ucatieve uitgaven
BIEB
Zo veel soorten werk Kolet Janssen
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
5
Zo veel soorten werk
1
Juf Lieselot wacht tot het stil is in de klas. Daan en Sander rukken aan elkaars T-shirt, maar na een por van Samira gaan ook zij rustig zitten. ‘Over een paar jaar zijn jullie aan het einde van de basisschool gekomen,’ zegt de juf. ‘Tijd om al eens na te denken over wat jullie later willen worden!’ ‘We moeten nog een hele tijd studeren, hoor, juf!’ zegt Simon. Dat hoort hij thuis vaak genoeg als hij weer eens geen zin heeft in huiswerk maken. ‘Dat weet ik wel,’ zegt de juf. ‘Maar het kan geen kwaad om al eens wat meer te horen over welke beroepen er zoal bestaan. Hoe meer je er kent, hoe groter je keuze wordt! Daarom stuur ik jullie per twee op interview1 bij iemand met een tof beroep.’ ‘Ik wil naar een filmster!’ gilt Emma. ‘En ik naar een fotomodel,’ zucht Romy. ‘Ik zoek een piloot,’ zegt Milan. ‘En ik een brandweerman,’ roept Levi. Juf Lieselot wacht weer tot het stil is. ‘We mikken niet op heel speciale en uitzonderlijke2 beroepen,’ zegt de juf.
1
‘Het is juist interessant om iets meer te weten te komen over heel gewone beroepen. Over wat je mama of je papa doet. Of de buurman. Of je tante. Jullie hoeven het niet ver te gaan zoeken. De kans dat je later zo’n soort beroep krijgt, is veel groter dan dat je een beroemde zangeres of uitvinder wordt. Ga in je eigen omgeving op zoek naar iemand die je iets wil vertellen over zijn of haar beroep. Bij je thuis, in je familie, bij de ouders van vriendjes of in je buurt. Vrijdag moeten jullie per twee een voorstel indienen. Dan bekijk ik of er geen overlappingen3 zijn en dan kunnen jullie vanaf het weekend starten.’ Romy en Emma slenteren om vier uur naar buiten. ‘Mijn tante is tandarts,’ zegt Emma. ‘Bah,’ zegt Romy. ‘Vindt ze het leuk om altijd in de mond van andere mensen te zitten?’ ‘Dat weet ik niet, dat zouden we haar kunnen vragen,’ bedenkt Emma. ‘Heeft ze ook zo’n stoel die je omhoog en omlaag kunt laten gaan?’ vraagt Romy. ‘Dat is wel cool!’ ‘Ja hoor,’ zegt Emma. ‘En ze kan spuitjes zetten zonder dat je er iets van voelt.’ ‘Hoe weet je dat?’ wil Romy weten. ‘Ik ga altijd bij haar naar de tandarts,’ zegt Emma. ‘Ik geloof er niets van,’ zegt Romy. ‘Dokters en tandartsen zeggen altijd dat het geen pijn zal doen, en dan geven ze je toch een gemene prik of zo.’ ‘Nee,’ zegt Emma. ‘Bij mijn tante voel je echt helemaal niets.’ ‘Kan je tante misschien toveren?’ lacht Romy.
2
Maar Emma schudt haar hoofd. ‘Ze heeft een speciale truc geleerd hoe je dat moet doen,’ vertelt ze. Romy denkt even na. ‘Misschien verklapt ze ons die truc wel. Zou je tante het goed vinden dat we haar interviewen?’ Emma haalt haar schouders op. ‘Vast wel,’ zegt ze. ‘Ze woont hier wel een uurtje vandaan, maar mijn mama zal ons wel willen brengen.’ ‘Weet jij al wie we zouden kunnen interviewen?’ vraagt Milan. Levi lacht. Hij en Milan zijn al vrienden sinds de crèche4. Dat zeggen hun mama’s toch. Natuurlijk gaan ze samen op interview. ‘Dat is toch niet zo moeilijk, Milan!’ zegt Levi. ‘Jouw papa heeft bij ons thuis de badkamer gemaakt. Daar kun je toch best veel over vertellen.’ ‘Ik vind loodgieter niet echt een spannend beroep,’ zegt Milan. ‘Dat komt omdat je papa het doet,’ lacht Levi. ‘En daarbij: het hoeft geen spannend beroep te zijn. Dat heeft de juf zelf gezegd.’ ‘Maar mijn papa vertelt niet zo graag, denk ik,’ twijfelt Milan. ‘Hij werkt liever gewoon.’ ‘Dan gaan we mee kijken,’ fantaseert Levi. ‘En dan stellen we vragen terwijl hij bezig is!’ Milan knikt aarzelend. ‘Ik zal het hem straks vragen.’
3
Simon loopt naar Samira. ‘Wil jij samen met mij iemand interviewen?’ vraagt hij. ‘Dat is makkelijk, want we wonen zo dicht bij elkaar.’ Het is waar: ze wonen in dezelfde straat. Het huis van Simon staat schuin tegenover het flatgebouw waar Samira op de tweede verdieping woont. Vanuit zijn kamer kan Simon zien of het licht brandt bij Samira. Hij vindt Samira leuk en daarom wil hij graag samen met haar op interview. Maar dat zegt hij natuurlijk niet. ‘En wie gaan we dan interviewen?’ wil Samira weten. Simon zucht. ‘Dat weet ik nog niet. Heb jij een idee?’ Samira bijt op haar lip. ‘In de flat onder ons woont een man die kok is in een restaurant in de stad. Zou dat iets zijn?’ Simon vindt het prima. Zo lang hij het samen met Samira kan doen, is alles goed voor hem.
4
‘Mijn stiefbroer werkt bij de tv,’ zegt Daan. ‘Cool!’ zegt Sander. ‘En wat doet hij dan precies?’ ‘Dat weet ik eigenlijk niet goed,’ geeft Daan toe. ‘Maar soms staat zijn naam bij de aftiteling5 op het einde van een programma.’ ‘Wanneer kun je hem zien op tv?’ vraagt Sander. ‘Hij komt zelf niet op tv,’ legt Daan uit. ‘Hij praat vooraf met de mensen die in zo’n praatprogramma zitten.’ ‘Mm,’ zegt Sander. Dat lijkt hem nogal saai. Maar hij weet ook niets beters, dus ze kunnen het best proberen. ‘Hoe krijgen we je stiefbroer te pakken?’ vraagt hij. ‘Ik zie hem elke eerste zondag van de maand,’ zegt Daan. ‘Dan komt hij op bezoek bij papa. Dat is dus binnenkort!’ ‘Perfect!’ lacht Sander. ‘Als we een goed interview maken, komen we misschien ook op tv!’ ‘Dat denk ik niet,’ zegt Daan. ‘Ze zijn daar heel streng over wie er wel of niet binnen mag, zegt hij altijd. Maar hij kan er natuurlijk wel over vertellen!’ Amir en Ella staan bij de schoolpoort te wachten tot hun papa of mama hen komt ophalen. ‘Weet jij al wie je zult interviewen?’ vraagt Ella. Amir schudt zijn hoofd. ‘Geen flauw idee,’ zegt hij. ‘En jij?’ ‘Mijn mama werkt in een winkel,’ zegt ze. ‘Zou dat iets zijn?’
5
‘Wat voor een winkel?’ vraagt Amir. Een snoepwinkel, hoopt hij. Als je daar op interview gaat, krijg je vast een heleboel snoep mee. Amir is dol op snoep. ‘Een cadeautjeswinkel,’ zegt Ella. Amir fronst zijn wenkbrauwen. ‘Een cadeautjeswinkel? Wat verkopen ze daar?’ Je kunt toch alles als cadeautje geven, denkt hij. Misschien is er toch nog snoep. ‘Leuke spulletjes en zo,’ zegt Ella. ‘En er is ook een hoekje waar je taart kunt eten en iets fris kunt drinken.’ ‘Dat is een goed idee!’ zegt Amir snel. Taart, dat is bijna nog lekkerder dan snoep. ‘Ik ga mee!’ 6
2
Juf Lieselot laat op het digitale schoolbord het lijstje zien van alle beroepen die de kinderen gekozen hebben. Ze deelt papieren uit met wat ze precies moeten doen. ‘Dit blad komt vooraan bij elk interview,’ zegt ze. ‘Jullie moeten de naam invullen van de persoon die je zult interviewen. En ook zijn leeftijd en zijn woonplaats.’ ‘Moeten we alle antwoorden opschrijven?’ vraagt Daan. ‘We kunnen toch niet zo snel schrijven als iemand kan praten!’ ‘Ik neem het interview op met de telefoon van mijn papa,’ zegt Emma. ‘Dan kan ik er achteraf gewoon naar luisteren.’ ‘Dat is handig,’ zegt de juf. ‘Maar ik wil wel een tekst van het interview. Dus je moet het dan achteraf uitschrijven.’ ‘Moet je echt alles opschrijven wat ze zeggen?’ wil Levi weten. ‘Je schrijft telkens eerst de vraag op en daarna het antwoord,’ legt de juf uit. ‘Misschien vertellen ze niet alles netjes in de volgorde van jouw vragen. Maar achteraf zet jij het gewoon samen. Dat is handiger om te lezen. Je mag het natuurlijk inkorten of samenvatten. Mensen zeggen vaak twee of drie keer hetzelfde en dat hoef je dan niet allemaal op te schrijven.’
7
‘Net als in de krant,’ lacht Simon. ‘Precies,’ zegt juf Lieselot. ‘Het is een goed idee om al eens te kijken hoe een interview in de krant of in een tijdschrift eruitziet. Dan weet je hoe je het moet aanpakken. Je moet een interview ook altijd heel goed voorbereiden.’ ‘Dat gaat toch niet,’ protesteert Sander. ‘We weten toch niet wat zo iemand zal vertellen!’ ‘Een interviewer moet altijd eerst vragen bedenken,’ zegt de juf. ‘Wat wil je precies weten? Jullie moeten eerst zelf nadenken over het beroep of opzoeken wat er volgens jullie allemaal bij dat beroep komt kijken. En dan verzin je daar vragen over. Liefst vragen over dingen die je echt graag zelf wilt weten. Zo meteen mogen jullie samen met je interviewpartner vragen bedenken.’ De kinderen gaan per twee bij elkaar zitten. Ze schrijven vragen op: – Waarom heb je voor dit beroep gekozen? – Wat is het leukste aan je beroep? Wat is het minst leuke? – Heb je lang moeten studeren? Moet je soms nog studeren? – Waarom past dit beroep goed bij jou? – Wat is er spannend en wat is er saai aan je beroep? – Is het een moeilijk beroep? – Wil je ooit nog een ander beroep uitoefenen?
8
Juf Lieselot loopt rond en helpt. Opeens zegt ze: ‘Jullie mogen ook niet vergeten om vervolgvragen te stellen. Dat betekent: je verzint een vraag, je krijgt een antwoord en dan stel je daarover nog een vraag. Pas dan krijg je vaak de leukste antwoorden.’ ‘Maar hoe kun je dat voorbereiden?’ vraagt Amir. ‘We weten toch niet wat hij zal zeggen?’ ‘Nee, maar je kunt het toch al een beetje raden,’ legt juf Lieselot uit. ‘Stel dat je vraagt: Waarom heb je dit beroep gekozen? En dat hij antwoordt: Omdat ik het heel graag doe. Dan kun je meteen verder vragen: Wat vind je dan zo leuk aan dat beroep? Het is echt niet zo moeilijk om vervolgvragen te stellen. En het maakt zo’n interview een stuk leuker om te lezen dan wanneer je telkens weer naar een heel andere vraag springt.’ 9
3
Samira en Simon zitten op de bank bij Kwinten. Hij is kok. ‘Wanneer heb je beslist om kok te worden?’ vraagt Samira. Kwinten lacht. ‘Mijn mama zegt dat ik als kleuter altijd al taartjes bakte in de zandbak,’ zegt hij. ‘Ik vind het gewoon heel leuk om met eten bezig te zijn. Dus toen ik op de middelbare school een richting moest kiezen, wilde ik graag naar de koksschool. En dat heb ik dus gedaan!’ ‘Heb je dat echt nodig, zo’n school waar je leert koken?’ vraagt Simon. ‘Er zijn toch ook veel mensen die gewoon zelf leren koken. Iedereen moet toch thuis kunnen koken. Onze ouders bijvoorbeeld … Maar die hebben nooit op de koksschool gezeten!’ Kwinten knikt. ‘Je kunt heel veel leren door het gewoon te doen, natuurlijk. Maar als je echt voor je beroep kok wilt worden, moet je heel precies weten wat je doet. Wat de eigenschappen van elke groente en elke vleessoort zijn. Welke sausjes waarbij passen. Wat de verschillen zijn tussen iets koken, bakken, stoven of pocheren6. Je leert ook om voor grote groepen mensen te koken. Dat is niet zo gemakkelijk, want dan moet je alles heel goed organiseren, zodat het niet in het honderd loopt.’
10
‘Toen je zo oud was als wij, was je toen ook al bezig met koken?’ vraagt Simon. ‘Niet de hele tijd, natuurlijk,’ antwoordt Kwinten. Maar ik zat wel graag in de keuken van alles uit te proberen. Of een bord mooi te versieren. En vooral: ik vond het super om te zien hoe mensen van eten kunnen genieten! Ik knutselde ook veel met lego, hoor. En ik had een fiets waarmee ik met mijn vrienden over kleine en grote zandbergen reed. Maar ik smeerde altijd de toastjes als er een feest was. En ik bedacht nieuwe drankjes: dan mixte ik allerlei dingen door elkaar tot het lekker was!’ ‘Van wie heb je dat koken geleerd?’ vraagt Samira. ‘Van mijn mama, denk ik,’ zegt Kwinten. ‘Hoewel mijn papa ook graag in de keuken bezig was. Hij bakte bijvoorbeeld altijd ons brood. Dan kwam je ’s ochtends de trap af en dan rook het hele huis naar versgebakken brood, mm, heerlijk!’ Kwinten sluit zijn ogen en glimlacht als hij eraan terugdenkt. ‘Mijn mama kookte heel gewone dingen, maar wel superlekker. Wortelpuree met worst bijvoorbeeld. En dan maakte ik daar zo’n kuiltje in voor de saus.
11
Of witloof met ham en kaassaus. Als ik op bezoek ga bij mijn mama, kookt ze nog altijd voor mij diezelfde lekkere dingen. Dat vind ik echt genieten!’ ‘Eet je zelf ook die lekkere schotels uit je restaurant?’ wil Simon weten. ‘Als je dat allemaal hebt gekookt, heb je vast enorme honger!’ ‘Ik eet meestal niet in mijn restaurant,’ zegt Kwinten. ‘Toch zeker niet de klaargemaakte schotels. Daar heb ik ook geen tijd voor, want het is hard werken om alles op tijd klaar te krijgen. Wat ik wel de hele tijd doe, is proeven. Zijn die asperges gaar? Is dat sausje niet te flauw? Moeten er wat kruiden bij het stoofpotje? En door al dat proeven heb ik meestal niet veel honger meer. Meestal neem ik wel wat restjes mee naar huis.’ ‘Geniet je zelf dan niet van een avondje uitgebreid en lekker eten?’ vraagt Samira. ‘Jawel, maar dan meestal als ik op vakantie ben,’ vertelt Kwinten. ‘Dan kan ik daar zeker van genieten. En het hoeft dan niet meteen iets ingewikkelds te zijn. Lekkere streekproducten, heel simpel klaargemaakt. Tomaten die echt in het zuiden rijp geworden zijn. Of verse aardbeien, heerlijk! Ik geef toe dat ik eigenlijk altijd bezig ben met eten, ook als ik gewoon door een landschap rijd met de auto.
12
Andere mensen vinden het gewoon fijn om langs boomgaarden7 te rijden. Ik denk dan al aan de appeltjes die ik zie hangen en wat ik daar allemaal voor lekkers mee kan klaarmaken.’
13
‘Wat is het minst leuke aan je beroep?’ vraagt Simon nog. Kwinten denkt even na. ‘Misschien dat je altijd moet werken als andere mensen vrijaf hebben: ’s avonds en in het weekend. Maar dat ben ik al gewoon. Wat wel vervelend kan zijn, is als sommige klanten onbeleefd worden. Ik probeer samen met de anderen in mijn restaurant zo lekker mogelijk te koken. Natuurlijk gebeurt het al eens dat iemand het eten toch niet lekker vindt. Daar proberen wij dan een oplossing voor te vinden. Meestal lukt dat ook. Maar soms gaan mensen je echt beledigen en worden ze boos. Dat is echt niet fijn!’ Zo, het interview is afgelopen. Kwinten haalt heerlijke koekjes. Die heeft hij in het restaurant gebakken. Simon en Samira smullen ze lekker op!
14
4
Emma en Romy zitten in de wachtzaal bij Emma’s tante, die tandarts is. Emma’s mama heeft hen met de auto gebracht. Nu is ze naar de winkelstraat en straks komt ze hen weer ophalen. Ze moeten even wachten tot Evelien, de tante van Emma, klaar is met een patiënt. Achter de deur horen ze het zoemen van de boor. ‘Brr,’ rilt Romy. ‘Dat is toch echt geen leuk geluid. Ik hoop maar dat je tante mij straks niet op de stoel zet en in mijn mond begint te boren. Dan ren ik weg, hoor!’ Emma lacht. ‘Volgens mij ben jij gewoon bang voor de tandarts,’ zegt ze. ‘Iedereen is bang voor de tandarts,’ zegt Romy. ‘Ik niet,’ zegt Emma heel beslist. ‘Als je goed poetst en op tijd alles laat controleren, krijg je geen gaatjes.’ Romy bromt iets onverstaanbaars, maar daar gaat de deur van het tandartskabinet al open. Er komt een meneer naar buiten met een groene jas. Romy kijkt aandachtig naar zijn mond, maar ze ziet er niets speciaals aan. Tandarts Evelien wenkt hen naar binnen. Ze krijgen elk een stoel, en Evelien gaat op een krukje zitten. Dat kan ronddraaien en ook hoger en lager worden gezet, ziet Emma. Daarop zit Evelien vast als ze iemand behandelt.
15
‘Vuur jullie vragen maar op me af!’ zegt tandarts Evelien. ‘Wat willen jullie precies weten?’ Romy kijkt op haar blad. ‘Hoe lang moet je studeren om tandarts te worden?’ ‘Vijf jaar,’ zegt Evelien. ‘Dat was hard werken, hoor. Want je moest niet alleen examens afleggen, maar ook veel praktische oefeningen doen. Tanden boetseren bijvoorbeeld en later stilaan mensen zelf behandelen. Je leert maar om tandarts te worden door heel veel te oefenen!’ ‘Wist je als kind al dat je tandarts wilde worden?’ vraagt Emma. ‘Nee hoor,’ zegt Evelien. ‘Ik was wel altijd graag met mijn handen bezig. Ik maakte kraalsnoertjes of ik knutselde huisjes met stokjes en blaadjes of ik was bezig met klei … Om tandarts te worden moet je tegelijk slim en handig zijn. Als je niet graag met je handen werkt, is het niets voor jou.’ ‘En waarom ben je dan precies tandarts geworden?’ wil Romy weten. ‘Ik wilde graag mensen beter maken,’ legt Evelien uit. ‘Maar dokter worden was niets voor mij.
16
Er zijn zo veel verschillende ziektes, ik was bang dat ik nooit zou vinden wat mijn patiënten zouden mankeren. Daarom leek tandarts worden me wel leuk. Ik mag me alleen met de mond bezig houden. Eigenlijk alleen met de tanden. En dat probeer ik dan ook zo goed mogelijk te doen!’ ‘Is het niet eng om in iemands mond te gaan boren?’ vraagt Romy. Evelien lacht. ‘Het is veel enger om te wachten tot iemand tandpijn krijgt,’ zegt ze. ‘Als je op tijd zo’n gaatje ontdekt, is het nog maar klein en kun je het makkelijk repareren. En een tandartsboor is piepklein, kijk maar!’ Evelien laat hen de boor zien, die aan een zwengelarm in de lucht hangt naast de stoel waarin de patiënt zit. In een la liggen allemaal kleine boorkopjes die erop passen. Ze zijn allemaal een beetje verschillend. Voor elke klus is er een apart boortje. ‘Vind je het niet vervelend dat veel mensen bang van je zijn?’ vraagt Emma. Ze knipoogt naar Romy. ‘Mensen die bang zijn van de tandarts zijn meestal mensen die niet vaak naar de tandarts gaan. Ze wachten vaak tot het eigenlijk al een beetje te laat is. Dan duurt het veel langer voordat alles gerepareerd is.
17
Ze moeten verdoofd worden en ze moeten een paar keer terugkomen. En dat vinden ze niet zo leuk …’ Evelien zucht. ‘Maar ik heb wel een hele goede truc geleerd om mensen met een spuitje te verdoven. Je moet dan tegelijk een klein rukje aan hun wang geven, dan voelen ze er niets van. En daarna zijn ze niet meer bang! Het fijnste is als mensen al met hun kleutertjes naar hier komen. Meestal is er dan nog geen enkel probleem en dan vinden die kindjes het gewoon leuk om op mijn stoel te zitten en water te spugen in het spoelbakje. Ik laat ze na afloop ook altijd een speelgoedje kiezen uit die pot daar. Die kinderen worden meestal niet bang.’ ‘Wat gebeurt er als iemand nooit zijn tanden poetst?’ wil Romy weten. Evelien knijpt haar neus dicht. ‘Dan gaat je mond niet lekker ruiken. En je krijgt veel sneller gaatjes, natuurlijk. Ik geef ook uitleg over hoe je goed moet poetsen, dat hoort ook bij mijn beroep.’ ‘Wat is het grootste nadeel aan het beroep van tandarts?’ vraagt Emma. Evelien denkt even na. ‘Het beroep zelf is gewoon leuk. Je hebt wel eens iemand die niet zo vriendelijk is, maar de meeste mensen zijn blij als je ze kunt helpen.
18
Het grootste nadeel is dat het zo duur is om alle spullen te kopen als je wilt beginnen te werken als tandarts. Zo’n tandartsstoel met alles erop en eraan is verschrikkelijk duur. En daarnaast heb je nog veel spullen nodig: allerlei haakjes en tangetjes en een toestel om röntgenfoto’s8 te maken enzovoort. Ik gebruik deze tandartsruimte samen met twee anderen. Wij wisselen elkaar af, en dus kunnen we samen de stoel betalen. Dat maakt het beter haalbaar.’ De bel gaat. Daar is de volgende patiënt al. Emma en Romy bedanken tandarts Evelien. Ze krijgen nog een doosje suikervrije muntjes mee. Mama zit al in de wachtzaal. Een mevrouw met twee kleuters gaat naar binnen. ‘Ik wil eerst!’ roept het jongetje. Die is alvast niet bang voor de tandarts!
19
5
Sander en Daan zitten aan tafel bij Daan thuis. Tegenover hen zit Marco, de stiefbroer van Daan. ‘Wat voor werk doe jij precies bij de tv?’ vraagt Daan. ‘Ik ben productieassistent,’ antwoordt Marco. ‘Dat betekent dat ik heel veel dingen tegelijk in de gaten moet houden. Als er een tv-programma gemaakt wordt, werken daar veel mensen aan mee. De regisseur die zegt wat iedereen moet doen. De producer die zegt hoe dat moet gebeuren. De cameramensen die alles filmen en de geluidsmensen die de klank opnemen. De acteurs of de deelnemers die moeten spelen of praten. En om dat allemaal vlot te laten verlopen, moet er van alles geregeld worden. En dat doet de productieassistent!’ ‘Wat moet er dan zoal geregeld worden?’ ‘Wie wat wanneer en waar moet doen,’ lacht Marco. ‘Ik moet afspraken maken om een studio9 vast te leggen of om op een andere plek te gaan filmen. Ik moet erop letten dat die plek geschikt is voor het programma dat we zullen maken. Een reportage10 over doodgaan maak je niet in de speeltuin.
20
Ik moet ook mensen opbellen om te vragen of ze willen meewerken. Aan de telefoon moet ik proberen te achterhalen of die mensen goed zullen overkomen en hun verhaal vlot kunnen doen. Dat is belangrijk op tv! En tegelijk moet ik zorgen dat iedereen op het juiste moment op de goede plaats is. Veel afspraken maken dus!’ ‘Is het niet moeilijk om aan zo veel tegelijk te moeten denken?’ vraagt Sander. ‘Soms wel moeilijk, maar ook best leuk!’ zegt Marco. ‘Als het weer gelukt is om alles in orde te krijgen, voel ik me een echte overwinnaar. Als er iets fout loopt, en dat gebeurt heel vaak, is het een uitdaging om toch nog een oplossing te vinden, soms op het allerlaatste moment. Zo hadden we eens een gesprek gepland tijdens een wandeling. Maar op de bewuste dag lag de plek waar het programma zou opgenomen worden vol met sneeuw! Ik heb dan op het laatste moment een plek binnenshuis gevonden, in een mooie, oude pastorie. Veel telefoontjes en lieve woordjes om iedereen over de streep te trekken, maar het is gelukt en het werd een prachtige opname.’ ‘Ben je fier op je werk?’ vraagt Daan.
21
‘Ja, als zo’n programma af is, ben ik fier omdat ik er toch ook mijn steentje aan heb bijgedragen. Dat geeft best wel een goed gevoel.’ ‘Wat is het leukste aan je beroep?’ wil Sander weten. Daar hoeft Marco niet lang over na te denken. ‘Dat ik zo veel mensen ontmoet,’ zegt hij. ‘De gasten in de praatprogramma’s, de acteurs, de mensen die geïnterviewd worden bij een reportage … Dat zijn telkens andere mensen, die vaak heel boeiend kunnen vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Of over wat ze doen. Het is heel interessant om hen bezig te horen. En daarnaast zijn er al mijn collega’s, de technici, de hele ploeg waarmee we samenwerken. We kennen elkaar door en door. Als er iets onverwachts gebeurt, wordt er al eens gevloekt. Dan is het de kunst om met een grapje of een kwinkslag11 de goede sfeer te herstellen. En dat lukt meestal wel.’ ‘Wil je ooit nog iets anders doen?’ vraagt Daan. ‘Ik ben nog jong, dus nu ben ik productieassistent. Later wil ik graag producer worden, dat is zo’n beetje de baas van de opnames. Daarvoor doe ik nu al veel ervaring op.’
22
Sander en Daan nemen afscheid van Marco. Ze hebben heel veel bijgeleerd!
23
6
De deurbel! Levi opent de deur. Daar staat Milan. ‘Mijn papa gaat nu naar een klant in de buurt,’ vertelt hij haastig. ‘Als je wilt, kunnen we meegaan en hem ondertussen een paar vragen stellen.’ ‘Nu meteen?’ vraagt Levi verwonderd. Hij ziet het witte bestelwagentje van Milans papa naast de stoep staan. Er staat een grote, blauwe kraan op. Milan knikt. ‘Vandaag komt het papa het beste uit. Soms moet hij ook ver weg iets gaan repareren of installeren, en dan kunnen wij niet zomaar mee.’ ‘Wacht even, ik vraag het aan mijn mama,’ zegt Levi. Levi’s mama praat even met de papa van Milan en dan zijn ze weg. Levi heeft nog snel het blad met de vragen mee gegrist. Ze stoppen bij een huis met een tuin vooraan. Goran (zo heet de papa van Milan) neemt zijn gereedschapskist uit de auto en belt aan. Er doet een mevrouw open. ‘Dag Goran, goed dat je vandaag al kunt komen!’ zegt ze. ‘En je hebt je helpers meegenomen?’ Ze knikt naar Milan en Levi. ‘Mijn zoon en zijn vriend,’ zegt Goran. ‘Ze moeten een werkje voor school maken over het beroep loodgieter.’
24
‘Dat klinkt goed,’ zegt de vrouw. ‘Ik zal je eerst even laten zien waar het lek is.’ Ze loopt hen voor naar de keuken en opent een kastdeurtje onder de spoelbakken. ‘Hier!’ wijst ze. ‘Vanmorgen lag er een hele plas op de vloer. Nu heb ik er een dweil gelegd. Misschien is het de kraan of de spoelbak … Ik weet het niet, maar het moet wel gerepareerd worden.’ De papa van Milan knikt en gaat op zijn knieën zitten. Met zijn hand voelt hij aan de onderkant van de spoelbak, aan een buis en aan een aansluiting. ‘Ik zie het al, het is de aansluiting met de waterverwarmer,’ zegt hij. ‘Ik ga dat proberen te maken! Ik zal wel even de waterverwarmer uit de kast moeten halen.’ Hij begint er meteen aan. Levi kijkt naar Milan. Mogen ze nu vragen stellen? Hij kijkt op zijn blad. ‘Vind je altijd meteen wat er mis is?’ vraagt hij. ‘Soms wel, soms niet,’ antwoordt Goran. ‘Het helpt om veel ervaring te hebben. Maar soms moet je een hele tijd zoeken om te vinden wat er scheelt! Het is een beetje alsof je een raadseltje moet oplossen. Iets proberen en dan merken dat het toch iets anders is en weer iets anders proberen.’ Goran lacht. ‘Loodgieter zijn is een spannend beroep!’
25
‘Wat ik me altijd al afvraag,’ zegt Milan, ‘waarom heet het eigenlijk ‘lood’-gieter? Die buizen zijn toch van plastic en de kranen van ijzer of zo?’ Goran draait een stel bouten los en tilt de waterverwarmer voorzichtig uit de kast. Hij zet hem netjes op de dweil die de mevrouw heeft klaargelegd. ‘Vroeger waren alle buizen van lood,’ legt Goran uit. ‘Daarom heet het zo. Nu zijn er nog veel oudere huizen met loden buizen, maar dat is eigenlijk niet zo gezond. We weten nu dat er kleine deeltjes lood in het drinkwater komen en dat is slecht voor mensen. Daarom zijn er nu buizen van plastic of van metaal dat veilig is. Maar de naam van ons beroep blijft ‘loodgieter’!’ Goran sleutelt een paar tussenstukken los en legt ze op de vloer. Hij gaat ook spullen halen in zijn bestelwagen. Die zit immers vol rekken en dozen, heeft Levi gezien. ‘Moet je handig zijn om loodgieter te worden?’ vraagt Levi. ‘Zeker en vast,’ antwoordt de papa van Milan. ‘Als je niet graag met je handen werkt, zal het niet lukken. Maar je moet ook goed kunnen nadenken. Om uit te zoeken hoe iets in elkaar zit of wat er aan de hand kan zijn.’ ‘Wat doe je het liefste: iets repareren of iets nieuws maken?’ vraagt Milan.
26
‘Iets nieuws maken is altijd plezanter,’ zegt Goran. ‘Dan kun je het ook precies zo maken als de klant wil. Maar een probleem oplossen is ook fijn, dan is de klant vaak heel dankbaar. Zeker als het een groot probleem is, een lek waar heel veel water uit spuit bijvoorbeeld.’ ‘Goran heeft hier de badkamer gemaakt en daar zijn wij heel tevreden over,’ zegt de mevrouw. ‘Kom maar eens kijken!’ Ze neemt de jongens mee naar boven. Een inloopdouche en twee mooie wastafels staan in een ruimte met appelzeegroene tegels. ‘Waw!’ zegt Levi. Milan is trots. Dat heeft zijn papa gemaakt! Als ze weer beneden komen, verzamelt Goran net al zijn gereedschap weer in de kist. De waterverwarmer zit opnieuw in de kast en de aansluiting is vernieuwd. ‘Normaal gezien zal het nu niet meer lekken,’ zegt Goran tot de mevrouw. ‘Maar als er nog een probleem zou zijn …’ ‘Dan weet ik je te vinden!’ zegt de vrouw. Ze loodst hen weer naar de voordeur. ‘Je stuurt de rekening maar op!’ zegt ze nog. Goran knikt en bergt zijn gereedschapskist weer in de bestelwagen. ‘Moet je dat ook allemaal zelf doen, rekeningen maken en zo?’ vraagt Levi.
27
‘Ja, anders krijg ik geen geld!’ grapt Goran. ‘Het is belangrijk voor een loodgieter dat hij dat ook kan. Ik doe dat meestal ’s avonds. Dan kijk ik na hoeveel uren ik ergens gewerkt heb en welke materialen ik gebruikt heb en daar maak ik dan een factuur12 van. Die stuur ik op naar mijn klanten. Ik moet ook goed in de gaten houden of de mensen mij op tijd betalen. Dat papierwerk vind ik niet het leukste van mijn beroep, maar het moet nu eenmaal gebeuren!’ ‘Ik word later misschien ook loodgieter,’ zegt Milan. ‘Dan kan ik samenwerken met mijn papa.’ ‘Maar eerst naar school gaan!’ zegt Goran. En dan zijn ze weer bij het huis van Levi.
28
7
Ella en Amir staan in het midden van de winkel waar Ella’s mama werkt. Het staat er propvol spulletjes: kaarsjes, juweeltjes, bloempotjes, fotokadertjes, zeepjes, koelkastmagneetjes. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het is er wel. Katrien, de mama van Ella, mag even met hen praten zolang het niet te druk wordt. ‘Vind je het leuk om in een winkel te werken?’ vraagt Amir braaf. ‘Ja, ik speelde als kind altijd al graag winkeltje,’ lacht Katrien. ‘Alles netjes opstapelen en zo mooi mogelijk voorstellen. Reclame maken en een praatje maken met de klanten. Dat vind ik nog altijd leuk!’ ‘Kun je met alle klanten evengoed opschieten?’ vraagt Ella. ‘Als winkelierster moet je met alle klanten kunnen omgaan. Sommige mensen weten heel precies wat ze willen, dat is makkelijk. Andere mensen zijn naar iets op zoek, maar ze weten zelf niet wat. Dan kun je ze helpen door vragen te stellen over de persoon voor wie ze iets willen kopen. Meestal lukt het om iets te vinden waar ze echt gelukkig mee zijn.
29
Soms zijn er ook klanten die niet te helpen zijn, die overal iets op aan te merken hebben. Dat is niet zo fijn, natuurlijk. Maar dat zijn gelukkig uitzonderingen!’ ‘Is het verkopen van cadeautjes het enige wat je moet doen?’ vraagt Amir. Hij hoopt dat Katrien nu zal beginnen over de hoek waar je taart kunt eten.‘Bij een winkel komt heel veel kijken,’ legt Katrien uit. ‘De eigenares doet de bestellingen, zij beslist wat er in de winkel komt, al vraagt ze me soms om raad. Als de spullen aankomen, moeten we ze uitpakken en een mooie plek geven in de winkel. We kleven er een prijs op. Elke dag stoffen we alles af, want niemand koopt stoffige spullen. We vullen de rekken aan als er lege plekken zijn. We zorgen voor mooi inpakpapier en lintjes. En zelfs over de muziek die je hoort, denken we na!
30
En natuurlijk moeten we ook zorgen dat de kassa klopt en dat er wisselgeld is.’ Het duizelt Amir. Hij had nooit gedacht dat een winkel houden zo veel werk was! Zelf zou hij nooit in zo’n cadeautjeswinkel willen werken. Maar een winkel met fietsen bijvoorbeeld, dat lijkt hem wel wat … Ella is aan het einde van haar vragenlijstje gekomen. ‘En nu willen jullie vast ook een stukje taart en een glas limonade!’ zegt Katrien. Amir lacht breed. Toch nog gelukt!
31
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
32
interview = vraaggesprek uitzonderlijk = buitengewoon overlapping = stuk waarin hetzelfde voorkomt crèche = kinderdagverblijf aftiteling = lijst van medewerkers aan het einde van een film of een programma pocheren = eten gaar maken in een vloeistof die net niet kookt, bv. een ei pocheren boomgaard = tuin met fruitbomen (bv. appelen, peren, kersen, noten) röntgenfoto = foto van de binnenkant van je lichaam studio = speciaal ingerichte ruimte waarin radio- of tvprogramma’s worden gemaakt en uitgezonden reportage = verslag van een journalist voor radio of tv over een of ander onderwerp kwinkslag = grappige opmerking factuur = rekening voor een klant voor iets dat hij gekocht heeft of voor werk dat iemand voor hem gedaan heeft
Zo veel beroepen, hoe kun je daar ooit uit kiezen? Juf Lieselot weet een oplossing: ze stuurt haar klas op interview naar mensen met heel verschillende beroepen. Zo komen de kinderen er alles over te weten!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Stijn Claes Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.