaan,’ zei ze met een kalme stem. Ze keek niet kalm en propte haar spullen met trillende vingers in haar tas. ‘Ga naar je familie en ga schuilen,’ zei ze, toen we vertrokken. ‘Blijf vooral niet buiten,’ riep ze ons nog na. Ik trok Pedro een beetje nors achter me aan. Die stomme storm verpestte werkelijk alles. We zouden die middag tekenen, maar natuurlijk moest de natuur roet in het eten gooien. Het werd vast weer een stormpje van niks, waarbij nauwelijks een boom sneuvelde. Niet zoals Bopha, twee jaar geleden. De orkaan kwam onverwacht en was erger dan men dacht. Toen was het dak van ons huis ingestort. Gelukkig waren we niet thuis, we waren allemaal bij oma Lola. Mama, papa, Pedro en ik. Maar dat was voorbij. En hier waren we wel erge stormen gewend.

5


‘Als ik groot ben, verhuis ik naar een land waar het nooit waait,’ zei ik kwaad. Ik stampte over de weg en deed het stof in onze kleren waaien. ‘Je kunt volgende week vast tekenen,’ zei Pedro. ‘De juf vergeet dat niet.’ Ik schokschouderde en trok hem woest mee. De wind rukte aan onze kleren en aan onze haren en duwde ons in richtingen waar we niet heen wilden. Ik sleepte Pedro achter me aan, terwijl de wind steeds harder tekeerging. Mijn hart zonk toen ik de lucht donkerder en donkerder zag worden. De dreiging was voelbaar in de lucht. ‘Niet zo snel,’ huilde Pedro. Ook mijn wangen waren nat, maar ik hield vol en sleepte mijn broer achter me aan. Opgelucht zag ik in de verte onze straat. ‘Nog even doorbijten,’ schreeuwde ik over het lawaai heen. Pedro zei niets meer. Thuis was papa met planken in de weer. Hij timmerde ze voor de ramen, terwijl onze buurman zijn ladder vasthield. Hij floot een wijsje, dat deed hij altijd als hij aan het werken was. Het klonk niet zo vrolijk als anders. Van boven op de ladder keek hij ons bezorgd aan.

6


‘Goed dat ze jullie naar huis gestuurd hebben. De telefoonlijnen doen het niet en alle netwerken liggen plat. Ik heb mama niet kunnen bereiken.’ In zijn stem hoorde ik zijn ongerustheid. Mama werkte in een bank aan de andere kant van de stad. Het zou een tijdje kunnen duren voor ze ons kon bereiken. Ik vroeg me af of de metro’s nog reden. Bussen zouden het nu al opgegeven hebben, het verkeer zat nu waarschijnlijk zo vast als een muurtje. Dat was elke keer zo, als er een storm was. Het zou de vijfentwintigste storm worden, de weermannen hadden het al dagen over Yolanda. ‘Ze is vast al lang onderweg naar huis,’ zei mevrouw Kinlang, onze buurvrouw troostend. ‘We gaan samen schuilen,’ beantwoordde papa mijn onuitgesproken vraag. Ik knikte. Mevrouw Kinlang en haar man woonden naast ons in een bouwvallig huis dat uit grote ijzeren platen was gemaakt. Zelfs het kleinste stormpje zou dat huis met de grond gelijkmaken. Vorige keer was het ook zo gegaan. Na Bopha had papa ons huis opnieuw gebouwd, helemaal uit steen. ‘Veel steviger dan hout,’ zei hij trots. We waren de enige van ons dorp met zo’n mooi huis.

7


Stiekem verdacht ik er papa van dat hij het alleen voor mama had gedaan en niet voor de storm. Mama was eigenlijk de dochter van een rijke bankdirecteur in de stad. Ze was tegen de zin van haar ouders met papa getrouwd. Maar de liefde overwon en opa draaide bij. Sinds hun huwelijk werkte mama in de bank van haar vader en papa bleef hier als visser in het dorp. Het werd een prachtig huis, met een overdekt terras vooraan en zicht op de oceaan, waar mama een schommelstoel had neergezet, om van de koele lucht en het prachtige uitzicht te kunnen genieten. De stoel was nu weg, net als alle bloembakken die konden wegwaaien. ‘Imee, ga de kelder voorbereiden,’ wekte papa me uit mijn dagdroom. Hij sloeg geconcentreerd spijker na spijker in het hout om de ramen te beschermen. Ik keek naar buiten en schrok op. De lucht was paarsblauw. Snel repte ik me het huis binnen. Pedro kwam de trap af, zijn knuffelbeer stevig in zijn armen geklemd. ‘Heb je ook aan de dekens gedacht?’ vroeg ik streng. Als ik dan toch een tijdje in die kelder moest gaan zitten, dan toch met een beetje comfort. Zijn lip trilde.

8


‘Meneer Pablo is het belangrijkste,’ zei hij. ‘Mama heeft hem aan mij gegeven, weet je nog?’ Ik verzachtte mijn stem. ‘Ga jij maar vast naar beneden, ik haal de dekens wel.’ Pedro knikte en rende weg. Ik wist waar hij nu kroop. In de kelder was een nis, waar papa weleens wat flessen wijn bewaarde. In die nis paste Pedro net, hij leek wel een beertje dat zijn winterslaap hield. Hij rolde zich op als een balletje, met Pablo op zijn buik en een dik deken rond zijn kleine lijfje. Ik ging naar boven en verloor mijn evenwicht op de allerlaatste trede, toen een windstoot het huis deed daveren. Mijn handen werden klam en mijn keel droog. Maar meteen daarna werd ik kalmer. Dit was het allersterkste huis dat papa ooit had gebouwd. Dit moest standhouden. ‘Het is de vijfentwintigste storm dit jaar,’ lachte hij enkele dagen geleden. ‘En we zijn al november. Het is dus de laatste storm. Dit huis zal voortaan bekend staan als het huis van de vijfentwintig stormen. We schrijven geschiedenis met dit huis!’ Mama moest giechelen. Papa overdreef altijd een beetje als hij wijn gedronken had. ‘Zeker,’ voegde papa er nog aan toe,’ als je weet dat deze storm Yolanda heet, kan er niets fout lopen.’

9


Hij hief zijn glas naar mama op en glimlachte. Ik glimlachte ook. Mama heette Yolanda. Een storm met die naam zou ons geen kwaad doen, toch? Het werd gewoon een moeilijke nacht met wat stormschade en daarna konden we weer verder met ons leven. Ik verzamelde de dekens en keek nog een laatste keer om me heen in mijn kamer. Het elektrische lampje bengelde heen en weer en flikkerde een paar keer aan en uit, om ten slotte helemaal te doven.

10


3 Dansende palmbomen We zaten al uren in de kelder en papa was niet bij het raampje weg te slaan. Ik lag op een klapbed en probeerde met mijn zaklamp wat te lezen. Het lukte niet erg, door het lawaai en het gerinkel van brekend glas. Het was eng om niet te weten wat er buiten precies gebeurde. Ik probeerde mijn oren voor het lawaai af te sluiten en concentreerde me op mijn boek. Kon ik maar wat tekenen. Tekenen maakte mijn hoofd altijd echt leeg. Als papa op zee zat, had hij dat ook. Af en toe ging ik met hem mee en zat dan op het dek van de boot te tekenen, terwijl hij met visnetten in de weer was. Ik sloot mijn ogen en dacht aan die mooie momenten. Ik hoopte dat we dat snel nog eens zouden kunnen doen. Als papa’s boot het tenminste zou houden. Het was duidelijk een zwaardere storm dan men had gedacht. Papa had de boot gewoon in het dok gelaten, bij de andere boten. Ik stelde me voor hoe ze door de wind losraakten en doelloos op de baai dobberden, hulpeloos en stuurloos zwalpend en tegen elkaar aan botsend. Papa’s boot was degelijk, maar oud. Tegen zo’n storm had hij geen schijn van kans.

11


Ik zag ons mooie bootje - ook Yolanda! - tegen de kade in splinters slaan en kromp in elkaar. In de hoek zaten mevrouw en meneer Kinjang op een versleten fauteuil, de armen om elkaar heen geslagen, hun lippen prevelend in gebeden. Ik deed een schietgebedje in hun richting en hoopte dat hun woorden mama bereikten, zodat ze zou weten dat wij veilig waren. Mijn opa zou haar niet uit het bankgebouw hebben laten gaan, daar was ik zeker van. Ik stond op van het klapbed en liep naar papa toe. Hij sloeg zijn sterke armen om mij heen. Samen keken we een tijdje naar buiten. Veel was er niet te zien. De palmbomen stonden allemaal scheef van de wind. Ik hapte naar adem toen ik er eentje door de lucht zag vliegen, alsof de wortels het hadden opgegeven. De boom kwam met een klap tegen een huis terecht. Ik kromp ineen van het gerinkel van glas door het gieren van de wind heen. De wind gierde en schreeuwde, het was een groot en donker monster dat voor onze mooie kust op de loer lag. Als ik niet zo bang was voor de orkaan, zou ik ze willen tekenen. De zee waarin de golven huizenhoog waren, de dansende palmbomen in de wind, de vuilnisbakken en auto’s die door de lucht vlogen. Het leek niet echt. Het overkwam ons niet.

12


Ik zag dat mevrouw Kinlang in elkaar kromp en werd misselijk, zeeziek bijna. Ik, die zelfs op de woelige zee nooit last had. Maar angst is een gemeen monster dat alle hoeken van je lijf in beslag neemt, van je kleinste teen tot je diepste gedachten. En al die tijd probeerde ik niet aan mama te denken. We wisten het allemaal: als ze ergens buiten was op dit tijdstip, had ze geen schijn van kans. De wind liet niets heel, een mens was zo opgeslokt en weer uitgespuwd. Het duurde lang, erg lang. Ik telde van één naar tienduizend en weer terug. Toen ik bij vijfduizend kwam, gebeurde het. We hoorden gehuil, heel dichtbij. Als één man schrok iedereen op, zelfs Pedro kon zijn ogen van Meneer Pablo losscheuren. Het was niet zomaar gehuil. Huilen en gillen hadden we de hele tijd al gehoord. Maar dit was anders. Het kwam van een kind. ‘Geen kat,’ schudde papa zijn hoofd toen het gehuil ineens sterker werd. ‘Katten roepen niet om hun moeder.’ Het gehuil ging maar door, het ging door merg en been, het was hartverscheurend. De tranen liepen over mijn wangen. En toen hield het ineens op.

13


We keken allemaal gealarmeerd op toen papa op de deur afliep. ‘Storm of geen storm, ik ga kijken.’ Voor iemand iets had kunnen zeggen, was hij de deur al uit. ‘Papa!’ gilde ik. ‘Papa!’ Ineens vloog de deur open. Papa was doornat, zijn haar zat in de war en er zat een snee in zijn arm, waar bloed uit druppelde. ‘Je bent gewond!’ gilde ik. ‘We moeten hier weg,’ zei hij. Hij was lijkbleek. ‘Het dak is losgekomen, het kan elk moment weggeblazen worden. Het spijt me, maar we moeten dit huis verlaten, anders worden we levend begraven.’ Zijn woorden dreven even rond in de kelder, maar sijpelden toen langzaam tot ons door. Het huis van de vijfentwintig stormen zou het niet halen. Mijn hart werd ijskoud. Mevrouw en meneer Kinlang strompelden voetje voor voetje naar boven. Ik haalde Pedro uit zijn schuilplaats, sloeg de deken stevig om hem heen en drukte hem tegen me aan. Zijn lijfje trilde, maar hij huilde niet. Zijn ogen waren wijd open, hij leek ergens naar te staren, naar een plaats waar ik niet bij kon. ‘Stil maar, broertje,’ suste ik. ‘Ik haal je hier wel uit.’

14


15


4 Alleen in het puin Boven was het stiller dan eerst. Was de storm gaan liggen? Na het gedempte licht in de kelder moesten mijn ogen wennen aan het vroege ochtendlicht. Mijn ogen floten, het kwam vast door de stress en door de spanning. Mijn maag zat nog steeds in de knoop. Pedro bewoog in mijn armen, maar ik hield hem stevig in mijn armen gedrukt. Nu pas zag ik de schade aan het huis. Papa had de ramen voor niets dichtgenageld, er waren hele stukken van ons huis weggeslagen. Het dak was scheef naast het huis gezakt. De mooie veranda was weg, van het huis weggerukt. De bovenverdieping was er niet meer, het leek eerder op een ruïne, met half afgebrokkelde muren. Na de vorige stormen was er ook schade, maar dit was een puinhoop. Hier viel niet aan te beginnen. Dit konden we niet alleen. Ik duizelde toen ik me afvroeg hoeveel dit ons zou gaan kosten. De mensen in ons dorp waren arm en wij hadden het ook niet breed. Papa’s boot zou het niet gehouden hebben. Hoe moest hij gaan vissen, voor een inkomen zorgen? En mama ... Ik riep mijn gedachten een halt toe.

16


Geschreeuw trok mijn aandacht. Maar niet alleen geschreeuw, ook een ander geluid drong tot me door. Het leek alsof er een zwerm bijen in mijn oor zat. Ik schudde met mijn hoofd, maar dat hielp niet, het werd alleen erger. Zo erg dat ik niet kon horen wat papa me toebrulde. Toen keek ik met afgrijzen naar de zee van water die huizenhoog op ons afkwam. ‘Papa!’ schreeuwde ik. Ik zette een stap in zijn richting. ‘Zoek dekking, Imee,’ gilde hij. ‘Zoek dekking.’ Ik klemde Pedro stevig vast, draaide me om en rende voor mijn leven, de heuvel op. Het laatste wat ik zag was de vloedgolf die naar beneden kwam en mijn dorp overspoelde. Toen het water tot bedaren kwam, zag ik papa nergens meer. Boven op de heuvel kwam het water niet. We waren veilig. ‘Veilig,’ fluisterde ik. Het woord smaakte bitter. Mijn ogen brandden, maar ik kon niet huilen. Ik had Pedro op een afgerukt stuk hout neergezet, waar hij gewoon bleef zitten, bibberend. Ik gaf hem wat stukjes brood die nog in mijn zak hadden gezeten. Het was doorweekt. Overal kwamen mensen van onder het puin vandaan, het leken wel mieren die na een regenbui weer boven de grond komen.

17


Ik zocht lang naar papa, maar ik vond hem niet. Toen ging ik weer bij Pedro zitten en barstte in tranen uit. Omdat ik papa wilde vinden, maar ook weer niet. De kans was groot dat hij dood was. Hoe kon hij zo’n vloedgolf overleven? Ik wou dat ik kon slapen, vergeten wat er gebeurd was. Maar hoewel mijn hoofd tolde van vermoeidheid, wist ik heel goed waarom ik niet wilde slapen. Ik moest mijn broertje in veiligheid brengen. Tegen de tijd dat ik vertrok, had ik min of meer een plan. Ons dorp lag lager dan Tacloban, de stad waar mama werkte. Naar het dorp kon ik niet, want dat was weggespoeld. De enige weg die ik kon gaan, was naar boven. Daar woonde oma Lola, de moeder van papa. Ik zou met Pedro naar haar huisje gaan en daar nadenken over wat ik kon doen. Het was niet veel, maar het was een plan en het hield me op de been. Ik sjorde Pedro overeind en nam hem bij de hand. ‘Kom broer, we gaan naar oma Lola.’

18


19


5 Oma Lola Het duurde een tijdje voor ik een weg vond naar de top van de heuvel. De oude weg was versperd door puin en rommel en op sommige plaatsen was hij zelfs helemaal weggespoeld. Maar ik herinnerde me een weggetje dat we vroeger vaak gebruikten, toen de storm nog niet was gekomen. Die weg was smal en kronkelig, maar het voordeel was dat we er niet zoveel mensen tegenkwamen. Ik was bang voor alle mensen die ik tegenkwam. Bang dat ze mij en Pedro uit elkaar zouden halen of erger, dat ze ons pijn zouden doen. Dus bleef ik op mijn hoede en zo waren we er telkens in geslaagd om ons te verschuilen als we andere mensen tegenkwamen. Na een laatste steile klim kwamen we bij het huisje van oma Lola aan. Het stond er nog! Ik was zo bang geweest dat het ook ingestort was. Maar doordat oma achter de rotsen woonde, was haar huisje beschermd geweest voor de felle windstoten en het lag ook te hoog voor het water. Ik versnelde mijn pas en trok Pedro achter me aan. Het huis van oma Lola was stil. Te stil. Ik plantte Pedro op een stoel en rende snel door alle kamers. Ze was er niet. Verslagen ging ik op de drempel zitten.

20


Ik was alleen, op mijn broertje en meneer Pablo na. We hadden geen eten meer. Geen drinken. En geen plan, nu oma Lola er niet was. Ik had net zin om in huilen uit te barsten, toen ik plots het briefje zag. Het lag op de grond achter een tafelpoot, ik had het bijna gemist. Ik griste het briefje van de vloer en las wat erop stond. Ik schuil in de kerk. De kerk was niet ver en had nog minder van de storm te verduren gehad dan oma Lola’s huisje. Alleen de toren was er erg aan toe. De omgeving zag er dan weer uit alsof er een reuzegrote tractor doorheen was gereden. Bomen waren uitgerukt alsof het luciferhoutjes waren, overal lagen takken en glas. Ik geloof niet dat er nog één raam heel was. Ik had Pedro weer op mijn rug gehesen, ik geloof dat hij sliep, want hij dreigde er constant vanaf te glijden. De deuren waren dicht. Ik duwde uit alle macht, maar kreeg ze niet open. Hulpeloos bonkte ik met beide vuisten op de deur. Na een eeuwigheid ging ze open. De lieve ogen van oma Lola keken me aan en hoewel ik uitgeput was, sprong ik overeind en vloog in haar armen.

21


‘Imee,’ fluisterde oma Lola in mijn haar. ‘Je bent gered. Je broertje is gered. Mijn gebeden zijn verhoord, mijn engel.’ Toen hield ze me een eindje van zich af. ‘Waar zijn je ouders, meisje?’ vroeg ze met een lichte angst in haar stem. Papa was haar enige zoon, ze aanbad hem. Ik wilde het niet vertellen, maar ik moest. Met hortende stem vertelde ik alles wat er al gebeurd was. Gek genoeg was ik opgelucht toen ik het er allemaal uitgegooid had. Pedro werd wakker en duwde zijn hoofd als een puppy tegen oma Lola’s buik. ‘Mannetje toch,’ zei ze keer op keer en schudde daarbij telkens met haar hoofd. ‘Kom, jullie zijn vast uitgeput.’ Toen ze zich omdraaide, zag ik dat ze hinkte. Ze nam ons mee in de kerk, waar nog een aantal mensen uit het dorp schuilden. Een oude vrouw had bonensoep gekookt, gestookt op het hout van de kerkbanken. ‘Ze zaten toch niet lekker,’ kakelde ze van het lachen. Voor Pedro en mij werd in een hoek van de kerk een bed gemaakt van stro met lappen eroverheen. De heerlijke soep verwarmde mijn hele lijf.

22


Oma Lola streek door mijn haar. Ik vond het een fijn gevoel, ook als mama of papa het deden. Het betekende dat je veilig was en dat alles goed kwam. En op dat moment wilde ik dat ook echt geloven. ‘Morgen vertrekken we,’ zei oma Lola toen. ‘Je ouders zoeken.’ Er kwam een verbeten trek om haar mond. Ik glimlachte en sloot mijn ogen. Oma Lola kreeg altijd haar zin. We zouden mama en papa vinden, dat moest. Of op zijn minst een antwoord op de vraag wat er met hen was gebeurd. Oma Lola zong heel zachtjes het wiegeliedje van lang geleden. Met mijn ogen dicht leek het alsof alles een boze droom was.

23


6 Gevonden! De volgende ochtend kregen we nog wat soep, want iets anders was er niet. De soep smaakte een beetje zuur, maar mijn lichaam werd er warm door. Pedro wilde maar een paar hapjes nemen. ‘Gaan we nu naar mama, Imee? En papa?’ Zijn stemmetje klonk ongeduldig, boos bijna. Ik knuffelde hem. Als dit voor mij al zo’n nachtmerrie was, dan moest het voor hem nauwelijks te begrijpen zijn. Hij klemde meneer Pablo stevig in zijn armen en knikte toen oma Lola voorstelde om hem te dragen. ‘Zal ik dat niet doen?’ vroeg ik, verlegen, ik wilde oma Lola niet kwetsen. Maar ze was nog kleiner dan ik. Oma Lola grijnsde haar tanden bloot. ‘Ik ben klein, maar veel sterker dan jij, kleine meid. En bovendien moet je voor me uit lopen zodat je me kunt zeggen waar we naartoe gaan en wie er in de buurt is. We vertrokken met wat eten en een fles groezelig water. Ik wist dat we ziek zouden worden als we niet gauw hulp kregen. Onze tocht was zwaar. We beklommen de heuvel verder tot de top en gingen toen in de richting van Tacloban.

24


Nu was het niet meer mogelijk om mensen te ontlopen. Voortdurend kwamen we groepjes vluchtelingen tegen. Mensen hielden ons tegen en smeekten om eten of medische hulp. Oma Lola probeerde iedereen te troosten, maar we konden niets doen om hen te helpen. Niet ver van oma Lola’s huisje stond een prachtig landhuis. Het was compleet verwoest, er bleef van het huis niets meer over. Het enige wat nog overeind stond, was het prachtige rode toegangshek. De mooie tuin en het prachtige glanzende dak waren weg. Hoewel oma Lola veel moeite had met lopen, slaagde ze er wel in die weg te kiezen die ons wegleidde van de lichamen die overal lagen. De eerste paar keer schrok ik vreselijk, maar gaandeweg leerde ik wegkijken. Aan de rand van de stad bleef oma Lola plots staan. De straat was bezaaid met puin en brokstukken. Tussen de brokstukken en restanten van huizen zaten overlevenden, kinderen, mannen en vrouwen. Een kind stond bij een dode vrouw en huilde hartverscheurend. Niemand deed iets, tot oma Lola naar het kind rende en het in haar armen nam en wiegde.

25


Toen kwamen de andere overlevenden tot leven. Ze kwamen om ons heen staan en oma Lola gaf het snikkende kind aan een van hen. ‘Ik weet dat haar vader nog leeft,’ zei een man. ‘Ik ga hem zoeken.’ ‘We moeten water vinden,’ zei iemand anders. ‘En voedsel. En onderdak. We kunnen hier toch niet blijven?’ zuchtte een vrouw die ik vaag herkende. Ze had lappen om zich heen geslagen en bloedde een beetje aan haar hoofd. ‘We moeten een ziekenhuis vinden,’ zei oma Lola. ‘Misschien moeten we samen verder trekken.’ Het was geen vraag die ze stelde en ik voelde me een beetje veiliger toen de mensen met ons meegingen in de richting van de stad. Een paar kilometer verder botsten we op een veldhospitaal. Ik was nog nooit zo blij geweest om de blauwe tenten te zien staan. ‘Kijk, oma Lola,’ riep ik en ik wees. Ze lachte en stond even stil. Ze schudde mijn broertje wakker die op haar rug in slaap was gevallen. Een van de vrouwen die met ons meeging, had van een stuk doek een draagdoek gemaakt, zodat Pedro gemakkelijker kon zitten. Hij opende slaperig zijn ogen en was ineens klaarwakker toen hij de tenten en de bedrijvigheid eromheen zag.

26


‘Papa,’ mompelde hij. ‘Mama.’ Oma Lola gaf hem een zoen. ‘We gaan ze zoeken, mannetje.’ In het ziekenhuis kregen we water en verzorging. Oma Lola’s been werd onderzocht. ‘Niet ernstig, mevrouw,’ lachte de arts. Hij was lid van Artsen zonder Grenzen en sprak Engels met een zwaar accent. Ik moest giechelen toen hij me onder mijn kin kriebelde. Oma Lola kreeg een verband en toen kregen we te eten. Een man kwam onze namen noteren en vroeg of we nog familieleden zochten. ‘We brengen jullie morgen met een groep naar een tentenkamp, waar jullie worden ingeschreven en kunnen wachten op familieleden,’ zei hij vriendelijk. ‘Zo door het land trekken is niet verstandig en erg gevaarlijk! Er loopt in de stad heel wat gespuis rond.’ Die nacht sliepen we naast elkaar en we kregen de volgende ochtend wat eten en drinken voor we zouden vertrekken. ‘Mag ik nog even rondkijken, oma Lola?’ vroeg ik. Ik wilde de tenten zien, waar de gewonden lagen. Misschien werd ik toch maar verpleegster.

27


Het leek een erg nobel beroep. Mensen genezen, daar werd je blij van, toch? Maar toen hoorde ik plots gegil en daarna kwamen twee mannen met een draagberrie met een wit laken erover naar buiten. Misschien was verplegen toch niet zo leuk. Wat als je een patiënt niet kon redden? Ik gluurde door de flappen van de tenten naar binnen. Het was er donker en binnengaan durfde ik niet. Wie weet wat ik zou aantreffen? Ik overwoog net om terug naar oma Lola en Pedro te gaan, toen ik plots iemand hoorde fluiten. Een vrolijk wijsje. Een wijsje dat ik uit duizenden zou herkennen. Ik rukte de tentflap opzij en stormde naar binnen. ‘Papa!’ gilde ik. ‘Papa!’

28


7 Het kamp Er gebeurde van alles tegelijk. In mijn haast om binnen te komen, struikelde en belandde ik in volle vaart tegen een tafel vol medische instrumenten. Het was een gekletter van jewelste en ik voelde mijn been pijnlijk branden. Maar alles verdween in het niets door de man die ik in dat bed zag liggen, half opgericht. Het was papa. ‘Imee,’ zei papa en toen begonnen we allebei te huilen. De tent werd opnieuw opengerukt en daar kwamen oma Lola en Pedro aan. Oma Lola wierp zich zowat op papa, het was bijna grappig om te zien. Nadien werd mijn wond schoongemaakt, ontsmet en verbonden. Ik voelde er niets van en hield papa stevig vast. Maar toen kwam het moeilijkste. Wij moesten mee met de groep mensen die naar een tentenkamp werden gebracht. Papa moest blijven. ‘Nee,’ snikte ik. ‘Papa,’ huilde Pedro. ‘Ach kinderen,’ snifte oma Lola. ‘Hij komt ons wel achterna, jullie papa.’ ‘Maar ik weet waar ze jullie naartoe brengen,’ lachte hij bleekjes. ‘En ik breng mama mee.’

29


Oma Lola fronste even, maar zei niets. Ze kuste haar zoon op zijn voorhoofd en leidde ons toen de tent uit. Pedro snikte zachtjes en begon toen plots te schreeuwen. Het duurde een tijdje voor we hem konden verstaan. ‘Kind, je maakt meer kabaal dan een hele orkaan, wat is er dan toch?’ vroeg oma Lola ten einde raad. ‘Me - meneer Pa - Pablo,’ snikte Pedro. We zochten en zochten, maar meneer Pablo bleef onvindbaar. Het brak mijn hart, maar het busje vertrok. Pedro snikte de hele rit. Het kamp was helemaal anders dan ik me had voorgesteld. Als ik aan tentenkampen dacht, stelde ik me altijd armoedige taferelen voor, met veel gehuil en ellende. Maar het tentenkamp was gloednieuw, er werden nog voortdurend tenten opgezet. Wij moesten nog een keer onze namen doorgeven en toen kregen we een plaatsje in een tent toegewezen. Er verbleef nog een familie in, een moeder en twee van haar kinderen en een vriendinnetje, dat haar ouders kwijt was geraakt. ‘Dood,’ fluisterde de vrouw hoofdschuddend, ‘maar het arme kind wil het maar niet geloven.’ Een week later kregen we het gezelschap van Emily, die hoogzwanger was van haar eerste baby.

30


‘Nog wel even,’ lachte ze, toen we vroegen hoe lang het zou duren voor de baby kwam. Ze wreef met haar hand over haar enorme buik. ‘Daar zit hij veilig.’ We raakten het kamp snel gewoon. Oma Lola hield me bezig met klusjes en verhalen en Pedro speelde in zijn eentje in het zand buiten de tent met een kapot speelgoedautootje dat hij van een reddingsmedewerker had gekregen. Maar ik was rusteloos. Ik had geen zin om te wachten, om altijd maar te wachten, ik wilde iets doen. En toen vond ik op een dag een stuk papier onder een houten plank. Ik nam het naar de tent mee en maakte het schoon. Het papier was vuil, maar dat gaf niet. In mijn broekzak zat nog een stompje potlood dat ik uit school had meegebracht. Het werd mijn redding. Vanaf dan deed ik een dagelijkse wandeling door het kamp, op zoek naar bruikbaar papier. In de tent groeide de stapel tekeningen gestaag. Het potloodje sleep ik voorzichtig met een scherp mes en vaak, als ik zat te tekenen, kwam Pedro met zijn hoofd tegen mijn knie leunen, om te zien wat ik deed. Hij zei nog steeds niet veel, maar ik voelde dat hij elke dag sterker werd.

31


‘Zijn taal zal dan ook wel komen,’ zei oma Lola. ‘Een mens hoeft niet noodzakelijk te praten om iets te vertellen.’ Op een dag zat ik met mijn plank en een vel van stukken gedroogde krant te bedenken wat ik zou tekenen, toen ik het meisje zag dat haar moeder zo miste. Ze had met een stok in het zand haar moeder getekend en was midden in de tekening gaan liggen. Mijn potlood bewoog zonder dat ik het merkte. Toen de tekening af was, waren mijn wangen nat.

32


8 Een overval en nieuw leven In het kamp leken alle dagen op elkaar, maar op een dag brak de hel los. We lagen nog te slapen toen we plots opgeschrikt werden door geweerschoten en gegil en getier. Het tentzeil werd opengerukt en een zware mannenstem schreeuwde ons toe om naar buiten te komen. Buiten moesten we allemaal in een rij gaan staan. Mijn knieën knikten en mijn wonde stak. De hulpverleners konden niets uitrichten tegen de overvallers. Alles wat ook maar een beetje waarde had, werd meegenomen. ‘Medicijnen, water en voedsel,’ zuchtte een van de hulpverleners nadien, toen de bende afgevoerd was door de haastig opgetrommelde ordediensten. We hadden geluk dat er toevallig een patrouille in de buurt was toen de overval gebeurde, want anders waren de dieven er zeker met de buit vandoor gegaan. Toen ik nadien mijn stuk brood niet met een van de andere kinderen wilde delen, kwam oma Lola tussenbeide. ‘Meisje, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We moeten elkaar helpen, in plaats van tegen te werken. Waarom deel je dat stukje brood niet? Morgen krijg je vast iets van haar.’

33


Ze had gelijk. De volgende dag stond het meisje daar opnieuw met een banaan in haar hand. Ik deelde de banaan met Pedro en genoot van de zoete smaak. Wat was het lang geleden dat ik dat geproefd had! Een dag na de overval, geraakte Emily niet uit haar bed. ‘Lukt wel,’ hijgde ze. ‘Geef mij eventjes de tijd.’ Ze zuchtte zwaar en kreunde toen even. Verschrikt keek ik oma Lola aan. Wat gebeurde er? ‘Niets om je zorgen over te maken,’ glimlachte oma Lola, terwijl ze bij Emily neerknielde. ‘Maar ga toch maar even de arts halen, wil je?’ Ik rende de benen uit mijn lijf. De arts bekeek Emily twee seconden. ‘U bent aan het bevallen,’ zei hij vriendelijk. ‘Nee,’ kreunde Emily hulpeloos. ‘Jawel,’ lachte de arts. ‘Nog even doorbijten.’ Na drie uur werd de baby van Emily geboren. ‘Kom maar even kijken naar deze wonderbaby,’ lachte oma Lola. Emily zag er helemaal niet ongelukkig uit, zoals ik had gedacht. Ze wilde toch helemaal niet dat de baby werd geboren? Dat had ik haar zelf horen zeggen.

34


Maar nu keek ze trots naar de baby die tevreden op haar buik lag. ‘Manolito,’ zei ze zachtjes. Het woord leek op een liefkozing. Het deed me denken aan mama, die me ‘s avonds voor het slapengaan kwam knuffelen, alsof ik het allerbelangrijkste was voor haar. Er kwam een krop in mijn keel, maar ik ging niet weg. In plaats daarvan nam ik een stuk papier en mijn tekenplank en tekende Emily en haar baby. Een week later kwamen de hulpverleners ons juichend goed nieuws vertellen. Er was weer radiocontact mogelijk. Mensen verdrongen zich rond de tent waar de radio stond om toch contact proberen te zoeken met familieleden. ‘Mijn zoon zat in het ziekenhuiskamp vlak bij Tacloban,’ zei oma Lola tegen de radioman. Ze knipperde verwoed met haar ogen. Ik denk dat ze nerveus was. ‘Marco,’ zei ze nog een keer. ‘Hij heet Marco. En zijn vrouw heet Yolanda.’ De radioman knikte. ‘Ik laat jullie iets weten als ik nieuws hoor.’

35


Sinds de radio werkte, kwam er veel meer verkeer naar het kamp. Jeeps reden af en aan en het gebeurde regelmatig dat mensen hun familieleden weer terugvonden en het kamp verlieten. ‘Ons land krabbelt weer overeind,’ zei de moeder van de twee meisjes trots. Oma Lola zei het anders. ‘Ze krijgen ons niet klein, die orkaantjes van niets,’ lachte ze dan. ‘Wij doen gewoon verder.’ Ik maakte een tekening van een orkaan die uit een ballonnetje kwam en daar moest Pedro erg om lachen. Zonder dat we het echt gemerkt hadden, was hij weer meer gaan praten. ‘Gekke orkaan,’ lachte ik. ‘Stoute orkaan,’ zei Pedro ernstig. ‘Hele stoute orkaan,’ beaamde ik en toen kietelde ik hem op zijn buikje tot hij gierend over de grond rolde.

36


10 Yolanda Dat was gisteren. Het leven in het kamp gaat zijn gangetje. Alle dagen lijken op elkaar en duren eindeloos lang. Jeeps rijden af en aan om mensen te brengen of op te halen. Ik vraag me af wat mijn juf van mijn tekeningen zou vinden. Van die gedachte word ik wat triest, want ik weet niet of ze nog wel leeft. Of mijn schoolvriendinnen nog wel leven. Het is allemaal één groot vraagteken. Zo veel vragen wervelen als een orkaan door mijn hoofd. Zal ik papa nog wel terugzien? We hebben niets meer van hem gehoord sinds we hem in het ziekenhuis in Tacloban zagen. Misschien leeft hij al niet meer. De krop in mijn keel wordt groter. En mama. Van haar hebben we nog helemaal niets gehoord. Komt het goed met Pedro? Ondanks het verlies van meneer Pablo kruipt hij elke dag een beetje verder uit zijn schulp. Af en toe gaat hij zelfs voetballen met een paar jongens uit het kamp. Ik teken veel, want met mijn tekeningen kan ik hem bereiken, daar kijkt hij echt naar. Niet dwars door alles heen, zoals hij de rest van de tijd doet.

37


‘Het is zelfbescherming, meisje,’ vertelde oma Lola me. ‘Het komt helemaal goed met dat mannetje.’ Ik adem diep in en uit en word meteen rustiger. Op het binnenplein voor de tent waar ik zit, komt een jeep piepend tot stilstand. Ik besteed er geen aandacht aan en werk hier en daar mijn tekening nog wat bij. Plots zie ik hoe oma Lola opstaat en voetje voor voetje naar de opening van de tent schuifelt. Op haar gezicht ligt een blik die me doet huiveren en mijn hart doet overslaan. Ik volg haar blik en staar naar de jeep waar een gestalte die me erg bekend voorkomt, net is uitgestapt. Ik knipper verwoed met mijn ogen. Misschien heb ik last van waanbeelden? Vorige week nog was hier een meisje dat helemaal instortte toen een vrouw in de verte niet haar tante bleek te zijn, maar een wildvreemde. De gestalte bij de jeep draait zich om. Nu staan alle haartjes op mijn arm overeind. Het kan niet, het kan niet, zegt mijn brein, tevergeefs, want mijn ogen bedriegen me niet. De figuur draait zich naar de jeep toe en helpt iemand uitstappen. Iemand met een hoofdverband en een verbonden arm. De hand van oma Lola om mijn arm verstrakt.

38


‘Imee,’ fluistert ze. ‘Zeg me dat ik droom.’ Ik voel dat ze huivert en ik huiver ook. ‘Het is je droom die is uitgekomen, oma Lola,’ fluister ik, alsof ik bang ben dat ze zullen verdwijnen, de twee figuren, mijn ouders, mama en papa, die daar in de verte op ons toe komen lopen. Mama hinkt een beetje, papa ondersteunt haar met zijn goede arm. En dan, voor ik naar hen kan toelopen, stuift een kleine figuur ons voorbij. Pedro rent alsof zijn leven ervan afhangt op hen toe en slingert zich rond hun nek alsof hij een aapje is. Met Pedro op papa’s goede arm komen ze naar ons toe en dan trekt mama me met een kreet naar zich toe. ‘Imee, mijn kleine meid,’ fluistert ze in mijn oor en nog een heleboel woordjes meer, die alleen moeders in je oor kunnen fluisteren. Nadien zitten we in een van de tenten, terwijl ze ons vertellen wat ze hebben meegemaakt. Vooral mama’s verhaal is ongelooflijk. Ze is lange tijd helemaal alleen geweest, tot ze plots een groep vluchtelingen zag en zich bij hen aansloot. Elk ziekenhuis dat ze tegenkwam, ging ze binnen, op zoek naar ons. En toen vond ze papa.

39


‘De stad is een ramp,’ zucht ze. Haar ogen zijn vochtig, maar ze huilt niet. ‘Het zal heel wat tijd en moeite kosten om ze weer op te bouwen.’ ‘Maar bouwen doen we,’ zegt papa ferm. ‘We moeten een huis bouwen dat de volgende vijfentwintig orkanen kan doorstaan, vergeet dat niet.’ Iedereen lacht. ‘Maar we bouwen het wel wat dichter bij de stad,’ zegt mama snel. ‘Ons mooie huis,’ zeg ik sip. Oma Lola lacht. ‘Dat huis, dat is er al,’ zegt ze met een fijne glimlach om haar lippen. ‘Jullie dragen het alle vier in jullie hart.’ Ze legt haar hand over die van mama en papa. Pedro duwt er vlug zijn knuistje tussen. En dan leg ik er mijn hand bovenop. Het is niet voorbij. Het moet allemaal nog beginnen.

40


Een orkaan zet het hele leven van Imee en haar broertje op zijn kop. Kunnen ze zich nog tijdig in veiligheid brengen voor de storm? En zien ze mama en papa nog terug? Gelukkig is oma Lola er nog.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Yoeri Slegers Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 4 - Thema 8 - N3 - Yolanda by die Keure - Issuu