Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 7 - Thema 2 - N1 - Klein maar dapper

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Klein maar dapper Heidi Walleghem

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

7


Klein maar dapper

Spot maakt veel lawaai in de schuur. Hij werkt er al dagen aan zijn uitvinding. Nu nog één vijs indraaien en het werk is af. ‘Hiermee maak ik alle hazen vrolijk,’ zegt Spot. En het is net op tijd klaar! 1


Spot holt de schuur uit. Zijn broers Puk en Wip komen er ook net aan. Maar ze rennen hem in een hoog tempo voorbij. ‘Wacht op mij!’ bedelt Spot. ‘Ik wil dit jaar ook deelnemen!’ Op zijn korte pootjes holt hij hen na. Ze rennen naar de grote wei. Daar wachten al honderden hazen. De oudste haas staat op een boomstam. ‘Alle hazen op een rij!’ beveelt hij. ‘Van groot naar klein!’ In een mum van tijd1 staan ze keurig naast elkaar. ‘Prachtig,’ mompelt de oude haas goedkeurend. Spot staat helemaal aan de rand van de rij.

2


‘Stilte!’ beveelt de oude haas. Je kan een speld horen vallen2 in de wei. ‘Het is bijna Pasen,’ zegt hij. ‘Dat is een drukke tijd voor ons. We moeten heel wat lekkers rondbrengen. Vandaag kies ik de hazen die op pad mogen.’

3


Het hart van Spot klopt in zijn keel. Wat vreselijk spannend! Dadelijk zal Spot voor het eerst op pad mogen met lekkers. Want voor het eerst is hij oud genoeg. De oude haas stapt langzaam van de boomstam. Hij hinkt in de richting van Spot. Hij bekijkt Spot van top tot teen. Eindelijk is het zover, denkt Spot. Nu mag ik een mand vol chocola halen. Die breng ik naar de mensen. Maar de oude haas schudt afkeurend het hoofd. Hij zegt: ‘Spotje, ga naar huis. Je bent hier nog te jong voor.’ Spot kijkt de oude haas met grote ogen aan. ‘Nee,’ zegt hij geschrokken, ‘ik ben oud genoeg!’ ‘Maar je bent nog zo klein,’ zegt de oude haas.

4


‘Klein maar wel dapper,’ zegt Spot. ‘Ik kan best een mand naar de mensen dragen.’ De oude haas schudt zijn hoofd. ‘Kom volgend jaar maar terug,’ zegt hij. Spot kan zijn oren niet geloven3.

5


Spot huilt dikke tranen. ‘Kop op, jongetje,’ troost moeder haas hem. ‘Volgend jaar ben er je vast en zeker wel bij. Je moet alleen nog een klein beetje groeien. Om een mand te dragen, moeten hazen groot en krachtig zijn.’ Spot stampt op de grond. ‘Dat is niet waar!’ roept hij koppig. ‘Ik hoef niet meer te groeien! Want ik heb in de schuur …’ Maar moeder haas luistert niet meer naar hem. Haastig vult ze de manden van zijn broers. Want als het straks nacht wordt, moeten ze allebei op pad. Moeder, Wip en Puk rusten nog wat uit. Maar Spot ijsbeert4 door het huis. ‘Ik wil mee op pad,’ zegt hij nukkig.

6


Spot ziet de manden vol snoepgoed staan. Hij pikt een ei uit een mand en eet het op. En daarna nog een kip van chocola. En nog wat suikergoed … Spot smult de ene lekkernij na de andere op. Nu is de mand niet meer vol. Er is plaats zat voor een kleine haas als Spot.

7


Moeder haas zwaait Puk en Wip uit. ‘Waar is ons Spotje heen?’ vraagt Puk. ‘Ik wil hem nog goedendag zeggen.’ ‘Spot ligt vast in de schuur te mokken5,’ zegt Wip. ‘Laat hem maar rustig zijn gang gaan. Het is hoog tijd om te vertrekken.’ ‘Voorzichtig, jongens!’ zegt moeder nog. ‘Het is buiten donker en gevaarlijk.’ ‘Niet bang zijn, moeder,’ zegt Wip. ‘We doen dit niet voor het eerst.’ Moeder kijkt haar stoere jongens na. Dan kijkt ze naar de schuur. Zou ze Spotje gaan troosten? Nee, hij wil nu vast niemand om zich heen. Morgen zal hij alles vergeten zijn.

8


Het ruikt heerlijk in de mand van Puk. Spot ligt gezellig tussen een ei en een kip. Hij wiegt zachtjes heen en weer. Maar ook al is het nacht, Spot valt niet in slaap. Naar de mensen gaan, is veel te spannend.

9


Spot hoort Puk en Wip met elkaar praten. ‘We zijn aan de rand van het bos,’ zegt Wip. ‘Hier scheiden onze wegen. Ik vertrek naar de stad en jij naar het dorp. Durf je alleen te gaan, Puk?’ ‘Natuurlijk, geen probleem,’ zegt Puk. ‘Ik heb dat al eens gedaan. Ik ken de gevaren. Ik mag niet hard rennen. Want dan breekt al het lekkers. Ik mag niet in slaap vallen. Want dan kom ik te laat. Ik mag me niet door een jager laten vangen. Ik moet me haasten zodat de zon me niet ziet. Want van de zon smelt al het lekkers.’

10


Wip is fier op zijn broer. ‘Wat heb je je les goed geleerd!’ zegt hij. ‘We zien elkaar morgen thuis terug. Dag Puk, geniet van je wandeling!’ ‘Dag Wip, tot binnenkort!’ ‘Dag Wip,’ fluistert Spot in de mand.

11


Puk zet er flink vaart achter. Hij wil zo snel mogelijk bij de mensen zijn. Het liefst nu ze nog slapen. De mand schudt heen en weer op zijn rug. Rustig, Puk, wil Spot roepen. Maar dat durft hij niet. Want als Puk hem opmerkt, zwaait er wat. Puk gaat steeds harder. Dat is niet wat hij aan Wip beloofd heeft. Het ei naast Spot kraakt. O jee, denkt Spot, het lekkers gaat stuk. Ik moet wat doen. Hij zet zich recht in de mand. Hij neemt het oor van Puk zachtjes beet. Stilletjes zegt hij: ‘Je gaat te hard, Puk.’

12


Geschrokken blijft Puk staan. Hij kijkt angstig om zich heen. ‘Is daar iemand?’ vraagt hij met een bibber in zijn stem. Hemeltje, zou daar een jager zijn? Puk rilt. Hij voelt zich opeens zo eenzaam zonder Wip.

13


‘Krak!’ doet een tak onder de poot van Puk. Geschrokken wipt hij op. Puk zet het op een lopen. Zo hard hij maar kan. Hij let niet op de stenen die uit het veld steken. ‘Au!’ schreeuwt Puk ineens. Hij struikelt over een puntige steen. De mand met lekkers zoeft door de lucht. En Puk landt hard met zijn neus op de grond. Roerloos blijft hij liggen. Spot klautert beduusd6 uit de mand. ‘Kun je niet opletten, Puk?’ roept hij boos. ‘Enkele eieren zijn stuk! En de kip is haar staart verloren! Wat een boeltje maak jij ervan.’

14


Maar Puk antwoordt niet. Zijn ogen blijven gesloten. Spot schrikt zich een hoedje7. ‘Is dat bloed uit je neus, Puk?’ vraagt hij. ‘Toe, Pukje, kijk me aan,’ smeekt Spot.

15


Puk zucht ineens heel diep. Hij doet langzaam zijn ogen open. ‘Spotje? Hoe heb jij me gevonden?’ vraagt hij. ‘Dat wil je helemaal niet weten,’ zegt Spot. ‘Kom, ik help je recht, Puk.’ ‘Au, dat is te pijnlijk,’ jankt Puk. ‘Mijn rug doet ontzettend zeer. Laat me op de grond liggen, Spotje.’ ‘Ik haal moeder om te helpen,’ zegt Spot. ‘Nee,’ kreunt Puk. ‘Eerst moet iemand het snoepgoed rondbrengen. Want straks verschijnt de zon aan de hemel. Dan smelt al het lekkers. Ren om een sterke haas, Spot. Die moet in mijn plaats naar het dorp.’

16


Spot gaat er als een pijl uit een boog vandoor. ‘Help!’ roept hij luidkeels in het bos. ‘Ik zoek een sterke haas!’ Maar er is in het hele bos niemand te bespeuren. Want alle sterke hazen zijn vandaag al op pad. Wat nu gedaan?

17


Ineens heeft Spot een schitterend idee. Hij holt het bos door recht naar zijn schuur. Daar staat zijn nieuwe uitvinding. Die is veel sterker en sneller dan een haas. Moeder is nergens te bespeuren. Waarschijnlijk slaapt ze nog. Spot is er blij om. Ze hoeft zich geen zorgen om hem te maken. Hij kan dit helemaal alleen. Hij rijdt het houten ding uit de schuur. Het is een soort kar, maar dan met één wiel. Spot rijdt met het ding het bos in. ‘Ik ben misschien wel klein maar ook heel dapper!’ roept hij fier. ‘Ik zal Puk eens laten zien wat ik kan!’

18


Puk ligt nog steeds gewond op de grond. ‘Hier ben ik met een snelle haas!’ roept Spot. Puk kijkt verbaasd naar het houten ding. ‘Wat wil je daarmee beginnen?’ vraagt hij. ‘Deze uitvinding brengt jouw snoepgoed naar de mensen,’ zegt Spot fier. Spot laadt al het lekkers op zijn kar.

19


In een mum van tijd is Spot in het dorp. Wat gaat het heerlijk snel met de kar. Spot rijdt tuin in en tuin uit. Hij verstopt het snoepgoed op moeilijke plekjes. Hij is maar net op tijd klaar. Want daar komt de zon al piepen. En hij hoort een kind roepen: ‘Kijk! Daar loopt een haas met een kruiwagen!’ Haastig maakt hij zich uit de voeten. ‘Het is gelukt!’ roept hij al van ver naar Puk. ‘Dat is een pak van mijn hart,’ kreunt Puk. ‘Kom, Puk, nu laad ik jou op mijn kruiwagen,’ zegt Spot. ‘We moeten zo snel mogelijk naar moeder. Ze zal zich al vreselijk veel zorgen maken.’

20


Moeder stapt angstig heen en weer. ‘Wat is er toch aan de hand?’ vraagt ze. ‘Je bent al meer dan een uur thuis, Wip. En je moest een heel eind verder dan Puk. En waar is Spotje heen? Er moet iets ergs gebeurd zijn.’ Moeder huilt.

21


‘Daar in de verte komt Spot!’ roept Wip ineens. ‘Hij duwt een houten kar voort!’ ‘Hemeltje, Puk ligt op de kar!’ roept moeder. ‘Hij is gewond!’ Ze snellen naar Spot en Puk. ‘Spotje heeft me gered,’ zegt Puk. ‘Hij is wel klein, maar echt heel dapper. Zie je wat hij gemaakt heeft in de schuur? We kunnen voortaan met die kar op tocht. Dat gaat stukken sneller.’ ‘Dat moet ik zeker aan de oude haas vertellen,’ zegt moeder trots. De oude haas brengt heel wat vrienden mee. Ze zijn allen nieuwsgierig naar de kar van Spot. ‘Jouw kruiwagen is groots,’ zegt de oude haas. ‘Net als jij, Spot.’ Spot groeit van trots. ‘Mag ik volgend jaar mee op pad?’ vraagt Spot. ‘Daar twijfel ik niet aan,’ zegt de oude haas.

22


‘Joepie!’ Spot springt een gat in de lucht8. ‘En nu moet je dringend naar de schuur,’ zegt de oude haas. ‘Want ik wil een kruiwagen voor elke haas. Lukt dat, Spot?’ ‘Nou en of!’ roept Spot. ‘Klein maar dapper!’

23


Woorduitleg 1 in een mum van tijd = in heel korte tijd 2 je kan een speld horen vallen = het is heel stil 3 hij kan zijn oren niet geloven = hij is heel verbaasd over wat hij hoort 4 ijsberen = onrustig heen en weer lopen 5 mokken = laten zien dat je boos bent, maar niet zeggen waarom 6 beduusd = een beetje in de war en verbaasd 7 hij schrikt zich een hoedje = hij schrikt heel erg 8 hij springt een gat in de lucht = hij is dolblij

24


Joepie! Het is zover. Spot de haas is oud genoeg om met Pasen snoepgoed naar de mensen te brengen. Maar de oude haas zegt: ‘Je bent te klein, Spot. Voor dit soort werk moet je groot en sterk zijn.’ Spot is boos. Dan moet het maar op zijn manier: klein maar dapper!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Jo Houvenaghel Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 7 - Thema 2 - N1 - Klein maar dapper by die Keure - Issuu