Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 5 - N2 – De ridder die van zijn paard viel

Page 1

ucatieve uitgaven

De ridder die van zijn paard viel

BIEB

Inge Misschaert

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

5


De ridder die van zijn paard viel

1


1 Een avontuur Op een dag werd Ridder Tuur wakker van het gefluit van de vogels. De kamer was licht, het was al veel te laat. Hij rekte zich uit en bleef nog even liggen. Wat was er nu ook alweer vandaag? Plots veerde hij overeind. Het avontuur! Vandaag vertrok hij op avontuur! Een paard brieste1 en hinnikte in de verte. Dat was vast zijn trouwe ros Goswijn. Hij keek door het raam en zag dat het een ideale dag was voor een avontuur. Hij trok vlug zijn kleren aan en repte zich naar beneden.

2


In de ridderzaal stonden zijn dienaars al paraat met zijn harnas. Ridder Tuur zuchtte geërgerd. Dat zware ding weer. Hij kon er zich nauwelijks in bewegen. Een voor een kwamen de delen van het harnas. Het borststuk, het rugstuk, de armstukken en beenstukken, het nekstuk, de schouderbladen en ten slotte de helm en de schoenen. Kletterend en rammelend wankelde Ridder Tuur naar buiten. Met een katrol werd hij op zijn paard gehesen. Een knecht gaf hem zijn zwaard en zijn schild. Hij pakte de teugels en gaf het paard de sporen. Het hinnikte en stoof vooruit. ‘Tuur! Tu-ur!’ Een stem hield hem tegen. Jonkvrouw Hildegonda kwam uit het kasteel aangelopen. Haar rokken sleepten achter haar aan, waardoor ze bijna struikelde en viel. Ridder Tuur zuchtte ongeduldig. ‘Wat is er, moeder?’ vroeg hij. Hij tuurde naar de bossen en velden buiten de poort van het kasteel. Daar lagen de avonturen. Hij kon niet wachten. ‘Zul je voorzichtig zijn, schattebout?’ hijgde de kasteelvrouw. Ze boog voorover en veegde met haar zakdoek wat cacao van zijn mond. Ridder Tuur werd een beetje rood. ‘Ik ben een ridder,’ zei hij, met zijn neus in de wind. ‘Edele ridders hoeven niet voorzichtig te zijn. Ze moeten alleen dapper zijn.’ En hij reed ervandoor.

3


‘Heerlijk!’ zei Ridder Tuur. Hij had het tegen zichzelf, want er was niemand anders in de buurt. Goswijn brieste hard. Het edele ros had het ook heerlijk gevonden, als zijn vrachtje niet zo zwaar was. Ze reden door bossen, bergen en dalen, op zoek naar een vreselijk avontuur. ‘Een avontuur kies je nooit zelf,’ pochte Ridder Tuur. ‘Het zoekt heel persoonlijk een ridder uit. En die moet het dan tot een goed einde brengen.’ Ridder Tuur was heel tevreden met dit antwoord. Misschien duurde het nog wel even voor hij een avontuur vond en voor hij kon laten zien hoe dapper hij was.

4


2 Een donker woud en een raar mannetje Ridder Tuur stuurde Goswijn door een duister woud. ‘Heerlijk, die dennengeur, vind je niet?’ riep Ridder Tuur vrolijk uit. Een piepklein beetje angst deed zijn stem wat trillen. Dapper zijn, was soms best wel moeilijk. Goswijn werd erg moe, maar Ridder Tuur wilde nog niet stoppen. ‘Niet voor het avontuur ons gevonden heeft,’ sprak hij plechtig. En toen gebeurde het. Goswijn draafde moedig voort, maar hij struikelde met één been over een dikke boomwortel. Bijna was hij gevallen, maar gelukkig had hij nog drie andere benen die hem overeind hielden. Ridder Tuur had niet zo veel geluk, want hij viel met een boogje van het paard en belandde met een plof op de grond, recht op zijn knieën. ‘Aaaaaauw!’ brulde Ridder Tuur hard. Dat was iets wat ridders nooit deden, maar hij kon er niets aan doen. Goswijn schrok vreselijk en galoppeerde ervandoor. ‘Goswijn! Goswijn!’ krijste Ridder Tuur woedend. Nu was hij écht bang en hij wrikte en spartelde tot het vizier2 van zijn helm openging. Wat was er met de wereld gebeurd?

5


6


Alles was ondersteboven! De lucht was onderaan, het gras boven. En zag hij dat goed? Daar groeide een omgekeerde boom! Ridder Tuur kreeg kop noch staart aan dit raadsel. Hij wiebelde nog wat met zijn benen, verloor toen zijn evenwicht en rolde rammelend de heuvel af. Duizelig keek hij om zich heen, maar toen de wereld weer stilstond, zag hij dat het gras weer onder zijn voeten zat en de lucht zat ook weer waar ze hoorde. Zijn edele ros Goswijn was nergens te zien. Dan moet ik maar te voet verder gaan, dacht Ridder Tuur geërgerd. Hij zocht een dikke tak en hees zich met moeite overeind. Het harnas kreunde en piepte als een oude trap. Ik moet het dringend laten oliën, dacht Ridder Tuur, terwijl hij het donkere woud binnen hinkte. Was Goswijn maar hier, dacht Ridder Tuur met zijn tong op zijn knieën. Hij kreeg zijn benen nauwelijks vooruit en zijn zwaard sleepte over de grond. Plots zag hij in de verte een meertje opdoemen. ‘Water!’ dacht hij verheugd en hij liep wat sneller. Het harnas rammelde ervan. Hij boog zich voorover om te drinken, maar toen hoorde hij een stem. ‘Dat zou ik niet doen, als ik jou was,’ zei de stem.

7


Ridder Tuur draaide zich zo plots om dat zijn zwaard met een kleine plop in het water gleed. ‘Wie is daar? Waar ben je?’ brulde hij woest en hij hoopte dat hij angstaanjagend genoeg was. Hij rukte wild aan het schild, maar het liet niet los. En zonder zwaard kon hij al helemaal niets beginnen. Voor hem stond een vreemdeling met een lange baard en snor en hij droeg een puntmuts met vreemde tekens erop.

8


‘Vreemdeling, wie bent u?’ brulde Ridder Tuur bars, want die rare kwast mocht in geen geval denken dat ridders bang zijn, ook al hadden ze geen zwaard en zat hun schild vast. ‘Archibald, om u te dienen,’ antwoordde de man en hij maakte een buiging. ‘Ik geef u mijn kasteel cadeau voor wat water,’ zei Ridder Tuur toen snel, want hij had nog steeds vreselijke dorst. ‘Als u zich vooroverbuigt om te drinken, zal het meer u opslokken,’ zei Archibald. Ridder Tuur keek hem verwonderd aan en begreep er niets van. ‘Uw harnas,’ zei Archibald. ‘Het ziet er fantastisch uit, maar het is veel te zwaar en u zal meteen zinken.’ Ridder Tuur keek naar het meer en besefte dat die rare kwibus gelijk had. ‘Gebruikt u dit maar even,’ zei Archibald en hij wees naar een zwaard dat op de grond lag. Ridder Tuur pakte het zwaard voorzichtig op, zette zijn helm af en prikte de helm op het zwaard. Zo schepte hij een beker vol heerlijk fris water uit het meer. Hij dronk gulzig en wilde de vreemde snuiter ook wat water aanbieden. Maar toen hij zich omdraaide, was Archibald verdwenen.

9


3 Monsters! ‘Wat een vreemde man,’ mompelde Ridder Tuur verstrooid en hij zette zijn helm weer op. Het water smaakte en rammelend en klingelend vervolgde hij zijn weg. Hij was al zo diep in het woud dat het bijna nacht leek, zo donker was het. Een luide kreet schrok hem op en hij trok meteen zijn zwaard. ‘Wie is daar!’ riep hij met luide stem. ‘Het lijkt wel een jonkvrouw in nood,’ dacht de dappere ridder hardop. Hij strompelde wat sneller vooruit en vervloekte zijn harnas. Voor zich zag hij opeens iets groots en donkers. Hij verstarde3, begon te bibberen en klemde zijn zwaard vast. Voor hem doemde een enorme schaduw op. ‘Alsjeblieft, laat het geen reus zijn,’ bibberde Ridder Tuur binnensmonds. Hij was een dappere ridder, maar reuzen, daar was hij net zo bang voor als zijn moeder voor spinnen. Grote, domme, akelige griezels waren het! Voetje voor voetje ging hij verder. De grote bobbel leek naar hem toe te komen. Met bonkend hart stak Ridder Tuur het zwaard in het midden van de bobbel. ‘Blob,’ deed de bobbel en daarna werd het plots ijzig stil.

10


‘Dat scheelde niet veel,’ mompelde Ridder Tuur, opgelucht dat het gevaar geweken was. Zijn zwaard zat trillend in een dikke, oude eik. Hij liep naar het zwaard en trok zo hard hij kon, maar er gebeurde niets. Ridder Tuur trok nog een keer. Hij sleurde, zwoegde en zweette. Maar zijn zwaard verroerde geen sikkepit en bleef muurvast in de boom zitten. Wat voor een bespottelijk zwaard had die rare Archibald hem gegeven! Ridder Tuur dacht heel diep na. Een ridder die zonder zwaard vecht, is absoluut een held. Ik word vast de dapperste ridder van de hele wereld, dacht hij enthousiast. Daar schrijven troubadours4 legendarische verhalen over. Hij liet het zwaard waar het was en trok tevreden verder. 11


Een stukje geroosterd wild zou er nu wel in gaan, dacht Ridder Tuur en hij likte zijn lippen af. En toen rook hij iets. Hij snuffelde als een jachthond in de lucht. De geur van een gebraden gans - of was het een konijn? Was dat een fata morgana5 en had hij zo’n honger dat hij van eten droomde? Hij kneep zichzelf hard in de arm en schreeuwde van de pijn. Wie het ook was, die daar zo lekker kookte, zou een dappere ridder best een stukje gunnen, of niet? Hij rammelde de geur tegemoet. Achter een grote bos struiken zat Archibald voor een vuurtje, waarop hij een stuk vlees roosterde. De geur alleen al deed Ridder Tuur tranen in zijn ogen krijgen. Hij kuchte en Archibald keek op. ‘Mijn beste ridder,’ lachte hij. ‘Eet u alstublieft een stukje mee.’ ‘Als u erop staat,’ lachte Ridder Tuur, blij dat hij er niet om hoefde te bedelen. Hij schuifelde dichter en pakte de uitgestoken bout aan. Gretig beet hij in het warme vlees. Het smaakte hemels. ‘Gaat u toch zitten,’ zei Archibald, die ook aan een botje peuzelde. Ridder Tuur maakte aanstalten om te gaan zitten, maar net op tijd herinnerde hij zich zijn harnas. ‘Ik zou graag gaan zitten, mijn beste,’ zei hij trots, ‘maar zoals u ziet, komt mijn fantastische harnas veel beter uit als ik blijf staan.’

12


Archibald zweeg en at verder. Plots klonk er achter hen een angstaanjagend gebrul. Ridder Tuur schrok zo dat hij zijn bout bijna liet vallen. ‘Wwwat was ddddat?’ stamelde hij bibberend, waardoor zijn harnas weer begon te rammelen.

13


‘Dat?’ vroeg Archibald verveeld. ‘Dat zal Trixie wel zijn.’ ‘Trixie?’ echode Ridder Tuur. ‘Trixie, de driekoppige draak,’ beaamde Archibald met een gaap. ‘Ik hoopte al dat er een dappere ridder zou langskomen om haar te verslaan.’ Ridder Tuur slikte zijn hap vlees met moeite door. Het werd heel stil, tot Trixie nog eens van zich liet horen. Het gebrul deed de aarde beven. Ridder Tuur trilde als een rietje. Het harnas rammelde zo dat de draak het wel moest horen. ‘Ik ga er maar eens vandoor.’ Archibald sprong snel overeind en verzamelde zijn spullen. ‘Doe haar de groeten, wil je.’ En na deze woorden verdween hij zo plots dat Ridder Tuur dacht dat hij alles gedroomd had. Maar toen zag hij de bout die hij nog in zijn handen hield. Hij gooide die in het struikgewas en besloot zijn weg voort te zetten, zo snel mogelijk uit de buurt van die draak. ‘Draken zijn anders wel makkelijk te verslaan,’ hijgde Ridder Tuur. ‘Maar een draak met drie koppen is een beetje te veel avontuur voor mij.’ Toen plofte er plots een grote kei net voor zijn voeten op de grond. Ridder Tuur sprong doodsbang de lucht in en hapte naar adem.

