ucatieve uitgaven
Louis
BIEB
De jongen die blinden leerde lezen Inge Bergh
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 3
2
Louis De jongen die blinden leerde lezen
1
2
Het begin Dag. Ik ben Louis Braille. Ik kwam op de wereld in 1809. Midden in de winter. In een dorpje niet ver van Parijs. Het jaar was pas vier dagen oud. Mijn ouders waren zo trots op mij! Mama zegt dat ik amper sliep. Ik keek alsof ik alles wou zien. ‘Het was alsof je het wist.’ Dat zei ze vaak. Want toen ik drie was ging het mis. Ik prikte met een priem1. Recht in mijn oog. Het oog was niet meer te redden. En mijn andere oog ontstak2. Zalfjes, windels3, kruiden, niets hielp. Ik werd blind. En dat was het begin van alles.
3
School Mijn ouders stuurden mij naar school. Ze wilden een goed leven voor mij. ‘Je bent wel blind,’ zeiden ze. ‘Maar niet dom.’ En dat was waar. Ik onthield alles wat de meester zei. Hij vond mij een goede leerling. Mijn ouders waren erg trots op mij. Papa die hielp mij bij het leren. Hij klopte nagels in een plank. Die kon ik voelen. Zo leerde ik het alfabet. Toen ik tien jaar was, ging ik weg. Ik verliet mijn school. Het dorp waar ik thuis was. En mijn lieve ouders. Mijn hele leven veranderde. Ik moest naar school in Parijs.
4
School in Parijs Ik ging er naar een school voor blinden. Maar er zaten ook dove mensen. Het gebouw was oud en koud. We zaten er met veel te veel bij elkaar. Daardoor werden we vaak ziek. Het eten was er niet lekker. We aten bijna elke dag pap en bonen. En het water dat we dronken, haalden ze recht uit de Seine. Dat was een vuile rivier vol modder. Datzelfde water diende voor ons bad. Daar mochten we één keer per maand in. Bah!
5
Vrienden Maar het was niet enkel kommer en kwel4. Ik maakte er ook veel plezier. Thuis was er niemand anders blind. Hier waren er veel blinden. Die wisten wat er in mij omging. Waar ik mee sukkelde. En waarom ik me soms triest voelde. Dat was leuk. Ik maakte dan ook snel vrienden.
6
Lesdag Per dag kregen we wel dertien uur les. Maar we moesten ook vaak werken. Dat werd ook ‘les’ genoemd. Want we zaten met honderd op school. En er waren maar veertien boeken. Dus wisselden we af. Ik deed altijd goed mijn best. Want ik was blij dat ik iets leerde. Ik haalde dan ook goede punten. Ik startte er als leerling. Maar negen jaar later gaf ik er zelf les. Mijn ouders waren echt heel erg trots. Als blinde man kon je toen niet veel doen. Vaak leerde je manden vlechten. Of leefde je op straat. Daar moest je mensen om geld vragen. Blinde mensen waren meestal arm. Maar nu had ik een goed beroep. Ik gaf les. En ik was muzikant. Ik speelde orgel tijdens de mis.
7
8
Letters Wij leerden toen nog lezen met letters. Romeinse letters gekapt in steen. Of gemaakt van dik papier. Helaas ging dat heel moeizaam. We lezen met onze vingers. Het zijn onze ogen. Maar met die letters lukte het niet goed. We moesten iets anders bedenken. Liefst geen letters. Letters werken goed voor zienden. Niet voor blinden. Het moest iets simpels zijn. Iets wat je goed kunt voelen.
9
Lezen in het donker Charles Barbier bracht redding. Hij was een kapitein uit het leger. En hij ontwierp een soort schrift. Soldaten konden dat in het donker lezen. Zo moesten ze geen licht maken. Want als de vijand je kon zien, dan schoten ze je dood! Het schrift bestond uit streepjes en punten. Die moest je voelen. De basis was een blokje met twaalf punten. Die punten moest je prikken. Dat deed je met een prikpen en een prikblok. De punten waren makkelijk te voelen. Het lezen ging erg vlot. En het schrijven of prikken ook. Wij sukkelden nog steeds met die letters. Maar dit was veel beter leesbaar!
10
Ik pikte het snel op, en leerde het aan mijn vrienden. Al snel gebruikten we het vaak. Dat vonden onze leraars niet leuk. Want zij konden dat niet lezen. Ze waren er niet blij mee.
11
Kleiner en beter Ik was erg blij met het schrift. Toch was er ook wat nadeel aan. Je kon er geen noten mee schrijven. En ook geen getallen of andere tekens. Dat was erg jammer. Er waren ook te veel puntjes per blokje. De blokjes waren te groot voor onze vingers. Daar moest ik dus nog iets op vinden. Ik herschikte de puntjes. Ik maakte de blokjes kleiner. Er pasten nu zes puntjes in. Die pasten onder één vingertop. En ik kon er 63 tekens mee maken. Genoeg voor het alfabet. Voor muziek. En nog veel meer. Mijn schrift was klaar. Ik was toen zestien jaar. En erg in mijn nopjes5!
12
13
Niet aanvaard Ik stelde mijn schrift voor op school. Ik wist zeker dat ze het zouden willen. Maar het werd niet aanvaard. De leraars konden het niet lezen. Dus keurden ze het af. Ze zeiden dat het prikken stoorde. Het maakte te veel lawaai. Het zou te druk worden in de klas. Er zou geen orde meer zijn. Ik was het er niet mee eens. Ze zeiden maar wat. Omdat ze het zelf niet konden lezen. Ze wilden het niet eens leren. Zo stom! Ik was boos. Maar ik kon niets doen. Zij waren de baas toen.
14
15
Leraar Ondanks die domper6 deed ik het goed. Ik bleef mijn best doen. En ik werd in veel vakken de beste. Drie jaar later werd ik leraar. Wat een eer7! Ik gaf graag les. En ik wilde een goede leraar zijn. Dat lukte ook. Want ik begreep de blinden goed. Net omdat ik zelf niet kon zien. Daarom was ik erg geliefd. Maar ik gaf niet alleen les. Ik speelde ook orgel. Parijs is groot en heeft veel kerken. Ik was dus veel op pad. Toch vergat ik mijn schrift niet. Ik bleef het aanpassen. Ik maakte het beter. En ik stelde het keer op keer weer voor.
16
Maar men bleef ‘neen’ zeggen. Gek werd ik ervan! Toch was het niet helemaal een flop8. Ik mocht het aan de koning tonen. En de leerlingen kenden het allemaal. Ze schreven elkaar briefjes met mijn schrift. En daar was ik stiekem blij om!
17
Dood Ik leefde helaas niet lang. Het leven was bar9 en moeilijk. Veel geld was er niet. We aten sober. We dronken vuil water. En we werkten erg hard. Dat eiste zijn tol10. Ik was vaak ziek. Mijn lichaam herstelde steeds trager. En op een keer werd ik niet meer beter. Ik was 43 jaar toen ik stierf. Dat was in het jaar 1852. Ik stierf veel te jong. Ik had nog zoveel willen doen. Maar het was niet anders. Men begroef mij in mijn dorp. Dicht bij mijn oude huis.
18
Braille Pas twee jaar na mijn dood was het zover. Mijn schrift werd erkend! Men noemde het schrift naar mij. Braille. Het werd dé lees- en schrijftaal voor blinden. Wat een eer! En ook nu wordt braille nog gebruikt. Het bestaat nog steeds uit blokjes. Per blokje vind je zes puntjes. Die puntjes druk je uit het papier. Zo kun je ze voelen met je vinger. Vroeger deed men dat met de hand. Maar nu heeft men daar een printer voor.
19
Eerste boek In 1873 was het eerste boek in braille er. ‘De geschiedenis van Frankrijk’ heette het. Het werd gedrukt door mijn school. De school voor jonge blinden in Parijs. Vind je dat niet grappig? Al die jaren wilden ze mijn schrift niet. Toch drukten ze het eerste boek. Helemaal in braille. Het was een erg dik boek. Dat kwam door het dikke papier. Braille wordt altijd op dik papier gedrukt. Dat is nodig voor de puntjes. De puntjes moeten uit het blad geduwd worden. Anders kun je ze niet voelen.
20
Beroemd Toen ik nog leefde, was ik arm. Ik moest erg hard werken. Ik was niet bekend. Maar na mijn dood werd ik beroemd. Dat kwam door mijn schrift. Alle blinden gebruiken het. Over de hele wereld. Is dat niet geweldig?
21
Helden Honderd jaar na mijn dood werd ik gevierd. Het werd een heel groot feest. Je kunt nooit raden wat men deed! Men groef mijn kist op en droeg die door de straten van Parijs. Gevolgd door een hele stoet blinden. Zo bracht men mij naar het Panthéon. Dat is een groot gebouw. Het is 110 meter lang en 85 meter breed. Het heeft een koepel van wel 83 meter hoog. Onder het Panthéon bevindt zich een crypte11. In die crypte vind je veel graftombes. Daarin liggen grote Franse helden begraven. Nu lig ik daar ook. Of het grootste deel van mij toch.
22
Handen De mensen van mijn dorp waren niet blij. Ik was geboren in dat dorp. Ik had er tot mijn tiende gewoond. Ik was één van hen. Zij wilden dat ik daar bleef. In het graf waar ik al honderd jaar lag. Ze waren boos. Toen kreeg iemand een idee. Ik hoefde niet in één stuk naar Parijs. Men kon een stuk van mijn skelet nemen en dat in het graf in mijn dorp laten. Toen nam men mijn handen. Die stopte men in een ander kistje. Nu ligt mijn skelet in Parijs. En mijn handen liggen in mijn dorp. Stel je voor!
23
Woorduitleg 1 priem = breinaald 2 ontsteken = rood en dik worden 3 windels = verband 4 kommer en kwel = last 5 in je nopjes zijn = vrolijk zijn 6 domper = tegenvaller, iets dat niet gaat zoals je het wilt 7 eer = iets wat je een goede naam geeft en waarvoor mensen je bewonderen 8 flop = mislukking 9 bar = ruw en streng 10 zijn tol eisen = slechte gevolgen hebben 11
24
crypte = grafkelder
Ik ben Louis Braille. Toen ik drie was, werd ik blind. Ik was arm en had het niet makkelijk. Maar toch werd ik heel beroemd. Want ik leerde blinden lezen en schrijven. Wil je mij beter leren kennen? Lees mijn verhaal in dit boek.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Lucy Elliott Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622825
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.