ucatieve uitgaven
Het meisje met de mooie handen
BIEB
Kristien Dieltiens
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 2
1
Het meisje met de mooie handen
1
2
Lili zat bij het raam en deed niets. Lekker niets doen was leuk. Haar handen lagen op haar schoot. Ze waren zacht en mooi. ‘Lili, kom helpen!’ De stem van haar moeder klonk erg luid. Lili deed alsof ze niets had gehoord. Werken was niet leuk. Je werd er zo moe van. Spinnen en poetsen was niets voor haar. Ze kreeg er vieze handen van. En weer klonk de stem van haar moeder. Ze stormde de kamer in. ‘Ik heb er genoeg van!’ riep ze. ‘Je bent zo lui als een varken!’ ‘Zijn varkens dan lui?’ vroeg Lili. Moeder werd nog bozer. Ze pakte haar dochter vast en schudde haar door elkaar. Lili krijste en gilde als een varken.
3
‘Ik wil niet werken!’ riep ze. ‘Als ik zeg dat ik niet wil, dan wil ik niet!’ Ze stampte met haar voeten op de grond. ‘Wat moet ik met jou?’ zuchtte de moeder. ‘Ik wou dat iemand me kon helpen.’ Een koets stopte voor het huis. De koningin stapte uit. Ze had het krijsen gehoord. Werd er hier een dier gedood? Nee, het was de stem van een meisje. ‘Ik wil niet!!!’ klonk het steeds maar door. De koningin keek door het raam naar binnen.
4
‘Beste vrouw, wat is er toch?’ vroeg ze. De moeder schaamde zich over Lili. Dus verzon ze vlug iets. ‘Mijn dochter wil iedere dag spinnen. Maar de wol is veel te duur en ik ben maar een arme vrouw.’ De koningin trok grote ogen. ‘Als uw dochter zo graag spint, mag ze met me mee. Ik heb wol genoeg!’ Zo gebeurde het. De koetsier opende de deur van de koets. Lili moest mee. Of ze nu wilde of niet. ‘In mijn kasteel kun je wol spinnen,’ zei de koningin. ‘Zoveel als je wilt!’ Het kasteel was erg groot. De koningin bracht Lili naar een kamer. ‘Dit is de eerste kamer met wol,’ zei ze. ‘Als je de wol van drie kamers kunt spinnen, mag je trouwen met mijn zoon.’ De koningin ging de kamer uit. Lili dacht aan de prins. Wie wil er nu niet met een prins trouwen?
5
Ja, met een prins trouwen was een goed idee. Dan hoefde ze nooit meer te werken, dan bleven haar handen altijd mooi. Maar hoe moest dit nu? Spinnen had ze nog nooit gedaan. Aan een spinstok kun je je vingers prikken. En dan val je voor honderd jaar in slaap. Het was al eens gebeurd. Bij een prinses heel lang geleden. Hoe heette ze ook alweer? Lili keek rond. Ze was moe. Nergens stond een bed. Ook geen stoel of sofa. In een hoek stond een tafeltje met lekkers. Kip, brood, pizza, fruit en nog veel meer. Een grote kan met heerlijk sap. Het was genoeg voor drie dagen. Eerst een beetje eten, dacht ze. Ze at haar buikje rond. Daarna dronk ze de kan gulzig halfleeg. Terwijl Lili at, vergat ze haar zorgen. Als ik prinses ben, dacht ze werk ik mijn hele leven niet meer.
6
7
Wat nu? Lili zuchtte diep. In de hoek van de kamer stond een spinnewiel. En er was een berg van wol. Die reikte tot aan het plafond. Dit zou haar nooit lukken! Ze had nog nooit een spinnewiel aangeraakt. Was er maar iemand die kon helpen. ‘Wie wil me helpen?’ zuchtte ze zacht. ‘Dit kan ik nooit alleen! Was ik maar ergens anders.’
8
Lili barstte in snikken uit. De tranen drupten op de grond. Na een uur was ze nog steeds niet uitgeweend. Op de vloer lag een plasje. Het werd steeds groter. Meer dan duizend tranen waren het. Het werd zelfs een beekje. Het sijpelde weg langs de kier onder de deur. De koningin kwam juist voorbij. Ze trapte in het plasje tranen. Een van haar pantoffels werd nat. ‘Eik!’ zei ze. ‘Wat is hier aan de hand?’ Toen ze de deur opende, zag ze de huilende Lili. ‘Wat scheelt er meisje?’ vroeg ze. ‘Ik mis mijn mama zo!’ snikte Lili. Ze wist niets anders te verzinnen. ‘Ach kindje toch,’ troostte de koningin. ‘Begin maar vlug te spinnen. Dan vergeet je je verdriet.’
9
10
‘Ik zal wat lekkers laten brengen. Zoete dingen brengen troost.’ Zo gezegd, zo gedaan. Even later kwam een knecht naar binnen. Hij droeg een schotel met de heerlijkste dingen. De schotel was gevuld met koek en gebak. Er waren toffees, chocola en nog veel meer. Wafels, taarten en oliebollen. Lili droogde haar tranen. Naar de wol wilde ze niet meer kijken. Ze zag alleen maar het lekkers. Met het mes sneed ze de taart in stukken. En at ervan.
Daarna proefde ze van de toffees. De chocola smolt op haar tong. Heel even vergat Lili de berg naast haar. Maar niet voor lang. 11
Ze zag weer de berg van wol. Dit lukt me nooit! dacht ze. Ze voelde aan de klink van de deur. De deur was op slot. ‘Ik zal hier sterven!’ jammerde ze. En weer barstte ze in tranen uit. Drie dagen lang bleef ze wenen. Toen waren haar tranen op. Zuchtend ging ze bij het raam zitten en wachtte op de dood. Maar de dood luistert nooit. De dood beslist zelf wanneer hij komt. Het was een heldere nacht. De volle maan keek naar binnen. Toen zag Lili een vallende ster. ‘Ik wens dat er iemand mij komt helpen.’ De maan zweeg. Ook de sterren bleven stil.
12
Opeens trok er iets haar aandacht. Lili spitste haar oren. Ze rilde en ze kreeg er kippenvel van. Wie was hier nog? Het geluid leek van onder de wol te komen. Er ritselde iets. ‘Piep, piep, piep!’ Bij haar voeten zat een kleine, grijze muis. Met zijn neusje in de hoogte en met omgekrulde staart. Lili trok haar voeten op.
Ze was een beetje bang van muizen. Ze hadden van die scherpe tandjes. En van die snelle pootjes. 13
De muis stak zijn kopje dichter naar haar toe. ‘Ik kan je helpen,’ piepte hij. ‘Kun jij praten?’ vroeg Lili verbaasd. ‘Ik kan nog veel meer,’ zei de muis. ‘Een muis is een slim dier. Het is jammer dat we altijd worden verjaagd. Wij zijn de beste vrienden van de mens. We eten altijd de restjes op. Maar niemand is blij met ons. Behalve de kat. Zelfs in ons hol zijn we niet veilig voor haar.’ Het muisje liet zijn snorharen trillen. ‘Ik zal je helpen,’ piepte het. ‘Maar je moet me één ding beloven.’ Lili nam het muisje in haar hand.
14
‘Ik beloof je alles wat je vraagt.’ Het muisje fluisterde in haar oor. ‘Als jij met de prins trouwt, moeten alle katten weg uit het kasteel. We wonen graag bij de mensen. Het liefst in een hol onder de keukenkast. Waar de mens kaas en koek bewaart.’ Het muisje ging rechtop staan en piepte. Het leek wel alsof het iemand riep. In alle hoeken klonk gepiep. Opeens zag Lili de andere muisjes. Ze kwamen uit de wol gekropen. Overal zag ze staartjes en pootjes. Ze kropen over haar heen. Maar bang was Lili niet meer.
15
Lili bekeek het kleine diertje. ‘Ik beloof het!’ zei ze plechtig. Het muisje sprong van haar handen. En opeens was er geen muis meer te zien. Lang moest Lili niet wachten. Met een krakend geluid ging de deur open. Drie vrouwtjes stapten naar binnen. Ze knikten naar Lili. Ze zagen er erg vreemd uit. Lili trok grote ogen. ‘Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?’ De vrouwtjes glimlachten lief. ‘Ik ben Platvoet,’ zei het eerste vrouwtje. Haar voet was groter dan haar been. ‘Ik ben Duimdik,’ zei het tweede vrouwtje. Haar duim was zo groot als een stokbrood. ‘En ik ben Kinlip,’ zei het derde vrouwtje. Haar lip hing tot ver over haar kin. ‘Wij zullen het werk doen,’ zeiden ze. ‘Maar voor wat, hoort wat. Nodig ons uit op je trouwfeest. En zeg dat wij jouw zusjes zijn.’ ‘Ik doe alles wat jullie vragen!’ riep Lili.
16
17
De vrouwtjes gingen aan het werk. Platvoet trapte op de pedaal van het spinnewiel. Trappe trap, trappe trap ... Het wieltje snorde erop los. Snorre snor, snorre snor … Het ging zo snel als de wind. Duimdik draaide de wol rond haar duim. Rolle rol, rolle rol … En zo gleed de wol naar de spinstok. Het ging zo snel als stromend water. Kinlip likte aan de draad. Ze likte de wol tot hij kleurde. In alle kleuren van de regenboog. Ze wikkelde het garen. Even later lagen de bolletjes kleur bij kleur.
18
De vrouwtjes gingen naar de tweede kamer. Daar trapten, sponnen en likten ze erop los. Lili kon ze haast niet volgen, zo snel waren ze. Daarna volgde de derde kamer. In enkele tellen was alles gedaan. De drie vrouwtjes gingen voor Lili staan. ‘Beloof ons dat jij je niet voor ons schaamt. Van buiten zijn we lelijk Van binnen zijn we mooi. Als je dat niet ziet, ben je dom.’ Even later waren ze weg. Net op tijd, want de koningin kwam binnen. ‘Wat een mooie wol!’ riep ze. ‘Ik geef het aan de arme mensen in mijn land. Dan kunnen ze dikke truien breien. Zo zullen ze het niet meer koud hebben. Mijn wens is vervuld! Dank je wel, Lili!’ Oeps, ik ben iets vergeten, dacht Lili. Ik heb de muis en de vrouwtjes niet bedankt. Ze bukte zich bij een holletje en riep: ‘Dank je wel, lieve muisjes!’ ‘Wat doe je daar?’ vroeg de koningin.
19
Ze bukte zich en zag de holletjes. ‘O nee! Muizen!’ riep ze. ‘Hier moet dringend een kat komen.’ ‘Lieve koningin, niet doen!’ riep Lili. ‘Van poezen krijg ik jeuk aan mijn handen. Een prinses met lelijke handen kan toch niet!’ De koningin dacht even na en knikte. ‘Goed, geen poes meer in het kasteel! Morgen trouw jij met mijn zoon! Ik laat nu de naaisters komen.’ Even later was de kamer vol met kleermakers. Ze maten en ze prikten. Ze naaiden en ze knipten. Een jurk in de kleur van honderd bloemen. Zo zacht als vloeiend water. ‘Morgen is het feest,’ sprak de koningin. Zo gebeurde het. Het werd een groot feest. De prins was mooi en lief. En Lili voelde haar hartje kloppen. Ik ben verliefd, dacht ze. In de straten hingen vlaggen. De mensen riepen: ‘Lang leve de prinses!’ De fanfare van de koning speelde erop los. De gasten kwamen van heinde en verre.
20
Ook haar moeder zat aan de mooie tafel. Ze was niet meer boos op Lili. Natuurlijk niet, want haar dochter was nu prinses. Lili danste met de prins. Hij hield haar teder vast en kuste zacht haar handen. ‘Wat heb jij mooie handen,’ zei hij. Opeens ging de deur open. De drie lelijke vrouwtjes kwamen naar binnen. De lakeien hielden hen tegen. ‘Wie zijn die lelijke vrouwen?’ vroeg de prins. ‘Dat zijn mijn liefste zusjes,’ sprak Lili. ‘Zonder hen was ik niet hier.’ De prins begreep er niets van. Toch gaf hij hen een plaats aan de tafel. Want het waren de zussen van zijn vrouw. De vrouwtjes smulden van het eten. Duimdik at gulzig en smakkend met haar duim. Kinlip slurpte het eten naar binnen. Platvoet trapte eerst het eten fijn op de grond, voor ze het in haar mond stak. De prins vroeg aan Duimdik: ‘Hoe kom jij aan die dikke duim?’ ‘Door de wol rond mijn duim te draaien,’ zei ze.
21
Aan Kinlip vroeg hij: ‘Hoe kom jij aan die hanglip?’ ‘Door aan de draad te likken,’ zei ze. Aan Platvroeg vroeg hij: ‘Hoe kom jij aan die grote voet?’ ‘Door aan het wiel te trappen,’ zei ze. De prins keek van de vrouwtjes naar Lili. Wat was zijn vrouw mooi! Met slanke voetjes in zijden muiltjes. Met rode lippen in de vorm van een hart. En met handen … Nog nooit had hij zulke mooie handen gezien. De prins stond op en tikte tegen het wijnglas. ‘Mijn vrouw is de mooiste prinses onder de zon. Haar huid is zo zacht als een perzik. En zo zal het blijven. Daarom heb ik een beslissing genomen. Prinses Lili zal nooit meer spinnen.’ De mensen klapten in hun handen. Lili glimlachte met roze wangen. Alleen de koningin keek een beetje somber. ‘Wie zal er dan wel spinnen?’ vroeg ze. ‘Wij zullen het doen,’ zeiden de vrouwtjes.
22
23
‘Als u ons een bed geeft om in te slapen, drie keer per dag lekker eten geeft, een vuurtje stookt om ons warm te houden, dan willen we spinnen, iedere dag weer.’ De koningin ging ermee akkoord. Het feest duurde tot laat in de nacht. De mensen dansten en feestten. Ze aten en ze dronken. En niemand die zag hoe er onder de tafel kleine muisjes trippelden. Er bleef geen kruimel achter op de grond.
24
Lili houdt niet van werken. Haar handen worden er zo vuil van. Op een dag nodigt de koningin haar uit om in het kasteel wol te spinnen. Als ze drie volle kamers wol spint, mag ze met de prins trouwen. Lili kan het niet. Maar dan krijgt ze opeens hulp.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 2. ISBN 978 90 486 2281 8 Bestelnummer 60 1021 197 KB D/2015/0147/337 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 7 8 9 0 4 8 622818
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.