Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 6 - N3 – Ga je mee op cruise?

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Ga je mee op cruise? Donna Van Riet

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

6


Ga je mee op cruise?

1


1 Wij gaan op cruise. De Middellandse Zee afvaren met een MEGAGROOT schip. Wauw, hoor ik je al denken, jullie moeten wel rijk zijn. Fout. De baas van mijn papa, Otto Spleetvezel, die is rijk. Op zijn personeelsfeest was er een tombola. De hoofdprijs was een cruise voor het hele gezin. En raad eens wie het winnende lotje trok? Juist, ik. Mijn zus Merel sprong van pure vreugde op en neer. ‘Wat een geluk, Rudy!’ had mama naar papa geroepen. Papa was iets minder vrolijk. Vooral toen hij hoorde dat meneer Spleetvezel met hetzelfde schip zou meevaren. Otto Spleetvezel is een griezel. Alles aan hem is harig, behalve zijn hoofd. Daar staan welgeteld twee haren op. Het zijn twee lange stugge haren, net voelsprieten. Hij draagt ook altijd zo’n lange zwarte vest met van die flappen, waardoor hij wel een reuzenkakkerlak lijkt. Het griezeligst aan hem vind ik zijn tanden. Ze zijn sneeuwwit. Als die vanonder zijn donkere snorrenbaard piepen, geeft dat een akelig verschil. Dat komt door zijn speciale tandpasta. Hij is er schatrijk mee geworden. Het bevat een geheim ingrediënt, waarvan zelfs de donkerste tanden wit worden.

2


Die tandpasta is vreselijk duur. Als je nou zou denken dat iedereen uit de fabriek hem gratis krijgt of tegen een prijsje kan kopen, heb je het mis. Het personeel heeft een korting van 1%. De tandpasta kost 59,76 euro per tube. Met 1% korting komt dat nog neer op 59,17 euro. Snap je wat ik bedoel? Otto Spleetvezel is een gemene baas. Zijn lijfspreuk is T.I.G.1 Zijn personeel mag per dag maar één keer naar het toilet. En dat mag niet langer duren dan drie minuten. Pauzeren is verboden. Wie het waagt om even te rusten, hoe kort dan ook, moet verplicht de grote mengton poetsen. Daar ben je uren zoet mee. Otto Spleetvezel is ook erg gierig. Drank en toiletpapier moet je van thuis meebrengen. In de winter mag de verwarming nauwelijks op. ‘Doe een dikke trui aan,’ zegt hij dan, ‘zo heb je het ook warm.’ Hoe kan het dat zo’n onmens een personeelsfeest met een tombola organiseert? En zomaar een dure cruise wegschenkt? Een plots inzicht? Dat zou mooi zijn, maar dat is het niet. Enkele weken geleden werd Spleetvezel gecontacteerd door het tijdschrift ‘De man achter de manager’. Ze vroegen hem of hij bereid was tot een interview. Eerst weigerde hij. ‘T.I.G.’ zei hij. Maar toen hoorde hij dat het blad een wedstrijd had uitgeschreven. Hij zou mogen meedingen naar de titel van beste baas van het jaar. De hoofdprijs was een grote geldsom. Otto zei meteen ja. Niemand in de fabriek gelooft ook maar voor één seconde dat hij zal winnen. Maar dat zegt niemand.

1

Tijd is geld

3


Sinds Otto meedoet, gebeuren er kleine mirakels: er is water om te drinken (al smaakt dat opvallend veel naar kraantjeswater) en er is toiletpapier (al lijkt het meer op schuurpapier). Op het personeelsfeest kregen de werknemers cava en bier (al was dat plots allemaal op toen de mensen van het tijdschrift vertrokken waren) en wij mogen gratis op cruise (al schoot dat bij de zoon van Spleetvezel in het verkeerde keelgat). Spleetvezels enige zoon, Jorik, is al net zo’n griezel als zijn papa. Je weet wel, de appel valt niet ver van de boom. Toen hij hoorde dat er personeel mee zou gaan op zijn cruise, werd hij gek. ‘Nee, dat nooit!’ brulde hij. ‘Ik breng mijn vakantie niet door met die armoedzaaiers.’ Hij ging met gekruiste armen op een stoel zitten en mokte tot zijn moeder hem een eigen paard beloofde.

2 Vannacht vertrekken we. We rijden met de auto naar Venetië. Daar stappen we op het cruiseschip. Het is best ver. We rijden een hele nacht en een hele voormiddag. We moeten er op tijd zijn. Cruiseschepen wachten niet. Venetië ligt in Italië. Papa zegt dat het de mooiste stad ter wereld is. Het is jammer dat we er niet even kunnen verblijven. Ik had graag eens op een gondel gevaren. Het gezin Spleetvezel is al een week eerder vertrokken. Met het vliegtuig. Zij hebben Venetië wel kunnen bezoeken. Merel zit bijna de hele rit met haar neus in een boek over cruiseschepen.

