Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 3 - Kijker 2 - Thema 1 - N1 - IJzerman

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

IJzerman Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 3

2


IJzerman

1


2


Vlak bij het grote woud stond het kasteel van de koning. Op een dag stuurde hij zijn beste jager uit. ‘Ik heb zin in hertenvlees. Breng me een hert.’ De jager vertrok met het geweer op zijn schouders. Toen de zon onderging, was hij nog steeds niet terug. Ook na drie dagen keerde hij niet terug. Daarom stuurde de koning er een tweede jager op uit. ‘Breng mijn beste jager terug naar huis,’ sprak hij. Maar ook de tweede jager kwam niet terug. De koning stuurde al zijn jagers uit. Maar niemand kwam terug. ‘Er ligt een vloek op het woud!’ riep de koning woedend. Vanaf die dag mocht niemand nog in het woud gaan. De dieren hadden er vrij spel. Het woud was nu helemaal opnieuw van hen. Het enige wat de mensen zagen, waren de roofvogels die boven het bos vlogen. Op een dag kwam er een jonge jager naar de koning. ‘Sire, ik wil voor u werken. Ik ben een goede jager. Ik ben niet bang en ik wil voor u het woud in gaan.’ De koning weigerde: ‘Jongeman, het is daar niet pluis. Er hangt een boze vloek in het woud.’ Maar de jonge jager hield vol. ‘Ik zal de vloek van het woud wegnemen.’

3


De koning stemde in. De volgende dag vertrok de jager met zijn hond. De hond rook onmiddellijk een spoor. Hij rende het donkere woud in. En de jager rende hem achterna. Ze kwamen aan een diepe, zwarte poel. De hond blafte en ging tekeer. Het water stonk en er kwamen bellen naar boven. Opeens kwam er een blote, harige arm uit de poel naar boven. Die probeerde de hond te pakken te krijgen. Maar de hond kon net op tijd wegspringen. Vlug haalde de jager drie sterke mannen met emmers. Ze schepten het stinkende water uit de poel. Op de bodem van de poel lag een wilde man. Hij zag er gruwelijk uit. Zijn hele lijf was bedekt met haren. Zijn huid had de kleur van verroest ijzer. Het haar op zijn hoofd viel tot op de grond. Hij zag eruit als een wild monster. De mannen bonden hem stevig vast. Ze brachten hem aan een touw naar de koning. De wilde man werd in een kooi opgesloten. En omdat de koning hem altijd in het oog wilde houden, werd de kooi op het slotplein gezet. Niemand mocht de wilde man naderen. De koningin bewaarde de sleutel van de kooi. Het woud was weer veilig voor iedereen.

4


5


De koning en de koningin hadden ook een zoon. Milan was net acht jaar geworden. Op een dag speelde hij met zijn gouden bal op het slotplein. Steeds hoger en hoger ging het. Maar opeens was de bal verdwenen. De wilde man in de kooi had hem te pakken gekregen. Hij lachte naar Milan. ‘Ik heb hem!’ ‘Geef me mijn bal terug!’ eiste Milan. ‘Als je me vrijlaat, krijg je hem terug,’ zei de wilde man. ‘Dat mag niet van mijn vader,’ antwoordde Milan boos. ‘Ik weet niet eens waar de sleutel ligt.’ De volgende dag was de koning niet thuis. ‘Krijg ik nu mijn bal?’ vroeg Milan smekend. De wilde man fluisterde vanuit de kooi: ‘Haast je! De sleutel ligt onder het kussen van je moeder. Nu heb je de kans om je bal terug te krijgen.’ Milan haalde snel de sleutel onder het kussen van zijn moeder. Hij opende het deurtje van de ijzeren kooi. De wilde man gooide de bal naar de prins en sprong uit de kooi. Maar Milan riep: ‘Toe, loop niet weg! Mijn vader zal me slaan!’ De wilde man keerde terug. Hij nam Milan op zijn schouders en rende met hem het donkere bos in.

6


7


Toen de koning terugkwam, was Milan verdwenen. Op het plein zagen ze de lege kooi. De koning werd bijna gek van angst. Dagenlang werd er gezocht. Maar niemand vond de kleine prins. Het land was in diepe rouw. Overal kon je de zwarte vlaggen halfstok zien hangen. De wilde man hield de jongen gevangen in het bos. ‘Milan, jij hebt me bevrijd. Je zult je ouders nooit meer terugzien. Maar ik zal als een vader voor je zijn. Als je doet wat ik je vraag, zal ik mijn rijkdom met je delen. Ik ben IJzerman, en ik ben niet wild.’ Milan kreeg een bed van mos.

