ucatieve uitgaven
Avontuur in de middeleeuwen
BIEB
Alice van de Geest
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
8
Avontuur in de middeleeuwen Proloog De jongen in het bed lijkt te slapen, zijn voorhoofd is in verband gewikkeld. Een pluk vuurrood haar springt tussen het verband door. Naast het bed zit een vrouw met hetzelfde vuurrode haar. Zijn moeder. Ze zit met haar ellebogen op het bed en heeft de hand van de jongen tegen haar wang gelegd terwijl ze bedroefd naar hem kijkt. ‘Kon je maar praten, kon je maar vertellen wat er gebeurd is,’ mompelt ze voor zich uit. ‘Waar ben je?’ Ze legt de hand van de jongen terug en slaat haar handen voor haar ogen. Zachtjes begint ze te huilen.
1
Hoofdstuk 1 Johannes slingert zijn tas over zijn schouder en loopt de trap af naar beneden. ‘Ik ga,’ roept hij richting de keuken. ‘Oké, lieverd, veel plezier,’ roept zijn moeder afwezig terug. Zo te horen zit ze weer boven haar pannen, denkt Johannes grinnikend. Hij loopt naar de keuken en steekt zijn rode krullen om de hoek van de deur. Ja hoor, z’n moeder staat met een verhit gezicht in een pan te roeren. Zodra ze hem ziet, loopt ze op hem af met de lepel voor zich, ‘proef eens, wat denk je, is de saus niet te pittig?’ Johannes neemt een hapje. Wat ben ik toch een geluksvogel omdat mijn moeder kookboeken schrijft, denkt hij. ‘Precies goed.’ Hij neemt nog een hapje. ‘Of misschien toch nog een klein beetje kaneel erbij.’ Zijn moeder knikt tevreden. ‘Dat dacht ik nou ook.’ Ze geeft hem een kus op zijn voorhoofd. ‘Dank je, lieverd.’ ‘Ik denk dat ik na de les nog even ga oefenen in het bos,’ zegt hij. ‘Prima, zorg wel dat je op tijd thuis bent voor het eten, ik wil graag dat je dit gerecht proeft.’ Johannes knikt en loopt vervolgens fluitend naar zijn fiets.
2
Hij fluit nog steeds als hij bij de boogschietclub aankomt. Hij zet snel zijn boog in elkaar, pakt zijn koker met pijlen en loopt naar de baan. Hij is de eerste zoals altijd. Hij heeft een hekel aan te laat komen. Niet veel later komt zijn beste vriend Alexander. Ze zitten bij elkaar in de klas en zijn allebei gek op paardrijden en boogschieten. En dan begint de les. Hun trainer Philip heeft wat nieuws bedacht. Hij heeft een hert op ware grootte uitgeprint en die bevestigd aan een soort katrol zodat hij heen en weer beweegt. Zij mogen er vervolgens op schieten, wat best lastig is omdat ze stilstaande doelen gewend zijn. Met een beetje oefening lukt het Johannes om het hoofd en de nek te raken. Philip knikt goedkeurend, ‘met dat schot in de hals heb je hem zeker gedood.’ ‘Als je maar niet denkt dat ik ooit een levend wezen neerschiet,’ zegt Johannes lachend. Na de les loopt hij samen met Alexander terug naar de kantine waar ze hun boog uit elkaar halen. ‘Ga je nog mee het bos in?’ vraagt Johannes. Alexander schudt zijn hoofd. ‘Ik kan niet, ik heb mijn moeder beloofd dat ik zal helpen met haar naaiproject.’ Hij kijkt er erg ongelukkig bij. ‘Ik moet musicalkostuums passen.’
3
Johannes lacht. ‘Jij liever dan ik.’ Hij slingert zijn rugzak over zijn schouder en loopt naar de deur. ‘Zie ik je nog dit weekend?’ ‘Ik hoef gelukkig niet het hele weekend in musicalkostuums rond te lopen. Ik zie je morgen op de manege.’ Lachend lopen ze naar de fietsen. Alexander stapt op zijn fiets. ‘Voor welke musical zijn de kostuums?’ roept Johannes naar Alexander als hij wegfietst. ‘Robin Hood!’ schreeuwt Alexander over zijn schouder. Johannes loopt richting het bos. ‘Robin Hood,’ zegt hij grinnikend tegen zichzelf, ‘wel toepasselijk’. Het is ongeveer een kwartier lopen naar de plaats waar Alexander en hij een open plek gevonden hebben. Daar kunnen ze oefenen zonder dat ze bang hoeven te zijn dat ze dwars door iemand heen schieten. Johannes loopt op zijn gemak, het is lekker weer, de zon schijnt. Het is groen in het bos en na de regenbui van vannacht ruikt het ook lekker. Plotseling hoort hij wat. Hij stopt en luistert. Wat zou het zijn? Er zitten dieren in het bos. Alexander en hij hebben wel eens een konijn gezien en één keer een hert. Hij hoort het geluid weer, het komt van links. Het klinkt alsof iemand tegen een boom schuurt. Hij bukt en kijkt of hij wat kan zien. Niets. Langzaam loopt hij de kant van het geluid op, het klinkt steeds harder. Dan ziet hij wat het is: een everzwijn die lekker tegen een boom staat aan te schurken. Helaas ziet het everzwijn hem ook. Hij stopt met schurken en zet briesend een paar stappen richting Johannes.
4
Johannes wacht niet af wat het everzwijn gaat doen. Hij draait zich om en trekt een sprintje. Hij springt over bosjes, zigzagt tussen bomen door en mist net een laaghangende tak. De uitstekende boomwortel ziet hij helaas over het hoofd. Zijn voet blijft haken en hij maakt een salto waarbij hij met zijn hoofd tegen een boom botst. Met een smak komt hij op de grond terecht.
5
Hoofdstuk 2 Kreunend gaat Johannes overeind zitten. Wat is er gebeurd? Hij voelt aan zijn hoofd, aan de voorkant zit een behoorlijke bult. Blijkbaar is hij op zijn hoofd gevallen, maar hoe kan dat? Hij kijkt om zich heen. Een stukje verderop ziet hij de boosdoener, een boomwortel met eronder een kleine opening. Zijn schoen zit er nog tussen. Op z’n kont kruipt hij ernaartoe, pakt zijn schoen en trekt hem weer aan. Op z’n rug voelt hij zijn rugzak zitten, gelukkig heeft hij die nog. Voorzichtig trekt hij zich op aan de boom, nog een beetje wiebelig op zijn benen blijft hij er even tegenaan geleund staan. Hij kijkt om zich heen. Er klopt iets niet. Misschien is de klap harder aangekomen dan hij dacht. De huizen die naast het bos liggen, zijn er niet meer. Hij draait zich om. Misschien vergist hij zich en liggen de huizen aan de andere kant, maar ook daar ziet hij alleen maar bomen. Het pad is er gelukkig nog wel. Voorzichtig loopt hij ernaartoe. Welke kant zal hij oplopen? Hij besluit om richting de boogschietvereniging te lopen. In oefenen heeft hij geen zin meer. Na een paar minuten hoort hij ineens het getrappel van een paard, het komt steeds dichterbij. Hij stopt en gaat aan de zijkant van het pad staan.
6
Een paard zonder berijder komt zijn kant op gerend. Als het dier hem ziet, steigert het. Johannes schrikt even, maar doet dan voorzichtig een stap naar voren en pakt de halsriem terwijl hij sussende geluidjes maakt. Het paard probeert nog een keer te steigeren maar Johannes heeft de halsriem goed vast. Hij legt zijn hand op het hoofd van het paard dat langzaam rustiger wordt. Ze briest nog één keer en staat dan stil. Johannes aait haar zacht over haar neus. ‘Waar ben jij zo van geschrokken?’ fluistert hij. Het paard lijkt naar hem te luisteren. Achter het paard hoort hij gehijg. Hij draait het paard om naar het geluid. Een jongen staat uit te hijgen tegen een boom. Johannes begint te lachen. ‘Wat zie je er raar uit, Alexander.’ ‘Wie is Alexander? Bedankt dat je mijn paard hebt tegengehouden.’ De jongen blijft nog even tegen de boom staan. Hij heeft een soort pofbroek aan met daaronder leren laarzen tot over zijn knieën. ‘Doe niet zo raar, Alexander, waarom heb je zo’n blouse aan? Om je krom te lachen!’ De jongen loopt op Johannes en het paard af. ‘Wat zeg je voor rare dingen? Jij bent degene met vreemde kleding aan. Hoe heet je en waar kom je vandaan?’
7
‘Nu moet je ophouden, Alexander. Zijn dit de kleren voor de musical Robin Hood?’ Johannes begint een beetje boos te worden. ‘En sinds wanneer heb jij een eigen paard?’ ‘Waarom noem je me steeds Alexander? Zo heet ik niet, ik heet Boudewijn en waarom zou ik geen eigen paard hebben? Ik kon eerder paardrijden dan lopen. En wat is een musical en wie is Robin Hood?’ Johannes staart Boudewijn verbaasd aan. De jongen lijkt sprekend op zijn vriend Alexander, maar hij is het niet. De jongen heeft rare kleren aan. Johannes houdt een loslopend paard vast en de huizen zijn verdwenen. Als hij niet beter zou weten, zou hij denken dat hij ergens anders is. Aan de kleren van Boudewijn te zien, misschien ergens in de middeleeuwen. Hij voelt aan zijn hoofd. Die klap is toch echt harder aangekomen dan hij dacht. Boudewijn ziet de bult op het hoofd van Johannes. ‘Heeft mijn paard dat gedaan?’ Johannes schudt zijn hoofd, ‘nee, ik ben over een boomwortel gestruikeld.’ ‘Als je met mij meekomt, kan iemand de wond verzorgen, het bloedt,’ zegt Boudewijn. Hij neemt het paard van Johannes over, aait hem over zijn neus en draait hem om. ‘Kun je rijden?’ Johannes knikt. ‘Mooi, dan kun je achter me zitten, dat gaat sneller.’ Johannes voelt zich ineens heel moe en is blij dat hij even kan zitten. Na een paar minuten verlaten ze het bos.
8
Johannes zijn mond valt open van verbazing. In plaats van het dorp waar hij woont, zijn er open velden afgewisseld met bos. Boudewijn duwt zijn knieën in de flanken van het paard. In draf gaan ze verder. Af en toe zien ze een boerderijtje. Verder niets. ‘Waar woon je?’ vraagt Johannes aan Boudewijn. ‘Ik woon op het kasteel. Na de volgende bocht kun je het zien liggen aan de rechterkant.’ En inderdaad, na de bocht ziet Johannes een echt kasteel met torens en kantelen. Boudewijn laat het paard stoppen zodat Johannes het kasteel goed kan bekijken. ‘Wauw, dat is een echt kasteel, ik wist niet dat die hier stonden.’ Boudewijn kijkt hem vreemd aan, ‘jij bent echt raar, het stikt hier van de kastelen. Waar kom je eigenlijk vandaan?’ ‘Ik kom niet echt uit de buurt, geloof ik,’ kreunt Johannes zachtjes.
9
Hoofdstuk 3 Boudewijn stuurt het paard rustig op de ingang van het kasteel af. Rond het kasteel ligt een slotgracht met een echte ophaalbrug. Johannes kijkt zijn ogen uit. Hij wist niet dat er zo dicht bij zijn huis nog een echt kasteel stond. Al vraagt hij zich af of hij wel echt zo dicht bij huis is. ‘Boudewijn, waar zijn we eigenlijk? Hoe heet het hier?’ vraagt Johannes. ‘We zijn in het hertogdom van mijn vader, hij is de hertog van Bekelaere,’ antwoordt Boudewijn trots. ‘Is jouw vader een hertog? Wauw!’ Johannes is onder de indruk. ‘Welk jaar is het?’ ‘Die klap is echt hard aangekomen, het is het jaar 1497, wat dacht je dan?’ Boudewijn kijkt achterom. ‘Gaat het wel?’ Johannes kan niet anders dan knikken, hij is veel verder van huis dan hij ooit had kunnen denken. Hoe komt hij in 1497 terecht? Hij knijpt zichzelf. Auw! Dat doet pijn, hij droomt dus niet. ‘Is er hier ook een dorp dat Bekelaere heet?’ vraagt hij. ‘Natuurlijk! Daar zijn we net doorheen gekomen,’ antwoordt Boudewijn. Johannes kan zich niet herinneren dat hij door een dorp is gekomen. Hij kijkt achterom. Tenzij Boudewijn die paar huisjes die bij elkaar staan een stukje terug bedoelt.
10
Boudewijn springt soepel van zijn paard. Johannes volgt wat stroever. Ze staan op een plein waar er een drukte van belang is. Iemand neemt het paard van Boudewijn over. ‘Kom, dan stel ik je voor aan mijn vader,’ zegt Boudewijn en hij trekt Johannes mee. Johannes trekt zich los en loopt naar het midden van het plein. Hij draait een rondje terwijl hij alles in zich opneemt. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ Een beetje chagrijnig probeert Boudewijn Johannes mee te trekken. ‘Wat is dat voor een gebouw in het midden?’ Johannes wijst naar een grote toren die midden op het kasteelplein staat.
11
‘Dat is de donjon, daar woon ik samen met mijn ouders en mijn broers en zussen.’ ‘Heb jij broers en zussen?’ ‘Ja, zeven, jij niet dan?’ ‘Nee, ik heb alleen mijn moeder. Wat is een donjon?’ Boudewijn zucht. ‘Heb je nog nooit een kasteel vanbinnen gezien?’ Johannes aarzelt even. ‘Nee,’ zegt hij dan. Boudewijn kijkt hem ongelovig aan, ‘waar kom jij vandaan? Het stikt hier van de kastelen.’ ‘Ik denk niet dat je me zult geloven.’ Johannes pakt de banden van zijn rugzak vast, het enige bewijs dat hij echt uit de 21e eeuw komt. Boudewijn ziet het. ‘Wat heb je eigenlijk op je rug zitten?’ vraagt hij nieuwsgierig. ‘Dat is een rugzak, daar zitten mijn boog en mijn pijlen in.’ ‘Echt? Dat past toch nooit of is het een kruisboog?’ vraagt Boudewijn verbaasd. ‘Nee, ik kan hem uit elkaar halen,’ antwoordt Johannes. ‘Wel zo makkelijk als ik op de fiets ben.’ ‘De fiets?’ Boudewijn kijkt Johannes vragend aan. ‘Wat is dat?’ Johannes snapt dat hij een fout gemaakt heeft. Fietsen werden pas in de 19e eeuw uitgevonden. ‘Zo noem ik mijn paard,’ antwoordt hij snel.
12
‘Zullen we nu maar naar je ouders gaan?’ Boudewijn knikt. Samen lopen ze richting de donjon. ‘Kun je goed boogschieten?’ vraagt Boudewijn. ‘Ja, best wel, en jij?’ vraagt Johannes. ‘Gaat wel, ik ben beter met een zwaard.’ Ze lopen de donjon in waar het donker is omdat er geen ramen zijn. Gelukkig hangen er fakkels aan de muren. Boudewijn loopt een trap op. Johannes loopt voorzichtig achter hem aan. Het duurt even voordat zijn ogen aan het donker wennen. Boven komen ze in een grote zaal terecht. In het midden staat een grote houten tafel waar een man aan zit. ‘Hoi pap, ik ben er weer,’ zegt Boudewijn. De man kijkt op, een grote lach verschijnt op zijn gezicht. ‘Dag jongen, lekker gereden?’ Boudewijn haalt zijn schouders op, ‘ging wel, het paard heeft me eraf gegooid.’ ‘Alweer?! Je moet echt aardiger doen tegen haar. Wie is de jongeman die je hebt meegenomen?’ vraagt zijn vader geïnteresseerd. ‘En wat is er met zijn hoofd gebeurd?’ ‘Dat is Johannes, hij heeft het paard rustig gekregen,’ zegt Johannes. Zijn vader staat op. ‘Mijn dank is groot, jongeman, nu hoeven we niemand achter het paard aan te sturen.
13
Al was het voor Boudewijn goed geweest als hij het hele stuk naar huis had gelopen.’ Hij schudt de hand van Johannes. Johannes weet niet zo goed of hij een buiging moet maken. ‘Graag gedaan, heer,’ zegt hij. Hij knikt met zijn hoofd, want dat heeft hij wel eens in een film gezien. ‘Keurig opgevoede jongeman, Boudewijn, misschien kun je nog wat van hem leren.’ Johannes schrikt. Straks wordt Boudewijn boos. Maar dan ziet hij dat Boudewijn en zijn vader lachen. ‘Gaan jullie maar wat eten halen bij Kokkie en laat haar ook even naar het hoofd van Johannes kijken. Kom na het eten terug. Dan heb ik een opdracht voor jullie. Als je tenminste nog even tijd hebt, jongeman,’ zegt hij terwijl hij zich naar Johannes omdraait. Johannes knikt, hij voelt nu ook dat hij best honger heeft. Samen met Boudewijn loopt hij naar de keuken beneden in de donjon. ‘Is je moeder er niet?’ ‘Ik denk dat ze ergens in het kasteel aan het inspecteren is. Papa is de baas over het hertogdom, maar mama over het kasteel. Dat is wat papa altijd zegt,’ grinnikt Boudewijn. In de keuken is het warm, het ruikt er lekker naar kruiden en warm brood. ‘Kokkie, mogen we een stuk brood met kaas?’
14
Een vrouw die Johannes nog niet gezien had, draait zich om. Hij schrikt. Het is zijn moeder, of nee, ze ziet er net zo uit als zijn moeder. Hetzelfde lieve gezicht omlijst met rode krullen. Ze kijkt hen vriendelijk aan. ‘Tuurlijk, jongeheer, wilt u er ook wat te drinken bij?’ Boudewijn knikt. Ze veegt haar handen aan haar schort af terwijl ze op hen afloopt. ‘En wie mag jij dan wel zijn?’ vraagt ze aan Johannes. ‘Ik ben Johannes,’ stamelt Johannes. ‘Je hebt je flink gestoten zie ik, dat zal ik eerst maar eens schoonmaken.’ Ze pakt een doek en doopt hem in iets wat op water lijkt en begint dan de wond voorzichtig schoon te maken. ‘Auw, dat prikt.’ Johannes blijft haar aanstaren. Ze klinkt zelfs net als zijn moeder, denkt Johannes verdrietig. Waar zou zijn moeder zijn? Ziet hij haar ooit nog terug? Boudewijn stoot hem aan. ‘Wat is er? Doet je hoofd zo’n pijn?’ Johannes schudt zijn hoofd. ‘Wacht maar tot je het brood van Kokkie proeft, het is echt het lekkerste van de hele wereld.’ Er komt een klein glimlachje op zijn gezicht. Hij weet hoe het brood smaakt. Zijn moeder bakt ook altijd brood en hij kan nooit stoppen met eten. Even later zitten ze allebei te eten. Boudewijn heeft gelijk, het is het lekkerste brood dat hij ooit geproefd heeft. Met smaak zitten ze allebei te eten, maar Boudewijn kan het niet laten om steeds even naar Kokkie te kijken. Mama zal het leuk vinden om te horen dat ze in de middeleeuwen ook al kookte, al verbaast hem dat niet. Zijn moeder is volgens hem met een pollepel in haar hand geboren.
15
Hij neemt een slok van het water dat hij gekregen heeft. Een zurige smaak vult zijn mond. Bah, wat is dit? Hij kijkt om zich heen waar hij het kan uitspuwen. Nergens. Met moeite slikt hij het door. Hij rilt. Boudewijn heeft niets in de gaten en vindt het spul blijkbaar lekker. Hij vraagt om nog een mok. ‘Wat is dat voor spul?’ vraagt hij. ‘Bier natuurlijk, wat moet je anders drinken?’ antwoordt Boudewijn. ‘Water?’ antwoordt Johannes, ‘of melk natuurlijk.’ Hij snapt zelf ook wel dat ze hier geen cola hebben en limonade is ook nog niet uitgevonden. ‘Water? Dat is hartstikke ongezond voor je, wil je dood misschien?’ reageert Boudewijn. Johannes haalt zijn schouders op. ‘Valt wel mee, hoor, als je het eerst kookt, dan dood je alle bacteriën.’ ‘Bakteren, wat zijn dat nu weer?’ Boudewijn kijkt hem vreemd aan. ‘Bacteriën, dat zijn piepkleine beestjes die in het water zitten en waar je ziek van kunt worden. Ach laat ook maar, ik heb toch niet zo’n dorst. Zullen we naar je vader gaan? Ik ben benieuwd wat hij wil dat we doen.’
16
Hoofdstuk 4 De vader van Boudewijn zit nog steeds aan dezelfde tafel, maar deze keer is hij niet alleen. ‘Dat is de kapelaan,’ fluistert Boudewijn hem in zijn oor. ‘Hij leert me schrijven en lezen, dat is echt verschrikkelijk. Waar je dat voor nodig hebt, geen idee.’ Ze blijven wachten tot de heer hen wenkt. Op tafel ligt een stapel brieven met een rode lakzegel. Johannes is benieuwd wat erin staat. ‘Boudewijn, ik wil graag dat jij deze brieven wegbrengt,’ zegt de vader van Boudewijn. Boudewijn knikt. De heer richt zich nu tot Johannes. ‘Kun jij rijden, jongeman?’ ‘Ja, heer, ik kon eerder rijden dan ik kon schrijven.’ De heer knikt goedkeurend. ‘Dus jij kunt schrijven, dan moet je uit een goede familie komen, daar ik wil ik later graag meer over horen. Maar nu wil ik graag dat je mijn zoon vergezelt. Misschien kan jij ervoor zorgen dat hij voor de verandering eens niet van zijn paard valt.’ Johannes knikt. Hij wil dolgraag met Boudewijn mee, maar hij weet niet wat hij straks aan de heer moet vertellen als hij hem naar zijn familie vraagt. Hij weet dat in de middeleeuwen bijna niemand kon lezen en schrijven. Alleen de adel kreeg onderwijs en zelfs die niet allemaal.
17
Hoe kan hij vertellen dat in zijn tijd iedereen naar school moet en dat iedereen kan lezen en schrijven? Alle brieven worden door de heer in een leren zadeltas gedaan. Hij geeft de tas vervolgens aan Boudewijn die hem over zijn schouder gooit. Als ze de zaal verlaten, loopt iemand hen tegemoet. Johannes kijkt hem verbaasd aan. Het is Philip, zijn boogschietleraar, wat doet die hier? ‘Ik hoorde dat je weer van je paard bent gevallen, Boudewijn, daar moet je echt wat aan gaan doen.’ Hij buldert van het lachen. ‘Ja, meester Diederik.’ Met gebogen hoofd loopt Boudewijn langs de man heen. Hij schaamt zich duidelijk. ‘Jemig, volgens mij weet het hele kasteel dat ik van mijn paard ben gevallen,’ zegt hij geërgerd als ze de donjon uitlopen. ‘Wie was dat?’ vraagt Johannes aan Boudewijn. ‘Dat is de krijgsmeester, van hem leer ik vechten en paardrijden,’ zegt Boudewijn met een halve grijns. ‘Maar dat laatste lukt blijkbaar nog niet zo goed.’ Samen lopen ze naar de stallen waar al twee paarden voor hen klaarstaan. Het paard van deze ochtend staat er niet bij. Hij vraagt Boudewijn ernaar. ‘Dat was het paard van mijn vader, die is veel wilder maar ik zei dat ik hem wel aankon en dat kan ik ook. Hij schrikt alleen snel, dat is alles.’
18
Boudewijn gooit de zadeltassen over zijn paard en stijgt op. Johannes volgt zijn voorbeeld. Stapvoets lopen ze over het plein richting de ophaalbrug. ‘Wat staat er eigenlijk in die brieven?’ vraagt Johannes nieuwsgierig aan Boudewijn. ‘Er is binnenkort een toernooi en daar wordt iedereen voor uitgenodigd en als ze willen kunnen ze ook meedoen. Het is altijd een heel groot feest dat een paar dagen duurt. Mijn vader organiseert het elk jaar. Dit jaar mag ik voor het eerst meedoen aan het onderdeel zwaardvechten,’ legt Boudewijn uit. ‘Wat gaaf, denk je dat ik ook zou mogen kijken?’ Johannes zijn ogen schitteren bij het idee. Boudewijn haalt zijn schouders op. ‘Natuurlijk, als je echt zo goed kunt boogschieten, mag je misschien zelfs wel meedoen. Maar als we alles vandaag weg willen brengen dan zullen we wel tempo moeten maken.’ Boudewijn duwt zijn knieën in de flanken van zijn paard. Johannes volgt zijn voorbeeld. Naast elkaar draven ze door de velden.
19
Hoofdstuk 5 Het wegbrengen van de brieven gaat goed. Aan het eind van de middag hebben ze er nog eentje over. Ze zijn alweer op de terugweg. Voor de laatste uitnodiging moeten ze door een dicht stuk bos rijden. Het begint al donker te worden. Ze rijden stapvoets naast elkaar. ‘Dus jij kunt een beetje lezen en schrijven,’ zegt Boudewijn tegen Johannes. ‘Eigenlijk kan ik nogal goed lezen en schrijven,’ antwoordt Johannes. ‘Waar heb je dat geleerd? Je ziet er niet uit alsof je van adel bent.’ ‘Ben ik ook niet, maar waar ik vandaan kom, vinden ze het belangrijk dat iedereen leert lezen en schrijven. Zowel jongens als meisjes.’ ‘Meisjes ook? Dat is verspilde tijd, waar hebben ze dat voor nodig?’ Johannes haalt zijn schouders op. ‘Om boeken te lezen.’ ‘Boeken, die zijn er bijna niet.’ ‘Bij ons wel.’ Plotseling worden ze opgeschrikt door een geluid. Hun paarden steigeren. Het lukt maar net om ze in bedwang te houden. Als de paarden weer rustig zijn, zien ze dat er iemand voor hen staat. Johannes rilt, wat een griezel.
20
De man heeft lang vet haar, een woeste baard en z’n kleren worden bij elkaar gehouden door een stuk touw. Maar het meest enge is het zwaard dat hij in zijn hand heeft. Boudewijn lijkt niet onder de indruk. ‘Laat ons erlangs, we hebben een brief voor je heer.’ ‘Hij issjh mijn heer niet,’ slist de man. Hij doet een stap naar voren en steekt zijn zwaard omhoog tegen de nek van Boudewijn. ‘Maar geef die brief maar, dan sjhorg ik dat hij hem krijgt.’ Boudewijn slikt. ‘Nee, ik mag de brief alleen aan de heer geven,’ antwoordt hij een stuk minder zeker. Er komt een tweede man tussen de struiken vandaan. Hij ziet er nog ruiger uit met een groot litteken van zijn linkeroog tot zijn mond waardoor het lijkt alsof hij grijnst. In beide handen heeft hij een mes waarmee hij rondjes draait tussen zijn vingers. ‘Ik zou maar doen wat hij zegt, jochie, anders gebeuren er straks nog ongelukken. Dat zou je toch niet willen?’ De paarden snuiven en willen er vandoor. Johannes en Boudewijn hebben grote moeite om ze in bedwang te houden. Boudewijn schudt nee, buigt naar achteren, klapt de zadeltas open en haalt de laatste brief eruit.
21
Hij geeft hem aan de slissende man. De man maakt spottend een buiging. De andere man is ondertussen achter de paarden gelopen. Hij houdt beide messen tussen zijn tanden en geeft een klap op de billen van hun paarden. Boudewijn en Johannes schieten naar voren. Ze moeten hun best doen om te blijven zitten. De mannen blijven lachend achter. Het lukt ze om te blijven zitten, maar het duurt even voordat ze hun paarden weer onder controle hebben. Als het ze gelukt is om hun paarden stil te laten staan, laten ze zich van hun paarden glijden en binden ze beide paarden vast aan een boom. Ze laten zich hijgend op de grond vallen. ‘Wie waren dat?’ vraagt Johannes aan Boudewijn. ‘Struikrovers. We hebben er al een tijd geen last meer van gehad, maar ze zijn weer terug,’ zegt Boudewijn met ingehouden woede.
22
‘We moeten het aan mijn vader gaan vertellen. Ze weten nu dat er een toernooi is.’ ‘Als ze tenminste kunnen lezen en zo zagen ze er niet uit,’ reageert Johannes. Boudewijn lacht spottend, ‘daar heb je gelijk in, maar sommige rovers waren ooit edelen en dat zijn de grootste boeven.’ ‘Maar als we nu naar je vader gaan, dan zijn ze verdwenen tegen de tijd dat je vader hier is.’ Boudewijn knikt. ‘Dat klopt, maar wat kunnen we anders doen?’ ‘Wij kunnen ze pakken,’ stelt Johannes voor. Boudewijn tikt tegen zijn hoofd. ‘Ben je gek geworden? Je hebt ze gezien, de ene heeft een zwaard en de ander twee messen.’ ‘Maar zij denken dat we bang naar het kasteel zijn gereden, ze zullen nooit verwachten dat we achter hen aan gaan.’ ‘Maar ze hebben een zwaard en twee messen,’ zegt Boudewijn nog een keer iets harder. ‘Ik heb een boog met pijlen bij me en ik kan me niet voorstellen dat jij geen wapens bij je hebt. En als we ze verrassen hebben we geen wapens nodig,’ antwoordt Johannes rustig. ‘Heb je een plan dan?’ vraagt Boudewijn geïnteresseerd. Johannes knikt.
23
Hoofdstuk 6 ‘We kunnen ze nooit alle twee tegelijk pakken,’ begint Johannes zijn verhaal. Boudewijn knikt. ‘Maar echt snugger zagen ze er niet uit,’ gaat hij verder. Weer knikt Boudewijn. ‘Ik heb een lang touw bij me. Als we dat over een tak gooien en er iets zwaars aan vastmaken, kunnen we er eentje bewusteloos slaan zonder dat hij doorheeft dat wij het zijn.’ Johannes haalt uit zijn rugzak een lang bergklimmerstouw. Boudewijn pakt het vast. ‘Mooi touw, zoiets heb ik nog nooit gezien, is het wel stevig genoeg?’ Als antwoord gooit Johannes het touw over een tak en gaat eraan hangen. ‘Ja dus, maar wat als we misgooien?’ vraagt Boudewijn. ‘Dat doen we niet en anders zit ik in de boom en jij hebt je verstopt,’ antwoordt Johannes. ‘Als hij eenmaal bewusteloos is, dan binden we hem vast met het touw.’ ‘En wat doen we dan met die andere man?’ ‘Die heeft vrij snel door dat zijn vriend er niet meer is en dan zal hij terugkomen. En dan halen we het trucje nog een keer uit.’ Het klinkt allemaal heel makkelijk, maar Boudewijn twijfelt. ‘Maar wat als het fout gaat? Wat als hij niet bewusteloos raakt of als zijn vriend te vroeg terugkomt?’
24
‘Dan schiet ik ze neer met mijn pijl en boog,’ zegt Johannes direct. Boudewijn is meteen geïnteresseerd. ‘Laat die boog eens zien?’ ‘Later,’ zegt Johannes, ‘nu moeten we eerst die struikrovers terugvinden voor zij ons vinden.’ Ze laten hun paarden staan. Die vinden het prima en ze doen zich te goed aan het groene gras om de bomen heen en de laaghangende blaadjes van de struiken. Het duurt even voordat ze de mannen gevonden hebben, maar als ze eenmaal op gehoorsafstand zijn, is het makkelijk. De mannen maken genoeg herrie voor tien. Even is Johannes bang dat het er meer dan twee zijn, maar als ze dichterbij komen zien ze dat het echt om twee mannen gaat. Ze verstoppen zich niet ver bij de mannen vandaan. ‘Kun je lezen wat er in die brief staat?,’ vraagt de man met het litteken. ‘Nee, maar het isjh prima sjhpul om het vuur mee aan te maken,’ slist de andere man. ‘Goed idee van je om die paarden te sjhlaan.’ ‘Ja, zag je die paarden rennen? Die stoppen pas als ze bij het kasteel zijn. Prima, we kunnen geen pottenkijkers gebruiken,’ zegt de man grimmig. Johannes en Boudewijn luisteren ademloos. ‘Wat zou hij bedoelen met dat ze geen pottenkijkers kunnen gebruiken?’ fluistert Johannes.
25
Boudewijn haalt zijn schouders op. Plotseling valt Johannes iets op. Er ligt iets op de grond, iets levends. Hij tikt Boudewijn aan en wijst ernaar. Ze kijken nog eens goed. ‘Het is een meisje,’ zegt Boudewijn dan behoorlijk hard. Hij doet meteen zijn hand voor zijn mond. Gelukkig zijn de twee mannen te druk bezig met een vuur te maken. ‘Ik ken dat meisje,’ fluistert Boudewijn dan, ‘het is Marije, de dochter van heer Alwyn, voor hem was de laatste brief. Ze hebben haar ontvoerd, de schurken. We moeten haar bevrijden.’ Johannes kan Boudewijn nog net tegenhouden. ‘Dat doen we ook,’ fluistert Johannes, ‘maar zo naar ze toe rennen … daar help je Marije niet mee. Dan hebben ze straks twee gevangenen. We gaan door met het plan dat we bedacht hebben. Als we de mannen dan allebei vastgebonden hebben, dan kun jij Marije bevrijden en ben je haar grote held,’ lacht Johannes. Boudewijn wordt rood. ‘Wat bedoel je?’ ‘Niets …’ antwoordt Johannes veelbetekenend. ‘Ach, je bent me aan het pesten!’
26
Hoofdstuk 7 Johannes en Boudewijn sluipen bij de mannen vandaan. Ze lopen een stuk terug langs het pad, tot Johannes een goede boom ziet. Hij gooit het touw over een tak heen en zoekt vervolgens een grote kei die hij aan het touw vastmaakt. Boudewijn gaat ondertussen een dikke tak zoeken waarmee hij met één slag iemand buiten westen kan slaan. Als hij die gevonden heeft, zijn ze klaar. ‘Maar nu moeten we eentje hier zien te krijgen, hoe gaan we dat doen?’ vraagt Johannes zich af. ‘Ik weet wel wat, klim jij de boom maar in.’ Johannes doet wat hem gezegd wordt. Onder hem ziet hij Boudewijn naar een boom lopen. Wat gaat hij doen? Lang hoeft Johannes niet op antwoord te wachten. Met de knuppel slaat Boudewijn heel hard op de boom terwijl hij de meest verschrikkelijke geluiden uitstoot. Johannes moet zijn best doen om niet uit de boom te vallen van het lachen. Nadat Boudewijn tien keer op de boom geslagen heeft, duikt hij de bosjes in. Daar gaat hij plat op de grond liggen. Net op tijd, want Johannes ziet een van de mannen aan komen rennen. Hij zit klaar met de kei in zijn handen. Hij wordt nu toch wel zenuwachtig. Wat als hij misgooit? Of wat als de man een andere weg neemt of omhoogkijkt? Nog tien meter, nog vijf meter, nog twee, nog één. Hij geeft de kei een zwaai.
27
Daar gaat hij, recht op het hoofd van de man af. Er klinkt een krakend geluid. Raak! Zonder een woord te zeggen, stort de man neer. Johannes kan nog net een jubelkreet bedwingen. Hij springt uit de boom en loopt naar de man. Het is degene met het enorme litteken. Met zijn voet geeft hij een zetje tegen het been, de man beweegt niet. Boudewijn komt naast hem staan. ‘Dat was echt een enorme klap. Is hij dood?’ Johannes weet het niet, maar hij durft het ook niet te checken. Hij pakt een stuk touw uit zijn rugzak en bindt de handen van de man stevig vast op zijn rug. De man kreunt. Hij leeft nog. Als de man goed is vastgebonden, slepen ze hem van het pad af.
28
Johannes klimt weer in de boom en Boudewijn laat zich op zijn buik in de struiken vallen. Het wachten begint. Langzaam verdwijnt de zon tussen de bladeren en wordt het donkerder. Boudewijn krijgt kramp in zijn benen. Net als hij denkt dat de tweede man niet meer komt, hoort hij voetstappen. Het is nu zo donker dat hij bijna niets meer kan zien. Hij hoort de man wel, maar ziet hem pas als hij een paar meter bij de boom vandaan is. Johannes gooit de kei naar beneden, maar hij mist. De kei zwaait langs hem heen. De man stopt, draait zich om en krijgt dan alsnog de kei midden in zijn gezicht. Hij valt, maar is niet buiten bewustzijn. Voordat hij op kan staan, krijgt hij een klap met een knuppel en valt hij toch bewusteloos neer. Boudewijn slaakt een vreugdekreet, ‘het is gelukt, we hebben ze!’ Johannes springt uit de boom en rent naar Boudewijn toe. Ze vliegen elkaar in de armen. Daarna binden ze snel de tweede man vast. Als ze zeker weten dat hij goed vastgebonden is, leggen ze hem naast de andere man. Dan gaan ze op zoek naar Marije. Ze vinden haar vastgebonden naast het vuur. Boudewijn maakt haar snel los en ze omhelst hem. ‘Hoe wist je waar ik was?’ vraagt ze aan hem. ‘Ik ben zo bang geweest. Waar zijn die mannen eigenlijk?’ Marije kijkt angstig om zich heen.
29
‘We moeten weg zijn voor ze terugkomen. En wie ben jij eigenlijk? Ik ken jou niet.’ Ze kijkt naar Johannes. ‘Ik ben Johannes en je hoeft niet meer bang te zijn. De twee mannen kunnen je niets meer doen. Boudewijn en ik hebben ze uitgeschakeld.’ Marije kijkt hen verbaasd aan. ‘Hebben jullie ze overmeesterd? Dat wil ik wel eens zien.’ Johannes haalt zijn schouders op. ‘Mij best, maar laten we eerst de paarden halen, dan gooien we de mannen daar overheen. Dat loopt makkelijker.’ Boudewijn knikt. Dan geeft hij Marije een arm. Als ze weglopen, ziet Johannes de brief naast het vuur liggen. Hij pakt hem op en stopt hem in zijn zak. De mannen zijn nog steeds bewusteloos als Johannes en Boudewijn hen op de paarden hijsen. Stapvoets lopen ze naar het kasteel van de vader van Marije waar ze worden onthaald als helden. Marije vliegt in de armen van haar vader en moeder tegelijk. Ze kan niet stoppen met hen te knuffelen. Als haar vader haar eindelijk loslaat, loopt hij op Johannes en Boudewijn af en schudt hen de hand. ‘Wat jullie voor mijn dochter gedaan hebben, is fantastisch! Ik had niet gedacht dat ik haar zo snel alweer in mijn armen zou kunnen sluiten.’
30
De jongens stamelen dat ze toch in de buurt waren en dat ze blij zijn dat alles goed is met Marije. Johannes herinnert zich ineens weer dat hij de brief voor heer Alwyn in zijn zak heeft. Hij haalt de brief uit zijn zak en geeft hem af. ‘Alstublieft, heer,’ zegt hij. ‘De hertog van Bekelaere nodigt u uit voor het jaarlijkse toernooi.’ De heer neemt de brief lachend aan. ‘Wij komen zeker en ik ga ervan uit dat we dan meer van jullie vechtkunsten zullen zien.’ Hij geeft zijn mannen de opdracht om de twee ontvoerders op te sluiten in de kerkers van het kasteel. Dan slaat hij een arm om de schouders van Johannes en Boudewijn. ‘Komen jullie mee? Jullie zullen van al die avonturen wel honger gekregen hebben. Ik laat een feestmaal aanrukken, dat hebben jullie verdiend!’
31
Epiloog De vrouw met het vuurrode haar is naast het bed in slaap gevallen met de hand van haar zoon stevig in haar hand. Buiten gaat de middag over in de avond. In de kamer is het doodstil. Plotseling kreunt de jongen. De vrouw schiet overeind. Ze legt haar hand op de wang van de jongen. Vals alarm, de jongen slaapt verder, maar ze zou zweren dat ze hem had zien glimlachen.
32
Johannes gaat na zijn les boogschieten naar het bos om nog een beetje te oefenen. Na een plotse ontmoeting met een everzwijn knalt hij met zijn hoofd tegen een boom. Wanneer hij ontwaakt, gelooft hij zijn ogen niet …
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Marion Vrijburg Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.