Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 2 - Thema 8 - N3 - Wie wordt de nieuwe Pieterbaas?

Page 1

ucatieve uitgaven

Wie wordt de nieuwe Pieterbaas?

BIEB

Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

2


Wie wordt de nieuwe Pieterbaas?

1


2


Het was stil in het kasteel. Zelfs de Zwarte Pieten zwegen. Niemand zong een lied. De Sint zat aan zijn tafel. Het dikke boek lag open naast hem. Het kopje chocola zag hij niet. Er lagen koekjes bij. De Sint at niet van het lekkers. Er was een diepe rimpel op zijn voorhoofd. Hij had zelfs zijn mijter afgezet. Pedro keek bezorgd. Hij was de oudste Zwarte Piet. Hij wist wanneer de Sint een probleem had. Dat was nu. Hij kon het voelen aan zijn kleine teen.1 ‘Sint, wat scheelt er?’ De Sint keek op naar zijn beste vriend. ‘Pedro, we hebben te veel werk. Ieder jaar komen er kinderen bij. De zakken moeten worden gevuld. Er zijn te weinig koekjes gebakken. Ik heb nog een helper nodig. Te weinig handen voor het vele werk. Er moet een nieuwe Zwarte Piet komen. Ik ga op zoek. Nu.’

3


‘Waar dan?’ vroeg Pedro. ‘Het is al erg laat, Sint!’ ‘Ik ga naar de mensen toe,’ zei de Sint. ‘Daar vind ik zeker iemand. Pedro, wil jij mijn paard zadelen? Ik zal mijn warmste mantel aandoen. Het kan koud zijn in deze tijd van het jaar. Zet jij ook de Pieten aan het werk? Want ik blijf de hele nacht weg.’ Pedro snelde2 weg. Naar de Sint luisterde hij altijd. Daarna liep hij naar de stal. De schimmel3 van de Sint hinnikte. Pedro gaf haar een wortel, legde een warme deken op haar rug en keek of haar hoefijzers nog in orde waren. Dat moet! Op een dak lopen is een moeilijk werkje! De Sint was nog nooit van een dak gevallen. Pedro wel! Hij had geen hoefijzers onder zijn schoenen. Maar die ene keer … Met nieuwe schoenen ga je beter het dak niet op. Hij herinnerde zich de grote buil op zijn hoofd. En zijn gebroken voet.

4


Zes weken had hij in zijn bed gelegen. Dat is heel erg voor een Zwarte Piet. De Sint zette zijn mijter weer op, stak een koekje in zijn mond en dronk zijn kopje leeg. Zijn mantel was lekker warm. Hij kon tegen regen en sneeuw. Zijn staf kon hij beter thuis laten. Een staf is lastig als je op een paard zit. Zo, hij was klaar om te vertrekken. Buiten stond zijn paard al te wachten.

5


6


De Sint aaide de neus van de schimmel. ‘Hoor de wind eens waaien! Het zal nog stormen deze nacht. Maar dat zijn we gewoon, hé.’ Hij stopte een suikertje in de muil. Even later vertrok de Sint op zijn paard. Het was een donkere nacht. Maar de maan hielp een handje.4 Ze schoof enkele wolken opzij. Zo verlichtte ze de weg voor de oude man. ‘Dank je wel, lieve maan,’ sprak de Sint. ‘Niet te fel schijnen, hé! De kinderen mogen me nog niet zien. Want het is nog geen vijf december.’ Toen de Sint in de stad aankwam, waren bijna alle lichten uit. De mensen en de kinderen sliepen. De Sint stapte van zijn paard. Voorzichtig klom hij op de daken en luisterde aan iedere schoorsteen. Bijna iedereen sliep al. De kinderen lagen in dromenland.

7


8


Hier en daar was er nog iemand wakker. Zoals de bakker. Hij werkte de hele nacht door. Dat hoort zo bij een bakker.

De Sint dacht na. Op wat moest hij letten? Wat voor iemand had hij nodig? Zijn nieuwe Pieterbaas moest veel kunnen. En hij moest een hart van peperkoek hebben5. De Sint somde de regels even op. Daarbij telde hij op zijn vingers. Wat zijn de tien regels voor een Pieterbaas? 9


1 2 3 4 5

6 7 8 9 10 10

Een Piet moet op een dak kunnen lopen. Hij mag niet bang zijn in het donker. Hij moet van het snoep kunnen blijven. Hij moet zo stil zijn als een muis. Hij moet kinderen graag zien.

Hij moet picknickjes kunnen gooien. Hij moet zware zakken kunnen dragen. Hij mag niet bang zijn op zee. Hij moet door de schoorsteen kunnen. En hij moet speelgoed kunnen maken.


De Sint keek door de ramen naar binnen. Maar nergens zag hij iemand die zijn nieuwe Pieterbaas kon worden. Hij klom weer van de daken. Bijna gleed hij uit. Het had geijzeld6. En dan wordt alles spekglad7. Gelukkig geraakte hij veilig weer beneden. ‘Misschien moet ik eens wat verder zoeken!’ Hij bromde in zijn baard. Zijn adem kwam er in kleine wolkjes uit. Zijn handen en tenen werden koud. Maar dat was de Sint gewoon. Hij stapte langs een kleine weg bij een brug. ‘Hier is geen kat te zien,’ mompelde hij. Net op dat moment hoorde hij iets. ‘Miauw, miauw.’ Langs zijn benen voelde hij iets zachts. Het was een zwarte kater.

11


‘Hier is wél een kat te zien,’ sprak de kater. ‘Ik ben hier iedere nacht. Mag ik me voorstellen: Ik ben Felix, en dit hier is mijn wereld.’ De Sint kon de taal van de dieren verstaan. Dat kon heel handig zijn. Soms had hij de hulp van de dieren nodig. ‘Dag Felix, ik ben op zoek naar iemand. Iemand die heel speciaal is. Misschien kun jij me helpen?’ ‘Wie zoekt u, beste heer?’ sprak Felix. ‘U ziet er niet uit als een arme man. Een prins zult u hier niet vinden. Een edelman ook niet. Maar een bedelman vindt u hier wel. Hier wonen alleen arme mensen.’ ‘Ik zoek geen prins,’ sprak de Sint. ‘Ik wil iemand met een hart van peperkoek.’ De kater dacht na. ‘Dan ken ik iemand,’ sprak Felix, de kater. ‘Een hart van peperkoek, zei u? Daar bij die brug zult u iemand vinden. Ik loop wel even met u mee.’ Ze liepen samen tot bij de brug. Het was er pikdonker.

12


De maan spiegelde zich in het water. De Sint keek om zich heen. Nergens was een huis te zien. Alleen een brug, water en een hoop vuil. ‘Daar woon ik,’ zei Felix. Hij wees naar de grote hoop met vuilnis. ‘Nu moet ik weer weg,’ zei hij. ‘Ik ruik iets lekkers. Er ligt vis op mijn berg. Dat is wat ik het liefste eet. Onder de brug vindt u wat u zoekt.’ En weg was Felix, de kater. De Sint zag hem de berg op springen. De kater vond enkele lege blikjes. Misschien zaten er nog restjes zalm in.

13


De Sint krabde even in zijn witte baard. Bij de brug was niemand te zien. Er lag alleen wat vuil op de grond. Ook enkele lege flessen en wat oude doeken. Wat verder stond een kartonnen doos. Het stonk hier erg. De wind was ijzig en scherp. De Sint hield zijn mijter goed vast. ‘Hallo, is hier iemand?’ Alleen de stem van de wind was te horen. En zijn eigen stem natuurlijk. ‘Hoe-hoe, is hier iemand?’ De stilte hier was niet leuk. De Sint verlangde naar zijn warme zetel. Met zijn voeten dicht bij het vuur. Had de kater hem voor de gek gehouden8? Hier woonde zelfs geen arme drommel! Hier wilde niemand wonen. Dat was duidelijk. Zo een vreselijke plek. Opeens zag de Sint iets bewegen onder de brug. Zouden hier ratten zijn? Van ratten hield hij niet. Die diertjes knaagden aan alles.

14


Een klepje van de doos klapte open. En nog een klepje. Een klein jongetje kroop uit het doosje. Het kleine ventje zag er niet uit. Zijn hemdje was te klein. Zijn broekje was gescheurd. Hij had overal zwarte plekken op zijn huid. Zijn haar was in geen maanden gekamd. Aan zijn neus hing een bel met snot. Die veegde hij af met zijn mouw. Verbaasd keek de oude man naar de jongen. Dit kind kende hij niet. Hij had het zelfs nog nooit gezien. Stond zijn naam in het dikke boek? De kleine jongen lachte vriendelijk. ‘Dag meneej,’ zei hij. ‘Wie bent u?’ ‘Ik ben Sinterklaas.’ ‘Oh, die ken ik niet,’ antwoordde de jongen. ‘Woont u ook in een doos?’ De Sint schudde zijn hoofd. Hij kon zijn lach bijna niet inhouden. Dit kleine ventje was zo grappig. In zijn stem klonken belletjes. ‘Neen, ik woon in een kasteel.’ ‘Oh, dan bent u jijk?’

15


16


‘Jijk?’ vroeg de Sint. ‘Wat bedoel je?’ ‘Dat u veel centjes hebt! Mensen met centjes zijn jij.’ De Sint begreep het. Dit kleine ventje kon de r niet uitspreken. ‘Wat komt u hiej doen?’ vroeg het ventje. ‘Jongen, ik zoek iemand die me kan helpen. Ken jij zo iemand?’ ‘Ik help altijd gjaag,’ zei de jongen. Hij knikte lachend met zijn hoofdje. ‘Ik kan u helpen, want ik ben stejk!’ Het jongetje stroopte zijn mouw op en boog zijn arm tot aan zijn elleboog. Er verscheen een bultje op zijn arm. Niet groter dan een pingpongbal. ‘Ik zie dat je sterk bent,’ zei de Sint lachend. ‘En vertel eens: wie help je zoal?’ De jongen moest even nadenken. Hij stak daarbij zijn vuile vinger in zijn mond. ‘Ik help Schele Sjef en Handige Hennie. Kloeke Kajel help ik soms ook.

17


Maaj het meest help ik Bolle Billy. Hij is zo dik en vet dat hij niet dooj de schoojsteen kan. Daajom klim ik op het dak en ik kjuip dooj de schoojsteen. Zo kan ik de deuj openmaken. En Bolle Billy kan naaj binnen gaan. Van Bolle Billy kjijg ik altijd bjood.

18


Met kaas of choco. En ook een glaasje melk. Soms aait hij mijn hoofd. Dat heb ik gjaag.’ De jongen knikte trots naar de Sint. Sint was er niet gerust in. Wie waren die mannen? En wat deden ze in het holst van de nacht? Dus vroeg de Sint: ‘Waarom wil Bolle Billy in een huis? Waarom belt hij niet gewoon aan?’ De jongen haalde zijn schouders op. ‘Bolle Billy wil niemand wakkej maken. Hij helpt de mensen, zegt hij. Hij neemt dingen weg die te veel zijn. Dingen die de mensen niet nodig hebben. Ik steek ze in een gjote zak. En ik djaag de zak naaj zijn huis.’

19


De Sint knikte en streek over zijn baard. Hij begreep het maar al te goed. Die mannen waren rovers. Echte bandieten waren het. En ze maakten gebruik van deze jongen. Hij was hun grootste helper. Deze kleine jongen was een boefje. Een boefje met een hart van peperkoek. De Sint dacht na. Zou dit ventje een Pieterbaas kunnen zijn? ‘Hoe heet je, mijn jongen?’ ‘Ze noemen mij Pappejdidas.’ ‘Papperdidas! Wat een leuke naam! Een goede naam voor een Zwarte Piet. Papperdidas, ik hoor dat jij heel goed op een dak kunt lopen. En door een schoorsteen kunt kruipen. Een zak kun je ook al dragen. Maar kun je van snoepgoed afblijven?’ ‘Wat is snoepgoed?’ vroeg Papperdidas. ‘Is dat iets om op te eten?’ De Sint zwaaide even met zijn arm en hops! Daar lagen gouden centjes op de grond. En ook een biggetje van marsepein. ‘Wow!’ De jongen keek naar de centen.

20


‘Wat is dat?’ vroeg hij. ‘Neem maar,’ zei de Sint. ‘Dit zijn centjes van chocola, en dat is marsepein. Proef maar!’ Papperdidas nam een gouden centje, deed de wikkel9 eraf en proefde. ‘Wow! Wow! Zo lekkej!’ Daarna stak hij het biggetje in zijn mond. ‘Dit is het lekkejste wat ik ooit heb gegeten. Voojal de billetjes zijn lekkej. Ze smaken een beetje pikant.’ De kleine jongen glunderde10. De Sint lachte hardop. ‘Ik vind de billetjes ook het lekkerste.’ ‘Wil je er nog eentje?’ En weer plofte er een biggetje op de grond. ‘Sint, u kunt tovejen! Ik wil bij u blijven!’ ‘Beloof je dat je met je handen altijd van het lekkere snoepgoed zult blijven?’ ‘Ik beloof dat ik mijn handjes heel diep in mijn zakken zal houden.’ ‘Oké, dan mag je met mij mee. Jij wordt mijn nieuwe Pieterbaas. Je zult nog wel wat dingen moeten leren. Ik zal je ook kleren geven,

21


zodat je er echt uitziet als een Zwarte Piet.’ Papperdidas trok grote ogen11. ‘Ik wil altijd bij u blijven! Ik zal u altijd helpen! Kjijg ik dan ook een echt bedje? Met lakens en een dekentje?’ De Sint knikte en aaide het hoofd van de jongen. Hij floot ook op zijn handen. Daar kwam de trouwe schimmel aan. Ze had heerlijk in de weide gegraasd. De wind was gaan liggen. De maan blonk als een spiegel. Ze keek nieuwsgierig naar beneden. Sinterklaas tilde het jongetje op, en zette het vooraan op het paard. Papperdidas aaide de manen van het dier. ‘Paajd, ik ga met je mee! Ik ga in een echt kasteel wonen! Samen met de Sint die kan tovejen!’ De Sint gaf zijn paard de sporen. Ze reden de hele nacht door. De Sint zong zacht een lied.

‘Wie komt er alle jaren? Heel ver uit Spanje varen? Over de grote, woest zee? Sinterklaas! Hoezee!

22


Wie heeft een zak vol koekjes? Speelgoed en prentenboekjes? Wie heeft een zak vol lekkers mee? Sinterklaas! Hoezee!’ Toen de zon aan de horizon gluurde, kwamen ze aan bij het kasteel. Daar werd Papperdidas in een bad gestopt. Hij kreeg nieuwe kleren aan. En hij mocht slapen in een echt bedje. Hij leerde alles om een goede helper te worden. En werd Papperdidas een goeie Pieterbaas? Reken maar!

23


Woorduitleg 1 hij kon het voelen aan zijn kleine teen = iets heel goed kunnen aanvoelen 2 snellen = heel snel lopen 3 de schimmel = het paard 4 een handje helpen = meehelpen 5 een hart van peperkoek hebben = een heel goed hart hebben 6 ijzelen = regen die meteen op de grond bevriest 7 spekglad = heel glad 8 iemand voor de gek houden = iemand foppen 9 wikkel = verpakking 10 glunderen = heel blij kijken 11 grote ogen trekken = heel verbaasd kijken

24


De Sint heeft grote zorgen. Hij komt handen tekort voor al het werk. Hij besluit om op zoek te gaan naar een nieuwe helper. Maar wat moet iemand kunnen om een Pieterbaas te worden?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 7 8 9 0 4 8 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 2 - Thema 8 - N3 - Wie wordt de nieuwe Pieterbaas? by die Keure - Issuu