Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 3 - N3 – GIFT

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

GIFT! Frank Pollet

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

3


GIFT!

1


Sinds enkele weken noem ik mezelf een tuinier. Een tuiniertje zou beter zijn, want ik tuinier in het klein. Enkele maanden geleden deed mijn papa mee aan een wedstrijd. Hij had mailtjes gekregen van de krant. Als je kon raden hoeveel voetballers er het laatste seizoen tijdens een wedstrijd in een andere voetballer zijn gezicht hadden gespuwd, maakte je kans op een paar schoenen van een Italiaans merk. Mijn papa houdt van schoenen én van voetbal (van spuwen, dat denk ik niet), dat kwam dus mooi uit. Dat van die voetballers wist hij meteen. Dus was hij ogenblikkelijk laaiend enthousiast1. Maar er bleek ook nog een schiftingsvraag2 aan vast te hangen. Die was hoogst origineel: hoeveel goede antwoorden zou de krant ontvangen op de dag dat de wedstrijd afsloot. Papa vloekte nogal toen hij merkte dat er een belachelijke schiftingsvraag was. Maar hij deed toch mee.

2


3


Twee dagen later las hij de namen van de winnaars. ‘Shit, shit, shit!’ riep hij. Er vielen speekseldruppels op de krant. We wisten meteen dat hij geen Italiaanse schoenen gewonnen had. Enkele dagen later sleurde een zwarte man met een vrachtwagen een groot pak tot bij de voordeur. De man belde aan. Hij mompelde iets en maakte papa duidelijk dat hij zijn handtekening op een toestelletje moest schrijven. Papa bekeek eerst even het pak, zag de naam van de krant, en zette snel zijn handtekening. De zwarte man knikte, spurtte naar de vrachtwagen en scheurde de straat uit. Ik moest papa helpen het pak naar de woonkamer te dragen. Meteen nam papa een schaar en knipte enkele repen kleefband stuk. ‘Ze zullen zich vergist hebben,’ jubelde hij. ‘Italiaanse schoenen!’

4


Ik keek hem aan en vroeg: ‘Papa, heb jij je schoenmaat moeten doorgeven?’ Ogenblikkelijk stopte papa met uitpakken. ‘Daar zeg je nog wat,’ bromde hij. Toen er heel wat papier en karton in de woonkamer lag, konden we zien wat er in het pak zat: houten planken. ‘Vast verkeerd geleverd,’ zuchtte papa. Hij controleerde het etiket waarop de bestemmeling stond. ‘Hm, het staat op mijn naam,’ mompelde hij tegen zichzelf. Toen we alles uit de verpakking hadden gehaald, konden we eindelijk zien wat er in het pak zat: een vierkante meter moestuin. ‘Verdorie, ’t is niet waar! Nu moet ik straks nog beginnen te tuinieren!’ sakkerde3 papa. ‘Als je mama dat ziet, dan weet ik hoe laat het is. Dan moet ik potgrond4 en plantgoed gaan kopen, ik ken je mama. Mooie troostprijs is dit! Had ik maar niks ontvangen! Had ik maar niet deelgenomen!’

5


Plotseling keek hij mij aan. ‘Lode, wat zou je ervan denken ...’ ‘Nee, papa, ik hoef je Italiaanse schoenen niet.’ ‘Maar ...’ Papa zuchtte: ‘Je hebt gelijk. Het is mijn en niet jouw schuld. Maar wat moet ik nu in ’s hemelsnaam met een vierkante meter moestuin. Of beter: met wat planken waarmee je zo’n ... zo’n ... hoop ellende in elkaar kunt draaien. Er zijn mensen die daar dan nog geld aan uitgeven! Dat snap ik niet: willen betalen om te moeten beginnen zo’n bak in elkaar te vijzen en er mottige grond in te steken. Om te zwijgen van de ritjes naar de winkel om daar zielig plantgoed te kopen. En dan heb ik het nog niet gehad over het besproeien als er te weinig regen valt. Dan vermeld ik het domme onkruid wieden5 niet. En uiteindelijk, wat komt er uit zo’n bak tevoorschijn?’ ‘Groenten,’ zei ik.

6


‘Juist ja, groenten die je in de winkel ook kunt kopen. Da’s toch oneindig veel makkelijker! En je hebt gegarandeerd meer keus!’ Ik dacht na: misschien zou ik het wel leuk vinden om groenten te kweken? Ik had zoiets nooit eerder geprobeerd, er zelfs nog niet aan gedacht. Maar met je eigen handen zo’n bak in elkaar schroeven, zelf zaaien en planten ... Opeens leek het me nog zo kwaad niet. ‘Weet je wat?’ ging papa onverstoorbaar door, ‘ik plaats die stomme bak op een zoekertjessite. Er is vast wel een gek die er enkele euro’s voor over heeft.’ ‘Als ik hem wil, moet ik dan betalen?’ zei ik zacht. ‘Jij? Daarnet wilde je hem toch niet hebben?’ Ik knikte en fluisterde: ‘Ik heb me bedacht. Denk ik.’

7


Zo’n vierkante meter tuin in elkaar steken, da’s echt niet makkelijk. Gelukkig heeft onze buurman een elektrische schroevendraaier, en mocht ik hem gebruiken. De schroevendraaier, niet de buurman, natuurlijk. Hoewel ik de man af en toe wel goede raad had kunnen vragen, want de handleiding voor de montage van die bak vond ik bijzonder onduidelijk. Al geef ik toe dat ik niet van de handigste ben. Maar goed, de bak leek op een bak, en ik had niet één schroefje over! Toen mama vernam dat ik een moestuin wilde beginnen, was ze ogenblikkelijk enthousiast. ‘Dat is héél goed, jongen. Ik plaats nu al een bestelling: wanneer zul je radijsjes, sla en worteltjes leveren? En ga je ook kruiden planten of zaaien? Welke? Bieslook? Basilicum? Munt?’ Op geen enkele vraag kon ik een antwoord geven. Ik mompelde dat ik eerst potgrond nodig had, en plantgoed en zaad. Mama knikte uitgelaten. Ze wilde onmiddellijk naar het tuincentrum. ‘Misschien moet ik eerst eens wat dingen opzoeken?’ probeerde ik. ‘Nee hoor, gewoon vragen bij het tuincentrum!’ zei mama beslist. ‘Kom, we zijn weg voordat de winkel sluit!’ Een uurtje later stonden we weer thuis met zeven zakken potgrond, een doos vol plantjes en vijf zakjes zaad. Nog even, en ik mocht mezelf een tuinier noemen!

8


9


Ik wist niet dat tuinieren zo plezierig was. Mijn houten vierkantemeterbak vulde ik netjes op met een mengeling van potgrond en gewone aarde. Enkele dagen en heel wat regenbuien later begon ik met zaaien en planten. Ik had alles op het internet opgezocht. Het moest lukken! Tuinieren maakte me op school niet meteen stoer of populair. Toen ik aan mijn goede vriend Davy vertelde dat ik moestuinierde, schoot die keihard in de lach. ‘Komaan, Lode, tuinieren? Een moestuintje? Jongen, je méént het?!’ Ik knikte. ‘Gats, Lode, dat is echt iets voor ... voor ... gepensioneerden!’ Natuurlijk had Jeroen het gehoord. Jeroen bestaat uit twee onderdelen: een groot oor en een grote mond. En als Jeroen iets weet, dan weet de hele school het. Zo ook dat ik tuinierde. Bijgevolg kwamen vele jongens mij vragen of ik al eiken en beuken had gekweekt. Of we thuis alleen nog onkruid aten. Of ik al klaprozen had, ‘want die groeien op elke puinhoop!’ Gerrit uit de andere klas kwam me zelfs vragen of ik een wietplantage was begonnen. Eerst deed ik alsof ik die opmerkingen leuk vond. Maar op den duur vond ik het niet meer zo fijn. Elke dag dezelfde domme grappen, pft. Op een dag was ik het zo beu dat ik op de speelplaats zei: ‘Jullie zullen niet blijven lachen. Volgende week breng ik voor iedereen van de klas een radijs mee. Goed?’ Davy lachte: ‘Voor iedereen één radijs. Héb je wel twintig radijzen in je stomme bak, Lode? Of ga je die radijzen dan bij je groenteboer kopen?’ Even was ik sprakeloos. Toen zei ik: ‘Geen probleem, Davy. Ik laat je weten wanneer ze groot genoeg zijn en dan kom jij voor schooltijd bij mij langs. Dan kun jij ze met je eigen handen uit mijn bak trekken. Wat denk je daarvan?’ 10


Davy zweeg. De omstanders lachten. Davy keek beteuterd. Toen glimlachte hij vals en zei: ‘Ik durf te wedden dat jij de dag voordien radijzen gaat kopen en die dan in je bak stopt.’ Vreemd genoeg was het Jeroen die in mijn plaats reageerde: ‘Zelfs een blinde kan zien of een radijs in die grond groeit, of er zomaar even in gestopt is. Flauw hoor, Davy.’ Davy lachte groen6. Ik hoopte dat hij over enkele dagen nog groener zou lachen ...

11


12


Toen ik alle benodigdheden voor mijn groentetuintje had gekocht, vond de man van het tuincentrum dat ik ook meststoffen7 nodig had. Voor mijn groentetuin, wel te verstaan. Hij raadde me een groen plastic busje aan waarin vloeibare mest zat. ‘Als je plantjes flink in de groei zijn, dan moet je wat van dit spul op je potgrond spuiten. Niet rechtstreeks op je plantjes, want dan kunnen ze verbranden.’ ‘Verbranden?’ vroeg ik spontaan. ‘Ja, maar niet zoals jij denkt,’ lachte de man. ‘Geen schrik, ze zullen niet in brand schieten. Maar het zou wel kunnen dat de wortels zo vol mest zitten, dat de plantjes het niet overleven.’ Ik keek de man blijkbaar ernstig aan, want hij schoot in de lach en zei: ‘Geen zorgen, vriend, als je doet wat ik zeg, zullen je plantjes heel goed groeien. En zullen je ouders trots op je zijn.’ In één adem noemde hij de prijs van alles wat mama en ik hadden gekocht. Toen ik thuis de groene plastic bus met meststof op het schap in de stal zette, zei mama meteen: ‘Opletten, Lode, de onkruidverdelger staat daar ook, en ook die zit in een groene bus.’

13


Toen Davy voor mijn groentetuintje stond, werd hij even stil. Alsof hij uit een kort dutje ontwaakte, zei hij plotseling: ‘Oké, waar zijn de radijzen?’ Ik keek hem strak aan. ‘Waar zijn de radijzen?’ herhaalde hij. ‘Ken je geen radijzen?’ vroeg ik spottend. ‘Natuurlijk wel. Maar waar staan ze in die ... die ... bak hier?’ Het woord ‘bak’ sprak hij uit alsof het om een of schoenendoos vol groen snot ging. ‘Voor je neus ...’ Ik vond het erg prettig dat Davy niet eens wist hoe een radijs eruitziet voor ze wordt geoogst. ‘Komaan Lode, we hebben niet de hele dag!’ Ik wees hem de radijzen aan. ‘Zijn dat ...?’ Davy keek ernaar met een vreemde blik. ‘Trek maar aan het loof8, de radijzen komen vanzelf wel mee.’ Heel voorzichtig trok Davy aan het loof. ‘Je ziet dat ik ze een tijdje geleden gezaaid heb, ze zitten vast in de grond.’ Davy knikte. Precies twintig trok hij eruit. Ik stak ze in een papieren zak. Zwijgend fietsten we naar school.

14


15


Het duurde niet lang of de halve school wist van de radijzen. Een aantal kinderen van andere klassen kwam mij vragen of ik er ook voor hen eentje had meegenomen. ‘Nee, zoveel radijzen heb ik nu ook weer niet,’ zei ik. ‘Misschien moet je gewoon zelf zaad kopen en radijsjes zaaien ...’ In de les vroeg onze meester hoe het met mijn radijzen stond. ‘Ik heb vernomen dat je een moestuinier bent, Lode.’ Ik voelde mijn hoofd rood aanlopen. ‘En dat je radijsjes kweekt ...’ Ik knikte. Met mijn rode kop. Ik dacht aan tomaten, maar mijn meester stelde vragen over radijzen. Ook rood, natuurlijk. ‘En dat je voor al je klasgenoten een bewijs van je kunnen hebt meegebracht ...’ Weer knikte ik. Met nog steeds diezelfde radijzenkop. ‘Hmja, tof, heel tof. Alleen vind ik het niet zo tof dat je niet aan mij gedacht hebt!’ Shit, inderdaad, ik had aan iedereen gedacht, behalve aan de meester. Ik wilde me excuseren, maar remde die gedachte af met een beter idee: als ik nu eens mijn eigen radijsje aan de meester gaf? ‘Meester, dat heb je verkeerd voor. Ik heb twintig exemplaren mee, maar natuurlijk geen voor mezelf. Ik weet echt wel hoe mijn eigen radijsjes smaken ...’

16


De meester lachte. ‘Grapje hoor, Lode.’ ‘Nee serieus, meester, straks zal ik het loof eraf doen en ze spoelen. Is dat goed?’ Even voor twaalven aten mijn negentien medeleerlingen én mijn meester van mijn radijsjes. Ze vonden het lekker en pikant. Ik vond dat verdacht.

17


Die ochtend kom ik op de speelplaats en merk het meteen: er is niemand van mijn klas. Hoe en waar ik ook kijk, ik zie geen enkele klasgenoot. Ook onze meester is niet te bespeuren. Ik begin te panikeren: ben ik iets vergeten? Misschien moeten we vandaag vroeger op school zijn voor een studieuitstap? Ik graaf koortsachtig9 in mijn geheugen. Maar hoe ik ook nadenk, ik kan me echt niet herinneren dat er iets over een uitstap gezegd is. Nerveus haal ik mijn agenda uit mijn rugzak. Kijk op vandaag, blader terug. Niks, niks, niks. Niks dat erop wijst dat ik iets uit het oog verloren ben. Ik voel het zweet op mijn voorhoofd parelen. Aan een meisje uit het vijfde vraag ik of zij al iemand van mijn klas heeft gezien. ‘Nee, waarom?’ ‘Ach niks, dank je wel.’ De bel rinkelt. Ik kan niet echt uitleggen waarom, maar ik heb schrik. Ofwel is er met mij iets aan de hand. Ofwel scheelt er iets met alle anderen. Ik heb alleszins een vreemd voorgevoel. Er is iets aan de hand. Drie juffen komen, druk babbelend, naar buiten gewandeld. Daarna stappen nog een juf en een meester naar buiten. Daarna volgen alle andere juffen en meesters. Ik kijk en kijk, maar onze meester is er niet bij.

18


19


Wat moet ik nu doen? Vragen waar mijn meester is? En waar mijn klasgenoten zijn? Even denk ik: komaan, stap op een juf af en vraag het. Maar ik durf niet. Stel je voor dat ik van iets belangrijks op de hoogte moet zijn. Wat zullen ze dan zeggen? Ik moet het op een andere manier te weten komen. Maar hoe? Ik besluit me gauwgauw in het toilet te verstoppen. Daar kan ik rustig wachten tot de hele speelplaats leeg is. Wanneer ik in een toilethokje sta, kan ik wel huilen. Wat is er gebeurd dat ik hier nu helemaal alleen sta te wachten tot iedereen naar binnen gegaan is? Ik voel me heel lullig. De tranen staan in mijn ogen. ‘Kom op, man,’ zeg ik hardop tegen mezelf. Ik schrik van mijn eigen stemgeluid dat vreemd en hard klinkt in het wc-hokje. Ik luister scherp of er niet toevallig nog iemand in het toilet staat. Als dat zo is, ben ik de pineut. Nee. Er klinkt alleen het geroezemoes van de kinderen van mijn school. En dat geroezemoes verzwakt geleidelijk tot het uiteindelijk helemaal uitgestorven is. Ik besluit dat ik nu de wc kan verlaten.

20


De speelplaats is leeg, op een paar spelende mussen na. Ik zet een klein spurtje in, naar de gang waar de deur van onze klas zich bevindt. Daar wacht ik even, kijk en luister. Niemand te horen. Niemand te zien. Op de toppen van mijn tenen sluip ik zo geruisloos mogelijk door de gang naar de deur van mijn klas. Als er nu een deur opengaat, heb ik een probleem. Een groot probleem. Maar ik moet nu doorgaan, ik heb geen andere keuze meer. Wanneer ik eindelijk voor de deur van mijn klas sta, en mijn hand op de deurkruk leg, merk ik dat mijn hand trilt. Heel erg trilt. Ik neem mijn hand weg en duw mijn rechteroor tegen de deur. Ik luister. Ik hoor niks. Helemaal niks. Opnieuw leg ik mijn trillende hand op de deurkruk. Ik duw zachtjes en probeer de deur te openen. Het lukt. Ik zie hoe mijn hand heftig trilt op de kruk. Langzaam, héél langzaam duw ik de deur verder open. Ik zie een deel van een kast, van een bank, van een stoel. Ik voel hoe mijn hart heftig slaat. Ik zie ... iemand op de grond liggen. Ik duw de deur verder open. Zie nog iemand op de grond liggen. Mijn hart bonkt in mijn keel. Iemand anders - ik kan niet zien wie - ligt met haar hoofd op de bank.

21


Dan duw ik fors de deur helemaal open. Wat ik zie, doet mijn hart overslaan. Al mijn klasgenoten én de meester liggen op de grond, op hun bank ... Een aantal van hen heeft moeten overgeven. Groen slijm zit overal. Ik weet niet meer hoe ik het heb. Ik voel me misselijk. Het is allemaal mijn schuld. Ik schreeuw.

22


‘Nééééééééééééééééé!!’ Ik sloeg mijn handen voor mijn mond, alsof ik mijn eigen stemgeluid wilde dempen10. ‘Lode!’ Ik sloot mijn ogen en fluisterde ‘Sorry ...’ ‘Geeft niks, maar je deed ons schrikken.’ Ik zag hoe een druppel zweet op mijn boek viel. ‘Wat scheelt eraan, vriend?’ De meester kwam op me toe en wreef door mijn haar. ‘Ik ... ik ... ik ... dacht dat het door die radijzen kwam... Dat ik de verkeerde groene bus had gebruikt. Ik was de enige die er niet van gegeten had, en ik leefde dus nog, maar jullie ... jullie waren allemaal ...’ Ik slikte. ‘Als je het boek te spannend vindt, dan mag je stoppen en een ander kiezen, hoor. Enne, wat die radijzen betreft: ze waren lekker. Héél lekker. En Davy en Jeroen hebben al gezegd dat ze zo’n klein tuintje zelf ook wel zien zitten. We zijn allemaal onder de indruk van jouw oogst, vriend.’ Ik knikte. Ik leek wel helemaal versuft. De werkelijkheid drong nog niet echt tot mij door. Meester Werner ging vooraan in de klas staan en lachte: ‘Nog een paar minuutjes en we mogen naar huis. Ruim alles netjes op. Het boek uit de klasbibliotheek dat je aan het lezen was, stop je maar weer in je bank.’ Ik bekeek het boek dat voor me lag, klapte het dicht en las de titel: ‘Gift!’

23


Woorduitleg 1 2

laaiend enthousiast = heel erg enthousiast schiftingsvraag = lastige vraag waarbij je meestal een cijfer moet raden (bv. aantal deelnemers) 3 sakkeren = vloeken 4 potgrond = aarde voor planten 5 onkruid wieden = onkruid weghalen 6 groen lachen = niet gemeend lachen 7 meststof = stof die de groei van planten versnelt 8 loof = groene bladeren (aan bv. een radijs) 9 koortsachtig = haastig en onrustig 10 dempen = verzachten

24


De papa van Lode doet mee aan een belachelijke wedstrijd in de krant en maakt kans op een paar schoenen van een duur Italiaans merk. Lodes papa wint. Maar niet wat hij verwacht heeft. Lode krijgt papa’s prijs. Maar of hij er ook blij mee mag zijn?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Gitte Vancoillie Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook