Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 7 - Thema 3 - N1 - Tover mij een letterland

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Tover mij een letterland Stijn Moekaars

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

7


Tover mij een letterland

1


Tover mij een letterland, een kleine tintelbron, met lieve zoete woordjes. En als het even kon dan toverde ik een hemelboog en zinnen aan wat koordjes. Ik scheur en knip ze allemaal in stukjes en in beetjes. Dan lijm ik alles aan elkaar met streepjes en met weetjes over spiegels en paleizen en golvend engelenhaar. Luister naar mijn nieuwe verhaal van zon en dag of maan en nacht, van wollen wolken, superzacht over springen, lentedingen. Kom maar binnen, we gaan beginnen ...

2


Woelewoorden Ik zwem in een zee van zesentwintig letters, tussen woelewoorden in met spitterende spetters, duiken in een zin. Ze dansen in mijn hand, langs eilanden met zingend zand, vol spannende verhalen. Doe je zwemboek aan! Je mag ze zomaar komen halen!

3


Morse Klim maar naar boven, langs de knopen van het touw. Je moet me geloven, klim maar gauw. Tel de knopen en je weet hoe de knopenklimmer heet. Tik het zachtjes, of ben je bang? Twee keer kort . . dan lang kort lang _ . _ Dan doe ik open. Ik heb geen schrik! Want jij tikte net dit fijne woordje: ik.

4


5


Herrie met de merrie Het circuspaard hinnikte, het circuspaard grinnikte: ‘Weet je wat? Ik ben het zat. Ik galoppeer niet meer. Ik kan het niet meer houden. Ik ben toch zo verkouden. Gedaan met die herrie, een nieuwe act voor deze merrie! Ik neem ze allemaal te grazen. Vanaf nu ga ik snotbelblazen.’

6


Visvandaal Er was eens een blik sardienen. Ze lagen erin met z’n tienen, een beetje vrolijk, een beetje in de olie. Het was er donker en heel knus dus zongen die tien sardienen over koffie zonder cafeïne, over een chocoladepraline een blondine in een kantine over een haaienmachine en een zoute sardienenkus. Tot ik het open deed, dat sardineblikje. Wat waren ze boos, die tien, A ja, van zoveel licht schrik je. Dat kon je aan hun sardienenoogjes wel zien.

7


Ze knipperden en wipperden Ze stuiterden en fluiterden en riepen samen in koor, allemaal: ‘Laat ons gerust, jij visvandaal! Ga iemand anders opeten, hoor!’ Ik heb vlug het sardineblikje dicht gedaan en eet nu een witte boterham met banaan. O ja, de banaan heeft dit grote voordeel: Die zegt tenminste niet zoveel.

8


Op muizenpootjes Er waren eens twee muisjes. Ze zaten in hun holletje. De ene was wat dunnetjes, de andere precies een bolletje. ‘Ik heb honger,’ zei de ene. ‘Ik heb honger als een leeuw.’ ‘En ik ben nog moe,’ zei de ander met een geeuw. ‘Allez vooruit,’ zei de ene. ‘Kom mee op zoek, naar een lekker stukje kaas, een stukje worst of, hmm, koek!’ ‘Het is veel te gevaarlijk,’ fluisterde de andere muis. ‘Wist je ‘t niet, maar hier woont een gevaarlijke ... zwarte ... kat in huis.’

9


‘Gevaarlijke kat, ja, ja, Jij maakt mij echt niet bang. Voordat dat katje mij ziet, ben ik weg, foetsjie, al lang.’ Daar ging de dikke muis op muizenpootjes op avontuur. ‘O nee, o nee,’ zei de dunne muis. Hij was duidelijk wat overstuur. Dunne muis stond op de uitkijk. Hij wachtte op zijn maat. ‘Waar blijft hij toch, straks is het écht te laat?’ Opeens kwam daar, vliegensvlug, dikke muis aangerend met achter hem aan, de zwarte kater wild en woest en ongetemd. ‘Pas op, hier, vlug, vlug ja, ja, je bent bijna thuis.’

10


En hup en zwiep, daar gleed de dikke muis het kleine holletje naar binnen. Hij hijgde en pufte. ‘Amai, dat was net op tijd, anders was jij, beste muis, je beste vriendje kwijt. Ik blijf maar even hier. Daarbuiten is het niet plezant. Ik knabbel nog wat korstjes, al zijn die een beetje zwart verbrand.’

11


Ezel aan een draadje Dag ezel aan een draadje, jij danst hier in een straatje van de grote, grote stad. Dag ezel aan een draadje, jij danst hier met je maatje in de regen spetter spat. Wil jij liever zonder draadje huppen langs dit paadje en het groene groene gras? Wil je liever zonder draadje? Goed, goed en ik laat je springen in de regenplas. Ach ezel, zonder draadje, daar lig je zonder praatje zo stilletjes aan de kant. Mijn ezel zonder draadje is geen acrobaatje. Wat is er aan de hand?

12


Mijn ezel wil een draadje van zijn grote grootste maatje. Want als hij aan ‘n draadje swingt en daarbij dit liedje zingt, dan danst er in dit straatje het allerliefste zomerkind.

13


Naar Timboektoe toe Hé, grote walvis! Waar ga jij naartoe? Ga jij ook toevallig naar Timboektoe toe? Hé, dat treft, ik moet er strakjes heen. Als je wilt vertrek ‘k meteen. Er is een feestje van de haai, die trouwt met Jeanne, de papegaai. Er zijn zeewierkoekjes, lekk’re nootjes en zeker abrikozenvlaai.

Hé, grote walvis! Mag ik mee? ’t Is gezelliger met twee! Je hebt gelijk, spring maar achterop.

14


Daar gaan we dan, hop, hop. Door de golven gaan we klieven, over hoge golven vliegen. Langs de kust van Afrika, dan voorbij Amerika. ’t Is een heel gedoe tot aan Timboektoe toe!

15


Dino ‘’t Is toch geen toeval,’ zei de Tyrannosaurus Rex, ‘’t is te zeggen, hoe taal zo tof kan toveren.’ ‘Kom eens kijken,’ zei de krokodil. ‘Hier kan je compleet kierewiet kakelen.’ ‘Wat een toffe taal,’ trompetterde de toekan. ‘’t Is toch echt geen toeval meer, niet dan?’ Dikke Dino zei toen beteuterd: ‘Ik weet het niet zo goed. Ik heb het niet écht begrepen.’ ‘Wat een wonderlijk wervelend verhaal,’ zei de walvis. ‘Dat is wel werkelijk welgekomen.’ ‘Laat me eens lekker luid lachen,’ zei de leeuw en lui liet de leeuw zijn leeuwin luidop lezen. ‘Boven op bonkige bergen,’ bromde Bruin De Beer, ‘ben ik zo blij en belezen bovendien.’

16


Dikke Dino zei toen beteuterd: ‘Ik weet het nog steeds niet. Ik voel me wat ... euh ... prehistorisch.’ ‘Maar morgen moet dat lukken,’ zei de marmot. ‘Met meer moeite misschien?’ ‘Doe maar lekker langzaamaan,’ zei de luiaard. ‘Laat je lekker glijden en luister.’ ‘Zet je zo maar zalig neer,’ zei de zebra. ‘Zo zal je het zeker zonder zorgen horen.’ ‘Denk je dat?’ zei Dikke Dino.

17


Zonder knuffel Zonder knuffel, zonder knuffel gaat het niet, gaat het niet. Zonder knuffel, zonder knuffel heb ik zo’n verdriet, zo’n verdriet. Beer moet liggen naast mijn kussen en dan kom ikzelf ertussen. Aan mijn and’re oor ligt lekker fris mijn dibber dobber knuffelvis. Zonder knuffel, zonder knuffel gaat het niet, gaat het niet. Zonder knuffel, zonder knuffel heb ik zo’n verdriet, zo’n verdriet.

18


Aan het voeteind van mijn bed zit een clown met binnenpret. Verder nog zes krokodillen zeven uilen die niet slapen willen. Zonder knuffel, zonder knuffel gaat het niet, gaat het niet. Zonder knuffel, zonder knuffel heb ik zo’n verdriet, zoals je ziet.

19


Herfst Ik dacht aan herfst en vond het bos met dekens vol van kleur. Ik wil erin gaan dansen, snuiven aan de warme geur. Ik dacht aan herfst en vond de tuin met regendruppels aan het gras late muggen zoemden zacht, dromend dat het zomer was. Ik dacht aan herfst en dacht aan jou met wollen wanten aan een sjaal met honderd zoenen op, mag ik dicht bij jou gaan staan?

20


Bij de tandarts Stoel omlaag, stoel omhoog oeps, fel licht in mijn oog even knipperen, mondje open zonder gaatjes, ’t is te hopen laat eens kijken, ai, wa’s dat in mijn tand daar zit een gat ik moet zuchten, ’t is niet waar een klein prikje ... klaar. Even peuteren, even keuteren beetje bang, van de tang met gewrik, krak krok krik één en twee, tandje huppekee dag mijnheer, dat was het weer. Dat wasj sjnel, dank je wel hela, dat isj gek, zo’n spjaakgebjek.

21


22


Astronaut Tom Dag astronaut Tom, tussen verre sterren zwaai jij telkens ‘kom’ maar ik kom nog niet, het klinkt een beetje stom: ik wil, zoals je ziet, geen laatste reis, daarom dag astronaut Tom, hier op de aardbol zijn mijn dagen overvol ik kom nog niet, ik ben nog wat belet maar ‘k heb alvast de taart in mijn raket gezet dag astronaut Tom, zoek maar gauw een stek, een blinkende blauwe plek voor jou en één voor mij ik kom naar die planeet. Mijn beste vriend, jij weet dat ik je nooit vergeet.

23


Elke dag een klein verhaal ‘Pluk de lach,’ zei de clown en hij buitelde onder de appelboom door het gras, de helling af en zo pardoes in mijn droom. ‘De beste vuurlui staan aan wal,’ zei de brandweerman en hij kwam met de brandweerslang, de ladder op boven de stad Vurendam. ‘Hoge dromen vangen veel wind,’ zei de houthakker met zijn bijl bij de boom waaronder hij in slaap viel onder zeil. ‘Elke dag een klein verhaal!’ Dat is wat ik je zeg, dat houdt je lekker warm en ver van enge ziektes weg.

24


Luister naar mijn nieuwe verhaal van zon en dag of maan en nacht, van wollen wolken, superzacht over springen, lentedingen. Kom maar binnen, we gaan beginnen ...

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Pieter Van Eenoge Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 7 - Thema 3 - N1 - Tover mij een letterland by die Keure - Issuu