ucatieve uitgaven
Mijn gedichten zijn gevaarlijk!
BIEB
Frank Pollet
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
3
Mijn gedichten zijn gevaarlijk!
1
Het is een geheim. Niemand mag het weten. Anders is het geen geheim meer, natuurlijk. Maar tegen jou mag ik het wel zeggen. Toch? Ik schrijf gedichten. Oké, oké, dat lijkt niet zo geheim. Misschien vind je het zelfs saai. Maar dat is het niet. Absoluut niet. Integendeel, zelfs. Je denkt nu vast: dat is logisch. Als je gedichten schrijft, dan vind je dat zelf niet saai. Anders zou je ze niet schrijven. Dat klopt. Maar er is meer aan de hand. Mijn gedichten zijn niet zomaar gedichten. Ik bedoel: het zijn wel gedichten, en ik heb ze zelf geschreven. Maar … Het lijkt wel dat iemand anders ze schrijft. Dat vind je onzin? Echt? En toch is het waar wat ik zeg. Er is iets vreemds met mij aan de hand, denk ik.
2
Af en toe neem ik een pen vast. Zomaar, zonder erbij na te denken. En dan schrijf ik. Ook zonder erbij na te denken. Even later staat er dan een gedicht. En weet je wat het vreemde is? Die gedichten zijn ... Hoe zal ik het zeggen ... Gevaarlijk? Nee. Of toch. Ik krijg er zelf schrik van, want ...
3
In onze klas zitten zeventien meisjes en negen jongens. Ik ben een van die negen. Denk je dat het leuk is om als jongen bij zo veel meisjes in de klas te zitten? Nee? Ik vind van wel. Jongens onder elkaar zijn ruw. En ik hou niet van vechten, van voetbal, van pesten. Vorig schooljaar vonden de jongens van mijn klas mij een sissy. Een seut. Een mietje. Dat is nu helemaal anders. Tot vorig jaar was ik de schijtebroek. Nu zijn zij bang van mij. En toch heb ik niemand geslagen. Ik heb geen doelpunten gemaakt (want ik voetbal nog steeds niet). En pesten doe ik al evenmin, want dat vind ik zelf vreselijk. En toch zijn de jongens bang van mij. Het begon in september. Bob, een hele slimme jongen van de klas, is een heel goede voetballer.
4
Maar hij laat geen kans onbenut om de bal naar mij te schoppen. Elke keer als het bij mij pijn doet, begint hij te lachen. Bob is een vervelende kwiet1. Ik stond op de speelplaats te praten met Hettie. Bob schopte de bal zo hard hij kon. De bal vloog op mijn hoofd en ik viel meteen op de grond. Toen ik mijn ogen opendeed, lag ik in een zetel in een klein lokaal. Onze meester zat bij me en vroeg hoe ik me voelde. Ik had hoofdpijn, maar wilde toch naar de les. Toen de bel voor de speeltijd rinkelde, voelde ik een vreemde tinteling2 in mijn hoofd. Ik nam pen en papier mee naar de speelplaats. Daar schreef ik plotseling, zonder dat ik het wilde, dit gedicht:
Bal, o bal, kereweerom. Omkereweer, vlieg naar de zender. Bal, maak hem dom! Maak hem dom!
5
Hettie tikte op mijn schouder. Het was alsof ik wakker werd. Maar ik had niet geslapen. Ik stond op de speelplaats met een pen en een papiertje in de hand. ‘Wat ben je aan het doen, Michel?’ Ik schudde het hoofd. ‘Weet ik niet,’ hoorde ik mezelf zeggen. ‘Mag ik lezen wat je geschreven hebt?’ Ik schrok. Ik kon me niet herinneren dat ik iets opgeschreven had. En toch stond er op het papier een versje. In mijn handschrift. Hettie las het hardop. ‘Vreemd,’ fluisterde ze. ‘Ik snap het niet. Maar het is wel ... Hoe zou ik het zeggen ... Een gedicht ...’ Ik bekeek het tekstje. ‘Wat betekent het?’ vroeg Hettie. Ik staarde naar het versje. Ik las en herlas het. Schudde het hoofd. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. Hettie keek me vreemd aan. ‘Echt niet,’ zei ik.
6
‘Jij hebt het geschreven, want het staat in jouw handschrift,’ zei ze. ‘Ik weet het, maar het stond op papier voor ik het wist.’
7
In de klas was het taalles. Ik vind dat wel fijn, maar vaak toch niet makkelijk. Moeilijke woorden schrijf ik dikwijls fout. Bob niet. Bob heeft een taalknobbel3. Toen onze meester vroeg hoe je yoghurt schrijft, stak niemand zijn vinger op. Ook Bob niet. De meester keek vreemd op. ‘Bob, kom jij het even op het bord schrijven?’ Bob schudde het hoofd. De meester fronste zijn voorhoofd. ‘Komaan, Bob,’ zei hij. Bob aarzelde. Hij schudde nog een keer het hoofd. ‘Kom, Bob, we hebben niet de rest van de dag voor dat ene woord.’ Bob ging traag naar voren. De meester gaf hem een krijtje en Bob nam het aan. Hij hief zijn hand op om te schrijven. En liet ze weer zakken. ‘Ik weet het niet ...’ fluisterde hij.
8
‘Dat snap ik niet,’ zei de meester. ‘Vorige week heb je het zelf nog helemaal juist in een verhaal opgeschreven. En nu kun je het niet meer?’ Bob schudde het hoofd. Een traan liep langs zijn neus en viel op de grond. Bob legde het krijtje neer en ging op zijn stoel zitten. De volgende dag vroeg de meester hoe je ‘hij wordt’ spelt. Bob wist het niet. En Bob wist plots ook niet meer hoe je ‘ik vind’ schrijft.
9
De laatste dag voor de herfstvakantie, eind oktober, zaten we in de eetzaal. Het was er een drukte van belang. Ik zat met vijf meisjes aan een tafel. We praatten over mooie boeken. Toen Gert onze tafel passeerde, zei hij luid: ‘Kijk eens, zes meisjes aan één tafel ...’ Iedereen die het gehoord had, lachte. Ik voelde hoe mijn hoofd helemaal rood werd. Gert keek om en riep: ‘De tomaten zijn goedkoop!’ Ik wist niet waar ik het had. Waar het vandaan kwam, weet ik niet meer. Maar plotseling had ik een blad papier en een pen in mijn handen. Op het papier stond een tekst die ik niet herkende. Maar hij was wel in mijn handschrift geschreven:
Gensters4 knetteren in het hoofd En de kortsluiting5 die doet branden Raast door het lichaam tot het dooft Ter hoogte van de handen.
10
Hettie en Febe zaten met grote ogen naar het versje te kijken. ‘Michel, heb jij dat geschreven?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Maar het staat in jouw handschrift!’ zei Hettie. ‘Ik ... ik ... ik weet het echt niet,’ fluisterde ik. ‘Het stond er plots.’ Febe staarde me aan alsof ze water zag branden. ‘Michel, ik snap het niet, maar het is wel knap geschreven.’ Ik schudde het hoofd en fluisterde: ‘Ik snap het zelf ook niet ...’ De laatste les voor de vakantie was een crea-les. We moesten een tekening maken van ons favoriete huisdier. Ik vond dat redelijk stom, want ik word ziek als ik in de buurt van dieren kom. Dan krijg ik jeuk over mijn hele lijf. Ik begin te niezen.
11
12
Mijn keel jeukt en ik snuit hele zakdoeken vol. Bovendien kan ik helemaal niet zo goed tekenen. Gert wel. Die tekent zo goed als zijn papa, die kunstschilder is. Ik tekende een kip. Die bezorgde mij de minste allergie6, dacht ik. Ik tekende zo goed ik kon. Maar toen hoorde ik de meester achter me grinniken7. ‘Michel, wat ben jij aan het tekenen? Een ei? Of moet dat een kip voorstellen?’ Iedereen lachte. De meester wreef door mijn haar en zei: ‘Grapje, Michel!’ De meester wandelde verder. Hij keek even op het blad van Gert, en wandelde door. Plotseling draaide hij zich om en keek opnieuw naar Gerts blad. ‘Gert?!’ riep de meester. ‘Wat is dat??’ Gert staarde naar zijn blad. Hij zei niets. ‘Heb jij een tekening van je kleine broertje meegenomen?!’ Gert kromp in elkaar.
13
‘Ik kan het niet ... ‘ fluisterde hij. ‘Hoezo, je kunt het niet? Je tekent het best van de hele klas, en nu ...’ ‘Het gaat niet. ..’ fluisterde Gert. ‘Ben je er zeker van dat je dit met je rechterhand hebt getekend?’ vroeg de meester nog. Een traan viel op de tekening. ‘Ja,’ snikte Gert, ‘maar het lijkt wel ... of mijn rechterhand ... mijn linkerhand is ... Het lukt gewoon niet ...’
14
Wanneer ik na de herfstvakantie weer op school kwam, stonden Rik en Ferre me op te wachten. Ze zagen er ver van vriendelijk uit. ‘Michel, hoe gaat het, jongen?’ Ik haalde mijn schouders op: ‘Goed.’ ‘Je weet het vast al van Gert,’ zei Ferre met zijn ogen half dicht. ‘Nee ... nee, ik weet van niks. Wat is er met Gert?’ ‘Je weet écht van niks?’ vroeg Rik ongelovig. ‘Echt niet,’ zei ik. Ik vroeg me af wat er met Gert aan de hand was. Had hij een ongeluk gehad? Was hij ziek? Gingen zijn ouders uit elkaar? Moest hij mee verhuizen? ‘Gert kan niet meer tekenen,’ zei Ferre. Hij zweeg en keek me boos aan. ‘En jij weet nergens van?’ ‘Nee ...’ ‘Rik en ik vinden het vreemd. Eerst schopt Bob per ongeluk een bal tegen je hoofd. Hij schrijft nu de ene fout na de andere.
15
Dan maakt Gert een grapje over jou. Nu kan hij niet meer tekenen. Hoe doe jij dat eigenlijk?’ ‘Ik weet van niks,’ hoorde ik mezelf zeggen. Ferre greep mijn kin vast. Hij duwde ze omhoog. Zijn gezicht was vlak bij het mijne. Ik rook dat hij niet lang geleden look had gegeten. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is met jou, maar het mag ophouden,’ fluisterde Ferre. ‘Begrepen?’ Ik probeerde te knikken, maar dat ging moeilijk. Ferre duwde nog steeds mijn kin omhoog. ‘Hé, jongens, alles kits?’ De stem van de meester deed Ferre mijn kin loslaten. ‘Ja hoor, meester. Met jou ook alles in orde?’
16
Tijdens de les aardrijkskunde merkte ik dat er een blad papier voor mijn neus lag. Op dat blad stond in mijn handschrift:
Fleurus, Antwerpen, Harelbeke, Eeklo, Gent, Bree, Ronse, Brussel, Afsnee, Roeselare, Puivelde, Zeveneken, Eupen en Hasselt zeggen nee. Vlug stopte ik het papier met het versje in mijn rugzak. Ik keek even rond. Niemand had het gezien. Dacht ik. Hoopte ik. ‘Michel!’ Ik schrok. De stem van de meester galmde door de klas. ‘J... ja, meester.’
17
‘Ik heb gevraagd wat de hoofdstad van Limburg is.’ ‘Sorry, meester, ik had je niet gehoord.’ ‘Ferre zei dat je met andere dingen in je hoofd zit.’ ‘Ik zou niet weten wat, meester.’ ‘Maar jij weet ook niet wat de hoofdstad van Limburg is?’ Ik schudde het hoofd. Mijn gedachten schoten naar alle kanten. Maar niet naar Limburg. ‘Ferre, zeg jij het maar. Jij bent tenslotte onze aardrijkskunde-kenner,’ lachte de meester. Ferres hoofd werd rood. Ik moest meteen aan tomaten denken. ‘Ferre?’ ‘Ja, meester.’ ‘De hoofdstad van Limburg, Ferre ...’ ‘Eh, eh...’
18
19
‘Ferre? Je kent de hoofdsteden van IJsland, Mali, Portugal, noem maar op. En de hoofdstad van de provincie Limburg, die ken je niet. Komaan!’ Ferre boog het hoofd. De meester wandelde nu naar de muur waar de kaart van België hangt. Met zijn ene hand bedekte hij Gent. Met zijn andere hand wees hij naar Ferre. ‘Welke naam zit hier onder mijn hand? De hoofdstad van Oost-Vlaanderen? Ferre?’ Ferre zat met grote ogen naar de kaart te staren. Hij zei niets. Het was muisstil in de klas. De meester hield nu zijn hand over Antwerpen. ‘Ferre, welke stad zit er ditmaal onder mijn hand? Het is de hoofdstad van de provincie Antwerpen. Ferre, ik herhaal: de hoofdstad van de provincie A N T W E R P E N!’ Ferre bleef naar de kaart staren. Uit zijn rechter ooghoek druppelde een traan.
20
Tijdens de speeltijd kwam Hettie bij me staan. ‘Michel, mag ik je iets vragen?’ ‘Tuurlijk,’ zei ik. ‘Daarnet, met Ferre ... Dat was toch niet normaal.’ Ik schudde het hoofd. ‘Maar met Bob en Gert was het ook niet normaal.’ Ik bleef het hoofd schudden. ‘Maar voor Bob fouten begon te schrijven ... En voor Gert niet meer kon tekenen ...’ Ik haalde mijn schouders op. ‘... had jij telkens een versje geschreven. Hele aparte gedichtjes...’ Ik knikte. ‘Michel, heb jij daarnet ...’ Ik knikte. ‘Hettie, ik had een versje geschreven, maar ik wist het zelf niet. Ik bedoel, ineens was het daar. Ik kan me niet herinneren dat ik het geschreven heb. Echt niet.’
21
Hettie legde haar hand op mijn schouder. ‘Rustig, Michel, rustig. Ik geloof je. Maar eh, ging dat gedicht over ... aardrijkskunde?’ Ik boog het hoofd en fluisterde: ‘Ja ...’
22
Op de speelplaats ging ik op zoek naar Bob. Hij stond te praten met enkele oudere jongens. ‘Stop!’ riep een van de jongens. ‘Blijf daar staan!’ gilde een andere. ‘Waarom?’ riep ik terug. ‘Daarom!’ Ik draaide me om en wandelde weg. In een hoek van de speelplaats stond Gert. Ik stapte recht op hem af. ‘Nee!’ riep hij. ‘Blijf staan! Nee, ga weg!’ ‘Waarom?’ ‘Je bent gevaarlijk!’ brulde Gert. ‘Blijf uit mijn buurt!’ ‘Maar ...’ ‘Néé!’ gilde hij. ‘Ga weg, ga weg, ga weg!’ Ik haalde mijn schouders op en draaide me om. En zag dat Ferre van me wegliep. ‘Ferre!’ riep ik hem achterna. ‘Blijf staan!’ riep hij terug. ‘Maar Ferre!’ probeerde ik nog.
23
Ferre liep snel weg. Ik voelde me rot, rot, rot. Ik had kunnen wenen, maar probeerde dat tegen te houden. Kon ik eraan doen dat ik plotseling versjes begon te schrijven? Kon ik eraan doen dat er met die jongens iets was fout gelopen? Ik had er niet om gevraagd, toch? Ik voelde een traan langs mijn wang lopen. ‘Michel ...’ Het was de zachte stem van Hettie. ‘Dag ...’ zei ik stil. ‘Ik heb gezien wat er gebeurd is,’ fluisterde ze. ‘Je hebt niks fout gedaan, en toch probeer je het goed te maken.’ Ik knikte. ‘Die jongens zijn bang van je, Michel. Ik snap het ook wel een beetje ...’ Ik opende mijn mond. Ik wilde zeggen dat ik er niets aan kon doen. Maar daar waren de tranen.
24
25
Hettie gaf me een zakdoek. ‘Dank je,’ zei ik terwijl ik mijn tranen wiste. ‘Is je niks opgevallen aan die versjes?’ vroeg Hettie. Ik schudde het hoofd. ‘De drie gedichten die je geschreven hebt, zijn naamverzen.’ ‘Naamverzen??’ ‘Als je de eerste letter van elke regel van boven naar beneden leest, zie je telkens een naam: Bob, Gert, Ferre ...’ Ik wist niet meer hoe ik het had. ‘Gats,’ zei ik. Hettie fluisterde: ‘Michel, misschien bestaat er wel een oplossing voor het probleem ...’ Ik keek op. ‘Echt?’ ‘Ik weet het niet, maar als die versjes elke keer iets voorspellen ...’ Ik knikte en fluisterde: ‘... dan kan ik misschien met één versje ...’ ‘Dat bedoel ik,’ zei Hettie.
26
Die avond werkte ik de hele tijd aan het versje dat de oplossing moest worden. De vorige versjes stonden op het papier zonder dat ik het besefte. Maar nu ... En het moest een naamvers zijn.
27
28
Het was al laat toen ik mijn versje herlas:
Misschien maakt een vers alles goed. Ik wil dat de taal van Bob het weer doet. Carbonpapier8 heeft Gert niet meer nodig. Hij ziet zeer zeker nogmaals het licht. En Ferre kent weer elke stad. Laat die opnieuw toe in zijn woordenschat. Wanneer ik die ochtend op de speelplaats kom, zijn de jongens aan het voetballen. Hettie staat me op te wachten. ‘Goedemorgen, Michel, is het gelukt?’ ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik denk het wel. Ik heb mijn best gedaan.’ ‘Mag ik het lezen?’ vraagt Hettie. Ik haal het gedicht uit mijn rugzak en geef het haar. Op dat moment voel ik een stekende pijn in mijn hoofd. En dan niets meer.
29
30
Ik lig op een bed in een klein lokaal. Onze meester zit bij me en vraagt hoe ik me voel. Ik heb hoofdpijn, maar wil toch naar de les. Wanneer ik in de klas binnenkom, zegt Bob: ‘Oef, Michel, we waren ongerust over je.’ Gert en Ferre knikken hun hoofden er bijna af. ‘Gaat het, Michel?’ Ik knik. Bob zegt: ‘Bedankt, ik weet weer hoe ik moet schrijven.’ En Gert zegt: ‘Mijn rechterhand kan weer tekenen.’ En Ferre zegt: ‘Bamako is de hoofdstad van Mali.’ Hettie knipoogt naar me. Ik knipoog terug.
31
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8
32
kwiet = iemand die raar is tinteling = lichte prikkeling een taalknobbel hebben = heel goed zijn in taal gensters = vonken kortsluiting = elektrische storing allergie = overgevoeligheid waardoor je jeuk krijgt of ziek wordt grinniken = zachtjes lachen met je mond dicht carbonpapier = papier dat aan één kant zwart is waarmee er een kopie of doorslag kan worden gemaakt als er druk wordt uitgeoefend tijdens het schrijven, tekenen of typen
Op een dag krijgt Michel een bal tegen zijn hoofd geschopt, waardoor hij flauwvalt. De dagen daarna schrijft Michel af en toe een gedicht over een jongen uit zijn klas. En elke keer gebeurt er met die klasgenoot iets heel erg vreemds ...
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Magali Eeckelaert Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.