ucatieve uitgaven
BIEB
De grote brave wolf Ron Langenus
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
5
De grote brave wolf
1
1
Rata
De grote brave wolf stond aan de rand van het bos. ‘Het is een groot bos,’ zei hij. De grote brave wolf praatte altijd luid als hij bang was. ‘Dit bos is groot en donker. En het zijn rare bomen.’ De bomen van het bos leken allemaal dood, maar dat waren ze niet. Het waren olijfbomen. Olijfbomen worden heel traag heel oud. Ze hebben vaak rare vormen: een gebarsten dino, een ontplofte krokodil, drie babydraken die bij een spelletje Twister1 in één grote knoop geraakt zijn ... Er kwam een kleine rat naast de grote brave wolf staan.
2
‘Ga je het bos in?’ vroeg de rat. ‘Ja,’ antwoordde de wolf, ‘maar ik ben bang.’ ‘Dat moet je niet hardop zeggen,’ zei de rat. ‘Dan weet iedereen het.’ ‘Dat weet ik,’ zei de wolf. ‘Maar ik kan er niets aan doen.’ ‘Je bent bang, maar je gaat toch het bos in?’ ‘Ja,’ zei de wolf. ‘Dat is flink,’ zei de rat. ‘Bang zijn maar toch doorgaan. Dat is dapper. Jij bent een knappe wolf.’ De grote brave wolf voelde zich niet dapper, maar hij was blij dat de rat hem knap noemde. ‘Ik hoop maar dat ik het daar kan vinden,’ zei hij. ‘Je bent dus op zoek naar iets?’ ‘Al heel lang,’ zei de wolf. ‘Wat zoek je?’ ‘Dat weet ik niet, daarom is het ook zo moeilijk om het te vinden, begrijp je?’ ‘Neen,’ zei de rat. ‘Dat begrijp ik niet. Maar dat komt doordat Rata maar een kleine rat is en jij een grote knappe wolf bent.’
3
2
Mono
Mono, de aap, slingerde door het bos. Het is moeilijk om van olijfboom naar olijfboom te slingeren. In een oerwoud gaat dat makkelijker, maar Mono was een vrolijke aap en hij kon slingeren als een wasmachine. Kijk, een wolf, dacht Mono bij zichzelf. Het is een grote. Hij sluipt door het bos. Zijn kop zwaait van links naar rechts. Hij kijkt goed uit. Hij is hier nog nooit geweest. Hij is bang. Haha! Mono was niet de enige die naar de grote brave wolf keek. Twee gele ogen, schitterend als gele sterren, keken ook naar de wolf, en naar Mono. ‘Au!’ riep de grote brave wolf. ‘Haha!’ lachte Mono. ‘Daar had ik je! Ik trok aan je staart en jij schrok je een aap. Haha!’ De tranen stonden de grote brave wolf in de ogen, zo veel pijn had Mono hem gedaan door hard aan zijn staart te trekken.
4
Hij draaide zich om en keek in de bruine ogen van Mono. ‘Waarom deed je dat?’ snikte de grote brave wolf. ‘Het was een grap! Ik wilde je vrolijk maken. Ik wilde je horen lachen!’ ‘Je wilde me vrolijk maken door aan mijn staart te trekken?’ Mono danste van de ene hand op de andere. Hij had er vier.
‘Ja! Dat is toch grappig! Hoe je au riep. Zo luid! We moeten samen blijven, jij en ik.
5
Dan graaf ik een kuil voor jou, om in te vallen. Ik breng je heel erg aan het schrikken. Als je slaapt, dan zet ik een spin op je neus. En…’ ‘Ik kan niet bij jou blijven,’ zei de wolf vlug. ‘Ik moet verder zoeken.’ Mono stopte met dansen. Hij keek sip. ‘Waarom nu? Iedereen is op zoek naar lachen en pret maken. Blijf bij mij. Blijf bij Mono. Samen lachen we de wereld af. We lachen de hele dag. Dat wil toch iedereen?’ ‘Neen,’ zei de wolf. ‘Ik weet niet wat ik zoek, maar dat is het niet. Ik vind gemeen niet grappig en uitlachen is niet echt lachen.’ Nu werd Mono boos. ‘Weet je wat jij bent? Jij bent een sufferd. Jij bent geen echte wolf. Ik zal eens flink aan je oren te trekken.’ Mono strekte zijn sterke armen en greep de grote brave wolf bij de oren. ‘Niet doen,’ zei de grote brave wolf. ‘Iemand pijn doen is ook niet grappig.’ ‘Wel doen!’ riep Mono. ‘Ik vind het wel grappig!’
6
De grote brave wolf kneep bang zijn ogen dicht. ‘Haha!’ lachte Mono. Maar toen zag hij in het donker, achter de grote brave wolf, tussen twee olijfbomen, twee gele ogen, schitterend als gele sterren. Mono schrok.
3
Dilla
Toen de grote brave wolf zijn ogen weer open deed, was de aap verdwenen. ‘Mono is weg,’ zei de wolf luid. ‘Hij heeft niet aan mijn oren getrokken. Dat vind ik aardig van hem.’ De grote brave wolf liep verder het bos in. Hij kon niet ver zien, want de olijfbomen stonden steeds dichter bij elkaar. Overal klonken rare geluiden. De wolf had goede oren. ‘Ik hou van je,’ hoorde hij plots in zijn linkeroor. De wolf schudde met zijn kop. Een pad viel voor hem op de grond. ‘Oei!’ schrok de wolf. ‘Het spijt me, pad. Ik wist niet dat je op mijn kop zat. Heb je je pijn gedaan?’
7
De grote brave wolf gaf de pad een duwtje met zijn snuit, zodat ze niet meer op haar rug lag. ‘Gaat het?’ ‘Het gaat,’ zei de pad. ‘Dilla is de naam. Ik heb je met Mono horen praten, grote mooie wolf. Ik kan je helpen.’ ‘O ja?’ zei de wolf.
‘Ja. Zeker. Ja, ja, ja. Je hoeft niet langer te zoeken, want je hebt me gevonden. Wees niet langer bang, want ik hou van je. Ik hou heel veel van je. Jij bent mijn vliegje, mijn mugje, mijn liefste zoetje.’ ‘Ben ik dat allemaal?’ vroeg de wolf.
8
‘En nog veel meer,’ zei Dilla. ‘Jij en ik voor altijd en altijd. Voel je het al?’ De wolf keek in de gouden ogen van de pad, maar hij zag het niet. Hij voelde het niet. ‘Het spijt me, Dilla. Bij jou blijven is niet wat ik zoek.’ ‘Ik zorg voor je, wolf. Jij hoeft niets te doen. Dat wil toch iedereen? Niets doen. Alles krijgen. Ik zal voor jou elke dag 100 muggen en 50 vliegen vangen. Wat denk je daarvan?’ ‘Ik wil je geen pijn doen, Dilla, maar …’ ‘Doe me dan geen pijn,’ zei Dilla. ‘Blijf bij mij. Ik moet voor iemand zorgen. Dat moet ik echt. Wat denk je van 101 muggen en 51 vliegen?’ ‘Het spijt me echt,’ zei de grote brave wolf. ‘Dat zijn heel veel muggen en vliegen, maar …’ ‘Ach, laat maar,’ zuchtte de pad. ‘Niemand houdt van mij. Het is al lang zo.’ ‘Dat komt doordat je zo lelijk bent,’ kraste2 een lelijke stem. De grote brave wolf en Dilla keken omhoog. Twee gele ogen, schitterend als gele sterren, keken ook omhoog.
9
4
Loro
Boven in een olijfboom zat Loro, de papegaai. Hij keek brutaal naar beneden, naar de grote brave wolf en naar Dilla, de pad. Dilla had tranen in haar ogen, maar daar trok Loro zich niets van aan. ‘Kijk naar mij, sukkels,’ zei Loro. ‘Kijk naar Loro. Kijk maar eens goed.’ Loro was mooi. Hij blonk in de zon. Hij had prachtige rode veren. In zijn vleugels zaten er nog gele en blauwe en zwarte.
10
‘Kijk naar mij, lelijke pad en domme wolf,’ zei Loro. ‘Ik ben een lekker ding, al zeg ik het zelf. Ik ben een knapperd. Ik ben een kanjer!’ ‘Wat is hij mooi,’ zuchtte Dilla. ‘Ik zou graag voor hem zorgen.’ Loro vloog naar een andere olijfboom. ‘Hij is een rode engel,’ zei Dilla. ‘Zag je hem vliegen, wolf?’ De grote brave wolf zei niets. ‘Wel, kom op,’ zei Loro. ‘Geef mij punten. Hoeveel?’ ‘Tien op tien,’ riep Dilla. ‘Jij bent de mooiste van de wereld.’ ‘Juist,’ zei Loro. ‘Goed zo, lelijke pad. Je hebt gelijk. Iedereen wil mooi zijn. Zo mooi als ik. Maar dat gaat niet. Want ik ben de mooiste. De mooiste van de wereld. Dat heb je goed gezegd. En jij, wolf, wat zeg jij?’ ‘Wat zijn punten?’ vroeg de wolf. De kraalogen3 van Loro werden een beetje groter. Hij vloog een tak lager. Hij zat nu vlak boven de zwarte kop van de grote brave wolf.
11
‘Weet (tik) jij (tik) niet (tik) wat (tik) punten (tik) zijn, (tik) domme (tik) wolf (tik)?’ Telkens als Loro een woord zei, gaf hij de wolf met zijn snavel een tik op zijn kop. ‘Au! Au! Au! Au! Au! Au! Au! Au!’ zei de wolf. ‘Ik weet dat iemand pijn doen niet mooi is, Loro. Maar ik weet niet wat punten zijn. En ik weet niet wat dom is.’ ‘Niet zeggen,’ fluisterde Dilla. ‘Nu weet iedereen het.’ Maar het was te laat. Loro lachte luid. ‘Haha! Dom! Jij bent zo dom dat je zelfs niet weet wat dom is!’ Loro moest zo hard lachen dat hij nu ondersteboven aan de tak hing waar hij eerst op zat. Daardoor keek hij plots in twee gele ogen, schitterend als gele sterren.
12
Loro schrok. Hij liet los en tuimelde naar beneden. Hij kwam met zijn staart klem te zitten tussen de onderste tak en de stam van de olijfboom. Loro lachte niet meer. ‘Help mij!’ krijste hij. ‘Ik zit klem.’ Dilla wou graag helpen, maar zelfs de laagste tak was te hoog voor haar. De grote brave wolf deed zijn best. Hij had vier poten en gebruikte de voorste twee om Loro los te peuteren. ‘Au! Au! Au! Au! Au! Au! Au! Au!’ zei Loro. ‘Kijk toch uit, domme wolf!’ ‘Je bent los!’ zei de wolf. De mooie papegaai viel op de grond. Zijn acht staartveren vielen om hem heen. Loro krabbelde overeind. ‘Mijn staart!’ krijste hij. ‘Ik ben mijn mooie staart kwijt!’ ‘Het spijt me,’ zei de wolf. ‘Het zal je spijten,’ zei Loro. ‘Ik heb vrienden. Grote vrienden. Veel groter dan jij. Wacht maar, lelijke wolf!’
13
Loro stapte weg. Hij verdween tussen de olijfbomen. ‘Hij is boos,’ zei Dilla. ‘Hij is weg. En jij gaat natuurlijk ook weg. Ik blijf alleen achter. Niemand houdt van mij.’ ‘Dat mag je niet zeggen, Dilla,’ zei de grote brave wolf. ‘Er is altijd ten minste één iemand die van je houdt, altijd.’ ‘Zo is dat,’ zei een stem. Rata, de kleine rat, kwam tevoorschijn. Hij veegde de acht rode veren bij elkaar en ging erop zitten. ‘Zo, hier zit ik goed,’ zei de rat. ‘Luister naar deze knappe wolf, Dilla. Die één iemand ben ik. Jij en ik horen bij elkaar. Dilla de pad en Rata de rat. Dat klinkt goed. Het is ook goed. Het is zelfs mooi.’ Dilla trilde van geluk. ‘Echt waar? Mag ik voor je zorgen? Voor altijd en altijd?’ ‘Dat mag,’ zei Rata. ‘Ik ben dol op muggen en vliegen.’ ‘Zie je wel,’ zei de grote brave wolf.
14
‘Ik zie hem,’ zei Dilla. ‘Ik zie hem zitten. Hij is de mooiste van de wereld.’ ‘Ik moet verder,’ zei de wolf. ‘Ik ben blij dat jullie elkaar gevonden hebben.’ ‘Wolf,’ zei Rata. ‘Mag ik je een goede raad geven?’ ‘Dat mag,’ zei de wolf. ‘Het bos is groot en donker, wolf. En het zijn rare bomen. Als je dieper in het bos komt, wordt het steeds donkerder. Maar in een donker bos is er altijd ergens een lichtje. Ga in de richting van dat lichtje, grote wolf.’ ‘Ik zal het proberen,’ zei de wolf. ‘Dag knapperd,’ zei Dilla. ‘Jij bent een kanjer van een wolf, vergeet dat niet.’
5
Zorro
De grote brave wolf liep traag door het bos. Twee gele ogen, schitterend als sterren, volgden hem. De wolf deed zijn best om een lichtje te vinden, maar dat lukte niet. Het werd laat.
15
‘De zon zal ondergaan,’ zei de wolf luid. ‘Dat doet ze elke dag. Vandaag vast weer.’ ‘Jij bent een slimme wolf,’ zei een mooie stem. Weet je hoe zijde4 eruitziet? Rode zijde? Zo klonk die stem: zoals rode zijde eruitziet. ‘Wie zei dat?’ riep de grote brave wolf. ‘Een vriend,’ zei de stem. ‘Wolven bijten nooit vrienden, vergeet dat niet.’ ‘Ik bijt niemand,’ zei de wolf. ‘Waarom zou ik? Bijten is niet aardig.’ ‘Juist,’ zei de stem. ‘Bijten is niet aardig. Maar een wolf moet eten, wolf. Wat eet jij zoal?’ ‘Bessen,’ zei de wolf, ‘en spruitjes.’ ‘Spruitjes!’ riep Zorro, de vos. Terwijl hij dat riep, sprong hij van achter een olijfboom tevoorschijn en landde op vier poten tegelijk voor de grote brave wolf. De twee stonden neus aan neus. De wolf keek omlaag en Zorro keek omhoog. ‘Spruitjes,’ zei Zorro nog eens. ‘Spruitjes,’ zei de wolf. ‘Lekker.’
16
‘Is dat jouw geheim, wolf?’ vroeg Zorro. ‘Heb je mij je geheim verklapt?’ ‘Ik heb geen geheimen,’ zei de wolf. ‘Iedereen mag weten dat ik graag spruitjes lust. Ik kan er wel 101 op.’ ‘Honderd en één spruitjes,’ zei Zorro. ‘Dat zijn heel veel spruitjes, wolf.’ ‘Ik hoef ze niet allemaal,’ zei de wolf vlug. ‘Ik wil best delen.’ ‘Zo,’ zei Zorro. ‘Zo zo. Jij bent een vreemde wolf.’
17
De vos kneep zijn ogen tot spleetjes en keek diep in de ogen van de wolf. ‘Weet jij wat ik ben, wolf?’ vroeg de vos traag. ‘Jij … jij bent een vos,’ zei de grote brave wolf. ‘Fout!’ zei de vos. ‘Ik ben geheimzinnig. Ik ben een dier vol geheimen. Ik kan heel geheimzinnig kijken, zie je wel?’ De grote brave wolf keek goed. Zorro had gelijk. Als hij zijn ogen tot spleetjes kneep, zag hij er geheimzinnig uit. ‘Ik zie het,’ zei de wolf. ‘Wat ben jij geheimzinnig, zeg.’ ‘Dank je,’ zei Zorro. ‘En weet je wat jij nu bent? Neen, dat weet jij niet. Maar ik weet het wel. Jij bent nieuwsgierig.’ ‘Ik ben niet gierig,’ zei de wolf. ‘Ik hoef niet alle spruitjes.’ ‘Maar je wilt wel alles weten,’ zei de vos. ‘Iedereen wil altijd alles weten. Dat weet iedereen. Kom op, vraag mij mijn geheim. Of een geheim, want ik heb er vele.’ ‘Neen, dank je,’ zei de wolf. ‘Ik moet verder.’
18
‘Moet jij verder, wolf?’ lachte Zorro.’Moet moet moet? Jij moet hier bij mij blijven en netjes een geheim vragen, of ik zal je kietelen.’ ‘Neen,’ schrok de wolf. ‘Niet kietelen, vos. Daar kan ik niet tegen.’ ‘Dat weet ik,’ zei de vos en hij begon eraan. Zorro gaf de grote brave wolf een felle duw, zodat hij omver viel. De vos had lange nagels die niet scherp waren. Ze waren heel geschikt om mee te kietelen. Zorro kon het heel goed. Hij was een expert. Hij kietelde de grote brave wolf overal: onder zijn vier oksels, op zijn buik, achter zijn oren, onder zijn kin … De grote brave wolf had mooie witte tanden. Nu hij lachte, kon je ze makkelijk natellen, alle 42. Maar Zorro telde niet. Hij had het te druk met kietelen. ‘Ha ha ha, ho ho ho, joe hoe hoe,’ lachte de wolf luid. ‘Niet doen, vos, niet doe hoe hoe hoe hoen. Niet koe kat kip kit kietelen. Ophou hoe ha hi ha hi hou hou houden, vos, alsjesblie bla bloe bleu blieft! Nee, nee be da be doe! Niet doen! Nie na noe na nie joen! Ha ha ha ha ha ha ha ha!’
19
Een heel eind daar vandaan slingerde Mono traag van boom tot boom. Loro zat op zijn schouder. ‘Hoor je hem, vriend Loro?’ vroeg Mono. ‘Nu lacht hij wel, die valse wolf. Wacht maar!’ ‘Wacht maar!’ zei Loro ook. Ondertussen ging Zorro lekker door met kietelen. ‘Vraag me dan een geheim, wolf. Kom op, je bent toch nieuwsgierig? Vraag een geheim. Je wilt een geheim weten.’ ‘Niet!’ riep de wolf. ‘Ik smeek je, vos …’ ‘Zorro is de naam,’ zei Zorro. ‘Ik smeek je, Zorro, hou op met me te kietelen. Ik zou liegen als ik zei dat ik een geheim wil weten. Liegen is niet goed. Niet gaga, haha, hoed!’ ‘Liegen is wel goed,’ lachte Zorro. ‘Stel je voor dat iedereen altijd de waarheid zei. De aardigste dieren zijn prima leugenaars. Rata de rat bijvoorbeeld, die kan geweldig liegen, maar dan op een heel lieve manier.’ Toen hij de naam van de kleine rat hoorde, kreeg de wolf een idee.
20
‘Goed!’ riep hij. ‘Oké. Ik wil een geheim van je weten.’ Zorro hield op met kietelen. ‘Aha!’ zei hij. ‘Zie je wel. Vraag maar op. Ik beloof je dat ik zal antwoorden.’ ‘Zonder liegen?’ ‘Zonder liegen,’ beloofde Zorro. ‘Als dat is wat je graag hoort, wil ik het wel zeggen.’ ‘Waar is het lichtje?’ vroeg de grote brave wolf vlug. Hij was bang dat Zorro hem weer zou beginnen te kietelen. Zijn staart deed pijn van het lachen. ‘Het lichtje in dit bos, waar is het? Ik moet daar naartoe.’
21
Zorro schrok. ‘Wil je daar echt naartoe? Ik dacht het niet.’ ‘Toch wel,’ zei de wolf. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat daar de reus woont,’ zei Zorro. ‘Het is al laat, mijn vriend. Waarom blijf je niet bij mij slapen? Dan kun je er nog eens over nadenken. Ik heb plaats genoeg.’
6
Falo
Toen de grote brave wolf wakker werd, keek hij recht in de trieste ogen van Zorro. ‘Ik wil niet dat je weggaat,’ zei Zorro. ‘Blijf bij mij, mijn vriend. Heb je lekker geslapen?’ ‘Prima,’ zei de wolf. ‘Je hebt een mooi huis, Zorro.’ ‘Juist,’ zei de vos. ‘Dat moet je zeggen als iemand je in zijn huis laat slapen. Zelfs al is het een leugen. Je leert vlug, vriend wolf.’ ‘Ik lieg niet. Dit is echt een prima hol. Het ruikt ook lekker.’ Zorro haalde zijn neus op.
22
‘Het ruikt naar Bata, de das,’ zei hij. ‘Het is dan ook zijn hol. Kom, we kunnen beter vertrekken voor hij thuiskomt.’ ‘Maar gisteravond zei je nog dat het …’ Zorro draaide de wolf zijn rug toe en liep Bata’s hol uit. De grote brave wolf liep achter hem aan. Samen zochten ze naar bessen en bramen als ontbijt. Samen aten ze 101 olijven op. Samen dronken ze uit een beek. Twee gele ogen, schitterend als gele sterren, volgden hen overal. En nog twee kleinere. En nog twee nog kleinere. ‘Nu moet je me tonen waar het lichtje is,’ zei de wolf. ‘Beloofd is beloofd.’ ‘Kom dan,’ zei Zorro. De rode vos kende het bos goed. Hij liep snel. De grote brave wolf volgde hem. Hij vond het moeilijk om Zorro te volgen, want de bomen stonden dicht op elkaar. Er waren ook struiken en beken en kuilen. Zorro stopte op een kleine heuvel. De grote brave wolf kwam naast hem staan.
23
‘Zie je het?’ vroeg Zorro zacht. Recht voor hen uit zag de wolf, ver weg, een lichtje, een opening tussen de bomen. ‘Daar is het,’ zei Zorro. ‘Ik ga met je mee. Vanaf nu moet jij voorop lopen.’ Hoe dichter de twee het lichtje naderden, hoe groter het werd. Het was niet echt een lichtje. Het was een uitgang van het bos. Een uitgang naar een grote vlakte, een zee van gras. ‘Ik zie geen reus,’ zei de wolf toen ze bij de rand van de vlakte kwamen. ‘Hij is er wel,’ zei Zorro. ‘Hij is er altijd.’
24
‘Ik ga kijken of ik daar kan vinden wat ik zoek. Blijf jij hier.’ ‘Goed.’ De grote brave wolf verliet het bos. In het midden van de vlakte lag een bruine berg. Achter die berg hadden Mono en Loro zich verborgen. ‘Dat is ‘m, Falo,’ zei Mono in een oor van de berg. ‘Dat is die valse wolf die jouw vrienden pijn heeft gedaan. Hij wil jou ook pijn doen. Alle wolven zijn groot en boos en gemeen.’ De bruine berg had een grote, harde kop met twee scherpe hoorns. Waar hij woonde, blies Bora, de wind, de hele dag in zijn oren. Bora loog nooit. Daarom geloofde Falo alles wat hij hoorde. De grote brave wolf had goede oren. Hij hoorde iemand grommen. Hij had ook een goede neus. Hij kon goed ruiken. Hij rook Mono, de aap en Loro, de papegaai. Hij rook ook een geur die hij nog nooit geroken had.
25
Aan de rand van het bos kwam Loba, de Spaanse wolvin, naast Zorro staan. Op haar rug droeg ze Dilla, de pad. Op Dilla’s rug zat Rata, de kleine rat. ‘Nu moeten jullie eraf,’ zei Loba. ‘Maar dan kan ik niks zien,’ zei Rata. ‘Jullie mogen op mijn kop zitten,’ zei Zorro. De berg bewoog. Falo strekte eerst zijn achterpoten en dan zijn voorpoten. Hij stond nu rechtop. ‘Pak hem!’ riep Mono. ‘Loop hem omver!’ ‘Prik hem lek en maak hem plat!’ riep Loro. Falo was een bizon. Alle bizons zijn groot. Falo was groter dan alle andere bizons. Hij was de grootste bizon van de wereld. Falo was een reus. Zorro had Falo al eerder gezien, maar toch schrok hij bijna even hard als Dilla en Rata. ‘Zo groot,’ fluisterde Dilla. ‘Zo groot wil vast iedereen zijn.’ ‘Ik niet,’ piepte Rata. ‘Ik wil heel klein zijn.’ De grote brave wolf zag Falo. Hij stopte. Falo begon te rennen. Hij rende recht op de grote brave wolf af. Loba begon ook te rennen. Haar gele ogen schitterden als twee gele sterren. ‘Lobo!’ riep ze. ‘Lobo!’ De grote brave wolf keek om. Hij zag een prachtige witte wolvin aan komen rennen. Hij zag haar ogen stralen. ‘Dat ben ik,’ zei hij. ‘Ik ben Lobo. Lobo is mijn naam.
26
Het is al zo lang geleden dat ik hem gehoord heb, dat ik hem vergeten was. Ik ben Lobo!’ ‘Kijk voor je!’ riepen Zorro, Dilla en Rata. Lobo keek voor zich. Falo was dichtbij. Zijn hoeven maakten een geluid als donder.
27
7
Loba
De grote brave wolf sprong net op tijd opzij. Falo ging zo snel dat hij niet kon remmen. Hij donderde Lobo voorbij en stormde nu op Loba af. De bizon boog zijn kop. Hij brulde boos. Rata sloeg zijn voorpootjes voor zijn kraalogen. De grote brave wolf liep achter Falo aan. Hij liep sneller dan hij ooit gelopen had. Hij liep zo snel als Bora, de wind, vertelde Zorro een jaar later aan zijn vijf kinderen. Loba boog af naar rechts. Falo zag het. Hij boog ook af. Ze kwamen snel dichter bij elkaar. Loba kon niet wegkomen. De reus was sneller dan zij. Hij had de witte wolvin bijna te pakken, toen Lobo hem inhaalde en zich voor zijn voorpoten rolde. Falo struikelde. Hij struikelde zoals een berg. De reus vloog door de lucht, over Lobo en Loba heen.
28
Daarna ging hij nog acht keer over de kop en bleef ten slotte heel stil liggen. Hij leek wel dood. Hij was niet de enige. Ook Lobo lag doodstil. Mono liep naar Falo. Loro kneep in de oren van de aap om er niet af te vallen. ‘Falo, mijn vriend,’ zei Loro. ‘heb je je erg pijn gedaan? Open je ogen, Falo. Ik zal je rug krabben, zoals je zo graag hebt. Zo zijn we toch vrienden geworden? Kom op, Mono, krabben.’ De twee krabden heel lief Falo’s rug. Falo knorde zacht. Hij deed één oog half open. Hij was niet dood. Hij was niet de enige. Loba, Zorro, Dilla en Rata keken bezorgd naar de grote brave wolf. ‘Dat was dapper,’ zei Rata. ‘Dat was knap,’ zei Dilla. ‘Dat is niet gelogen,’ zei Zorro.
29
‘Dat was dom,’ zei Loba. ‘Je had wel dood kunnen zijn. Terwijl jij degene bent die ik zocht. Kom, we gaan terug naar het bos. Falo zal niet vlug rechtop staan, maar in het bos zijn we pas helemaal veilig. Daar kan hij niet komen.’ De vier hielpen Lobo overeind. Samen liepen ze terug naar de olijfbomen. Al vlug waren ze verdwenen in het bos. ‘Feestmaal in mijn hol!’ zei Zorro. ‘Allen daarheen. Muggen, vliegen, bessen, bramen5, olijven en spruitjes voor iedereen! ‘ ‘Hij liegt,’ zei Lobo zacht in Loba’s oor. ‘Ben ik degene naar wie je op zoek was, Lobo?’ vroeg Loba. De grote brave wolf wou graag ja zeggen, maar hij kon niet liegen. ‘Neen,’ zei hij. ‘Ik weet niet wat het is dat ik zoek, maar het is niet iemand anders.’ ‘Juist,’ zei Loba. ‘Nu moet jij eens goed naar mij luisteren, grote wolf. Wat jij ook zoekt, het is iets wat je alleen samen met mij kunt vinden.’ Zo is het, dacht de wolf blij. Dat is niet gelogen. Hij zei het niet hardop.
30
31
Woorduitleg 1 Twister = spel waarbij je met je handen of je voeten op een kleur moet staan 2 krassen = een scherp geluid maken 3 kraalogen = kleine, schitterende ogen 4 zijde = zachte stof 5 braam = eetbare bes van een doornige struik
32
De grote brave wolf is al heel zijn leven op zoek. Er is slechts één probleem. Hij weet niet naar wat hij op zoek is. Hij trekt het bos in, op zoek naar antwoorden. Daar komt hij allerlei dieren tegen.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Foto’s: Shutterstock Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.