14


Ridder Tuur boog voorover naar de kei, die langzaam bewoog. Waar kwam die kei zo plots vandaan, vroeg hij zich af. Die zat vast aan een lang ding met schubben en ging over in een dikke bobbel en daar … ‘Een, twee, drie vreselijke koppen …’ piepte Ridder Tuur ademloos. Hij kon zich niet bewegen en dat had niets te maken met zijn harnas. Hij was namelijk verlamd van angst en deed het bijna in zijn broek. Toen voelde hij zich plots door de lucht suizen. Hij kon nog net zijn schild vastgrijpen. ‘Waaaaahaaaaaaaaaaaaa!’ brulde Ridder Tuur woest, want je moest de vijand altijd bang proberen te maken. Drie koppen wervelden door de lucht en Ridder Tuur werd er een beetje zeeziek van. ‘Jonkvrouw Draak!’ gilde hij wanhopig spartelend. ‘Jonkvrouw … eh … Trixie!’ Het leek een beetje ongepast om een draak met jonkvrouw aan te spreken, maar het was voorlopig het enige wat hij kon doen. De grootste kop van de draak stootte een geweldig gebrul uit, de tweede kop spuwde vuur, maar de derde kop deed niets. Twee grote hazelnootbruine ogen staarden Ridder Tuur verwonderd aan. Die sidderde zo van angst dat hij bijna zijn tong inslikte. ‘Stop!’ gilde hij zo hard hij kon. Hij hield zijn schild voor zich uit.

15


De eerste kop stopte met brullen, de tweede stopte met vuur spuwen en de derde kop begon vreselijk te huilen. Liters drakentranen spoelden over Ridder Tuur heen. ‘Zet mij neer!’ sputterde hij door de tranenvloed heen. Tot zijn grote verbazing deed Trixie meteen wat hij vroeg en voor hij het wist, plofte hij op de harde grond neer. Net op het laatste moment griste de derde kop het schild uit zijn handen. Ridder Tuur zweeg en dacht diep na. Een ridder zonder schild kan best wel dapper zijn. Misschien wel dapperder dan ridders met een schild. En zo kwam het dat Ridder Tuur zijn schild verloor. Op zijn tenen sloop hij zo ver hij kon bij de draak vandaan.

16


4 De dame in het meer Ridder Tuur had zich nog nooit zo gelukkig en vrij gevoeld. Het harnas piepte en kraakte nog steeds. Maar zonder zwaard en schild had hij zijn handen vrij. Hij plukte een handvol bloemen en stak ze in zijn helm. Hij aaide een kat die hem de hele tijd volgde. Het was een zwarte, met kleine witte sokjes. Ik noem haar Tibbert, besloot Ridder Tuur en meteen voelde hij zich wat minder eenzaam. Dit avontuur bevalt me wel, dacht hij vrolijk. Hij leunde even tegen een boom om uit te rusten, terwijl Tibbert aan zijn voeten zat en spinde. Zo mag het nog wel even duren, dacht Ridder Tuur soezend en hij dutte in. Een kreet haalde Ridder Tuur uit zijn dut. Tibbert sprong van schrik een boom in en weigerde om eruit te komen. ‘Blijf jij maar even hier,’ suste Ridder Tuur hem. ‘Ik ga wel even kijken wat dat geschreeuw te betekenen heeft.’ En hij vertrok, in de richting van het geschreeuw. Ridder Tuur kwam bij een groot meer aan, zo groot dat je de overkant niet kon zien. Er hing wat mist boven om het plaatje compleet te maken. ‘Wie schreeuwde daar zo?’ baste Ridder Tuur boven het meer uit.

17


Zijn stem galmde alle kanten op en bijna zette Ridder Tuur het zelf op een rennen, omdat het zo angstaanjagend klonk. Toen verscheen er plots een jonkvrouw in het midden van het meer. Ze kwam half uit het water naar boven. Ridder Tuur gaapte haar aan en vroeg zich af of hij hallucineerde6. ‘Help mij!’ schreeuwde de jonkvrouw nog een keer. Ridder Tuur voelde zijn benen als vanzelf bewegen. Voor hij wist wat hij deed, liep hij het water in naar de jonkvrouw toe. Dit is een fluitje van een cent, dacht Ridder Tuur opgetogen, ik moet gewoon even een jonkvrouw in nood op het droge brengen. Maar toen hield plots de bodem op en Ridder Tuur spartelde wanhopig met zijn benen. Maar het harnas was zwaar en hij ging kopje onder. Proestend kwam hij boven en spartelde nog harder dan eerst. De beenstukken van zijn harnas lieten los en zonken naar de bodem. Meteen voelde Ridder Tuur zich stukken lichter en energieker. Hij zwom zo snel hij kon naar de jonkvrouw toe en merkte tot zijn opluchting dat hij weer kon staan.

18


De jonkvrouw slaakte weer een snerpende gil. Ridder Tuur ging haast weer kopje onder van het schrikken. ‘Jonkvrouw,’ zei hij streng. ‘Hier ben ik en ik ben niet doof. Wat is het probleem?’ De jonkvrouw hapte verschrikt naar adem en zweeg. Ze staarde hem indringend aan. ‘Zal ik u aan land brengen?’ vroeg Ridder Tuur na een tijdje galant en hij strekte zijn armen al uit. ‘Nee,’ zei de jonkvrouw plots. ‘Ik ben de dame van het meer en iemand heeft mijn schat gestolen. Haal mijn schat meteen terug.’ Ridder Tuur was erg teleurgesteld. Het was zo leuk geweest om met een jonkvrouw uit het meer te komen. Niemand had hem ooit iets verteld over jonkvrouwen die niet gered wilden worden. Maar hij herstelde zich snel. ‘Tot uw dienst, schone jonkvrouw. Ik haal zo snel ik kan uw schat terug.’ Hij liep terug naar de kant en toen hij omkeek, was de jonkvrouw weer verdwenen. Het water gutste uit zijn harnas. Hij voelde zich veel lichter zonder beenstukken. Hij liep naar de boom waar Tibbert zat. Hij piepte en kraakte veel minder en hij kwam ook veel sneller vooruit. Hoe vind je een schat?, dacht Ridder Tuur ten slotte, want hij was de jonkvrouw in het meer niet vergeten. Ik heb een belofte gedaan, dacht hij en beloftes moet je houden, want ridders breken nooit hun woord.

19


Toen hoorden ze in de verte gekwetter en getsjilp van vogels. ‘Volg mij!’ riep Ridder Tuur enthousiast en hij stormde naar voren. ‘Het avontuur is nabij!’ De toren was breed en hoog en lag dicht bij een volière7. Het duurde een tijdje voor Ridder Tuur begreep dat het een toren was, want er zat geen deur in en rond het gebouw liep een diepe gracht. ‘Vreemd,’ zei Ridder Tuur. ‘Hoe kom je er dan in?’ Hij tuurde naar omhoog en werd meteen duizelig. Plots viel er iets op zijn hoofd. Hij schudde zijn hoofd en keek om zich heen. Aan zijn voeten lag een stukje perkament. Hij probeerde het op te rapen, maar het lukte niet, want zijn handschoenen konden niet genoeg plooien. Mijn handschoenen even uitdoen, kan geen kwaad, dacht hij. Hij legde ze op de grond, naast de gracht en rolde nieuwsgierig het stukje perkament open. Verbaasd las hij de woorden:

Aan een moedige ridder Help mij, alsjeblieft, want ik zit boven in de toren gevangen. Annabelle

20


‘Een jonkvrouw in nood!’ dacht Ridder Tuur. ‘Ik moet de toren beklimmen,’ zei hij dapper, terwijl hij omhoog keek. Hij stapte achteruit, wankelde en struikelde over zijn handschoenen. Voor hij er erg in had, waren ze al in de diepe gracht gerold. Hij zette zijn handen aan zijn mond en riep omhoog: ‘Ik kom eraan, edele jonkvrouw!’ Maar hoe raakte hij boven in de toren? Er was geen deur en de gracht was meters diep. Peinzend liep hij heen en weer. Hij dacht aan Rapunzel en haar lange vlechten en zuchtte diep. Dit was geen tijd voor sprookjes. Tibbert sprong tegen een boom op en klauterde lenig omhoog. Kon ik ook maar zo goed klimmen, dacht Ridder Tuur vermoeid. De torenmuur zat vol gaten en er groeide een taaie klimplant tegen, die zich helemaal naar boven kronkelde. ‘Het is het proberen waard,’ zei Ridder Tuur dapperder dan hij zich voelde, want hij had een beetje hoogtevrees. Met een plons sprong hij in de diepe gracht. ‘O, wat is dit water koud!’ bibberde hij, maar toen begon hij te zwemmen en hij merkte dat dat beter ging, nu hij zijn benen vrij had. In een paar slagen was hij aan de overkant. Toen hij zich op de oever hees, gutste het water uit het harnas. Hij veegde zijn vizier schoon en bekeek de toren.

21


‘Dat is wel heel erg hoog,’ mompelde hij nog een keer, maar toen greep hij onbevreesd de eerste tak vast en hees zich naar boven. Het borststuk van zijn harnas schuurde tegen de toren en de gespen raakten los. Hij zette zijn voet wat hoger en zocht steun met zijn linkerhand. Het borststuk liet los en kletterde naar beneden. ‘Avonturen zijn duidelijk niet goed voor je harnas,’ zuchtte de onfortuinlijke ridder, maar hij beet op zijn tanden en klom voort. Echte adel herken je niet aan een stuk ijzer. Niet naar beneden kijken, dacht hij, maar toen hoorde hij het gesnik dat hem ineens vleugels gaf. ‘Daar is de jonkvrouw die in nood is,’ prevelde8 hij. ‘Ik moet me niet druk maken over mijn harnas. Ik moet haar redden!’ En hij riep met luide stem: ‘Hou vol, edele jonkvrouw, uw dappere ridder komt eraan!’ Het gesnik hield op en even later hoorde hij een stem vlak boven zich. ‘Edele ridder, komt u mij redden?’ Ridder Tuur hees zich met zijn laatste krachten op de dikke vensterbank van de toren. ‘Ik ben er!’ riep hij opgelucht en viel letterlijk de kamer binnen. Hij ging op een bankje zitten om wat op adem te komen.

22


Ridder Tuur wierp een blik op de jonkvrouw. Zijn mond viel open, want hij had nog nooit zo’n mooi meisje gezien. Ze had lang, blond haar (maar niet lang genoeg om Rapunzel te spelen), een prachtig elfengezichtje en de mooiste blauwe ogen die hij ooit had gezien. Hij vergat zijn vermoeidheid en knielde voor haar neer. ‘Jonkvrouw, ik ben uw dienaar voor eeuwig en altijd,’ sprak hij vol bewondering. ‘Heer Ridder,’ giechelde de jonkvrouw erg onjonkvrouwachtig. ‘Heel erg bedankt om mij te komen redden, maar u vergeet een paar dingen.’ Ridder Tuur keek verbaasd naar de jonkvrouw die niet erg onder de indruk leek van zijn heldhaftige daden. ‘Punt één, we zitten nog altijd in een toren opgesloten,’ begon de jonkvrouw. Ridder Tuur knikte een beetje tegen zijn zin, maar ze had gelijk. ‘Punt twee, ik ben helemaal geen jonkvrouw, maar het dienstmeisje van een adellijke dame die me beschuldigde van diefstal en me hier opsloot,’ ging ze verder. Ze klonk een beetje boos, toen ze dat zei. Ridder Tuur gaapte haar aan. Dat moest nu weer net hem overkomen! Een jonkvrouw redden die geen jonkvrouw was.

23


24


En daarvoor moest de dame van het meer wachten? Hij zuchtte diep van ellende. Annabelle sloeg haar armen afwachtend over elkaar. ‘Nou, waar wacht je nog op?’ vroeg ze ongeduldig. ‘Je denkt toch niet dat ik dezelfde weg terug ga nemen?’ Ze tikte tegen haar voorhoofd. ‘Ik ben niet gek, hoor, die toren is veel te hoog. Dat is je reinste zelfmoord.’ Ridder Tuur veegde zijn voorhoofd af. In geen enkel handboek voor ridders had hij gelezen over dit soort situaties. Zijn maag knorde. ‘Ik heb honger,’ zei hij toen maar. Voor Annabelle woedend kon reageren, klonk een geluid van bij het raam. Op de vensterbank zat Archibald. ‘Tot uw dienst, Ridder.’ Annabelle kroop achter de rug van Ridder Tuur weg. ‘Wie is die enge man met die baard?’ fluisterde ze verschrikt. ‘Archibald, om u te dienen,’ antwoordde Archibald, voor Ridder Tuur iets kon zeggen. ‘Kunt u ons helpen om uit deze toren te ontsnappen?’ Annabelle kruiste haar armen voor haar borst en keek Archibald argwanend aan.

25


‘Dat kan ik,’ zei Archibald bedachtzaam en hij knipte één keer met zijn vingers. Een tel later stonden ze alle drie voor de gracht. Tibbert klom uit de boom, rekte zich uit en wreef zich spinnend tegen Annabelles benen aan. ‘Ik heb nu wel honger gekregen,’ zei Ridder Tuur. ‘Kunt u mij iets te eten geven?’ ‘Ha,’ zei Archibald. ‘Dat kan niet.’ ‘Waarom niet?’ vroeg Ridder Tuur verbluft. ‘Ik mag maar één magische daad per keer uitvoeren,’ zei Archibald bescheiden. ‘En u beiden uit de toren bevrijden, mag als zo’n daad worden aangenomen.’ En toen verdween hij. Annabelle keek hem aan. ‘Ik kan je wel iets te eten geven,’ zei ze met een lachje. ‘Mijn moeder kookt heerlijk!’

26


Ridder Tuur twijfelde, want hoorde het wel dat een ridder met een dienstmeisje at? Maar Annabelle pakte hem bij zijn hand en troonde hem mee naar het huis van haar moeder. Haar moeder kon het nauwelijks geloven dat haar dochter terug was. ‘Heer Ridder,’ sprak ze ontroerd. ‘Ik sta voor altijd bij u in het krijt! Wat kan ik voor u doen?’ ‘Tenzij u mij de schat van de dame uit het meer kunt aanwijzen, kunt u helemaal niets voor mij doen,’ mompelde Ridder Tuur. ‘De schat van de dame uit het meer?’ vroegen Annabelle en haar moeder in koor. ‘Die kunnen wij u geven,’ zei Annabelle opgewekt. ‘Kom mee, ik wijs u de weg!’ En ze stormde de deur uit. Ridder Tuur volgde haar langzaam, ook al werd hij niet gehinderd door zijn harnas. ‘Het is niet ver meer,’ riep Annabelle af en toe over haar schouder, terwijl ze snel als een hinde9 over het pad dartelde. Hijgend en puffend volgde Ridder Tuur het meisje, tot ze weer bij het duistere woud aankwamen. De schrik sloeg hem om het hart, want stiekem was hij een beetje bang voor het donker. Het zwaard zat nog steeds muurvast in de boom, zag hij. Ridder Tuur keek naar de oude eik en vroeg zich af hoe hij ooit had kunnen denken dat dat een vreselijk monster was?

27


‘En?’ vroeg hij. ‘Waar is nu die fameuze schat van de dame van het meer?’ ‘Het zwaard!’ wees Annabelle ongeduldig. ‘Dat is de schat van de dame uit het meer. Dat weet toch iedereen!’ ‘Maar …’ pruttelde Ridder Tuur. Hij begreep er niets van. ‘Trek het er nu maar uit!’ moedigde Annabelle hem aan. Ridder Tuur kreeg het ineens erg warm, want zo meteen zou Annabelle hem maar een flauwe ridder vinden. Hij had het zwaard helemaal niet uit de boom kunnen trekken. En het was niet eens zijn eigen zwaard, maar dat van Archibald, die vreemde snuiter. Maar dappere ridders zeuren niet en dus stapte hij naar de boom toe en pakte het zwaard stevig met beide handen vast. Dit moet me lukken, dacht hij grimmig, al doe ik maar één heldhaftig ding meer in mijn leven. En toen trok hij, zo hard hij kon. Even vreesde hij dat het niet zou lukken, maar beetje bij beetje voelde hij het zwaard uit de boom glijden en even later hield hij het in zijn hand. Annabelle klapte enthousiast in haar handen.

28


Ridder Tuur straalde als een sterretje. Hij dacht helemaal niet meer aan het feit dat ze een dienstmeisje was. ‘Kom,’ onderbrak Annabelle zijn gedachten. ‘We moeten snel met het zwaard naar de dame van het meer! Ze huilt nu al dagen, het is om gek van te worden, die herrie.’ Het meer zag er even rimpelloos uit als altijd, maar in de verte hoorden ze het gejammer al van de dame. Haar gehuil steeg op als een troep woedende vogels en Ridder Tuur rilde. 29


‘Ze is zo gek als een achterdeur,’ haalde Annabelle haar schouders op. ‘Als ze wist wat goed voor haar was, kwam ze uit dat meer en deed ze normaal.’ Even later stonden ze weer aan de oever van het meer, waar de mist nog dikker leek dan anders. ‘Dame van het meer, ik heb uw schat hier bij me,’ schalde de stem van Ridder Tuur. De dame zweeg abrupt en een hand kwam uit het meer omhoog. ‘Gooi het er maar in, dat roestige ding,’ zei Annabelle en ze gaf hem een liefdevol duwtje. Ridder Tuur haalde diep adem en wierp het zwaard zo ver hij kon in de richting van de dame. Het zwaard zweefde zachtjes boven het meer en de hand greep het heft10 stevig vast. Met zwaard en al verdween de dame onder water. ‘Daar zijn we mooi van af,’ knikte Annabelle blij. Ridder Tuur keek haar aan en vond haar het mooiste meisje die hij ooit had gezien. Het maanlicht scheen op haar gouden haar en haar lieve ogen lachten hem toe. ‘Mag ik je kussen, jonkvrouw Annabelle?’ stamelde Ridder Tuur. Dit was het spannendste avontuur dat hij ooit had meegemaakt. Annabelle lachte hardop. ‘Natuurlijk mag je dat, gekke ridder!’

30


Hij kwam naar haar toe, maar ze hield hem tegen. ‘Wacht even!’ Ze plukte de helm van zijn hoofd en gooide die met een boogje in het meer. Toen gespte Ridder Tuur zelf de armstukken van zijn harnas los. Ze vielen met een doffe klap in het gras. Ridder Tuur kuste zijn Annabelle. Annabelle kuste haar ridder en sloeg haar armen stevig om hem heen. Zo zie je maar, dacht Ridder Tuur, stel je voor dat ik niet van mijn paard gevallen was!

31


Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

32

briesen = hard blazend uitademen vizier = klep van een helm verstarren = onbeweeglijk worden troubadour = rondtrekkende muzikant in de middeleeuwen fata morgana = iets wat echt lijkt maar het niet is hallucineren = iets zien of horen wat er niet is volière = grote vogelkooi prevelen = onduidelijk praten met je mond bijna dicht hinde = vrouwtjeshert heft = handvat van een zwaard


Iedereen weet dat dappere ridders heldhaftige daden verrichten. Ook Ridder Tuur wil een held zijn. Een stoere held in een blinkend harnas. Hij vertrekt op avontuur, samen met zijn paard Goswijn. Maar dan valt hij van zijn paard en gebeuren er tal van vreemde dingen ...

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Rosemarie De Vos Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook