Skip to main content

Verrekijkerbieb - 5e leerjaar - Kijker 3 - Thema 4 - N2 - Perfect

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Perfect Sandrine Lambert

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 5

3


Perfect

’s Nachts stak hij zijn zus met een passerpunt. ’s Morgens poetste hij zijn tanden, drie minuten met een zandloper. ‘Wees een goede leerling,’ zei zijn moeder als hij naar school vertrok. Altijd zei ze dat. En altijd veegde ze even over zijn mondhoeken die nooit vuil waren. En hij was de beste leerling die hij kon zijn. Hij stak zijn vinger op bij elke vraag. Hij raapte de gom op van zijn klasgenoot en waste het bord met nat. Daarna klopte hij de borstels uit, ook als die nooit echt vuil waren. ‘Jij bent maar een schrikkepiet,’ riep Gust hem over zijn schouder toe. Gust die weer straf schreef, zoals elke dag. En dat was zijn eigen dikke schuld. En toen zei Lisa het ook, dat hij een schrikkepiet was. Naar Lisa luisterde hij wel, omdat hij haar graag mocht. Dus moest hij het bewijzen. Dat ze zich vergiste als ze niet inzag hoe perfect hij wel was. Daarom prikte hij Lisa. Met zijn passerpunt, in haar knie, door haar kousenbroek heen.

1


‘Wel heb je ooit!’ schreeuwde juf Els, die net op dat moment toekeek. Ze schreef een nota in zijn agenda en pakte zijn passer af. Zijn moeder had gehuild en zijn zus zeer goed geslapen, die nacht. ’s Morgens liet hij het zand uit de zandloper lopen. En dat was nog maar een begin.

2


Het begon met kleine verdwijningen. Dingen die stukgingen of leegliepen: een broodtrommel, een geodriehoek, een fietsband. Michiel poetste zijn tanden nog beter dan voorheen. Zonder zandloper was er minder zekerheid. En aan die zekerheden in het leven greep hij zich vast. Net als zijn vader droeg hij een polshorloge van goede kwaliteit. Dat horloge was hem al beloofd toen hij amper kon lopen. Zijn vader had er ook één. Die droeg hij dagelijks. Maar toch was hij er heel zuinig op. ’s Avonds poetste en aaide hij het horloge met een fluwelen doekje. En Michiel zou het net zo doen. De zaterdag na zijn verjaardag was hij met zijn ouders naar de juwelier geweest. Hij was toen zes jaar. Rosie werd toen naar oma en opa gebracht. Aan zoiets plechtigs mocht zij niet deelnemen. Met het horloge om zijn pols was Michiel daarna naar een restaurant geweest. Samen met zijn ouders. Ze hadden iets belangrijks te vieren. En Michiel was het zware horloge ook meer dan waardig. Het had zelfs nog nooit voorgelopen of stilgestaan. De kleinste afwijking werd onmiddellijk opgemerkt en bijgesteld. Michiel had gevoel voor dat soort zaken. Dingen die niet klopten, hoorde hij als een soort piepgeluid in zijn hoofd.

3


Het was Gust die achter hem liep op weg naar school. Dat had hij niet zozeer gehoord maar wel duidelijk gevoeld. Het piepgeluid werd onmiddellijk overtroffen door een kiezelsteen tegen zijn hoofd. Omkijken deed hij niet. Michiel gunde Gust geen blik waardig. Gust was gespuis. Hij had het zijn ouders vaak genoeg horen zeggen.

4


Gust kwam destijds in zijn klas. Hij was zo’n kind dat nergens paste, dus ook niet in zijn klas. Toch kreeg hij ineens een plaats naast Michiel. Dat was niet omdat Michiel iets verkeerds had gedaan. Het was juist omdat hij zo braaf was. Heel even was er toen bij hem wel iets gaan dagen. Gust deugde niet. Dat wist Michiel van zijn mama en papa. Hij hoorde het ook aan de stem van de juf. En hij zag het aan de gom van Gust, waarin die met zijn potlood wel honderd gaten had geprikt. Toch zorgde Gust maar zelden voor een fluittoon in het hoofd van Michiel. Vaker was er een warm gegons vlak achter zijn oor. Een gevoel dat Michiel wel fijn vond. Gust kon hem aan het lachen brengen, ook als hij niet echt lachte. De lach bleef dan in zijn hoofd, vlak achter zijn ogen. Als Gust gekke dingen riep zonder zijn vinger op te steken. ‘Hoeveel is 121 maal 5?’ vroeg de juf bijvoorbeeld. En nog voor Michiel 605 kon denken, had Gust dan al geroepen: ‘Ontzettend veel!’ Je moest maar durven … Gust durfde bijna alles. Als er in de klas van plaatsen gewisseld werd. Als Gust vooraan zat en Michiel achteraan. Zelfs als Gust een bankje helemaal alleen had gekregen. Ver weg van de anderen. Dan duurde het nooit lang voor hij weer naast Michiel werd gezet. Juf had Michiel verteld dat hij een goede invloed had op Gust.

5


Of dat echt zo was, wist Michiel niet. Zelfs als Gust naast hem zat, haalde hij apenstreken uit. Michiel zelf hield niet zo van veranderingen. Daarom vond hij het wel goed om steeds weer naast Gust te zitten. Ze waren geen vrienden, dat ook weer niet. En vrienden zouden ze nooit worden. Gust was alles wat Michiel niet was. Hij was klein en heel dun. Zijn neus was lang, waardoor zijn spitse gezicht een beetje op de bek van een vogel leek. Gust zat nooit stil. Zelfs al zag je hem niet echt bewegen. Dan nog voelde Michiel hem schoppen tegen de poten van de bank. Wanneer hij iets wou zeggen, riep hij. Dan spreidde hij zijn armen uit als vleugels en sprong hij recht. Michiel wou niet zoals Gust zijn. Maar meer durven, dat wou hij wel. Daarom was hij gaan oefenen. ’s Nachts. Zijn zus prikken met zijn passer, een blad van de plantjes knakken, een koekje stelen … Elke nacht was het dat piepgeluidje dat Michiel wekte. Eerst dacht hij dat het om een geluid in zijn hoofd ging. Later herinnerde hij zich het polshorloge in de lade van zijn nachtkastje. Hij had het van zijn neef gewonnen door een weddenschap. Maar hij had al een horloge, daarom droeg hij het niet. Daarbij was het horloge gewoon een prulletje. Het kwam niet van de juwelier maar van de kermis.

6


Eerst leek het wel mooi. Er zaten wel twintig knopjes op, een lichtje en een rekenmachine. Maar het was niets voor hem, dat wist hij van zijn moeder. Er zat ook een alarm op. Dat elke nacht om drie uur afging. Puur toeval, maar het was goed zo. Michiel was het gewoon geworden om dan op te staan. En zachtjes naar beneden te sluipen. Hij was gaan houden van het geruststellende geluid van zijn snurkende vader. Dat de derde traptrede kraakte, wist hij heel goed. Met een grote stap kon hij die ontwijken. Altijd liep hij eerst naar de keuken. Dan knabbelde hij gewoontegetrouw een koekje op. Zoveel lef had hij al dat het hem niet meer angstig maakte. Stilaan probeerde hij om daarna nog een stapje verder te gaan. Nog meer te durven. Iets te doen waar Lisa echt van zou opkijken. Melk morsen, de broodzak open laten staan. Zou Lisa dat durven, de broodzak open laten staan? Vast niet. Michiel voelde zich trots als hij daaraan dacht. Na de keuken volgde de woonkamer, waar de plantjes stonden. En een kussen met een gaatje in, waaruit Michiel wat van de vulling kon peuteren. Maar het gebeurde die allereerste keer dat Michiel ’s nachts in de woonkamer stond. Toen zag hij haar. Zo dun was ze, dat het licht van de staatlantaarn door haar heen scheen.

7


Ze leek aan de rolluiken vastgekleefd, maar eigenlijk stond ze er gewoon voor. Met haar ogen halfdicht en de handen voor haar borst gevouwen. Had Michiel met haar gesproken? Dat kon hij zich niet helder herinneren. Misschien probeerde hij eerst wel om iets te zeggen. Mogelijks had hij dat even geprobeerd. Maar in ieder geval had zij nooit geantwoord. Het was eerder alsof ze gedachten in Michiels hoofd legde. Dan dacht hij aan hoe trots papa kon zijn. Of hoe teleurgesteld. De dingen die Michiel onmiddellijk van het gezicht van zijn vader kon aflezen. Het gezicht van de dame bij het rolluik kon hij niet aflezen. Misschien was het daarom dat hij daaraan dacht. Misschien omdat zij geen gedachten had. En misschien had zij geen gedachten doordat zij de hare in het hoofd van Michiel legde. Ik denk te veel na, bedacht Michiel als hij weer in zijn bed lag. In een bed gaan liggen dat nog een beetje warm was, vond Michiel zalig. En het gevoel van zijn kussen tegen zijn wang. Zijn geur die in zijn neus drong en er zijn hoofd mee vulde. Dan sloot hij zijn ogen en meende hij de hemel te zien. Met alleen maar zachte, witte wolken, als heerlijke suikerspinnen. Dan had hij het gevoel dat hij zich nergens iets van aan moest trekken. Dan had hij gedurfd wat er te durven viel.

8


Daarom hield hij steeds meer van die nachtwandelingen. De vrouw bij het rolgordijn was hij gaan waarderen. Hij was haar blijven zien. Nooit zei ze iets, maar Michiel was haar zijn nachtoma gaan noemen. Soms was hij moe in de klas. Maar het was erbij gaan horen. Net als ’s nachts wakker worden. Michiel vroeg zich af of iedereen … Iedereen van zijn klas, de stad, het land, de wereld. Of al die mensen echt ’s nachts sliepen en overdag niet. Misschien wel. Misschien durfden zij niet anders. Maar Michiel wel.

9


Anders dan de meeste mensen hield hij ook van de regen. Vooral op vakantiedagen. Dagen waarop het met bakken uit de lucht viel, waren voor hem het paradijs. Dan haalde niemand het in zijn hoofd om op uitstap te gaan. Dat waren dagen waarop hij en zijn zus op zolder mochten spelen. Maar Rosie had schrik van spinnen. Dus kon hij er dan een hele dag alleen zijn. Rosie was zijn kleine zus. Kleine zussen zijn niet zoals grote zussen maar dan in het klein. Kleine zussen zijn meisjes die constant dingen mispeuteren. Maar toch worden ze aardig gevonden. ’s Nachts opstaan deed Rosie niet. Maar als ze toevallig wakker werd, zette ze haar keel wijd open. Daardoor was Michiel steeds op zijn hoede tijdens zijn nachtelijke wandelingen. Dat papa boos zou worden op een kind dat tierde als ze ’s nachts dorst had. Dat zou je denken. Maar papa werd nooit boos. Mama ook niet. Er waren oude spullen op zolder. Dingen die iedereen al lang vergeten was. Er was een piano met spookmuziek. Michiel mocht er niet op spelen. Mama had het hem verboden want het was een erfstuk. De snaren waren half vergaan. Eén druk op een toets zou ervoor zorgen dat die snaren het huis deden ontploffen. Of zo leek het toen mama het hem verbood.

10


Soms probeerde Michiel om stiekem op de piano te spelen. Maar stiekem op een piano spelen is erg moeilijk … Ook was er een olielamp met een geest. Hij had de geest nog maar één keer gezien. Toen de zon laag door het dakraam scheen. Toen kon Michiel het gezicht van de geest zien. De geest was een meisje. Of tenminste, het was iemand zonder snor en zonder baard. Met alleen maar twee ogen, een neus en een mond. Na die ene keer toonde ze zich niet meer. Maar geesten verdwijnen niet zomaar. Dus dat ze nog wel in de lamp moest zitten, wist Michiel. Hij had een boek gelezen over geesten. Daardoor wist hij dat geesten eigenlijk dode mensen waren. In hun leven hadden ze iets gedaan waar ze geen vrede mee konden nemen. Daarom bleven ze spoken. Geesten spookten altijd. Tot ze iemands grootste wens in vervulling hadden doen gaan. Nu, deze meisjesgeest had duidelijk weinig zin in zwerven en spoken. Het moest dus bijna zo zijn dat ze wachtte op Michiel. Op een goed moment om hem te verrassen. Waarschijnlijk wou ze zich ervan verzekeren dat Michiel wel genoeg te vertrouwen was. Daarna zou ze terugkomen. Dan zou ze vragen om zijn grootste wens te vervullen. En dan zou Michiel het vragen … Daarom stofte hij de lamp af met een vod.

11


En daarom legde hij af en toe wat stukjes brood naast de lamp. De stukjes verdwenen altijd, dat was het bewijs dat de geest echt bestond. Michiel noemde haar Maria. Dat was de naam van zijn overgrootmoeder. Helemaal zeker wist hij het natuurlijk niet. Maar het kon dus best dat de geest haar geest was.

12


Zijn vader vertelde vaak over hun familie. Dat ze eigenlijk van adel waren. Dat elke druppel van hun bloed blauw was. Maar dat anderen hen dat niet gunden. Zij probeerden om hen van de titel te beroven. Jammer genoeg was dat ook gelukt. Eén keer was Michiel op zijn knie gevallen. Hij dacht toen dat zijn bloed rood was. Hij meende dat toen gezien te hebben. Maar waarschijnlijk was het een vergissing. Hoogstwaarschijnlijk kwam dat door het rode goedje dat de juf er toen opgesmeerd had. Waarschijnlijk was het zelfs zo dat de juf dat goedje speciaal op zijn knie smeerde. Om te verbergen dat zijn bloed blauw was. Michiel probeerde er niet te veel aan te denken. Gelukkig was hij daarna nooit meer gevallen. Hij lette wel op! En als hij Rosie met de passer stak, was het donker. Ook dat spaarde weer wat kopzorgen.

13


Die keer dat Gust met hem gepraat had. Toen het echt was en niet in zijn hoofd. Toen Gust vertelde over zijn broer die heel veel spieren had. Die keer had Michiel over de geest in de lamp verteld. Niet over zijn nachtoma of over Robot O, alleen over de geest. ‘Cool,’ had Gust gezegd. ‘En wat is jouw wens?’ Dat had Michiel niet verteld. Want als je je wensen verklapt, dan komen ze niet uit. Gust kende niets van wensen en hij vertelde dat hij een legertank zou wensen. Om de school mee te vernielen. ‘Cool,’ had Michiel geantwoord. Hij wist dat dat zo hoorde. Daarna had Michiel alleen nog in zijn hoofd met Gust gesproken. Over Robot O, die in de keuken woonde. Die wel echt moest leven. Omdat hij soms met zijn ogen draaide, bromde of licht gaf.

14


Als Michiel in de keuken voorbij Robot O liep, wuifde hij even. Onopvallend. Niemand mocht het merken. Hij vond het sneu voor de oven dat niemand hem zag zoals hij was. Gelukkig waren er kinderen zoals Michiel. Die wel goede ogen hadden. En die niet deden alsof ze anderen niet zagen. Soms verlangde hij naar iemand zoals hijzelf. Die hem ook zou zien zoals hij was. Lisa was eerst wel aardig tegen hem. Maar dat was ze ook tegen Gust. En tegen Ada, Rachel en Timo. Nu was dat gedaan. Nu was Lisa nog steeds aardig tegen Ada, Rachel en Timo. Ze was zelfs erg aardig tegen Gust. Maar voor Michiel leek ze te vluchten. Misschien kwam dat door de dingen die gebeurden. Vreemde dingen. Een fietsband die leegliep. De koek van Lisa die verdween. De favoriete rode pen van de juf die plots leeg was. Een beetje natte verf op de stoel van de directeur … Eén keer was Michiel Lisa gevolgd. Tot bijna bij haar huis. Hij was geruisloos geweest. Hij had zich doorschijnend gedacht. Hij had alleen maar gekeken. In zijn hoofd gaf hij wel toe haar graag te zien. Maar als iemand het zou vragen, zou hij zeggen dat hij haar een trut vond. Want zo hoorde het. En Michiel deed de dingen graag zoals het hoorde.

15


Even was er dat piepgeluid in zijn hoofd. Vlak daarna draaide Lisa zich om. Michiel stopte en hield zijn adem in. Hij maakte zijn buik plat om nog meer onzichtbaar te zijn. Maar zij stapte op hem af. Ze keek in zijn ogen, met een gezicht dat groen leek te worden. ‘Wat ben jij eigenlijk voor een akelig mannetje?’ Daar had Michiel geen antwoord op. Toen Lisa alweer weg was, voelde hij ineens haar koek in zijn broekzak. Die haalde hij eruit, ontdeed hem van de wikkel en beet erin. Wat er eigenlijk zo bijzonder was aan Lisa? De manier waarop ze lachte. Altijd een tel te laat. Alsof ze er even over had moeten nadenken. En dan was er ook iets met haar ogen. Niet met haar ogen zelf maar met de huid errond. Die leek van satijn en glansde op een vreemde manier. Haar blik kon in je kruipen. Langs je ogen naar binnen, kriebelen in je buik en nog verder gaan. Helemaal tot aan je tenen. Maar ze kon ook opvallend niet naar je kijken. En dat was een rot gevoel. Michiel wist het nu maar al te goed.

16


Er waren zoveel dingen veranderd. Zijn moeder raakte zijn mondhoeken niet meer aan. Buiten waren de bomen kaal geworden. En zijn zus had Michiel te grazen genomen. Door een muizenval onder haar laken te verstoppen. Nochtans was er in zijn hoofd geen piepgeluid geweest om hem te verwittigen. Gust liep naast hem, op weg naar school. Samen smeten ze kiezelsteentjes naar Lisa. Soms wierp Lisa een dikke kei terug. Soms was het raak. Michiel was gestopt met naar Lisa kijken. Dat hielp. Hij zag haar natuurlijk wel, maar er is zien en zien. Je kunt zien wat er is. En je kunt zoeken naar wat dat betekent, dat wat je ziet. Vanaf dat moment was het makkelijk. Het bijzondere was weg. Het moeilijke ook.

17


Michiel geloofde niet meer in zijn nachtoma. Ook niet in de geest in de lamp en Robot O. Hij had het zich allemaal maar verbeeld, zo simpel was het. Op zolder spelen deed hij nog wel, samen met Gust. Michiel liet de olielamp aan Gust zien. Die deed toen net of hij een geest was. ‘Wat wenst u, meester?’ ‘Ik wil graag perfect zijn,’ zei Michiel uit de grond van zijn hart. Gust keek hem met grote ogen aan. ‘Weet je dan niet dat wensen niet uitkomen als je ze verklapt!’ Dat was waar … Michiel keek omlaag. Nu zou hij dus nooit meer perfect kunnen worden. ‘Kwaak kwaak!’ riep Gust, die als een kikker door de zolder sprong. Michiel glimlachte, een zware last viel van zijn schouders. Hij stond op en begon met Gust mee te springen.

18


Gust was weer weg. Ondertussen was mama thuisgekomen. Michiel zat op de plankenvloer en staarde voor zich uit. Hij keek naar de lamp. En hij vroeg zich af hoe hij zo stom had kunnen zijn. Wie gelooft er nu in geesten? Er stond zoveel rommel op zolder. Michiel vroeg zich af waarom niemand het opruimde. De piano stond daar: groot en log. Michiel wist nu wel zeker dat spoken niet bestonden. Hij stapte naar de piano toe, schopte ertegen en zei: ‘Ik durf.’ Krakend ging het deksel open. Michiel bleef staan want het krukje vertrouwde hij niet. Voorzichtig legde hij een vinger op een toets. Het klonk hoog. Schel bijna. Met een vinger van zijn linkerhand: laag. Links – rechts – links – rechts. Eerst waren het voorzichtige vingers. Daarna hevige handen. Michiel voelde de tonen door zijn lichaam stromen. Alsof de piano hem echt iets wou vertellen. ‘Jij bent vrij! Voel je vrij!’ Het was net alsof de piano dat zei. Alsof dat de vingers van Michiel deed vliegen. ‘Stop!’ Michiel schrok niet eens. Hij wist dat mama zou komen.

19


Zijn mama leek op een vrouw die hij niet kende. Haar hals leek dunner, langer ook. Het was net of haar ogen niet echt waren. Alsof het geen ogen waren maar bruine schijfjes die iemand erop geschilderd had. En haar mond was een grijzige holte. Alleen het bruine haar, dat was mama’s bruine haar. Michiel had zo naar het gezicht van zijn moeder staan staren … Hij had niet eens gezien dat ze naast hem was komen zitten. ‘Je bent veranderd,’ zei ze. Toen ze dat zei, leek ze weer normaal. Michiel sloot het deksel van de piano weer. Liefst van al wou hij doen alsof er niets gebeurd was. Hij had zó geen zin in een gesprek. ‘Je wordt natuurlijk groot,’ glimlachte zijn moeder. Michiel hoopte vurig dat ze niet over de puberteit zou beginnen. ‘Weet je, ik had dat ook op jouw leeftijd.’ Eigenlijk wou Michiel niets weten over zijn moeder. Ook niet over toen ze zijn leeftijd had. Eigenlijk wou hij liever een plekje zoeken. In de kelder. Of in de kast. Desnoods in de vuilbak. Een plek waar niemand hem zou storen. ‘Ik heb me ook afgezet tegen mijn ouders … Ik wou vrij zijn! Niet saai naar school gaan, maar avonturen beleven. Bergen beklimmen, de wereld rond in een zeilboot, nieuwe diersoorten ontdekken!’

20


Zijn moeder was weer recht gaan staan. Ze hield één vuist gebald boven haar hoofd. De andere zwaaide wild heen en weer. Michiel gaapte haar aan. Opnieuw leek zijn moeder niet op zijn moeder. Deze vrouw zag er interessanter uit. ‘En toen?’ vroeg hij. ‘Heb je ook echt iets meegemaakt?’ Zijn moeder ging weer zitten. Ze kruiste haar benen, keek naar haar handen en zuchtte diep. ‘Nee, toen zag ik in dat dat alleen maar fantasie was. Dat het me geen meter vooruit zou helpen. En dat mijn ouders altijd al gelijk hadden gehad.’ Omdat Gust ziek was, moest Rachel met Michiel. En Lisa met Timo. ‘Mogen we wisselen?’ had Lisa gevraagd. En omdat Lisa het lievelingetje was van de juf, mocht dat. Waarom ze dat nu precies had gevraagd, wist Michiel niet. Maar ineens moest hij zijn spreekbeurt met Lisa doen. ‘Over wat? Heb jij een idee?’ vroeg Lisa. Over vampiers of over zombies of vernietigende robots, dacht Michiel. Over alles wat ik wel durf en jij niet. Maar omdat hij dat niet durfde zeggen, zei hij: ‘Kies jij maar.’ ‘Over vampiers?’

21


Michiel had gevraagd of Lisa naar zijn huis wou komen. Om voor te bereiden. Hij wist dat zijn moeder zou staan loeren. Hij wist dat zijn vader hem daarna enkele dingen zou willen uitleggen. Maar hij had het toch gevraagd. Nog dertig minuten, dan zou ze komen. Hij vroeg zich af of hij haar de zolder zou tonen. In zijn hoofd had Michiel al zijn geheimen al aan Lisa verteld. Dan luisterde ze naar hem en kon hij urenlang praten. Dan bewonderde zij hem. In het echt zou dat niet gebeuren. Hij hoorde haar fiets. Toen hij opsprong, viel zijn stoel met een klap op de grond. Vlak daarna ging de bel.

22


Moeder rende naar de deur. Alsof ze Michiel voor wou zijn. Haar ‘hallo’ was zo luid dat het Michiel deed krimpen. Daar stond hij dan, niet groter dan een kabouter. ‘Hallo,’ zei Lisa. Haar stem klonk zacht en vriendelijk. Omdat het krimpen van Michiel zijn stem onhoorbaar had gemaakt, wuifde hij. ‘Ik heb al wat geprint van het internet.’ Michiel voelde zich dom omdat hij daar zelf niet aan gedacht had. Hij luisterde naar hoe Lisa de rollen verdeelde. Alles had zij al bedacht. Wie wat zou zeggen. En alles wat gezegd moest worden, had zij al voorbereid. ‘Is alles al af?’ vroeg Michiel beduusd. ‘Misschien kun jij nog wat tekeningen maken …’ Michiel knikte alleen maar. De pieptoon in zijn hoofd vertelde hem dat zijn moeder dichtbij was. ‘Oké, en kunnen we dan nu naar de zolder?’ vroeg Lisa. ‘Hoe weet je …’ ‘Van Gust. Het is de coolste plek die hij kent.’ Michiel hield zijn hoofd schuin om te zien of Lisa hem uitlachte. In zijn hoofd bleef het piepen. ‘Gust zegt dat er vreemde wezens zitten. Die niets doen als jij erbij bent.’ Ze had haar weg naar de zolder al ingezet. ‘Dus moet je natuurlijk wel meekomen.’

23


De zon scheen op een vreemde manier het dakraam binnen. Lisa liep langzaam rond. Ze zei niets. Heel even stak ze haar hand uit, alsof ze de piano wou aanraken. Maar ze deed het niet. De stilte werd ongemakkelijk en Michiel wenste dat Lisa iets zou zeggen. Maar ze deed het niet. Misschien moest hij praten, zoals dat in zijn hoofd ging. Maar hij deed het niet. Er was alleen die pieptoon in zijn hoofd. Omdat zijn moeder zat af te luisteren. Wel, veel zou ze niet horen … Ineens keek Lisa naar de stralen van de zon door het dakraam. ‘Ik denk dat ik de geest gezien heb.’ Michiel had haar willen vertellen dat dat verbeelding was. Dat je dingen ziet als je schrik hebt. Of gewoon, omdat het leuk is om dingen te zien. Ook als je weet dat het niet echt is. Toen kraakte de trap en slaakte Lisa een gil. ‘Niet bang zijn,’ zei Michiel. ‘Ze doen niets als ik erbij ben, weet je nog?’ ‘Blijf dan bij me, Michiel.’ En hij keek naar de zonnestralen. Het leek wel of hij haar zag, de geest. Alsof ze knikte en akkoord ging met de wens van Lisa. Hij keek naar haar. Hoe ze daar stond in de zon. En dat ze perfect was voor hem. Ook al was dat misschien wel verbeelding.

24


Michiel is geen gewone jongen. Hij heeft een bijzondere band met een geest. En met zijn nachtoma en Robot O. Hij ziet dingen die anderen niet zien. Toch heeft hij maar één grote wens: hij wil perfect zijn.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Foto’s: Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625369

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook