1 KAAP 1 • LES 43 • GETALLENKENNIS Vergelijken tot 5 met > en <
25’
Lesdoelen 1 2 3
De leerlingen kunnen aantallen tot 5 vergelijken. De leerlingen kunnen begrippen als ‘gelijk’, ‘niet gelijk’, ‘evenveel’, ‘niet evenveel’, ‘meeste’, ‘minste’, ‘meer dan’ en ‘minder dan’ correct gebruiken. De leerlingen kunnen de symbolen > en < correct gebruiken.
Lesmaterialen - concordantie - werkboek p. 37 en/of digitaal werkboek - scheurblok - animatie: Henk de haai hapt naar het meeste - bijlage (uit les 40): Vissen - presentatie: Vergelijken tot 5 met > en < - instructievideo: De symbolen =, ≠, > en < tot 5 - Sloep p. X - digitale schatkist - individuele schatkisten - wisbord, stift en uitwisser per leerling - zelfgemaakte handpop Henk de haai Wiskundetaal in deze les aantal (niet) gelijk (niet) evenveel getal
getalbeeld meer dan
meeste minder dan
Wiskundige notaties in deze les = ≠
>
<
minste symbool
vergelijken
Leerlijn Wat ging vooraf? K1 L36 Vergelijken en ordenen tot 5 De leerlingen kunnen reeds getallen tot 5 vergelijken met de symbolen = en ≠. In deze les maken ze kennis met de symbolen > en <. Wat volgt? K1 L47 Vergelijken tot 5 met =, ≠, > en <
Voor de les Maak met een grijze sok de handpop Henk de haai. Versier om die aantrekkelijk te maken.
LESVERLOOP 1
Voorkennis activeren en lesdoel Activeer de voorkennis omtrent = en ≠. Open de presentatie Vergelijken tot 5 met > en <. Laat de leerlingen steeds de twee gegeven getallen vergelijken. Geef hen de opdracht om het passende symbool (= of ≠) op hun wisbord te noteren. Vraag om het wisbord op jouw teken in de lucht te steken. Bespreek klassikaal na. Gebruik hierbij de begrippen evenveel, niet evenveel, gelijk en niet gelijk.
187