Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 6 - Thema 8 - N3 - Wie wordt schildknaap?

Page 1

ucatieve uitgaven

Wie wordt schildknaap?

BIEB

Sofie De Moor

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

6


Wie wordt schildknaap?

1 ‘Roel en Wil, ridder Langslot heeft een nieuwe schildknaap nodig.’ Oom Jo kijkt de jongens streng aan. ‘Jullie zijn al een hele tijd op het kasteel. Als landheer is het mijn taak om jullie te melden dat één van jullie schildknaap kan worden. Daarom houden we een toernooi …’ Wil houdt zijn adem in. Zijn wangen bollen. Heeft hij dat goed gehoord? Mag één van beide jongens schildknaap zijn? Ridder Langslot helpen? Hem in zijn harnas hijsen? Zijn wapens dragen? Hem een duw in zijn kont geven als hij op een paard moet? 1


2


Net voordat het gezicht van Wil ontploft, neemt hij een hap lucht. En maar goed. Anders was zijn hoofd misschien tot aan de voeten van de landheer gerold. Dat zou geen goed begin zijn voor een schildknaap. Wil denkt aan alles wat Roel meer heeft dan hem. Roel heeft grote tanden. Dat is goed. Als je de vijand wil bijten. Of als je kip wil kauwen. Wil is zo diep in zijn gedachten verzonken, dat hij niet meer hoort wat oom Jo zegt. Roel buigt en gaat weg. Snel doet Wil hem na. Wanneer de zware deur dichtvalt, fluit Roel. ‘Laat het toernooi maar komen. Ik hak je in de pan1, kleintje.’ Hij lacht. Al zijn grote tanden bloot.

3


4


2 ‘Vier maal vijf ridders is gelijk aan … Hoeveel?’ De vraag priemt2 als een dolk door Wils gedachten. Hij weet het. Echt wel. Wil is goed in tellen. Behalve vandaag. Vandaag zit er maar één woord in zijn hoofd:

schildknaap! Wil kijkt naar de muur. ‘Ik weet het niet, Mon,’ zegt hij zacht. Zijn schouders zakken. Mon zucht. ‘Je bent niet bij de les. Jij kan beter!’ Roel steekt zijn vinger, als een donjon3, hoog de lucht in. ‘Weet jij het, Roel?’ ‘Twintig, Mon.’ Roel heeft niet alleen grote tanden, hij is ook slim, denkt Wil. Hij wordt zeker schildknaap van ridder Langslot.

5


6


3 Zoef, zoef, zoef, doen de pijlen van Roel. Ze gaan één voor één voor één de roos in. Op het plein net buiten het kasteel is Roel aan het schieten. ‘Dat was een makkie! Haal de pijlen, kleintje. Toon eens wat je kan,’ zegt Roel. Hij gooit de boog voor Wils voeten. En hij spuugt op de grond. Wil raapt de boog op en duwt zijn voeten in het gras. Hij ademt diep in en uit. Zijn hand ligt om de houten boog. Drie vingers trekken aan de pees waarop de pijl rust. Net als hij de pees wil loslaten, roept Roel: ‘Slome4 slak!’ De pijl vliegt van de pees. Recht de grond in. Een lach rolt uit Roels mond. ‘Oefen maar verder, kleintje. Ik ben al klaar voor het toernooi.’ Roel vertrekt met stoere passen. Zijn vinger gaat van links naar rechts over zijn keel. Wil slikt. Roel heeft niet alleen grote tanden, hij is ook slim. En hij schiet zijn pijlen raak.

7


8


4 Ik doe het nog eens zoals ridder Langslot het me getoond heeft, denkt Wil. Hij schiet de ene pijl na de andere af. De ene vliegt de lucht in, de andere maakt een gat in de grond. Maar Wil doet het nog een keer. En nog een keer. En nog een keer. Ook als ridder Langslot al lang weg is. De klok luidt. ‘Slotvolmietjes!’ vloekt Wil. Hij spurt de brug over. Dan holt hij door de poort, voorbij de wachters. Hij kruist het plein en valt de keuken binnen. ‘Wil! Je bent te laat!’ zegt de meid. Ze trekt een schort over zijn hoofd. ‘Sorry!’ piept Wil. Ze geeft hem een kruik met wijn en duwt hem de zaal in. ‘Zelfs op tijd komen lukt je niet,’ fluistert Roel. Zo goed als hij kan, schenkt hij oom Jo een glas wijn in. Dan vult hij het glas van ridder Langslot. Ridder Langslot knipoogt. Wil lacht.

9


Maar de kruik … De kruik is erg zwaar. Wils armen doen pijn. Van het schieten. ‘Mag ik nog wat wijn, jongen?’ vraagt oom Jo. Traag steekt Wil de kruik vooruit. Wil denkt aan wat Roel zegt. Hij is gemeen. De kruik trilt. Ze valt met een klap op de grond. ‘Jongen toch,’ zegt oom Jo, ‘gelukkig heb je geen zwaard in je handen. Anders had je al je tenen afgehakt.’ ‘Niet erg,’ zegt ridder Langslot. Wil bloost. Hij raapt de scherven op. ‘Nietsnut,’ fluistert Roel. Hij heeft gelijk, denkt Wil. Roel heeft grote tanden. Hij kan beter tellen. Al zijn pijlen schiet hij in de roos. En hij laat geen kruiken vallen. Hij is gewoon de beste. In alles.

10


5 Wil kan niet slapen. Hij telt zwaarden. Hij telt dolken. Hij telt pijlen met bogen. Hij telt ridders. Hij telt tanden. Hij rolt op zijn buik. En dan weer op zijn rug. Hij zucht en puft. Nu is het genoeg, denkt Wil. Ik wil schildknaap worden. Maar hoe? Roel is in alles de beste! Wil springt uit zijn bed en legt zijn oor tegen de koude muur. Hij hoort een zacht gesnurk. ‘Zelfs slapen kan hij beter dan mij.’ Wil denkt aan wat ridder Langslot hem leerde tijdens het boogschieten. Blijven oefenen, zei hij. En niet opgeven. ‘Dat is het!’

11


12


6 ‘Vier maal drie paarden, zijn er …?’ Nog voor Wil de kans krijgt om zijn hand in de lucht te steken, heeft Roel de oplossing klaar. ‘Twaalf!’ roept hij. Zijn grote tanden glanzen gemeen. ‘Vier maal vijf kantelen5?’ ‘Twintig!’ Alweer is Roel sneller. ‘Zes maal zes broden?’ ‘Zesendertig!’ Weer niks. Wil kijkt sip. Zijn hoofd slaapt nog.

13


‘Ik maak het moeilijk,’ zegt Mon, ‘hoeveel is twee maal vijftien?’ Roel wrijft over zijn kin. Hij weet het niet, denkt Wil. Dit is mijn kans! Twee keer vijftien. Kom op! Eerst doe je twee maal tien. Daarna nog eens twee maal vijf erbij. Mon kijkt Roel aan. Roel schuift over zijn stoel. Wils hand veert de lucht in. Blij kijkt Mon Wil aan. ‘Dertig,’ zegt Wil. ‘Zeer goed,’ zegt Mon, ‘dat was erg moeilijk.’ Wil gaat fluitend naar buiten. ‘Wat denk je nu? Dat je door één goed antwoord schildknaap mag worden? Denk je echt dat ridder Langslot zo’n slome slak wil?’ Roel heeft grote tanden. Hij is slim. Al zijn pijlen schiet hij in de roos. Hij laat geen kruik vallen. Hij zal schildknaap worden, denkt Wil. Ik moet nog meer oefenen!

14


15


7 Wil is al vroeg wakker. Vandaag is dé dag. Zijn maag krimpt in elkaar als hij denkt aan ... Roel. Slimme Roel met zijn grote tanden. Stop, denkt Wil. Ik ga mijn best doen. Op het plein staan oom Jo, Mon en ridder Langslot. Oom Jo kucht en zegt plechtig ‘Roel en Wil, het toernooi kan beginnen! Wie de vier proeven snel én goed uitvoert, wordt schildknaap. Veel geluk!’ Roel spuugt in zijn handen. Daarna gaat hij met zijn hand door zijn haar. Wil doet hem na. Misschien brengt het geluk. ‘Laat me eens je tanden zien!’ vraagt Roel aan Wil. Wil doet wat hij vraagt. ‘Ik wist het. Je hebt gewoon geen haar op je tanden6.’ Wil haalt zijn schouders op en neemt zijn pijl en boog. Ik wist niet dat er haar op je tanden kon groeien, denkt Wil. Gelukkig heb ik maar twee tanden.

16


17


8 Wil schiet een pijl en nog één. En nog één. En nog één. En nog één. ‘Nietsnut,’ lacht Roel. ‘Denk aan wat ik je geleerd heb,’ zegt ridder Langslot. Wil perst zijn tong tussen zijn lippen. Kom op! Je kan het, denkt hij. Wil sluit één oog. De pijl vliegt naar de boom, kaatst van de stam naar een tak en valt recht in de mond van Roel. ‘Raak!’ roept Wil blij. Ridder Langslot lacht. ‘Dat is meer dan raak! Dat is top! Je mag de tweede proef doen.’ ‘Das sniet sneer sluk!’ Roel draait en trekt aan de pijl die tussen zijn harige tanden zit. ‘Dat kan ik ook,’ brult hij als de pijl los is, ‘en ik kan het snel! Heel snel!’ ‘Toon het dan,’ zegt Mon. ‘Ik heb nog tijd!’ Oom Jo schudt zijn hoofd. Mon rolt met zijn ogen. En ridder Langslot kijkt naar Wil. Wil is druk bezig met het raadsel.

18


Een schildknaap moet een wolf, een schaap en een krop sla met een boot naar de overkant van de rivier brengen. In de boot is er enkel plaats voor de schildknaap en één dier of ding. Hoe geraken ze aan de overkant zonder dat ze elkaar opeten?

bootje met schaap -------------------- schaap leeg bootje vaart terug bootje met wolf ----------------------- wolf afzetten, schaap meenemen schaap afzetten, sla meenemen ----------sla bij wolf leeg bootje terug, schaap meenemen --gelukt!

19


9 Met klamme handen geeft Wil zijn papier aan Mon. Mon knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Knap! Dat is juist!’ ‘Een schildknaap is sterk. Breng de ton met wijn naar de keuken,’ zegt oom Jo. ‘Je kan het!’ zegt ridder Langslot. Mon klapt in zijn handen. En oom Jo steekt zijn duim omhoog. Wil tilt de ton op. Hij wankelt. En valt. Op de grond. Roel lacht. Hij steekt een spriet gras in zijn mond. ‘Nietsnut,’ zegt hij. Wil staat op. Hij denkt na. De ton is zwaar. Maar een ton rolt. En wie niet sterk is, moet slim zijn. Dus duwt hij de ton vooruit. Naar de brug. Voorbij de wachters. Over het plein. De meid staat aan de keuken te wachten. Ze roept hem toe. ‘Kom op! Je kan het!’ Het gaat traag. Maar het lukt. Wanneer Wil terug is, ziet hij dat Roel een pijl op zijn boog legt. Hij schiet. Van de eerste keer raak. En hij lacht. Al zijn harige tanden bloot. ‘Zie je wel! Ik ben de beste.’

20


21


Roel vliegt als een speer vooruit. Van de boog naar het raadsel naar de ton. Ridder Langslot gaat naar Wil toe. ‘Hier Wil, maak mijn zwaard schoon.’ Het is de eerste keer dat Wil een echt zwaard in zijn handen heeft. De belangrijkste taak voor een schildknaap is het poetsen van de wapens. Voorzichtig knielt hij neer. Met een doek gaat hij zacht op en neer. In het zwaard weerkaatst de gemene blik van Roel. ‘Zelfs nu ben ik sneller dan jou, kleintje!’ Roel heeft grote tanden met haar op. Hij is slimmer. Al zijn pijlen schiet hij in de roos. Hij laat geen kruik vallen. Maar ik heb een echt zwaard in mijn handen. En ik zal ervoor zorgen dat dit zwaard blinkt als nooit tevoren. Roel komt hijgend het plein op. Hij krijgt het schild van ridder Langslot en begint als een gek te poetsen. ‘Klaar!’ roept Roel. Wil kijkt op. Dan is hij toch beter dan mij, denkt hij.

22


Ridder Langslot schudt zijn hoofd. ‘Dit schild is niet net.’ Roel springt woest in het rond als hij ziet dat ook Wil klaar is. Traag neemt hij het zwaard in zijn beide handen. Hij knielt en geeft het aan ridder Langslot. Wil houdt zijn adem in. Ridder Langslot kijkt naar oom Jo. Oom Jo kijkt naar Mon. Ze knikken.

23


Woorduitleg 1 iemand in de pan hakken = iemand verslaan 2 priemen = steken 3 donjon = de grote toren van het kasteel waarin de landheer woont 4 sloom = traag 5 kantelen = bovenste delen van een kasteelmuur 6 haar op je tanden hebben = veel durven, niet bang zijn

24


Ridder Langslot heeft een nieuwe schildknaap nodig. Daarom houdt hij een toernooi. Roel is zeker dat hij de beste is. Wil weet niet goed of hij wel kan winnen tegen Roel …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Lise Vanlerberghe Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook