Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 2 - Kijker 2 - Thema 7 - N3 - Ik zie alles met mijn ogen dicht

Page 1

ucatieve uitgaven

Ik zie alles met mijn ogen dicht

BIEB

Kolet Janssen

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 2

2


Ik zie alles met mijn ogen dicht

1


Op de bus De bus zit vol. Mama zit met broertje op haar schoot. Voor mij is er geen plaats. De lussen zijn veel te hoog. Ik klamp1 me vast aan een ijzeren paal. Om me heen alleen ruggen en buiken. Het is raar om te rijden als je rechtstaat. Mijn voeten voelen de hobbels. Mijn armen worden langer in de bochten. Als ik mijn ogen dichtdoe, wordt mijn buik opeens ziek. Ik kijk snel weer naar buiten. Daar loopt een meisje met een paraplu: rood met witte stippen. We zoeven haar voorbij. Ting! De bus stopt. De deuren sissen open. Mama stapt uit met broertje in haar armen. De tree is hoog. Een buik met een grijze jas geeft me een duw. Ik spring. 2


De straat staat weer stil. Daar komt het paddenstoelenmeisje aan. De bus rijdt weg.

3


In het ziekenhuis Gangen met heel veel deuren. Achter elke deur een bed op hoge poten. Mensen met witte jassen lopen met snelle passen. Een kar ratelt2 voorbij. Waar zou opa zijn? Papa opent een deur. In het bed ligt een meneer met zijn ogen dicht. Pas als hij lacht, ken ik hem weer. Het is opa! Hij wiebelt met zijn tenen onder het laken. Papa praat met opa. Ik plak mijn tekening op de kast. Opa knipoogt naar mij. Het is een poes in felle kleuren, want opa mist zijn poes vast wel. Ik kijk naar de wielen onder het bed. Als het moet, kan opa rijden. De deur uit, de gang af, naar buiten. Helemaal tot bij zijn eigen huis. Dan gaat hij nooit meer weg.

4


5


In de supermarkt Mama weet precies waar alles staat. Ze surft met de kar van de tomaten naar de melk, van de erwtjes-in-blik naar de salami. Beetje bij beetje raakt de kar vol. Ik wijs naar de chips, maar mama schudt haar hoofd. Vandaag niet, betekent dat. Een grote pot choco mag er wel in. Aan de kassa staat een lange rij. Naast ons zit een baby in een kar. Hij huilt. Hij is het beu! Hij wil weg! Kiekeboe! Hij lacht als ik opduik van achter de kar. Mama roept me. Ik help met inpakken. Klaar! Mama betaalt. Dan zie ik de lekkere koeken in onze kar. Gauw naar huis!

6


Mijn lievelingseten Ik ruik het al in de gang. Mmm, mijn lievelingseten! De geur drijft op wolkjes naar mijn neus. En het water loopt me in de mond. ‘Zal ik de tafel dekken?’ stel ik voor. ‘Het is nog lang niet klaar,’ zegt papa. Dat is niet erg. Ik kan wachten. Ik weet dat het komt. Papa schilt en hakt. Hij gooit in de pan een scheutje van dit en een lepel van dat. Een snuifje en een paar blaadjes. En ik mag roeren. In een andere pan zwemmen witte sliertjes. Papa raspt kaas in een kom. ‘Aan tafel!’ roept hij. De voeten van broer op de trap. Ik zit al klaar voor het lekkerste moment van de week: Spaghetti van papa!

7


Ik verveel me Het regent. Ik weet niet wat ik kan doen. Al mijn speelgoed is saai. Mijn boeken zijn uit. De spelletjes zijn stom. Ik heb geen zin in een film. Ik weet niets om te tekenen. Er is niemand om mee te spelen. Ik zit op de grond en kijk naar buiten. Er gebeurt niets. Het regent nog altijd. Auto’s zoeven voorbij. Het water spat op. Wat een saaie dag! Ik ga op mijn rug liggen en staar naar het plafond. Daar gaat de bel. Het is tante Griet. Met mijn neef Tibo. ‘Zullen we een kasteel bouwen?’ vraagt hij. Hij graait in de bak met blokken. Ik spring recht. Opeens is alles weer leuk.

8


9


Op het kerkhof ‘Vandaag gaan we naar het kerkhof,’ zegt mama. Papa zet een grote pot met witte bloemen in de auto. Ze ruiken niet lekker. Er zijn veel paadjes op het kerkhof. En grote stenen met namen erop. Daar staan bloemen bij: gele, witte en paarse. Mensen lopen af en aan. Ze zoeken een graf en blijven daar staan. Twee kinderen spelen tikkertje tussen de graven. Papa loopt naar een graf achteraan. Hij zet onze pot met bloemen erbij. Ik weet wie er ligt in dit graf: papa’s kleine broertje. Die ging dood heel lang geleden, toen hij nog een baby was.

10


Dat kleine broertje zou nu – als hij nog leefde – mijn grote oom zijn. Ik mis hem niet, want ik heb hem nooit gekend. Papa wel. Hij zet de pot wat rechter. Mama geeft hem een kneepje in zijn arm. Het wordt even heel stil. Dan gaan we weer weg. Papa kijkt nog even om. En ik zwaai stiekem. Dag klein broertje van papa, dag grote onbekende oom.

11


Bij de tandarts In de wachtkamer liggen leuke boekjes, maar ik denk telkens aan wat komen gaat. Zal de tandarts een gaatje zien? Zal ze moeten boren? Ik schuif heen en weer op mijn stoel. We zijn aan de beurt! Ik klim in de stoel. Boven mijn hoofd straalt een lamp. Ik sper3 mijn mond al wagenwijd open. De tandarts lacht. ‘Even geduld,’ zegt ze. Ze doet me een papieren slabbetje4 om. Ze neemt een piepklein spiegeltje en met een ijzeren haakje peutert ze tussen al mijn tanden. Ik adem door mijn neus. Mijn wangen krijgen de kramp. Ik klem mijn vingers in elkaar. Heb ik altijd goed gepoetst? Heb ik soms te veel gesnoept?

12


‘Ziezo,’ zegt de tandarts, ‘klaar!’ ‘Geen gaatjes te vinden bij jou. Dat is prima!’ Dan zie ik de boor. Hij hangt in de lucht. Nee, boor! Vandaag mag je niet in mijn mond. Lekker puh!

13


Regen De regen stroomt. Het water spoelt door de goot en borrelt een vrolijk melodietje. Auto’s sissen voorbij. Mama houdt een paraplu in de ene hand en in de andere hand draagt ze haar tas, de autosleutel en de rugzak van mijn zusje. De sleutel valt in de goot. Mama zegt een lelijk woord. Ik raap de sleutel snel weer op. Mama heeft handen tekort. Zusje in haar zitje en ik ernaast. Mama achter het stuur. Alles ruikt naar regen. Mijn schoenen zijn nat. De ruitenwissers zwiepen heen en weer. Op de stoep loopt een man met een hondje. Het plast tegen een paal. Nog meer water!

14


Er rolt een druppel uit mijn haren naar mijn neus. Het kriebelt. Straks blijf ik lekker binnen. Daar is het warm en droog.

15


Op de stoep De stoep van mijn straat is een echt museum. Er is van alles te zien: Een scheve spijker. Twee elastiekjes: een blauw en een bruin. Drie sigarettenpeuken. Het klokhuis van een appel. Een buskaartje van eergisteren. Een eenzame handschoen, met elke vinger in een andere kleur. Een verse hondendrol. Een bierblikje, platgetrapt. Een muntstuk van 10 cent. Een lege briefomslag, met daarop: De heer Dewolf, Beekstraat 11. Een pakje zakdoekjes, nog bijna vol. Vier struikjes mos, met kleine groene pluizen. Een dode kever, op zijn rug. Een plas van wel drie stoeptegels lang, waar ik van mama niet in mag springen. Een donkerblauwe knoop met vier gaatjes.

16


Een plastic hoesje voor een fietszadel, rood met witte stippen. Twee snoeppapiertjes: een oranje en een groen. Een kapotte paraplu, binnenstebuiten en ondersteboven. En … au! Een lantaarnpaal! Die had ik niet gezien …

17


Mondje dicht Vandaag zeg ik niets. Er is toch niemand die luistert. Ik zwijg als papa me afzet aan de school. Ik speel met mijn vrienden zonder te praten. In de klas geef ik geen antwoord, ook niet als de juf me iets vraagt. Ik haal gewoon mijn schouders op. ‘Wat heb je?’ vraagt mijn beste vriend. ‘Waarom zeg je niks?’ Ik rol met mijn ogen en steek mijn handen in de lucht. Ik kan het niet uitleggen. Ik heb gewoon genoeg van al dat gepraat. Ik krijg toch nooit gelijk. Iedereen weet het altijd beter. Ze vinden dit en ze zeggen dat. Wat ik ervan denk, dat horen ze niet eens. Waarom zou ik dan nog praten? Ze zoeken het maar uit!

18


In mijn hoofd is het lekker stil. Best rustig als je niet hoeft te praten. Ik hoor mijn gedachten zoemen als vrolijke bijen in een bloemenwei. Heel diep vanbinnen zing ik een liedje, dat niemand kan horen. ’s Avonds zit ik op de bank en kijk tv. ‘Wil je een glas sap?’ vraagt mama. En opeens zegt mijn mond ‘ja’. Ik schrik er zelf van. Mama lacht en geeft me een zoen. ‘Fijn dat ik je stem weer hoor!’ zegt ze. Dat vind ik zelf ook.

19


Mijn bed Mijn bed is een boot. In mijn dromen vaar ik overal naartoe. Naar een land waar het nooit regent, waar niemand zeurt en het altijd weekend is. Ik beleef er stoere avonturen: Ik vang boeven en blus branden. Allemaal met mijn blote handen. Iedereen vindt mij geweldig! Mijn bed is een boot. Ik dobber5 zachtjes op het water van de slaap. Lekker warm onder mijn dekbed. Ik hoef nog lang niet op te staan, want het is midden in de nacht. Ik laat me wiegen op mijn dromenzee. Mijn bed is een boot. In de verhalen die ik lees, reis ik overal naartoe. Strips en griezelverhalen, sprookjes en een boek over vampieren. Dat kan allemaal in mijn bed.

20


De hele wereld kan in mijn bed. En als ik bang ben, duik ik gewoon onder mijn kussen. Ooit blijf ik een hele dag in bed. Om te slapen en te eten. Om te lezen en te spelen. Alleen om te douchen kom ik mijn bed uit!

21


Sinterklaas Ik weet niet goed of hij bestaat. En of hij het wel is die cadeautjes brengt. Maar ik schrijf toch maar een brief naar de Sint. Ook al weet ik niet of het zal helpen. Ik vraag hem om een fluit, want dat wil ik zo graag. En ik krijg het mijn ouders niet uitgelegd. Zij zijn te bang voor lawaai. Als ik een fluit krijg, zal ik klinken als een vogel. Dan vlieg ik weg in mijn dromen en niemand kan me tegenhouden. Mijn liedjes huppelen door de lucht. Als ik verdriet heb, kan ik mezelf troosten met mijn muziek. Want een fluit kan zacht en rustig klinken en soms ook heel vrolijk en snel. Niemand hoeft nog te vragen hoe het met me is:

22


Wie naar mijn muziek luistert, hoort meteen hoe ik me voel. Met liedjes die fladderen door de lucht. Dus lieve Sint en Zwarte Piet, leg alsjeblieft een fluit in mijn schoen. Dan speel ik speciaal voor jullie mijn mooiste Sinterklaasliedje: Zie ginds komt de stoomboot …

23


Woorduitleg 1 vastklampen = met veel moeite je ergens aan vasthouden 2 ratelen = achter elkaar korte, harde geluiden maken 3 opensperren = wijd openen 4 slabbetje = morsdoekje 5 dobberen = drijven op het water


Het leven is druk. Er gebeurt veel. Soms word je daar blij of opgewonden van, soms boos of verdrietig, en soms weet je het niet goed. Met deze gedichten kun je even je ogen dichtdoen en voelen wat er gebeurt. Want het is echt waar: met je ogen dicht, kun je alles zien!

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Aleksandra Krawczycka Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 7 8 9 0 4 8 622818

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook