ucatieve uitgaven
BIEB
Niet zomaar een hond Stijn Moekaars
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
5
Niet zomaar een hond
1
1 Een doos voor de deur Op een ochtend gaat de bel bij het huis van Stan. Dat moet de postbode zijn, denkt hij. Hij trekt de deur open en ... geen postbode te zien. Er staat zelfs niemand aan de deur. Wat vreemd, denkt hij. Wie heeft er aangebeld? Dan ziet hij een doos staan. Een grote kartonnen doos met een blad op. Heeft de doos gebeld? Dat kan toch niet.
2
Stan buigt voorover en leest wat op het blad staat.
Zorg goed voor mij, dan ben ik heel blij. Stan krabt in zijn haar. ‘Dat lijkt wel een doos van een dichter,’ zegt hij. ‘Moet ik voor deze doos zorgen?’ Opeens beweegt de doos. Stan schrikt en springt naar achteren. ‘Zie ik dat goed? De doos beweegt?’ Voorzichtig tikt hij tegen de wand. Tik, tik. De doos tikt terug. Tik, tik. 3
Er zit iets in, denkt Stan. Hij krabt boven aan de klep. De doos krabt terug. ‘Piep?’ zegt Stan tegen de doos. ‘Waf!’ zegt de doos terug. Stan kijkt verbaasd. ‘Waf?’ ‘Waf!’ blaft de doos weer. Voorzichtig trekt Stan de klep open. Een klein grijs kopje komt naar boven. ‘Waf!’ blaft het hondje. Zijn rode tong hangt uit zijn bek. Twee zwarte oogjes kijken naar Stan. 4
‘Jij bent een hondje,’ zegt hij. ‘Waf!’ blaft de hond terug. ‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt hij. De hond kwispelt met zijn staart. ‘Hoe heet jij?’ wil Stan weten. De hond likt over zijn zwarte neusje. ‘Tja,’ blaast Stan. ‘Zo kom ik niet veel te weten.’ Hij kijkt nog een keer naar de brief.
Zorg goed voor mij, dan ben ik heel blij. ‘Zal ik dat dan maar doen?’ lacht Stan. 5
Hij haalt de kleine hond uit de doos. Stan krijgt een grote lik in zijn oor. ‘Die is al gewassen, hoor,’ zegt hij. ‘Heb je honger?’ Het hondje kwispelt weer met zijn staart. ‘Kom maar binnen,’ zegt Stan. ‘Ik wil net gaan ontbijten.’
6
2 Een naam voor een hondje Stan gaat in de keuken. Het hondje loopt achter hem aan. Zijn staart steekt recht in de lucht. ‘Ik moet een naam voor je vinden,’ zegt Stan. ‘Heb jij een idee?’ ‘Waf!’ zegt het hondje. ‘Waf?’ zegt Stan verbaasd. ‘Dat is een beetje gek, niet? We moeten iets anders vinden.’ Stan gaat aan tafel zitten. Hij heeft worst en ei gebakken. Dat is lekker als ontbijt, vindt hij.
7
‘Waf!’ blaft de hond. Hij springt tegen de tafelpoot op. ‘Heb je ook honger?’ vraagt Stan. Hij doet een beetje worst in een kom. In één, twee, drie is het stukje verdwenen. ‘Dat was snel,’ zegt Stan. ‘Nog een stukje?’ Het hondje kwispelt met zijn staart. Zijn tong hangt uit zijn bek. ‘Misschien moet ik je Hap noemen,’ lacht Stan. ‘Dat kun je goed. Worstjes happen.’ Stan drinkt een slok van zijn koffie.
8
‘Hap de hond? Dat klinkt wat gevaarlijk. Dan is iedereen bang van jou. Wat denk je van … eh…’ Hij kijkt naar de krant. Op het eerste blad staat een grote titel. Er staat: ‘Wie vond El terug?’ ‘Kijk, hondje,’ zegt Stan dan. ‘Ze hebben kleine El weer terug. Hij was weggelopen op het strand. Wie vond El?’ Stan wacht even. ‘… vond El ...’ mompelt hij. ‘Vondel, vondel. Dat is het! Ik noem je Vondel. Wat vind je ervan?’
9
‘Waf, waf!’ blaft het hondje vrolijk. Hij springt hoog op. Dan maakt hij een draai in de lucht. Stan lacht luid. ‘Ik denk dat je Vondel ook goed vindt, niet?’ ‘Waf!’ zegt Vondel en hij zet zijn poot op het bordje. ‘Je wilt nog worst, Vondel?’ knikt Stan. ‘Komt er aan.’ Hij legt zijn laatste stukje op het bord. Hap, slik en de worst is verdwenen.
10
3 Op pad ‘Kom, Vondel,’ zegt Stan, ‘we gaan naar het park.’ Hij doet de hond een riem aan. ‘Je moet naast mij lopen,’ zegt Stan. ‘En niet te hard trekken. Kom.’ Samen wandelen ze de straat uit. Op de hoek van de straat staat een dame. Ze heeft een jas aan met bont. Ook aan haar handtas zit bont. Ze wacht om over te steken. Stan knikt even.
11
De dame kijkt Stan aan van kop tot teen. Ze steekt haar neus in de lucht. Dan kijkt ze weg. Plots begint Vondel hard te blaffen naar de dame. Hij trekt aan de riem. Van schrik laat de dame haar handtas vallen. Vondel schiet naar de handtas. Hij snuffelt aan het bont. Dan blaft hij weer en zwaait met zijn staart. ‘Hij wil met de tas spelen,’ lacht Stan. ‘Hij denkt dat het ook een hondje is.’
12
‘Mijn handtas?’ zegt de dame boos. ‘Weet u wel hoe duur mijn tas is?’ Vondel blijft snuffelen aan de handtas. ‘Hij vindt je tas heel erg lief,’ zegt Stan. ‘Ik vind uw hond niet lief,’ zegt de dame kort. Vlug raapt ze haar handtas op. Dan steekt ze de straat vlug over. Stan en Vondel stappen verder. ‘Het park is niet ver meer,’ zegt Stan. Plots geeft Vondel een ruk aan de riem. De lus schiet los.
13
‘Hola!’ roept Stan. Maar Vondel rent naar de slagerij. Voor het raam blijft hij staan. Met zijn poot tikt hij tegen het raam. Verbaasd kijkt de slager naar de hond. Stan komt aangerend. ‘Heb je slager Mil gevonden?’ zegt hij. ‘Gaan we kijken of hij worst heeft?’ Vondel blaft luid. Samen stappen ze de winkel binnen. ‘Heb je een nieuwe hond?’ vraagt slager Mil.
14
Stan knikt. ‘Er stond een doos voor mijn deur. Daar zat Vondel in.’ ‘Vondel?’ vraagt de slager verbaasd. ‘Toffe naam.’ ‘Heb je een stukje worst voor ons?’ vraagt Stan. ‘We gaan naar het park.’ Slager Mil steekt een stuk omhoog. ‘Wat dacht je hiervan?’ Vondel begint luid te blaffen. ‘Prima,’ knikt Stan. ‘Bedankt en tot morgen.’ ‘Tot morgen, Stan. Tot morgen, Vondel,’ lacht de slager.
15
4 In het park In het park zitten Stan en Vondel op de bank. Stan neemt zijn boekje en pen. Hij kijkt even rond. Dan schrijft hij in zijn boekje. Vondel kijkt Stan aan. Hij tikt met zijn poot op het boekje. ‘Wil je weten wat ik schrijf?’ lacht Stan. ‘Het is een gedicht. Ik lees het voor. Luister.’
16
‘We zitten in het park, hondje Vondel en ik. We kijken naar de vijver en eten worst, hap, slik. Een eend komt heel dichtbij. Dat is wel straf. Mijn hondje snuffelt en blaft dan heel blij ...’ ‘Waf!’ blaft Vondel vrolijk.
17
Stan kijkt zijn hondje aan. ‘Dat is te gek. Jij kunt ook rijmen. Waf rijmt op straf.’ Vondel kwispelt met zijn staart. Vlug schrijft Stan nog meer zinnen op. ‘Luister, Vondel,’ zegt hij. ‘Ik lees nog een gedichtje voor. Doe je mee?’ Vondel legt zijn poot op het boekje. ‘Daar gaan we,’ zegt Stan.
18
‘Er stond eens een doos voor mijn voordeur klaar. Ik heb niets besteld, dacht ik, dat is wel raar. Uit de doos kwam een hondje. Ik riep luid: ‘Wat lief.’ Mijn hondje snuffelde en blafte dan heel vrolijk ...’ ‘Wief!’ blaft Vondel.
19
‘Wat goed van jou!’ roept Stan. ‘Wief rijmt op lief. Jij bent een echte dichter.’ Vondel tikt met zijn poot op het boekje. ‘Wil je nog meer?’ vraagt Stan. ‘Luister goed, dichter Vondel.’
‘Het was donker, midden in de nacht. Iedereen sliep zo zalig onder de wol, zo zacht. Toen sloop er rond het huis een grote enge boef. Maar Vondel joeg hem weg met een stevige ...’ ‘Woef!’ blaft Vondel. ‘Dat is het!’ roept Stan. ‘Vondel, jij en ik worden beroemd. Let maar eens op.’
20
5 Een verrassing ‘Ga je mee, Vondel?’ zegt Stan. ‘We gaan naar de stad.’ Vondel kwispelt bij de deur. Stan doet de riem aan. Daar gaan ze. Op de hoek van de straat blijven ze staan. Daar is de dame weer met de handtas. De handtas met het bont. Als ze Vondel ziet, gaat ze naar hem toe. ‘Wat goed van jou,’ zegt ze tegen Vondel. Ze aait hem over zijn kop. ‘Doe zo verder.’ Vondel begrijpt er niets van. Eerst is ze boos. Nu is ze lief.
21
Stan en Vondel gaan voorbij de slagerij. Slager Mil rent naar buiten. Hij zwaait met de krant. ‘Wat goed, zeg!’ roept hij. ‘Jullie staan in de krant. Daar hoort een stevig stuk worst bij.’ Hij geeft Vondel een heel groot stuk worst. Vondel steekt zijn tong uit. Zo veel worst! Dat gebeurt niet vaak. ‘Doe zo verder, jongen,’ knikt de slager. Vondel begrijpt er niets van.
22
Stan en Vondel gaan verder. Ze wandelen voorbij het park. Vondel wil spelen. ‘Nu niet, jongen,’ zegt Stan. Vondel begrijpt er niets van. Ze spelen toch altijd in het park. ‘Ik moet je eerst wat laten zien,’ zegt Stan. Dan blijft hij bij een raam staan. In de winkel liggen heel veel boeken. In het midden ligt een hoge stapel. Bij die boeken staat een foto van ... Vondel. De hond tikt met zijn poot tegen het raam. Wat doet die foto hier?
23
‘Daar is hij!’ roept een man. Hij rent de winkel uit. Achter hem loopt een fotograaf. En nog één. Ze maken foto’s van Vondel. Nog meer mensen komen rond de hond staan. Daar is de burgemeester. Hij geeft een toespraak voor alle mensen. ‘Het is een eer voor mij en voor onze stad,’ zegt hij. ‘Ik stel u voor: Hond Vondel, onze unieke dichter!’ Alle mensen klappen in hun handen. ‘Bravo voor Vondel!’ roepen ze. Stan heeft een boekje vast. ‘Dit is voor u, burgemeester,’ zegt hij. ‘Het eerste boek van Vondel.’ ‘Dat is tof,’ zegt de burgemeester. ‘Wof!’ blaft Vondel.
24
Op een dag staat er een doos voor het huis van Stan. Hij begrijpt er niets van. Wie heeft die doos hier gezet? En wat zit er in de doos? Dan ontdekt Stan het geheim van de doos. Een heel bijzonder geheim.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Rocío Del Moral Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.