1
a 1 e d K Kaap 1
Handleiding
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1
Bekijk de algemene inleiding van de methode Kadet op Kabas.
Intro
p. 3
Les 3
Tellen tot 5 (door en terug, synchroon en akoestisch)
p. 9
Les 4
Aantallen tot 5 (resultatief tellen en vergelijken)
p. 13
Les 5
Getalbeeld koppelen aan een aantal tot 5
p. 19
Les 6
Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen
p. 25
Les 7
Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen
p. 29
Les 8
Handelend aantallen en getalbeelden tot 5 vergelijken en ordenen
p. 33
Les 9
Herhalende patronen
Les 10
Evenveel, 1 minder, 1 meer leggen tot 5
Les 11
Handelend gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil
Les 12
Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil (concreet en schematisch)
Les 13
Herhaling
Les 14
Plaatsbepaling: positiebepaling ten opzichte van zichzelf
p. 61
Les 15
Plaatsbepaling: positiebepaling voorwerp
p. 65
Les 16
Plaatsbepaling: richting van beweging
Les 17
Rangorde tot 5
Les 18
Aantallen en getalbeelden tot 5 (tellen, vergelijken en ordenen)
Les 19
Getalbeelden tot 5
Les 20
Getallen tot 5 herkennen, benoemen en koppelen aan aantallen en getalbeelden
Les 21
Handelend gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil
p. 95
Les 22
Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil (concreet en schematisch)
p. 99
Les 23
Eenheid van het patroon: herhalende patronen
p. 105
Herhaling
p. 109
Evaluatie
p. 115
Les 28
Tijd ervaren
p. 125
Les 29
Tijd: de dag
p. 129
Les 30
Tijd: de week
p. 133
Les 31
1 en 2 schrijven
p. 139
Les 32
3 en 4 schrijven
p. 143
Les 33
5 en 0 schrijven
p. 147
Les 34
Handelend vergelijken tot 5 met = en ≠
p. 151
Les 35
Vergelijken tot 5 met = en ≠
p. 155
Les 36
Vergelijken en ordenen tot 5
p. 159
Les 24 en 25
KE
p. 43
AA
R
D
IE
p. 47
PL
EM
KI IN
U p. 39
JK
Les 26 en 27
RE
Les 1 en 2
EX
INHOUDSTAFEL met prio-overzicht
p. 51
p. 57
p. 69 p. 73 p. 77 p. 83 p. 89
1
Problemen oplossen met aantallen tot 5
p. 163
Les 38
Herhaling
p. 167
Les 39
Plaatsbepaling: beweging volgens aanwijzingen
p. 171
Les 40
Plaatsbepaling: beweging van een voorwerp
p. 175
Les 41
Aantallen, getalbeelden en getallen tot 5 (automatisatie)
p. 179
Les 42
Getallenas tot 5
p. 183
Les 43
Vergelijken tot 5 met > en <
p. 187
Les 44
Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil
p. 193
Les 45
Handelend optellen tot 5
Les 46
Handelend aftrekken tot 5
Les 47
Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en <
Les 48
Aantallen handig tellen (turven) en noteren in tabellen
Les 49 en 50
Vraagstukken eerst, dan en nu: optellen tot 5
Les 51 en 52
Herhaling
Les 53-56
Evaluatie en differentiatie
Les 57-60
Outro
U p. 197
KE
p. 201
p. 207
p. 217 p. 221 p. 225 p. 233
AA
R
D
IE
p. 213
Dit is ofwel nieuwe leerstof ofwel zeker te geven omdat het lang geleden is, nog te weinig ingeoefend werd ... Deze leerstof werd reeds gezien, maar dient veel herhaling en dus indien mogelijk nog te geven.
EM
geven indien tijd
PL
nieuw/geven
Deze leerstof werd reeds gezien of is slechts een aanzet (a) en moet dus niet bereikt zijn dit schooljaar.
niet geven
Deze leerstof behoort niet tot het leerplan of moet bij deze leeftijd nog niet gegeven worden.
KI
JK
EX
kan weggelaten worden
IN 2
RE
Les 37
1 KAAP 1 • LES 1 EN 2 • PROBLEEMOPLOSSEND DENKEN EN VRAAGSTUKKEN Intro
2 x 25’
Lesdoelen 1 2
RE
3
De leerlingen kunnen problemen met wiskundige elementen in spel- en leersituaties op één of meerdere manieren oplossen. De leerlingen kunnen problemen met wiskundige elementen in spel- en leersituaties oplossen door concreet materiaal te gebruiken. De leerlingen kunnen problemen met wiskundige elementen in spel- en leersituaties oplossen door hun ideeën te delen met anderen. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van wiskunde in hun omgeving. De leerlingen kunnen tot 5 tellen om een aantal te bepalen (resultatief tellen). De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken en ordenen. De leerlingen kunnen begrippen als ‘gelijk’, ‘niet gelijk’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ correct gebruiken. De leerlingen kunnen realia naar lengte, oppervlakte, massa en inhoud kwalitatief vergelijken en ordenen. De leerlingen kunnen bij positiebepaling gebruik maken van de begrippen ‘boven’, ‘onder’, ‘naast’, ‘voor’, ‘achter’, ‘tussen’, ‘in het midden van’, ‘tegenover’, ‘in’, ‘op’, ‘ver weg’, ‘dichtbij’, ‘rechts’ en ‘links’. De leerlingen kunnen een gegeven aantal tot 5 handig tellen door te turven.
10
IE
8 9
KE
U
4 5 6 7
D
Lesmaterialen
EX
EM
PL
AA
R
- concordantie - werkboek p. 1 - onthoudkaart - kopieerblad 1: Bootje vouwen - kopieerblad 2: Eigen kaart tekenen - link: Geluiden van de zee - afbeelding: Schatkaart - afbeelding: Allemaal kadetten - digitale schatkist - individuele schatkisten - blad papier - kleurpotloden of stiften - touw - zak met 5 schelpen (duidelijk verschillend van grootte) per twee leerlingen - optioneel: materialen voor kadethoed: blauwe kartonnen band, stroken karton, wit crêpepapier, pompon, stiften en/of stickers - watertafel
meest minder (dan) minst naast
onder op rechts
tegenover (terug)tellen turven
tussen ver (weg) voor
IN
KI
JK
Wiskundetaal in deze les achter gelijk boven (in het) midden (van) dichtbij links (niet) evenveel meer (dan)
Leerlijn Situering Dit is Kaap 1 van de methode Kadet. In deze Kaap ligt de focus op getallenkennis tot 5, het leren schrijven van de cijfers 0 tot 5, optellen en aftrekken tot 5, en patronen en plaatsbepaling. De minimumdoelen die in de kleuterklas werden bereikt, worden in deze Kaap herhaald.
3
Voor de les Zorg voor een zak met 5 schelpen per twee leerlingen. De schelpen moeten verschillende groottes en vormen hebben. Werk eventueel met andere voorwerpen indien schelpen niet gemakkelijk te krijgen zijn. Knip optioneel de blauwe banden voor de kadethoed op voorhand. Zorg ook voor de witte stukken crêpepapier en de pompons. Zet de watertafel klaar om de boten in te laten varen.
LESVERLOOP Voorkennis activeren en lesdoel
RE
1
IE
KE
U
Welkom in het eerste leerjaar! Spannend, niet? Wisten jullie dat we elke dag wiskunde gebruiken? Niet alleen in de klas, maar overal! Geef kort zelf enkele voorbeelden, zoals: - Wanneer papa vraagt om 5 glazen te nemen. - Wanneer je een gezelschapsspel speelt en met de dobbelsteen gooit. - Wanneer je de klok leest. - Wanneer je een cake bakt en een weegschaal gebruikt. -…
D
Geef de leerlingen ruimte om te reageren. Vraag wie van hen dat ook doet, wanneer er nog wiskunde voorkomt in het dagelijkse leven en of ze nog voorbeelden kunnen geven. Laat een drietal leerlingen reageren. Laat de leerlingen elk nog een voorbeeld aan hun buur geven.
AA
R
Zie je? We gebruiken wiskunde de hele dag door. Niet alleen hier, maar ook op andere plaatsen. Ook op een schip heeft men bijvoorbeeld elke dag wiskunde nodig. En weet je wie daar werkt? Kadetten! ‘Kadet’ is ook de naam van ons wiskundeboek. Weet iemand wat een kadet is?
EM
PL
Toon de afbeelding Allemaal kadetten. Laat de leerlingen vertellen. Vestig er de aandacht op dat kadetten zowel jongens als meisjes kunnen zijn. Kom klassikaal tot enkele conclusies, zoals: - Kadetten zijn matrozen in opleiding. Ze willen later goede zeevaarders worden. - Kadetten wonen en werken op een schip. - Kadetten zijn een tijd weg van huis en reizen over zee. - ...
EX
Ook kadetten gebruiken op hun schip de hele dag door wiskunde. Dus om een goede kadet te worden, moet je ook een toprekenaar worden. Wiskunde is dus niet iets dat we alleen leren, het is iets dat we elke dag nodig hebben.
KI
JK
In deze les bereiden de leerlingen zich voor op Kaap 1 door te ontdekken wat ze doorheen de Kaap zullen leren. Focusdoel in deze les: ‘Ik kan voorbeelden geven van wiskunde om mij heen.’ Bespreek het doel met de leerlingen en visualiseer het aan het bord zodat je er tijdens de lesafsluiter naar terug kan grijpen.
Kern
IN
2
2.1 De kadettenkreet en - beweging
We zijn samen op een schip. De kapitein kijkt naar ons. Hij wil weten wat wij kunnen. Om het schip vlot te laten varen, moeten we dingen leren. Goed kijken, goed denken en elkaar helpen. Soms is het moeilijk, maar we geven niet op. We oefenen en proberen opnieuw. Zo worden we echte kadetten. En misschien krijgen we dan het vertrouwen van de kapitein. Maar dat kunnen we niet alleen. Echte kadetten hebben daarom een kadettenkreet. Een kreet om samen te starten, elkaar moed te geven en niet op te geven. Laat de leerlingen zoeken naar een typische kreet. Laat hen één minuut alleen denken. Daarna delen ze hun gedachten met hun buur en vervolgens met de hele groep. Kom zo tot een klassikale kreet. Ga op zoek naar een beweging die bij de gekozen kreet past. Laat de leerlingen de combinatie van de kreet en de beweging enkele keren uitvoeren.
4
Haal de kreet en beweging regelmatig aan tijdens de lessen met de boodschap dat de leerlingen deze kreet kunnen gebruiken om door te zetten als het moeilijk is.
2.2 De vaardigheden van onze kadetten
Nu we onze kreet hebben, kunnen we ons helemaal inleven in het kadettenleven. Jullie kreet klinkt al sterk. We kunnen vertrekken, maar moeten ook nog heel wat leren. Een kadet moet goed luisteren, sterk kunnen roeien en eerlijk willen verdelen.
2.2.1 Luisteren en tellen Open het werkboek op pagina 1 en verwoord: Kijk eens naar de kaart. Daarop zien we de zee, eilanden en land. Maar op zee kan je het land niet altijd zien. Soms is het nog te ver weg. Gelukkig kunnen kadetten ook goed luisteren.
U
RE
Speel zeegeluiden af via de link Geluiden van de zee. Laat de leerlingen verwoorden welke geluiden ze horen. Toon bij het antwoord ‘meeuwen’ een afbeelding van een meeuw uit de digitale schatkist en leg uit dat meeuwen altijd in de buurt van land blijven. Wanneer kadetten meeuwen horen, weten ze dat er land in de buurt is. Goed luisteren is dus heel belangrijk op zee.
IE
Stel de leerlingen gerust: Het is niet erg als je nog niet helemaal kon meetellen. Dat leren we in Kaap 1.
KE
Laat de leerlingen het geluid van een meeuw nabootsten. Spreek vooraf af dat ze dat vijf keer mogen proberen en tel luidop mee. Duid een leerling aan die het geluid van een meeuw enkele keren mag nabootsen. De anderen leggen hun hoofd op hun bank. Toon met je vingers aan de aangeduide leerling hoeveel keer die het geluid moet nabootsen. Laat de andere leerlingen antwoorden hoeveel keer de aangeduide leerling een meeuw heeft nagebootst.
R
D
2.2.2 Motorisch: sterk roeien - (terug)tellen en links/rechts Kadetten! Nu we meeuwen hebben gevonden, kunnen we die naar land in de buurt volgen om voorraad in te slaan: fruit, groenten, vlees … Maar met ons grote schip kunnen we niet tot aan het strand varen. Er zijn zandbanken dicht bij het land. Dan raken we vast! Hoe geraken we dan toch aan land?
PL
AA
Laat de leerlingen kort overleggen met hun duopartner en laat enkele duo’s reageren. Stuur indien nodig richting een roeiboot. Vraag aan de klas wat er gebeurt als iedereen zomaar roeit zonder samen te werken. Kom tot de conclusie dat iedereen op hetzelfde ritme moet roeien om vooruit te geraken. Laat de leerlingen dat oefenen.
EM
Laat telkens twee (of drie) leerlingen hun stoelen draaien, zodat ze achter elkaar zitten. Laat de leerlingen op jouw stemsignaal synchroon roeien: - Links, rechts, links, links, rechts, rechts - 1, 2, 3, 4 , 5. En als we achteruit roeien: 5, 4, 3, 2, 1. Laat een aantal leerlingen de leiding nemen en links/rechts commando’s geven of (terug)tellen.
EX
Stel de leerlingen opnieuw gerust: Het is niet erg als het tellen nog niet lukt of je nog moeite hebt met links en rechts. Ook dat leren we in Kaap 1.
KI
JK
2.2.3 Verdelen - begrippen als meer, minder, meest, minst, evenveel ... Tijdens de bevoorrading met de roeiboten verzamelen de kadetten ook schelpen. De kadetten willen daar graag hun kajuiten mee versieren. Weten jullie wat een kajuit is? Leg uit dat kajuiten kleine kamertjes in het schip zijn waar de matrozen slapen.
IN
Geef elk duo een zak met 5 schelpen. Laat de leerlingen per twee de schelpen verdelen. Stel opnieuw enkele vragen: - Wie heeft er meer/minder schelpen? - Wie heeft er het meest/minst schelpen? - Heeft iemand er evenveel schelpen? - ... Stel leerlingen die dat nog niet kunnen opnieuw gerust.
2.2.4 Kaartlezen - begrippen rond positiebepaling Kadetten… als jullie later echte matrozen willen worden, moeten jullie iets heel belangrijk leren. Jullie moeten leren kaartlezen. Open opnieuw het werkboek op pagina 1. Vraag de leerlingen wat ze allemaal op de kaart zien en laat ze vrij benoemen: eilanden, water, bomen, een walvis, een kompas … Om goed met een kaart te kunnen werken, moeten we enkele woorden kennen die helpen om te zeggen waar iets is.
5
Verkennen van de begrippen Neem de kaart erbij en verken samen mondeling. Werk met aanwijzen en laat de leerlingen die nazeggen. Zorg voor voldoende denkkansen voor elke leerling. Laat hen eventueel hun antwoord aan hun partner vertellen in plaats van het klassikaal te bespreken. - Waar is de walvis? (rechts/ver weg) - Waar staat de boom? (in het midden van het eiland) - Waar ligt de kleine plas? (boven/naast) - Wat ligt er tussen de bomen? - Wat ligt er achter de bergen? - Wat zie je voor de bomen? -…
KE
U
RE
Duo-opdracht: maak je eigen kaart Kadetten, nu zijn jullie aan zet! Jullie gaan in duo een eigen kaart maken. Geef de leerlingen per duo het kopieerblad Eigen kaart tekenen. Geef enkele aanwijzingen: - Teken een eiland (of meerdere eilanden). - Vul aan met bomen, rotsen, water, dieren … - Vergeet de vaarroute en je eindpunt niet aan te duiden (net als op de kaart in het werkboek).
Laat de duo’s daarna onderling kaarten ruilen. Elk duo beschrijft een route op hun kaart die het andere duo moet volgen. Laat hen daarbij woorden gebruiken zoals links, rechts, boven, onder, naast, tussen, voor, achter, in, in het midden van …. Daarna wisselen ze om.
D
Stel de leerlingen bij wie dit nog niet goed lukt opnieuw gerust.
IE
Breng blitzbezoeken aan alle groepen en moedig aan om de juiste begrippen te gebruiken.
2.3 Optioneel: helemaal kadet
AA
R
Laat alle leerlingen in dezelfde richting naar het bord kijken, zodat links en rechts voor iedereen hetzelfde blijft.
PL
We zijn bijna klaar om echte kadetten te worden. Het enige wat nu nog ontbreekt, is een hoed. Echte kadetten dragen een hoed. Zullen we er samen een maken? Dan kunnen we die de rest van het jaar gebruiken. Laat de leerlingen opnieuw kijken naar de afbeelding Allemaal kadetten. Laat hen de hoeden bespreken. Maak samen een hoed.
EX
EM
Werkwijze: Geef elke leerling een blauwe band uit karton of ribbelkarton. Laat hen de band versieren (met tekeningen, plakfiguurtjes …). Bevestig twee fijne, stevige stroken karton van de ene kant van de hoed naar de andere kant (in een kruisvorm). Leg het witte crêpepapier over de stroken karton. Niet het vast. Werk eventueel af met een rode pompon.
Lesafsluiter
KI
3
JK
Dit is een optionele opdracht. Dit kan ook weggelaten worden of op een ander moment worden gedaan.
IN
Omdat jullie zulke goede kadetten zijn, krijgen jullie elk een schatkist. Deel de individuele schatkisten uit en laat de leerlingen die bekijken. Ieder duo neemt een jeton van een krab of meeuw. Maak op basis daarvan twee ploegen: de meeuwen en de krabben. Leg de leerlingen uit dat er een wedstrijd volgt: We hebben hard gewerkt vandaag. De kapitein houdt wel van een wedstrijd af en toe en daagt jullie uit. De groep die wint, moet vandaag het dek niet schrobben! Hoe kan je winnen? Probeer met zo veel mogelijk bootjes de overkant van onze watertafel te bereiken binnen de vijf tellen. Deel het kopieerblad Bootje vouwen uit. Je kunt het ook projecteren. Deel aan elke leerling ook een blad papier uit. Vouw vervolgens samen een bootje volgens de instructies op het kopieerblad. Laat de leerlingen hun boot versieren met een patroon in de kleuren van hun ploeg. Zet de kleuren per groep aan bord. - Ploeg van de meeuwen: blauw, geel en lichtgroen - Ploeg van de krabben: rood, oranje en bruin
6
Laat de leerlingen nadenken hoe ze ervoor gaan zorgen dat hun boot van de ene kant naar de andere vaart in amper vijf tellen, zonder dat ze hun boot aanraken met hun handen. Geef indien nodig zelf enkele mogelijkheden: een touwtje vastmaken aan de boot, blazen, golven maken in het water, de boot voortduwen met een potlood … Laat ze per groep overleggen welke bootjes ze laten deelnemen aan de wedstrijd (bepaal zelf het aantal op basis van de overgebleven lestijd). Verzeker de leerlingen dat de bootjes die nu niet mogen varen zeker hun kans krijgen op het einde van deze Kaap. Laat de leerlingen een voor een naar voren komen om hun bootje uit te testen in de waterbak. De klas telt telkens samen af: 5, 4, 3, 2, 1. Voor elk bootje dat de overkant op tijd haalt, krijgt die ploeg 1 punt. Vanuit een voorbeeldfunctie turft je zelf de punten bij de ploegen die op het bord staan. Verwoord ook duidelijk dat je de punten turft. Stel de leerlingen die moeilijkheden ervaren met het terugtellen en/of die het turven nog niet helemaal snappen opnieuw gerust. Ook dat komt verderop in de Kaap aan bod.
RE
Houd de bootjes en de watertafel bij tijdens het verloop van Kaap 1. Dit materiaal wordt opnieuw gebruikt bij de outro.
KE
U
Laat de leerlingen voorbeelden geven van wiskunde om hen heen. Overloop samen ‘Kaap in zicht’.
D
IE
KAAP IN ZICHT In deze Kaap tellen en ordenen de leerlingen alles in en rond het schip. - Willen de leerlingen leren om luidop door en terug te tellen, zoals daarnet in de botenrace? Dat leren ze in les 3. - Willen de leerlingen aantallen leren vergelijken? Dat leren ze in les 4, 6, 7, 8, 18, 34, 35, 36, 43 en 47. - Willen de leerlingen leren hoe ze plaatsen moeten bepalen en beschrijven? Dat leren ze in les 39 en 40.
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
Op het kopieerblad Onthoudkaart staat de belangrijkste leerstof van deze Kaap opgesomd. Druk het kopieerblad af, lamineer het en gebruik het als bladwijzer in het werkboek.
7
8
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 3 • GETALLENKENNIS Tellen tot 5 (door en terug, synchroon en akoestisch)
25’
Lesdoelen
3
De leerlingen kunnen doortellen en terugtellen tot 5 met sprongen van 1. De leerlingen kunnen aantallen van 0 tot 5 tellen door voorwerpen te (ver)leggen, aan te wijzen en te bekijken (synchroon tellen). De leerlingen kunnen de telrij tot 5 opzeggen (akoestisch tellen).
RE
1 2
Lesmaterialen
KE IE
terugtellen
tellen
D
Wiskundetaal in deze les aantal doortellen
U
- concordantie - digitale schatkist - individuele schatkisten - zak met 5 schelpen per twee leerlingen - muziekinstrument, bijvoorbeeld een cimbaal
R
Leerlijn
AA
Wat ging vooraf? De leerlingen leerden in de kleuterschool al akoestisch tellen tot 20. Het synchroon tellen, doortellen en terugtellen tot 10 oefenden ze ook al in. In deze les frissen ze de leerinhouden tot 5 op.
EM
Voor de les
PL
Wat volgt? K1 L4 Aantallen tot 5 (resultatief tellen en vergelijken)
EX
Voor alle lessen in het eerste leerjaar vul je de individuele schatkisten bij voorkeur aan met echte schelpen (10 per leerling). Voor deze les voorzie je een zak met 5 schelpen per twee leerlingen.
JK
Vraag aan de collega’s van de kleuterklas hoe het tellen verliep bij de leerlingen. Ook het leerlingvolgsysteem van de school kan hiervoor worden geraadpleegd.
IN
KI
Herhaal gedurende de eerste weken het door- en terugtellen in verschillende vormen en in verschillende vakken. Tel bijvoorbeeld de trappen bij het binnenkomen, het aantal deuren dat je voorbijloopt in de gang om naar de klas te gaan, de schriften/boeken die moeten worden uitgedeeld, de appels in de fruitbak, het aantal kinderen dat ’s middags soep drinkt …
9
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Een kadet moet goed kunnen tellen. In de derde kleuterklas hebben jullie vaak geteld. Toon aan je buur hoe goed je het tellen tot 5 onder de knie hebt. Laat de leerlingen in duo’s tellen tot 5.
RE
Wandel rond in de klas en breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Luister hoe vlot het tellen gaat. Observeer of de leerlingen enkel doortellen of ook terugtellen.
Kern
KE
2
U
In deze les herhalen de leerlingen het doortellen en terugtellen tot 5.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
D
IE
2.1.1 Motorisch en akoestisch tellen Klaar om als echte kadetten mee te gaan op zee? Op het schip moeten kadetten heel veel trappen doen. Vaak tellen ze het aantal treden. Weten jullie hoe je de trap neemt op een schip?
AA
R
Om naar boven te gaan, stap je vooruit op de trap. Om naar beneden te gaan, stap je achteruit. Nodig de leerlingen uit om samen te oefenen in de gang. Laat hen doortellen tot 5 door vooruit te stappen. Laat ze terugtellen vanaf 5 door achteruit te stappen. Doe het eerst voor. Doe het dan samen met de leerlingen en laat het hen tot slot per twee of alleen proberen.
PL
Laat de leerlingen op verschillende manieren hun stappen tellen: fluisterend, luidop tellend … Je kunt de leerlingen ook per twee laten werken, waarbij de ene telt en de andere controleert. Leerlingen die oefenen op spoor 3 kunnen gerust eens grote treden nemen, tellen met sprongen van 2 of doortellen tot 10.
EX
EM
Op het schip gaan de kadetten verder met tellen. Geef telkens een opdracht: - Alle leerlingen die een bril dragen, staan recht. - Alle leerlingen die een jurk dragen, staan recht. -…
JK
Laat de leerlingen die voldoen aan het criterium rechtstaan. Vraag aan de andere leerlingen om de klasgenoten die rechtstaan, te tellen. Formuleer de opdrachten zo specifiek, zodat het nooit om meer dan 5 leerlingen gaat.
KI
Varieer in de manier van tellen: aantikken, aanwijzen, met de ogen tellen …
IN
2.1.2 Tellen door materiaal te (ver)leggen Een kadet verzamelt en telt graag alles uit de zee, ook schelpen. Laat de leerlingen hun zak met schelpen nemen. Ze werken per twee. Een leerling legt 1 of meerdere schelpen op de eigen bank, de andere telt hardop door de schelpen een voor een naar de eigen bank te verleggen. Daarna wisselen de leerlingen van rol. Als variant zegt een leerling hoeveel schelpen er moeten gelegd worden, de andere legt ze. De opdrachtgever controleert door ze tellend een voor een terug op de eigen bank te leggen. Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe vlot het tellen door te (ver)leggen gaat. Waak erover dat het verleggen en het tellen synchroon gebeurt.
10
2.1.3 Tellen door aan te wijzen Sleep de krabben uit de digitale schatkist op het digibord. Laat een leerling de krabben tellen door ze aan te wijzen. De rest fluistert mee. Laat verschillende leerlingen aan het bord oefenen. Moedig het meefluisteren aan, zodat alle leerlingen betrokken blijven. Laat de leerlingen per twee dezelfde opdracht uitvoeren aan de hand van de individuele schatkist. Daarna wisselen ze opnieuw van rol.
RE
Ga rond, controleer en moedig aan. Ga na of het merendeel van de klas klaar is om te tellen zonder te verleggen of aan te wijzen. Wanneer je voelt dat dit heel gemakkelijk gaat, kun je de oefening uitdagender maken door de leerlingen hun handen op de rug te laten houden en ze te laten tellen door te kijken.
KE
U
Alle oefeningen kun je uitvoeren rond een instructietafel. Om iedereen actief te laten tellen, is het belangrijk dat er ook per twee wordt geteld. Op die manier heb je even de handen vrij om te observeren: wie kan al vlot tellen en wie niet? Duid zelf de leerlingen aan die de opdrachten moeten uitwerken. Zo ben je zeker dat iedereen aan de beurt komt en kun je de leerlingen die oefenen op spoor 1 extra betrekken.
D
IE
2.1.4 Tellen en terugtellen Neem de krabben uit de digitale schatkist er terug bij. De krabben willen jullie een stunt tonen. Ze gaan een krabbentoren vormen. Kijken jullie mee hoeveel krabben er op elkaar kunnen staan?
R
Sleep 1 krab van de digitale schatkist op het digibord en bouw verder tot er 5 krabben op elkaar staan. Laat de leerlingen telkens meetellen tijdens het slepen.
AA
De onderste krab voelt zich niet zo gelukkig. Het wordt toch wat te zwaar. Verwijder 1 krab per keer van de krabbentoren. Herhaal dit tot de krabbentoren weg is. Laat de leerlingen klassikaal terugtellen tot 0.
EM
PL
Laat de leerlingen tot slot zelfstandig voorwerpen in de klas tellen. Vraag om dit met een fluisterstem te doen. Geef volgende opdrachten: - Tel het aantal klasdeuren. - Tel het aantal kasten. - Tel het aantal planten. -…
JK
Lesafsluiter
Fluister een opdracht in het oor van een leerling. Laat de leerling de opdracht het gevraagde aantal keer uitvoeren. Laat de andere leerlingen tellen. Voorbeelden: - Sla 3 keer op de cimbaal. - Spring 5 keer in de lucht. - Klop 0 keer op de deur. -…
IN
KI
3
EX
Wandel rond in de klas en luister hoe de leerlingen het ervan afbrengen. Breng voor jezelf in kaart of het merendeel van de klasgroep de lesdoelen heeft bereikt.
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen doortellen en terugtellen met sprongen van 1.’ Laat de leerlingen verwoorden hoe ze tijdens de les hebben geteld (door te verleggen, aan te wijzen, door te tellen, terug te tellen ...). Pols naar hun ervaringen. Laat hen vertellen wat al goed lukt en wat nog moeilijk is.
11
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Deze leerlingen mogen langer aanwijzend tellen. Laat hen steeds beginnen. Ondersteun en doe voor wanneer het moeilijk wordt of wanneer je merkt dat de leerlingen vastlopen. Let erop dat het tellen en aanwijzen vlot synchroon verloopt. Op de trap of het hinkelveld laat je de leerlingen enkel per vak tellen en stappen of springen. Leerlingen die oefenen op spoor 3 kunnen ook helpen tellen. Deze leerlingen hebben baat bij veel herhaling. Bied oefenkansen via alle zintuigen aan.
RE
Om de leerlingen uit te dagen, kun je hen laten door- en terugtellen vanaf een getal dat niet 0 of 1 is. Laat hen terugtellen vanaf een getal dat niet 5 is. Op de trap of het hinkelveld laat je deze leerlingen ook al eens een trede overslaan, over een veld springen en met een sprong van twee tellen. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
12
1 KAAP 1 • LES 4 • GETALLENKENNIS Aantallen tot 5 (resultatief tellen en vergelijken)
25’
Lesdoelen De leerlingen kunnen tot 5 tellen om een aantal te bepalen (resultatief tellen). De leerlingen kunnen de irrelevantie van de volgorde van objecten ervaren bij het bepalen van een aantal. De leerlingen kunnen ervaren dat een aantal onafhankelijk is van de ruimte die het inneemt (conservatieprincipe). De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken gebruikmakend van de begrippen ‘meest’, ‘minst’, ‘meer’, ‘minder’, ‘veel’, ‘weinig’, ‘evenveel’ en ‘niet evenveel’.
RE
1 2 3 4
U
Lesmaterialen
(1) over tellen
R
minder minst
veel vergelijken
weinig
AA
Wiskundetaal in deze les aantal meer (niet) evenveel meest
D
IE
KE
- concordantie - werkboek p. 2-3 en/of digitaal werkboek - scheurblok Let op: Geef de individuele schatkist mee naar huis, indien je het scheurblok meegeeft als huiswerk. - bijlage: Schelpen - Sloep p. 7-8 - digitale schatkist - individuele schatkisten - schelpen: 5 zwaardschedes, 3 oesterschelpen, 4 hartschelpen, 2 mosselschelpen en 1 zeeslakschelp
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L3 Tellen tot 5 (door en terug, synchroon en akoestisch) In de vorige les kwam het tellen tot 5 uitgebreid aan bod. In deze les ligt de focus eveneens op het tellen, met name het resultatief tellen. Wat geteld is, wordt daarna vergeleken.
EX
Wat volgt? K1 L6 Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen K2 L28 Tellen en terugtellen tot 10
JK
Voor de les
IN
KI
Optie 1: Verzamel een collectie schelpen. Indien je geen schelpen hebt, kun je andere materialen gebruiken. Optie 2: Lamineer de kaarten uit de bijlage Schelpen voor duurzaam gebruik en verknip ze.
13
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Geef samen het startschot voor een nieuwe wiskundeles. Fris de voorkennis rond tellen tot 5 op. Duid een paar keer na elkaar een leerling aan die terugtelt van 5 naar 0. Observeer hoe vlot dit gaat. Stuur bij waar nodig.
Kern
U
2
RE
In deze les gaan de leerlingen verder met tellen. Ze leren tellen hoeveel voorwerpen er zijn. Verder onderzoeken ze van welke voorwerpen er evenveel, niet evenveel, meer, minder, meest of minst zijn.
KE
2.1 Instructie en begeleide inoefening
IE
2.1.1 Schelpen tellen Wie gaat er soms naar zee? Welke activiteiten doen jullie daar? Blijf stilstaan bij de activiteit schelpen rapen of verzamelen. Verzamel de leerlingen rond de instructietafel. Toon de collectie schelpen of de kaarten uit de bijlage Schelpen die de kadet al verzameld heeft: 5 zwaardschedes, 3 oesterschelpen, 4 hartschelpen, 2 mosselschelpen en 1 zeeslakschelp. Laat de leerlingen de schelpen sorteren per soort.
R
D
Hebben we van elke soort evenveel schelpen? - Van welke soort hebben we er veel? - Van welke soort hebben we er weinig?
AA
Laten we samen tellen hoeveel we er hebben van elke soort.
EM
PL
Laat de leerlingen samen hardop tellen terwijl jij de schelpen aanwijst. Wijs de schelpen niet altijd van links naar rechts aan. Hanteer verschillende volgordes, zodat de leerlingen ervaren dat de volgorde bij het tellen van de schelpen irrelevant is. Leg de schelpen ook niet steeds op een rij, zodat de leerlingen ervaren dat het aantal onafhankelijk is van de ruimte die de schelpen innemen. Leerlingen bij wie het minder goed lukt, leren door te luisteren naar de anderen. Als ze kunnen meetellen, zullen ze dit zeker doen. Begeleid de telactiviteit. Vraag van welke soort schelpen er het meest of minst zijn.
KI
JK
EX
2.1.2 Vergelijken van het aantal schelpen (zelfde vorm/verschillende aantallen) De leerlingen werken per twee. Elke leerling heeft een individuele schatkist met schelpen. Laat hen elk een aantal schelpen kiezen (niet meer dan 5). Vraag hen om de gekozen aantallen te vergelijken: - Hoeveel schelpen hebben jullie elk? - Hebben jullie er evenveel of niet evenveel? - Wie heeft er het meest? - Wie heeft er het minst?
IN
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer of ze correct vergelijken en verwoorden.
2.1.3 Vergelijken van dieren uit de digitale schatkist (verschillend in vorm en aantal) Sleep 3 krabben en 2 meeuwen uit de digitale schatkist op het digibord. - Hoeveel krabben hebben we? (3) - Hoeveel meeuwen? (2) - Waarvan hebben we er het meest? (krabben) - Waarvan hebben we er het minst? (meeuwen) Laat de leerlingen in duo’s vergelijken: Is er voor elke meeuw een krab? Laat de leerlingen concluderen dat er 1 meeuw over is. Trek indien nodig lijnen op het bord om te verbinden en de een-op-een-relatie te verduidelijken. Herhaal met andere aantallen.
14
Werk bij het eerste voorbeeld vooral klassikaal. Laat de leerlingen samen de aantallen verwoorden. Bij de volgende voorbeelden kun je telkens andere leerlingen per twee aan bord laten komen om te vergelijken. Voel zelf aan hoeveel oefenrondes hiervoor nodig zijn. Laat het vergelijken per twee snel achterwege als je aanvoelt dat het merendeel van de klasgroep hier geen moeite mee heeft. Kleine lesafsluiter Geef elke leerling een individuele schatkist: - Leg 3 krabben aan de ene kant van je bank. - Leg 4 meeuwen aan de andere kant van je bank. - Waar zijn er het meeste dieren? Leg daar je hand bij.
RE
Wandel rond en ga na of alle leerlingen hun hand bij de meeuwen gelegd hebben.
2.2 Zelfstandige verwerking
KE
U
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
IE
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
AA
R
D
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
PL
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
EM
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende inoefening en/of instructie kunnen in groepen opdrachten voor elkaar verzinnen waarbij ze moeten tellen en vergelijken.
Lesafsluiter
JK
3
EX
Gebruik ook de tips naast het werkboek en de informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
IN
KI
Speel de stoelendans in groepen van vier of vijf. Zet de stoelen klaar. Zorg dat er telkens een stoel minder is dan er leerlingen in een groep zijn. Verwoord telkens hoeveel leerlingen en stoelen er in elke groep zijn. Als er onvoldoende tijd is, kun je deze activiteit op een ander moment als bewegingstussendoortje gebruiken. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken gebruikmakend van de begrippen ‘meest’, ‘minst’, ‘meer’, ‘minder’, ‘veel’, ‘weinig’, ‘evenveel’ en ‘niet evenveel.’ Laat de leerlingen samenvatten welke wiskundebegrippen ze bij het vergelijken hebben gebruikt. Laat hen ook verwoorden hoe goed ze het vergelijken al onder de knie hebben. Vraag of er begrippen zijn die ze nog moeilijk vinden. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
15
Laat de leerlingen verwoorden wat ze zien als ze de krabben en meeuwen verbonden hebben met elkaar. Let goed op het gebruik van de begrippen meer, minder, evenveel en niet evenveel.
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Leerlingen die oefenen op spoor 1 en 2 zullen de getallen nog niet kunnen herkennen. Lees de getallen voor. Door te luisteren, weten de leerlingen hoeveel ze moeten kleuren. Leerlingen die oefenen op spoor 3 zullen de getallen wel al kunnen lezen en kunnen de oefening zelfstandig maken.
JK
EX
EM
Wijs de leerlingen erop dat ze telkens met het aantal voor de streep moeten vergelijken en dat ze meer dan een kruisje mogen zetten.
IN
KI
Licht de opgave toe. Wijs de leerlingen erop dat ze moeten starten bij de kadet met de verrekijker. Laat hen het hokje ernaast met 1 schelp kleuren. Vertel dat ze de weg moeten vervolledigen door de hokjes te zoeken waar telkens 1 meer is.
16
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Laat de leerlingen de groepen die ze moeten vergelijken, synchroon tellen. Laat hen dan de een-op-een-relatie ook effectief leggen. Op die manier komen ze zelf tot de conclusie waar er meer/minder zijn. Laat de leerlingen vaak de materiële handeling van het gelijktijdig verschuiven, uitvoeren, bijvoorbeeld bij het vergelijken van 4 (meeuwen) en 3 (krabben). Ze verschuiven gelijktijdig 1 voorwerp naar links van elke groep. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 3 Aantallen tot 5 vergelijken - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
17
18
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 5 • GETALLENKENNIS Getalbeeld koppelen aan een aantal tot 5
25’
Lesdoelen De leerlingen kunnen een aantal tot 5 koppelen aan het bijhorende getalbeeld. De leerlingen kunnen vlot de getalbeelden tot 5 herkennen en benoemen. De leerlingen kunnen getalbeelden tot 5 leggen, tekenen en stempelen.
Lesmaterialen
meest
minst
ordenen
tellen
PL
Wiskundetaal in deze les aantal getalbeeld
AA
R
D
IE
KE
U
- concordantie - werkboek p. 4 en/of digitaal werkboek - scheurblok Let op: Geef de individuele schatkist mee naar huis indien je het scheurblok meegeeft als huiswerk. - bijlage (uit les 4): Schelpen - bijlage: Figuren bij afbeelding Zeetafereel - bijlage: Wie hoort bij wie? - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - afbeelding: Zeetafereel - instructievideo: Getalbeelden tot 10: 1 - 5 - Sloep p. 5 - digitale schatkist - individuele schatkisten - schelpen: 5 zwaardschedes, 3 oesterschelpen, 4 hartschelpen, 2 mosselschelpen en 1 zeeslakschelp - 5 emmers met een getalbeeld van 1 tot 5 - triangel
RE
1 2 3
EM
Leerlijn
EX
Wat ging vooraf? K1 L4 Aantallen tot 5 (resultatief tellen en vergelijken) De leerlingen gebruiken hun voorkennis met betrekking tot de aantallen tot 5 om ze in deze les aan getalbeelden te koppelen.
JK
Wat volgt? K1 L18 Aantallen en getalbeelden tot 5 (tellen, vergelijken en ordenen)
KI
Voor de les
IN
- Zorg voor 5 emmers. Kleef op elke emmer een getalbeeld van 1 tot 5. - Haal de schelpen van les 4 erbij: 5 zwaardschedes, 3 oesterschelpen, 4 hartschelpen, 2 mosselschelpen en 1 zeeslakschelp (of de kaarten van bijlage Schelpen uit les 4). - Lamineer de bijlage Figuren bij afbeelding Zeetafereel en de bijlage Wie hoort bij wie? voor duurzaam gebruik en verknip de kaarten. - Oefen vooraf het stempelen van de getalbeelden in spiegelbeeld in, zodat de leerlingen met jou kunnen meestempelen.
19
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
RE
Verzamel de leerlingen rond de instructietafel. Haal de schelpen van les 4 erbij (5 zwaardschedes, 3 oesterschelpen, 4 hartschelpen, 2 mosselschelpen en 1 zeeslakschelp) of gebruik de bijlage Schelpen. Fris de voorkennis op. Laat de leerlingen per soort het aantal schelpen resultatief tellen. Geef hen eerst even tijd om dit zelfstandig te doen. Duid dan een leerling aan die het aantal luidop mag verwoorden. Doe het getelde aantal schelpen in een emmer met het bijhorende getalbeeld. Demonstreer en verwoord wat je doet. Bijvoorbeeld, ik doe 1 zeeslakschelp in de emmer met getalbeeld 1. Zorg ervoor dat de emmers met getalbeelden in oplopende volgorde op de instructietafel staan.
Kern
KE
2
U
De leerlingen kunnen de aantallen tot 5 intussen vlot tellen. In deze les koppelen ze deze aan getalbeelden tot 5.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
D
IE
2.1.1 Van concreet aantal naar getalbeeld Sleep de getalbeelden van 0 tot 5 door elkaar uit de digitale schatkist op het digibord. Laat de leerlingen de getalbeelden ordenen van 0 tot 5, van minst naar meest.
R
Je kunt de leerlingen die oefenen op spoor 1, laten spieken met de emmers.
PL
AA
Toon de afbeelding Zeetafereel waarop volgende de elementen duidelijk zichtbaar zijn: - 5 meeuwen vliegen boven 2 boten. - Vooraan op het strand zie je 4 krabben en 3 schelpen. - 1 vis springt uit het water.
EM
Deel de bijlage Figuren bij afbeelding Zeetafereel willekeurig uit in de klas. We kijken naar de krabben. Hoeveel krabben zien we op de afbeelding? (4) Bij welk getalbeeld kunnen we de krabben hangen? (getalbeeld 4) Laat 4 leerlingen een kaart met een krab aan het bord onder het juiste getalbeeld hangen. Ga op dezelfde manier verder met de andere kaarten. Koppel de concrete aantallen aan de getalbeelden.
EX
Laat de leerlingen vervolgens hun individuele schatkist nemen en herhaal de oefening individueel met de afbeelding Zeetafereel.
JK
Benut dit moment om te observeren hoeveel de leerlingen opgestoken hebben tijdens het instructiemoment over het koppelen van concrete aantallen aan getalbeelden.
IN
KI
2.1.2 Van auditief aantal naar getalbeeld Neem de triangel erbij. Herhaal een aantal keer een geluid en laat de leerlingen het juiste getalbeeld uit de individuele schatkist op hun bank aanduiden. Controleer en stuur bij. Je kunt dit spel ook omgekeerd spelen. Toon een getalbeeld en de leerlingen trommelen het aantal keer op hun bank.
2.1.3 Getalbeelden herkennen Neem de emmers die je gebruikte bij het activeren van de voorkennis. Toon de getalbeelden op de emmers en laat de leerlingen verwoorden hoeveel schelpen er in de emmers zitten. Start met tellen en ga nadien over naar herkennen. Herhaal de oefening met de individuele getalbeelden per twee. Een leerling toont een getalbeeld, de andere zegt om welk getalbeeld het gaat. Draai nadien de rollen om.
20
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe vlot het herkennen van getalbeelden gaat. Op die manier kun je nagaan of het merendeel van de leerlingen klaar is om de getalbeelden zelf te stempelen.
2.1.4 Getalbeelden stempelen Vertel de leerlingen dat je getalbeelden ook kunt stempelen. Toon een getalbeeld en laat de leerlingen verwoorden over welk aantal het gaat. Laat ze het getalbeeld daarna stempelen in de lucht. Controleer nauwgezet of de leerlingen de stippen in de juiste volgorde stempelen: eerst linksboven, dan eronder, dan terug bovenaan … Laat de leerlingen per twee getalbeelden stempelen op elkaars rug. Moedig hen aan om de gestempelde getalbeelden te raden.
RE
Open, indien nodig, de digitale schatkist en sleep de getalbeelden op het bord zodat leerlingen die er nood aan hebben kunnen spieken.
KE
U
Kleine lesafsluiter Laat de leerlingen de getalbeelden van 0 tot 5 opnieuw ordenen op hun bank. Toon een kaart met een aantal voorwerpen uit de bijlage Wie hoort bij wie? en vraag de leerlingen om op jouw teken het juiste getalbeeld in de lucht te steken.
2.2 Zelfstandige verwerking
IE
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
D
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
R
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
PL
AA
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
EM
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
EX
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefeningen en/of instructie kunnen in groepen de getalbeelden flitsen.
Lesafsluiter
KI
3
JK
Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
IN
Deel uit de bijlage Wie hoort bij wie? de getalbeelden van 0 tot 5 en de kaarten met aantallen van 0 tot 5 uit. Geef elke leerling een kaart. Laat de leerlingen rondgaan in de klas en zwijgend klasgenoten met hetzelfde aantal zoeken. Laat hen groepen vormen. Vraag achteraf om te verwoorden waarom de groepsleden bij elkaar passen. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen getalbeelden tot 5 herkennen en benoemen.’ Laat de leerlingen verwoorden welke getalbeelden ze geleerd hen. Vraag hen hoe ze de getalbeelden onthouden. Laat hen vertellen welke getalbeelden ze gemakkelijk en minder gemakkelijk onthouden. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
21
RE
Controleer eerst of de leerlingen de opdracht begrijpen. Vraag hen te verwoorden wat ze moeten doen.
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
Bij deze oefening moeten de leerlingen concrete aantallen koppelen aan de getalbeelden. Geef mee dat de leerlingen aandachtig moeten kijken naar het aantal zeedieren dat voor de streep staat.
22
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Bij het benoemen van het getalbeeld mogen de leerlingen eerst aanwijzend tellen. Let goed op de koppeling van het aantal met het getalbeeld. Leg ze dicht naast elkaar. Oefen op het subiteren, bijvoorbeeld leg met blokjes snel groepen: 1 – 2 – 4 – 2 – 3 – 2 – 4 – 2 – 1 – 2 … Zo leren de leerlingen de aantallen snel herkennen. Eens het aantal 2 goed gekend is, zullen de leerlingen het aantal 4 ook sneller zien (als combinatie van 2 en 2). Tijdens de oefeningen in het werkboek kun je de leerlingen aan de zorgtafel verzamelen, zodat je hen extra kunt begeleiden. De oefeningen worden klassikaal voorgelezen, maar de leerlingen aan de zorgtafel krijgen indien nodig onmiddellijk hulp. Begeleid hen door de getalbeelden te gebruiken en laat hen stempelen.
RE
niets
U
stip
KE
streep
IE
haak
R AA
koek-stip
D
koek
Laat de leerlingen tellen met hun ogen. Het tellen met de ogen kan gradueel, getalbeeld per getalbeeld, worden opgebouwd.
EM
PL
Laat het getalbeeld na een oogopslag verwoorden. Dit kan aan de hand van flitskaarten worden ingeoefend. Stimuleer ook het clusteren tot 5 (als combinatie van 2 en 3). Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Getalbeelden tot 10: 1 – 5 bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Getalbeelden tot 5 - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 4 Getalbeelden tot 5 - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
23
24
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 6 • GETALLENKENNIS Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen op concreet niveau aantallen tot 5 vergelijken en ordenen. De leerlingen kunnen begrippen als ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer (dan)’, ‘minder (dan)’, ‘evenveel’ en ‘gelijk’ correct gebruiken.
RE
Lesmaterialen
KE IE
minder (dan) minste
ordenen
D
meer (dan) meeste
vergelijken
R
Wiskundetaal in deze les aantal gelijk evenveel getalbeeld
U
- concordantie - bijlage: Getalbeelden - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - Sloep p. 7-8 - digitale schatkist - individuele schatkisten - (ring)map per twee leerlingen - velcro of kleefband - optioneel: een pet per groep van vier leerlingen
AA
Leerlijn
PL
Wat ging vooraf? K1 L4 Aantallen tot 5 (resultatief tellen en vergelijken) In les 4 kwam het vergelijken van aantallen reeds aan bod. In deze les wordt dit verder en dieper ingeoefend. Ook het ordenen komt aan bod.
EX
Voor de les
EM
Wat volgt? K1 L7 Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen
JK
Lamineer de bijlage Getalbeelden voor duurzaam gebruik en verknip de kaarten. Bevestig een stuk velcro (haakjeskant) of kleefband op de achterkant van de kaarten. Voorzie een set kaarten per groep van vier leerlingen.
IN
KI
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
Laat de leerlingen per eiland of rij vooraan komen, afhankelijk van hoe de leerlingen zitten in de klas. Kies een groep die bestaat uit jongens en meisjes. Zorg dat het verschil slechts 1 is. Stel gericht vragen om de voorkennis met betrekking tot de begrippen meest, minst, meer en minder te activeren: - Hoeveel jongens staan er hier? Hoeveel meisjes? - Waar zijn er het meest/ minst van? - Hoeveel jongens/meisjes zijn er meer/minder dan meisjes/jongens?
25
Herhaal indien nodig. Varieer in de opdrachten. De wiskundebegrippen die de leerlingen zonet hebben opgefrist, gebruiken ze in deze les om aantallen tot 5 te vergelijken en ordenen.
2
Kern
2.1 Instructie en begeleide inoefening
RE
2.1.1 Vergelijken van materiaal uit de schatkist Verdeel de klas in twee groepen. Bijvoorbeeld, de leerlingen die aan de linkerkant van de bank zitten, zijn de zeilers. De leerlingen die rechts zitten, zijn de roeiers. Zorg dat er steeds een zeiler naast een roeier zit.
KE
U
Je kunt ervoor kiezen om in plaats van ‘zeilers’ en ‘roeiers’ andere benamingen te kiezen. Kies voor benamingen die makkelijk te onthouden zijn en geen belemmering vormen voor taalzwakke leerlingen.
D
IE
Laat de leerlingen hun individuele schatkist nemen. Geef de volgende opdracht: - De zeilers leggen 2 krabben. De roeiers leggen 3 krabben. - Wie heeft het meest? (de roeiers) - Wie heeft het minst? (de zeilers)
R
Laat de leerlingen verwoorden: - 3 is meer dan 2. - 2 is minder dan 3.
PL
AA
Geef een tweede opdracht: - De zeilers leggen 4 meeuwen. De roeiers leggen 4 schelpen. - Waarvan hebben we er het meest/het minst?
EM
Geef de leerlingen voldoende tijd om hierover na te denken. Laat hen ontdekken dat er evenveel zijn, dat het aantal gelijk is. Laat de leerlingen verwoorden: - 4 is gelijk aan 4. - 4 is evenveel als 4. Indien nodig, herhaal je de oefening met andere aantallen.
JK
EX
Pols bij de leerlingen of ze de aantallen gemakkelijk kunnen vergelijken. Let op wat moeilijk gaat bij het vergelijken. Brainstorm over mogelijke oplossingen. Kom tot het structureren van aantallen in getalbeelden.
IN
KI
2.1.2 Aantallen structureren: getalbeelden leggen Laat elke leerling 5 schelpen nemen uit de individuele schatkist. Demonstreer hoe je de schelpen in de vorm van een getalbeeld moet leggen. Bijvoorbeeld, getalbeeld 3. Laat de leerlingen op jouw teken de schelpen leggen. Ga rond, controleer en zorg dat iedereen het getalbeeld correct legt.
Laat het getalbeeld achteraf nog eens klassikaal stempelen.
2.1.3 Vergelijken van aantallen en getalbeelden Laat tussen de zeilers en de roeiers een (ring)map zetten, zodat ze niet zien wie wat legt. Opdracht 1: Laat de leerlingen elk een aantal van maximaal 5 schelpen uit de individuele schatkist in de vorm van een getalbeeld op hun bank leggen.
26
Neem daarna de map weg en stel volgende vragen: - Wie heeft meer schelpen? - Wie heeft minder schelpen? - Hebben jullie evenveel schelpen? Laat de leerlingen per twee verder oefenen. Opdracht 2: Laat de roeiers een aantal leggen en opdrachten met meer/minder/evenveel geven aan de zeilers. Daarna worden de rollen omgewisseld.
U
RE
Opdracht 3: Laat de leerlingen met de getalbeelden uit de individuele schatkist een stapel maken. Let erop dat de bedrukte zijde niet zichtbaar is. Vraag om op jouw teken het eerste getalbeeld van de stapel om te draaien. Laat de leerlingen het getalbeeld per twee vergelijken: Wie heeft meest/minst/evenveel?
KE
Breng tijdens de opdrachten blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe vlot het vergelijken gaat. Stel vragen om te controleren of de leerlingen het begrijpen. Focus hierbij op de wiskundetaal meest, minst en evenveel.
IE
2.1.4 Ordenen van getalbeelden Geef de opdracht aan de leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3 om de getalbeelden tot 5 te ordenen van minder naar meer met de individuele schatkist.
Laat de getalbeelden stempelen in de lucht.
AA
R
D
De leerlingen die oefenen op spoor 1 voeren dezelfde opdracht uit onder begeleiding. Zoek het getalbeeld 0. Leg dit op je bank. Wat weet je van 0? (Dat is helemaal niets.) Waar zie je 1 stip meer? Hoeveel stippen staan er dan op? Nu zoeken we terug een getalbeeld met 1 stip meer. Hoeveel stippen hebben we dan? …
Lesafsluiter
EX
3
EM
PL
Leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3 zullen snel klaar zijn met hun opdracht. Die twee groepen kunnen elkaar opdrachten geven, bijvoorbeeld: - Neem getalbeeld 4. - Neem een getalbeeld dat minder is dan 2. - Neem een getalbeeld dat meer is dan 4. - …
IN
KI
JK
Verdeel de klas in groepen van vier. Voorzie per vier leerlingen getalbeelden van 0 tot 5 uit de bijlage Getalbeelden. Speel ‘wie ben ik?’. Leg de opdracht uit: Een groepslid krijgt een getalbeeld op het voorhoofd of pet gekleefd zonder het te zien. Dit groepslid moet het getalbeeld proberen te raden door de juiste vragen te stellen. De andere leerlingen antwoorden ieder om beurt met ‘ja’ of ‘neen’. Daarna worden de rollen omgewisseld. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen op concreet niveau aantallen tot 5 vergelijken en ordenen.’ Vat samen wat het verschil is tussen ordenen en vergelijken. Laat de leerlingen de wiskundetaal die nodig is om te vergelijken nog eens herhalen.
27
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Maak samen nog extra oefeningen rond het koppelen van concrete aantallen aan de getalbeelden. Spreek de verschillende zintuigen aan en ga na welke het best aanslaat: visueel (leg 3 jetons en het getalbeeld), auditief (tik 3 keer op de tafel) of motorisch (spring 3 keer in de lucht). Wissel af. Zo spreek je alle leerlingen aan. Bij de verwoording van 1 meer/1 minder kun je ook alle zintuigen aanspreken door te werken met grote gebaren en nadrukkelijk stemgebruik.
RE
Laat de leerlingen spelen met een kaartspel of een paar dobbelstenen. Zo komen ze in contact met andere universele getalbeelden. Het biedt hen de kans om meer en minder op een andere manier te herhalen. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
28
1 KAAP 1 • LES 7 • GETALLENKENNIS Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken en ordenen. De leerlingen kunnen de begrippen ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer (dan)’, ‘minder (dan)’, ‘evenveel’ en ‘gelijk’ correct gebruiken.
RE
Lesmaterialen
KE IE D minder (dan) minste
R
meer (dan) meeste
ordenen
vergelijken
AA
Wiskundetaal in deze les aantal gelijk (niet) evenveel getalbeeld
U
- concordantie - werkboek p. 5 en/of digitaal werkboek - scheurblok - kopieerblad 2: Getalbeelden - bijlage (uit les 6): Getalbeelden - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - instructievideo: Getalbeelden tot 10: 1 - 5 - Sloep p. 7-8 - digitale schatkist - individuele schatkisten - velcro of kleefband - wisbord, stift en uitwisser per leerling
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L6 Handelend aantallen tot 5 vergelijken en ordenen In deze les herhalen de leerlingen de leerinhouden uit K1 L6.
EX
Wat volgt? K1 L8 Handelend aantallen en getalbeelden tot 5 vergelijken en ordenen
JK
Voor de les
IN
KI
Preteaching: oefen met de getalbeelden uit de (digitale) schatkist, uit de bijlage Getalbeelden uit les 6 ... Laat de leerlingen ermee aan de slag gaan tijdens hoekenwerk of een vrij moment. Je kunt de getalbeelden ook naar huis meegeven. Druk het kopieerblad Getalbeelden af, indien je voor deze optie kiest. Bepaal waar je de afsluiter van de les laat doorgaan, bijvoorbeeld op de speelplaats, in de turnzaal … Houd hierbij rekening met de weersomstandigheden en de beschikbaarheid van de lokalen.
29
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Open de digitale schatkist. Sleep afwisselend een getalbeeld of een aantal tot 5 op het bord. Laat de leerlingen deze, op basis van hun voorkennis, samen benoemen.
Kern
U
2
RE
In deze les gaan de leerlingen opnieuw aan de slag met de getalbeelden. Ze oefenen het vergelijken en ordenen verder in.
KE
2.1 Instructie en begeleide inoefening
IE
2.1.1 Aantallen en getalbeelden vergelijken Vraag de leerlingen om de getalbeelden uit de individuele schatkisten op hun bank te leggen. Sleep ondertussen 3 krabben uit de digitale schatkist op het digibord. Geef de opdracht om de krabben op het bord te tellen en het aantal (3) te verwoorden.
D
Laat de leerlingen vervolgens het bijhorende getalbeeld op de bank zoeken en op jouw teken in de lucht steken. Controleer of iedereen het juiste getalbeeld heeft gekozen. Sleep zelf het getalbeeld 3 op het digibord.
R
Je kunt de leerlingen extra ondersteunen door het getalbeeld te stempelen.
AA
Geef een nieuwe opdracht die de leerlingen per twee uitvoeren. Vraag hen om alleen de getalbeelden die meer zijn dan 3 op de bank te laten liggen en de andere kaarten met getalbeelden om te draaien.
PL
Laat de leerlingen de getalbeelden die nog zichtbaar zijn benoemen. (4 en 5) Laat hen onderling verwoorden wat ze weten over het getalbeeld 4 en 5 in vergelijking met de andere getalbeelden. - 4 is meer dan 3. - 5 is meer dan 3.
EM
Moedig de leerlingen aan om ook oog te hebben voor de inverse relatie: - Als 4 meer is dan 3, dan is 3 minder dan 4. - Als 5 meer is dan 3, dan is 3 minder dan 5.
EX
Bespreek klassikaal. Als je voelt dat dit moeizaam gaat, doe dan dezelfde vergelijkingen met 1 en 2.
JK
2.1.2 Getalbeelden ordenen Laat de leerlingen de getalbeelden ordenen van minder naar meer.
KI
Ga rond in de klas en controleer.
IN
Kleine lesafsluiter Sleep uit de digitale schatkist de getalbeelden 5 en 2 op het digibord. Plaats 5 uiterst links op het bord en 2 uiterst rechts. Geef de leerlingen even de tijd om beide getalbeelden te vergelijken. Laat hen op jouw teken naar de kant lopen waar er meer zijn.
30
2.2 Zelfstandige verwerking
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
RE
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
KE
U
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen het scheurblok van spoor 3 maken.
Lesafsluiter
R
3
D
IE
Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
PL
AA
Speel een tikspel. Kleef op alle leerlingen een getalbeeld of een aantal uit de bijlage Getalbeelden uit les 6. Duid een of meerdere tikkers aan en geef hen een opdracht, zoals: - Tik enkel de leerlingen met een getalbeeld dat evenveel is als 3. - Tik enkel de leerlingen met een getalbeeld dat meer is dan 2. - Tik enkel de leerlingen met een getalbeeld dat niet evenveel is als 1. -…
EM
Deze afsluiter speel je het best op de speelplaats, in de turnzaal of in een andere, grote overdekte ruimte.
EX
Als er onvoldoende tijd is, kun je deze activiteit op een ander moment als bewegingstussendoortje gebruiken.
IN
KI
JK
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken en ordenen.’ Geef aan dat deze les een herhaling was van wat de leerlingen al leerden in les 6. Laat hen zichzelf beoordelen na deze twee lessen over vergelijken en ordenen door 1 bol (ik kan dit nog niet goed), 2 bollen (dit lukt al behoorlijk, maar ik moet nog oefenen) of 3 bollen (ik maak (bijna) geen fouten meer) op hun wisbord te tekenen. Ze steken de wisborden in de lucht op jouw teken. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
31
KE
U
RE
Wijs de leerlingen erop dat ze telkens met het aantal voor de streep moeten vergelijken. Als het moeilijk blijkt om alles in een keer te bekijken, kunnen ze met een afdekkaart werken.
AA
R
D
IE
Indien nodig, kunnen de leerlingen hun eigen chronologisch geordende getalbeelden voor zich leggen.
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
PL
Let erop dat je de leerlingen stuurt door de nadruk te leggen op de begrippen meer, minder, evenveel ... Deze leerlingen kunnen nog nood hebben aan het gebruiken van de een-op-een-relatie.
EM
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Getalbeelden tot 10: 1 – 5 bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 3 Aantallen tot 5 vergelijken - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
32
1 KAAP 1 • LES 8 • GETALLENKENNIS Handelend aantallen en getalbeelden tot 5 vergelijken en ordenen
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5 vergelijken en ordenen. De leerlingen kunnen begrippen als ‘meer’, ‘1 meer’, ‘minder’, ‘1 minder’ en ‘evenveel’ correct gebruiken.
RE
Lesmaterialen
KE IE D
Wiskundetaal in deze les aantal getalbeeld (niet) evenveel
U
- concordantie - werkboek p. 6 en/of digitaal werkboek - scheurblok - bijlage (uit les 6): Getalbeelden - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - instructievideo: Getalbeelden tot 10: 1 - 5 - Sloep p. 7-8 - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - rood en groen potlood per leerling
(1) minder
ordenen
vergelijken
AA
R
(1) meer
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L7 Handelend aantallen tot vergelijken en ordenen In deze les vergelijken en ordenen de leerlingen opnieuw tot 5. De begrippen 1 meer en 1 minder worden aangebracht. Wat volgt? K1 L34 Handelend vergelijken tot 5 met = en ≠
EX
Voor de les
JK
Preteaching: voorzie voor leerlingen die oefenen op spoor 1 een herhalingsmoment waarin je de getalbeelden tot 5 herhaalt. Maak hierbij gebruik van verschillende methodes (flitsen, stempelen in de lucht ...).
IN
KI
Ook bij het begin van de les worden de getalbeelden tot 5 herhaald om de voorkennis te activeren.
33
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Laat de leerlingen per twee de getalbeelden tot 5 herhalen aan de hand van de individuele schatkist. Bied onderstaande opdrachten aan.
RE
Opdracht 1: Laat de getalbeelden ordenen van 0 tot 5. Leerling 1 duidt vervolgens een getalbeeld aan. Leerling 2 benoemt. Wissel de rollen om.
KE
U
Opdracht 2: Laat de getalbeelden op een stapel leggen. Leerling 1 draait telkens een getalbeeld om. Leerling 2 benoemt alle getalbeelden zo snel mogelijk. Wissel de rollen om.
IE
Breng blitzbezoeken aan de duo’s. Observeer hoe het ordenen en benoemen van getalbeelden verloopt.
Kern
AA
2
R
D
In deze les oefenen de leerlingen het vergelijken van aantallen tot 5 verder in. Ze gaan aan de slag met getalbeelden die evenveel, niet evenveel, 1 meer of 1 minder zijn.
PL
2.1 Instructie en begeleide inoefening
EM
2.1.1 Getalbeelden leggen: evenveel, niet evenveel, 1 meer en 1 minder Sleep getalbeeld 3 uit de digitale schatkist op het digibord. Laat dit getalbeeld door de leerlingen stempelen in de lucht. Gebruik hier ook de benaming haak voor het getalbeeld. Vraag om het getal 3 te benoemen.
EX
Laat de leerlingen de volgende opdrachten uitvoeren met hun individuele schatkist: - Neem het getalbeeld dat evenveel is. Toon het wanneer ik in de handen klap. Controleer en laat verwoorden: 3 is evenveel als 3.
KI
JK
- Neem het getalbeeld dat 1 meer is. Controleer en laat verwoorden: 3 is niet evenveel als 4. 1 meer dan 3 is 4.
IN
- Neem het getalbeeld dat 1 minder is. Controleer en laat verwoorden: 3 is niet evenveel als 2. 1 minder dan 3 is 2. Herhaal deze werkwijze met enkele andere getalbeelden. Werk vooral klassikaal tijdens de opdrachten met het getalbeeld 3. Laat de leerlingen samen antwoorden en zoveel mogelijk de getalbeelden verwoorden. Bij de opdrachten met de andere getalbeelden kun je telkens een andere leerling aanduiden die antwoordt. Op die manier kun je nagaan of het merendeel van de leerlingen de aangebrachte begrippen 1 meer en 1 minder begrijpt.
34
2.1.2 Getalbeelden tekenen: evenveel, niet evenveel, 1 meer en 1 minder Sleep een getalbeeld uit de digitale schatkist op het digibord en laat de leerlingen hun wisbord nemen. Geef de volgende opdrachten: - Teken het getalbeeld dat evenveel is. - Teken het getalbeeld dat 1 meer is. - Teken het getalbeeld dat 1 minder is. Laat de leerlingen telkens verwoorden: - (X is (niet) evenveel als Y.) - (1 minder dan X is …) - (1 meer dan X is …)
RE
Herhaal deze werkwijze met andere getalbeelden.
U
Duid telkens een andere leerling aan die mag verwoorden. Dit houdt de leerlingen alert en betrokken. Zo ga je na in hoeverre de leerlingen de wiskundetaal onder de knie hebben bij het vergelijken.
IE
KE
2.1.3 Denken aan de getalbeelden evenveel, niet evenveel, 1 meer en 1 minder Teken een getalbeeld op het bord. Zo zien de leerlingen nog eens dat de volgorde van de stippen tijdens het tekenen moet worden gerespecteerd. Geef de opdrachten: - Denk aan het getalbeeld dat evenveel is. - Denk aan het getalbeeld dat 1 meer is. - Denk aan het getalbeeld dat 1 minder is.
D
Laat de leerlingen het getalbeeld waaraan ze denken telkens visualiseren voor hun buur.
R
Kies zelf hoe de leerlingen het denken visualiseren. Varieer in stempelen in de lucht, het juiste kaartje met het getalbeeld aanwijzen of het getalbeeld tekenen.
EM
2.2 Zelfstandige verwerking
PL
AA
Kleine afsluiter Sleep de getalbeelden 4 en 3 uit de digitale schatkist op het digibord. Doe de uitspraak ‘4 is meer dan 3’. Vraag de leerlingen om deze uitspraak op jouw teken te beoordelen door een groen potlood (de uitspraak is juist) of een rood potlood (de uitspraak is fout) in de lucht te steken. Kijk welke potloden in de lucht gaan in de klas. Bespreek daarna kort klassikaal.
EX
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
JK
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
IN
KI
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen. Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen de leerinhouden in groepen via verschillende spelvormen inoefenen. Gebruik ook de tips naast het werkboek en de informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
35
3
Lesafsluiter Toon een getalbeeld uit de bijlage Getalbeelden uit les 6. De leerlingen krijgen even de tijd om te kijken. Geef dan een opdracht. Bijvoorbeeld: - Klap evenveel keer in de handen. - Spring 1 keer minder in de lucht. - Klop 1 keer meer op de deur. -… Een leerling voert uit, de andere leerlingen controleren en corrigeren waar nodig.
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen begrippen als ‘meer’, ‘1 meer’, ‘minder, ‘1 minder’ en evenveel correct gebruiken.’ Laat de leerlingen verwoorden welke begrippen ze in deze les extra ingeoefend hebben (1 meer en 1 minder). Laat hen vertellen hoe dit ging. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
KI
JK
EX
Moedig de leerlingen aan om aandachtig naar de zeedieren of het getalbeeld voor de streep te kijken. Laat hen een afdekkaart gebruiken indien nodig. Wijs hen erop dat ze soms meerdere hokjes moeten aankruisen.
IN
Geef als tip: 1 minder = 1 weg denken 1 meer = 1 bij denken.
36
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Bij de oefeningen waar ze 1 meer of 1 minder moeten zoeken, laat je hen telkens eerst evenveel nemen. Dan stel je hen volgende vragen: - Wat moet je doen om 1 minder te hebben? (1 weg denken of 1 bedekken met je vinger.) - Wat moet je doen om 1 meer te hebben? (1 bij denken of 1 bijstempelen met je vinger.) Bij evenveel, 1 meer en 1 minder moeten de leerlingen onmiddellijk het juiste getalbeeld kunnen nemen, zonder dit nog te tellen. We verwachten hier dat de getalbeelden verworven zijn.
RE
Je kunt met een kaartspel werken. Geef de leerlingen de kaarten van 1 tot 5 (zowel harten, klaveren, schoppen als ruiten). De kaarten worden verdeeld onder twee leerlingen. Ze worden voor de leerlingen op twee stapels met het getal naar beneden gelegd. De leerlingen vergelijken steeds hun twee kaarten: evenveel, 1 minder, 1 meer, 2 minder of 2 meer?
U
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Getalbeelden tot 10: 1 - 5 bekijken.
IE D
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Aantallen tot 5 vergelijken - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 3 Aantallen tot 5 vergelijken - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
KE
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
37
38
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 9 • MEETKUNDE Herhalende patronen
25’
Lesdoelen De leerlingen ontdekken patronen in de realiteit. De leerlingen kunnen herhalende patronen met maximum drie verschillende elementen herkennen en (na)maken. De leerlingen kunnen herhalende patronen verderzetten en opvullen, waarbij in een rij twee, drie of vier verschillende vormen, kleuren of geluiden voorkomen.
RE
1 2 3
Lesmaterialen
hetzelfde
patroon
AA
Wiskundetaal in deze les herhalend patroon
R
D
IE
KE
U
- concordantie - werkboek p. 7 en/of digitaal werkboek - scheurblok - instructievideo: Herhalende patronen - Sloep p. 44 - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - geluidsfragment van een meeuw - muziekinstrumenten of materialen die geluid maken: triangel, handtrom, woodblock, lepels, regenbuis … - kralen in verschillende vormen en/of kleuren
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? Herhalende patronen kwamen in de kleuterklas reeds aan bod. Bijvoorbeeld parels rijgen volgens een afgesproken eenheid, een bepaald ritme op een trom slaan, fruit op een stokje steken volgens een patroon …
EX
Wat volgt? K1 L23 Eenheid van het patroon: herhalende patronen
JK
Voor de les
IN
KI
Voorzie voldoende muziekinstrumenten of materialen die geluid maken waar je geluiden mee kunt maken voor de instap van de les. Indien nodig leen je de muziekinstrumenten van een collega. Voorzie het geluid van een meeuw. Je kunt het geluid online vinden. Om het thema van de les nog meer tot leven te laten komen, kun je zelf een trui met patronen aantrekken.
39
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Kadetten kijken niet alleen graag naar zeedieren, maar luisteren ook graag naar geluiden als ze op zee zijn. Ze proberen die dan na te doen. Luisteren jullie even mee? Laat het geluidsfragment van een meeuw horen. De leerlingen bootsen het geluid na. Kom tot een herhaling van twee soorten geluiden en zo tot het begrip patroon.
RE
Als de leerlingen het woord patroon niet goed begrijpen, kun je dit uitleggen als iets wat voortdurend terugkomt, bijvoorbeeld de geluiden die bepaalde dieren maken hebben ook een patroon.
Kern
KE
2
U
In deze les leren de leerlingen wat een herhalend patroon is en hoe ze het kunnen herkennen, (na)maken, verderzetten en opvullen.
IE
2.1 Instructie en begeleide inoefening
AA
R
D
2.1.1 Motorische en auditieve patronen Vertel dat we nu zelf geluiden zullen maken door middel van patronen. Laat een patroon van twee opeenvolgende geluiden horen, bijvoorbeeld klap - stamp, klap - stamp … Wie doet mee? Wat komt steeds terug? Wat is steeds hetzelfde? Breid uit naar drie opeenvolgende geluiden. Laat ook eens een leerling een patroon opstarten. Varieer.
PL
Maak bij elk geluid samen met de leerlingen een passende tekening of pictogram. Zo zien en horen de leerlingen het patroon tegelijkertijd.
EM
Verdeel de klas in duo’s en deel enkele muziekinstrumenten of materialen die geluid maken uit, bijvoorbeeld twee lepels, triangel, handtrom, woodblock, regenbuis ... Geef de opdracht: één leerling verzint een patroon, de andere neemt het patroon over en doet mee. Hier kun je enkele groepen in de gang laten werken, in een ander lokaal, buiten … Dan kan de opdracht iets luider gaan zonder dat de groepen elkaar storen.
JK
EX
Ga langs bij de groepen na het geven van de opdracht. Observeer hoe de leerlingen de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en vraag naar de uitvoering van het patroon. Zo krijg je inzicht in de denkwijze van de leerlingen wanneer ze de patronen uitvoeren.
IN
KI
2.1.2 Visuele patronen Maak de overstap van patronen die we horen naar patronen die we zien. Kijk eens rond in de klas. Misschien vind je hier ook wel patronen of dingen die zich herhalen. - Je vindt patronen in de kleding van de leerlingen/leerkracht. - Misschien vind je een patroon in de ramen, in de opstelling van de banken … 2.1.3 Patronen maken met voorwerpen Neem de digitale en individuele schatkisten.
2.1.3.1 Variatie van vorm Sleep een patroon uit de digitale schatkist op het digibord: meeuw - schelp - meeuw - schelp - meeuw … Wie kan verder aanvullen? (schelp) Wie vindt het terugkerende patroon? (meeuw - schelp) Zet het gevonden patroon in een kader. Herhaal met drie andere figuren.
40
2.1.3.2 Variatie van kleur Gebruik de achterzijde van de figuren en leg een patroon met de oranje en bruine bollen. Bijvoorbeeld, oranje - oranje bruin - oranje - oranje - bruin … Wie kan verder aanvullen? (oranje) Laat het verschil met de vorige oefening verwoorden. Verander alleen de kleuren, de vorm blijft gelijk. Neem per twee een schatkist. Werk samen. De een maakt een patroon, de ander legt verder. Varieer in kleur of vorm. Wissel daarna van rol. Leerlingen die oefenen op spoor 2 kunnen zeker eens patronen zoeken van vier elementen. Leerlingen die oefenen op spoor 3 kunnen patronen zoeken waarbij twee kenmerken wijzigen, bijvoorbeeld rood vierkant, blauwe driehoek, gele cirkel …
U
RE
Kleine lesafsluiter Laat de leerlingen hun wisbord nemen en teken drie vormen op het bord. Laat de leerlingen het patroon overtekenen en verderzetten op hun wisbord. Spreek een teken af waarop ze hun wisbord in de lucht moeten steken. Ga rond, controleer en stuur bij.
KE
2.2 Zelfstandige verwerking
IE
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
R
D
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
PL
AA
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
EM
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 4 maken.
Lesafsluiter
IN
KI
3
JK
EX
Gebruik ook de tips naast het werkboek en de informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
Ga met de leerlingen in een kring zitten of staan. Duid een leerling aan die drie achtereenvolgende bewegingen verzint. Bijvoorbeeld: klappen in de handen - klappen op de dijen - op de grond stampen met linkervoet. Vraag de klasgenoten om de bewegingen te observeren. Moedig hen aan om in te vallen, als ze het patroon hebben ontdekt. Duid vervolgens een andere leerling aan die een nieuw patroon mag verzinnen. Bepaal zelf hoeveel patronen je aan bod laat komen. Wanneer de opdracht voor bepaalde leerlingen te moeilijk is, kun je de bewegingen verwoorden. Auditieve steun kan hen goed op weg helpen. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen herhalende patronen met maximum drie verschillende elementen herkennen en (na)maken.’ Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
41
KE
U
RE
Bespreek de oefeningen eerst klassikaal. Laat de leerlingen verwoorden wat ze zien (elementen van het patroon benoemen) en hoe ze het patroon zullen opvullen (inkleuren). Dan pas kunnen ze aan de slag gaan.
AA
R
D
IE
Laat leerlingen die oefenen op spoor 3 het stuk dat hetzelfde is zoeken. Nadien tekenen en kleuren ze.
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
EM
PL
Laat de leerlingen kralen rijgen: eerst met twee verschillende kralen, later met drie. Zorg steeds voor een voorbeeld. Laat de leerlingen nog een voorbeeld horen van een auditief patroon met twee geluiden, bijvoorbeeld trom - bel - trom - bel. Laat hen ook eens per twee een auditief patroon maken, bijvoorbeeld klappen in de handen - handen klappen tegen elkaar - klappen in de handen - handen klappen tegen elkaar.
JK
EX
Laat de leerlingen patronen van drie elementen nabouwen/aanvullen. Je kunt het uitdagender maken door hen een patroon van drie elementen te tonen en het dan afdekken, zodat ze uit het hoofd moeten leren om na bootsen. Wie nog meer uitdaging nodig heeft, geef je een patroon van vier elementen. Of laat de leerlingen te zelf een patroon van drie geluiden verzinnen. Ze kunnen per twee werken, waarbij de ene leerling een patroon verzint en de ander het patroon nabootst.
KI
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Herhalende patronen bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
42
1 KAAP 1 • LES 10 • BEWERKINGEN Evenveel, 1 minder, 1 meer leggen tot 5
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen op concreet niveau evenveel maken tot 5 (max. 1 verschil). De leerlingen kunnen op concreet niveau 1 meer en 1 minder leggen tot 5.
RE
Lesmaterialen
Wiskundetaal in deze les (niet) evenveel getalbeeld
KE
U
- concordantie - bijlage: Vliegen meppen - digitale schatkist - individuele schatkisten - vliegenmepper per twee leerlingen
minder (dan)
IE
meer (dan)
D
Leerlijn
AA
R
Wat ging vooraf? In de voorbije lessen getallenkennis kwamen de begrippen 1 meer, 1 minder en evenveel al aan bod. In deze les wordt beroep gedaan op deze voorkennis. Tijdens de eerste les bewerkingen leren de leerlingen effectief 1 meer en 1 minder leggen. Dit is de aanloop naar les 11 waarin gelijk maken centraal staat.
PL
Wat volgt? K1 L11 Handelend gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil
EM
Voor de les
Lamineer de bijlage Vliegen meppen voor duurzaam gebruik en verknip de kaarten.
Voorkennis activeren en lesdoel
KI
1
JK
EX
LESVERLOOP
IN
Open de digitale schatkist. Sleep 5 meeuwen naar de ene kant van het digibord en 4 krabben naar de andere kant. Zal elke meeuw een krab hebben? Wie weet nog wat we kunnen doen om dit zeker te weten? (Trek lijnen, telkens van een meeuw naar een krab.) Wat zien we? - Er zijn 5 meeuwen en 4 krabben. - Er zijn niet evenveel krabben als meeuwen. - Er zijn meer meeuwen dan krabben. - Er zijn minder krabben dan meeuwen. - Er is 1 krab minder dan er meeuwen zijn. - Er is 1 meeuw meer dan er krabben zijn. Aantallen vergelijken kunnen de leerlingen al heel goed. In deze les zorgen de leerlingen eerst dat ze evenveel hebben en leggen dan 1 meer of nemen weg tot 1 minder.
43
2
Kern
2.1 Instructie en begeleide inoefening 2.1.1 Evenveel Sleep 4 krabben uit de digitale schatkist op het digibord. Laat de leerlingen evenveel krabben uit de individuele schatkist leggen. Laat hen ook het bijhorende getalbeeld eronder leggen. Hier kun je de krabben al onmiddellijk in de vorm van het getalbeeld 4 laten leggen.
U
KE
2.1.2 1 meer Sleep 3 meeuwen op het digibord. Geef de leerlingen de opdracht om 1 meeuw meer te leggen dan ze op het digibord zien. Laat hen ook het bijhorende getalbeeld eronder leggen.
RE
Herhaal met een ander aantal en controleer of de leerlingen evenveel kunnen leggen.
Wanneer dit moeilijk gaat, kun je de tip geven om eerst evenveel te leggen en er vervolgens 1 bij te leggen. Ook hier kun je de meeuwen in de vorm van het getalbeeld 3 laten leggen.
IE
Herhaal met een ander aantal en controleer of de leerlingen 1 meer kunnen leggen.
R
D
2.1.3 1 minder Sleep 2 schelpen op het digibord. Laat de leerlingen 1 schelp minder leggen. Laat hen ook het bijhorende getalbeeld eronder leggen.
AA
Wanneer het moeilijk gaat, kun je de tip geven om er eerst evenveel te leggen en er vervolgens 1 van weg te nemen. Ook hier kun je de schelpen in de vorm van het getalbeeld 2 (streep) laten leggen.
Lesafsluiter
EM
3
PL
Herhaal met een ander aantal en controleer of de leerlingen kunnen wegnemen tot 1 minder.
EX
De leerlingen maken groepen van twee. Geef elk duo 5 kaarten met vliegen uit de bijlage Vliegen meppen en een vliegenmepper. Laat hen de getalbeelden tot 5 uit hun individuele schatkist op een stapel leggen.
IN
KI
JK
Leg de regels van het spel uit: Leerling 1 neemt het bovenste getalbeeld van de stapel en toont dit aan leerling 2. Die koppelt een opdracht aan dit getalbeeld. Bijvoorbeeld - Mep evenveel vliegen. - Mep 1 vlieg minder. - Mep 1 vlieg meer. Leerling 2 voert de opdrachten met de vliegenmepper uit. Als er onvoldoende vliegenmeppers voorhanden zijn in de klas, kunnen de leerlingen ook met hun hand meppen. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen 1 meer, 1 minder en evenveel leggen.’ Laat de leerlingen verwoorden welke begrippen ze in deze les extra ingeoefend hebben (1 meer en 1 minder). Laat hen vertellen hoe dit verliep.
44
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Maak samen nog verschillende oefeningen rond het begrip evenveel. Hier kun je de verschillende zintuigen laten werken: evenveel jetons laten leggen (visueel - motorisch), evenveel keer een geluid laten maken (auditief), evenveel keer een beweging laten uitvoeren (motorisch). Bij 1 meer en 1 minder verwoord je steeds dat je bij 1 meer eerst evenveel moet leggen en er daarna nog 1 moet bijdoen. Bij 1 minder verwoord je dat je er eerst evenveel moet leggen en daarna 1 moet wegnemen. Bij evenveel, 1 meer en minder grijp je onmiddellijk naar de getalbeelden. De leerlingen die oefenen op spoor 2 moeten onmiddellijk kunnen zien welk getalbeeld evenveel, 1 minder of 1 meer is dan de getoonde hoeveelheid.
RE
Geef aan de leerlingen voldoende uitdagende oefeningen. Introduceer oefeningen waarin de omgekeerde verwoording (inversie) al zit. Bijvoorbeeld, ik zeg een getal en dat getal is eigenlijk 1 meer of minder dan het getal dat ik heb. Schrijf het getal op.
U
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
45
46
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 11 • BEWERKINGEN Handelend gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen aantallen tot 5, met een verschil van 1, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen (type: optellen en aftrekken – vergelijking). De leerlingen kunnen de begrippen ‘gelijk maken’, ‘bijdoen’ en ‘wegnemen’ correct gebruiken en toepassen.
RE
Lesmaterialen
KE IE
meer (dan) minst
D
(niet) evenveel (als) meest
minder (dan) tellen
vergelijken wegnemen
R
Wiskundetaal in deze les aantallen bijdoen (niet) even hoog gelijk maken
U
- concordantie - instructievideo: Gelijk maken tot 5 - Sloep p. 22 - digitale schatkist - individuele schatkisten - tas met 4 duikbrillen en 4 snorkels - 10 blokken per twee leerlingen - zak met 5 appels en zak met 3 appels per vier leerlingen
AA
Leerlijn
PL
Wat ging vooraf? K1 L10 Evenveel, 1 minder, 1 meer leggen tot 5 De leerlingen kunnen al 1 meer, 1 minder en evenveel tot 5 leggen. In deze les leren ze voor het eerst handelend gelijk maken om dit in de volgende les ook in het werkboek toe te passen.
EX
Voor de les
EM
Wat volgt? K1 L12 Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil (concreet en schematisch)
JK
Voorzie alle materialen die nodig zijn voor deze les. Wat je niet voorhanden hebt, vervang je door andere materialen. Als je geen 4 duikbrillen en snorkels hebt, kun je ook aan de slag gaan met een kleiner aantal. Je kunt ook vergelijken met de kadethoedjes uit de intro of met materialen van de thematafel.
KI
Preteaching: Herhaal de getalbeelden met leerlingen die oefenen op spoor 1
IN
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Wat hebben we al veel zeedieren leren kennen via de kadetten. Laat ons eens kijken wat je nodig hebt om zeedieren onder water te spotten. Verzamel de leerlingen rond de instructietafel. Leg een tas met 4 duikbrillen en 3 snorkels in het midden van de tafel. Moedig een leerling aan om te gluren in de tas en alle voorwerpen eruit te halen. Vraag aan een andere leerling om de voorwerpen netjes op de tafel uit te stallen: eerst een rij duikbrillen, eronder een rij snorkels. Tel de voorwerpen luidop met de klasgroep. Laat een van de leerlingen aanwijzen tijdens het tellen.
47
Laat de leerlingen op basis van hun voorkennis onderzoeken of er evenveel snorkels als duikbrillen zijn. Laat hen verwoorden: - (Er zijn minder snorkels dan duikbrillen.) - (Er zijn meer duikbrillen dan snorkels.) - (Van de duikbrillen zijn er het meest.) - (Van de snorkels zijn er het minst.) Vertel aan de leerlingen dat je graag bij iedere duikbril een snorkel wil kopen. Moedig hen aan om te verwoorden hoe dit verwezenlijkt kan worden: - (Er is 1 snorkel minder dan er duikbrillen zijn. Dus kunnen we er 1 snorkel bijdoen. Dan hebben we er evenveel.) - (Er is 1 duikbril meer dan er snorkels zijn. Dus kunnen we 1 duikbril wegnemen. Dan hebben we er evenveel.)
U
Kern
KE
2
RE
Tijdens deze les maken de leerlingen aantallen tot 5 gelijk. Ze zorgen ervoor dat er evenveel zijn. Ze gaan aan de slag met heel concreet materiaal.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
D
IE
2.1.1 Gelijk maken (concreet) Van al het duiken krijg je honger. Verdeel de klasgroep in groepen van vier en overhandig aan elke groep een zak met 5 appels. Geef aan een leerling de opdracht om aan iedereen 1 appel te geven.
PL
AA
R
Hoeveel leerlingen zitten er in de groep? (4) Hoeveel appels zitten er in de zak? (5) Heeft iedereen een appel gekregen? Zijn er appels te veel of te weinig? (Te veel, er is 1 appel over. Er is 1 appel meer dan er leerlingen zijn.) Ik wil evenveel appels als er groepsleden zijn. Wat kunnen we nu doen? (We geven 1 appel terug aan de leerkracht. We nemen 1 appel weg. Dan zijn er evenveel appels als leerlingen.)
EM
Vergelijk de aantallen klassikaal. Gebruik passende wiskundetaal: - 4 is minder dan 5. - 5 is meer dan 4. - 1 minder dan 5 is 4. - 1 meer dan 4 is 5. - Als we er 1 wegnemen van 5, dan hebben we er evenveel.
JK
EX
Geef elke groep vervolgens een zak met 3 appels en herhaal dezelfde werkwijze. Laat de leerlingen bij deze oefening besluiten dat er 1 appel te weinig is en dat ze nog 1 appel moeten bijdoen om evenveel appels te hebben als er groepsleden zijn.
KI
Ga rond en vraag de leerlingen om de handelingen luidop te verwoorden. Controleer of de handelingen en de begrippen correct zijn.
IN
2.1.2 Gelijk maken (concreet en schematisch) Open de digitale schatkist en laat de leerlingen de individuele schatkist nemen. Sleep 3 krabben en ernaast 4 meeuwen op het digibord. Laat de leerlingen tellen en vergelijken. Zal elke meeuw een krab als vriend hebben? Wat kunnen we doen om dit zeker te weten? Herhaal vervolgens dat je lijnen kunt trekken, telkens van een meeuw naar een krab.
48
Laat de leerlingen verwoorden: - (Er zijn niet evenveel meeuwen als krabben.) - (Er zijn meer meeuwen dan krabben.) - (Er zijn minder krabben dan meeuwen.) - (Er is 1 meeuw meer dan er krabben zijn.) - (Er is 1 krab minder dan er meeuwen zijn.)
RE
Laat de leerlingen het aantal meeuwen en krabben vergelijken en besluit: - 3 is niet evenveel als 4. - 3 is minder dan 4. - 4 is meer dan 3. - 1 minder dan 4 is 3. - 1 meer dan 3 is 4.
U
Hang de passende getalbeelden onder de krabben en de meeuwen uit de digitale schatkist. Laat ondertussen de leerlingen op hun bank de getalbeelden 3 en 4 leggen met de jetons uit de individuele schatkisten.
KE
Verleg de focus weer naar het bord en vraag aan de leerlingen hoe het aantal meeuwen en krabben gelijk kan worden gemaakt, zodat er van elke soort evenveel zijn. Bewandel zowel de piste van bijdoen als van wegnemen: - Als we 1 krab bijdoen, dan hebben we evenveel krabben als meeuwen. - Als we 1 meeuw wegnemen, dan hebben we evenveel krabben als meeuwen.
IE
Laat de leerlingen hetzelfde doen met hun jetons.
D
Je kunt ook eerst krabben en meeuwen laten leggen en de jetons dan laten omdraaien om zo de overstap naar de getalbeelden nog duidelijker te maken.
AA
R
Herhaal met andere aantallen. Breng blitzbezoeken aan alle leerlingen. Observeer hoe de leerlingen de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en vraag hoe die de opdracht uitvoert. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
EM
PL
Laat de leerlingen per twee aan de slag gaan met de individuele schatkist. Verdeel de klas in snorkelaars en duikers en geef volgende opdracht: De snorkelaars leggen 3 krabben. De duikers leggen 4 meeuwen. Leg de aantallen, maak de groepen gelijk en bespreek. Herinner de leerlingen eraan dat ze tijdens het gesprek de passende wiskundetaal moeten gebruiken: gelijk, meer dan, minder dan, bijdoen, wegnemen, vermeerderen, verminderen …
JK
EX
Je kunt ervoor kiezen om in plaats van ‘snorkelaars’ en ‘duikers’ andere benamingen te kiezen. Kies voor benamingen die makkelijk te onthouden zijn en geen belemmering vormen voor taalzwakke leerlingen.
KI
Voorzie verlengde instructie of extra begeleiding voor de leerlingen die het moeilijk hebben. Het is eveneens mogelijk om aan de leerlingen die oefenen op spoor 3 te vragen om ondersteuning te bieden aan de andere leerlingen.
IN
2.1.3 Blokkentorens en getalbeelden Laat de leerlingen per twee werken. Deel aan elk duo 10 blokken uit. Geef aan de ene leerling de opdracht om een blokkentoren te bouwen met 3 blokken. Vraag aan de andere om hetzelfde te doen met 4 blokken. Laat bij beide blokkentorens het passende getalbeeld van 3 en 4 leggen. Moedig de leerlingen aan om de torens onderling te vergelijken en hun bevindingen te verwoorden aan de hand van de aangeleerde wiskundetaal: - (De toren van 3 blokken heeft de minste blokken.) - (De toren van 4 blokken heeft de meeste blokken.) - (De toren van 3 blokken heeft 1 blok minder.) - (De toren van 4 blokken heeft 1 blok meer.) - ...
49
Deel de leerlingen mee dat je 2 blokkentorens wilt met evenveel blokken. Vraag hen om naar oplossingen te zoeken en deze te verwoorden: - (Om er evenveel te hebben, kan ik van de toren met 4 blokken 1 blok wegnemen.) - (Om er evenveel te hebben, kan ik bij de toren met 3 blokken 1 blok bijdoen.) - (Als ik bij de toren met 4 blokken 1 blok wegneem, moet ik getalbeeld 3 leggen bij beide torens. Dan heb ik er evenveel.) - (Als ik bij de toren met 3 blokken 1 blok bijdoe, moet ik getalbeeld 4 leggen bij beide torens. Dan heb ik er evenveel.)
3
Lesafsluiter
U
RE
Speel het spel ‘2 is genoeg, 3 is te veel’. Leg het spel uit aan de klasgroep. De leerlingen staan per twee in een dubbele kring achter elkaar. Er is een tikker en een loper. De loper loopt rond de andere duo’s. Wanneer de loper moe is, gaat die voor een groepje van twee staan. De achterste leerling van dat groepje moet dan weglopen, want er mogen er maar twee staan. Om het aantal gelijk te maken aan 2, moet er dus 1 leerling weg. Bij het fluitsignaal van de leerkracht worden de rollen omgedraaid: de loper wordt tikker en de tikker wordt loper.
KE
Voorzie varianten op het spel, bijvoorbeeld ‘3 is genoeg, 4 is te veel’ of ‘4 is genoeg, 5 is te veel’
IE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen aantallen tot 5, met een verschil van 1, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen (type: optellen en aftrekken – vergelijking).’ en vraag na wat ze gemakkelijker vinden: 1 bijdoen of 1 wegnemen.
D
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
PL
AA
R
Werk stapsgewijs en zet het handelen extra in de verf. De leerlingen mogen nog paarsgewijs tellen wanneer ze de aantallen gelijk hebben gemaakt. Bied de leerlingen de mogelijkheid om, na de verlengde instructie, ondersteund te worden door leerlingen die in deze les oefenen op spoor 3. De leerlingen moeten in een oogopslag zien om welke aantallen het gaat. Door te kijken zien ze hoe ze twee aantallen gelijk kunnen maken.
EM
Deze leerlingen kunnen ingeschakeld worden om de leerlingen die oefenen op spoor 1 te ondersteunen. Door de leerinhouden uit te leggen aan een klasgenoot, verwerven de leerlingen een nog dieper inzicht. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Gelijk maken tot 5 bekijken.
EX
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
50
1 KAAP 1 • LES 12 • BEWERKINGEN Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil (concreet en schematisch)
25’
Lesdoelen 1 De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 1, gelijk maken door bij te doen of weg te
nemen (type: optellen en aftrekken – vergelijking).
2 De leerlingen kunnen de begrippen ‘gelijk maken’, ‘vermeerderen’, ‘bijdoen’, ‘verminderen’ en ‘wegnemen’ correct
RE
gebruiken en toepassen.
Lesmaterialen
KE IE D (1) meer (dan) tellen
R
gelijk maken (1) minder (dan)
vergelijken vermeerderen
verminderen (1) wegnemen
AA
Wiskundetaal in deze les aantallen (1) bijdoen getalbeeld (niet) evenveel
U
- concordantie - werkboek p. 8-9 en/of digitaal werkboek - scheurblok - animatie: Etenstijd voor de zeeleeuw en de zeehond - instructievideo: Gelijk maken tot 5 - Sloep p. 22 - digitale schatkist - individuele schatkisten - 10 blikken dozen of kegels en 2 ballen per vier leerlingen - 5 speelgoedvissen
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L11 Handelend gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil In les 11 werd handelend gelijk gemaakt met 1 verschil. De leerlingen oefenen dit verder in op concreet en schematisch niveau door bij te leggen/tekenen of weg te nemen/doorstrepen.
EX
Wat volgt? K1 L21 Handelend gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil
JK
Voor de les
KI
Beslis op voorhand waar je de afsluiter van de les laat doorgaan. Deze gaat bij voorkeur door op de speelplaats of in een grote ruimte (turnzaal, polyvalente zaal …). Houd rekening met de weersomstandigheden en de beschikbaarheid van de lokalen.
IN
Verzamel voldoende kegels (of blikken dozen) en ballen voor de afsluiter van de les. Leen eventueel het nodige materiaal bij de turnleerkracht. Zoek het verschil op tussen een zeeleeuw en een zeehond, zodat je kunt ingaan op de vragen van leerlingen. Het verschil tussen zeeleeuwen en zeehonden zit in de vorm van de oren, de kleur en vlekken van de vacht en het verschil in grootte tussen mannetjes en vrouwtjes. In de animatie Etenstijd voor de zeeleeuw en de zeehond heeft de zeeleeuw snorharen en de zeehond niet.
51
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
RE
Toon deel 1 van de animatie Etenstijd voor de zeeleeuw en de zeehond. Roep twee leerlingen vooraan en leg de 5 speelgoedvissen bij hen. Bespreek de animatie en laat hen handelen. Vraag je luidop af waarom de zeehond begint te roepen. Laat de leerlingen de reden verwoorden. Koppel hier de juiste begrippen en aantallen aan: - (De zeehond heeft minder vis dan de zeeleeuw.) - (De zeehond heeft 1 vis minder dan de zeeleeuw.) - (2 is 1 minder dan 3.)
KE
U
Laat de leerlingen een oplossing bedenken voor dit probleem, zodat de zeehond niet meer droevig is: - (Ze evenveel vissen geven.) - (1 vis wegnemen van de zeeleeuw.) - (1 vis bijgeven aan de zeehond.) Kijk samen met de leerlingen naar deel 2 van de animatie en besluit dat hun oplossing juist was.
Kern
AA
2.1 Instructie en begeleide inoefening
R
2
D
IE
Vorige les hebben de leerlingen aantallen tot 5 gelijk gemaakt. In deze les oefenen ze dat ook in door bij te tekenen of te doorstrepen.
EM
PL
2.1.1 Gelijk maken met 1 verschil met schelpen Laat de leerlingen de schelpen uit hun individuele schatkist nemen. Laat hen aan de ene kant van hun bank 4 en aan de andere kant 5 schelpen leggen. Laat de schelpen tellen en de aantallen vergelijken: - (4 is niet evenveel als 5.) - (4 is minder dan 5.) - (5 is meer dan 4.) - (1 minder dan 5 is 4.) - (1 meer dan 4 is 5.)
JK
EX
Bespreek klassikaal hoe het aantal schelpen gelijk gemaakt kan worden zodat er aan beide kanten van de bank evenveel liggen. Laat de leerlingen de mogelijkheden verwoorden: - (Ofwel kunnen we bij de 4 schelpen 1 schelp bijdoen. We kunnen het aantal schelpen vermeerderen met 1.) - (Ofwel kunnen we bij de 5 schelpen 1 schelp wegnemen. We kunnen het aantal schelpen verminderen met 1.)
IN
KI
Voer de twee mogelijkheden uit met de digitale schatkist. Laat de leerlingen eveneens handelen met de schelpen op hun bank. Herhaal met andere aantallen. Breng blitzbezoeken aan alle leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en vraag naar hun handelingsproces tijdens het gelijk maken. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
2.1.2 Gelijk maken met 1 verschil met getalbeelden Laat de leerlingen hun individuele schatkisten gebruiken. Verdeel de klasgroep in duo’s (een snorkelaar en een duiker). Geef de opdracht: De snorkelaars leggen met 3 jetons het getalbeeld 3, de duikers leggen met 2 jetons het getalbeeld 2. Maak beide aantallen gelijk. Zorg dat je er evenveel hebt. Laat de leerlingen overleggen. Laat ze een oplossing zoeken om evenveel jetons te hebben. Bespreek klassikaal: - We kunnen 3 verminderen met 1. We kunnen 1 wegnemen bij 3. Dan hebben we er evenveel. - We kunnen 2 vermeerderen met 1. We kunnen 1 bijdoen bij 2. Dan hebben we er ook evenveel.
52
Je kunt ervoor kiezen om in plaats van ‘snorkelaars’ en ‘duikers’ andere benamingen te kiezen. Kies voor benamingen die makkelijk te onthouden zijn en geen belemmering vormen voor taalzwakke leerlingen. Als (een deel van) de klasgroep daar nood aan heeft, kun je nog een aantal soortgelijke oefeningen aanbieden. Herhaal met andere getalbeelden. Breng blitzbezoeken aan alle leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en vraag waarom die leerling het gelijk maken op die manier uitvoert. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
2.2 Zelfstandige verwerking
RE
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
U
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
KE
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
D
IE
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
AA
R
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
PL
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 5 maken. Wijs er hen op dat het verschil hier meer dan 1 is.
3
Lesafsluiter
EM
Gebruik ook de tips naast het werkboek en de informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
JK
EX
Laat de leerlingen groepen van vier vormen (twee keer twee duo’s). Waak erover dat de groepen voldoende heterogeen samengesteld zijn. Overhandig aan elke groep 10 kegels of blikken dozen en 2 ballen. Vraag aan de leerlingen om met de kegels of blikken dozen 2 opstellingen van 5 te maken.
IN
KI
Leg vervolgens de opdracht uit: Leerling 1 gooit een bal naar de eerste opstelling van 5 kegels of blikken en telt hoeveel er geraakt zijn. Leerling 2 moet proberen om bij de tweede opstelling van 5 kegels of blikken er evenveel omver te werpen als leerling 1. De andere twee groepsleden vergelijken het aantal kegels of blikken dat omvergegooid is. Is dit evenveel, meer of minder? Jullie zoeken samen met de groep uit hoeveel kegels of blikken dozen er nog omvergegooid moeten worden om evenveel te hebben. Vervolgens worden de kegels of blikken dozen weer rechtgezet en is het de beurt aan het andere duo. Reken op de leerlingen die de knoopoefening gemaakt hebben om een verschil te verwoorden.
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 1, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen (type: optellen en aftrekken – vergelijking).’ Laat de leerlingen verwoorden welke handelingen in de les centraal stonden: bijdoen, bijtekenen, wegnemen, doorstrepen ...
53
Benadruk dat de leerlingen gelijk maken door te doorstrepen.
PL
Wijs de leerlingen erop dat ze kunnen kiezen hoe ze gelijk maken. Leg uit dat ze zowel mogen bijtekenen als mogen doorstrepen.
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Benadruk dat de leerlingen gelijk maken door bij te tekenen
EX
EM
Bespreek de eenvoudigste werkwijze. Moedig hen aan om vooraf na te denken over de eenvoudigste manier.
IN
KI
JK
Laat de leerlingen de verschillen aanduiden op de rechtse tekening.
54
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Laat de leerlingen werken met de jetons uit de individuele schatkist. Het kan helpen om voor iedere leerling een veld af te bakenen, bijvoorbeeld een gekleurd blad papier om de ene groep jetons op te leggen, een wit blad om de andere groep jetons op te leggen. Leerlingen die het zeer moeilijk hebben, kun je een stap terug laten zetten door de een-op-een-relatie te laten maken. Deze leerlingen kunnen sneller overstappen naar het schematische niveau. Laat het werken met jetons sneller los. Indien de getalbeelden al goed gekend zijn, kun je ook eens andere methodes geven om mee aan de slag te gaan, bijvoorbeeld speelkaarten of dobbelstenen.
RE
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Gelijk maken tot 5 bekijken.
KE
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 31 Gelijk maken tot 5, maximum 1 verschil - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
U
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
55
56
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 13 Herhaling
25’
Lesdoelen
RE
Getallenkennis 1 De leerlingen kunnen aantallen tot 5 koppelen aan het bijhorende getalbeeld. 2 De leerlingen kunnen aantallen tot 5 tellen door aan te wijzen (synchroon tellen). 3 De leerlingen kunnen vlot de getalbeelden tot 5 herkennen en benoemen.
U
Bewerkingen 4 De leerlingen kunnen evenveel, 1 meer, 1 minder leggen en verwoorden tot 5.
KE
Meetkunde 5 De leerlingen kunnen herhalende patronen met maximum drie verschillende elementen herkennen en (na)maken.
IE
Lesmaterialen
AA
PL
- Hoek 1: - kopieerblad 4: QR-code audio hoek 1 - geplastificeerde bijlage: Doelenkaart - bijlage: Memory Vissen - uitwisbare stift
R
D
- concordantie - individuele schatkisten - toeter of aandachtsbel - timer
EX
EM
- Hoek 2: - kopieerblad 5: QR-code audio hoek 2 - kopieerblad 6: Kleurplaat - geplastificeerde bijlage: Doelenkaart - uitwisbare stift - dobbelsteen en kleurpotloden
KI
JK
- Hoek 3: - kopieerblad 7: QR-code audio hoek 3 - kopieerblad 8: Oefeningen - geplastificeerde bijlage: Doelenkaart - bijlage: Spelbord klim en glij - dobbelsteen en pionnen - uitwisbare stift
IN
- Hoek 4: - animatie: Jog en zeg het getalbeeld - kopieerblad 9: QR-code audio hoek 4 - geplastificeerde bijlage: Doelenkaart - uitwisbare stift - tablet, laptop of pc - Hoek 5: - kopieerblad 10: QR-code audio hoek 5 - geplastificeerde bijlage: Doelenkaart - uitwisbare stift - parels, rijgparels, steekparels, klikblokjes of gekleurde wasknijpers
57
Wiskundetaal in deze les aantal getalbeeld evenveel
(1) meer
herhalend patroon
(1) minder
tellen
Leerlijn Deze les is een herhalingsles. De leerlingen herhalen de leerinhouden van les 3 tot en met les 12 van de Kaap.
Voor de les
RE
Leg het materiaal in elke hoek klaar. Plak op de dobbelsteen het dobbelbeeld 6 af. Voorzie voldoende lesmateriaal naargelang het aantal leerlingen in de klas.
KE
Lesdoel
IE
1
U
LESVERLOOP
Kern
AA
2
R
D
In deze les herhalen de leerlingen wat ze geleerd hebben in les 3 tot en met les 12.
PL
2.1 Instructie en begeleide inoefening
EM
2.1.1 Instructie Deze les is een herhalingsles via hoekenwerk. De leerlingen werken in duo’s. Het is de bedoeling dat ze veel oefenen. Leg kort de bedoeling van de verschillende hoeken uit. De leerlingen kunnen de uitleg per hoek ook (her)beluisteren via de kopieerbladen met de QR-codes.
EX
Hoek 1: Memory - aantallen en getalbeelden tot 5 De leerlingen koppelen de aantallen tot 5 aan een getalbeeld via het memoryspel uit de bijlage Memory vissen. Is er een match, dan mag de speler die aan de beurt was nog eens.
KI
JK
- spoor 1: Wie er nood aan heeft, kan telkens een jeton uit de individuele schatkist leggen op een vis en op een bolletje van het getalbeeld. Via de een-op-een-relatie wordt het aantal dan aan het getalbeeld gekoppeld. - spoor 2: Laat de leerlingen verwoorden wat ze omdraaien. Zo onthouden ze vaak beter wat waar ligt. - spoor 3: Laat leerlingen dadelijk zelfstandig aan het werk gaan.
IN
Hoek 2: Dobbelspel - aantallen en getalbeelden tot 5 De leerlingen gooien om de beurt met de dobbelsteen en kleuren op het kopieerblad Kleurplaat evenveel stroken op de trui als het aantal ogen dat de dobbelsteen aangeeft, bijvoorbeeld wie 3 gooit, kleurt 3 stroken op de trui van de derde kadet. Is de trui helemaal ingekleurd en gooi je weer 3 op de dobbelsteen? Stempel dan het getalbeeld in de lucht. Als alle truien ingekleurd zijn, mogen de leerlingen de tekening verder inkleuren. - spoor 1: Laat de leerlingen het aantal ogen van de dobbelsteen aanwijzend tellen. - spoor 2: Daag de leerlingen uit om het aantal op de dobbelsteen al onmiddellijk te benoemen, zonder te tellen.
58
Hoek 3: Klim en glij - evenveel, 1 meer en 1 minder Dit is een bordspel dat je speelt met de bijlage Spelbord, de dobbelsteen en het kopieerblad Oefeningen. Kom je terecht op een vak … - met een touw, klim omhoog. - met een dolfijn, glij naar beneden. - met een wuivende kadet, maak een oefening in de kolom van de wuivende kadet. - met een krachtige kadet, maak een oefening in de kolom van de krachtige kadet. - met een kadet met verrekijker, maak een oefening in de kolom van de kadet met verrekijker. - spoor 1: Wie er nood aan heeft om de oefening met materiaal te maken, mag dit doen met jetons uit de individuele schatkist. Leg op voorhand de jetons klaar. - spoor 2: Verwijs naar de getalbeelden in de klas als de leerlingen het even niet meer weten.
KE
U
RE
Hoek 4: Bewegingshoek - evenveel, 1 meer en 1 minder De leerlingen bekijken de animatie Jog en zeg het getalbeeld. Ze joggen mee en antwoorden op de gepaste momenten. - Als de kadet lacht, dan wordt er 1 koekje bijgeteld. - Als de kadet neutraal kijkt, blijft het aantal gelijk. - Als de kadet droevig kijkt, gaat er 1 koekje af. Hoek 5: Knutselhoek - herhalende patronen De leerlingen rijgen parels volgens een patroon. Dit kan ook met bijvoorbeeld rijgparels, klikblokjes, gekleurde wasknijpers, steekparels.
D
IE
- spoor 1: Houd het patroon eenvoudig. Werk met 2 verschillende kleuren. - spoor 2 en 3: Daag de leerlingen uit met een moeilijker patroon: 1 van 3 kleuren of een combinatie van vorm en kleur.
EM
PL
AA
R
2.1.2 Inoefening Verdeel de klasgroep in duo’s. Spreek een signaal af om op te ruimen. De leerlingen leggen alles netjes klaar voor de volgende groep. Laat een toeter (of aandachtsbel) horen. Dit is het signaal om de bijlage Doelenkaart in te vullen. De leerlingen noteren hun klasnummer met uitwisbare stift op de juiste plaats op de bijlage. - Een klasnummer dicht bij/op de bestemming (schatkist): ‘Ik kan deze oefeningen vlot!’ - Een klasnummer halverwege de weg naar de bestemming: ‘Ik heb nog wat moeite.’ - Een klasnummer op het begin van de weg naar de bestemming, dicht bij/op het schip: ‘Ik heb nog moeite met dit domein en oefen nog verder in.’ Begeleid dit goed. Daarna schuiven de leerlingen door naar de volgende hoek.
JK
Lesafsluiter
IN
KI
3
EX
De leerlingen oefenen vijf minuten in elke hoek. Visualiseer dit met de timer.
Sluit de les af door terug te blikken op het hoekenwerk: - Hoe verliep het hoekenwerk? - Kon je goed samenwerken? - Wat vond je het leukst? - Waren er oefeningen die moeilijker waren? - Kon je goed inschatten waar je het kruisje op de kaart moest zetten? -…
59
60
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 39 • MEETKUNDE Plaatsbepaling: beweging volgens aanwijzingen
25’
Lesdoelen De leerlingen kunnen pictogrammen die een richting aanduiden, lezen en gebruiken. De leerlingen kunnen pijlen als symbool voor richting hanteren. De leerlingen kunnen bij positiebepaling gebruik maken van de begrippen ‘boven’, ‘onder’, ‘naast’, ‘voor’, ‘achter’, ‘tussen’, ‘in het midden van’, ‘tegenover’, ‘in’, ‘op’, ‘ver weg’, ‘dichtbij’, ‘rechts’ en ‘links’.
RE
1 2 3
Lesmaterialen
KE IE D
R
(naar) onder op opzij
(naar) rechts tegenover tussen
ver weg (naar) voor vooruit
PL
Leerlijn
(naar) links (in het) midden (van) naast
AA
Wiskundetaal in deze les (naar) achter dichtbij achteruit getal (naar) beneden hoeveel (naar) boven in
U
- concordantie - werkboek p. 31 en/of digitaal werkboek - scheurblok - kopieerblad 25: Pijlen - bijlage: Pictogrammen met pijlen - poster: Plaatsbepaling - Sloep p. 45 - individuele schatkisten - 1 blinddoek per duo
EX
EM
Wat ging vooraf? K1 L16 Plaatsbepaling: richting van beweging De leerlingen hebben in les 16 de richting van beweging al handelend uitgevoerd alsook de begrippen toegepast. In deze les wordt de richting van bewegingen uitgebreid met behulp van pijlen. De leerlingen starten met bewegen in de ruimte. Deze les is een herhaling van de kleuterdoelen, maar combineert die met het gebruik van de getallen van 0 tot en met 5.
JK
Wat volgt? K1 L40 Plaatsbepaling: beweging van een voorwerp
KI
Voor de les
IN
Lamineer de bijlage Pictogrammen met pijlen en het kopieerblad Pijlen en verknip de kaarten voor duurzaam gebruik. Voor leerlingen die moeite hebben met links en rechts kun je op het bord rechts een rode bol (rode bol - rechts) tekenen of hangen.
171
LESVERLOOP 1
Probleemstelling en lesdoel Start de les met de volgende probleemstelling: Op het schip van kadet Pepijn hangen hier en daar borden met pijlen. Hij begrijpt niet goed waarom. Ik heb gezien dat in ons schoolgebouw net dezelfde pijlen hangen. Zullen we eens een kijkje nemen en de kadet helpen? Wandel rond in het schoolgebouw. Wijs op de pictogrammen die een richting aanduiden. Bespreek de betekenis van die pictogrammen. In welke richting wijzen ze? Waarom zouden die pijlen op het schip van de kadet hangen?
Kern
KE
2
U
RE
In deze les maken de leerlingen kennis met pictogrammen. Ze onderzoeken pijlen die een richting van beweging aanduiden. Op het het einde van deze les kunnen ze deze pijlen lezen en gebruiken.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
AA
R
D
IE
2.1.1 Samen pictogrammen met pijlen begrijpen Hang de vier pictogrammen van de bijlage Pictogrammen met pijlen aan het bord:
PL
Laat de leerlingen vertellen. Wellicht zijn dit de borden die je hebt gezien op school. Herhaal waarom die borden er hangen. Laat de leerlingen de betekenis verwoorden. Waar zie je dit nog? (In supermarkten, concertzalen …)
EM
Oefen hier zeker nog eens goed de begrippen (naar) links en (naar) rechts in. Verwijs naar de gemaakte afspraken/tekens in de klas rond links en rechts.
KI
JK
EX
2.1.2 Opdracht met pictogrammen Laat de leerlingen rechtstaan. Geef hen enkele opdrachten. Hang meermaals een pijl van het kopieerblad Pijlen aan het bord en noteer een getal erbij. Vraag telkens: Wat moeten we hier doen? Bijvoorbeeld: - getal 2 en daarnaast een pijl naar boven: 2 stappen naar voor zetten. - getal 1 met een pijl naar links: 1 stap naar links zetten. - getal 1 met een pijl naar links en getal 3 met een pijl naar beneden: 1 stap naar links zetten en 3 stappen achteruit. Laat de leerlingen verwoorden en uitvoeren.
IN
Deel een pijl van het kopieerblad uit aan elk duo en laat hen de getalkaarten van 0 tot en met 5 erbij nemen uit hun individuele schatkist. Laat hen oefenen: de ene leerling geeft de opdracht, de andere voert uit. Daarna wisselen ze. Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer leerlingen die nog worstelen met de opdrachten. Breng voor jezelf in kaart wat de oorzaak is: de richting van de pijl onvoldoende begrijpen, nog moeite hebben met de getallen, de opdracht wel begrijpen maar niet kunnen verwoorden ...
Kleine lesafsluiter Laat de leerlingen allemaal achteraan in de klas plaatsnemen. Schrijf een getal van 0 tot en met 5 op en toon een pijl in een bepaalde richting. Laat de leerlingen op je teken de beweging uitvoeren. Herneem met een tweede oefening waarbij twee opdrachten na elkaar uitgevoerd moeten worden.
172
2.2 Zelfstandige verwerking
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie. Oefening 1 - mondelinge opdracht: Kleur de weg die de jongen volgt naar zijn huis. Ga 2 stappen naar rechts, dan 3 stappen naar boven, dan terug 2 stappen naar rechts, daarna ga je 4 stappen naar beneden en als laatste ga je nog 1 stap naar links. Teken daar het huis van de jongen. De opdracht is verwoord vanuit het standpunt van de leerlingen. Benadruk dat ze het hokje waarin ze staan niet mogen meetellen. Ze beginnen pas te tellen wanneer ze hun vinger verplaatsen.
U
RE
Laat de leerlingen die nog moeite hebben met links en rechts kijken naar het bord. Daar zien ze rechts de rode bol en weten ze bijgevolg wat rechts is (rode bol - rechts). Wanneer je hen in een andere positie laat staan, brengt dit verwarring met zich mee. Je kunt ook een rode bol op hun rechterhand tekenen. Dan kunnen ze wel de oefeningen uitvoeren vanuit een andere positie dan frontaal.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
KE
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
D
IE
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
AA
R
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
PL
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 3 maken.
3
Lesafsluiter
EM
Gebruik ook de tips naast het werkboek en de informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
EX
In deze les hebben we geleerd hoe we een af te leggen weg kunnen aflezen door middel van pijlen. We hebben ook geleerd om nauwkeurig te vertellen waar iets of iemand zich bevindt ten opzichte van onszelf. Daar gaan we nu verder op oefenen.
IN
KI
JK
De leerlingen werken in duo’s. Er is 1 blinddoek per duo. De ene leerling geeft de opdrachten, de andere leerling die geblinddoekt is, voert de opdrachten uit. Bijvoorbeeld: - (Ga 2 stappen vooruit.) - (Ga nu naar rechts.) - (Zet een stap opzij.) - (…) Benadruk dat ze de juiste begrippen gebruiken: rechts, links, naar achter/achteruit, naar voor/vooruit, opzij … De leerlingen die geblinddoekt zijn, verwoorden op het eindpunt waar zij vermoeden dat ze zijn. Ook dan gebruiken ze de juiste begrippen. Variant: je kunt ook een spel spelen met getallen en pijlen. De ene leerling moet een doel bereiken, de andere leerling praat niet, maar toont enkel met getalkaarten en pijlen wat leerling 1 moet doen. Gebruik hiervoor het kopieerblad Pijlen en de individuele schatkist. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen pijlen die een richting aanduiden, lezen en gebruiken.’ Laat de leerlingen verwoorden hoe vlot ze de opdrachten met pijlen konden uitvoeren.
173
Wanneer leerlingen links en rechts verwarren, kun je hier verwijzen naar de rode bol (rechts) aan het bord.
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Het kan nodig zijn dat je leerlingen die oefenen op spoor 1 moet begeleiden. Doe dit stap voor stap. Laat hen eventueel eerst stippen plaatsen in de hokjes alvorens ze de volledig weg tekenen.
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 84 Richting van beweging - Kaap 8: MK4 Plaatsbepaling: richting van beweging - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
174
1 KAAP 1 • LES 40 • MEETKUNDE Plaatsbepaling: beweging van een voorwerp
25’
Lesdoelen De leerlingen kunnen objecten situeren in een ruimte op basis van richting ten opzichte van andere objecten. De leerlingen kunnen de zin van beweging verwoorden door gebruik te maken van de begrippen ‘vooruit’, ‘achteruit’, ‘omlaag’, ‘omhoog’, ‘door’, ‘verder af’, ‘schuin naar’, ‘recht naar’, ‘van mij weg’, ‘naar mij toe’, ‘in de richting van’, ‘dichtbij’, ‘naar boven’, ‘naar beneden’ ...
RE
1 2
Lesmaterialen
KE IE D
opzij recht naar recht tegenover (naar) rechts
R
(naar) links naar mij toe omhoog omlaag
schuin naar van mij weg ver van
verder af voor vooruit
AA
Wiskundetaal in deze les achter dichtbij achteruit door (naar) beneden in de richting van (naar) boven langs
U
- concordantie - poster: Plaatsbepaling - instructievideo: Richting en beweging van voorwerpen - Sloep p. 45 - boot en speelgoedfiguren (thema zee) - 1 (telegeleide) speelgoedauto per duo - Bee-Bots of app met de Bee-Bot - speelgoedmannetje
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L39 Plaatsbepaling: beweging volgens aanwijzingen In deze les laten de leerlingen voorwerpen bewegen ten opzichte van andere voorwerpen door gebruik te maken van verschillende begrippen die beweging aanduiden. De leerinhouden zijn een herhaling van Kaap 1 les 16.
EX
Wat volgt? K2 L32 Plaatsbepaling: verschillende gezichtspunten (plaats innemen)
JK
Voor de les
IN
KI
Laat de leerlingen (telegeleide) speelgoedauto’s meebrengen alsook speelgoedfiguren die te maken hebben met het thema ‘zee’. Zet er een tafereel mee op of laat de leerlingen dit doen op een vrij moment.
175
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
RE
Activeer de voorkennis van de leerlingen. Herhaal samen de begrippen van plaatsbepaling aan de hand van enkele opdrachten: - Plaats de stoel rechts van jullie. - Plaats jullie pennenzak voor jullie. - Plaats de pennenzak nu achter jullie. -… Pas de opdrachten aan afhankelijk van jouw klasinrichting, klassituatie …
KE
U
In deze les oefenen de leerlingen de begrippen vooruit, achteruit, naar links, naar rechts, door, langs, opzij, schuin naar, recht tegenover ... verder in. Ze oefenen die in door voorwerpen ten opzichte van elkaar te laten bewegen. Op het einde van de les kunnen de leerlingen voorwerpen in de ruimte situeren door te zeggen waar ze zich bevinden ten opzichte van andere voorwerpen.
IE
Kern
D
2
2.1 Instructie en begeleide inoefening
AA
R
2.1.1 Positiebepaling van voorwerpen Bouw een omgeving voor de boot van de kadet met de speelgoedfiguren. Zet de kadet op de boot en vertel dat hij wil genieten van alles rondom zich. Geef de boot een plaats op het water.
PL
Met krijt kun je zand blauw kleuren.
Je kunt ook - in samenspraak met je collega’s van de kleuterschool - een zandtafel uit de kleuterklas gebruiken.
EM
Laat de leerlingen de positie van voorwerpen ten opzichte van de boot van de kadet beschrijven. Let op de juiste begrippen: ver van, dichtbij, rechts, links, voor, achter … Corrigeer waar nodig.
EX
Speel een ‘waar of niet waar’-spel. Omschrijf zelf waar iets staat. De leerlingen moeten kijken of het waar of niet waar is wat je zegt.
KI
JK
Hier is het belangrijk dat de leerlingen het zeetafereel vanuit dezelfde positie zien, zeker de leerlingen die oefenen op spoor 1 en spoor 2. Je kunt wel al eens aangeven aan de leerlingen die oefenen op spoor 3 dat de manier waarop ze dingen zien, verandert naargelang hun positie.
IN
2.1.2 Richting van beweging Geef opdrachten waarbij de leerlingen de voorwerpen van het zeetafereel moeten bewegen. Bijvoorbeeld: - Beweeg de boot van de kadet vooruit. - Beweeg de dolfijn achteruit tot aan de boot van de kadet. Geef de leerlingen die oefenen op spoor 3 combinatieoefeningen zoals: Beweeg de boot vooruit tot aan de dolfijn en sla dan rechtsaf tot aan de boei.
176
Verdeel de klasgroep vervolgens in duo’s. De leerlingen werken in duo’s. Geef 1 (telegeleide) speelgoedauto aan elk duo. De leerlingen geven opdrachten aan elkaar: - (Rijd jouw auto naar de rechterkant van jouw bank.) - (Parkeer jouw auto recht tegenover de lage kast.) - (Laat jouw auto achteruit rijden.) - (Parkeer jouw auto zo dat je links van jouw auto de bank van X hebt.) - (…) Begeleid de groepen die het moeilijker hebben om opdrachten te verzinnen. Geef hen een aanzet, enkele tips of de Sloep als hulpmiddel.
Lesafsluiter
KE
3
U
RE
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe de leerlingen de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en bevraag waarom die de opdrachten zo uitvoert. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
Sluit de les af door de leerlingen vrij te laten experimenteren met een Bee-Bot. Als je niet genoeg Bee-Bots hebt, kun je ook de app gebruiken of leerlingen zelf Bee-Bot laten spelen.
D
IE
Licht het principe van een Bee-Bot kort toe: Op de rug van een Bee-bot staan knoppen met pijlen (vooruit - achteruit - naar links en naar rechts). Door op de pijlen te duwen kan je een route bedenken, bijvoorbeeld vooruit - vooruit - rechts. De Bee-bot onthoudt de stappen en rijdt ze één voor één.
PL
AA
R
Let op: De app werkt anders dan de gewone Bee-Bot. De app werkt met een kwartdraai naar links en een kwartdraai naar rechts. Als je naar links of naar rechts wilt gaan, dan moet je dus na het draaien nog eens ‘vooruit’ gaan. Gebruik daarom de app enkel voor leerlingen die oefenen op spoor 3. Laat de leerlingen vrij experimenteren. In verdere lessen komen er concrete opdrachten. In deze fase laten we trial-and-error toe.
IN
KI
JK
EX
EM
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de zin van beweging verwoorden door gebruik te maken van de begrippen ‘vooruit’, ‘achteruit’, ‘omlaag’, ‘omhoog’, ‘door’, ‘verder af’, ‘schuin naar’, ‘recht naar’, ‘van mij weg’, ‘naar mij toe’, ‘in de richting van’, ‘dichtbij’, ‘naar boven’, ‘naar beneden’ ...’. Laat elk kind een begrip uit de les opsommen en de beweging uitvoeren aan de hand van een speelgoedauto.
177
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Om verwarring te voorkomen is het heel belangrijk dat je de richtingen consequent houdt. Laat deze leerlingen steeds dezelfde uitgangspositie innemen. Wanneer bijvoorbeeld een opdracht met een (telegeleide) auto uitgevoerd wordt, nemen alle leerlingen de positie van de bestuurder in. Bij leerlingen die twijfelen aan de begrippen, kun je bij de inoefenfase meelopen en telkens goed verwoorden in welke richting jullie bewegen. Leer hen ook de begrippen raadplegen in de Sloep.
RE
Laat de leerlingen een langer parcours afleggen. Je geeft beter nog geen opdrachten waarbij van positie gewisseld wordt, dat kan voor verwarring zorgen. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Richting en beweging van voorwerpen bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
178
1 KAAP 1 • LES 41 • GETALLENKENNIS Aantallen, getalbeelden en getallen tot 5 (automatisatie)
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen de getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen en getalbeelden. De leerlingen kunnen getalbeelden tot 5 leggen, tekenen en stempelen.
getalbeeld
U KE IE D
(1 of 2) meer
(1 of 2) minder
tellen
AA
Wiskundetaal in deze les aantal getal
R
- concordantie - werkboek p. 32 en/of digitaal werkboek - scheurblok - bijlage: Memory getalbeelden - bijlage: Memory met getallen - bijlage: Vissen - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - instructievideo: Getalbeelden tot 10: 1 - 5 - Sloep p. 5 - individuele schatkisten - per leerling 1 post-it met een getal, een getalbeeld of een aantal tot 5 - zak of emmer - wisbord, stift en uitwisser per leerling
RE
Lesmaterialen
PL
Leerlijn
EM
Wat ging vooraf? K1 L33 5 en 0 schrijven Deze les staat in het teken van automatiseren. De leerlingen oefenen de koppeling tussen aantallen, getalbeelden en getallen verder in.
EX
Wat volgt? K2 L30 Aantallen, getalbeelden en getallen tot 10
JK
Voor de les
IN
KI
Voorzie voor elke leerling een post-it waarop een getal, een getalbeeld of een aantal tot 5 staat (bijvoorbeeld hartjes, rechthoeken …). Hang die voor de aanvang van de les aan de onderkant van de stoelen. Lamineer de bijlage Memory met getallen en de bijlage Vissen en verknip de kaarten voor duurzaam gebruik.
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Start de les met een opdracht waarbij de leerlingen op basis van hun voorkennis post-its met getallen, getalbeelden en aantallen tot 5 moeten groeperen. De leerlingen vinden de te groeperen post-its onder hun stoel. Duid een leerling aan die als eerste de post-it op het bord mag komen hangen. Laat de anderen volgen. Zorg voor een duidelijk overzicht op het bord. Hang de groep van 0 uiterst links en de groep van 5 uiterst rechts. Bespreek de gevormde groepen klassikaal na.
179
Observeer de leerlingen terwijl ze hun post-it op het bord komen hangen. De vlotheid waarmee dit gebeurt, geeft je informatie over het al dan niet voldoende beheersen van de koppeling aantal getalbeeld - getal tot 5. In deze les worden de aantallen, getalbeelden en getallen tot 5 herhaald zodat de leerlingen dit heel goed onder de knie hebben.
2
Kern
U
KE
2.1.1 Van aantal naar getalbeeld en getal Laat de leerlingen hun individuele schatkist nemen. Toon een aantal of maak een aantal keer een bepaald geluid. Geef de leerlingen de opdracht om het bijhorende getalbeeld én getal op hun bank te leggen. Herhaal dit meermaals.
RE
2.1 Instructie en begeleide inoefening
Wandel door de klas. Observeer of het merendeel van de leerlingen het aantal correct kan koppelen aan het bijhorende getalbeeld én getal.
R
D
IE
2.1.2 Van getalbeeld naar getal Stop de kaarten met vissen uit de bijlage Vissen in een zak of emmer. Wandel ermee door de klas. Laat een leerling een vis nemen en de achterkant van de vis tonen aan de klasgenoten. De klasgenoten schrijven het bijhorende getal op een wisbord dat ze op jouw teken in de lucht steken. Herhaal dit meermaals.
AA
Overschouw de getallen op de wisborden. Detecteer leerlingen die meer dan één keer een fout getal noteren.
PL
Verdeel de leerlingen vervolgens in duo’s. Geef ze een wisbord. De ene leerling stempelt een getalbeeld in de lucht, de andere schrijft het passende getal op het wisbord. Laat ze samen controleren. Herhaal drie keer en wissel om.
EM
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Ga enerzijds na of de leerlingen de koppeling getalbeeld - getal voldoende beheersen. Besteed anderzijds ook aandacht aan de wijze waarop de leerlingen de cijfers vormen. Ondersteun en stuur bij waar nodig.
2.2 Zelfstandige verwerking
EX
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
JK
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
KI
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
IN
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen. Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen knoopoefening 3 maken. Ondersteun waar nodig bij het lezen van de begrippen.
180
Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
3
Lesafsluiter Speel memory. Laat de leerlingen per twee hun individuele schatkist nemen. Voor de memory hebben ze de getalbeelden (bijlage Memory getalbeelden) en de getalkaarten van 0 tot 5 (bijlage Memory met getallen) nodig.
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen en getalbeelden.’ Herhaal de begrippen kort aan de hand van paren die leerlingen vonden tijdens het spelen van het memoryspel. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
IN
KI
JK
EX
Herhaal hoe een getalbeeld ingekleurd moet worden. Herinner de leerlingen eraan dat ze de volgorde van de stippen dienen te respecteren.
Leg de nadruk op de correcte vorm en de netheid van de getalbeelden. Er moet een duidelijke structuur te zien zijn. Help de leerlingen die fijnmotorisch minder sterk zijn.
181
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Laat de leerlingen hun getalbeeldenkaart met de getallen eronder op hun bank leggen. Op dit punt moeten de leerlingen de koppeling aantal - getalbeeld - getal al vlot kunnen maken. Oefen het daarom veelvuldig in. Dit is een ‘must’ om verder te kunnen gaan. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Getalbeelden tot 10: 1 - 5 bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 4 Getalbeelden tot 5 - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
182
1 KAAP 1 • LES 42 • GETALLENKENNIS Getallenas tot 5
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen de getallen 0 tot 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen. De leerlingen kunnen de positie van een getal beschrijven met de begrippen ‘voor’, ‘na’, ‘tussen’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘net voor’ en ‘net na’.
RE
Lesmaterialen
getallenreeks meer
minder (net/juist) na
AA
Wiskundetaal in deze les doortellen getalbeeld getal getallenas
R
D
IE
KE
U
- concordantie - werkboek p. 33-34 en/of digitaal werkboek - scheurblok - bijlage: Zeepaardjes - bijlage: Getalkaarten 0 tot 5 - Sloep p. 6 - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - post-its of zelfklevende etiketten in verschillende kleuren met de getallen 0 tot 5 op Voorzie evenveel kleuren als er veelvouden van 6 leerlingen zijn (bijvoorbeeld 3 kleuren in een klas van 18, 4 in een klas van 24). - petten met velcro: 1 per groep van 4 leerlingen - zelfklevende velcro
ordenen terugellen
tussen (net/juist) voor
PL
Leerlingen uit KathOndVla hoeven het begrip getallenas enkel passief te kennen in het eerste leerjaar. Het begrip wordt pas vanaf het tweede leerjaar actief gebruikt.
EM
Leerlijn
EX
Wat ging vooraf? In deze les maken de leerlingen kennis met een getallenas tot 5.
JK
Wat volgt? K2 L3 Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en < en getallenas tot 5
KI
Voor de les
IN
Lamineer de bijlage Zeepaardjes en de bijlage Getalkaarten en verknip de kaarten voor duurzaam gebruik. Bevestig een stukje velcro op de getalkaarten. Dit is nodig om ze te kunnen bevestigen aan de petten met velcro (zie afsluiter).
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Na een zware dag werken aan boord neemt de kadet een duik in zee om vissen te bewonderen. Hij zag enkele zeepaardjes. Ze hadden vreemd genoeg allemaal een getal aan hun gekrulde staart. Hang de kaarten met zeepaardjes (bijlage Zeepaardjes) door elkaar aan het bord. De leerlingen hangen de zeepaardjes op basis van hun voorkennis in de juiste volgorde (van 0 tot 5).
183
Stel vragen. Maak gebruik van de begrippen die in les 17 van deze Kaap aan bod kwamen (net voor, net na ...) en van de begrippen die de leerlingen reeds uit de kleuterklas kennen: - Welk zeepaardje zwemt net voor zeepaardje 3? (2) - Welk zeepaardje zwemt net na zeepaardje 1? (2) - Welk zeepaardje zwemt tussen zeepaardje 2 en zeepaardje 4? (3) -… De leerlingen kunnen getallen tot 5 ordenen. In deze les gaan ze dit verder inoefenen. Ze maken kennis met een getallenas.
Kern
RE
2
U
2.1 Instructie en begeleide inoefening
IE
KE
2.1.1 Opbouw van de getallenas Deel kaarten met getallen van 0 tot 5 uit aan de leerlingen (bijlage Getalkaarten). Teken een krijtstreep op de grond of op het bord en bouw een getallenas op. Zorg dat de leerlingen duidelijk zien dat je de afstand tussen twee opeenvolgende strepen correct afmeet. Teken de pijl op het einde van de rechte. Vertel dat de pijl er moet staan omdat de getallenas altijd maar doorloopt. Er zijn altijd meer getallen die volgen. Hang samen met de leerlingen de getallen op de getallenas.
AA
R
D
Stel ook hier vragen: - Welk getal komt net na 4? (5) - Welk getal staat tussen 0 en 2? (1) - Welk getal komt juist voor 3? (2) -…
PL
Om de volledige klasgroep te activeren kun je de leerlingen laten antwoorden door de getalkaarten uit de individuele schatkist te tonen. Stel nu nog geen vragen met omgekeerde verwoordingen, zoals ‘3 komt net na …’ Dit maakt het op dit punt in het eerste leerjaar nog te ingewikkeld. Later op het jaar kan dit zeker wel voor leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3.
EX
EM
Kleine lesafsluiter Laat de leerlingen hun ogen sluiten. Haal een getal weg van de getallenas. Vraag de leerlingen om de ogen weer te openen en het verdwenen getal te noteren op hun wisbord. Laat hen de wisborden op jouw teken in de lucht steken. Overschouw de antwoorden. Bepaal zelf hoeveel oefenrondes je inlast.
JK
2.2 Zelfstandige verwerking
KI
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie. Bespreek eerst samen het lichtblauwe kader.
IN
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten. Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
184
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen knoopoefening 4 maken. Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
3
Lesafsluiter
RE
Plaats de leerlingen in groepen van vier. Geef in elke groep één leerling een pet met een getalkaart op van 0 tot 5 (bijlage Getalkaarten), zonder dat de leerling die zelf ziet. Laat de drie andere leerlingen elk een tip over het getal geven: bijvoorbeeld: - (Jouw getal ligt tussen ... en ...) - (Jouw getal komt na ...)
KE
Om de leerlingenactiviteit te verhogen kan dit ook in partnerwerk gebeuren.
U
Daarna moet de leerling het juiste antwoord geven. Meestal zal die het antwoord al weten na de eerste tip, maar de leerling moet het antwoord controleren ten opzichte van alle tips. Speel eventueel één keer klassikaal.
EX
EM
Laat de leerlingen vertellen wat ze zien.
PL
AA
R
D
IE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de getallen 0 tot 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen.’ Laat de leerlingen verwoorden hoe ze de eerste keer oefenen met een getallenas ervaren hebben. Breng het belang van de pijl op de getallenas nog eens onder de aandacht. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
KI
JK
Let erop dat de getalbeelden verzorgd en correct gestructureerd getekend worden.
IN
Laat de getallen invullen en daarna ter controle nalezen.
185
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Vertel de leerlingen dat ze goed naar de richting van de pijl moeten kijken.
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
PL
Leerlingen die het aanvullen van een getallenas nog moeilijk vinden, kun je helpen met een kaart waarop zowel een van links naar rechts georiënteerde getallenas als de getalbeelden en getallen van 0 tot 5 staan.
EM
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Getallenas tot 5 - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 6 Getallenas en rangorde tot 5 - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
186
1 KAAP 1 • LES 43 • GETALLENKENNIS Vergelijken tot 5 met > en <
25’
Lesdoelen
3
De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken. De leerlingen kunnen begrippen als ‘gelijk’, ‘niet gelijk’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ correct gebruiken. De leerlingen kunnen de symbolen > en < correct gebruiken.
RE
1 2
Lesmaterialen
KE IE R
D >
minste symbool
vergelijken
<
EM
Leerlijn
meeste minder dan
AA
Wiskundige notaties in deze les = ≠
getalbeeld meer dan
PL
Wiskundetaal in deze les aantal (niet) gelijk (niet) evenveel getal
U
- concordantie - werkboek p. 35 en/of digitaal werkboek - scheurblok - animatie: Henk de haai hapt naar het meeste - bijlage (uit les 40): Vissen - presentatie: Vergelijken tot 5 met > en < - instructievideo: De symbolen =, ≠, > en < tot 5 - Sloep p. 7 - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - zelfgemaakte handpop Henk de haai
EX
Wat ging vooraf? K1 L36 Vergelijken en ordenen tot 5 De leerlingen kunnen reeds getallen tot 5 vergelijken met de symbolen = en ≠. In deze les maken ze kennis met de symbolen > en <.
KI
JK
Wat volgt? K1 L47 Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en <
Voor de les
IN
Maak met een grijze sok de handpop Henk de haai. Versier om die aantrekkelijk te maken.
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Activeer de voorkennis omtrent = en ≠. Open de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Laat de leerlingen steeds de twee gegeven getallen vergelijken. Geef hen de opdracht om het passende symbool (= of ≠) op hun wisbord te noteren. Vraag om het wisbord op jouw teken in de lucht te steken. Bespreek klassikaal na. Gebruik hierbij de begrippen evenveel, niet evenveel, gelijk en niet gelijk.
187
RE
2
KE
U
De leerlingen kennen de symbolen voor evenveel/gelijk en niet evenveel/niet gelijk. In deze les leren ze twee nieuwe symbolen: de symbolen voor meer dan en minder dan.
Kern
IE
2.1 Instructie en begeleide inoefening
PL
AA
R
D
2.1.1 > en < (met aantallen) Toon de animatie Henk de haai hapt naar het meeste. Laat de leerlingen vrij vertellen wat ze gezien hebben. Stel gerichte vragen: - Hoeveel vissen zag je links van Henk? (2) - Hoeveel vissen zag je rechts van Henk? (4) - Welke kant koos hij? Waarom denk je? (De rechterkant, omdat daar de meeste vissen zijn.) Leg het accent op de aantallen. Verwoord: - 2 is minder dan 4. - 4 is meer dan 2.
EM
Introduceer de steunzin: Henk de haai hapt naar het meeste.
EX
Neem de handpop van Henk de haai erbij. Speel de animatie na. Hang aan het bord de kaarten met vissen (bijlage Vissen uit les 40). Aan de linkerkant hang je er 3, aan de rechterkant 5. Stel Henk voor. Vertel dat Henk een gulzige haai is. Hij verkiest steeds de kant waar de meeste vissen zijn.
KI
JK
Stel gericht vragen: - Hoeveel vissen zie je aan de ene kant (de linkerkant) van het bord? (3) - Hoeveel vissen zie je aan de andere kant (de rechterkant) van het bord? (5) - Waar zijn er het meest/minst? - Naar welk aantal vissen hapt Henk het liefst, denk je? (5)
IN
Laat de leerlingen rechtstaan achter hun bank en met gestrekte armen happen naar de kant waar er het meest zijn. Begeleid door met de handpop ook te happen naar het meeste. Schrijf de getallen onder de vissen en bespreek: - 3 is niet evenveel als 5. - 3 is minder dan 5. Vraag een leerling om Henk tussen de vissen vast te houden en om zijn bek wijd open te houden. Teken heel duidelijk < in het rood tussen 3 en 5. Terwijl je het symbool tekent, zeg je: 3 is minder dan 5.
188
3
<
5
>
1
KE
4
U
RE
Hang vervolgens 4 vissen en 1 vis op. Ga op dezelfde manier te werk. Laat terug een leerling de bek van Henk openhouden tussen de getallen. Teken met rood > tussen 4 en 1. Verwoord: 4 is meer dan 1.
Geef nog enkele soortgelijke oefeningen.
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
2.1.2 > en < (met getalbeelden) Projecteer de volgende dia van de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Laat de leerlingen de juiste getallen koppelen aan de getalbeelden (2 en 4). Vergelijk samen: - 2 is niet evenveel als 4. - 2 is minder dan 4.
KI
Ga op dezelfde manier te werk met de getalbeelden 3 en 1. Laat de leerlingen de oefening eerst per twee uitwerken op hun wisbord.
IN
Laat de leerlingen steeds denken aan Henk de haai. Vraag welke kant met vissen hij zou verkiezen. Laat hen de bek van Henk de haai naspelen (met duim en wijsvinger). Laat de leerlingen veelvuldig verwoorden bij de symbolen: is (niet) gelijk aan, is meer/minder dan.
Laat de leerlingen de leerinhoud inoefenen met een partner. Vraag om de individuele schatkist erbij te nemen. Laat hen twee getalbeelden leggen en vergelijken (bijvoorbeeld getalbeeld 5 en getalbeeld 3). Moedig hen aan om de juiste verwoordingen gebruiken. - 5 is niet evenveel als 3. - 5 is meer dan 3. Laat hen nadien het passende symbool tussen de getalbeelden leggen. Bespreek klassikaal.
189
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer hoe het vergelijken met > en < verloopt. Luister of de leerlingen de symbolen correct kunnen gebruiken en verwoorden. Ga na of het merendeel van de klasgroep klaar is om de symbolen op abstract niveau (met getallen) toe te passen. 2.1.3 > en < (met getallen) Laat de leerlingen 0 en 2 noteren op hun wisbord. Geef hen de opdracht om deze twee getallen te vergelijken met hun partner. Vraag om het juiste symbool (> of <) op het wisbord te noteren. Geef het signaal om de wisborden in de lucht te steken. Bespreek klassikaal na. Herhaal dergelijke oefeningen een aantal keer. Laat de leerlingen veelvuldig de symbolen verwoorden.
U KE
EM
PL
AA
R
D
IE
Kleine lesafsluiter Ga naar de volgende dia op de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Lees samen met de leerlingen: 2 < 5. Laat de leerlingen hun duim in de lucht steken als ze het hiermee eens zijn. Laat hen met hun duim naar de grond wijzen wanneer ze het niet eens zijn. Herneem met 1 > 3.
RE
Geef leerlingen die oefenen op spoor 3 ook eens een oefening waarbij ze in plaats van een symbool een passend getal moeten invullen, bijvoorbeeld 4 < ... of ... > 3.
2.2 Zelfstandige verwerking
EX
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
KI
JK
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
IN
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen. Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 3 maken. Wijs de leerlingen erop dat verschillende antwoorden meermaals mogelijk zijn. Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
190
3
Lesafsluiter Laat de leerlingen in duo’s werken. De ene leerling legt twee getalkaarten uit de individuele schatkist. De andere leerling legt het passende symbool ertussen en verwoordt. Variant voor leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3: de ene leerling legt een symbool, de andere leerling legt passende getalkaarten en verwoordt wat er ligt.
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de symbolen > en < correct gebruiken.’ Laat de leerlingen verwoorden welke symbolen ze tijdens de les geleerd hebben. Laat hen die tekenen in de lucht. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
IN
KI
JK
EX
Bij het vergelijken van de aantallen kun je erop wijzen dat de leerlingen aan Henk de haai moeten denken: Naar welke kant zou hij happen?
191
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Laat de leerlingen gebruikmaken van de getalbeelden bij het abstract vergelijken. Begeleid hen sterk bij de verwoordingen ‘… is meer dan …’ en ‘… is minder dan …’ Deze leerlingen kunnen de overstap naar het vergelijken van abstracte getallen sneller maken. Blijf voldoende aandacht besteden aan het verwoorden. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo De symbolen =, ≠, > en < tot 5 bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Vergelijken tot 5 met > en < - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 7 Vergelijken tot 5 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
192
1 KAAP 1 • LES 44 • BEWERKINGEN Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil
25’
Lesdoelen 2
De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 2, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen. (type: optellen en aftrekken - vergelijking) De leerlingen kunnen de begrippen ‘gelijk maken’, ‘vermeerderen’, ‘bijdoen’, ‘verminderen’, ‘wegnemen’ , ‘evenveel’ en ‘niet evenveel’ correct gebruiken en toepassen.
RE
1
minder (dan)
wegnemen
<
EM
Leerlijn
meer (dan)
AA
Wiskundige notaties in deze les = >
gelijk maken
PL
Wiskundetaal in deze les aantal (niet) evenveel bijdoen gelijk
R
D
IE
KE
- concordantie - werkboek p. 36 en/of digitaal werkboek - scheurblok Let op: Geef de individuele schatkist mee indien je het scheurblok meegeeft als huiswerk. - bijlage: Patrijspoorten - bijlage (uit les 37): Gekleurde vissen - instructievideo: Gelijk maken tot 5 - Sloep p. 5, 22 - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - 1 kaartspel per duo
U
Lesmaterialen
JK
EX
Wat ging vooraf? K1 L22 Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil (concreet en schematisch) De leerlingen hebben in les 22 leren gelijk maken tot 5 met een verschil van maximum 2. In deze les worden de leerinhouden herhaald in aanloop naar de les optellen en aftrekken tot 5.
KI
Wat volgt? K1 L45 Handelend optellen tot 5
IN
Voor de les
Lamineer de bijlage Patrijspoorten en knip de patrijspoorten uit voor duurzaam gebruik. Leg ook de gekleurde vissen uit les 37 klaar. Indien gewenst kun je de leerlingen tijdens een les muzische vorming ook zelf vissen laten tekenen en versieren. Voorzie voor elk duo een kaartspel. Selecteer enkel de kaarten van 1 tot en met 5.
193
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
U
KE
Wat kunnen we doen om door beide ramen evenveel vissen te zien? Laat de leerlingen weer de twee mogelijkheden vanuit hun voorkennis verwoorden: - (We kunnen bij het eerste raam 2 vissen bijdoen.) - (We kunnen bij het tweede raam 2 vissen wegnemen.)
RE
Hang de patrijspoorten van de bijlage Patrijspoorten aan het bord. Onze kadet kijkt door de ramen van zijn schip. Door het eerste raam ziet hij 3 vissen, door het tweede raam ziet hij 5 vissen. Plak telkens vissen uit bijlage Gekleurde vissen uit les 37 op de patrijspoorten. Moedig de leerlingen aan om het aantal vissen op basis van hun voorkennis te vergelijken. Laat hen verwoorden: - (3 is niet evenveel als 5.) - (3 is minder dan 5.) - (5 is meer dan 3.) - (3 is 2 minder dan 5.) - (5 is 2 meer dan 3.)
D
Kern
2.1 Instructie en begeleide inoefening
R
2
IE
In deze les oefenen de leerlingen verder op het gelijk maken van hoeveelheden tot 5 met een verschil van 2.
EM
PL
AA
2.1.1 Gelijk maken tot 5 met getalbeelden Open de digitale schatkist. Sleep twee getalbeelden aan het bord, bijvoorbeeld getalbeeld 4 en getalbeeld 2. Laat de leerlingen vergelijken. Laat ze verwoorden met meer, minder, niet evenveel als, 2 meer dan en 2 minder dan. Hoe kunnen we de aantallen gelijk maken? - (Ofwel doen we 2 bij het getalbeeld 2.) - (Ofwel nemen we 2 weg van het getalbeeld 4.) Geef nog enkele gelijkaardige opdrachten.
KI
JK
EX
Getalbeelden leggen Ga op dezelfde manier te werk, maar nu leggen de leerlingen de getalbeelden uit de individuele schatkist op hun bank. Geef de opdracht: Leg getalbeeld 1 en getalbeeld 3. Vergelijk. Hierbij moeten de leerlingen de volgende begrippen gebruiken: meer, minder, niet evenveel als, 2 meer dan en 2 minder dan. Hoe kunnen we aantallen gelijk maken? - (Ofwel doen we 2 bij het getalbeeld 1.) - (Ofwel nemen we 2 weg van het getalbeeld 3.)
IN
Geef nog enkele gelijkaardige opdrachten. Breng blitzbezoeken aan alle leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en bevraag hoe die gelijk maakt. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze. Wanneer het gestructureerd leggen van de jetons nog moeilijk is voor leerlingen die oefenen op spoor 1, dan laat je de leerlingen de jetons leggen op de zeilboten bij hun individuele schatkist.
194
Getalbeelden tekenen Laat de leerlingen twee getalbeelden tekenen op een wisbord: links tekenen ze getalbeeld 2, rechts tekenen ze getalbeeld 0. Hoe kunnen we de twee getalbeelden gelijk maken? Laat dit uitvoeren door ofwel bij te tekenen ofwel te schrappen. Laat de leerlingen verwoorden hoe ze te werk zijn gegaan. Geef nog enkele gelijkaardige opdrachten. Breng blitzbezoeken aan alle leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en bevraag hoe die gelijk maakt. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
2.2 Zelfstandige verwerking
RE
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
KE
U
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten.
D
IE
Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
R
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
AA
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 4 maken.
Lesafsluiter
EM
3
PL
Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
JK
EX
Verdeel de klasgroep in duo’s. Deel aan elk duo een kaartspel tot 5 uit. De kaarten worden geschud en verdeeld. Om de beurt leggen de leerlingen een kaart. Wie de kaart met het hoogste aantal heeft, krijgt beide kaarten. Laat de leerlingen steeds verwoorden hoeveel meer of minder het aantal op de ene kaart is in vergelijking met de andere kaart.
IN
KI
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 2, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen.’ Laat de leerlingen vertellen wat ze de gemakkelijkste manier vinden om gelijk te maken: wegnemen of bijdoen. Vraag na waarom.
195
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Laat de leerlingen de jetons of schelpen op hun bank leggen en effectief wegnemen of bijleggen als ze problemen ondervinden.
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
EM
PL
Wanneer de leerlingen moeite hebben om de jetons netjes te structureren als een getalbeeld, kunnen ze gebruikmaken van de kaart met boten om hun jetons te ordenen (individuele schatkist). Laat hen heel veel verwoorden. De leerlingen structureren hun jetons gewoon op hun bank of werken het liefst zonder hulpmaterialen.
EX
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Gelijk maken tot 5 bekijken. Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadje: Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 32 Gelijk maken tot 5, maximum 2 verschil - Knal: Getalbegrip tot 5 en tot 10 - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
196
1 KAAP 1 • LES 45 • BEWERKINGEN Handelend optellen tot 5
25’
Lesdoelen 2
De leerlingen kunnen met concrete materialen optellingen tot 5 uitvoeren en verwoorden. (type oorzaak-verandering en combinatie) De leerlingen kunnen de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’, ‘vermeerderen’ en de wiskundige notatie ‘+’ hanteren en begrijpen.
RE
1
Lesmaterialen
KE IE D R
vermeerderen
wegnemen
+
EM
Leerlijn
symbool toevoegen
AA
Wiskundige notaties in deze les = ≠
plus samen
PL
Wiskundetaal in deze les aantal evenveel bijdoen gelijk
U
- concordantie - animatie: Rekenverhaal 1 - animatie: Rekenverhaal 2 - animatie: Rekenverhaal 3 - presentatie: Handelend optellen tot 5 - instructievideo: Optellen tot 5 - Sloep p. 23-24 - digitale schatkist - individuele schatkisten - 4 reddingsboeien (of ander materiaal) - 5 knuffels (thema ‘zee’) - kepie of pet (zelfgemaakt)
JK
EX
Wat ging vooraf? In deze les maken de leerlingen de overgang van het gelijk maken van aantallen naar het uitvoeren van eenvoudige rekenhandelingen, met focus op optellen. Ze verkennen deze bewerkingen aanvankelijk handelend en spelend in betekenisvolle probleemsituaties. De probleemsituaties die in de les aan bod komen zijn van het type ‘oorzaak - verandering ‘ en ‘combinatie’.
KI
Oorzaak - verandering - Er gebeurt iets met het aantal. - Er komt iets bij of er gaat iets af (in deze les ligt de focus op optellen, dus er komt steeds bij).
IN
Combinatie - Alles is er al. - Wat er is, wordt samengebracht. Het is belangrijk om als leerkracht het onderscheid te kennen tussen deze types. Ze staan ook in de minimumdoelen verwoord. De leerlingen moeten deze verschillende types kunnen oplossen, maar niet actief kunnen benoemen. Wat volgt? K1 L46 Handelend aftrekken tot 5
197
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Open de digitale schatkist. Sleep het getalbeeld 3 en het getalbeeld 5 op het bord. Vraag na of deze aantallen gelijk = zijn aan elkaar. Laat de leerlingen vertellen, vraag wat meer en minder is ... Sleep dan het ≠-teken op het bord tussen de getalbeelden. Vraag dan hoe we de aantallen gelijk kunnen maken. Laat de leerlingen op basis van hun voorkennis vertellen en kom tot de conclusie dat je ofwel 2 kunt bijdoen ofwel 2 kunt wegnemen. Voer dit uit aan het bord en verander het ≠-teken naar het =-teken. Laat de leerlingen verwoorden wanneer dat teken gebruikt wordt. Kom tot de conclusie dat links en rechts van het =-teken evenveel is, dus links en rechts zijn gelijk.
Kern
KE
2
U
RE
In deze les leren de leerlingen voor het eerst een ander symbool kennen, namelijk plus +. Ze maken kennis met optellen tot 5.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
D
IE
2.1.1 Probleemstelling: eerst-dan-samen De kadet zoekt reddingsboeien. Eerst vindt hij er 3 op het dek, dan 1 in de kajuit. Hoeveel reddingsboeien vindt de kadet? Laten we dit verhaal naspelen.
PL
AA
R
Zet een kepie of pet op het hoofd van een leerling, haal de reddingsboeien uit en laat de leerling naspelen. Stel gerichte vragen, laat verwoorden wat de leerling met kepie of pet moet doen. - Wat gebeurde er eerst? Eerst vindt de kadet 3 reddingsboeien. Neem 3 reddingsboeien. - Wat gebeurde er dan? Dan vindt de kadet nog een reddingsboei. Neem er 1 reddingsboei bij. Eerst vindt de kadet 3 reddingsboeien en dan 1. Hoeveel reddingsboeien zijn er dit samen? (4) Leg alle reddingsboeien duidelijk samen zodat de leerlingen zien dat er 4 zijn.
EM
Ging het naspelen en verwoorden van het verhaal vlot? Beslis of je klasgroep er nood aan heeft om hetzelfde verhaal een tweede keer na te spelen.
JK
EX
2.1.2 Het symbool plus + Laat een leerling naar voor komen en beeld een nieuw verhaal uit. Geef de leerling 3 knuffels en geef er dan nog 2 knuffels bij. Stel vragen en laat vertellen wat er gebeurd is. - Hoeveel knuffels had X eerst? (3) - Wat gebeurde er dan? (X kreeg er 2 bij.) - Hoeveel knuffels heeft X samen? (5)
IN
KI
Open de presentatie Handelend optellen tot 5. Herneem het verhaal: - Eerst hadden we 3 knuffels. Projecteer 3 zeedierknuffels. Laat ook het getal 3 verschijnen. - Dan kreeg X er 2 knuffels bij. Daar hebben we een symbool voor. Als we een aantal toevoegen aan een ander aantal, dan schrijven we plus +. Projecteer dit symbool. - We hebben er 2 knuffels bijgedaan. Laat deze 2 knuffels samen met het getal 2 verschijnen. - Eerst 3 knuffels, dan 2 knuffels bij, dat is samen gelijk aan …? Projecteer = aan het bord. - Laat de leerlingen kijken en beantwoorden hoeveel knuffels er nu zijn. (5) Maak eventueel gebruik van de presentatie om de bewerking te visualiseren.
198
RE
Herhaal deze oefeningen met andere getallen. Speel telkens eerst met materiaal. De leerlingen vatten samen wat ze EERST hadden, wat er DAN gebeurde (er kwamen er BIJ) en hoeveel ze NU hebben.
IE
Laat de leerlingen telkens verwoorden wat ze zien en wat ze leggen. Wat gebeurt er eerst? Wat dan? (Er komen er bij.) Hoeveel zijn er nu samen?
KE
U
2.1.3 Optellen tot 5 als oorzaak-verandering en combinatie Er zijn drie animaties. Toon animatie per animatie. Laat de leerlingen in duo’s telkens de animatie omzetten naar een schematische voorstelling door gebruik te maken van jetons uit de individuele schatkist. Onder die schematische voorstelling leggen ze de volledige bewerking met kaarten uit de schatkist. Bespreek en begeleid aan de hand van de presentatie Handelend optellen tot 5 of met de digitale schatkist aan het bord.
D
Gebruik steeds de volgende woorden: eerst, dan, nu en samen. De leerlingen moeten die na deze les helemaal zelfstandig kunnen verwoorden.
AA
R
Herhaal vaak dat plus gelijk staat aan bijdoen en vermeerderen met. Let ook heel goed op de verwoording omtrent evenveel als. Het gelijkheidsteken moet ook steeds besproken worden.
KI
JK
EX
EM
PL
Animatie Rekenverhaal 1: In een grot woont er 1 krab. Plots komen er 3 krabben bij. Nu zijn ze samen met 4.
IN
Animatie Rekenverhaal 2: Op de mast zitten er eerst 4 meeuwen. Plots komt er 1 meeuw bij. Nu zijn ze samen met 5.
199
U
RE
Animatie Rekenverhaal 3: Twee kadetten zoeken schelpen. De ene kadet vindt 4 schelpen. De andere kadet vindt geen (0) schelpen. Nu hebben ze er samen 4.
Lesafsluiter
D
3
IE
KE
Breng na elke animatie blitzbezoeken aan de leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en laat de handelingen verwoorden met eerst-dan-nu en ga dan over naar het symbool +. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
R
Laat de leerlingen zelf een rekenverhaal met bijdoen verzinnen. Wie wil, mag het vooraan in de klas komen vertellen. Ondertussen werken de leerlingen mee: ze leggen jetons en leggen de bewerkingen eronder.
EM
PL
AA
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’, ‘vermeerderen’ en de wiskundige notatie ‘+’ hanteren en begrijpen.’ Vraag de leerlingen welk nieuw symbool ze geleerd hebben.
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
IN
KI
JK
EX
Begeleid de leerlingen wanneer ze een animatie of rekenverhaal moeten omzetten. Ga stap voor stap te werk. Stel vragen. Eerst bij het leggen van de jetons: - Wat zag je eerst? - Wat gebeurde er dan? - Hoeveel zijn er nu? Dan bij het leggen van de bewerking: - Hoeveel jetons zag je eerst? - Wat gebeurde dan? (Er kwamen er bij.) - Hoeveel heb je er nu? Hecht veel belang aan het verwoorden. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Optellen tot 5 bekijken.
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal: - Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
200
1 KAAP 1 • LES 46 • BEWERKINGEN Handelend aftrekken tot 5
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen met concrete materialen aftrekkingen tot 5 uitvoeren en verwoorden. (type oorzaak-verandering) De leerlingen kunnen de begrippen ‘wegnemen’, ‘min’, ‘eraf’, ‘verminderen’ en de wiskundige notatie ‘–’ hanteren en begrijpen.
RE
Lesmaterialen
KE IE D
–
R
Wiskundige notaties in deze les = ≠
symbool
verminderen
wegnemen
AA
gelijk min
PL
Wiskundetaal in deze les aantal eraf bijdoen evenveel
U
- concordantie - bijlage (uit les 41): Vissen (of 5 plastic vissen) - animatie: Rekenverhaal 4 - animatie: Rekenverhaal 5 - animatie: Rekenverhaal 6 - presentatie: Handelend aftrekken tot 5 - instructievideo: Aftrekken tot 5 - Sloep p. 23-24 - digitale schatkist - individuele schatkisten - minimum 5 knuffels (liefst zeedieren)
EM
Leerlijn
JK
EX
Wat ging vooraf? K1 L45 Handelend optellen tot 5 Naar analogie met les 44 verkennen de leerlingen het aftrekken eerst op een analoge, handelende manier. De probleemsituaties die in de les aan bod komen zijn van het type ‘oorzaak - verandering’: - Er gebeurt iets met het aantal. - Er komt iets bij of er gaat iets af (in deze les ligt de focus op aftrekken, dus er gaat steeds iets af/weg).
KI
Het is belangrijk om als leerkracht dit type te kennen. Het staat ook in de minimumdoelen verwoord. De leerlingen moeten het type kunnen oplossen, maar niet actief kunnen benoemen.
IN
Wat volgt? K2 L16 Optellen tot 5 (concreet) Vanuit het splitsen van aantallen zetten de leerlingen in Kaap 2 de stap naar het optellen en aftrekken van aantallen, getalbeelden en getallen. Daarbij zoeken ze naar passende oplossingsstrategieën, verwoorden ze hun denkproces en vergelijken ze verschillende aanpakken.
201
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel
RE
Open de digitale schatkist. Sleep het getalbeeld 2 en het getalbeeld 4 op het bord. Vraag na of deze aantallen gelijk = zijn aan elkaar. Laat de leerlingen vertellen, vraag wat meer, minder is ... Teken dan het ≠-teken op het bord tussen de getalbeelden. Vraag dan hoe we de aantallen gelijk kunnen maken. Laat de leerlingen vertellen en kom tot de conclusie dat je ofwel 2 kunt bijdoen ofwel 2 kunt wegnemen. Voer dit uit aan het bord en verander het ≠-teken naar het =-teken. Laat de leerlingen verwoorden wanneer dat teken gebruikt wordt. Kom tot de conclusie dat links en rechts van het =-teken evenveel is, dus links en rechts zijn gelijk.
Kern
KE
2
U
In deze les leren de leerlingen een ander symbool kennen, namelijk min –. Ze maken kennis met aftrekken tot 5.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
D
IE
2.1.1 Probleemstelling: eerst-dan-over Bij een waterplant zijn 5 vissen. 3 vissen zwemmen weg. Hoeveel vissen blijven er over bij de waterplant?
PL
AA
R
Geef een leerling 5 kaarten uit de bijlage Vissen uit les 41 of 5 plastic vissen. Laat die leerling het verhaal naspelen en navertellen. Stel gerichte vragen en begeleid: - Hoeveel vissen waren er eerst bij de waterplant? (Eerst waren er 5 vissen.) Hang 5 vissen aan het bord -W at gebeurde er dan? (Er zwommen 3 vissen weg.) Neem 3 vissen weg van het bord. - Eerst waren er 5 vissen bij de waterplant. Dan zwommen er 3 weg. Hoeveel vissen blijven er over bij de waterplant? (2)
EM
Ging het naspelen en verwoorden van het verhaal vlot? Beslis of je klasgroep er nood aan heeft om hetzelfde verhaal een tweede keer na te spelen.
JK
EX
2.1.2 Het symbool min – Laat een leerling naar voor komen en beeld een nieuw verhaal uit. Geef de leerling eerst 3 knuffels. Neem er dan 2 terug af. Stel vragen en laat vertellen wat er is gebeurd. - Hoeveel knuffels had X eerst? (3) - Wat gebeurde er dan? (Je nam er 2 af van X.) - Hoeveel knuffels heeft X nu nog? (1)
IN
KI
Open de presentatie Handelend aftrekken tot 5. Herneem het verhaal: - Eerst hadden we 3 knuffels. Projecteer 3 zeedierknuffels. Laat ook het getal 3 verschijnen. - Dan hebben we knuffels weggenomen. Daar hebben we een symbool voor. Als we een aantal wegnemen van een ander aantal, dan schrijven we min –. Projecteer dit symbool. - We hebben 2 knuffels weggenomen. Doorstreep er 2 en laat ook het getal 2 verschijnen. - We hebben dus 3 knuffels en we nemen er 2 van weg. 3 min 2 is gelijk aan …? Projecteer = aan het bord. Laat de leerlingen kijken en beantwoorden hoeveel knuffels er nu zijn. (1)
202
RE
Herhaal deze oefeningen enkele keren met andere getallen. Speel telkens eerst met materiaal. De leerlingen vatten samen wat ze EERST hadden, wat er DAN gebeurde (er gingen er WEG) en hoeveel ze NU hebben.
KE
U
2.1.3 Aftrekken tot 5 als oorzaak-verandering Er zijn drie animaties. Toon animatie per animatie. Laat de leerlingen in duo’s telkens de animatie omzetten naar een schematische voorstelling door gebruik te maken van jetons uit de individuele schatkist. Onder die schematische voorstelling leggen ze de volledige bewerking met kaarten uit de schatkist. Bespreek en begeleid aan de hand van de presentatie Handelend aftrekken tot 5 of met de digitale schatkist aan het bord.
IE
Laat de leerlingen telkens verwoorden wat ze zien en wat ze leggen en wegnemen.
D
Laat de leerlingen het verhaal telkens als volgt opbouwen: eerst zijn er ... dan gebeurt dit en nu hebben we … over.
AA
R
Herhaal vaak dat min gelijk staat aan wegnemen en verminderen. Let ook heel goed op de verwoording omtrent evenveel als. Het gelijkheidsteken moet ook steeds besproken worden.
KI
JK
EX
EM
PL
Animatie Rekenverhaal 4: Eerst vaart op zee een rubberboot met 5 kadetten. Dan vallen door een grote golf 2 kadetten uit de boot. Hoeveel kadetten blijven er nu in de boot?
IN
Animatie Rekenverhaal 5: Aan het zeewier hangen eerst 4 zeepaardjes. Dan verlaten 3 zeepaardjes het zeewier. Hoeveel zeepaardjes hebben we nu?
203
U
RE
Animatie Rekenverhaal 6: Eerst vliegen er 2 vliegers in de lucht. Dan raken ze door een storm verstrikt in elkaar en vallen ze alle 2 neer. Hoeveel vliegers zijn er nu nog in de lucht?
KE
Breng na elke animatie blitzbezoeken aan de leerlingen. Observeer hoe ze de opdrachten uitvoeren. Spreek af en toe een leerling aan en laat de handelingen verwoorden met eerst-dan-nu en ga dan over naar het symbool –. Zo krijg je inzicht in hun denkwijze.
Lesafsluiter
IE
3
D
Leer het lied ‘Vijf kleine visjes’ aan. Dit is een aftellied waarbij er telkens 1 vis verdwijnt.
AA
R
Vijf kleine visjes, die gingen naar de zee. ’t Is goed zei de moeder, maar ik ga niet mee. Ik blijf liever in mijn vieze vuile sloot, Want in de zee daar zijn er haaien en die bijten je Blub, blub, blub …
EM
PL
Vier kleine visjes, die gingen naar zee … Drie kleine visjes, … Twee kleine visjes, … Eén klein visje
EX
Laat de leerlingen rechtstaan en bewegingen maken. Zo heb je even een bewegingsmoment naar een volgende les.
IN
KI
JK
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de begrippen ‘wegnemen’, ‘min’, ‘eraf’, ‘verminderen’ en de wiskundige notatie ‘–’ hanteren en begrijpen.’ Vraag de leerlingen welk nieuw symbool ze geleerd hebben.
204
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
De omzetting van animatie naar jetons en van jetons naar de bewerking kan sneller.
U
RE
Begeleid de leerlingen wanneer ze een animatie of een rekenverhaal moeten omzetten. Ga stap voor stap te werk. Stel vragen. Eerst bij het leggen van de jetons: - Wat zag je eerst? - Wat gebeurde er dan? Hoeveel moet ik er wegnemen? - Hoeveel zijn er nu? Dan bij het leggen van de bewerking: - Hoeveel jetons zag je eerst? - Wat gebeurde dan? (Er gingen er weg.) - Hoeveel heb je er nu? Hecht veel belang aan het verwoorden. De omzetting van animatie naar jetons en van jetons naar de bewerking kan sneller.
KE
Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo Aftrekken tot 5 bekijken.
D
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
IE
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
205
206
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 47 • GETALLENKENNIS Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en <
25’
Lesdoelen
3
De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken. De leerlingen kunnen begrippen als ‘gelijk’, ‘niet gelijk’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ correct gebruiken. De leerlingen kunnen de symbolen =, ≠, > en < correct gebruiken.
RE
1 2
Lesmaterialen
KE IE D R
tellen
vergelijken
>
<
EM
Leerlijn
minste ordenen
AA
Wiskundige notaties in deze les = ≠
meeste minder dan
PL
Wiskundetaal in deze les aantal getal (niet) evenveel getalbeeld (niet) gelijk meer dan
U
- concordantie - werkboek p. 37-38 en/of digitaal werkboek - scheurblok - bijlage (uit les 41): Vissen - instructievideo: De symbolen =, ≠, > en < tot 5 - Sloep p. 5, 7 - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - zelfgemaakte handpop Henk de haai - groot kaartspel of per duo een gewoon kaartspel
EX
Wat ging vooraf? K1 L43 Vergelijken tot 5 met > en < De leerlingen kennen intussen de symbolen =, ≠, > en <. In deze les oefenen ze die samen in.
KI
JK
Wat volgt? K2 L3 Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en < en getallenas tot 5
Voor de les
IN
Preteaching: Laat de leerlingen ook tijdens fruit- of koekmomenten vergelijken. Ze kunnen bijvoorbeeld het aantal koeken of het aantal stukken fruit van twee leerlingen vergelijken.
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Toon de handpop Henk de haai. Vraag wie de haai nog kent. Laat de leerlingen vertellen. Hang de vissen van bijlage Vissen uit les 41 aan het bord. Hang er links 3 en rechts 5.
207
Houd Henk de haai in het midden van het bord. Laat de leerlingen verwoorden naar welk aantal Henk zal happen. Laat hen op basis van hun voorkennis verwoorden: 3 is niet gelijk aan 5 3 ≠ 5 3 is minder dan 5 3 < 5 In deze les vergelijken de leerlingen zowel aantallen, getalbeelden als getallen en dat met alle symbolen die ze nu al kennen: =, ≠, > en <.
Kern
RE
2
2.1 Instructie en begeleide inoefening
KE
U
2.1.1 =, ≠, > en < (met getalbeelden) Laat de leerlingen in duo’s werken met hun individuele schatkist. Geef opdrachten. Bijvoorbeeld: Leg links getalbeeld 4 en rechts getalbeeld 1. Vergelijk en plaats er het juiste symbool tussen.
IE
Geef hen voldoende tijd om te bespreken en te verwoorden. Bespreek nadien ook klassikaal: 4 is niet gelijk aan 1. 4 ≠ 1 4 is meer dan 1. 4 > 1
D
Geef meerdere opdrachten. Zorg ervoor dat alle geleerde symbolen aan bod komen.
R
Breng blitzbezoeken aan alle duo’s. Observeer, luister en stuur bij waar nodig.
AA
Verwijs indien nodig naar Henk de haai. Haal die erbij en toon waar zijn bek opengaat.
0…2
0…2
PL
2.1.2 =, ≠, > en < (met getallen) Geef elk duo een wisbord. Sleep volgende getallen met de digitale schatkist op het bord:
EX
EM
Vraag de leerlingen om de opgaves over te nemen op hun wisbord. Laat hen bij de eerste opgave = of ≠ invullen. Laat hen bij de tweede opgave > of < invullen. Geef hen voldoende tijd om te overleggen. Bespreek nadien klassikaal na. 0<2
JK
0≠2
IN
KI
Indien dit vlot lukt, kunnen de leerlingen zelf twee getallen opschrijven en vergelijken. Ze overleggen per twee. Dit zal al snel het geval zijn voor de leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3. Geef leerlingen die oefenen op spoor 2 en 3 ook eens een oefening waar ze een getal en symbool krijgen, bijvoorbeeld 4 < … of … > 2. De leerlingen moeten een passend getal invullen. Als dit te moeilijk zou zijn, kun je Henk de haai erbij nemen. Houd zijn bek op het symbool. Dan zullen de leerlingen zich herinneren dat hij hapt naar de kant waar er het meeste zijn.
2.2 Zelfstandige verwerking
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het (digitale) werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
208
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten. Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen.
RE
Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
U
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen oefening 5 en 6 maken. Wijs de leerlingen erop dat bij oefening 5 meermaals meerdere antwoorden mogelijk zijn.
KE
Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
Lesafsluiter
IE
3
EM
PL
AA
R
D
Speel het spel ‘meer of minder’. Zorg voor grote speelkaarten. Selecteer enkel de getallen 1 tot en met 5 van alle symbolen (klaveren, ruiten, schoppen en harten). Schud de kaarten goed en spreek met de leerlingen af welke kant van het bord meer betekent en welke kant minder betekent. Hang zes kaarten op een rij op de rand van het bord. Hang ze met de speelzijde naar het bord. Laat wat plaats tussen de kaarten. Draai de eerste kaart om. Wanneer de leerlingen vermoeden dat de volgende kaart meer zal zijn, lopen ze naar meer. Vermoeden ze dat die minder zal zijn, dan lopen ze naar minder. Laat een leerling die het juist heeft het symbool > of < tussen de kaarten noteren. Laat alle andere leerlingen verwoorden. Als je het spel niet klassikaal wil spelen, kan dit in duo’s. Voorzie in dat geval voor elk duo een set gewone speelkaarten.
IN
KI
JK
EX
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen de symbolen =, ≠, > en < correct gebruiken.’ Laat hen elk geleerd symbool kort verwoorden. Laat hen eveneens vertellen hoe vlot het gegaan is om de vier symbolen samen te gebruiken in oefeningen. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
209
Laat de leerlingen eerst = of ≠ schrijven, dan pas > en < . Laat hen verwoorden en herhalen.
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
Laat de leerlingen de getalbeelden onder de getallen leggen wanneer ze problemen ondervinden. Bij twijfel tussen > en < maak je gebruik van Henk de haai en geef je de tip om aan het verhaal te denken.
210
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
RE
Bij het vergelijken van de aantallen kun je erop wijzen dat de leerlingen aan Henk de haai moeten denken: naar welke kant zou hij happen? Heel vaak zul je zien dat de leerlingen vlot het symbool kunnen schrijven door het verhaal dat erachter zit, maar dat verwoorden moeilijk blijft. Laat hen gebruikmaken van de getalbeelden bij het abstract vergelijken. Begeleid hen sterk bij de verwoordingen ‘… is meer dan …’ en ‘… is minder dan …’. Ga sneller over tot het vergelijken van abstracte getallen. Blijf voldoende aandacht besteden aan het verwoorden. Wanneer de leerlingen tijdens het zelfstandig oefenen thuis of in de klas nog nood hebben aan extra ondersteuning, kunnen ze de instructievideo De symbolen =, ≠, > en < tot 5 bekijken.
KE
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - oefenblaadjes: Vergelijken tot 5 met = en ≠ Vergelijken tot 5 met > en < - Herhalingswerkboek (Kaap 8) p. 7 Vergelijken tot 5 - Kaap 8 GK3: Aantallen en getallen tot 5 vergelijken: de symbolen =, ≠, > en < - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
U
Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
211
212
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
1 KAAP 1 • LES 48 • GETALLENKENNIS Aantallen handig tellen (turven) en noteren in tabellen
25’
Lesdoelen 1 2
De leerlingen kunnen een gegeven aantal tot 5 handig tellen door te turven. De leerlingen kunnen hun turfresultaat noteren in een tabel.
RE
Lesmaterialen
KE turven
IE
(handig) tellen
D
Wiskundetaal in deze les aantal tabel
U
- concordantie - werkboek p. 39 - animatie: Turven - kopieerblad 26: Turven - Sloep p. 16 - wisbord, stift en uitwisser per leerling - zakje per leerling
AA
Wat ging vooraf? De leerlingen hebben nog niet eerder geturfd.
R
Leerlijn
Probleemstelling en lesdoel
EX
1
EM
LESVERLOOP
PL
Wat volgt? K4 L40 en 41 Tabellen opstellen, aflezen en interpreteren
IN
KI
JK
Licht de probleemstelling toe aan de hand van de animatie Turven. Hoeveel zeepaardjes, octopussen, kwallen, krabben, clownvissen en dolfijnen hebben we gezien? Laat de leerlingen vrij vertellen. Laat hen ervaren en verwoorden dat resultatief tellen niet lukt omdat de zeedieren steeds wegzwemmen. Laat de leerlingen vervolgens kort nadenken hoe ze dit probleem zouden kunnen oplossen. Vraag hen om hun ideeën per twee uit te wisselen. Bespreek klassikaal. In deze les leren de leerlingen een gemakkelijke methode om aantallen te noteren. Ze leren turven.
213
2
Kern
2.1 Instructie en begeleide inoefening 2.1.1 Leren turven Er bestaat een manier om handig te tellen. We noemen dit turven. Als we turven, trekken we streepjes van boven naar onder. Na vier streepjes trekken we een vijfde streep van linksonder naar rechtsboven door de vier streepjes die er al staan. Demonstreer meermaals. Laat de leerlingen vervolgens mee turven in de lucht. Laat hen nadien het turven uitproberen op hun wisbord.
RE
Wandel door de klas. Observeer of de leerlingen de techniek van turven begrijpen en (op hun tempo) kunnen toepassen.
KE
U
2.1.2 Turven toepassen Geef elke leerling een strook met zeedieren (kopieerblad Turven) en overloop de verschillende zeedieren, zodat de leerlingen ze tijdens de animatie snel terugvinden. Toon de animatie Turven opnieuw. Laat de leerlingen het aantal zeedieren handig tellen door te turven in de tabel. Laat hen hun resultaten vergelijken en bespreken met hun partner.
IE
Breng blitzbezoeken aan de duo’s. Ga in op vragen en stuur bij waar nodig. Beslis of het nodig is om de animatie een laatste keer te tonen en klassikaal te bespreken.
D
Zet de animatie verschillende keren op pauze indien bepaalde leerlingen niet zo snel kunnen turven.
R
Er komen aantallen aan bod die meer zijn dan 5. Dat kan op zich geen kwaad. De leerlingen leerden in de kleuterschool immers al ongestructureerde aantallen tellen tot 10. Het is een leuke aanloop naar Kaap 2.
2.2 Zelfstandige verwerking
PL
AA
Kleine lesafsluiter Voer een beweging (bijvoorbeeld springen) tussen de 1 en 5 keer uit. Laat de leerlingen het aantal turven op hun wisbord. Vraag om de wisborden op jouw teken in de lucht te steken. Bekijk de antwoorden. Bepaal zelf hoeveel oefenrondes je inlast.
EM
Geef de leerlingen eigenaarschap en laat hen (mee)beslissen of ze zelfstandig aan het werk kunnen. Baseer je op de observatiemomenten en de kleine lesafsluiter om eventueel bij te sturen. Laat hen de oefeningen in het werkboek maken. Ga ondertussen aan de slag met de verlengde en verdiepende instructie.
KI
JK
EX
Oefening 1: Laat de leerlingen per twee de individuele schatkist nemen. Ze nemen de jetons van de meeuwen, schelpen en krabben erbij. Vertel dat ze elk van iedere soort minimum 3 en maximum 5 jetons mogen nemen. Laat de aantallen in twee verschillende zakjes steken. Begin met ronde 1. Leerling A haalt jeton per jeton uit het eigen zakje, leerling B turft in het werkboek op de juiste plaats in de tabel. Leerling A controleert door ook te turven. Beide leerlingen vergelijken het bekomen turfbeeld. Herhaal in ronde 2. Nu worden de aantallen uit het andere zakje geturfd.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
IN
Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de leerstof nog onvoldoende beheersen en/of extra oefenkansen nodig hebben. Ga met deze leerlingen, op basis van hun noden, terug naar de concrete en/of schematische fase. Gebruik hierbij de informatie die je verzamelde tijdens de observatiemomenten. Bied begeleide inoefening aan. Werk vervolgens samen enkele basisoefeningen in het werkboek uit en verwoord daarbij expliciet en stapsgewijs de deelhandelingen. Geef de leerlingen voldoende gelegenheid om zelf actief te handelen en hun denkproces te verwoorden. Dit kan in groep begeleid en/of in samenwerking met een partner. Voorzie zeker ook momenten om de leerlingen zelfstandig enkele oefeningen te laten maken zo dat ze, onafhankelijk van jouw begeleiding, initiatief en zelfvertrouwen ontwikkelen. Voorzie extra tijd en ruimte voor leerlingen die de lesdoelen aan het einde van de les nog niet voldoende beheersen, zodat zij de basisoefeningen verder kunnen inoefenen en automatiseren. Je kunt hierbij gebruik maken van het scheurblok van spoor 1.
214
Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie kunnen in duo’s het turven inoefenen. Bijvoorbeeld: Leerling A tekent een voorwerp een aantal keer en leerling B turft. Nadien worden de rollen omgedraaid. Als variatie op deze opdracht kan leerling A het turfbeeld noteren en leerling B een bijhorend aantal voorwerpen tekenen. Gebruik ook de tips naast het werkboek en informatie bij ‘differentiatie en orthodidactische tips’ om de verlengde en verdiepende instructie verder vorm te geven.
3
Lesafsluiter
U
RE
Kies een leerling uit. Die leerling voert een ‘stunt’ enkele keren uit. De klasgenoten turven het aantal op hun wisbord. Spreek op voorhand af wat een stunt zoal kan zijn: koprol, springen op één been, achterwaarts springen, op een grappige manier in de lucht springen … Maak duidelijk dat de leerlingen de stunt tussen 1 tot 5 keer mogen uitvoeren.
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel ‘De leerlingen kunnen een gegeven aantal tot 5 handig tellen door te turven.’ Laat de leerlingen verwoorden wat ze tijdens deze les geleerd hebben. Laat hen de turfbeelden van 1 tot en met 5 in de lucht tekenen. Laat hen vertellen hoe makkelijk of hoe moeilijk ze het turven vinden. Grijp, indien gewenst, ook terug naar de lesdoelen die in het werkboek geformuleerd staan. Bespreek ze met de leerlingen.
IN
KI
JK
EX
Verwoord nog eens duidelijk hoe de vijfde streep loopt.
215
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS Ga rond in de klas. Houd de leerlingen in het oog en help hen turven. Ga van grootmotorisch naar kleinmotorisch en laat tegelijkertijd handelen en verwoorden. Daag deze leerlingen uit om aantallen die meer zijn dan 10 te turven. Laat hen verwoorden hoeveel groepen van vijf ze hebben. Laat hen het getal 5 op verschillende manieren voorstellen: door te turven, met een getalbeeld, met een dobbelsteenbeeld ... Maak eventueel gebruik van volgend differentiatiemateriaal:
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
RE
- Meer oefenaanbod via Kai en de gamehoek van de Kaap! - Krak: Kijk! (3e kleuter - 1e leerjaar) Warm en koud (1e leerjaar) Ga je mee? (1e leerjaar) Naar de kermis (1e - 2e leerjaar) Ik+jij=wij (1e - 2e leerjaar)
216
1 KAAP 1 • LES 49 EN 50 • PROBLEEMOPLOSSEND DENKEN EN VRAAGSTUKKEN Vraagstukken eerst, dan, nu: optellen tot 5
2 x 25’
Lesdoelen 1 2 3
De leerlingen kunnen een rekenverhaal ontleden met de signaalwoorden ‘eerst’, ‘dan’ en ‘nu’ en omzetten in een bewerking. De leerlingen kunnen vraagstukken oplossen over optellen tot 5 door concreet materiaal te gebruiken. De leerlingen kunnen vraagstukken oplossen over optellen tot 5 door hun ideeën te delen met anderen.
RE
Lesmaterialen
KE IE D
meer minder
optellen
samen
verdelen
R
Wiskundetaal in deze les eerst ... dan ... nu evenveel
U
- concordantie - animatie (uit les 45) Rekenverhaal 1 - animatie (uit les 45) Rekenverhaal 2 - poster: Getalbeelden 1 tot 5 - digitale schatkist - individuele schatkisten - mand per groepje van 4 leerlingen - 5 peren en 5 appels per groep van 4 leerlingen - 5 wortelen en 5 uien per groep van 4 leerlingen
AA
Leerlijn
EM
PL
Wat ging vooraf? De leerlingen leerden in het kleuteronderwijs naar rekenverhalen luisteren om die vervolgens na te vertellen en na te spelen. Vraag aan de collega(’s) van de derde kleuterklas hoe dat in de praktijk werd aangepakt. Indien mogelijk kun je verder bouwen op die methodes. K1 L45 Handelend optellen tot 5 In deze les oefenden de leerlingen het optellen tot 5 en gingen de leerlingen aan de slag met de structuur eerst … dan … nu.
JK
EX
In deze les probleemoplossend denken en vraagstukken gaan de leerlingen aan de slag met zowel problemen als vraagstukken. Problemen zijn situaties waarbij leerlingen niet onmiddellijk weten hoe ze tot een oplossing kunnen komen en waarbij ze zelf een oplossingsstrategie moeten bedenken of kiezen. Daarbij zijn er verschillende oplossingswijzen mogelijk. In de minimumdoelen worden vraagstukken omschreven als contextopgaven die nauw aansluiten bij de leerinhouden. In deze les gaan we aan de slag met optellen tot 5.
IN
KI
Kadet zet de structuur ‘eerst … dan … nu’ in als methodiek bij probleemoplossend denken en vraagstukken. Met de woorden eerst, dan en nu worden leerlingen ondersteund in het begrijpen en analyseren van een probleemsituatie of vraagstuk. De methode koppelt hier een vast kleurgebruik aan: ‘eerst’ wordt met oranje gemarkeerd, ‘dan’ met groen en ‘nu’ met blauw. Gebruik bij voorkeur de voorgestelde kleuren of maak schooleigen afspraken, zodat de kleurcodes in alle klassen op een consistente manier gebruikt worden. Deze methodiek sluit aan bij de minimumdoelen rond bewerkingen, waarin betekenisvolle contexten voor optellen en aftrekken aan bod komen. Daarbij kunnen vraagstukken worden onderscheiden van het type oorzaak - verandering, bijvoorbeeld: ‘Er staan 3 bloemen in een vaas. Er komen 2 bloemen bij. Hoeveel bloemen staan er nu in de vaas?’ en van het type combinatie, bijvoorbeeld: ‘Op de tafel liggen 3 rode kralen en 2 blauwe kralen. Hoeveel kralen liggen er samen op de tafel?’ Het is niet de bedoeling dat leerlingen die types actief kunnen benoemen. Voor leerkrachten is het echter belangrijk om zicht te hebben op het onderscheid tussen oorzaak - verandering en combinatie, zodat zij een evenwichtig en gevarieerd aanbod van vraagstukken kunnen garanderen. Deze terminologie is didactisch van aard en helpt om de onderliggende structuur van vraagstukken te herkennen. Oorzaak - verandering: Er gebeurt iets met het aantal. Er komt iets bij of er gaat iets weg.
217
Combinatie: Alles is er al. Wat is wordt samengebracht. Wat volgt? K2 L49 en 50 Vraagstukken eerst, dan, nu: aftrekken tot 5
Leerlijn
RE
Verdeel de klas in heterogene groepen van 4 leerlingen. Voorzie voor elke groep 1 mand, 5 peren, 5 appels, 5 wortelen en 5 uien. Laat de leerlingen dat eventueel van thuis meebrengen.
Probleemstelling en lesdoel
KE
1
U
LESVERLOOP
AA
R
D
IE
De kadetten moeten naar de markt om voorraad in te kopen. Ze hebben manden nodig om alles te dragen. Ze gaan op zoek en kijken in de opslagruite. Daar vinden ze 3 manden, maar er zijn 4 kadetten. Stel vragen om de situatie te verduidelijken. Gebruik begrippen die de leerlingen al kennen: - Hoeveel kadetten zijn er? - Hoeveel manden zijn er? - Zijn er evenveel manden als kadetten? - Zijn er meer of minder manden dan kadetten? - Zijn er genoeg manden? - Wat is het probleem?
PL
Laat de leerlingen het probleem verwoorden en een antwoord zoeken in overleg met hun duopartner, bijvoorbeeld: een mand meer zoeken, een kadet op het schip laten, twee kadetten dragen samen een mand … Laat de leerlingen het verhaal uitbeelden terwijl je het vertelt. Laat ze de verschillende oplossingen tonen aan elkaar.
EM
Laat de leerlingen de handelingen van het rekenverhaal uitvoeren: laat het gepaste aantal kadetten naar voren komen en laat ze de manden verdelen.
JK
Kern
KI
2
EX
Focusdoel: ‘Ik kan een rekenverhaal omzetten in een optelling tot 5 met hulp van de woorden eerst, dan en nu.’ Bespreek het doel met de leerlingen en visualiseer het aan het bord zodat je er tijdens de lesafsluiter naar terug kan grijpen.
2.1 Instructie en begeleide inoefening
IN
De vier kadetten hebben de manden genomen en vertrekken samen naar de markt. Op de markt splitsen ze zich op: twee kadetten gaan naar het fruitkraam, de andere twee gaan naar het groentekraam.
2.1.1 Opgave 1: vraagstuk Twee kadetten komen bij het fruitkraam en kopen eerst 3 appels. Dan kopen ze ook nog 2 peren. Hoeveel stukken fruit hebben ze nu samen? Bespreek het rekenverhaal met de stappen eerst, dan en nu: - Wat kopen ze eerst? (3 appels) - Wat kopen ze dan? (2 peren) - Hoeveel stukken fruit hebben ze nu samen? (5 stukken) Laat de leerlingen het rekenverhaal naspelen. Leerling A speelt marktkramer, leerlingen B en C spelen de kadetten. Leerling D is verteller en zegt wat er gebeurt. Laat die de signaalwoorden eerst, dan en nu gebruiken.
218
Laat de leerlingen hun jetons uit hun individuele schatkist nemen. Vertel het rekenverhaal opnieuw en laat ze simultaan de jetons leggen. 2.1.2 Opgave 2: probleem Vertel een tweede rekenverhaal met groenten: De andere twee kadetten staan aan het groentekraam. Eerst kopen ze 4 wortelen en dan 1 ui. Eén kadet zegt: ‘We hebben nu samen 4 groenten in onze mand.’ Klopt dat? Waarom wel/niet? Laat de leerlingen het verhaal eerst naspelen en dan meeleggen met jetons. Laat ze daarna overleggen in groepen van 4. Vertel het verhaal opnieuw en stel opnieuw de vragen ‘Klopt dat? Waarom wel/niet? ’ Bespreek klassikaal enkele mogelijke scenario’s.
RE
Wandel rond in de klas en luister hoe de leerlingen het ervan afbrengen. Breng voor jezelf in kaart of het merendeel van de klasgroep de leerstof beheerst. Stuur bij waar nodig.
2.2 Zelfstandige verwerking
KE
U
Lees onderstaande probleemstellingen voor. De leerlingen leggen het rekenverhaal met hun jetons. Ze verwoorden luidop de structuur eerst, dan en nu. Loop rond om te zien welke leerlingen de leerstof (minder) goed beheersen: - De kadetten kopen eerst 2 appels. Dan kopen ze 1 peer. Hoeveel stukken fruit hebben ze nu samen? - De kadetten kopen eerst 1 wortel. Dan kopen ze 3 uien. Hoeveel stukken groenten hebben ze nu samen? - Ze kopen eerst 2 appels. Dan kopen ze 1 peer. Dan kopen ze nog 2 wortels. Hoeveel stukken groenten en fruit hebben ze nu samen?
IE
Laat leerlingen de rekenverhalen steeds leggen met de jetons.
AA
2.3 Verlengde en verdiepende instructie
R
D
Observeer hoe vlot de leerlingen het probleem leggen met materiaal. Verdeel op basis van je observaties na probleemstelling 3 de klas in twee groepen.
PL
2.3.1 Zelfstandig werk voor de groep die de leerstof al voldoende beheerst Verdeel deze groep opnieuw in duo’s. Laat de ene leerling een rekenverhaal verzinnen met eerst, dan en nu en laat die dat dan aan de andere leerling vertellen. Die legt het verhaal met jetons en lost het op. Daarna wisselen ze van rol.
EX
EM
2.3.2 Verlengde instructie met de groep die de leerstof nog onvoldoende beheerst Laat de animatie Rekenverhaal 1 zien. Laat de leerlingen vertellen wat er gebeurt met de termen eerst, dan en nu. (Eerst is er 1 krab, dan komen er 3 bij, nu zijn er 4 krabben samen). Herhaal dat met de animatie Rekenverhaal 2. (Eerst zitten er 4 meeuwen, dan komt er 1 meeuw bij, nu zijn er 5 meeuwen samen op het schip.) Leg duidelijk uit dat er in de rekenverhalen telkens iets bijkomt, vermeerderd en er dus moet worden opgeteld.
KI
JK
Begeleid de leerlingen telkens wanneer ze de animaties omzetten naar een verhaal. Stel daarbij richtvragen: - Wat zag je eerst? - Wat gebeurde er dan? - En nu?
IN
Laat de leerlingen opnieuw het verhaal leggen met jetons. Stel ook daarbij richtvragen: - Hoeveel jetons had je eerst? - Wat gebeurde dan? - Hoeveel heb je er nu samen? Gaat het nog steeds moeilijk? Laat de leerlingen gelijkaardige opgaven uitvoeren met hun jetons. Verzin rekenverhalen waarop de leerlingen vastlopen en begeleid hen naar de oplossing.
219
3
Lesafsluiter Sluit af met een uitdagender probleem waarbij er creatieve oplossingen mogelijk zijn: De kadetten kochten eerst 2 appels en dan 2 peren. In de mand liggen nu 3 stukken fruit. Laat de leerlingen overleggen met hun duopartner. Moedig hen aan om te verwoorden waar het probleem ligt. Laat ze creatief denken wat er gebeurd kan zijn. Sluit de les af door terug te koppelen naar het focusdoel ‘Ik kan een rekenverhaal omzetten in een optelling tot 5 met behulp van de woorden eerst, dan en nu.’
RE
DIFFERENTIATIE EN ORTHODIDACTISCHE TIPS
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
KE
U
Besteed expliciet aandacht aan de signaalwoorden eerst, dan en nu in problemen en vraagstukken. Vestig ook aandacht op woorden zoals samen en bespreek wat die woorden kunnen betekenen. Het signaalwoord samen verwijst vaak naar het samenvoegen van hoeveelheden en kan dus wijzen op een optelling. Benadruk echter dat signaalwoorden enkel richting geven en de oplossing niet bepalen. Het blijft belangrijk om het probleem of vraagstuk steeds grondig te lezen en de context mee te nemen. Het belang van signaalwoorden zal in de volgende lessen probleemoplossend denken en vraagstukken verder worden opgebouwd en uitgebreid.
220
1 KAAP 1 • LES 51 EN 52 Herhaling
2 x 25’
Lesdoelen
KE
U
RE
Getallenkennis 1 De leerlingen kunnen de getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen en getalbeelden. 2 De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken. 3 De leerlingen kunnen de symbolen =, ≠, > en < correct gebruiken. 4 De leerlingen kunnen de getallen tot 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen. 5 De leerlingen kunnen de positie van een getal beschrijven met de begrippen ‘voor’, ‘na’, ‘tussen’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘net voor’ en ‘net na’. 6 De leerlingen kunnen een gegeven aantal tot 5 handig tellen door te turven. 7 De leerlingen kunnen hun turfresultaat noteren in een tabel.
D
IE
Bewerkingen 8 De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 2, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen. (type: optellen en aftrekken - vergelijking) 9 De leerlingen kunnen de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’, ‘vermeerderen’, ‘min’, ‘wegnemen’, ‘afnemen’ en ‘verminderen’ en de wiskundige notaties ‘+’ en ‘–’ hanteren en begrijpen.
AA
R
Meten en metend rekenen 10 De leerlingen kunnen bij het vergelijken en meten van de tijd de begrippen ‘lang’, ‘langer’, ‘langst’, ‘kort’, ‘korter’ en ‘kortst’ correct gebruiken. 11 De leerlingen kunnen zeggen welke dag het vandaag is, welke dag het (eer)gisteren was en welke dag het (over)morgen zal zijn.
EX
Lesmaterialen
EM
PL
Meetkunde 12 De leerlingen kunnen pictogrammen die een richting aanduiden, lezen en gebruiken. 13 De leerlingen kunnen pijlen als symbool voor richting hanteren. 14 De leerlingen kunnen de zin van beweging verwoorden door gebruik te maken van de begrippen ‘vooruit’, ‘achteruit’, ‘omlaag’, ‘omhoog’, ‘door’, ‘verder af’, ‘schuin naar’, ‘recht naar’, ‘van mij weg’, ‘naar mij toe’, ‘in de richting van’, ‘dichtbij’, ‘naar boven’, ‘naar beneden’ …
IN
KI
JK
- concordantie - Kabas ( adaptief met Kai) en/of kopieerblad 27 (spoor 1), kopieerblad 28 (spoor 2) en kopieerblad 29 (spoor 3) - correctiesleutels van kopieerbladen 27, 28 en 29 - Bij kopieerblad 27 (spoor 1) en 28 (spoor 2) is er een verwijzing naar de bijhorende instructievideo’s. De leerlingen kunnen de instructievideo’s bekijken ter ondersteuning. - Bij alle kopieerbladen is er een verwijzing naar de Sloep. Leerlingen kunnen de Sloep gebruiken ter ondersteuning. - individuele schatkisten Wiskundetaal in deze les achteruit gelijk maken eergisteren getal (niet) evenveel getalbeeld (niet) gelijk getallenas
gisteren kortst langst links
meer (dan) minder (dan) morgen net na
net voor overmorgen rechts tellen
turven tussen vandaag vooruit
Wiskundige notaties in deze les = ≠
>
<
+
–
221
Leerlijn Deze les is een herhalingsles. De leerlingen herhalen de leerinhouden van les 28 tot en met les 50 van de Kaap.
Voor de les Voor leerlingen die de herhalingsles op papier maken: Kopieer voor elke leerling de kopieerbladen van het juiste spoor. Voorzie voldoende correctiesleutels zodat de leerlingen hun werk zelf kunnen controleren.
RE
Voor leerlingen die de herhalingsles digitaal maken: Zorg ervoor dat elke leerling op een digitaal medium kan oefenen.
KE
1
U
LESVERLOOP Voorkennis activeren en lesdoel
R
D
IE
Bij Kadet streven we ernaar dat alle leerlingen de herhalingsles minstens op het niveau van spoor 2 kunnen maken. Dit is immers ook het niveau waarop de evaluatie aangeboden wordt. Het inschatten van het niveau kan door alle voorkennis in kaart te brengen. Dat kan door de gemaakte oefeningen en de lesobservaties te raadplegen. Zo kun je bijvoorbeeld leerlingen die de voorbije lessen veel knoopoefeningen correct gemaakt hebben dadelijk op spoor 3 laten starten. Intussen kun je bij het overlopen van de oefeningen van de herhalingsles (spoor 1 en 2) (zie 2.1) nog bijkomende vragen stellen om het oefenniveau van de leerlingen scherp te stellen.
AA
Uit de informatie die je verzameld hebt, kan blijken dat spoor 2 niet voor alle leerlingen het juiste oefenniveau is. Maak in dat geval gebruik van verlengde en verdiepende instructie (zie 2.3).
Kern
EM
2
PL
In deze les herhalen de leerlingen systematisch de leerinhouden van 28 tot en met les 50.
EX
2.1 Instructie en begeleide inoefening
JK
Voor leerlingen die de herhalingsles op papier maken: Deze les is een herhalingsles. Bespreek kort de verschillende oefeningen. Geef tips waar mogelijk.
KI
Getallenkennis
IN
Oefening 1
Oefening 2
Wijs de leerlingen erop dat de getallenrij onderaan bij elke opgave een hulpmiddel is. De leerlingen kunnen in deze rij op zoek gaan naar het passende getal, alvorens het te schrijven.
Oefening 4
Bekijk de afbeeldingen van Henk de haai die bij de oefening staan. Laat de leerlingen de betekenis van de symbolen > en < verwoorden voor ze met de oefening aan de slag gaan.
Oefening 5
Laat de leerlingen de getallenrij opzeggen (akoestisch tellen) terwijl ze met hun vingers over de getallenas gaan.
Oefening 6
Lees traag voor. Leg de nadruk op ‘tussen’, ‘voor’ en ‘na’.
Oefening 7
Herhaal eerst de werkwijze van het turven. Laat de leerlingen luidop tellen en intussen hun vinger bewegen over de streepjes van het turf-pictogram.
Bewerkingen
222
Geef de leerlingen een vaste structuur bij het maken van de oefening: eerst tellen, dan het getalbeeld kleuren en tot slot het getal kleuren.
Oefening 8, 9 en 10
Laat de leerlingen naleggen met jetons. Leg de nadruk op evenveel = of gelijk =.
Meten en metend rekenen Oefening 11
Laat de leerlingen eerst vertellen wat ze op de foto’s zien.
Meetkunde Oefening 13 en 14
Voer deze oefening onder begeleiding uit. Doe mee aan het bord. Doe dit stap voor stap. Werk eventueel met een pion die de pijlen uitvoert en teken dan de weg.
RE
Getallenkennis Laat leerlingen die er nood aan hebben het getalbeeld eerst in de lucht stempelen alvorens ze het tekenen.
Oefening 4
Herinner de leerlingen aan Henk de haai. Laat hen verwoorden dat Henk altijd naar het meeste hapt.
U
Oefening 1
Bewerkingen
Verwittig de leerlingen dat je de oefeningen één keer zal uitleggen. Leg de drie oefeningen in één keer uit. Wijs hen erop dat, wanneer ze vergeten zijn wat ze moeten doen, ze naar de pictogrammen kunnen kijken.
KE
Oefening 8, 9 en 10
Meten en metend rekenen Laat de leerlingen eerst vertellen wat ze op de foto’s zien.
IE
Oefening 11 Meetkunde
D
Laat de leerlingen zelf verwoorden wat de getallen voor de pijlen betekenen. Zo hebben ze de werkwijze door. Stel hen gerust en zeg dat ze dit reeds in de scheurblokken geoefend hebben.
AA
R
Oefening 13 en 14
Getallenkennis
Oefening 3 en 4 Wijs de leerlingen erop er soms meerdere antwoorden mogelijk zijn. Vestig de aandacht van de leerlingen op de pijl die de richting van de getallenas aanduidt.
Meten en metend rekenen
Laat de leerlingen eerst vertellen wat ze op de foto’s zien.
EM
Oefening 11
PL
Oefening 5
Laat de leerlingen onmiddellijk aan het werk gaan. Het is de bedoeling dat ze veel oefenkansen krijgen.
EX
2.2 Zelfstandige verwerking
JK
Voor de leerlingen die de herhalingsles op papier maken: Laat de leerlingen die de lesdoelen voldoende beheersen zelfstandig aan de slag gaan.
KI
Spreek vooraf een werktijd af en laat deze zien op de timer. Stimuleer de leerlingen zo om hun tijd te plannen.
Als de leerlingen klaar zijn, mogen ze hun oefeningen corrigeren aan de hand van de correctiesleutels.
IN
Voor de leerlingen die de herhalingsles digitaal maken: Geef aan hoelang de leerlingen op hun digitaal medium kunnen oefenen. Visualiseer indien mogelijk de tijd.
2.3 Verlengde en verdiepende instructie Voorzie verlengde instructie voor leerlingen die de lesdoelen onvoldoende beheersen. Doe voor, begeleid en stuur bij waar nodig. Laat hen zo snel mogelijk overschakelen naar de oefeningen op spoor 2. Leerlingen die nood hebben aan verdiepende oefening en/of instructie gaan van bij het begin van de les zelfstandig aan het werk. Laat hen doordacht en planmatig werken: - WAT? Wat moet ik doen? Ik lees de opdracht goed en analyseer.
223
- HOE? Hoe ga ik dit doen? Ik maak vooraf een plan van hoe ik het zal oplossen. - IK DOE. Ik doorloop alle stappen en voer de opdracht uit. - IK CONTROLEER. Ik voer de stappen van de controle uit.
3
Lesafsluiter
KE
U
RE
Voor de leerlingen die de herhalingsles op papier maken: In de herhalingslessen staat er bij ieder kopieerblad een kaart met een bestemming (schatkist) op. Deze kaart is bedoeld als zelfevaluatiemoment. Het dient om even stil te staan bij de vragen: ‘Ging het goed?’, ‘Ken ik het?’, ‘Ben ik klaar voor de toets die volgt?’. De leerling overloopt de oefeningen van het kopieerblad en schat per domein voor zichzelf in hoe goed de oefeningen lukten. - Een kruisje dicht bij/op de bestemming (schatkist): ‘Ik kan deze oefeningen vlot, ik ben klaar voor de toets!’ - Een kruisje halverwege de weg naar de bestemming: ‘Ik heb nog wat moeite, ik moet mij nog wat voorbereiden op de toets.’ - Een kruisje op het begin van de weg naar de bestemming, dicht bij/op het schip: ‘Ik heb nog moeite met dit domein en oefen nog verder in.’ Voer dit zelfevaluatiemoment begeleid uit. Laat de leerlingen bewust de afweging maken waar ze denken te staan. Je kunt hun zelfevaluatie in een andere kleur bevestigen of aanpassen eens je de oefeningen verbeterd hebt.
IE
Voor de leerlingen die de herhalingsles digitaal maken: Ook digitaal kan een leerling voor zichzelf inschatten hoe goed de oefeningen binnen een domein lukten.
IN
KI
JK
EX
EM
PL
AA
R
D
In deze les herhaalden de leerlingen de belangrijkste leerinhouden die ze in (dit deel van) de Kaap geleerd hebben. Deze herhalingsles bereidt hen voor op de toets die binnenkort volgt.
224
1 KAAP 1 • LES 53-56 Evaluatie en differentiatie
4 x 25’
Lesdoelen
KE
U
RE
Getallenkennis 1 De leerlingen kunnen de getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen en getalbeelden. 2 De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken. 3 De leerlingen kunnen de getallen tot 5 ordenen en ze op de getallenas plaatsen. 4 De leerlingen kunnen de positie van een getal beschrijven met de begrippen ‘voor’, ‘na’, ‘tussen’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘net voor’ en ‘net na’. 5 De leerlingen kunnen de symbolen =, ≠, > en < correct gebruiken. 6 De leerlingen kunnen een gegeven aantal tot 5 handig tellen door te turven. 7 De leerlingen kunnen hun turfresultaat noteren in een tabel.
D
IE
Bewerkingen 8 De leerlingen kunnen aantallen en getalbeelden tot 5, met een verschil van 2, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen. (type optellen en aftrekken - vergelijking) 9 De leerlingen kunnen met concrete materialen optellingen en aftrekkingen tot 5 uitvoeren en verwoorden. (type oorzaak-verandering en combinatie) 10 De leerlingen kunnen de begrippen ‘bijdoen’, ‘toevoegen’, ‘plus’, ‘samen’, ‘wegnemen’, ‘min’, ‘vermeerderen’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ en de wiskundige notaties ‘+’ en ‘–‘ hanteren en begrijpen.
PL
AA
R
Meten en metend rekenen 11 De leerlingen kunnen bij het vergelijken en meten van de tijd de begrippen ‘lang’, ‘langer’, ‘langst’, ‘kort’, ‘korter’ en ‘kortst’ correct gebruiken. 12 De leerlingen kunnen zeggen welke dag het vandaag is, welke dag het (eer)gisteren was en welke dag het (over)morgen zal zijn.
Lesmaterialen
EM
Meetkunde 13 De leerlingen kunnen pictogrammen die een richting aanduiden, lezen en gebruiken. 14 De leerlingen kunnen de richting van beweging van voorwerpen in de ruimte tegenover andere voorwerpen bepalen.
KI
JK
EX
- concordantie - Kabas: Toets Kaap 1 les 53-56 Let op: Niet alle oefeningen kunnen de leerlingen digitaal maken. Druk hiervoor de aparte toets niet-gedigitaliseerd oefeningen af, als je verder volledig digitaal werkt. - kopieerblad 30: Toets - individuele schatkisten - speelgoedauto en boek - rood, geel en blauw potlood per leerling
IN
Wiskundetaal in deze les achteruit getallenas gelijk gisteren getal langst Wiskundige notaties in deze les = ≠
(naar) links net voor morgen (naar) rechts net na
>
<
turven tussen
vandaag vooruit
+ –
225
Leerlijn Deze les is een evaluatieles van les 26 tot en met les 47 van de Kaap.
Voor de les Voor leerlingen die de evaluatieles op papier maken: Kopieer voor elke leerling de kopieerbladen van de toets.
RE
Voor leerlingen die de evaluatieles digitaal maken: Zorg ervoor dat elke leerling op een digitaal medium kan werken.
U
LESVERLOOP
KE
Vertel de leerlingen dat ze tijdens deze les een toets gaan maken.
IE
Voor leerlingen die de evaluatieles op papier maken: Deel de toetsbladen uit en vraag hen om onmiddellijk hun naam en de datum op de bladen te noteren. Begeleid de toets klassikaal. Lees de opdracht voor, bied de leerlingen de kans om onduidelijkheden te melden en vragen te stellen en laat hen de opdracht oplossen. Geef ook didactische tips mee waar het kan.
R
D
Voor leerlingen die de evaluatieles digitaal maken: Begeleid de toets klassikaal door de oefeningen digitaal te openen en te projecteren. Lees de opdracht voor en bied de leerlingen de kans om onduidelijkheden te melden en vragen te stellen. Geef ook didactische tips mee waar het kan.
/25
EM
Getallenkennis
PL
AA
Geef de leerlingen enkele algemene tips mee: - Duid alle opdrachten met een markeerstift aan. - Kijk goed wat je moet doen. Kijk ook naar de pictogrammen. - Blijf rustig als je het antwoord niet onmiddellijk weet. - Werk niet te snel. - Overkijk je toets goed als je klaar bent: heb je alles ingevuld, kunnen alle oplossingen?
Doel 1 Kaap 1 les 41
IN
KI
JK
EX
1 Getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen
Wijs de leerling erop dat ze eerst goed moeten tellen vooraleer ze het bijhorende getal kleuren. De leerlingen kunnen de getelde schelpen doorstrepen. Zo voorkomen ze dat ze tweemaal dezelfde schelp tellen. 1 punt per juist antwoord De leerlingen kleuren het verkeerde getal.
226
Dit kan twee oorzaken hebben: - Ze hebben fout geteld. Neem hen nog even apart om aanwijzend te tellen. - Ze herkennen de getallen nog niet. Oefen de koppeling tussen aantal en getal verder in.
2 Getallen tot 5 koppelen aan de bijhorende aantallen en getalbeelden Doel 1 Kaap 1 les 30 Kaap 1 les 31 Kaap 1 les 32 Kaap 1 les 40
RE
Benadruk dat de leerlingen de getallen correct moeten schrijven. Laat hen denken aan de verwoording die ze geleerd hebben.
U
1 punt per juist antwoord
Hun antwoord is juist. Doorstreep dit niet als fout. Schrijf het getal er correct onder en bespreek. Bied een getallenkaart (spiekkaart) op de bank aan als hulpmiddel bij het correct schrijven van getallen.
De leerlingen schrijven het verkeerde getal.
De koppeling tussen aantal, getalbeeld en getal is nog niet voldoende gekend. Oefen deze verder in.
D
IE
KE
De leerlingen spiegelen het getal.
AA
R
3 Getalbeelden en getallen tot 5 vergelijken met = en ≠
Kaap 1 les 34 Kaap 1 les 35 Kaap 1 les 36 kaap 1 les 47
PL EM
Doel 2 en 5
Wijs de leerlingen erop dat ze enkel mogen kiezen tussen = en ≠. 1 punt per juist antwoord
Ze kennen onvoldoende het verschil tussen = en ≠. Herhaal de betekenis nog enkele keren. Verwoord duidelijk.
JK
EX
De leerlingen vullen het verkeerde symbool in.
IN
KI
4 Getalbeelden en getallen tot 5 vergelijken met > en < Doel 2 en 5 Kaap 1 les 34 Kaap 1 les 35 Kaap 1 les 36 kaap 1 les 47
Wijs de leerlingen erop dat ze enkel mogen kiezen tussen > en <. Herinner hen aan Henk de haai. 1 punt per juist antwoord De leerlingen vullen het verkeerde symbool in.
Ze kennen onvoldoende het verschil tussen > en <. Herhaal het verhaal van Henk de haai. Oefen dit regelmatig als tussendoortje.
227
5 Getallenas tot 5 Doel 3 Kaap 1 les 42 Geef mee dat er hier en daar een getal ontbreekt op de getallenas. Wijs de leerlingen erop dat ze de tijd moeten nemen om na te denken, maar ook om het getal correct te vormen. 1 punt per juist antwoord Leg de getallenas gedurende enkele weken op de bank. Verwijs ook vaak naar de klassikale getallenas. Bied regelmatig (begeleide) oefenkansen aan.
U
RE
De leerlingen vullen de verkeerde getallen in.
KE
6 Positie van een getal op de getallenas
Doel 3 en 4
D
IE
Kaap 1 les 42
R
Laat de leerlingen indien nodig gluren naar de getallenas van oefening 5. Leg het accent op de begrippen net voor, tussen en net na.
AA
1 punt per juist antwoord
IN
KI
JK
EX
EM
PL
Leerlingen verwarren net voor en net na.
228
Laat vijf leerlingen nog eens in een rij na elkaar staan. Oefen zo veelvuldig op de begrippen net voor en net na. Duid aan op de klassikale getallenas: VOOR met een pijl naar links en NA met een pijl naar rechts.
7 Aantallen handig turven en noteren in tabel Doel 6 en 7
D
IE
KE
U
RE
Kaap 1 les 48
R
Geef de tip om elk geteld dier of voorwerp te doorstrepen om te vermijden dat ze die tweemaal tellen.
/10
EM
Bewerkingen
PL
De leerlingen turven verkeerd.
AA
1 punt per juist turfbeeld
Demonstreer het turven opnieuw. Herhaal dat je de vijfde streep van linksonder naar rechtsboven trekt. Voorzie voldoende begeleide oefenkansen.
Doel 8 en 10 Kaap 1 les 44
JK
EX
8 Aantallen tot 5 gelijk maken: wegnemen
IN
KI
Wijs de leerlingen erop dat er aan elke kant een verschillend aantal figuren staan. Benadruk dat je wil dat er evenveel figuren aan elke kant komen en dat ze dit enkel mogen bekomen door ergens figuren te doorstrepen. Het aantal figuren moet gelijk zijn. 1 punt per juist antwoord De leerlingen maken gelijk door bij te tekenen.
Wijs er hen goed op dat ze nergens mogen bijtekenen, maar dat ze moeten doorstrepen.
229
9 Aantallen tot 5 gelijk maken: bijdoen Doel 8 en 10 Kaap 1 les 44
Wijs de leerlingen erop dat aan elke kant een verschillend aantal figuren staan. Benadruk dat je wil dat er evenveel figuren aan elke kant komen en dat ze dit enkel mogen bekomen door ergens figuren bij te tekenen. Het aantal figuren moet gelijk zijn.
RE
1 punt per juist antwoord Wijs er hen goed op dat ze nergens mogen doorstrepen, maar dat ze moeten bijtekenen.
U
De leerlingen maken gelijk door te doorstrepen.
KE
10 Aantallen tot 5 gelijk maken: wegnemen of bijdoen
Doel 8 en 10
AA
R
D
IE
Kaap 1 les 44
1 punt per juist antwoord
PL
Wijs de leerlingen erop dat er aan elke kant een verschillend aantal figuren staan. Benadruk dat je wil dat er evenveel figuren aan elke kant komen en dat ze nu mogen kiezen hoe ze het oplossen: ofwel bijtekenen ofwel doorstrepen. Het aantal figuren moet gelijk zijn.
EM
De leerlingen maken een combinatie van bijtekenen en doorstrepen.
Benadruk dat het ofwel doorstrepen is ofwel bijtekenen. NIET allebei!
EX
11 Handelend optellen en aftrekken tot 5
Doel 9 en 10
KI
JK
Kaap 1 les 45 Kaap 1 les 46
IN
Vertel een rekenverhaal per bewerking (een verhaal voor plus en een verhaal voor min) of toon een animatie uit les 44 en les 45. Breng na elk verhaal een controlerend bezoek aan elke leerling. Houd op het toetsblad of op een andere plek naar keuze bij of het verhaal correct gelegd werd met jetons. Hamer sterk op het gebruik van de woorden EERST, DAN, NU. Laat de leerlingen de jetons leggen terwijl je het verhaal voor de tweede keer vertelt. Laat hen stapsgewijs werken. 1 punt per juist antwoord De leerlingen werken op een verkeerde manier met hun jetons.
230
De leerlingen staan niet stil bij de verschillende stappen van een bewerking. Benadruk dat ze goed moeten luisteren hoeveel er EERST waren, wat er DAN gebeurde en hoeveel er NU zijn.
Meten en metend rekenen /5 12 Tijd ervaren Doel 11
KE
U
RE
Kaap 1 les 28
Wijs de leerlingen erop dat ze telkens de activiteiten die naast elkaar staan, moeten vergelijken. Vertel bij de tweede foto dat het gaat om de korte pauze (of speeltijd), niet over de middagpauze.
IE
1 punt per juist antwoord
Oefen de begrippen langst en kortst opnieuw in. Bij het woord langst kun je een beweging uitvoeren met de handen die uit elkaar gaan. Dit om de betekenis van lang te benadrukken.
R
D
De leerlingen kruisen aan wat het kortst duurt.
Doel 12 Kaap 1 les 30
EM
PL
AA
13 Vandaag, gisteren en morgen
EX
Opdrachten: - Vandaag is het woensdag. Kleur het hokje bij deze dag rood. - Welke dag zal het morgen zijn? Kleur het hokje bij deze dag geel. - Welke dag was het gisteren? Kleur het hokje bij deze dag blauw.
JK
Lees de opdrachten meermaals voor indien nodig.
IN
KI
1 punt per juist antwoord De leerlingen verwarren de begrippen morgen en gisteren.
Oefen de begrippen in aan de hand van een weekschema.
231
Meetkunde /5 14 Plaatsbepaling: beweging van zichzelf Doel 13
IE
KE
U
RE
Kaap 1 les 39 Kaap 1 les 40
1 punt per 4 juiste stappen die werden gezet
PL
AA
De leerlingen komen op de verkeerde plaats uit. Ze zijn net één hokje te weinig vooruitgegaan.
R
D
Laat de leerlingen hun potloodpunt in het hokje van de kikker plaatsen. Ze tekenen de weg met hun potlood. Benadruk dat ze de opdracht van links naar rechts lezen.
De leerlingen tellen het hokje waar ze nu staan ook mee als één sprong. Ze vergeten al onmiddellijk één sprong te maken wanneer ze ‘1’ zeggen.
EM
15 Plaatsbepaling: beweging van een voorwerp
Doel 14 Kaap 1 les 39 Kaap 1 les 40
JK
EX
Opdrachten: - Laat de auto achteruit rijden tot tegen het boek. - Parkeer de wagen zo dat het boek links ligt en je hand rechts. Herhaal de opdracht indien nodig.
IN
KI
1 punt per juist uitgevoerde opdracht De leerlingen kunnen geen twee opdrachten tegelijk uitvoeren.
Splits de opdracht op. Geef eerst het eerste, dan pas het tweede deel van de opdracht.
De leerlingen kennen bepaalde begrippen niet.
Herhaal handelend de begrippen en laat eventueel woordkaarten erbij hangen.
De leerlingen kennen het verschil niet tussen links en rechts.
Bied hen steeds dezelfde houvast om dit verschil aan te leren. Duid dit eventueel aan met een teken op hun bank en in de klas.
Geef een automatisch gedifferentieerde taak voor de lesdoelen waarop de leerlingen minder goed scoren.
232
1 KAAP 1 • LES 57-60 • PROBLEEMOPLOSSEND DENKEN EN VRAAGSTUKKEN Thematische outro
4 x 25’
Lesdoelen
6
RE
2 3 4 5
De leerlingen kunnen problemen met wiskundige elementen in spel- en leersituaties oplossen door hun ideeën te delen met anderen. De leerlingen kunnen synchroon en resultatief tellen tot 5. De leerlingen kunnen objecten situeren in een ruimte op basis van positie en afstand. De leerlingen kunnen een rangorde tot 5 aangeven bij een afgesproken telrichting. De leerlingen kunnen de begrippen ’voor’, ‘na’, ‘middelste’, ‘op één na laatste’, ‘voorlaatste’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘vorige’, ‘volgende’, en de rangtelwoorden ‘eerste’, ‘tweede’, ‘derde’, ‘vierde’ en ‘vijfde’ correct gebruiken. De leerlingen kunnen herhalende patronen met maximum drie verschillende elementen herkennen en (na)maken.
U
1
KE
Lesmaterialen
EX
EM
PL
AA
R
D
IE
- concordantie - werkboek p. 40 - papieren boten uit les 1 en 2 - bijlage: Drijven - bijlage: Zinken - presentatie: Memo-moment Kadet 1 Kaap 1 - lied: Wij zijn kadetten van de zee (Kaap 1) - wisbord, stift en uitwisser per leerling - watertafel - emmer water per groepje - doos met spullen om na te gaan wat drijft of zinkt: kurk, steen, muntstuk, blok, klei, stukje hout, kaars, stuk zeep, stuk fruit, stuk metaal, potlood ... - 5 dozen met daarop een getalbeeld van 1 tot 5 - 3 kurken per groep van 3 tot 4 leerlingen - stuk rechthoekig papier per groep van 3 tot 4 leerlingen - tandenstoker per groep van 3 tot 4 leerlingen - papier voor vlag per groep van 3 tot 4 leerlingen - stevige lijm en stiften per groep van 3 tot 4 leerlingen - ventilator - stikkers of kleine etiketten - 10 houten blokken (kubussen) - rode, blauwe en gele stift per leerling
JK
Wiskundetaal in deze les getal juist (voor/na) getalbeeld laatste
middelste
(in het) midden (van)
rang
voorlaatste
IN
KI
Wetenschappelijke taal in deze les drijven voorspelling zinken
Leerlijn Wat ging vooraf? In deze Kaap lag de focus op getallenkennis tot 5, het leren schrijven van de cijfers 0 tot en met 5, optellen en aftrekken tot 5, en patronen en plaatsbepaling. Wat volgt? In de volgende Kaap wordt de getallenkennis uitgebreid van 5 naar 10. De leerlingen leren alle cijfers schrijven en oefenen het optellen en aftrekken tot 5 verder in. Het splitsen wordt geïntroduceerd en er wordt aandacht besteed aan het kwalitatief vergelijken van lengte, oppervlakte, inhoud en massa. Tot slot maken de leerlingen ook kennis met verschillende gezichtspunten.
233
Voor de les Zet de watertafel klaar om de boten in te laten varen. Breng een ventilator mee. Zorg dat er 5 dozen klaarstaan met knutselmateriaal om de boot te bouwen. Op elke doos moet een getalbeeld van 1 tot 5 staan. Zorg eveneens dat de stiften, scharen en lijm klaarstaan. Zet een doos klaar met spullen om na te gaan wat drijft of zinkt. Voorzie ook voor elke groep een emmer met water. Gebruik ook de papieren bootjes uit les 1 en 2.
LESVERLOOP Terugblik op de Kaap en lesdoelen
RE
1
U
Laat de leerlingen vertellen wat ze allemaal in Kaap 1 geleerd hebben. Blader samen door het werkboek.
Kern
R
2
D
IE
KE
In deze les gebruiken de leerlingen het tellen, de getalbeelden, hun kennis over rangorde ... bij het maken van een boot. Daarmee nemen ze deel aan een botenrace. Deze outro gebruikt een STEM-probleem rond drijven en zinken om de aangeleerde wiskundige inhouden te herhalen en toe te passen binnen een betekenisvolle context. Focusdoelen: ‘Ik kan tellen en terugtellen tot 5.’, ‘Ik herken de cijfers en getalbeelden tot 5.’ en ‘Ik kan patronen maken.’ Bespreek de doelen met de leerlingen en visualiseer ze aan het bord zodat je er tijdens de lesafsluiter naar terug kan grijpen.
2.1 Probleemstelling
PL
AA
Wat hebben we al veel geleerd in Kaap 1! Weten jullie nog dat we tijdens onze allereerste les boten hebben gevouwen? Vandaag gaan we met onze boten aan de slag. Zijn jullie benieuwd of jullie boot echt goed kan varen? Voor we onze boten in het water laten, gaan we eerst even nadenken. Wat denken jullie dat er zal gebeuren? - Blijft jouw boot drijven? - Zal het zinken? - En als het niet zinkt, hoelang zal het blijven drijven, denk je?
EM
Laat enkele leerlingen kort reageren. Maak daarna enkele klassikale voorspellingen, bijvoorbeeld: ‘We denken dat de bootjes eerst zullen drijven, maar na een tijdje zullen zinken omdat ze nat worden.’ Schrijf de voorspelling op het bord, zodat je ze nog eens kan voorlezen op het einde van het experiment.
JK
EX
Laat enkele leerlingen hun boot in de watertafel plaatsen en observeer wat er gebeurt. Vergelijk de observatie dat papier wak wordt en niet blijft drijven met de opgeschreven voorspelling en trek een conclusie. Introduceer daarna het probleem: ‘Hoe kunnen we een zeilboot maken die wel blijft drijven?’
2.2 Drijven en zinken
IN
KI
We gaan een zeilboot maken die niet kan zinken. We hebben al gemerkt dat papier niet blijft drijven. We moeten dus op zoek naar materiaal dat wel blijft drijven. Welk materiaal kunnen we daarvoor gebruiken? We testen het samen uit. Organiseer onderstaande testen in verband met drijven en zinken in groepen van drie tot vier leerlingen. Dat verhoogt de betrokkenheid van de leerlingen. Voorzie voldoende materiaal per groep.
Verdeel het materiaal per groep: een emmer met water, een doos met materialen en de bijlagen Drijven en Zinken. Eén groep kan aan de watertafel werken, de rest werkt met de emmers. Laat de leerlingen eerst voorspellen welk materiaal zal blijven drijven of zal zinken door hen dat materiaal op de bijlagen te laten leggen. Laat de groepen elkaars voorspelling bekijken. Bespreek waar de verschillen zitten en laat een voorspelling formuleren over welke materialen zullen blijven drijven en welke zullen zinken. Laat de leerlingen hun voorspelling uittesten.
234
Wanneer we nu alles goed bekijken, wat kunnen we dan gebruiken zodat onze boot goed zou drijven? De leerlingen zullen zeker hout als grondstof voorstellen. Geef aan dat dat zeker zou kunnen, maar dat we dan dagen nodig zouden hebben om er een mooie boot van te maken.
2.3 We maken een boot
Het is de bedoeling dat de leerlingen tijdens de les zelf een boot bouwen. Daarvoor mogen ze al het knutselmateriaal gebruiken dat in de klas aanwezig is. Elke groep mag hun boot ook versieren door er een herkenbaar patroon op aan te brengen. Geef mee dat de boten aan twee voorwaarden moeten voldoen: - De boot moet blijven drijven en mag niet zinken. - De boot moet vooruit kunnen gaan met de wind (ventilator).
KE
U
RE
Laat de leerlingen eerst goed nadenken voordat ze aan de opdracht beginnen. Laat hen daarom binnen hun groep volgende vragen bespreken: - Welk materiaal gaan we gebruiken? - Welke materialen drijven goed? - Hoe gaan we onze boot vormen zodat hij niet zinkt? - Hoe zorgen we ervoor dat de wind onze boot kan vooruitduwen?
R
D
Gebruik waar nodig ondersteunende vragen: - Waar blaast de wind tegen? (bijvoorbeeld: een zeil) - Kan je iets rechtop zetten om de wind te vangen? - Kan je materiaal gebruiken dat licht is én blijft drijven? - Hoe kan je meerdere kleine onderdelen samen gebruiken als basis? -…
IE
Ga rond bij de groepen en stimuleer hen om terug te denken aan de test met de papieren boten en de proeven rond drijven en zinken.
EM
PL
AA
Zet de dozen met daarop de getalbeelden klaar. Zorg dat elke doos de knutselmaterialen bevat zoals hierboven opgesomd. Lees de instructies voor. Laat telkens een leerling per groep de materialen uit de doos met het juiste getalbeeld nemen. Laat alle leerlingen de juiste hoeveelheid aanduiden in het werkboek. - Neem 3 kurken uit de doos met getalbeeld 3. - Neem 2 tandenstokers uit de doos met getalbeeld 2. - Neem 2 elastieken uit de doos met getalbeeld 5. - Neem 1 stuk papier uit de doos met het getalbeeld 1. - Neem nog een stuk papier dat past bij het andere stuk papier en neem ook een schaar. Die neem je uit de doos met getalbeeld 4. - Neem uit de doos met getalbeeld 5 de lijm en stiften.
IN
KI
JK
EX
Laat de leerlingen eerst zelf proberen om een boot te maken. Hieronder staan de instructies neergeschreven indien nodig: - Leg de kurken naast elkaar, met de lange zijde tegen elkaar. - Smeer lijm tegen de zijkanten van de kurken en druk ze stevig samen. - Bind elastieken rond de kurken, zo blijven ze stevig vastzitten. - Prik de tandenstoker in de middelste kurk, netjes in het midden. - Versier het stuk papier met patronen. - Prik onderaan en bovenaan in het stuk papier, telkens in het midden, een klein gaatje met de tandenstoker. - Schuif het papier over de tandenstoker. - Maak een vlag en plak die aan de bovenkant van de tandenstoker.
235
Loop rond, stel hulpvragen en geef feedback. Help waar nodig, maar stuur niet te sterk richting het modelvoorbeeld, ook andere ontwerpen zijn goed. Geef de leerlingen de tijd om elkaars boot te bewonderen.
2.4 De botenrace
Wanneer alle groepen hun boot afhebben, kan de race beginnen. Neem de ventilator erbij. Plaats de boten om beurten, per vijf, aan de startlijn. Laat de ventilator blazen. Houd goed de positie van de boten in de gaten. Laat de leerlingen de volgorde verwoorden: de boot van groep X is de eerste, de boot van groep Y is de tweede … Laat hen daarbij de begrippen eerste, middelste, laatste, voorlaatste, juist voor, juist na … gebruiken.
3
KE
U
RE
Telkens wanneer er een race voorbij is, plaats je de boten op hun verdiende podia (gebruik daarvoor blokkentorens van 1 blok hoog, 2 blokken hoog … 5 blokken hoog). Verwoord: - De boot van X was de eerste, dus die mag op de hoogste toren komen. - De boot van Y was de tweede, dus die mag op de tweede hoogste toren komen. -…
Lesafsluiter
R
D
IE
Sluit de les af door terug te blikken op de opdracht. Laat de leerlingen vertellen hoe vlot het ging om zelf een bootje te maken. Laat hen eveneens verwoorden hoe ze de botenrace ervaarden. Blik ook terug op de lesdoelen ‘Ik kan tellen en terugtellen tot 5.’, ‘Ik herken de cijfers en getalbeelden tot 5.’ en ‘Ik kan patronen maken.’ en laat de leerlingen aangeven welke lesdoelen nog extra aandacht nodig hebben. Doe dat door ze hun duim te laten opsteken: duim omhoog (dit lesdoel lukt goed), duim horizontaal (ik kan nog wat oefening gebruiken voor dit lesdoel) of duim naar beneden (dit lesdoel lukt nog niet goed).
PL
AA
Beluister en zing samen met de leerlingen het lied Wij zijn kadetten van de zee (Kaap 1). Het lied is beschikbaar op Kabas en kan gebruikt worden tijdens een muzisch moment of als muzisch tussendoortje. Dit lied wordt doorheen de Kapen verder opgebouwd.
EM
MEMO-MOMENT Aan het einde van elke outroles herhalen de leerlingen de leerstof uit de vorige Kapen. Zo zorgt Kadet voor een diepe verankering en beter onthouden. We werken doelbewust niet digitaal en niet in het werkboek. We laten leerlingen oefenen met hun wisbord en werken bij het signaleren met rode, blauwe en gele stiften. De opdrachten zijn terug te vinden in de presentatie Memo-moment Kadet 1 Kaap 1.
JK
EX
Wisbord - tekenen Volgende doelen worden bevraagd: - De leerlingen kunnen getalbeelden tot 5 leggen, tekenen en stempelen. - De leerlingen kunnen aantallen tot 5, met een verschil van 2, gelijk maken door bij te doen of weg te nemen. (type: optellen en aftrekken - vergelijking) - De leerlingen kunnen herhalende patronen met maximum drie verschillende elementen herkennen en (na)maken.
IN
KI
Bewegen en/of signaleren Volgende doelen worden bevraagd: - De leerlingen kunnen de begrippen ‘voor’, ‘na’, ‘laatste’, ‘middelste’, ‘op één na laatste’, ‘voorlaatste’, ‘juist voor’, ‘juist na’, ‘vorige’, ‘volgende’ en de rangtelwoorden ‘eerste’, ‘tweede’, ‘derde’, ‘vierde’ en ‘vijfde’ correct gebruiken. - De leerlingen kunnen begrippen als ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer (dan)’, ‘1 meer (dan)’, ‘2 meer (dan)’, ‘minder (dan)’, ‘1 minder (dan)’, ‘2 minder (dan)’, ‘evenveel’ en ‘gelijk’ correct gebruiken. - De leerlingen kunnen zeggen welke dag het vandaag is, welke dag het (eer)gisteren was en welke dag het (over) morgen zal zijn.
236
237
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE
238
IN EM
EX
JK
KI
R
AA
PL D
IE
U
KE
RE