8


Een hol in een grote boom werd zijn huis. En iedere dag kreeg hij te eten en te drinken. Tien jaren gingen er voorbij. Op een dag nam IJzerman hem mee naar een bron. In het water glinsterde kristal en goud. ‘Milan,’ zei IJzerman. ‘Jij moet voor de bron zorgen. Het is heilig water. Zorg dat er nooit iets in valt! Geen blaadje of geen takje. Alleen zo blijft de bron heilig.’ Milan deed wat hem gevraagd werd. Van ’s morgens tot ’s avonds zat hij daar. Hij waakte over de heilige bron. Soms zong hij een lied, maar niemand luisterde. Soms sneed hij met zijn zakmes iets uit een tak. Maar niemand zag het. Soms sprak hij tegen de dieren, maar niemand die hem verstond. Op een dag sneed hij per ongeluk in zijn vinger. Het deed pijn. Zonder nadenken stak hij zijn vinger in het water. Toen hij zijn hand terugtrok, zag hij dat zijn vinger van goud was. Hoe hard hij ook wreef, het goud kreeg hij niet weg. Ook de bron was veranderd. Ze glansde iets minder. Toen hij ’s avonds thuiskwam, hield hij zijn hand in zijn zak. Maar IJzerman zag het. ‘Jij hebt de bron bezoedeld met je vinger. Deze keer zal ik het door de vingers zien. Maar pas op! Zorg dat er niets meer in valt!’ De volgende dag zat Milan weer bij de bron.

9


Een wesp kwam op zijn voet zitten en stak hem. Het brandde! Vlug stak hij zijn voet in de bron om af te koelen. Te laat! Zijn voet kwam er in goud weer uit. En de bron glansde iets minder.

10


Ook al probeerde Milan zijn gouden voet te verstoppen, IJzerman zag het. ‘Ik geef je nog één kans! Zorg dat er niets in de bron valt! Of het is gedaan met je!’ De dag erna deed Milan nog meer zijn best. Maar opeens zag hij een gouden vis zwemmen. Hij keek en volgde de vis. Hij zag ook dat de stenen in de bron van puur kristal waren. Hij boog zich dieper om beter te kunnen kijken. Zijn lange lokken werden nat. Te laat. Zijn haren waren veranderd in glanzend goud. En de bron was troebel geworden. IJzerman was woest. Hij riep: ‘Nu kan ik niet meer voor je zorgen. Ga weg, trek de wereld in. En voel maar eens wat het is om arm te zijn.’ Milan stond op. En net toen hij het hol wilde verlaten, zei IJzerman: ‘Omdat je een goed hart hebt, wil ik je nog helpen. Als je in nood bent, roep dan mijn naam. Dan ben ik er.’ Milan verliet het woud en stapte de hele dag door. Hij hield steeds zijn hoedje op. Niemand mocht zien dat hij een gouden hoofd had. Na drie dagen kwam hij in een ander land aan. Hij meldde zich aan bij het slot van de koning. De kok kon wel een hulpje gebruiken. ‘Veeg jij de as weg uit de vuurplaats en hak de houtjes voor het vuur.’ Dat deed Milan. Maar juist die dag kwam de koning de keuken binnen op zoek naar iets lekkers.

11


Iedereen deed zijn hoed af, behalve Milan. ‘Waarom doe jij je hoed niet af?’ vroeg de koning boos. ‘Ach sire, ik heb luizen in mijn haar,’ zei hij. ‘Dan hoor jij niet in de keuken. Ga!’ beval de koning. Omdat de kok medelijden had, kreeg Milan een werkje in de tuin. Hij moest de rozen snoeien en de mest verspreiden. Omdat het warm was, deed Milan heel even zijn hoedje af. Er was toch niemand te zien. Net op dat moment kwam de prinses in de tuin. Ze zag in de verte de jongen met de gouden haren. Wie was hij? Vlug liep ze naar hem toe. Maar Milan had zijn hoedje weer opgezet. ‘Jongen, breng eens een boeket bloemen naar mijn kamer?’ beval ze. Milan plukte de mooiste bloemen en bracht ze naar de prinses. Bij het binnenkomen hield hij zijn hoedje op. ‘Het is niet beleefd om je hoed op te houden,’ zei de prinses. En ze probeerde zijn hoedje af te trekken.

12


13


Milan holde de kamer uit. Sinds die dag liet de prinses iedere dag bloemen brengen. En iedere dag probeerde ze zijn hoedje af te trekken. Ze vond de tuinknecht leuk. En Milan vond haar ook erg leuk. En mooi. Zo mooi dat hij iedere dag aan haar moest denken en de allermooiste bloemen voor haar plukte. Maar op een dag gebeurde er een ramp. De vijand van de koning viel het land binnen met meer dan duizend soldaten. De koning had slechts honderd soldaten. Veel te weinig om het land te verdedigen. Dus riep hij iedere man op om mee te vechten. Iedereen zou een paard krijgen, een schild en een zwaard. Ook Milan bood zich aan. Maar hij werd uitgelachen door de anderen. ‘Wat moet jij hier, simpele knecht. Ga terug naar je tuin en je mesthoop!’ Maar Milan bleef volhouden. Hij wilde zijn leven riskeren voor de koning. En natuurlijk ook voor de prinses, maar dat zei hij tegen niemand. Men gaf hem geen schild of zwaard. Ook geen paard. Hij kreeg een kreupele ezel. ‘Als je hier de oorlog mee kunt winnen, ben je een held!’ lachte de baas van de soldaten.

14


Toen trokken ze ten strijde. ‘Hinkele pink, hinkele pink!’ riepen de andere soldaten toen ze Milan op zijn kreupele ezel zagen. Ze kwamen aan bij een donker bos. De vijand lag er verscholen. Terwijl de soldaten sliepen werden ze omringd door de vijand. Ze probeerden nog hun zwaard te trekken en te vechten. Te laat. De meesten onder hen sneuvelden. Milan trok met zijn ezel dieper het bos in. Hij riep driemaal: ‘IJzerman! IJzerman! IJzerman!’ Lang hoefde hij niet te wachten. Opeens stond IJzerman voor zijn neus. ‘Wat wens je mijn jongen?’ ‘Ik wil een goed paard en drieduizend soldaten!’

15


16


‘Zo zal het gebeuren,’ sprak IJzerman. Hij klapte in zijn handen. En opeens stond er een leger van sterke mannen voor Milans neus. Ze droegen gouden harnassen en gouden helmen. Milan vertrok met zijn leger. De vijand werd volledig overrompeld. Er werd heftig gevochten. Er vielen vele doden. Milan bleef op het slagveld tot de laatste vijand was verdwenen. De koning reed naar hem toe en vroeg: ‘Wie ben jij? En waarom heb je me geholpen om de vijand te verslaan?’ ‘Ik ben de gouden ridder,’ sprak Milan. ‘Ik ben ook de man die uw dochter liefheeft.’ Milan vertrok en ging naar de plaats waar hij IJzerman had gesproken. Hij riep hem en zei: ‘Geef me mijn kreupele ezel terug.’ Zo gebeurde het. Toen hij terug aankwam bij het kasteel, werd hij uitgelachen. ‘Waar was je, domme hinkele pink? Lag je soms te slapen terwijl wij ons leven waagden?’ ‘Ik heb al het werk gedaan,’ antwoordde Milan. ‘Zonder mij was het slecht afgelopen.’ De koning wilde weten wie die gouden ridder was die de vijand had verjaagd. Hij richtte een feest in. Alle mannen van het land moesten komen. Aan zijn dochter zei hij: ‘Jij moet een gouden appel gooien. Jij mag ook de beloning uitspreken. Misschien wordt de appel opgevangen door de onbekende ridder.’

17


Milan ging terug naar IJzerman en vroeg: ‘Help me de appel te vangen. En geef me opnieuw het gouden harnas.’ De volgende dag stonden alle ridders er. Ook Milan stond er. Niemand herkende hem.

18


De prinses kwam op de tribune staan. Ze gooide de appel naar beneden. Milan ving de appel op. Iedereen verwachtte dat hij het vizier van zijn helm zou openklappen. Maar dat deed hij niet. Hij draaide zich om en draafde weg. De prinses wilde weten wie hij was. Dus gaf ze het bevel hem te achtervolgen. De mannen van de koning achtervolgden de gouden ridder. Het was moeilijk om hem in te halen. Een van hen had zijn zwaard getrokken. Hij raakte per ongeluk het paard van de gouden ridder. Het paard steigerde. Milan werd op de grond gesmeten. Daarbij viel zijn helm af en de mannen zagen zijn gouden haar. Zijn val op een scherpe steen had hem ook verwond. Hij bloedde. Milan sprong weer op zijn paard en verdween in het donkere woud. De mannen van de koning stopten met hun achtervolging. Toen ze weer bij het kasteel waren, brachten ze verslag uit bij de koning. Ook de prinses zat op haar troon. ‘De ridder heeft haren van goud,’ zeiden de mannen. ‘Ach, dat kan ook door het zonlicht komen,’ sprak de koning. ‘Dat heb je soms bij blonde mensen.’ ‘Hij is ook van zijn paard gevallen!’ sprak een andere man. ‘Daarbij heeft hij zijn been verwond.’ De koning begreep er niets meer van. Waarom was de gouden ridder weggereden? Waarom kwam hij zijn beloning niet halen? De prinses glimlachte.

19


Ondertussen had Milan zijn gouden harnas en paard teruggegeven aan IJzerman. Daarna reed hij met zijn kreupele ezel naar de tuin van het kasteel. Hij zette zijn hoedje weer op en snoeide de rozen. Alsof er niets was gebeurd. De volgende dag vroeg de prinses naar de tuinman. ‘Weet jij iets meer over die jongen die de rozen snoeit?’ vroeg ze vriendelijk. De man had zijn pet afgezet en friemelde er verlegen aan.

20


‘Ach prinses, het is een rare kwast. Nooit zet hij zijn hoed af. Ook niet als ik het vriendelijk vraag. Hij praat met niemand. En niemand weet waar hij vandaan komt. Hij weigert om in een bed te slapen. Hij slaapt liever op de hooizolder. Maar een betere tuinknecht heb ik nooit gehad. De bloemen bloeien zoals nooit tevoren. En hij is goed voor mijn kinderen. Hij speelt met hen en hij geeft ze de lekkerste hapjes die hij uit zijn mond spaart. Onlangs had hij een appel mee van echt goud. Hij gaf het aan mijn jongste kind. De appel is zo veel waard dat we geen zorgen meer hoeven te hebben. Het is een man met een gouden hart.’

De prinses wist genoeg. Ze knikte vriendelijk naar de tuinman en sprak: ‘Breng de jongen om klokslag twaalf uur naar de troonzaal. Zo gebeurde het.

21


De prinses liet iedereen komen. Ook haar vader, de koning zat op zijn troon. Klokslag twaalf uur kwamen de tuinman en Milan naar binnen. Milan zag eruit als een arme man. Met gescheurde kleren en vuile vegen van het vele werk in de tuin. De prinses ging naar hem toe en trok zijn hoedje af. De gouden haren vielen tot op zijn schouders. Iedereen keek verbaasd. De koning ging voor hem staan. ‘Spreek de waarheid. Ben jij de ridder die de gouden appel heeft opgevangen?’ Tegen een koning lieg je natuurlijk niet. Milan boog zijn hoofd en knikte. De koning kwam wat dichter. ‘En ben jij verwond geraakt aan je been?’ Weer knikte Milan. Hij trok een broekspijp op. Iedereen kon zien waar de punt van de steen een snede had gemaakt. ‘Ben jij de redder van mijn land?’ vroeg de koning nog. ‘Ja, sire, dat ben ik,’ sprak Milan. ‘Dan mag mijn dochter de beloning uitspreken,’ sprak de koning. De prinses stond op. ‘Met deze jongen wil ik trouwen,’ zei ze. ‘Niet omdat hij een dappere ridder is die de vijand kan verjagen. Niet omdat hij gouden appels kan opvangen. Niet omdat hij een wonde heeft aan zijn been. Niet omdat zijn haren van goud zijn. Maar wel …’ Het was muisstil in de troonzaal.

22


‘Ik trouw met hem omdat hij een hart heeft van goud. Omdat hij bescheiden is. Omdat hij iedere dag het mooiste boeket bloemen voor me heeft geplukt. En omdat hij goed is voor kinderen.’ Milan en de prinses trouwden. Er werd een prachtig feest gegeven. Ook de mensen in het land mochten meevieren. Ze kregen taart en druiven.

23


En overal in de straten klonk er muziek. De koning was blij met de gouden ridder. Hij had immers de vijand verjaagd. Toen ze aan de tafel zaten en de muzikanten speelden, ging de deur open. Een mooie man met een kroon van kristal kwam naar binnen. Hij boog voor de koning en voor het jonge paar. ‘Ik ben IJzerman en ik was vervloekt. Maar Milan heeft daar een einde aan gemaakt. Door mij te dienen en daarna ook de koning te dienen, heeft hij de vloek beëindigd. Na mijn dood zullen al mijn schatten hem toebehoren.’ En zo gebeurde het.

24


Er ligt een vloek over het bos van de koning. Samen met enkele dappere mannen trekt een jonge jager het bos in. Met heel veel moeite krijgen ze een wilde man te pakken die de oorzaak is van de vloek. IJzerman wordt in een kooi opgesloten. Op een dag valt de gouden bal van prins Milan in de kooi van IJzerman. De wilde man kan ontsnappen en neemt Milan mee.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 3. ISBN 978 90 486 2282 5 Bestelnummer 60 1021 297 KB D/2015/0147/338 NUR 191 Illustraties: Seppe Van den Berghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622825

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook