Skip to main content

Kadet kleuter - Inspiratiedoc - Fiches 5+ - Meten - Inhouden Volume - Herfst - inkijk methode

Page 1

5+

METEN EN METEND REKENEN

Inhoud en volume Periode 1 herfst

Starter 2,5+

Periode 2 feest

Periode 3

koude dagen

allerlei

1 1, 2, 3

Expert 5+

2, 3, 4

2, 3, 4

1, 2, 3

4

5, 6

5, 6

7, 8

KE U

• De kleuter sorteert de flessen op inhoud en verwoordt dit met ‘er zit meer/minder in dan in de voorbeeldfles’ (vergelijkingsmaat). • De kleuter ordent (serieert) de flessen naar inhoud en verwoordt dit met ‘van leeg naar vol’ (of omgekeerd) en met ‘van minste naar meeste’ (of omgekeerd). • De kleuter verandert de inhoud van de flessen volgens de opgegeven opdrachten.

2 Vergelijken van de inhoud of het volume

IE

van recipiënten of voorwerpen en deze op basis van de vergelijking sorteren. 3 Vergelijken van de inhoud of het volume van recipiënten of voorwerpen en deze op basis van de vergelijking ordenen (seriëren). 4 Veranderen van de inhoud of het volume van identieke recipiënten of voorwerpen vanuit de vergelijking.

D

• watertafel • gelijke flessen en verschillende trechters • gevulde voorbeeldflessen (vergelijkingsmaat) waarvan je de dop dichtkleeft • startpijl en stophand (Kabas) • eventueel opdrachtkaart met flessen van leeg naar vol (Kabas) (zie differentiatie) • eventueel doorzichtige flessen en gekleurd water (zie tip)

EX

KI

JK

1

AA

Speel na verloop van tijd mee en stel activerende vragen. Laat de kleuters zo de recipiënten sorteren op inhoud. foto 1 - Hebben alle flessen dezelfde inhoud? - In welke flessen zit meer/minder water dan in de voorbeeldfles? Welke fles heeft een grotere/kleinere inhoud? - De flessen waar minder water in zit plaats je aan de ene kant. De flessen waar meer water in zit plaats je aan de andere kant.

EM

groter/kleiner dan grootst(e)/kleinst(e) volume

Laat de kleuters aan de watertafel experimenteren met de aanwezige materialen.

PL

vol/leeg/halfvol bijna vol/leeg meer/minder/evenveel in kunnen meest/minst in kunnen meer/minder/evenveel in zitten meest/minst in zitten vullen, leegmaken inhoud

R

Wiskundetaal

IN

1

Hoekverrijking

Doel(en)

zon

RE

Junior 4+

allerlei

Orden (serieer) vervolgens de flessen naar inhoud. Visualiseer het start- en eindpunt met de startpijl en stophand. - Kan je de inhoud van de flessen ordenen (seriëren) van leeg naar vol? - Kan je de inhoud van de flessen ordenen (seriëren) van vol naar leeg? - Kan je de flessen ordenen (seriëren) van de minste naar de meeste inhoud? - Kan je de flessen ordenen (seriëren) van de meeste naar de minste inhoud? Laat de kleuters ten slotte de inhoud van de flessen veranderen. foto 2 - Kan je ervoor zorgen dat deze twee flessen halfvol zijn? - Kan je ervoor zorgen dat in beide flessen evenveel water zit? - Hoe kan je ervoor zorgen dat in deze fles meer/minder water zit dan in de andere fles? • Bied een opdrachtkaart aan waarop de ordening van de flessen van leeg naar vol visueel weergegeven wordt.

2

• Laat de kleuters zelf opdrachten voor elkaar formuleren waarbij de wiskundetaal actief gebruikt wordt. • Bied na het ordenen (seriëren) nog een extra gevulde fles aan die de kleuters op de juiste plaats moeten zetten. • Geef aan dat het begrip ‘inhoud’ hier twee betekenissen kan hebben, namelijk hoeveel er in de fles kan en hoeveel er in de fles zit. • Maak gebruik van doorzichtige flessen en gekleurd water, zodat de vergelijking vlotter kan gebeuren.


Geleide activiteit 1: Herfstwinkel inrichten • De kleuter sorteert de bakjes op inhoud en verwoordt dit met ‘meer/minder in zitten dan in het halfvolle bakje’ (vergelijkingsmaat). • De kleuter ordent (serieert) de bakjes naar inhoud en verwoordt dit met ‘van vol naar leeg’ (of omgekeerd). • De kleuter verandert de inhoud van de bakjes, zodat ze allemaal vol zijn. • herfstvruchten (kastanjes, eikels en/of dennenappels) • meerdere gelijke doorzichtige bakjes • startpijl en stophand (Kabas) 3

RE

1

D

IE

KE U

2

Intro

Terugblikgesprek

Laat de kleuters de winkel voorstellen aan de klasgroep en vertellen of demonsteren wat ze gedaan hebben met de bakjes.

AA

R

In de winkel worden vandaag allerlei herfstvruchten verkocht. - Helpen jullie de winkel mee inrichten?

Kern

EM

PL

Zorg voor meerdere bakjes met een verschillende inhoud aan herfstvruchten, waarvan één precies halfvol is. foto 1 Dat wordt onze vergelijkingsmaat om de overige bakjes te sorteren. - Zet alle bakjes die minder dan halfvol zijn aan de ene kant van de winkel. - Zet alle bakjes die meer dan halfvol zijn aan de andere kant van de winkel. - Van welk bakje is de inhoud groter/kleiner?

EX

Zorg voor vijf bakjes met een verschillende inhoud aan herfstvruchten, waarvan één vol en één leeg bakje.

KI

IN

Inhoud en volume

JK

Orden (serieer) de bakjes van vol naar leeg (of omgekeerd). Visualiseer het start- en eindpunt met de startpijl en de stophand. foto 2 - Welk bakje is vol? In welk bakje zit het meest? - In welke van de overblijvende bakjes zit nu het meest? Doe dit tot er maar één bakje meer overblijft. - Dit is het bakje waar het minst in zit. Dit bakje is leeg. Zorg voor meerdere bakjes met een verschillende inhoud aan herfstvruchten. Stel vragen en vul samen de bakjes aan tot ze vol zijn. foto 3 - In welk bakje kunnen er nog veel herfstvruchten bij? - In welk bakje moeten er niet zo veel herfstvruchten meer bij? - In welk bakje kan er niets meer bij?

• Zorg dat de verschillen visueel heel duidelijk zijn. • Gebruik minder bakjes om te ordenen (seriëren). • Zorg dat de verschillen visueel minder duidelijk zijn. • Gebruik meer bakjes om te ordenen (seriëren). • Geef moeilijkere opdrachten. - Zorg ervoor dat dit bakje meer dan halfvol gevuld is, maar minder dan vol. - Hoe kunnen we ervoor zorgen dat beide bakjes evenveel herfstvruchten hebben als we enkel de herfstvruchten uit de bakjes mogen gebruiken? • Gebruik per opdracht (sorteren, ordenen (seriëren) en veranderen) een ander soort herfstvrucht. • Zorg ervoor dat de kleuters gaan kijken naar de inhoud en niet naar de aantallen. • Snij grote petflessen middendoor om gelijke bakjes te maken. • Koppel de inhoud van de bakjes aan de prijs voor de herfstvruchten (= domein getallenkennis).


Geleide activiteit 2: De hoeveelheid regen meten • De kleuter ordent (serieert) de flessen naar inhoud en verwoordt dit met ‘van meest naar minst in zitten’ (of omgekeerd). • De kleuter sorteert de flessen op inhoud in niet geregend, weinig geregend en veel geregend. • De kleuter verandert de inhoud van de flessen volgens de opgegeven opdrachten. • pluviometer • 5 gelijke lege flessen • trechter • symbolen van de dagen van de week (Kabas)

3

4

D

IE

KE

U

2

RE

1

Laat de kleuters de inhoud van de flessen veranderen. foto 4 - Mocht het nu op maandag het minst geregend hebben, daarna iedere dag een beetje meer en op vrijdag het meest, hoe zouden onze flessen er dan uitzien? - Mocht het nu op maandag en woensdag veel geregend hebben, op dinsdag niet en op donderdag en vrijdag weinig, hoe zouden onze flessen er dan uitzien?

AA

Vang gedurende een week de regen op in een pluviometer. Sta op het einde van de dag stil bij de hoeveelheid regen en giet de regen vervolgens over in een lege fles. Bevestig op iedere fles het symbool van die dag. foto 1

R

Intro

EM

PL

Bekijk na verloop van tijd de verschillende flessen. - Wat weten we aan de hand van de flessen over de regen die deze week gevallen is? - Heeft het iedere dag evenveel geregend? - Zijn er dagen waarop het veel/weinig/niet geregend heeft?

Kern

KI

JK

EX

Orden (serieer) de flessen van de meeste naar minste inhoud (of omgekeerd). Visualiseer het start- en eindpunt met de startpijl en de stophand. foto 2 - Op welke dag viel de meeste regen? In welke fles zit de meeste regen? - Welke van de overblijvende flessen is nu het meest gevuld? Op welke van de overblijvende dagen heeft het nu het meest geregend? Doe dit tot er maar één fles overblijft. - Op die dag viel er de minste regen. De fles is het minst gevuld.

IN

Sorteer vervolgens de flessen op inhoud. foto 3 - Zijn er dagen waarop het niet geregend heeft? Plaats deze flessen samen. - Zijn er dagen waarop het veel geregend heeft? Plaats deze flessen samen. - Zijn er dagen waarop het weinig geregend heeft? Plaats deze flessen samen. Bepaal samen met de kleuters wanneer je kan zeggen dat het veel geregend heeft en wanneer weinig. Breng op iedere fles en telkens op dezelfde hoogte een streep aan (erboven is veel regen, eronder is weinig).

Terugblikgesprek

Laat de kleuters hun vaststellingen over de hoeveelheid regen op de verschillende dagen verwoorden. • Beperk het aantal flessen door de regenval over een kortere tijdsperiode te vergelijken (bijvoorbeeld tot halfweg de week). • Neem een minder sturende rol op je en laat de kleuters zelf aangeven hoe ze de flessen kunnen ordenen (seriëren), sorteren en veranderen. • Binnen het thema ‘wolken’ kan je ieder dag stilstaan bij de soort wolken die je ziet (regenwolken, bloemkoolwolken of vederwolken). Leg hierbij dan de link met de hoeveelheid regen. - Op dinsdag heeft het veel geregend. We hebben inderdaad die dag veel regenwolken gezien. - Op woensdag heeft het niet geregend. Toen zagen we alleen vederwolken.

5+


Routinemoment • De kleuter ordent (serieert) de manden naar inhoud en verwoordt dit met ‘van minst naar meest in zitten’ (of omgekeerd). • gelijke opruimmanden

Geef iedere kleuter een opruimmand bij het opruimen in de bouwhoek. foto Vergelijk na het opruimen samen de inhoud van de manden.

KE U

• Laat de kleuters het begrip ‘inhoud’ actief verwoorden. - Deze mand heeft de grootste/kleinste inhoud.

RE

Orden (serieer) de manden op basis van de vergelijking van de minste naar de meeste inhoud (of omgekeerd). Visualiseer het start- en eindpunt met de startpijl en de stophand. - In welke mand zit het minst? - In welke van de overblijvende manden zit nu het minst? Doe dit tot er één mand overblijft. - In deze mand zit het meest.

IE

• Doe dit enkel als er heel veel blokken opgeruimd moeten worden en als het handig is om de blokken eerst te verzamelen in kleinere manden vooraleer die in de grote speelgoedbak gaan. • Leg de nadruk op de inhoud van de manden en niet op de hoeveelheid blokken.

Tussendoortje

D

1

AA

R

• De kleuter sorteert de ballen op volume en verwoordt dit met ‘groter/kleiner dan de bal’ (vergelijkingsmaat). • De kleuter ordent (serieert) de ballen naar volume en verwoordt dit met ‘van klein naar groot’ (of omgekeerd). • ballen van verschillende groottes • bak als doel

PL

Geef elke kleuter een bal. foto 1

EM

Plaats het doel en neem zelf een vergelijkingsbal. foto 2 - Wie een bal heeft die groter is dan de mijne mag die naar het doel rollen. Laat de kleuters nadien controleren of alle ballen in het doel groter zijn. - Is de bal groter dan deze bal? Deel de ballen terug uit. - Wie een bal heeft die kleiner is dan de mijne mag die naar het doel rollen. Herhaal dit spel telkens met een andere bal als vergelijkingsmaat.

IN

KI

JK

EX

2

3

Laat de kleuters nadien de ballen ordenen (seriëren) van klein naar groot. Visualiseer het start- en eindpunt met de startpijl en de stophand. foto 3 - Wie heeft de kleinste bal? - Wie heeft nu de kleinste bal? Doe dit tot er één bal overblijft. - Er blijft nog één bal over, dat is de grootste bal. • Laat een kleuter een bal kiezen en een opdracht formuleren. • Gebruik het begrip ‘volume’ en verwoord zo de grootheid. - Deze bal heeft een groter/kleiner volume dan die bal. • Indien er geen ballen van verschillende groottes voorhanden zijn, gebruik dan knikkers van verschillende groottes.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Kadet kleuter - Inspiratiedoc - Fiches 5+ - Meten - Inhouden Volume - Herfst - inkijk methode by die Keure - Issuu