4


Er stromen voortdurend klinkers uit haar mond: ‘Oooo … Aaaa … Eeee …’ Sinds ze de film Titanic zag, kan Merel over niets anders meer spreken. ‘Cool!’ roept ze uit. ‘Wisten jullie dat het grootste cruiseschip ter wereld wel vijf keer groter is dan de Titanic?’ ‘Denk je dat onze boot ook zo groot zal zijn?’ vraag ik. ‘Schip!’ corrigeert Merel. ‘Schip, boot, voor mij is dat allemaal hetzelfde.’ ‘Nee, Lara, boten zijn kleiner dan schepen. Een kano of een sloep, dat zijn boten. Wij varen met een schip.’ Ik haal mijn schouders op. Merel is alweer in haar boek gedoken. ‘Wow!’ brult ze even later. ‘Op cruiseschepen verdwijnen aldoor mensen. Ze worden nooit meer teruggevonden.’ ‘Hoe, verdwijnen?’ vraag ik. ‘Nou,’ zegt Merel, ‘ze zijn gewoon weg, alsof ze zijn opgelost.’ Wanneer we in de haven aankomen, zijn we zestien uur onderweg geweest. Het inschepen verloopt gelukkig vlot. Een vriendelijke dame achter de balie bekijkt onze identiteitskaarten en de papieren die papa haar gaf. We moeten allemaal op de foto. Mama wil niet. Ze klaagt dat ze er te vermoeid en te slordig uitziet. Ze heeft gelijk. Haar haren kleven warrig tegen haar hoofd en onder haar ogen lijken twee kwallen aangespoeld. Willen of niet, het kiekje wordt toch genomen. Dan krijgen we allemaal een kaartje, zo groot als een identiteitskaart. Het is niet alleen de sleutel van onze kajuit, je kunt er drankjes mee bestellen en je moet het telkens tonen bij het van en aan boord gaan. Merel grist het uit mijn handen. ‘Hey, dat is mijn kaartje! Mijn naam staat erop,’ zeg ik. ‘Jij raakt zoiets alleen maar kwijt,’ zegt mijn zus. ‘Ik zal het voor je bewaren.’ Met die woorden verdwijnt mijn kaartje in haar tasje. 5


Dan gaan we aan boord. We kunnen onze ogen niet geloven. Het is net alsof we een peperduur hotel zijn binnengestapt. ‘Kom,’ zegt mama, ‘laten we onze kamer opzoeken.’ Papa kan alleen nog maar knikken. Hij sloft achter ons aan als een zombie, hongerig naar een bed. We gaan met de lift naar dek negen. Daar lopen we door de eindeloze gang. ‘Zijn dat allemaal kamers?’ vraag ik, terwijl we langs tientallen deuren lopen. ‘Kajuiten,’ verbetert Merel. ‘Wauw!’ Eindelijk vinden we kajuit 9176. Eenmaal binnen trekt het grote schuifraam onze aandacht. De gordijnen zijn opengeschoven. Het balkon lonkt. Het zicht op Venetië blaast ons omver. Zelfs Merel wordt er even stil van.

3 Vanop het balkon kijken Merel en ik hoe de laatste mensen aan boord komen. Papa ligt ondertussen luid te snurken op het bed. Mama doucht. Hoewel het gezin Spleetvezel al een hele week in Venetië verbleef, komen ze nu pas aan. Ik kijk op mijn horloge. Het schip zou binnen twintig minuten vertrekken. Het luide gebrul van Otto Spleetvezel klimt moeiteloos tot aan ons balkon. ‘Hoe is dit in godsnaam mogelijk?’ buldert hij. ‘Ik, Otto Spleetvezel, G.B.2 van de populairste fabriek ter wereld, word terechtgewezen omdat ik zogezegd te laat ben.’ Mijn ogen volgen de reuzenkakkerlak terwijl hij opstapt. Achter hem volgen zijn vrouw en hun zoon. 2

6

Grote baas


Mama heeft zich in een grote handdoek gewikkeld en steekt haar hoofd naar buiten. ‘Wat is dat lawaai?’ vraagt ze. ‘De Spleetvezels,’ antwoordt Merel. ‘Nu pas?’ zegt mama. Plots horen we het noodsignaal. Mama ruilt snel haar handdoek voor een zomerjurk en kijkt op de gang. Daar lopen passagiers met reddingsvesten rond. ‘Gaan we nu al zinken?’ vraag ik verschrikt. ‘Cool!’ juicht Merel en ze begint spontaan ‘My heart will go on’ van Céline Dion te zingen. ‘Welnee,’ zegt mama, ‘dit is een oefening, voor het geval dat er iets zou misgaan. Maken jullie papa wakker, dan neem ik de reddingsvesten.’ De reddingsoefening lijkt oneindig lang te duren. Iedereen moet in rijen op het dek staan. Vooraan wordt getoond hoe je het zwemvest in geval van nood moet gebruiken. ‘Zijn ze gek geworden?’ brult papa’s baas. ‘T.I.G.! Een Z.M.3 heeft hier geen tijd voor.’ Wanneer hij eindelijk bereid is het vest om te doen, is de oefening voorbij. Met een drankje in de hand plakken we tegen de reling. Ik wuif naar de kleine mensjes op de kade. Sommigen wuiven terug.

3

Zakelijk manager

7


4 Fris en blij verschijnen we bij de ingang van het restaurant. Tot nu toe zijn we erin geslaagd het gezin Spleetvezel uit de weg te gaan. Dat willen we graag zo houden. We volgen de ober. Hij brengt ons naar onze tafel. Plots zie ik het gezicht van mijn ouders verkrampen. Papa steekt vier vingers in de lucht. Helaas. We moeten onze tafel delen. En we hoeven het niet hardop te zeggen om te weten wat we allemaal denken: alsjeblief, niet met de Spleetvezels! We beginnen spontaan de extra stoelen te tellen. Oef, het zijn er vier. En zij zijn maar met drie. De teleurstelling is groot wanneer de ober even later het gezin Spleetvezel naar onze tafel loodst. ‘Schandalig! Dat ik nu nog met mijn personeel moet dineren ook. Ik wens de K.P.T.4 te spreken.’ Dan wordt er nog een gast naar onze tafel gebracht. Zijn komst slaat de reuzenkakkerlak eventjes uit zijn lood. ‘Is er een probleem?’ vraagt de man vriendelijk. ‘Eh, nee,’ stamelt Otto Spleetvezel opvallend stil, ‘geen probleem, we gingen net zitten. Is het niet, Aurelia?’ Mevrouw Spleetvezel perst haar lippen op elkaar en gaat zitten. Hun zoon volgt haar voorbeeld.

4

8

Kapitein


‘Laat ik mezelf even voorstellen aan de gasten aan uw tafel,’ begint de man. ‘Ik ben Hans De Mol, ik ben redacteur bij het tijdschrift ‘De man achter de manager’. Ik zal meneer Spleetvezel de komende dagen volgen, omdat hij meedingt naar de titel van werkgever van het jaar.’ Merel en ik moeten moeite doen om niet te lachen. Ik zie hoe mama’s hand troostend naar die van papa grijpt. Terwijl Hans De Mol vrolijk meer uitleg geeft, voel ik de ogen van Jorik branden. ‘Wat een mooi tweedehandsjurkje heb jij aan,’ fluistert hij. Ik bijt op mijn lip en zwijg. Merel wil iets zeggen, maar de komst van de ober steekt daar een stokje voor. Wanneer het voorgerecht wordt opgediend, geeft Jorik me een stomp. ‘Een foto van jou en je zus,’ zegt hij, terwijl hij zijn flitsende iPhone in de hoogte houdt. Nog voor we kunnen protesteren, horen we het apparaat klikken. ‘Het is een hele mooie,’ grinnikt hij, terwijl hij het toestel voor mijn neus duwt. Op het scherm staan twee neusapen. ‘Sukkel!’ zeg ik. Merel is weer in haar cruiseboek gedoken. Ze sleept het overal met haar mee. ‘Interessant boek?’ vraagt meneer De Mol.

9


‘Ja!’ zegt Merel. ‘Het staat vol weetjes over cruiseschepen.’ ‘Wat handig,’ merkt meneer De Mol op. ‘Kun je enkele interessante feiten met ons delen?’ ‘Tuurlijk,’ zegt Merel tevreden. ‘Wisten jullie dat elk cruiseschip een ziekenboeg heeft? Er is ook altijd een dokter aan boord. Als er iemand ziek wordt en er is besmettingsgevaar kan die in afzondering geplaatst worden.’ ‘Stel je voor!’ zegt mama, ‘dan moet je de rest van je mooie cruise in een hokje blijven.’ ‘Is die lelijkheid van jullie besmettelijk?’ fluistert Jorik me toe. Hij gniffelt. ‘Merel, moet jij ook niet naar het toilet?’ vraag ik, terwijl ik haar onder tafel een lichte trap geef. ‘Ja, nu je het zegt. Dringend,’ zegt ze. ‘We pakken hem terug,’ zeg ik, zodra we op een veilige gehoorsafstand lopen richting de toiletten. ‘We kiepen cola over zijn eerstehandskleren,’ stel ik voor. ‘Mmm … Nee,’ zegt Merel, ‘te opvallend. Weet je wat? We doen suiker in zijn eten.’ ‘Ja!’ juich ik. ‘Die is goed.’ We weten allebei dat het verboden is om suiker te eten als je Spleetvezels WonderWit-tandpasta gebruikt. Als twee engeltjes komen we terug aan tafel. Het hoofdgerecht wordt opgediend.

10


Merel schuift het suikerpotje onopvallend in mijn richting. Even later valt, met een beetje hulp van mij, de vork van Jorik op de grond. Hij vloekt en buigt zich voorover om het op te rapen. Ondertussen strooi ik flink wat suiker over zijn eten. Het is gemakkelijk. Niemand let op. ‘Wees blij dat je werk hebt,’ hoor ik Otto Spleetvezel zeggen, ‘en dat ik zo’n vrijgevig man ben, anders zou je hier nu niet zitten. Nou?!’ ‘Ja, dat ben ik,’ zegt papa. ‘Dank u wel.’ Ik zie hoe Joriks mama niet langer wacht op de ober en zichzelf op wijn bedient. Ze vult haar glas tot aan de rand. ‘Smaakt vreemd,’ zegt Jorik na zijn eerste hap. Niemand reageert. ‘Je zal dan ook begrijpen dat ik je de komende maanden af en toe op zondag in de fabriek verwacht,’ zegt Otto langs zijn neus weg. ‘Op z…zondag?’ Het is alsof de jonge Spleetvezel de smaak van suiker niet goed kan thuisbrengen. Hij neemt nog een hap. Nog één. En nog één. ‘Mmm…’ smakt hij. ‘Zoet.’ Het hoofd van de reuzenkakkerlak zwiept plots opzij. ‘Zzzzoet?!’ Jorik kijkt zijn papa angstig aan. De ogen van Otto Spleetvezel scannen de tafel. Er staat een zoutvaatje en een suikerpotje. ‘Heb jij suiker in plaats van zout gebruikt?’ buldert hij. ‘Ik heb geen van beide aangeraakt,’ zegt Jorik.

11


‘Dat zal wel. Je weet dat suiker verboden is. En toch hebben die tengels van jou in de suikerpot gezeten!’ ‘Nee, echt niet, papa, ik heb niets aangeraakt.’ ‘Mond toe en meekomen!’ De reuzenkakkerlak staat op, grijpt zijn zoon beet en verlaat de tafel zonder afscheid te nemen. Aurelia neemt haar glas wijn, giet de inhoud naar binnen en gaat hen achterna. In haar haast laat ze haar stoel omvallen. Hoewel ze nauwelijks hebben gegeten, zien we hen niet meer terug.

5 Wanneer we wakker worden, ligt het schip voor de kust van Bari. Dat ligt in de hak van de Italiaanse laars. We ontbijten op dek elf in het buffetrestaurant. Hoewel we hier tamelijk lang in de rij moeten aanschuiven, slaan we vrijwillig het andere restaurant, waar je bediend wordt en je op je luie krent kan blijven zitten, af. Daar, op het zesde dek, zitten de Spleetvezels.

12


Hier op het elfde kan papa zich ontspannen. Ik merk het aan de manier waarop hij aan zijn koffie nipt. Hij slurpt zoals papa’s slurpen die op vakantie zijn. Traag en tevreden. Het centrum van Bari ligt vlakbij. Dus we gaan te voet. Het is weer drukkend warm. Binnen in de basiliek van Sint-Nicolaas is het lekker koel. ‘Niets vind ik eraan! Pure tijdverspilling. T.I.G.! Dat kennen die spaghettivreters natuurlijk niet. Die zijn liever lui dan moe.’ Spleetvezels geschreeuw dondert door de kerk. De reuzenkakkerlak trekt zich niets aan van hun afkeurende blikken. ‘Als je er één gezien hebt, heb je ze allemaal gezien.’ Mevrouw Spleetvezel laat zich in een kerkstoel zakken en wappert wat onhandig met haar kanten waaier. Jorik is nergens te bespeuren. Mama en papa staan als versteend achter een zuil. Ze proberen uit het zicht te blijven. Tevergeefs. ‘R.P.5’ roept Spleetvezel, ‘speel je verstoppertje?’ Mensen brengen sissend hun vinger naar hun mond. Als twee slakken steken mijn ouders hun koppen vanachter de pilaar. We zien een man in pak in de richting van de lawaaimaker stappen.

5

Rudy Pluim

13


‘Ik steek mijn geld in deze snertuitstap, ik verdoe hier mijn kostbare tijd en dan mag een mens zijn mond nog niet opendoen. Kom, Aurelia, we gaan.’ Zelfs wanneer het koppel al uit het zicht verdwenen is, horen we hem nog bulderen. Opgelucht komen mijn ouders tevoorschijn. ‘Wat een blaaskaak!’ zegt mama. ‘Rudy, hoe jij het in de fabriek met hem uithoudt, snap ik niet.’ ‘Merel,’ zeg ik, ‘heb jij Jorik ergens gezien?’

14


6 De volgende morgen worden we wakker in Griekenland. Het is er een uur later. Mijn ouders verzetten hun horloges, maar ik laat ze liever op het uur van thuis staan. Vandaag staat Athene op het programma. Samen met ons gaan ook de Spleetvezels van boord. Van Jorik ontbreekt elk spoor. Ik moet denken aan het stukje in het boek van Merel over het verdwijnen van mensen tijdens cruises. Zou Jorik verdwenen zijn? Mijn gedachten maken bokkensprongen. Misschien zorgde de combinatie van de tandpasta met de suiker ervoor dat Joriks ingewanden begonnen te krimpen. Tot ze zo klein waren als rozijnen, of vliegenstrontjes. Of misschien zette het een verouderingsproces in gang en loopt Jorik nu als oudje over het dek. Of misschien is hij al dood en hebben zijn ouders hem overboord gegooid. Als haaienvoer. Athene is een wereldstad. We nemen een taxi en rijden van de ene trekpleister naar de andere. Omdat we vandaag geen reuzenkakkerlak tegen het lijf lopen, nemen we uitgebreid onze tijd om te genieten. Papa’s humeur is zomerzonnig. Het werkt aanstekelijk. De nevels in mijn hoofd klaren op en heel even vergeet ik de jonge Spleetvezel.

15


Tot we de volgende ochtend in Istanbul aanmeren en ik Otto met een grote koffer het schip zie verlaten. ‘Merel, zie je wat ik zie?’ ‘Dat Spleetvezel weer iets in zijn schild voert?’ Ik knik en wijs naar de koffer. ‘Zou hij erin zitten?’ vraag ik. ‘De koffer is in ieder geval wel groot genoeg,’ zegt Merel. ‘Nee, dat zou zelfs Spleetvezel niet doen. Die rotjongen zit gewoon voor de tv in zijn kajuit.’ ‘De hele tijd?’ vraag ik. ‘Kan toch,’ zegt Merel. ‘En zonder eten?’ ‘Nooit gehoord van roomservice?’ Ik zucht. Er is niets wat ik liever zou willen dan dat Merel gelijk heeft. Maar elke vezel in mijn lichaam voelt dat er iets niet pluis is. We gaan naar de bazaar. Dat is een groot oud gebouw met honderden winkeltjes. Het krioelt van de mensen. Net een mierennest. Mama loopt tergend traag voorbij de etalages. Ze is net een ekster. Dol op alles wat blinkt. Plots zie ik tussen de mensenmassa de reuzenkakkerlak opduiken. Mét koffer. Hij wurmt zich door de menigte en duwt zelfs een paar mensen omver. ‘T.I.G. dadelvreters!’ bromt hij. Ik loop een eindje achter hem aan. Ik wil zien wat hij uitspookt. Dan gaat hij ergens naar binnen. De grote koffer rolt gehoorzaam achter hem aan.

16


Ik blijf op een veilige afstand. Ik wil niet dat de reuzenkakkerlak merkt dat ik hem bespied. Ik gluur naar binnen door het raam. Otto schudt de hand van een man met witte overjas. Spleetvezel lacht zijn WonderWitte tanden bloot en tikt op zijn koffer. Met ingehouden adem kijk ik terwijl hij hem opent. Is het …? Tandpasta! De koffer zit barstensvol WonderWit. Ik wil terug naar mama en papa toe, maar ik weet niet meer zo goed uit welke richting ik daarnet kwam. Plots besef ik wat ik gedaan heb. Ik sta moederziel alleen in Istanbul zonder enig idee waar ik ben. Mijn enige hoop op hereniging met mijn familie staat op het punt te vertrekken. Ik moet hem volgen. Als hij me nu afschudt, ben ik verloren. Spleetvezel kijkt op zijn uurwerk en snelt ervandoor. Ik loop hem achterna, de bazaar uit, voorbij de moskeeën en terrasjes vol toeristen. We rennen over de brug. Daar ziet Otto een taxi en stapt in. ‘O, nee!’ gil ik. Rustig aan, Lara, denk ik, je kan niet meer verloren lopen, het schip ligt daar. Aan de andere kant van de brug ligt ons schip. Ik hoef er alleen maar naar toe te stappen. Toch? Ik kijk op mijn horloge. Niets aan de hand. Ik heb nog meer dan een uur de tijd. Wacht. Nee, ik was gisteren zo dom om mijn horloge niet te verzetten.

17


Het is dus vijf voor vier! Mijn ogen schieten vol tranen. Het schip lijkt nu veel verder dan daarnet. En ik ben bekaf van al dat rennen … Met mijn laatste krachten loop ik de brug over. Wanneer ik bij het schip kom, zie ik Spleetvezel net opstappen. Ik volg. Bij het veiligheidspunt vragen ze mijn kaartje. Het kaartje zit nog in Merels tasje! Mijn hart slaat op hol. ‘Mijn naam is Lara Pluim, kan u mij niet opzoeken in uw computer? Mijn zus heeft mijn kaartje op zak.’ De man van de veiligheid kijkt op zijn scherm en zegt dat Lara Pluim al aan boord is. ‘Dat kan niet,’ zeg ik. ‘Ik ben Lara Pluim!’ Ik wijs op Otto, die al een eind verder loopt. ‘Hij kent me,’ zeg ik. De man van de veiligheid roept Spleetvezel terug. ‘Zeg alsjeblieft dat ik bij u hoor,’ smeek ik. ‘Mijn zus heeft mijn kaartje.’ ‘Nee, ik heb dat kind nooit eerder gezien,’ zegt Spleetvezel en hij vertrekt. Ik word hardhandig van boord gezet. Daar sta ik dan. De matrozen maken de touwen los. De loopbrug wordt opgehaald. Het schip vertrekt.

18


7 Net op tijd hoor ik de stem van Merel. ‘Wacht! Lara is nog niet aan boord!’ schreeuwt ze. Ik huil en lach tegelijkertijd. De man van de veiligheid laat de loopbrug weer zakken. Ik ren in de armen van mijn zus. Merel haalt onze kaartjes boven en laat ze allebei zien. De man van de veiligheid bloost wanneer hij beseft dat hij zelf niet zag dat het kaartje waarmee Merel opstapte in feite niet het juiste was. ‘Waar zijn mama en papa?’ snotter ik. Die zoeken jou op al je favoriete plekjes. We dachten dat je hier al was omdat deze pipo de hele tijd volhield dat je al aan boord was. Merel kijkt kwaad naar de man. Terwijl ze zelf beter had moeten opletten en het juiste kaartje had moeten tonen, natuurlijk. Maar dat zegt niemand. Zelfs ik niet. Ik ben blij genoeg dat het goed afgelopen is. Wanneer ik alles aan mama en papa vertel, trekken die grote ogen. ‘De rotzak!’ brult papa. ‘Die man is compleet gek,’ roept mama uit. ‘Zo’n kind alleen achterlaten, wie doet zoiets?’ ‘Geloof je nu dat hij gevaarlijk is?’ vraag ik aan Merel wanneer we weer alleen zijn. ‘Wat kunnen we doen?’ ‘We doorzoeken hun kajuit,’ zeg ik. ‘Hoe doen we dat?’

19


‘Geen idee,’ zeg ik, ‘maar ik vind er wel wat op. Kom.’ We lopen naar kajuit 12001. Het is een luxekamer op het twaalfde dek. Jorik schepte er zo graag over op, dat ik het nummer ben blijven onthouden. Met bonzend hart kloppen we aan. Niets. We kloppen nog een keer. Iets harder nu. Weer niets. Ik leg mijn oor tegen de deur. ‘Hoor je iets?’ vraagt Merel. Ik schud mijn hoofd. Wat verderop zie ik het karretje van de butler staan. Er begint iets te borrelen. Ik geef Merel een teken en we verstoppen ons achter de hoek. Vanuit onze schuilplaats houden we de butler in ‘t oog. Hij werkt de gang af. En vrij snel is kajuit 12001 aan de beurt. Ik duikel achter het karretje en glip mee met de butler naar binnen. Merel blijft op de gang wachten. Eenmaal binnen kruip ik onder het bed. Ik hoor haastige voetstappen. Gerinkel. Ik hoor het ijskastje openen. Meer gerinkel. Gestommel. Dan hoor ik de deur in het slot vallen. Daarna wordt het stil. Ik klauter vanonder het bed en kijk rond. Het bed van Jorik werd zelfs niet opgemaakt. In de badkamer tref ik het ultieme bewijs aan: er staan slechts twee tandenborstels.

20


Even later slenteren Merel en ik over het dek. Mijn ogen glijden over het donkere wateroppervlak. Het schip vaart stevig door. Het zet koers naar de volgende bestemming. Een akelige gedachte nestelt zich in mijn hoofd: wie in het water ‘valt’ maakt geen schijn van kans.

21


8 Mykonos is schilderachtig en vrolijk. We gaan aan land en nemen de handdoeken en zwemkledij mee. Zon, zee, strand. Het is de perfecte vakantiedag. Bovendien is hij Spleetvezelvrij. Maar er knaagt iets. Het is mijn geweten. Hoe meer ik geloof dat Jorik echt weg is, hoe schuldiger ik me voel. Hans De Mol zit ook op het strand. Hij telefoneert. ‘Zo, zo,’ hoor ik hem zeggen. ‘Mijn advies is ook negatief … ja erg … de andere kandidaten … ook niet geschikt … wat ik voorstel?’ Plots glijdt De Mol zijn blik naar ons. ‘Ja, ik heb misschien wel een voorstel,’ zegt De Mol dan. ‘Daar bel ik je later voor terug. Oké? Ja, tot dan!’ Hans neemt zijn spullen, schudt zijn handdoek uit en komt naar ons toe. ‘Enig bezwaar dat ik me even bij u voeg?’ vraagt hij vriendelijk. ‘Graag zelfs,’ zegt papa. Merel licht op. De Mol is dol op haar cruiseweetjes. Dus is Merel dol op De Mol. Voor ze van wal kan steken, neemt Hans zelf het woord.

22


‘Zou ik u eens mogen spreken over Otto Spleetvezel?’ vraagt hij. Papa kijkt alsof hij net in een citroen heeft gebeten. ‘Eh, ja,’ stamelt hij. ‘Wat vindt u nu echt van uw baas?’ Telkens weer opent papa zijn mond om iets te zeggen, maar sluit hem daarna weer even snel. Nadat hij zo een tijdje zit te happen als een vis op het droge, verlost Hans hem uit zijn lijden. ‘Ik zal u zeggen wat ik van hem vind,’ zegt hij. ‘Spleetvezel is het soort baas waar je als werknemer alleen maar van kunt gruwelen.’ Papa kijkt hem met grote ogen aan. Hebben we dat zojuist goed gehoord? ‘Hij is het soort baas dat zijn personeel een cruise schenkt, enkel en alleen omdat hij een wedstrijd wil winnen. Nietwaar, meneer Pluim?’ Papa breekt. Jaren heeft hij de gemeenheden van Spleetvezel opgezogen, als een stofzuiger, maar nu lijkt de zak zo vol te zitten dat alles barst. ‘Ja…aa…,’ snikt hij. ‘Het is waa…aar.’ ‘Het is misschien overbodig dat ik het nog zeg,’ troost De Mol, ‘maar voor alle duidelijkheid: Otto Spleetvezel wint de wedstrijd NIET, maar dat houdt u voorlopig voor u, oké?’

23


24


9 Vandaag zijn we de hele dag op zee. We varen terug naar Venetië. Op deze laatste dag wil Merel helemaal naar de voorkant van het schip. Ze wil de scène uit de film Titanic naspelen, waarin Jack en Rose zogenaamd vliegend op de boeg staan. Rennend door de gangen zoeken we een doorgang. We komen op plekken waar we niet mogen komen. Merel vindt dat geheel in het thema van haar lievelingsfilm passen. Plots hoor ik een zacht gesnik. ‘Merel, wacht eens,’ zeg ik. ‘Hoor jij dat ook?’ We houden onze adem in en luisteren aandachtig. ‘Daarheen,’ zegt ze. We lopen het gesnik tegemoet. ‘Het komt hiervandaan,’ zeg ik. Merel knikt. Bevend duw ik het witte deurtje open. Dan slaat mijn hart even over. ‘Jorik?!’ Hij zit in een klein kamertje achter een raam. Helemaal alleen. Hij huilt. ‘Haal mij hieruit!’ roept hij zodra hij ons ziet. Merel en ik kijken de jongen verschrikt aan. Zijn WonderWitte tanden zijn nu ZebrastreepZwart. ‘Is … Is dat besmettelijk?’ vraag ik. Jorik schudt het hoofd. Ik kijk om me heen. Overal liggen doktersspullen. ‘Wat is er met je gebeurd?’ vraag ik. ‘Ik vertel jullie alles,’ zegt Jorik, ‘als jullie me hier uithalen.’ ‘Waarom zouden wij jou helpen?’ zegt Merel. ‘Omdat het jullie schuld is dat ik hier zit,’ antwoordt Jorik. ‘En dan wraak nemen zeker,’ zegt Merel. ‘Nee, dank je!’

25


‘Wacht!’ gilt Jorik, wanneer we willen weggaan. ‘Echt niet. Ik wil hier gewoon weg. Alsjeblief, help me. Dan staan we gelijk!’ Merel draait zich om. ‘Erewoord?’ vraagt ze. Jorik stopt twee vingers in zijn mond, bijt erop en toont de tandafdrukken. ‘Goed dan,’ zegt Merel. ‘Vlug,’ zegt Jorik. ‘Het sleuteltje hangt tegen de muur.’

10 Merel en ik luisteren naar de woordenstroom die langs de zwarte tanden vloeit. ‘Ik had papa nog nooit zo boos gezien,’ zegt Jorik. ‘Hij sleurde me mee tot aan onze kajuit. Mijn arm deed er pijn van. Toen we daar waren, brulde hij dat ik de rest van de vakantie binnen moest blijven. Niemand mocht mijn zwarte tanden zien. Want dan zou niemand ooit nog WonderWit gebruiken. Erger nog: hij zou de wedstrijd niet winnen. Ik moest me verstoppen. Maar ik wilde niet. Ik had zó naar deze vakantie uitgekeken. We zijn nog nooit op cruise geweest. We gaan bijna nooit op reis, want papa haat reizen. Alleen voor die stomme wedstrijd maakte hij een uitzondering. Hij dacht dat het hem extra punten zou opleveren als hij mee zou gaan. Stel je voor! Nee, ik wilde niet …

26


Hij zei dat ik geen keuze had. Dat hij niet zou toestaan dat ik alles kapotmaakte. Dat hij wel honderd cruises zou kunnen betalen als hij won. Maar ik ken dat, die beloftes. Niets komt er van in huis. T.I.G. is alles wat hij kent. Dus bleef ik nee zeggen. Hij was woest. Ik dacht dat hij me zou slaan, maar hij kwam plots op andere gedachten. Hij belde de noodarts. Het waren die weetjes van jou. Die brachten hem op een idee. Ik was besmettelijk ziek. De dokter telde de biljetten en bevestigde de diagnose. Toen sloot hij me op in dat kleine kale kamertje. Zonder zon. Zonder zee. Zonder …’ Jorik krijgt het even moeilijk. Er rolt een traan over zijn wangen. ‘Mijn ouders zijn me geen enkele keer komen bezoeken,’ zegt hij dan.

27


11 In het souvenirwinkeltje van het schip koopt Merel een zwembroek, een T-shirt, een short en een pet. Betalen is makkelijk. Je hoeft alleen dat kaartje af te geven. Zap! We hebben Jorik nog nooit zo gelukkig gezien. Vlug trekt hij alles aan. We gaan samen zwemmen. Het is de eerste keer dat de jongen buitenkomt deze week. Tegen al onze verwachtingen in, wordt het de leukste dag van de week. Niemand let op zijn zwarte tanden. Ook niet als hij ze keer op keer bloot lacht. We blijven zo lang zwemmen dat papa ons al komt zoeken. ‘Genezen?’ vraagt papa, wanneer hij Jorik ziet. Dachten onze ouders dat de jonge Spleetvezel ziek was? ‘Ik … Ik was niet ziek,’ zegt Jorik. ‘Ik was …’ ‘Opgesloten als een hond,’ vul ik aan. Papa trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Wat?’ ‘Ja,’ zegt Jorik. ‘Omdat papa niet wilde dat iemand mijn zwarte tanden zag, liet hij me in afzondering plaatsen.’ ‘Kom maar mee,’ zegt papa. ‘We zullen je papa eens een lesje leren.’ Het is gala-avond. Iedereen zit aan tafel. Iedereen, behalve Jorik. De ober brengt een aperitiefje. ‘Wat is dat?’ vraagt Otto.

28


‘Dat heb ik besteld,’ zegt papa. ‘Een bijzonder drankje voor een bijzondere gelegenheid.’ Hij knipoogt en heft het glas. ‘Op een leuke laatste avond!’ zegt hij dan. We klinken. We drinken. ‘En dan nu een kleine verassing,’ zegt papa. Wanneer Otto en Aurelia hun zoon zien verschijnen, trekken ze WonderWit weg. ‘Hoe kom jij hier?’ vraagt de reuzenkakkerlak chagrijnig. ‘Bent u niet blij?’ vraagt papa. ‘Uw zoon is genezen. Dat is toch geweldig nieuws!’ Jorik laat zijn breedste glimlach zien. Hoewel zijn tanden nog niet WonderWit zijn, slaagde papa er toch in ze fel te verbleken. Spleetvezel schrikt zichtbaar. ‘Hoe …?’ ‘Sommigen van ons hebben meer kwaliteiten dan u denkt,’ zegt papa. ‘Heb jij …?’ ‘Ja,’ knikt papa, ‘ik heb de tanden van uw zoon behandeld. En voor een vriendenprijs zal ik dat voor u ook doen.’ ‘V… voor mij?’ Aurelia gilt en wijst bevend naar de tanden van haar man. Wanneer hij haar tanden opmerkt, verstijft hij. ZondeZwart zijn ze. ‘H… hoe kan dit?’ knarst de reuzenkakkerlak. ‘Een lekkere cocktail,’ lacht papa, terwijl hij zijn glas optilt.

29


‘Je bent ontslagen! O.S.V.6!’ buldert Spleetvezel. Zijn gezicht is verwrongen van woede. Hans De Mol kucht droogjes. ‘Waar was uw zoon de hele tijd?’ vraagt hij. ‘Mijn zoon was ziek. Hij was …’ ‘Nietes!’ roept Jorik boos. ‘Ik was niet ziek. Je wilde niet dat iemand die zwarte tanden zag. Daarom liet je me opsluiten. Dat is de waarheid.’ ‘Hou die verdomde mond van jou!’ snauwt de reuzenkakkerlak nijdig. ‘Heus, meneer De Mol, u gelooft toch niet …’ ‘Wat ik wel of niet geloof doet er niet toe,’ onderbreekt Hans. ‘De prijs is sowieso voor iemand anders.’ ‘Die prijs is van mij!’ sist Spleetvezel. ‘Van mij alleen, hoor je?’ Met deze woorden stormt hij op De Mol af en begint hem met beide handen te wurgen. De arme man spartelt als een vis op het droge. Zijn armen proberen de woesteling van zich af te duwen, maar Otto is sterker. Papa springt recht en wil helpen, maar de bruut stompt hem ruw van zich af. Papa valt achterover met zijn hoofd tegen de tafel. Mama gilt en Aurelia zit als bevroren op haar stoel. ‘Stoooooooop!’ roept Jorik. Merel en ik knielen naast papa neer. ‘Papa! Papa!’ Twee obers schieten in actie en trekken Otto van Hans af. Wist je dat er op grote cruiseschepen een gevangeniscel aan boord is? Otto Spleetvezel ook niet. Maar hij mag er vannacht afkoelen.

6

30

Op staande voet


12 Op de kade in Venetië staat een fanfare en een tentje met het logo van het tijdschrift. Hans heeft ons uitgenodigd om de prijsuitreiking bij te wonen. De hoofdredacteur van het tijdschrift heeft een grote cheque in zijn hand. Het bedrag telt wel zes nullen. ‘Collega’s, vrienden, genomineerden, welkom,’ steekt de hoofdredacteur van wal. ‘Naar onze jaarlijkse gewoonte zijn we op zoek gegaan naar de beste baas. We zochten iemand bijzonder. Een parel. We zijn die bij vijf topbedrijven gaan zoeken. Maar dit jaar wist niemand van de deelnemers ons te overtuigen. Toch vonden wij de parel die wij zochten. De winnaar mag dan wel geen directeur zijn, hij is een groot man. Hij is het waard deze prijs in ontvangst te mogen nemen.’ Na de laatste woorden overhandigt hij de cheque aan papa. We kunnen het niet geloven. Heeft papa gewonnen? Merel springt van pure vreugde op en neer. ‘Wat een geluk, Rudy!’ roept mama. Zo komt het dat papa nu de G.B. is van de tandpastafabriek. Hij heeft de formule verbeterd én hij heeft de prijs aangepast.

31


Een tube kost nu vier euro. Suiker en frisdrank zijn niet langer verboden. Zwarte tanden zijn dus voorgoed verleden tijd. En de Spleetvezels? Met Otto liep het niet zo goed af. Hij bleek niet alleen gemeen, maar ook vreselijk bedrieglijk. De reuzenkakkerlak verkocht heel wat meer tandpasta dan dat hij aangaf. Zo betaalde hij veel te weinig belastingen. Hij zal voor lange tijd achter de tralies zitten. Jorik en Aurelia stellen het goed. Jorik is ondertussen een goede vriend. Aurelia is een betere mama sinds haar man in de gevangenis zit. Ze werkt voor papa als K.B.7 Ze zorgt ervoor dat de koelkast vol blikjes zit, dat de voorraadkast opgevuld wordt met koekjes en zacht toiletpapier en ze organiseert af en toe een feestje met alles erop en eraan. Zo plant ze voor volgende maand een personeelsfeest met een tombola. Raad eens wat de hoofdprijs is?

7

32

Kleine baas


Wij gaan op cruise. De Middellandse Zee afvaren met een MEGAGROOT schip. Wauw, hoor ik je al denken, jullie moeten wel rijk zijn. Fout. De baas van mijn papa, Otto Spleetvezel, die is rijk. Op zijn personeelsfeest was er een tombola. De hoofdprijs was een cruise voor het hele gezin. En raad eens wie het winnende lotje trok? Juist, ik.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Rosemarie De Vos Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 6 - N3 – Ga je mee op cruise? by die Keure - Issuu