Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 7 - N3 - De Bremer stadsmuzikanten

Page 1

ucatieve uitgaven

De Bremer stadsmuzikanten

BIEB

Aag Vernelen

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

3


De Bremer stadsmuzikanten

1


WIE SPEELT ER MEE? M V Z Do R C K D Ro

2

Molenaar Vrouw van de molenaar Zoon van de molenaar Dochter van de molenaar Rik de ezel Chucky de chihuahua (lees: Tsjukkie de tsjie-wa-wa) Katja de kat Daan de haan De 7 rovers


SCENE 1 Een kale wei met een paar grassprietjes. In de wei staat Rik de ezel. Daarnaast een klein hutje: het huisje van de molenaar. De vrouw is brood aan het bakken. De kinderen wachten hongerig aan tafel. Rik de ezel zingt: Ik ben Rik de ezel. Een ezel dat ben ik. Veel mooier dan een paard. Met mijn kleine korte staart. In mijn wei ben ik zo blij. En zing ik vrolijk en vrij. Van IA IA IA. IIIIIIIIIII AAAAAAAA. (Hij balkt heel luid. Ontdekt dan een grassprietje.) Oooooh, nog een sprietje. (Hij kauwt het met veel plezier op. Daarna zingt hij vrolijk dansend weer zijn ezellied.) (Terwijl hij zingt, komt de molenaar op, helemaal wit van de bloem. Hij kijkt naar de ezel en gaat hoofdschuddend verder naar binnen. Zijn vrouw bakt brood en de kindjes wachten hongerig aan tafel.) Z Mama, wat eten we? Ik heb honger. Do Mijn maag plakt tegen mijn rug1, mama. Wat eten we?

3


Z Do Z Do V Z Do Z Do Z Do V Z Do M

4

Frikadellen met kriekjes? Stoofvlees met frietjes? Pensen met appelmoes? Lekkere, sappige worstjes? Boterhammen. Alweer boterhammen!? Boterhammen met …? Paté! Salami! Een stukje paardenvlees! Gehakt! Boterhammen met … boterhammen. Maar wij eten al weken droog brood! Boterhammen of boterhammen. De zaken gaan niet goed, kinderen. We hebben geen geld voor een stukje vlees.


5


(Ondertussen zingt Rik de ezel verder. Hij balkt net heel luid IIIIII AAAAAA!) M Rik, stomme ezel, zwijg eens! Of werk wat harder, dat we meer geld verdienen! R Sorry baas, natuurlijk baas, tot uw dienst baas. (fluisterend) ia M (tegen de kinderen) Die stomme, oude ezel. Daar hebben we ook niks meer aan … Tenzij … (tegen zijn vrouw) Annie, de telefoon. Ik heb een schitterend idee! (hij belt, iemand neemt op) Hallo, slagerij Harry? Jos de molenaar hier. (Rik de ezel hoort het hele gesprek mee aan de andere kant van de deur) Ik heb hier nog een oude ezel staan. R Oude ezel? (hij kijkt in het rond) Welke oude ezel? M Inderdaad, die met die korte staart. R (kijkt rond) Hier is toch geen oude ezel met een korte staart? M Ik wil dat beest graag laten slachten. R (hij begrijpt het nog niet) Slachten? Arme ezel. M Onze Rik, ja. R RIK?! Ik!? M Of is onze Rik te oud om op te eten? R Te oud? M Voor een biefstukje te taai? R Te taai?

6


M R M R M Z en Do R M Z en Do R M Z en Do R M Z en Do R

En als je zijn vlees in de vleesmolen draait? Vleesmolen? (slikt) Toch wel 100 kilo vlees? 100 kilo?? (kijkt naar zijn buik) Ik ben toch op dieet! Van zijn hoofd vleeskroketten! (heel blij) Vleeskroketten!! Vleeskroketten? En van zijn poten dikke pensen! Pensen!! (kijkt naar zijn poten) Pensen? En van zijn buik frikadellen? Frikadellen!! (kijkt naar zijn buik) Frikadellen? En van zijn billen? Salami! Salami!! (kijkt naar zijn billen) Salami?

7


8


M

Het is goed. Ik kom morgen met Rik langs. Tot morgen! (hij legt op) Annie, morgen een feestmaaltijd! Dan is die oude ezel toch nog ergens goed voor!! (De molenaar, de kinderen en de vrouw eten lachend van hun brood.)

SCENE 2 (Rik staat verontwaardigd bij het raam.) R 100 kilo vleeskroketten, frikadellen en salami! En dat na al die jaren keihard werken! Stank voor dank2! Ik heb geen zin om in de vleesmolen gedraaid te worden (kijkt bewonderend naar zijn billen). Al zou het wel héél lekkere salami zijn … Nee, ik gun het hem niet! Dat hij maar droog brood eet! Ik ben hier weg! (hij sluipt stilletjes weg)

9


SCENE 3 (Een woestijn, met hier en daar een struikje. 5 uur later, Rik sleept zich doodmoe voort en stopt dan met lopen, tong uit de mond) R Ik stap al 5 uur! Ik kan niet meer! Ik ben moe. Mijn pensenpoten doen pijn. En mijn salamibillen zijn stijf … Water … Water! Heeft er iemand een glaasje water voor mij? Ik sterf van de dorst! (doet alsof hij dood neervalt en kijkt dan weer op) Echt niemand een glaasje water? Een beetje hooi dan? Ik moet nu iets te eten hebben, of ik ga dood! (zingt) Oe oe oe. Ik ben toch zo moe. Oe oe oe. Ik ben toch zo moe. Geef me iets te eten. Alstublieft! ’k Wil niet tussen een pistoleetje. Als salami. Oe oe oe. Ik ben zo moeoeoeoeoe! (kijkt verrast op) Hé, dat klonk niet slecht! Nee, nee! Dat klonk zelfs heel goed! Als ik nu eens naar Bremen ga en daar stadsmuzikant word! Ooo, wat ben ik slim!

10


SCENE 4 (Vol goede moed gaat hij weer op stap en hij zingt. Chucky de chihuahua gluurt tussen de struiken naar de ezel en houdt zich klaar om aan te vallen.) R Ik ben Rik de ezel. Een ezel dat ben ik. Veel mooier dan een paard. (Chucky valt aan, bijt in Riks staart en blijft eraan hangen.) R Met mijn kleine korte staart. (Hij probeert te zwaaien met zijn staart, maar dat lukt niet zo goed meer.) R In mijn wei ben ik zo … Wat jeukt daar zo aan mijn staart? (Rik probeert naar zijn staart te kijken, maar dat is niet makkelijk, hij loopt wat rondjes om zichzelf heen, en dan ziet hij dat Chucky aan zijn staart hangt.) R Wat doe jij aan mijn staart? (Chucky praat met zijn mond vol staart, onverstaanbaar.) C Ih eb ou hevanhe. R Wat??? C Ih eb ou hevanhe! R Ik versta je niet. (Chucky laat los en spuwt wat haartjes uit.) C Ik heb jou gevangen!!!! (Rik grijnst) R Nu niet meer.

11


(Chucky kijkt droevig) C Mijn baas heeft gelijk. Ik deug helemaal niet als jachthond. R Jij een jachthond?? (lacht) Je bent een chihuahua! C En dan? Een chihuahua kan toch best een jachthond zijn? R …

12


13


14


C

Niet dan? (Chucky kijkt vol twijfel naar zichzelf en zucht.) Nee, je hebt gelijk. Ik zal nooit een jachthond worden. Daarom wil mijn baas mij niet meer hebben. R Je moet niet zo treurig zijn. Dat is juist heel goed nieuws! C O ja? R Ja! Want nu kun je met mij mee! C Wat gaan we doen? R Kun jij zingen? C Nee, maar huilen kan ik wel. (Chucky huilt als een wolf.) R Prachtig! Ik ga naar Bremen om stadsmuzikant te worden. Jij kunt met me mee! (ze zingen samen) Wij zijn de Bremer stadsmuzikanten. Met zijn tweeën op pad. Zulke goede muzikanten. hebben ze daar nog niet gehaaaad! (Rik balkt en Chucky huilt. Al zingend gaan ze zo op pad.)

15


SCENE 5 (De laatste keer dat ze huilen en balken, miauwt Katja de kattin uit volle borst mee, Rik en Chucky kijken verbaasd op.) C Er zingt een kat mee! R Je bent nat, kat. K Katja is de naam. (Katja likt haar pootjes droog.) Mijn bazin wilde me verdrinken. Ze stopte me in een zak, bond hem toe en gooide me in de rivier. Maar met mijn scherpe nagels krabde ik hem weer open. En nu … nu krab ik haar ogen uit! R Rustig, rustig. Kom liever met ons mee! K Met jullie mee? C Met ons mee? Een … kat?? Ik weet niet of ik dat wel goedkeur … R Wij zijn op weg naar Bremen, om stadsmuzikanten te worden. Ik zing prachtig. En met het gehuil van Chucky en jouw gemauw erbij klinkt het hemels. Wij gaan Bremen veroveren!

16


K

Die ezel is niet goed bij zijn hoofd … Daar hou ik wel van! Ik ga met jullie mee! (ze zingen) Wij zijn de Bremer stadsmuzikanten. Met zijn drieën op pad. Zulke goede muzikanten. hebben ze daar nog niet gehaaaad! (Rik balkt, Chucky huilt, Katja miauwt.)

17


SCENE 6 (Al zingend gaan ze op pad. De laatste keer dat ze huilen, balken en miauwen, kraait Daan de haan mee. Ze stoppen met zingen.) D Ku-ke-le-ku! Sak-ker-de-ju Wat moet ik nu? Ku-ke-le-ku! C Wat is er aan de hand, vriend? D Mijn leven is één grote troep. Morgen draai ik in de soep! R Vleesmolen? Frikadellen voor in de soep? Daar ken ik alles van! K Kom, kom. Zo’n vaart zal het wel niet lopen3. D Mijn vrouwtje heeft het zelf gezegd: morgen kom ik in de pot terecht! R Ik heb een veel beter idee! Wij zijn op weg naar Bremen om stadsmuzikanten te worden. Kom je met ons mee? D Liedjes zingen kan ik niet, tot mijn groot verdriet. R Dat geeft niet! Jij kunt goed rijmen. Jij mag onze liedjesteksten schrijven! K Kom op, kip! D Ik ben geen kip! Ik ben Daan, de haan welteverstaan.

18


(ze zingen) Wij zijn de Bremer stadsmuzikanten Met zijn vieren op pad Zulke goede muzikanten hebben ze daar nog niet gehaaaad! (ze balken, miauwen, huilen en kraaien)

19


SCENE 7 (Het is donker buiten. De vier vrienden lopen op een rij. Rik loopt vooraan. Plots blijft hij staan en al de rest botst op hem.) C Zeg Rik! Waarom blijf je staan? R Ik zie geen steek meer! K Laat mij dan vooraan lopen! Ik zie nog goed met mijn kattenogen. R Het heeft geen zin. Het is te donker. Het is beter dat we een plekje zoeken om te slapen. C Maar ik heb honger! R Morgenvroeg vinden we wel iets om te eten. C Maar ik heb nu honger! Goed, dan eet ik je staart wel op. (Chucky bijt in de staart van Rik.) R Aaaaah! Laat los, Chucky! Wat zijn dat voor manieren? Een vriend eet je toch niet op? C Ik kan er ook niet aan doen dat ik een jachthond ben … K Jij bent geen jachthond. Jij bent een chihuahua! D (schraapt zijn keel en dicht plechtig:) ahum ahum …

20


21


Kakeleka Kakelaka Zelfs een chihuahua Verkiest een lege maag Boven een vriend zijn staart. R Dank u wel. Lijkt deze boom jullie wat als slaapplek? (Rik en Chucky gaan aan de voet van de boom liggen, Katja kruipt in de boom en Daan vliegt helemaal naar het topje van de boom.) C Chihuahua, chihuahua … Ik ben een jachthond! En ik heb honger … K Als het aan mij lag, liepen we verder door de nacht. Ik hou van de nacht! R Een zacht bedje van stro zou welkom zijn. Om een beetje aan te knabbelen … D (schraapt zijn keel en dicht plechtig:) Ahum Ahum. Koekelekoe, Koekelekoe. Oh, wat ben ik moe! Ik doe vlug mijn ogen toe! Maar … wat is dat daar aan de bosrand? Ik zie dat er een lichtje brandt! Vrienden! Niet ver hier vandaan, moet een gerieflijk4 huisje staan! R Een huisje? Eten!? Allen daarheen! (Ze stappen snel met zijn vieren naar het huisje.)

22


SCENE 8 (Het huisje van de rovers. Binnen zitten 7 rovers luid smakkend te eten en te drinken. Rik kijkt door het raam.) K Wat zie je, Rik? R Ik zie een prachtig gedekte tafel … C Dat klinkt als muziek in mijn oren5 … R Kruiken vol bier en rode wijn … D Wijn na bier geeft plezier … R Gebraden kippen … D Bier na wijn geeft venijn … R Schotels vol wildgebraad …. K Mamma mia! R Knapperig brood … C Waar wachten we nog op? Ik ga naar binnen! R En zeven stoere … ssst ze gaan zingen. (De rovers staan op en zingen hun strijdlied)

23


24


Roven Roven! Een peertje stoven Roven Roven! Daar houden wij van! Als mensen ons zien Dan worden ze bang Wij tellen tot tien En roven hun land Roven Roven! Van onderen tot boven! Roven Roven! Ons leven lang! R D

C

R C K

… rovers dus. Zeven stoere rovers. Ahum, misschien zijn zij wel stoer. Maar van het schrijven van een lied kennen zij geen moer. Ah! Oei! Eh … Ik hoef niet per se eerst te gaan, hoor. Wie wil graag voorgaan? Jij, Rik? Jij bent de grootste … De rovers zijn met te veel. We moeten een plan bedenken om ze weg te jagen. Een plan. Een plan. Goed plan. Eh. Wie heeft er een plan? Wie niet sterk is, moet slim zijn. We moeten ze doen geloven dat we groot en sterk zijn. 25


D

Een toren van dieren moeten we bouwen. En dan heel luid balken, blaffen, kraaien en miauwen. R Je hebt gelijk, Daan! (De vier bouwen een toren: ezel, hond, kat en haan.) Ro 1 Ik hoor precies iets …? Ro 2 De bel van een fiets …? Ro 3 Een muis zijn gepiep …? Ro 4 Een haan die iets riep …? Ro 5 Een vogel die tsjilpt …? Ro 6 Ik neem nog een stukje kippenbil. (De vier beginnen luid te balken, blaffen, kraaien en miauwen.) Ro 7 Het is een monsterlijk dier!!! (Alle rovers roepen door elkaar.) Ren voor je leven. Een monster! Moeder! Help! Mama mama! Ik wil niet sterven! Wacht op mij, eerst nog een kippenbil voor onderweg! Wacht op mij! (De rovers rennen in paniek het huis uit. De vier dieren komen binnen en smullen van het feestmaal.)

26


SCENE 9 (Na het feestmaal. De 4 vrienden hebben zich helemaal volgegeten.) R (laat een boer) Het moet niet lekker zijn, als het maar veel is, zeg ik altijd. O, hier een strohoopje om op te liggen. Slaap lekker, vrienden. (Hij gaat op het stro liggen en valt meteen ronkend6 in slaap.) C (praat onverstaanbaar met een heel groot bot in zijn bek) Ik ga nog een beetje knabbelen op dit bot. Slaap lekker allemaal. (hij legt zich neer achter de deur met het bot in zijn bek) K (likt haar poten en rilt) Brrr, ik krijg het koud. (ze gaat liggen bij de warme as van de haard en spint) Mmmmm, lekker warm D (schraapt zijn keel en dicht plechtig) Ahum Ahum. Mijn buikje is vol. We hadden veel lol. Slaap nu zacht. Ik hou wel de wacht. Daar boven op die balk. Zorg ik dat elke zzzzzzz… (hij valt in slaap boven op de balk)

27


SCENE 10 (De rovers sluipen terug naar het huis van de vier. Fluisterend …) Ro 1 We zijn te snel gegaan! Ro 2 Het is hier nog niet gedaan! Ro 3 De rovers komen eraan! Ro 4 Dus maak je maar klaar! Ro 5 Voor ons gevaar! Ro 6 Ik wil nog een stukje gebraad! Ro 7 Ik sta paraat!7 (Ze doen de deur zachtjes open en sluipen binnen. De dieren slapen, het is donker. Fluisterend …)

28


Ro 1 Maak eens wat licht! (Ze gaan naar de haard en zien de gloeiende ogen van de kat.) Ro 2 Oh nee! Een monsterlijk gezicht! (De kat wordt wakker. Ze krabt de rovers in het gezicht.) Ro 3 Au, au, au, monsterklauwen op mij gericht! (Ze lopen in paniek naar de deur en maken de hond wakker, die in hun benen bijt.) Ro 4 Au, au, dat monster is nog lelijker dan mijn nicht! (Ze maken de haan wakker die heel luid kukeleku roept.) Ro 5 Ai, mijn oren! Breng mij maar vlug naar het gesticht! (Ze lopen naar buiten langs de ezel, die hen met zijn achterpoten een stevige trap geeft.) Ro 6 (met piepende stem) Die ezel heeft veel schade aangericht! Ro 7 Vlucht! Vlucht! Vlucht! (Ze gaan in paniek lopen. De vier komen lachend bij mekaar.) R Zo, die zien we nooit meer terug. C Heb je gezien hoe hard ik in zijn benen beet? K En hoe bang ze van mij waren? D Met de simpelste kukeleku, zei ik voor altijd salut! R Zeg maar, hier hebben we toch alles? Lekker hooi en een mooie wei om te grazen. C En bossen om in te jagen! K En een dak boven ons hoofd tegen de regen! 29


D

R D Samen

EINDE

30

In dit mooie, lieve huis is geen baas of hond of muis die zegt: zet de haan maar op het fornuis! Ik zeg: we blijven hier. Alle vier! Alle vier!


Woorduitleg 1 mijn maag plakt tegen mijn rug = ik heb heel veel honger 2 stank voor dank krijgen = geen bedanking krijgen voor wat je hebt gedaan 3 zo’n vaart zal het wel niet lopen = het zal wel niet zo erg zijn 4 gerieflijk = aangenaam 5 dat klinkt als muziek in mijn oren = dat klinkt heel goed 6 ronken = hard snurken 7 paraat staan = klaar staan

31


32


Wat zou jij doen als je baas zegt dat hij morgen gehakt van je zal maken? Rik de ezel loopt weg van huis en vertrekt naar Bremen. Onderweg maakt hij drie vrienden: een hond, een kat en een haan. Dan komen ze bij het huis van de rovers …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Ann Van den Broeck Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 3 - Thema 7 - N3 - De Bremer stadsmuzikanten by die Keure - Issuu