ucatieve uitgaven
Een gouden mandje voor Bawita
BIEB
Inge Bergh
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
6
Een gouden mandje voor Bawita
Pantoja Mijn mama heet Pantoja. Ze leefde op straat in Spanje. Net zoals haar moeder dat deed. Ze had geen mandje. Geen kom of leiband. Maar dat laatste was niet zo erg. Want ze had toch geen baasje. Niemand knuffelde haar. Of aaide haar vacht. Mensen vonden haar lastig. En heel erg vies. ‘Bah! Ga weg, vuile hond!’ riepen ze. ‘Je zit vol vlooien!’ Ze schopten haar. Of sloegen haar met een stok. Mijn mama was nergens welkom. 1
Papa Mijn papa ken ik niet. Maar soms droom ik van hem. Dan loopt hij op mij af. Zijn oren wapperend in de wind. Even houdt hij zijn kop schuin. Dan woelt1 hij zijn neus door mijn vacht. En ik kwispel en blaf.
2
Ik kan wel springen van geluk. Mijn papa weet wie ik ben! Hij herkent mijn geur! Maar dat is maar een droom. Ik zal mijn papa nooit echt zien. Mijn papa was er maar heel even. Hij speelde met mama in het gras. En kort nadat hij verdween, werden wij geboren.
3
Nestje We waren met vijf. Dampend lagen we in het gras. Blind en nog geen hand groot. Mama likte ons schoon. Daarna liet ze ons drinken. Mama had een nestje gemaakt. Achter in een weide. Verstopt in een diepe kuil. Ver weg van de boze mensen. Ons nestje was veilig. Dat dacht ze toch. Maar helaas ... Op een dag kwam een vrouw. Ze deed alsof ze lief was. Maar dat was ze niet.
4
5
6
Eten Wij hadden eten genoeg. We dronken bij mama. Met onze neuzen tegen haar buik. Maar mama had niks om te eten. En dus moest ze het nest verlaten. Op zoek naar voedsel. Ze deed het niet graag. Want wij bleven alleen achter. Maar mama kon niet anders. Zonder eten ging ze dood. En dan zouden wij ook sterven. Mama sloop door de wei. En rond het huis bij de stad. Daar zag de vrouw mama lopen. De vrouw volgde mama naar de wei. En zo ontdekte ze ons nest.
7
Sluw De vrouw was sluw. Ze gaf mama wat brokjes. En sprak lieve woordjes. Mama was schuw2 en gromde. Ze vertrouwde mensen niet. Maar deze vrouw deed zo lief. Zou dit een goed mens zijn?
8
De vrouw had geduld. Ze bleef mama voeren en sussen. En ze aaide haar vacht. Terwijl ze lieve woordjes sprak. Ik zag hoe mama smolt. Ze liet de vrouw bij ons nest. Op een dag nam de vrouw ons mee. Mama volgde haar. En dat was een grote fout.
9
Welkom De vrouw liep naar haar huis. Daar stond een grote doos met dekens. De vrouw legde ons in de doos. En mama ging bij ons liggen. Voor het eerst had mama een huis. Een plaats waar ze welkom was. De vrouw zorgde goed voor haar. Elke dag kreeg mama eten. Zodat ze dik en gezond werd. Zo kon ze ons goede melk geven. Maar de vrouw hield niet van mama. En ze hield ook niet van ons. Ze zorgde dat we sterk werden. Zo kon ze ons later verkopen.
10
Pups De vrouw wist niet veel van pups. Daarom belde ze naar ‘El Refugio’. Dat is een asiel. Er wonen veel honden. Honden die nergens welkom zijn. In het asiel werken redders. Zo noem ik ze. Want ze redden ons van de straat. De vrouw vroeg er om raad. Hoe verzorg je pups? Wanneer mogen ze brokjes eten? Ze vertelde dat ze ons had gevonden. En dat ze voor ons wilde zorgen. Maar dat ze niet van ons hield. En mama vlug weer weg zou jagen. Dat vertelde ze niet.
11
Gouden mandje In Spanje leven veel honden. Vaak gewoon op straat. Niemand geeft ze een kans. Ze worden gevangen. En ze krijgen een spuitje. In El Refugio gebeurt dat niet. Een hond heeft liefde nodig. Van een baasje dat van hem houdt. Met hem speelt en voor hem zorgt. Een hond heeft een huis nodig. Met een kom en een mand. Een plaats waar hij altijd veilig is. De redders noemen dat: ‘een gouden mandje’. ‘Elke hond verdient dat,’ zeggen ze.
12
Te koop Hoe zou het met de pups zijn? Vroegen de redders zich af. En ze belden naar de vrouw. De vrouw zei dat alles goed ging. We groeiden en waren gezond. En ook met mama ging het goed. Dat zei ze zonder blozen. Ik geloofde mijn oren niet. De vrouw loog. Ze had mama op straat gezet. En keek niet meer naar haar om. Maar dat wisten de redders niet. Ze geloofden de vrouw. En ze waren dankbaar en blij. Maar de klok tikte. Want de vrouw wou ons verkopen!
13
Betrapt De vrouw was in haar nopjes3. Haar plan werkte goed. Niemand wist van iets. Ze had mama al op straat gezet. Zonder eten of drinken. En wij aten nog niet veel. Dat was lekker goedkoop. Nu moest ze ons snel kwijt. En liefst voor heel veel geld. Ze maakte een foto van ons. En plaatste die op internet. ‘Hondjes te koop,’ schreef ze. Maar de vrouw had pech. De redders ontdekten de foto. Ze waren boos en geschokt. Hoe kon de vrouw dat doen?
14
Een leugen Mama lag in het oude nest. Ze had honger en dorst. En haar vacht was dof4. De redders namen haar mee. Ze wasten en verzorgden haar. En gaven haar eten en drinken. Toen reden ze naar de vrouw. Maar de vrouw liet hen niet binnen. Wij waren van haar, zei ze. En daarom mocht ze ons verkopen. Dat was een leugen. We waren van niemand. Alleen maar van mama. De vrouw was sluw en gemeen. Maar niemand kon iets doen.
15
Politie De redders belden de politie. Die kwamen naar het huis. Ze keken rond en letten goed op. Ze zagen dat mama er niet was. En dat vonden ze verdacht. Je zet je eigen hond niet op straat. Zeker niet als die kleintjes heeft. Dat is gemeen! De vrouw hield niet van ons. Dat zagen ze meteen. De vrouw mocht ons niet houden. Ze was heel erg boos. Ze brulde en ze tierde. Maar ze moest luisteren. Want de politie was de baas. En daar was ik blij om.
16
17
18
Internet De redders gaven ons een naam. Mij noemden ze ‘Bawita’. Ik vond het een mooie naam. Het klonk speels en vrolijk. De naam paste goed bij mij. Ze maakten ook een foto. Die zetten ze op het internet. Net als de vrouw dat had gedaan. Maar de vrouw wilde rijk worden. Ze ging op zoek naar een koper. Die ons wou kopen voor veel geld. De redders waren zorgzaam. Ze zochten een lief baasje. Iemand die er altijd voor ons zou zijn.
19
Vliegtuig Op een dag was het zover! Ik kreeg een mandje. In een land heel ver weg. Bij twee lieve mensen. Ik zou het asiel verlaten. En naar België reizen. De redders hadden het druk.
20
Want ik zou niet alleen reizen. We waren met vier. En we moesten vliegen. Ik vond het vliegtuig niet leuk. We zaten diep in het ruim. Het was er donker En de motoren ronkten luid. Ik dacht dat ik doodging. Wat was dat eng!
21
Baasjes Daar stonden ze dan. Mijn nieuwe baasjes. ‘Bawita!’ riepen ze uit. Alsof ze mij al jaren kenden. Ze streelden mij. Maar ik was nog wat schuw. En moest nog wennen. Ik keek mijn baasjes aan. En duwde mijn neus in hun handen. Ze roken naar hond. Net zoals de redders in het asiel. Hun ogen blonken. En ze hadden blond haar. Het deed me denken aan de wei. En het droge Spaanse gras. Ik voelde me plots een beetje thuis.
22
Nieuw huis Mijn baasjes toonden mij het huis. En ook de andere honden. Ze hadden er al drie. Mijn leven is zo anders nu. Ooit sliep ik onder de Spaanse zon. Nu lig ik naast de kachel. En naast mij ligt Fee. Samen plagen we Lotte en Aziz. Zij zijn de grootste honden. Maar ze zijn al oud. Hun poten zijn al stram5. Ik heb twee baasjes die van mij houden. En een huis waar ik welkom ben. Met mijn eigen kom en mandje. Ik kwam van ver. Maar nu ben ik eindelijk thuis.
23
Woorduitleg 1 2 3 4 5
24
woelen = druk bewegen schuw = bang ze was in haar nopjes = ze was heel blij dof = zonder glans stram = stijf, moeilijk te bewegen
Bawita is een Spaans hondje. Haar moeder heet Pantoja. Op een dag liggen de hondjes in een wei. Ze worden ontdekt door een vrouw. Maar meent de vrouw het wel goed?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Lucy Elliott Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.