1
1
Getallenkennis
LES 1 Tellen en terugtellen tot 5
Doelen
1 De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 5 met sprongen van 1. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden van 0 tot 5 tellen door voorwerpen te verleggen, aan te wijzen en te bekijken (synchroon tellen). 3 De kinderen kunnen de telrij tot 5 opzeggen (akoestisch tellen).
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van 10
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 De telrij opzeggen (akoestisch tellen) tot 10 en van 10 naar 0
Toelichting
In de derde kleuterklas leerden de kinderen al tellen tot 10. In deze les ligt de focus in eerste instantie op het herhalen van het tellen, terugtellen en doortellen tot 5 met sprongen van één. Rekensterkere kinderen kan je echter al eens laten tellen met sprongen van twee. Doorheen de les komt er af en toe partnerwerk aan bod. Dit komt de persoonsgebonden ontwikkeling ten goede, namelijk SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel. In de les wordt er ook de suggestie gedaan om bewegingen op de trap, in een hinkelveld … te combineren met het leren tellen en terugtellen tot 5. Dit komt de motorische ontwikkeling ten goede, namelijk MZlb7: Bewegingen gelijktijdig, opeenvolgend en afwisselend uitvoeren: Lichaamsdelen afzonderlijk bewegen.
1
1
1
Getallenkennis
LES 2 Hoeveelheden tot 5 vergelijken
Doelen
1
1 De kinderen kunnen op concreet niveau hoeveelheden tot 5 vergelijken en sorteren naar aantal. 2 De kinderen kunnen begrippen als ‘evenveel’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ concreet gebruiken. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 4 - 6 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij woorden gebruiken zoals evenveel (maken), gelijk (maken)
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
Toelichting
In de kleuterklas vergeleken de kinderen al spontaan hoeveelheden en leerden ze begrippen als meer, minder, veel, weinig, te weinig, over … gebruiken. In deze les wordt deze wiskundetaal verder ingeoefend met een focus op het concrete niveau. Rekenzwakkere kinderen zullen hierbij nog sterk paarsgewijs vergelijken, terwijl rekensterkere kinderen vlugger naar de schematische handelingen overstappen. In de les wordt in de instap gesuggereerd om telopdrachten met motorische ondersteuning uit te voeren: de kinderen moeten een aantal keer klappen, springen, kloppen, stampen … Dit kan onder het volgende doel geplaatst worden: MZlb7: Bewegingen gelijktijdig, opeenvolgend en afwisselend uitvoeren: Een bewegingspatroon zoals hinken, huppen, huppelen, galopperen, klappen ononderbroken uitvoeren. Als afsluiter wordt er in de les een spel gespeeld in groepen van 5. Daarbij wordt het competitieve aangemoedigd, wat onder het volgende doel terug te vinden is: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
2
1
1
Getallenkennis
LES 3 Getalbeelden tot 5
Doelen
1
1 2 3 4 5
De kinderen kunnen een hoeveelheid tot 5 koppelen aan het bijhorende getalbeeld. De kinderen kunnen vlot de getalbeelden tot 5 herkennen en benoemen. De kinderen kunnen getalbeelden tot 5 leggen, tekenen en stempelen. De kinderen kunnen gegeven hoeveelheden tot 5 benoemen. De kinderen kunnen tot 5 tellen om een hoeveelheid te bepalen (resultatief tellen).
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
4
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren)
5
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
3
1
1
Getallenkennis
LES 3 Getalbeelden tot 5
Toelichting
In de voorgaande twee lessen werd de leerstof in verband met het tellen en terugtellen tot 5 en het vergelijken van hoeveelheden tot 5 behandeld. Deze leerstof komt ook in deze les aan bod, maar de focus ligt wel in de koppeling met de getalbeelden. In de instap van deze les wordt er eventjes stilgestaan bij de leefwereld van de kinderen en zo komt de persoonsgebonden ontwikkeling kort aan bod. Er wordt namelijk gevraagd naar de ervaringen met dieren in de zoo. Ook partnerwerk komt in de les kort aan bod, dus SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
4
1
1
Meten en metend rekenen LES 4 Dagen van de week
Doelen
1 De kinderen kunnen de dagen van de week benoemen en in de juiste volgorde plaatsen. 2 De kinderen kunnen een bepaalde activiteit koppelen aan een bepaalde dag. 3 De kinderen kunnen de begrippen ‘vandaag’, ‘morgen’ en ‘gisteren’ correct gebruiken.
1
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
2
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Ervaren en vaststellen hoe bepaalde activiteiten verbonden zijn met specifieke dagen
3
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
Toelichting
De doelen van deze les vinden we niet terug in het ontwikkelveld ‘ontwikkeling van wiskundig denken’, maar wel in dat van ‘ontwikkeling van oriëntatie op de wereld’ met meer bepaald het ontwikkelthema ‘oriëntatie op de tijd’. In de kleuterklas werden de dagen van de week reeds aangeleerd en ook in het vak wereldoriëntatie komen de dagen van de week aan bod. De focus van deze les ligt op de volgorde van de dagen en het correct gebruik van de begrippen vandaag, morgen en gisteren. In deze les kan er sterk vertrokken worden uit de persoon van de kinderen. Zo kan er worden gevraagd wat ze gisteren meegemaakt hebben, vandaag nog zullen doen, morgen gepland hebben… en welke activiteiten er tijdens de week telkens terugkomen op specifieke dagen. Dit komt de persoonsgebonden ontwikkeling ten goede. Om de dagen van de week te automatiseren wordt er in deze les gekozen om de kinderen een lied aan te leren. Dit kan onrechtstreeks ook bijdragen aan de muzische ontwikkeling van de kinderen.
5
1
1
Bewerkingen
LES 5 Rekenhandelingen tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 uitvoeren, waarbij de verwoordingen 1 meer en 1 minder aan bod komen. 2 De kinderen kunnen in concrete situaties hoeveelheden tot 5 gelijkmaken door te vermeerderen of te verminderen. 3 De kinderen kunnen de juiste verwoording hanteren: ik doe er … bij / ik neem er … weg / ik vermeerder met … / ik verminder met … 4 De kinderen kunnen synchroon en resultatief tellen tot 5. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
4
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
Toelichting
Deze les bouwt sterk voort op les 1 (‘Tellen en terugtellen tot 5’), les 2 (‘Hoeveelheden tot 5 vergelijken’) en les 3 (‘Getalbeelden tot 5’). Voor rekenzwakkere kinderen is het belangrijk om deze leerstof eerst te herhalen met concreet materiaal. Dat wordt in de instap van deze les gesuggereerd. De bijkomende leerstof van deze les is dat de kinderen niet alleen hoeveelheden tot 5 vergelijken, maar dat ze ook in concrete situaties hoeveelheden tot 5 gelijkmaken door te vermeerden of te verminderen. In de kleuterklas voerden de kinderen al (onbewust) dergelijke rekenhandelingen uit door bijvoorbeeld winkeltje te spelen. Nu is er echter ook aandacht voor de juiste verwoording. Focus daarom sterk op het gebruik van volgende begrippen: ‘evenveel’, ‘(één) minder (dan)’, ‘(één) meer (dan)’, ‘minst’ en ‘meest’. In de les wordt er gesuggereerd om de kinderen eens in duo’s te laten werken, dus SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
6
1
1
Bewerkingen
LES 6 Rekenhandelingen tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met 1 meer of 1 minder uitvoeren op concreet en schematisch niveau. 2 De kinderen kunnen in concrete situaties rekenhandelingen tot 5 verwoorden. 3 De kinderen kunnen de begrippen 1 meer, 1 minder, bijdoen, wegdoen en evenveel concreet gebruiken. 4 De kinderen kunnen synchroon en resultatief tellen tot 5. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
4
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
Toelichting
Het verschil tussen deze les en voorgaande les is dat de kinderen hier de rekenhandelingen tot 5 ook op schematisch niveau moeten kunnen uitvoeren en dat dus de getalbeelden het concrete materiaal vervangen. Als instap wordt daarom eerst de leerstof in verband met rekenhandelingen tot 5 op concreet niveau herhaald. In deze les wordt er naast individueel werk ook aan partnerwerk gedaan, dus SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
7
1
1
Getallenkennis
LES 7 Hoeveelheden tot 5 vergelijken, sorteren en ordenen
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken, sorteren en ordenen naar aantal. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘meer’, ‘minder’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘minst’ en ‘meest’ correct gebruiken. WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Wiskundetaal gebruiken - wiskundige redeneringen weergeven in verschillende vertalingen zoals dramatiseren, vertellen, tekenen, met materiaal voorstellen, schematiseren, in een formule voorstellen en deze met elkaar vergelijken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
Toelichting
Deze les bouwt verder op les 2 (‘Hoeveelheden tot 5 vergelijken’): het sorteren en ordenen komt erbij en naast het vergelijken van concrete hoeveelheden worden er vergelijkingsoefeningen gemaakt met getalbeelden. Zowel in de instap van de les, waar er gebruik wordt gemaakt van de Junglebox, als in de afsluiter van de les, waarin Memory wordt gespeeld, komt partnerwerk in werk- en spelvorm aan bod. Dat kan onder het volgende doel ondergebracht worden: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
8
1
1
Meetkunde
LES 8 Patronen
Doelen
1 De kinderen ontdekken ordeningspatronen in de realiteit. 2 De kinderen kunnen ordeningspatronen met max. drie verschillende elementen nabootsen en vergelijken. 3 De kinderen kunnen een patroon vervolledigen, waarbij in een rij twee, drie of vier verschillende vormen, kleuren of geluiden voorkomen.
1
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
2
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
3
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Een ruimtelijk patroon handelend in één dimensie verderzetten
Toelichting
De kinderen hebben in de kleuterklas al vaak parels aan een ketting geregen volgens een bepaald patroon. In deze les gaat het om patronen horen en zien, met voorwerpen, realia, het eigen lichaam of een tekening aan het bord en in het werkboek. In de instap wordt er gewerkt met patronen van opeenvolgende geluiden door te klappen, stampen, … Als de kinderen uitgenodigd worden hierin mee te doen, dan kan dit bijdragen tot de motorische ontwikkeling, meer bepaald MZlb7: Bewegingen gelijktijdig, opeenvolgend en afwisselend uitvoeren: Een bewegingspatroon zoals hinken, huppen, huppelen, galopperen, klappen ononderbroken uitvoeren. Tevens kan de suggestie om patronen met verschillende muziekinstrumenten te maken, bijdragen tot de muzische ontwikkeling. Het spel ‘Bodypercussie’ is een voorstel als afsluiter. Dit is muziek maken met je lichaam en heeft dus betrekking op zowel de motorische als de muzische ontwikkeling.
9
1
1
Bewerkingen
LES 9 Evenveel maken tot 5 (max. 1 verschil)
Doelen
1
1 De kinderen kunnen verschillende hoeveelheden tot 5, met een verschil van 1, gelijk maken. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘evenveel maken’, ‘1 bijdoen’, ‘1 wegdoen’ correct gebruiken en toepassen. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 4 - 6 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij woorden gebruiken zoals evenveel (maken), gelijk (maken) Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
Toelichting
In voorgaande lessen en zeker in les 6 (‘Rekenhandelingen tot 5’) hebben de kinderen al verwoord waar er meer / minder zijn, maar ze hebben in nog geen enkele les bijgevoegd of weggenomen om gelijk te maken. Dit wordt in deze les ingeoefend, concreet met de Junglebox en wat abstracter met de getalbeelden. Het handelend werken is in deze les heel belangrijk, maar ook het verwoorden is essentieel. De begrippen ‘meer’, ‘minder’, ‘(één) bijdoen’, ‘(één) wegdoen’ en ‘gelijk maken’ moeten veelvuldig aan bod komen. Bij rekenzwakkere kinderen zal het nog nodig zijn om de hoeveelheden paarsgewijs te vergelijken en zal het verwoorden zonder handelen nog moeizaam verlopen. Focus dan meer op het handelen. In deze les komt er partnerwerk aan bod en dus ook het volgende doel: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
10
1
1 LES 10 Herhaling
Doelen
1 De kinderen kunnen vlot tellen tot 5 en terugtellen vanaf 5. 2 De kinderen kunnen de getalbeelden tot 5 herkennen, benoemen en vergelijken. 3 De kinderen kunnen verschillende hoeveelheden tot 5, met een verschil van maximaal 1, gelijk maken. 4 De kinderen kunnen vlot de dagen van de week opzeggen. 5 De kinderen kunnen patronen met max. drie verschillende elementen verder zetten. 6 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken, sorteren en ordenen.
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 De telrij opzeggen (akoestisch tellen) tot 10 en van 10 naar 0 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van 10
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
4
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
5
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Een ruimtelijk patroon handelend in één dimensie verderzetten
11
1
1 LES 10 Herhaling
6
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Wiskundetaal gebruiken - wiskundige redeneringen weergeven in verschillende vertalingen zoals dramatiseren, vertellen, tekenen, met materiaal voorstellen, schematiseren, in een formule voorstellen en deze met elkaar vergelijken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
Toelichting
Deze les is een herhaling van de voorgaande negen lessen en is dus heel belangrijk om te kunnen concluderen hoe ver de kinderen al staan en of ze dus nood zullen hebben aan remediërende of verrijkende oefeningen. Het is daarom belangrijk om in de instap slechts heel kort de leerstof te herhalen (maximaal 5 à 10 minuten), zodat de kinderen vlug kunnen overgaan naar het maken van individuele oefeningen. Tijdens de herhaling kan de muzische ontwikkeling (het zingen van het lied van de dagen van de week, het tikken op de triangel bij het inoefenen van het tellen, …) en de motorische ontwikkeling (het klappen, de trap afgaan / opgaan … bij het inoefenen van het tellen) gestimuleerd worden. Hierbij kan het volgende doel aan bod komen: MZlb7: Bewegingen gelijktijdig, opeenvolgend en afwisselend uitvoeren: Een bewegingspatroon zoals hinken, huppen, huppelen, galopperen, klappen ononderbroken uitvoeren en Lichaamsdelen afzonderlijk bewegen. Tijdens het oefenen in het werkboek, wordt er vooral sterk gewerkt aan het zelfregulerend vermogen. Hierbij kunnen onder andere volgende generieke doelen onder de aandacht komen: IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties en IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren.
12
1
1
Bewerkingen
LES 11 Rekenhandelingen tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen in concrete situaties rekenhandelingen tot 5 uitvoeren en verwoorden. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘bijdoen’, ‘wegdoen’, ‘1 meer’, ‘1 minder’, ‘vermeerderen’, ‘verminderen’,’evenveel’ hanteren. 3 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 uitvoeren op concreet en schematisch niveau. 4 De kinderen kunnen synchroon en resultatief tellen. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
4
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
Toelichting
Deze les bouwt verder op les 6 (‘Rekenhandelingen tot 5’). Een moeilijkere oefening is het tekenen van getalbeelden bij een rekenverhaal. Rekenzwakkere kinderen gaan hier wellicht nog nood hebben aan materiaal, zoals MAB-materiaal, jetons, … terwijl rekensterkere kinderen al gemakkelijk zelf de getalbeelden zullen kunnen stempelen. Ze kunnen in deze les eventueel samen werken door het rekenverhaal in een rollenspel te gieten. De verwoording wordt steeds belangrijker, maar is lang niet evident voor alle kinderen. Laat de rekenzwakkeren de rekentaal luidop zeggen / herhalen en aanduiden.
13
1
1
Getallenkennis
LES 12 Rangorde tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen een rangorde tot 5 aangeven, bij een afgesproken telrichting. 2 De kinderen kunnen vlot de rangorde tot 5 aanduiden en verwoorden. 3 De kinderen kunnen de begrippen: voor, na, laatste, middelste, op een na laatste, voorlaatste, juist voor, juist na, en de rangtelwoorden eerste, tweede, derde, vierde, vijfde correct gebruiken. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken 6 - 8 Een rangorde aangeven met rangtelwoorden en de termen eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na kennen en gebruiken
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken 6 - 8 Een rangorde aangeven met rangtelwoorden en de termen eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na kennen en gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Verschillende functies 6 - 8 Een natuurlijk getal gebruiken om een hoeveelheid, een rangorde, een maatgetal, een code en een bewerking aan te geven
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken 6 - 8 Een rangorde aangeven met rangtelwoorden en de termen eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na kennen en gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Verschillende functies 6 - 8 Een natuurlijk getal gebruiken om een hoeveelheid, een rangorde, een maatgetal, een code en een bewerking aan te geven
14
1
1
Getallenkennis
LES 12 Rangorde tot 5
Toelichting
In de kleuterklas maakten de kinderen reeds (onbewust) kennis met rangorde: ‘Jij bent als eerste aan de beurt.’, ‘De laatste sluit de deur.’, … De instap van deze les is dan ook een herhaling van begrippen ‘vooraan’, ‘achteraan’, ‘eerste’, ‘laatste’, ‘op 1 na laatste’, ‘middelste’, … door de kinderen op een rij te plaatsen en vragen te stellen. De eerste oefening van het werkboek wordt klassikaal en met partnerwerk aangepakt, de tweede moeten de kinderen individueel proberen te maken. Bij rekenzwakkere kinderen is de beleving van rangorde essentieel (bijvoorbeeld door hen in rijtjes te plaatsen) en ook de rode kantlijn die de richting of het vertrekpunt aangeeft, is heel belangrijk. Bij rekensterkere kinderen kan je al eens samengestelde opdrachten geven om tot een hoger denkniveau te komen. In deze les komen er geen specifieke doelen uit andere ontwikkelingsvelden aan bod, maar aangezien het belangrijk is om de aangeleerde begrippen veelvuldig te herhalen, kan je wel de begrippen in de lessen wereldoriëntatie, taal, bewegingsopvoeding… aan bod laten komen en zo andere ontwikkelingsvelden inzetten bij het verwerven van de leerstof.
15
1
1
Getallenkennis
LES 13 Hoeveelheden tot 5 structureren
Doelen
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tellen en bepalen. 2 De kinderen begrijpen dat een hoeveelheid niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte. 3 De kinderen kunnen gestructureerde hoeveelheden tot 5 onmiddellijk herkennen, benoemen en ordenen. 4 De kinderen kunnen gestructureerde hoeveelheden tot 5 vergelijken en ordenen van minder naar meer en van meer naar minder.
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 De telrij opzeggen (akoestisch tellen) tot 10 en van 10 naar 0 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
4
WDgk1
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
Toelichting
De kinderen leerden in de voorgaande lessen al goed synchroon en resultatief tellen. Deze les bouwt verder op les 7 (‘Hoeveelheden tot 5 vergelijken, sorteren en ordenen’). In deze les leren de kinderen specifiek dat een hoeveelheid niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte. Daar ligt dan ook de focus op. Ze kunnen dit eerst aan den lijve ondervinden door voorwerpen aan de demotafel te structureren en te tellen. Daarna komt het schematischer door te oefenen in het werkboek en daar de getalbeelden onmiddellijk te herkennen en te ordenen. Rekenzwakkere kinderen zullen nog hulp nodig hebben bij de verwerking in het werkboek. Eventueel kan je hen hier met een auditieve ondersteuning helpen (de stip - streep - haak - koek). Dat is een stap terug en mag enkel bij de allerzwaksten! Rekensterke kinderen kunnen na de oefeningen in het werkboek uitgedaagd worden door flitsoefeningen met de getalbeelden: getalbeelden worden kort getoond en weer weggenomen. De kinderen moeten zeggen welk getalbeeld het was.
16
1
1
Bewerkingen
LES 14 Evenveel maken tot 5 (max. 1 verschil)
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de begrippen ‘evenveel maken’, ‘vermeerderen’, ‘bijdoen’, ‘verminderen’ en ‘wegdoen’ correct gebruiken en toepassen. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 gelijkmaken door 1 bij te doen of 1 weg te nemen. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
Toelichting
De kinderen hebben in les 9 (‘Evenveel maken tot 5 (max. 1 verschil)’) al gelijk gemaakt tot 5. In deze les ligt de focus op de begrippen ‘vermeerderen’ en ‘verminderen’. In de instap van deze les wordt de leerstof eerst nog eens concreet herhaald aan de hand van het vergelijken van een aantal kinderen met een aantal boekentassen. In de kern wordt er dan overgegaan naar het schematische met de getalbeelden. De kinderen gaan hierbij eerst sterk hun eigen getalbeelden van de Junglebox gebruiken, om daarna over te gaan tot de oefeningen in het werkboek. Rekenzwakkere kinderen gaan veel langer moeten werken met het concrete materiaal vooraleer ze naar het schematische overgaan. Laat hen werken in kleine groepjes en terugkeren naar de 1 - 1 relatie. Rekensterke kinderen kunnen na de oefeningen flitsoefeningen doen: er worden twee getalbeelden kort na elkaar getoond en de kinderen moeten kunnen vergelijken. Of ze kunnen werken met de kaarten van 1 tot 5 van een kaartspel: beide leerlingen hebben een stapeltje, leggen de bovenste kaart van hun stapeltje op de bank en moeten zo snel mogelijk vergelijken met de kaart van de andere. Dit kan al een voorbereiding zijn op les 19 (‘Evenveel maken tot 5 (max. 2 verschil)’).
17
1
1
Meetkunde
LES 15 Ruimtelijke oriëntatie: (eigen) positie bepalen
Doelen
1 De kinderen kunnen hun positie in de ruimte en hun positie tegenover voorwerpen in de ruimte bepalen. 2 De kinderen kunnen hun eigen positie en de positie van anderen verwoorden met: boven, onder, naast, voor, achter, tussen, in het midden, tegenover, in, op, ver weg, dichtbij, rechts en links.
1
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
2
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
Toelichting
Het gebruik van de begrippen ‘boven’, ‘onder’, ‘naast’, ‘voor’, ‘achter’ … is al aan bod gekomen in de kleuterklas. In deze les worden de begrippen sterk herhaald met de focus op het bepalen van de (eigen) positie van de kinderen. Dit gebeurt op een speelse manier: raadspelletjes zoals ‘Wie is het?’, opdrachten geven aan de kinderen, spelletjes als ‘Jantje zegt’ … Bij rekenzwakkere kinderen kan de focus beperkt worden door hen bij de hand te nemen en samen met hen te bewegen in de ruimte tijdens het verwoorden. Bij rekensterkere kinderen kan al worden overgegaan naar de positie van voorwerpen in de ruimte tegenover zichzelf. Hierbij kan er gestart worden met omschrijvingen van de leerkracht waarbij kinderen op zoek moeten gaan naar het voorwerp en verder verdiept worden met de leerlingen die zelf moeten omschrijven. Het generieke doel: MZrt1: Alleen of samen, een plaats innemen tegenover objecten, ruimteaanduidingen of personen en daarbij rekening houden met de ruimtelijke begrenzingen, dat behoort tot de persoonsgebonden ontwikkeling, komt in deze les ruimschoots aan bod.
18
1
1
Meetkunde
LES 16 Ruimtelijke oriëntatie: positiebepaling voorwerp
Doelen
1 De kinderen kunnen aan de hand van een plaatsbeschrijving een voorwerp vinden in de ruimte. 2 De kinderen kunnen de positie van voorwerpen ten opzichte van elkaar verkennen, bepalen en verwoorden. 3 De kinderen kunnen de positie van voorwerpen bepalen door gebruik te maken van de begrippen links, rechts, ver, dichterbij, onder, boven, naast.
1
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Handelend ruimtelijk redeneren zoals bij plaatsbepaling, matrixen en logische reeksen
2
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Handelend ruimtelijk redeneren zoals bij plaatsbepaling, matrixen en logische reeksen
3
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
Toelichting
In de vorige les, les 15 (‘Ruimtelijke oriëntatie: (eigen) positie bepalen), leerden de kinderen begrippen zoals ‘links’, ‘rechts’, ‘ver’, ‘dichterbij’, ‘onder’, ‘boven’, ‘naast’ … gebruiken in functie van het bepalen van hun eigen positie. Deze begrippen worden nu herhaald, maar nu ligt de focus op de positiebepaling van voorwerpen. Dit wordt speels aangepakt: het spelletje ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet …’, kleur- en tekenopdrachten in het werkboek … Om de begrippen nog beter in te oefenen, kan het belangrijk zijn om de turnmeester of -juf aan te spreken. Die kan bepaalde generieke doelen uit de motorische ontwikkeling koppelen aan deze specifieke generieke doelen van de ontwikkeling van het wiskundig denken.
19
1
1
Getallenkennis / Bewerkingen LES 17 Getalbeelden tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met 1 meer of 1 minder uitvoeren en verwoorden. 2 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met 1 meer of 1 minder verwoorden, gebruik makend van de begrippen evenveel, vermeerderen, verminderen, bijdoen, wegdoen en samenstellen. 3 De kinderen kunnen een hoeveelheid tot 5 koppelen aan een getalbeeld. 4 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken naar aantal. 5 De kinderen kunnen tellen tot 5 en terugtellen van 5 met sprongen van 1. 6 De kinderen kunnen een prijsaanduiding aflezen en interpreteren. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
4
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 4 - 6 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij woorden gebruiken zoals evenveel (maken), gelijk (maken)
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
5
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van ĂŠĂŠn, van twee, van vijf, van machten van 10
6
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Verschillende functies 4 - 6 Ervaren dat een natuurlijk getal kan gebruikt worden om een hoeveelheid, een rangorde, een maat aan te geven
20
1
1
Getallenkennis / Bewerkingen LES 17 Getalbeelden tot 5
Toelichting
Deze les bouwt verder op les 13 (‘Hoeveelheden tot 5 structureren). In de instap van de les wordt het vergelijken, sorteren, ordenen en structureren van getalbeelden herhaald. Daarna wordt de leerstof in verband met getalbeelden verder ingeoefend aan de hand van het principe van de klaswinkel. De prijzen worden weergegeven door getalbeelden en kinderen moeten vragen kunnen beantwoorden als: • Hoeveel jetons moet je betalen voor …? • Wat is duurder dan …? • Wat is het duurst? • Wat is goedkoper dan …? • Wat is het goedkoopst? • Wat kost één jeton minder dan …? • Wat kost één jeton meer dan …? • … Rekenzwakkere kinderen zullen het iets moeilijker hebben om de getalbeelden af te lezen. Deze kan je gerust aanwijzend laten tellen, terwijl de rekensterkere al kijkend tellen. De soorten vragen kan je uiteraard ook aanpassen aan het niveau van de leerlingen. Ondanks dat er in deze les wordt gewerkt met zogenaamde prijskaartjes, dienen er geen doelen in verband met geld (te vinden onder het ontwikkelthema ‘meten en metend rekenen’) bij betrokken worden. De prijsaanduidingen worden ook enkel uitgedrukt in getalbeelden en jetons, niet in euro.
21
1
1
Meten en metend rekenen
LES 18 Realia kwalitatief vergelijken naar lengte en oppervlakte
Doelen
1 De kinderen kunnen realia naar lengte en oppervlakte kwalitatief vergelijken en ordenen. 2 De kinderen kunnen deze vergelijkingen verwoorden door gebruik te maken van de begrippen langer, korter, even lang, langst,kortst, even kort, groter, kleiner, even groot, grootst, kleinst, even klein, smaller, breder, hoger, lager, dikker, dunner, dieper … 3 De kinderen ontwikkelen strategieën om realia kwalitatief te vergelijken.
1
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
2
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
3
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
WDlw3
Wiskundige problemen oplossen in betekenisvolle situaties binnen en buiten de klas en de redeneringen daarbij onderbouwen, vergelijken, bijsturen, weergeven en beoordelen 6 - 9 Eenvoudige problemen zoals rekenraadsels, breinbrekers en andere wiskundige problemen met betrekking tot getallen, meten en meetkunde oplossen, oplossingen onderzoeken, vergelijken, bijsturen, beargumenteren, bespreken en daarbij wiskundige heuristieken ontdekken, kennen en gebruiken zoals • veronderstellen • proberen en controleren • een tekening maken • omgevingsmateriaal gebruiken • naar analogie werken • patronen zoeken in gegevens • lijsten of tabellen gebruiken • noodzakelijke en overbodige gegevens onderscheiden • elimineren
Toelichting
In de kleuterklas maakten de kinderen al kennis met de begrippen ‘lang’, ‘langer’, ‘kort’, ‘korter’, ‘klein’, ‘kleiner’, ‘groot’ en ‘groter’. In deze les wordt deze woordenschat verder uitgebreid door heel concreet personen en voorwerpen met elkaar te vergelijken, al dan niet met een vergelijkingseenheid. Er kan hierbij opnieuw gevraagd worden aan de turnmeester of - juf om extra aandacht te schenken aan deze woordenschat tijdens het sporten. Zo is er ook tijdens de motorische ontwikkeling aandacht voor wiskundige begrippen.
22
1
1
Bewerkingen
LES 19 Evenveel maken tot 5 (max. 2 verschil)
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 (maximaal 2 verschil) gelijkmaken door twee bij te doen of door twee weg te nemen. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘evenveel maken’, ‘vermeerderen’, ‘verminderen’, ‘twee bijdoen’, ‘twee wegdoen’ gebruiken. 3 De kinderen kunnen synchroon en resultatief tellen. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
Toelichting
Deze les is een vervolg op les 14 (‘Evenveel maken tot 5 (max. 1 verschil)’): in plaats van maximum 1 verschil, gaan we in deze les tot maximum 2 verschil. Dit gebeurt eerst door het vergelijken van concrete hoeveelheden en pas later door de voorgestelde hoeveelheden te vergelijken en te koppelen met de getalbeelden. Kinderen die het echt moeilijk hebben met deze oefeningen, zullen nog eens de focusbeperking tot de 1 - 1 relatie nodig hebben en neem je best apart aan de zorgtafel. Het is ook altijd belangrijk om de rechte redenering te verwoorden en niet de omgekeerde: twee meer dan drie is vijf, twee minder dan vijf is drie en niet vijf is twee meer dan drie, drie is twee minder dan vijf. In deze les wordt er aan de hand van de instap ook even ingespeeld op de motorische en muzische ontwikkeling, doordat er wordt gewerkt met het dansje en het liedje van ‘Twee emmertjes water halen’.
23
1
1
Meetkunde
LES 20 Patronen
Doelen
1 De kinderen kunnen zelf een patroon ontwerpen met materiaal. 2 De kinderen kunnen een ontworpen patroon verwoorden en nabootsen door een tekening. 3 De kinderen kunnen een patroon vervolledigen met maximaal vier verschillende vormen en kleuren.
1
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
2
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
3
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Een ruimtelijk patroon handelend in één dimensie verderzetten
Toelichting
In les 8 (‘Patronen’) hebben de kinderen geleerd over patronen met drie elementen. In deze les komen er ook patronen met vier elementen aan bod. Deze patronen worden eerst concreet behandeld aan de hand van het rijgen van kralen aan een ketting. Daarna wordt het iets abstracter beoefend in het werkboek. Bij rekenzwakkere kinderen kan de focus beperkt worden door eerst nog eens patronen te herhalen met minder elementen. Het is ook belangrijk om de kinderen altijd het patroon te laten omcirkelen, zodat ze weten of het patroon al deels aangevuld is of nog volledig moet worden bijgetekend. Bij rekensterkere kinderen kan er verdiept worden door patronen aan te bieden met meer elementen of door bijvoorbeeld te werken met auditieve patronen. Het spel ‘Bodypercussie’ is een voorstel als afsluiter. Dit is muziek maken met je lichaam en heeft dus betrekking op zowel de motorische als de muzische ontwikkeling.
24
1
1 LES 21 Herhaling
Doelen
1 De kinderen kunnen tellen tot 5 en terugtellen vanaf 5 met sprongen van 1. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken, ordenen en sorteren. 3 De kinderen kunnen de rangorde aangeven en verwoorden. 4 De kinderen kunnen de getalbeelden tot 5 herkennen, benoemen, koppelen aan een hoeveelheid, leggen en stempelen. 5 De kinderen kunnen de begrippen evenveel, minder dan, meer dan gebruiken. 6 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met max. 2 verschil uitvoeren. 7 De kinderen kunnen realia naar lengte en oppervlakte vergelijken en ordenen. 8 De kinderen kunnen de dagen van de week benoemen en in de juiste volgorde plaatsen. 9 De kinderen kunnen de positie van zichzelf en van voorwerpen in de ruimte verwoorden met de begrippen op, naast, boven, voor, na, achter, onder, links, rechts, tegen(over), dicht bij … 10 De kinderen kunnen vlot patronen met max. vier verschillende elementen aanvullen.
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van 10
2
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Wiskundetaal gebruiken - wiskundige redeneringen weergeven in verschillende vertalingen zoals dramatiseren, vertellen, tekenen, met materiaal voorstellen, schematiseren, in een formule voorstellen en deze met elkaar vergelijken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken 6 - 8 Een rangorde aangeven met rangtelwoorden en de termen eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na kennen en gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Verschillende functies 6 - 8 Een natuurlijk getal gebruiken om een hoeveelheid, een rangorde, een maatgetal, een code en een bewerking aan te geven
25
1
1 LES 21 Herhaling
4
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
5
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
6
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
7
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
8
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
9
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
10
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Een ruimtelijk patroon handelend in één dimensie verderzetten
26
1
1 LES 21 Herhaling
Toelichting
Deze les is een herhaling van de voorgaande twintig lessen en is dus heel belangrijk om te kunnen concluderen hoe ver de kinderen al staan, met oog op de toets die in de volgende les wordt afgenomen: zullen de kinderen bijkomende oefeningen moeten maken (bijvoorbeeld in het scheurblok) of niet? Als voorbereiding op de individuele oefeningen in het werkboek, wordt er gesuggereerd om in de instap en leskern kort het vergelijken, ordenen, sorteren en gelijkmaken van de getalbeelden en hoeveelheden te herhalen. Het spreekt voor zich dat je afhankelijk van je kinderen deze herhaling niet, korter of langer behandelt en eventueel uitbreidt met het herhalen van nog andere leerstof. De dagen van de week, het ruimtelijk oriënteren en het vergelijken van lengte en oppervlakte wordt gesuggereerd om in de afsluiter te herhalen op een speelse manier. Daarvan zijn er dan ook geen oefeningen in het werkboek. Het lied van de dagen van de week zorgt ervoor dat er aandacht is voor de muzische ontwikkeling. Tijdens het oefenen in het werkboek, wordt er vooral sterk gewerkt aan het zelfregulerend vermogen. Hierbij kunnen onder andere volgende generieke doelen onder de aandacht komen: IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties en IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren. Het is de bedoeling dat op het einde van de les de kinderen zichzelf evalueren aan de hand van de schietroos in het werkboek. • Een kruisje dicht bij/op de roos: ik kan deze oefeningen vlot, ik ben klaar voor de toets! • Een kruisje halverwege de schietroos: ik heb nog wat moeite, ik moet mij nog wat voorbereiden op de toets. • Een kruisje op de buitenste rand van de schietroos of buiten de schietroos: ik heb nog wat moeite met dit domein en oefen nog verder in. Door de aanwezigheid van deze zelfevaluatie is er sterke aandacht voor de onderzoekscompetentie van de kinderen, namelijk: IVoc4: Alleen en met anderen kritisch reflecteren op ervaringen en bevindingen en daaruit leren. Als leerkracht kun je ervoor kiezen om, na het corrigeren van de oefeningen, hun zelfevaluatie te bevestigen of aan te passen in een ander kleur. Door deze feedback wordt er gewerkt aan het zelfregulerend vermogen, namelijk aan: IVzv5: Op een constructieve manier met feedback omgaan. Gezien de herhalingsles al een eerste soort test is om na te gaan of de kinderen al dan niet mee zijn met de leerstof, kunnen er zowel positieve als negatieve gevoelens uit voortvloeien. Dit kan betrekking hebben op de identiteit en veerkracht van de kinderen, namelijk: IKid1: Basisvertrouwen ontwikkelen, IKvk1: Plezier beleven en voldoending ervaren bij spelen, leren en leven en IKvk4: Situaties die als moeilijk ervaren worden en frustraties ombuigen door te zoeken naar mogelijkheden om er bevrijdend mee om te gaan.
27
1
1 LES 22 Toets: een schot in de roos!
Doelen
Getallenkennis 1 De kinderen kunnen tellen tot 5 en terugtellen vanaf 5 met sprongen van 1. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken, ordenen en sorteren. 3 De kinderen kunnen rangorde aangeven bij een gegeven telrichting. 4 De kinderen kunnen de getalbeelden tot 5 herkennen, benoemen, koppelen aan een hoeveelheid, tekenen, leggen, stempelen en omkringen. 5 De kinderen kennen de begrippen evenveel, meer dan, minder dan. Bewerkingen 6 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met max. 2 verschil uitvoeren door bij te tekenen of te doorstrepen. Meten en metend rekenen 7 De kinderen kunnen getekende voorwerpen naar lengte en oppervlakte vergelijken met de woorden kort, lang, breed, smal, hoog, laag, groot, klein. Meetkunde 8 De kinderen kunnen vlot patronen aanvullen. 9 De kinderen kunnen voorwerpen in een getekende ruimte aanduiden waarvan de positie bepaald wordt door de begrippen op, naast, voor, achter, onder, links, rechts, tegen(over), dichtbij.
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van ĂŠĂŠn, van twee, van vijf, van machten van 10
2
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Wiskundetaal gebruiken - wiskundige redeneringen weergeven in verschillende vertalingen zoals dramatiseren, vertellen, tekenen, met materiaal voorstellen, schematiseren, in een formule voorstellen en deze met elkaar vergelijken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken 6 - 8 Een rangorde aangeven met rangtelwoorden en de termen eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na kennen en gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Verschillende functies 6 - 8 Een natuurlijk getal gebruiken om een hoeveelheid, een rangorde, een maatgetal, een code en een bewerking aan te geven
28
1
1 LES 22 Toets: een schot in de roos!
4
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
5
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
6
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
7
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
8
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Een ruimtelijk patroon handelend in één dimensie verderzetten
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
9
29
1
1 LES 22 Toets: een schot in de roos!
Toelichting
In deze les wordt de leerstof van de voorgaande twintig lessen getoetst. Het is de bedoeling dat de kinderen de toets individueel maken, wat sterk bijdraagt tot verschillende generieke doelen van het zelfregulerend vermogen: • IVzv1: Keuzes willen, durven en kunnen maken door betekenis te geven aan die keuzes en daar de verantwoordelijkheid voor opnemen, want de kinderen moeten doorheen de toets constant nadenken over de mogelijke oplossingsmethodes voor de oefeningen. • IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties, want de kinderen moeten de leerstof van de voorgaande twintig lessen inzetten om de toets tot een goed einde te brengen. • IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren, want de kinderen moeten aandacht hebben voor de timing, moeten op het einde nog eens controleren of alles ingevuld is en alle oplossingen mogelijk zijn, … • IVzv5: Op een constructieve manier met feedback omgaan, want na de toets is er een klassikale verbetering waarbij de kinderen zowel positieve als negatieve feedback kunnen ontvangen. Het resultaat van de toets zal bepalen of de kinderen de volgende les (les 23 en 24 ‘Remediêring’ / ‘Verrijking’) remediëringsopdrachten en/of verrijkingsopdrachten zullen moeten maken. Gezien er een ‘1 op 1’-relatie is tussen de oefeningen van de toets/herhaling en die van remediëring en verrijking is les 23 en 24 niet apart opgenomen in deze ZILL-gids. Vandaar dat de mogelijke generieke doelen die betrekking hebben op de identiteit en veerkracht van de kinderen die daar aan bod komen hieronder opgesomd worden: • IKid1: Basisvertrouwen ontwikkelen, zal nodig zijn om met goede moed de remediëringsopdrachten tot een goed einde te brengen en zal extra gestimuleerd worden als verrijkingsopdrachten tot een goed einde worden gebracht. • IKvk1: Plezier beleven en voldoending ervaren bij spelen, leren en leven, zal vooral van toepassing zijn bij de verrijkingsopdrachten. • IKvk4: Situaties die als moeilijk ervaren worden en frustraties ombuigen door te zoeken naar mogelijkheden om er bevrijdend mee om te gaan, zal vooral van toepassing zijn bij de remediëringsopdrachten. Je kunt ervoor kiezen om de kinderen niet individueel, maar in groep remedïerende of verrijkende opdrachten te laten maken. In dat geval komt ook het volgende doel aan bod: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
30
1
1
Getallenkennis
LES 25 Cijfers 1 en 2 schrijven
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de cijfers 1 en 2 correct benoemen. 2 De kinderen kunnen de cijfers 1 en 2 koppelen aan de bijhorende getalbeelden en hoeveelheden. 3 De kinderen kunnen vlot de cijfers 1 en 2 schrijven, zowel in kleinmotorische als grootmotorische schrijfbeweging. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Tientallig stelsel, lezen en schrijven 6 - 7 Hoeveelheden voorstellen met telwoorden, getalbeelden en cijfersymbolen 6 - 7 Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 20
31
1
1
Getallenkennis
LES 25 Cijfers 1 en 2 schrijven
Toelichting
De kinderen moeten ondertussen de getalbeelden tot 5 al vlot kennen, want dit kwam al ruimschoots aan bod in de voorgaande lessen. De focus van deze les is het schrijven van de cijfers 1 en 2. Dat wordt stap voor stap opgebouwd: eerst worden concrete hoeveelheden gekoppeld aan de schematische getalbeelden en daarna ook aan de cijferkaarten. De volgende stap is dat je het cijfer 1 (en in het tweede deel van de les 2) in reuzenformaat aan het bord schrijft en de schrijfwijze hierbij sterk verwoordt. De kinderen ‘schrijven’ eerst het cijfer in de lucht, op hun bank, … en pas daarna op papier. Ook het noteren op papier verloopt stap voor stap: eerst moeten de kinderen de cijfers enkel overtrekken en pas daarna moeten ze het cijfer volledig zelf schrijven. Om een echte analyse van de cijfers te maken, kan je de kinderen tot slot ook cijfers laten vormen met hun lichaam (op de grond). In deze les is er duidelijk een sterk verband met het ontwikkelveld ‘motorische en zintuigelijke ontwikkeling’ en meer bepaald met de ontwikkelvelden ‘grootmotorisch en kleinmotorisch bewegen’. Doorheen de les evolueert de aandacht van het grootmotorisch naar het kleinmotorisch bewegen. Het generieke doel: MZkm4: Vloeiend schrijven is het sterkst aanwezig. Sommige kinderen zullen het moeilijk hebben met de schrijfmotorische oefeningen. Bij hen is het belangrijk om voortdurend de schrijfwijze te verwoorden en te laten verwoorden. Bij hen kan de focus ook beperkt worden door hen de cijfers minder te laten schrijven, want het is belangrijker dat ze de cijfers die ze wel schrijven helemaal correct vormen. Bij hen is het wellicht ook nodig om de koppeling tussen hoeveelheid en cijfer nog sterker te stimuleren. Een tip is ook om in de lessen muzische vorming de cijfers (nu 1 en 2, later ook 3, 4, 5 en 0) te maken in klei of houtpasta en die te laten versieren (al dan niet met patronen!).
32
1
1
Getallenkennis
LES 26 Cijfers 3 en 4 schrijven
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de cijfers 3 en 4 correct benoemen. 2 De kinderen kunnen de hoeveelheden 3 en 4 koppelen aan de bijhorende getalbeelden en hoeveelheden. 3 De kinderen kunnen vlot de cijfers 3 en 4 schrijven zowel in kleinmotorische als grootmotorische schrijfbeweging. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Tientallig stelsel, lezen en schrijven 6 - 7 Hoeveelheden voorstellen met telwoorden, getalbeelden en cijfersymbolen 6 - 7 Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 20
Toelichting
In de voorgaande les (‘Cijfers 1 en 2 schrijven’) leerden de kinderen de cijfers 1 en 2 schrijven. De aanpak van deze les is eigenlijk identiek als de aanpak van les 25. Het is dus interessant om de toelichting daarvan erbij te nemen en toe te passen voor de cijfers 3 en 4. Bijgevolg zal ook in deze les het generieke doel: MZkm4: Vloeiend schrijven sterk aan bod komen.
33
1
1
Meten en metend rekenen
LES 27 Realia kwalitatief vergelijken naar gewicht
Doelen
1 De kinderen kunnen realia naar gewicht kwalitatief vergelijken en ordenen. 2 De kinderen kunnen de vergelijkingen verwoorden door gebruik te maken van de begrippen ‘lichter’, ‘zwaarder’, ‘even licht’, ‘even zwaar’, ‘weegt meer’, ‘weegt minder’, ‘weegt evenveel’. 3 De kinderen ontwikkelen strategieën om realia kwalitatief te vergelijken.
1
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
2
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Ervaren en illustreren dat sommige handelingen niets veranderen aan de grootte van de dingen
WDmm3
Schatten, meten en rekenen met maateenheden Gewicht 6 - 8 Een gewicht schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
3
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
WDlw3
Wiskundige problemen oplossen in betekenisvolle situaties binnen en buiten de klas en de redeneringen daarbij onderbouwen, vergelijken, bijsturen, weergeven en beoordelen 6 - 9 Eenvoudige problemen zoals rekenraadsels, breinbrekers en andere wiskundige problemen met betrekking tot getallen, meten en meetkunde oplossen, oplossingen onderzoeken, vergelijken, bijsturen, beargumenteren, bespreken en daarbij wiskundige heuristieken ontdekken, kennen en gebruiken zoals • veronderstellen • proberen en controleren • een tekening maken • omgevingsmateriaal gebruiken • naar analogie werken • patronen zoeken in gegevens • lijsten of tabellen gebruiken • noodzakelijke en overbodige gegevens onderscheiden • elimineren
34
1
1
Meten en metend rekenen
LES 27 Realia kwalitatief vergelijken naar gewicht
Toelichting
De kinderen hebben in de kleuterklas al ervaring opgedaan met gewichten en de begrippen ‘zwaar’ en ‘licht’. Sommigen hebben ook al de balans gebruikt. In les 18 (‘Realia kwalitatief vergelijken naar lengte en naar oppervlakte’) leerden de kinderen al lengtes en oppervlaktes vergelijken. Bij de instap van deze les ligt de focus sterk op het concrete: de begrippen ‘meer wegen’, ‘zwaarder’, ‘minder wegen’ en ‘lichter’ worden geïllustreerd aan de hand van een wip waarop twee kinderen zitten. Bij de leskern wordt de focus langzaamaan verlegt naar het wiskundige: eerst wordt ons lichaam als balans genomen en daarna wordt de ‘echte’ balans geïntroduceerd. De focus wordt verlegd door het feit dat we met ons lichaam niet altjid volledig zeker kunnen zijn dat iets meer of minder weegt dan iets anders. Bij rekenzwakkere kinderen is het belangrijk om een gewichtsverschil nog sterk te laten ervaren, door hen de voorwerpen te laten dragen. Bij rekensterkere kinderen kan er net een stapje verder gegaan worden, door hen al eens te laten schatten en/of op mentaal niveau te laten vergelijken. Er kan ook een verdieping van de focus zijn door hen eens drie voorwerpen te laten vergelijken (in plaats van twee).
35
1
1
Getallenkennis
LES 28 Cijfers 0 en 5 schrijven
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de cijfers 0 en 5 correct benoemen. 2 De kinderen kunnen de hoeveelheden 0 en 5 koppelen aan de bijhorende getalbeelden en hoeveelheden. 3 De kinderen kunnen vlot de cijfers 0 en 5 schrijven zowel in kleinmotorische als grootmotorische schrijfbeweging. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Tientallig stelsel, lezen en schrijven 6 - 7 Hoeveelheden voorstellen met telwoorden, getalbeelden en cijfersymbolen 6 - 7 Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 20
Toelichting
In les 25 (‘Cijfers 1 en 2 schrijven’) en les 26 (‘Cijfers 3 en 4 schrijven’) leerden de kinderen de cijfers 1, 2, 3 en 4 schrijven. De aanpak van deze les is eigenlijk identiek als de aanpak van les 25 en les 26. Het is dus interessant om de toelichting daarvan erbij te nemen en toe te passen voor de cijfers 0 en 5. Bijgevolg zal ook in deze les het generieke doel: MZkm4: Vloeiend schrijven sterk aan bod komen.
36
1
1
Getallenkennis
LES 29 Vergelijken tot 5 met = en ≠
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken. 2 De kinderen kunnen de begrippen evenveel, niet evenveel, meer, minder, meest, minst correct gebruiken. 3 De kinderen kunnen de symbolen = en ≠ correct gebruiken. WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
3
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
37
1
1
Getallenkennis
LES 29 Vergelijken tot 5 met = en ≠
Toelichting
De kinderen hebben in voorgaande lessen al geleerd om te vergelijken of iets meer, minder of evenveel is en kunnen ook evenveel maken tot 5 (max. 2 verschil). De focus van deze les zijn de symbolen ‘=’ en ‘≠’, want dat is nieuwe leerstof. Tijdens het aanleren van die symbolen wordt er overgegaan van het vergelijken van twee concrete hoeveelheden naar het vergelijken van schematisch voorgestelde hoeveelheden naar het vergelijken van getalbeelden naar het vergelijken van cijfers. Bij de rekenzwakkere kinderen is het belangrijk om te beperken tot de begrippen ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’. Het uitrekenen van hoeveel meer of minder dient dus niet aan bod te komen. Bij rekensterkere kinderen kan dit uiteraard wel en staat het zelfstandig werken centraal.
38
1
1
Getallenkennis
LES 30 0 tot 5 inoefenen
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de cijfers 0,1,2,3,4 en 5 herkennen en benoemen. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 structureren en ze koppelen aan de bijhorende getalbeelden en cijfers. 3 De kinderen kunnen vlot de cijfers 0, 1, 2, 3, 4, 5 schrijven, zowel in kleinmotorische als grootmotorische schrijfbeweging. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Tientallig stelsel, lezen en schrijven 6 - 7 Hoeveelheden voorstellen met telwoorden, getalbeelden en cijfersymbolen 6 - 7 Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 20
Toelichting
In les 25 (‘Cijfers 1 en 2 schrijven’), les 26 (‘Cijfers 3 en 4 schrijven’) en les 28 (‘Cijfers 0 en 5 schrijven’) leerden de kinderen al de cijfers 1, 2, 3, 4, 5 en 0 schrijven. Deze leerstof wordt in deze les herhaald, zowel op concreet, schematisch als abstract niveau en dit klassikaal op een speelse manier en individueel in het werkboek. Bij rekenzwakkere kinderen zal de schrijfmotoriek nog sterk ingeoefend moeten worden. Doe dit op een rustig moment, zowel grootmotorisch als kleinmotorisch. Doorheen de les kunnen deze kinderen eventueel gebruikmaken van cijferkaarten of sjablonen om getallen te overtrekken. Dan is er sprake van een focusbeperking. Bij rekensterkere kinderen kan de focus verdiept worden door ze al eens getalbeelden en cijfers te laten vergelijken met ‘=’ en ‘≠‘ en gebruik te laten maken van de begrippen ‘1 meer’ en ‘1 minder’.
39
1
1
Meetkunde
LES 31 Ruimtelijke oriëntatie: positiebepaling zichzelf en voorwerpen
Doelen
1 De kinderen kunnen aan de hand van een plaatsbeschrijving iets vinden in de ruimte. 2 De kinderen kunnen de positie van zichzelf, van anderen en van voorwerpen in de ruimte verkennen, bepalen en verwoorden. 3 De kinderen kunnen de positie van zichzelf, van anderen en van voorwerpen bepalen door gebruik te maken van de begrippen links, rechts, ver, dichterbij, onder, boven, naast.
1
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Handelend ruimtelijk redeneren zoals bij plaatsbepaling, matrixen en logische reeksen
2
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Handelend ruimtelijk redeneren zoals bij plaatsbepaling, matrixen en logische reeksen 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
3
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
Toelichting
In deze les wordt de leerstof van les 15 (‘Ruimtelijke oriëntatie: (eigen) positie bepalen’) en les 16 (‘Ruimtelijke oriëntatie: positiebepaling voorwerp) samen herhaald. Dit wordt eerst heel concreet aangepakt door de kinderen zelf in een ruimte te laten stappen en hun positie te laten omschrijven en door een Duplo-figuurtje in een maquette van de klas te laten verzetten aan de hand van een plaatsomschrijving. Daarna moeten de kinderen abstracter oefenen in het werkboek. Bij rekenzwakkere kinderen zal je moeten meewandelen en helpen om hun positie te omschrijven. Het verschil tussen links en rechts kan ook beholpen worden aan de hand van een trucje, zoals bijvoorbeeld een bandje rond de linkerpols. Rekensterkere kinderen kunnen de focus verdiepen door bijvoorbeeld een plattegrond van de maquette te maken. Op het einde van de les wordt de leerstof speels herhaald aan de hand van bewegingsopdrachten op het liedje ‘Klein clowntje Bril’. Zo is er een ontmoeting met de ontwikkelvelden motorische en muzische ontwikkeling.
40
1
1
Meten en metend rekenen
LES 32 Dagen van de week: morgen, overmorgen, gisteren en eergisteren
Doelen
1 De kinderen kennen vlot de dagen van de week. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘vandaag’, ‘morgen’ ,‘overmorgen’, ‘gisteren’ en ‘eergisteren’ toepassen. 3 De kinderen kunnen een bepaalde activiteit koppelen aan een bepaalde dag.
1
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
2
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
3
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Ervaren en vaststellen hoe bepaalde activiteiten verbonden zijn met specifieke dagen
Toelichting
De doelen van deze les vinden we niet terug in het ontwikkelveld ‘ontwikkeling van wiskundig denken’, maar wel in dat van ‘ontwikkeling van oriëntatie op de wereld’ met meer bepaald het ontwikkelthema ‘oriëntatie op de tijd’. In les 4 (‘Dagen van de week’) werden de dagen van de week en de begrippen ‘vandaag’, ‘morgen’ en ‘gisteren’ aangeleerd. De kinderen leerden ook een bepaalde activiteit koppelen aan een bepaalde dag. In deze les wordt deze leerstof herhaald en ligt de focus op twee nieuwe begrippen, namelijk ‘overmorgen’ en ‘eergisteren’. Hierbij kan er sterk vertrokken worden uit de persoon van de kinderen. Zo kan er worden gevraagd wat ze (eer)gisteren meegemaakt hebben, vandaag nog zullen doen, (over)morgen gepland hebben… en welke activiteiten er tijdens de week telkens terugkomen op specifieke dagen. Dit komt de persoonsgebonden ontwikkeling ten goede. Het is belangrijk dat de tijdsbegrippen ook naast deze les veelvuldig aan bod komen in de klas en dit ook in andere ontwikkelvelden. Voor de rekenzwakkere kinderen helpt een weekschema met symbolen waarop ze de dagen kunnen aanwijzen. Hierbij kan het ook helpen dat je de richting aanduidt met bijvoorbeeld een pjil van links naar rechts, onder de dagen of een rode kantlijn, helemaal links voor maandag. Bij rekensterkere kinderen kan het leuk zijn om te werken met raadseltjes of verhaaltjes in verband met de verleden of toekomstige tijd.
41
1
1
Getallenkennis
LES 33 Toepassingen op de getallen 0 tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen de getallen tot 5 verwoorden, ze koppelen aan een getalbeeld en een hoeveelheid. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken en daarbij de termen ‘is evenveel als’, ‘is meer dan’, ‘is minder dan’ correct gebruiken. 3 De kinderen kunnen twee hoeveelheden tot 5 gelijk maken door bij te voegen of weg te nemen. 4 De kinderen kunnen een hoeveelheid tot 5 aanpassen aan een gegeven getal. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren) 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 De telrij opzeggen (akoestisch tellen) tot 10 en van 10 naar 0 2.5 - 6 Verkort tellen
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
3
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
4
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen
42
1
1
Getallenkennis
LES 33 Toepassingen op de getallen 0 tot 5
Toelichting
In les 30 (‘Cijfers 0 tot 5 inoefenen’) is de leerstof in verband met de cijfers 0 tot 5 herhaald. Deze les bouwt hier verder op met een aantal toepassingen en oefeningen in het werkboek. De minder rekensterke kinderen kan je ter ondersteuning laten werken met hun getalbeeldendoos en MAB-materiaal. Als afsluiter wordt de leerstof ingeoefend met een hinkelveld, wat de motorische ontwikkeling ten goede komt: MZlb7: Bewegingen gelijktijdig, opeenvolgend en afwisselend uitvoeren: Lichaamsdelen afzonderlijk bewegen.
43
1
1 LES 34 Herhaling
Doelen
1
1 De kinderen kunnen vlot de cijfers 0 tot 5 schrijven, benoemen en herkennen. 2 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 structureren en ze koppelen aan de bijhorende getalbeelden en cijfers. 3 De kinderen kunnen de hoeveelheden tot 5 vergelijken en daarbij de symbolen = en ≠ passend gebruiken en verwoorden. 4 Kinderen kunnen realia naar gewicht kwalitatief vergelijken en ordenen en hierbij gebruik maken van de begrippen zwaar/zwaarder, licht/lichter, even zwaar, weegt meer/minder/evenveel. 5 De kinderen kunnen de positie van zichzelf, van anderen en van voorwerpen bepalen door gebruik te maken van de begrippen links, rechts, ver, dichterbij, onder, boven, naast. WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Tientallig stelsel, lezen en schrijven 6 - 7 Hoeveelheden voorstellen met telwoorden, getalbeelden en cijfersymbolen 6 - 7 Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 20
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (= subiteren)
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
4
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Ervaren en illustreren dat sommige handelingen niets veranderen aan de grootte van de dingen
WDmm3
Schatten, meten en rekenen met maateenheden Gewicht 6 - 8 Een gewicht schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
5
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
44
1
1 LES 34 Herhaling
Toelichting
Deze les is een herhaling van de lessen 25 tot 33 en is belangrijk om te kunnen concluderen welke kinderen moeite hebben met bepaalde onderwerpen. Als voorbereiding op de individuele oefeningen in het werkboek is er vooral aandacht voor het herhalen van de leerstof in verband met de cijfers 0 tot 5: schrijven, benoemen, herkennen, koppelen aan hoeveelheden tot 5 en getalbeelden, vergelijken met de symbolen ‘=’ en ‘≠’ … Afhankelijk van de leerlingengroep kan je er echter ook voor kiezen om de leerstof in verband met ‘realia kwalitatief vergelijken naar gewicht’, ‘positiebepaling van zichzelf en voorwerpen’ en ‘dagen van de week’ te herhalen. Wat je precies herhaalt en hoelang bepaal je als leerkracht volledig zelf, in de handleiding wordt er enkel een werkwijze gesuggereerd. Tijdens het oefenen in het werkboek, wordt er vooral sterk gewerkt aan het zelfregulerend vermogen. Hierbij kunnen onder andere volgende generieke doelen onder de aandacht komen: IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties en IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren. Opgepast: voor rekenzwakkere kinderen zal het moeilijk zijn om zelfstandig aan de slag te gaan. Zij zullen hoogstwaarschijnlijk nood hebben aan een begeleidende leerkracht, al dan niet aan de zorgtafel. Zo kan het voorlezen van de opdrachten, het controleren van oefening per oefening, het laten gebruiken van getalbeelden … hen goed begeleiden. Bijgevolg zullen bij hen de bovenstaande generieke doelen minder aan bod komen. Op het einde van de les is het de bedoeling dat je een nabespreking houdt met de kinderen: wat vonden ze moeilijk, waar moeten ze goed opletten, … Zo is er aandacht voor de onderzoekscompetentie van de kinderen, namelijk: IVoc4: Alleen en met anderen kritisch reflecteren op ervaringen en bevindingen en daaruit leren. De nabespreking kan je als leerkracht ook gebruiken om feedback te geven. Door die feedback kan er worden gewerkt aan het zelfregulerend vermogen, namelijk: IVzv5: Op een constructieve manier met feedback omgaan. Gezien de herhalingsles al een eerste soort test is om na te gaan of de kinderen al dan niet mee zijn met de leerstof, kunnen er zowel positieve als negatieve gevoelens uit voortvloeien. Dit kan betrekking hebben op de identiteit en veerkracht van de kinderen, namelijk: IKid1: Basisvertrouwen ontwikkelen, IKvk1: Plezier beleven en voldoending ervaren bij spelen, leren en leven en IKvk4: Situaties die als moeilijk ervaren worden en frustraties ombuigen door te zoeken naar mogelijkheden om er bevrijdend mee om te gaan.
45
1
1
Getallenkennis
LES 35 Getallenas tot 5
Doelen
1
1 De kinderen kunnen getallen van 0 tot en met 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen. 2 De kinderen kunnen de positie van een getal beschrijven met de begrippen voor, na, tussen, juist voor, juist na, net voor, net na. WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Ordenen 6 - 7 Natuurlijke getallen tot 20 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Ordenen 6 - 7 Natuurlijke getallen tot 20 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
Toelichting
De kinderen kunnen al resultatief tellen, kunnen de getallen 0 tot 5 schrijven en kennen de rangorde van de getallen. In deze les ligt de focus op het plaatsen van de getallen van 0 tot 5 op de getallenas. Die getallenas wordt aangebracht door eerst heel sterk de rangorde van de getallen 0 tot 5 te herhalen met de begrippen ‘voor’, ‘na’, ‘tussen’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘net voor’ en ‘net na’. Door een pijl te tekenen die de richting van ordenen aangeeft en daarna op die pijl strepen te trekken die even ver van elkaar liggen, wordt de getallenas opgebouwd. Rekenzwakkere kinderen kunnen beholpen worden door een verfijning van de focus aan de hand van een kaarje met daarop een duidelijke en correcte getallenas van 0 tot 5. Rekensterkere kinderen kan je al eens laten tellen met een sprong, wat zorgt voor een verdieping van de focus.
46
1
1
Getallenkennis
LES 36 Vergelijken tot 5 met > en <
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘is meer dan’, ‘is minder dan’, ‘niet gelijk’, ‘gelijk’ correct gebruiken. 3 De kinderen kunnen de symbolen =, ≠, > en < correct gebruiken. WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
3
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
47
1
1
Getallenkennis
LES 36 Vergelijken tot 5 met > en <
Toelichting
Deze les bouwt verder op les 29 (‘Vergelijken tot 5 met = en ≠). De focus van deze les zijn de symbolen ‘>’ en ‘<’, want dat is nieuwe leerstof. De truc om het verschil tussen deze twee symbolen te kennen, is de verwijzing naar de ‘Alligator Thor’: Thor zal altijd zijn bek openzetten aan de kant waar er het meest zijn. Het aanbrengen van de twee nieuwe symbolen gebeurt opnieuw stapsgewijs van heel concreet, naar schematisch, naar abstract. Het spreekt voor zich dat rekenzwakkere kinderen het abstract vergelijken nog heel moeilijk zullen vinden en daarom langer gebruik zullen (mogen) maken van de getalbeelden. Bovendien volstaan de formuleringen ‘meer dan’ en ‘minder dan’ en hoeven ze nog niet te doen aan hoeveelheidsvergelijkingen als ‘1 meer dan’ en ‘1 minder dan’. Rekensterkere kinderen zullen daarentegen de overstap naar het vergelijken van de abstracte cijfers sneller kunnen nemen en kunnen de concrete hoeveelheidsvergelijkingen wel al gebruiken.
48
1
1
Bewerkingen
LES 37 Evenveel maken tot 5 (max. 2 verschil)
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 gelijkmaken door ofwel bij te doen ofwel weg te doen (maximaal 2 verschil). 2 De kinderen kunnen de begrippen bijdoen,wegdoen, vermeerderen, verminderen, is evenveel, is niet evenveel, meer dan, minder dan correct gebruiken. 3 De kinderen kunnen resultatief tellen tot 5. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
3
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10
Toelichting
Deze les is puur een herhaling van les 19 (‘Evenveel maken tot 5 (max. 2 verschil’). Voor rekenzwakkere kinderen kan het nog nodig zijn dat het vergelijken van hoeveelheden paarsgewijs gebeurd. Zij zullen ook veel langer de jetons nodig hebben en minder vlug kunnen overschakelen naar de getalbeelden. Voor rekensterkere kinderen kan er telkens aandacht zijn voor de twee mogelijke oplossingen (bijdoen ĂŠn wegnemen) en kan het weglaten van de jetons iets vlugger gebeuren.
49
1
1
Meetkunde
LES 38 Ruimtelijke oriëntatie: positiebepaling: richting van beweging
Doelen
1 De kinderen kunnen de richting van het bewegen van zichzelf en van voorwerpen in de ruimte verkennen en bepalen. 2 De kinderen kunnen de zin van beweging verwoorden door gebruik te maken van begrippen zoals vooruit, achteruit, omlaag, omhoog, door, verder af, schuin, recht, van mij weg, naar mij toe, in de richting van …
1
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Onderzoeken en vaststellen in de werkelijkheid wat men ziet vanuit diverse perspectieven bij concrete verplaatsing in de ruimte 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
2
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 2.5 - 6 Onderzoeken en vaststellen in de werkelijkheid wat men ziet vanuit diverse perspectieven bij concrete verplaatsing in de ruimte 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
Toelichting
In les 31 (‘Ruimtelijke oriëntatie: positiebepaling van zichzelf en van voorwerpen’) werd de lesinhoud beperkt tot de positiebepaling, terwijl in deze les de focus op de richting van beweging ligt: de kinderen krijgen opdrachten om zichzelf in de ruimte te verplaatsen; een voorwerp in de ruimte te verplaatsen tegenover zichzelf, een ander of andere voorwerpen; en zichzelf in de ruimte te verplaatsen tegenover een voorwerp. Hierbij is het opfrissen van de verschillende begrippen belangrijk. Op het einde van de les wordt het lied ‘De kabouterdans’ afgespeeld en moeten de kinderen de bewegingen uitvoeren. Hierdoor komen de ontwikkelvelden ‘muzische ontwikkeling’ en ‘motorische ontwikkeling’ kort aan bod.
50
1
1
Getallenkennis
LES 39 Vergelijken tot 5 met =, < en >
Doelen
1
1 De kinderen kunnen hoeveelheden tot 5 vergelijken. 2 De kinderen kunnen de begrippen ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘is meer dan’, ‘is minder dan’, ‘niet gelijk’ en ‘gelijk’ correct gebruiken. 3 De kinderen kunnen de symbolen =, ≠, > en < gebruiken bij hoeveelheden tot 5. WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid vormen en vaststellen dat ze niet afhangt van de plaats en de ordening in tijd en ruimte (conservatie van hoeveelheid)
2
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 4 - 6 Gestructureerde en ongestructureerde hoeveelheden onderzoeken, schatten, vergelijken en sorteren door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden gebruiken zoals veel, weinig, niets, evenveel, niet evenveel, te veel, te weinig, over, te kort, meer, minder, meest, minst, is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan
3
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
51
1
1
Getallenkennis
LES 39 Vergelijken tot 5 met =, < en >
Toelichting
In deze les wordt les 29 (‘Vergelijken tot 5 met = en ≠) en les 36 (‘Vergelijken tot 5 met > en <) samen herhaald met de focus op de drie symbolen ‘=’, ‘<’ en ‘>’. Deze herhaling gebeurt opnieuw stapsgewijs van concreet, naar schematisch, naar abstract. Rekenzwakkere kinderen zullen langer nood hebben aan de getalbeelden. Laat hen daarom in het werkboek de getalbeelden bij de cijfers tekenen. Rekensterkere kinderen zullen de overstap naar het abstracte vlugger kunnen maken en al concretere hoeveelheidsvergelijkingen kunnen verwoorden.
52
1
1
Meten en metend rekenen
LES 40 en 41 Realia kwalitatief vergelijken naar inhoud
Doelen
1 De kinderen kunnen realia kwalitatief vergelijken naar inhoud. 2 De kinderen kunnen deze vergelijkingen verwoorden en hierbij gebruik maken van de begrippen vol, leeg, weinig (inhoud), veel (inhoud), even vol, meer gevuld, minder gevuld, voller, minder vol, meest (inhoud), minst (inhoud). 3 De kinderen kunnen inhouden ordenen van minder inhoud naar meer inhoud.
1
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken
2
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Ervaren en illustreren dat sommige handelingen niets veranderen aan de grootte van de dingen
WDmm3
Schatten, meten en rekenen met maateenheden Inhoud en volume 6 - 8 Een inhoud schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
3
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
Toelichting
De kinderen hebben in les 18 (‘Realia kwalitatief vergelijken naar lengte en oppervlakte’) en les 27 (‘Realia kwalitatief vergelijken naar gewicht’) al vergeleken naar lengte, oppervlakte en gewicht. De focus van deze les is het vergelijken naar inhoud. De leerstof wordt heel speels aangeleerd door ‘Spel zonder grenzen’. In dit spel komt er groepswerk aan bod, waardoor er gewerkt wordt aan het volgende doel: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel
53
1
1
Bewerkingen
LES 42 Optellen tot 5 met concreet materiaal
Doelen
1
1 De kinderen kunnen in concrete situaties rekenhandelingen tot 5 dramatiseren, uitvoeren en verwoorden. 2 De kinderen kunnen vlot de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’ , ‘vermeerderen’ hanteren en begrijpen. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen 6 - 12 Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken - de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
2
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen 6 - 12 Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken - de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
54
1
1
Bewerkingen
LES 42 Optellen tot 5 met concreet materiaal
Toelichting
De kinderen hebben al geleerd om aan een concrete hoeveelheid een cijfer te koppelen en dat cijfer te noteren. Ze leerden ook al de betekenis van het symbool ‘=’. In deze les wordt er een stapje verder gegaan: de kinderen leren een optelling noteren. Dit wordt aangeleerd aan de hand van het concretiseren van rekenverhalen, waarbij er groepswerk aan te pas komt en zo ook het generieke doel: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel. Er wordt in deze les veel aandacht geschonken aan de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’ en ‘vermeerderen’ en het symbool ‘+’ dat daarvan de vertaling is.
55
1
1
Bewerkingen
LES 43 Aftrekken tot 5 met concreet materiaal
Doelen
1
1 De kinderen kunnen in concrete situaties rekenhandelingen tot 5 dramatiseren, uitvoeren en verwoorden. 2 De kinderen kunnen de begrippen min, wegdoen, afnemen en verminderen gebruiken. WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen 6 - 12 Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken - de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
2
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen 6 - 12 Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken - de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
56
1
1
Bewerkingen
LES 43 Aftrekken tot 5 met concreet materiaal
Toelichting
Deze les is gelijkaardig aan de vorige les, les 42 (‘Optellen tot 5 met concreet materiaal’), waarin de kinderen leerden optellen tot 5 met concreet materiaal. Het kan dus interessant zijn om die toelichting er eens bij te nemen. Bij rekenzwakkere kinderen kan het nodig zijn om alle handelingen van het aftrekken ook effectief te laten uitvoeren met MAB-materiaal. Het verwoorden (‘min’, ‘wegdoen’, ‘afnemen’ en ‘verminderen’) vraagt ook de nodig aandacht. Bij rekensterkere kinderen kan er vlugger worden overgestapt naar het schematische niveau en het afdekken van de getalbeelden. Op het einde van de les wordt er gesuggereerd om het lied ‘Vijf kleine visjes’ (gebaseeerd op het liedje ‘Tien kleine visjes’) te zingen. Zo is er een kleine link naar het ontwikkelveld ‘muzische ontwikkeling’.
57
1
1
Getallenkennis
LES 44 Toepassing: hoeveelheden handig tellen (turven)
Doelen
1 De kinderen kunnen een gegeven hoeveelheid tot 5 handig tellen door te turven. 2 De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 5 met sprongen van 1.
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van ĂŠĂŠn, van twee, van vijf, van machten van 10
Toelichting
De kinderen kunnen al tellen en terugtellen tot 5. In deze les ligt de focus op het leren turven, met als speciaal element het turven van de hoeveelheid 5. Er kan tijdens de afsluiter een link gelegd worden met de motorische ontwikkeling, door de kinderen stunten te laten doen, die moeten worden geturfd. Bij rekenzwakkere kinderen is het belangrijk om te helpen met het turven.
58
1
1 LES 45 Herhaling
Doelen
1 De kinderen kunnen hoeveelheden, getalbeelden en getallen tot 5 herkennen, benoemen, vergelijken en ordenen. 2 De kinderen kunnen onderbroken getallenassen tot 5 aanvullen. 3 De kinderen kunnen hoeveelheden en getallen tot 5 vergelijken en daarbij de symbolen =, ≠, < en > gebruiken. 4 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met maximaal 2 verschil uitvoeren. 5 De kinderen kunnen optellingen en aftrekkingen tot 5 uitvoeren op concreet niveau. 6 De kinderen kunnen realia vergelijken en ordenen naar inhoud. 7 De kinderen kunnen de positie van zichzelf en van voorwerpen bepalen door gebruik te maken van de begrippen links, rechts, ver, dichterbij, onder, boven, naast. 8 De kinderen kunnen de zin van beweging verwoorden met de begrippen vooruit, achteruit, omhoog, omlaag, verder af, schuin, recht, van mij weg, naar mij toe, in de richting van …
1
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 2.5 - 6 Doortellen en terugtellen binnen het bereik tot 10 6 - 12 Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van 10
2
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Ordenen 6 - 7 Natuurlijke getallen tot 20 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
3
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
4
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
59
1
1 LES 45 Herhaling
5
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Wiskundige gelijkheid 6 - 12 Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen - hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen 6 - 12 Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken - de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
6
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Handelend dingen rangschikken op basis van een kwalitatieve vergelijking
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Ervaren en illustreren dat sommige handelingen niets veranderen aan de grootte van de dingen
WDmm3
Schatten, meten en rekenen met maateenheden Inhoud en volume 6 - 8 Een inhoud schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
7
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
8
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
60
1
1 LES 45 Herhaling
Toelichting
Deze les is een herhaling van de voorgaande vierenveertig lessen en is dus heel belangrijk om te kunnen concluderen hoe ver de kinderen al staan, met oog op de toets die in de volgende les wordt afgenomen: zullen de kinderen bijkomende oefeningen moeten maken (bijvoorbeeld in het scheurblok of in Target 8) of niet? Als korte instap op de individuele oefeningen in het werkboek, kan de leerstof in verband met rekenverhalen tot 5 kort herhaald worden. Het spreekt voor zich dat je afhankelijk van je kinderen deze herhaling niet, korter of langer behandelt en eventueel uitbreidt met het herhalen van nog andere leerstof. Tijdens het oefenen in het werkboek, wordt er vooral sterk gewerkt aan het zelfregulerend vermogen. Hierbij kunnen onder andere volgende generieke doelen onder de aandacht komen: IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties en IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren. Het spreekt voor zich dat de rekenzwakkere kinderen deze generieke doelen in mindere mate zullen bereiken, omdat zij wellicht begeleid zullen moeten worden: welke oefeningen moeten zij zeker proberen te maken, wat betekent bepaalde rekentaal ook alweer, welke getalbeelden horen bij de abstracte getallen … Het is de bedoeling dat op het einde van de les de kinderen zichzelf evalueren aan de hand van de schietroos in het werkboek. • Een kruisje dicht bij/op de roos: ik kan deze oefeningen vlot, ik ben klaar voor de toets! • Een kruisje halverwege de schietroos: ik heb nog wat moeite, ik moet mij nog wat voorbereiden op de toets. • Een kruisje op de buitenste rand van de schietroos of buiten de schietroos: ik heb nog wat moeite met dit domein en oefen nog verder in. Door de aanwezigheid van deze zelfevaluatie is er sterke aandacht voor de onderzoekscompetentie van de kinderen, namelijk: IVoc4: Alleen en met anderen kritisch reflecteren op ervaringen en bevindingen en daaruit leren. Als leerkracht kun je ervoor kiezen om, na het corrigeren van de oefeningen, hun zelfevaluatie te bevestigen of aan te passen in een ander kleur. Door deze feedback wordt er gewerkt aan het zelfregulerend vermogen, namelijk aan: IVzv5: Op een constructieve manier met feedback omgaan. Gezien de herhalingsles al een eerste soort test is om na te gaan of de kinderen al dan niet mee zijn met de leerstof, kunnen er zowel positieve als negatieve gevoelens uit voortvloeien. Dit kan betrekking hebben op de identiteit en veerkracht van de kinderen, namelijk: IKid1: Basisvertrouwen ontwikkelen, IKvk1: Plezier beleven en voldoending ervaren bij spelen, leren en leven en IKvk4: Situaties die als moeilijk ervaren worden en frustraties ombuigen door te zoeken naar mogelijkheden om er bevrijdend mee om te gaan.
61
1
1 LES 46 Toets: een schot in de roos!
Doelen
Getallenkennis 1 De kinderen kunnen getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende getalbeelden en hoeveelheden. 2 De kinderen kunnen de symbolen =, ≠, <, > correct gebruiken tussen twee verschillende hoeveelheden en getallen tot 5. 3 De kinderen kunnen getallen van 0 tot 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen. Bewerkingen 4 De kinderen kunnen rekenhandelingen tot 5 met max. 2 verschil uitvoeren door bij te tekenen of te doorstrepen. Meten en metend rekenen 5 De kinderen kunnen realia kwalitatief vergelijken naar inhoud, lengte, oppervlakte en gewicht en deze verwoorden met leger, voller, zwaarder, lichter, korter, langer, breder, smaller … 6 De kinderen kennen vlot de dagen van de week en kunnen die koppelen aan een bepaalde activiteit. Meetkunde 7 De kinderen kunnen vlot patronen van twee tot vier verschillende elementen aanvullen. 8 De kinderen kunnen voorwerpen in een getekende ruimte aanduiden waarvan de positie bepaald wordt door de begrippen op, naast, voor, achter, onder, links, rechts, tegen(over), dichtbij.
1
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden herkennen en vormen 4 - 6 Een hoeveelheid tot 5 onmiddellijk herkennen zonder te tellen (=subiteren)
2
WDgk2
Inzicht verwerven in tellen 2.5 - 6 Verkort tellen 6 - 12 Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
WDlw5
Wiskundige gegevens correct en nauwkeurig interpreteren en wiskundige redeneringen op verschillende manieren weergeven Wiskundetaal 6 - 12 Symbolen zoals < > + - x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Hoeveelheden vergelijken en sorteren 6 - 8 De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100
3
WDgk1
Inzicht verwerven in hoeveelheden Een rangorde aangeven 4 - 6 Onderzoeken van de begrippen naast, voor, na, tussen, eerste, middelste, laatste, vorige, volgende, voorlaatste, juist voor, juist na door actief ervaringen op te doen en daarbij deze woorden gebruiken
WDgk3
Inzicht verwerven in natuurlijke getallen Ordenen 6 - 7 Natuurlijke getallen tot 20 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
4
WDlw6
Inzicht verwerven in de wiskundige gelijkheid en de basisbewerkingen Basisbewerkingen 4 - 6 In eenvoudige situaties rekenhandelingen uitvoeren daarbij woorden gebruiken zoals evenveel maken, bijdoen, wegdoen, vermeerderen, verminderen, aantal keer iets nemen, samentellen, verdelen, de helft nemen, het dubbele nemen
62
1
1 LES 46 Toets: een schot in de roos!
5
WDmm1
Vergelijken en ordenen zonder maateenheden 4 - 8 Twee of meer dingen kwalitatief vergelijken volgens grootte, gewicht, lengte, volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid … en daarbij woorden gebruiken zoals groter, kleiner, langer, donkerder, even zwaar, korter, sneller - dingen sorteren op basis van een kwalitatieve vergelijking volgens één of meer gemeenschappelijke kenmerken 4 - 8 Ervaren en illustreren dat sommige handelingen niets veranderen aan de grootte van de dingen
WDmm3
Schatten, meten en rekenen met maateenheden Inhoud en volume 6 - 8 Een inhoud schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
6
OWti2
Tijdsbegrippen en verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken 4 - 7 Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals dag, nacht, vandaag, morgen, gisteren, deze week, volgende week, vorige week, vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen, nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna en laatst
7
WDlw4
Redeneren over wiskundige patronen en verbanden
8
WDmk1
Inzicht verwerven in ruimtelijke oriëntatie en ruimtelijke relaties 6 - 8 Ruimtelijke begrippen voor plaats en richting handelend toepassen vanuit het eigen standpunt en andermans standpunt en van voorwerpen tegenover elkaar in de werkelijke ruimte
63
1
1 LES 46 Toets: een schot in de roos!
Toelichting
In deze les wordt de leerstof van de voorgaande vijfenveertig lessen getoetst. Het is de bedoeling dat de kinderen de toets individueel maken, wat sterk bijdraagt tot verschillende generieke doelen van het zelfregulerend vermogen: • IVzv1: Keuzes willen, durven en kunnen maken door betekenis te geven aan die keuzes en daar de verantwoordelijkheid voor opnemen, want de kinderen moeten doorheen de toets constant nadenken over de mogelijke oplossingsmethodes voor de oefeningen. • IVzv2: Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven (delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties, want de kinderen moeten de leerstof van de voorgaande lessen inzetten om de toets tot een goed einde te brengen. • IVzv3: Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen in functie van zelfredzaam en zelfstandig functioneren, want de kinderen moeten aandacht hebben voor de timing, moeten op het einde nog eens controleren of alles ingevuld is en alle oplossingen mogelijk zijn, … • IVzv5: Op een constructieve manier met feedback omgaan, want na de toets is er een klassikale verbetering waarbij de kinderen zowel positieve als negatieve feedback kunnen ontvangen. Het resultaat van de toets zal bepalen of de kinderen de volgende les (les 47 en 48 ‘Remediêring’ / ‘Verrijking’) remediëringsopdrachten en/of verrijkingsopdrachten zullen moeten maken. Gezien er een ‘1 op 1’-relatie is tussen de oefeningen van de toets/herhaling en die van remediëring en verrijking is les 47 en 48 niet apart opgenomen in deze ZILL-gids. Vandaar dat de mogelijke generieke doelen die betrekking hebben op de identiteit en veerkracht van de kinderen die daar aan bod komen hieronder opgesomd worden: • IKid1: Basisvertrouwen ontwikkelen, zal nodig zijn om met goede moed de remediëringsopdrachten tot een goed einde te brengen en zal extra gestimuleerd worden als verrijkingsopdrachten tot een goed einde worden gebracht. • IKvk1: Plezier beleven en voldoending ervaren bij spelen, leren en leven, zal vooral van toepassing zijn bij de verrijkingsopdrachten. • IKvk4: Situaties die als moeilijk ervaren worden en frustraties ombuigen door te zoeken naar mogelijkheden om er bevrijdend mee om te gaan, zal vooral van toepassing zijn bij de remediëringsopdrachten. Je kunt ervoor kiezen om de kinderen niet individueel, maar in groep remedïerende of verrijkende opdrachten te laten maken. In dat geval komt ook het volgende doel aan bod: SErv3: Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel.
64