ucatieve uitgaven
BIEB
Een korre vol verhalen Katrien Vervaele
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 4
2
Een korre vol verhalen 1
1
ZEEMEERMINNEN Of er zeemeerminnen bestaan? Natuurlijk pochen vissers wel eens dat ze er een hebben gezien. Daarmee kunnen ze een heel café stil krijgen. Ze vertellen dat zeemeerminnen treurig zijn als ‘t mooi weer is, maar blij als het regent. Dat ze wel eens rond het schip komen zwemmen en dat ze beginnen te zingen als er storm op til is. Zeker de jongere vissers moeten oppassen, want ze durven hen de zee in te lokken. Toch zijn zeelui niet happig om zeemeerminnen te zien en al zeker niet om ze in hun net te vangen. Want het zijn geen lieflijke wezens. Ze lijken helemaal niet op de kleine zeemeermin uit het sprookje. Dat is pas een fabeltje! Doorgaans zijn zeemeerminnen heel onbetrouwbaar. En bovenal voorspellen ze rampen. Zoals lang geleden gebeurde in Wenduine.
2
De zeemeermin van Wenduine Het was een mooie dag. De vloot2 van Wenduine, die toen nog 24 bootjes telde, lag in volle zee toen plots een zeemeermin opdook. Een jonge visser zag het. Hij zwaaide met zijn armen naar zijn vader die met zijn bootje iets verderop viste. Hij riep: ‘Vader, we moeten terug, ik heb een zeemeermin gezien, we moeten meteen terug!’ Maar zijn vader geloofde het niet en riep: ‘Een zeemeermin? Jongen toch! Hoog tijd dat je een lief zoekt aan wal! Zo moet je er geen in het water zoeken!’ ‘Geloof me toch, vader, laten we meteen terugvaren,’ riep de jongen in hevige paniek. ‘We krijgen zware storm!’ De vader riep: ‘Storm? Waar haal je ‘t? De wind staat goed.’ De jonge visser luisterde al niet meer naar zijn vader en voer zo snel hij kon terug naar de kust. Hij was gered, maar toen zag hij hoe er donkere wolken kwamen opzetten. De wind blies hoge golven. De zee ging schuimen. Het werd een zeer hevige storm. In die storm verging de boot van zijn vader. En ook de andere boten vergingen één voor één. Dat was het einde van de Wenduinse vissersvloot.
3
Zeemeerminnen werden gezien als voorbodes3 van onheil4. Wanneer vissers een zeemeermin zagen, draaiden ze meteen hun boot en gingen elders vissen. Of ze keerden terug naar de haven. Je wist maar nooit … En als ze een zeemeermin in hun netten vingen, gooiden ze haar meteen terug. Toch zijn er een aantal verhalen waarin dat niet gebeurde. De vissers vingen een zeemeermin en gooiden haar niet terug. Zoals op Schouwen-Duiveland, een eiland in het Nederlandse Zeeland.
4
De zeemeermin van Westenschouwen Rondom de stad Westenschouwen was de lucht wijd en hoog, de zee groot en machtig. Schepen vol rijkdom voeren de haven binnen. De stad groeide, werd steeds rijker, maar het maakte haar burgers hard en trots. Er waren nergens snellere schepen, er bestonden geen mooiere havens en er waren nergens zulke goede vissers, vertelden ze aan ieder die het horen wilde. Ze vonden het de gewoonste zaak van de wereld dat het goed met hen ging. Was er elders armoede? Eigen schuld! Werd er gevraagd om te helpen? Niets daarvan! Dop jullie eigen boontjes!
5
Maar op een dag gebeurde het volgende … Een van de vissersboten deed een vreemde vangst. Er spartelde een zeemeermin in het net. Ze had een vissenlijf bedekt met schubben, een paar blanke armen en een wondermooi gezicht omkruld door zeegroene haren. Eerst schrokken de vissers, maar toen ze zagen dat het gevangen wezen ongevaarlijk was, kregen ze pret. Ze begonnen te spotten en te lachen met haar. De zeemeermin weende en krabde met haar nagels in de mazen van het net. De vissers lachten nog luider. Ze riepen naar de andere schepen dat ze een zeemeermin hadden gevangen. Ze hesen het net hoog aan de mast, zodat iedereen haar kon zien spartelen. Ineens riep de zeemeermin iets. Het was een luide kreet die niemand verstond. Maar het was ook niet tegen de mannen dat ze iets had geroepen, wel iets in de richting van de zee. En toen zagen ze ook hoe ze verlangend haar armen uitstrekte. De vissers keken nu ook naar waar de zeemeermin keek. ‘Hé, daar zwemt er nog één!’ riep een visser en een ander wierp het net uit om ook die andere meermin te vangen. Het was echter geen zeemeermin, het was een man! Een zeemeerman … Met snelle slagen kwam de zeemeerman dichterbij gezwommen.
6
Zijn lijf glinsterde, zijn baard en haren waren schuimwit, maar zijn gezicht was grauw. Grauw van woede. ‘Weg!’ riepen de vissers en ze voeren nu vlug naar de haven toe. Maar de zeemeerman haalde hen in. ‘Geef me mijn vrouw terug!’ brulde hij. De vissers lachten. ‘Toe, laat haar vrij!’ smeekte de zeemeerman. ‘Buiten het water kan ze niet blijven leven, binnen een paar uur gaat ze dood. Toe, laat haar vrij …’ De vissers lachten hem vierkant uit en riepen nog wat lelijks naar de zeemeermin, die in het net hing te kermen. Het schip voer de haven binnen, maar de zeemeerman zwom mee. Aan de kade5 snelden de mensen toe om de zeemeermin te bekijken. En ook zij lachten haar uit en naar de zeemeerman staken ze hun middenvinger op. De stem van de zeemeermin stierf zachtjes weg, haar ogen begonnen te breken. De zeemeerman smeekte om haar vrij te laten, maar men gooide vanaf de kade stenen naar hem. Toen klonk de doodskreet van de zeemeermin. Haar gezicht en haar armen werden nog witter en haar groene haar werd vaalgeel.
7
De zeemeerman hief zich nu hoog uit het water op, wild fladderde zijn witte haar en baard om zijn hoofd en met zijn vuisten sloeg hij het water tot schuim. Zijn stem bulderde over de golven: ‘O wee, o wee, Westenschouwen!’ Het klonk over de golven, het klonk de haven rond. En er lag zo veel dreiging in die stem. Het water rond de zeemeerman werd zwart toen hij riep:
Schouwen, Schouwen, ’t zal je rouwen dat je genomen hebt mijn vrouwe! ’t Rijke Schouwen zal vergaan, alleen de toren zal blijven staan! Na die woorden dook de meerman onder. Even was het stil, maar dan begonnen er een paar te lachen en ten slotte lachten en spotten ze allemaal. Maar sindsdien kwam het noodlot6 over de stad. De haven verzandde, geen schip kon nog de haven in en uit varen. Er wordt verteld dat men nog af en toe de meerman zag opduiken. Hij schoot uit de golven op, de handen vol zand en wier, zijn ogen vol wrok. De handel op Schouwen stierf stilaan uit. De stad kende armoe.
8
Het zand drong steeds verder op. Het stortte zich over de stad heen, het drong in de huizen door gaten en kieren. Daken stortten in, muren sloegen om. De mensen vluchtten weg uit de stad. Alleen de toren van Westenschouwen is blijven staan. Tijdens de middeleeuwen zijn heel wat dorpen vergaan aan de Noordzeekust. Hele dorpen werden door springvloeden7 verzwolgen. Alles was weg, behalve de kerktoren die boven het water uitstak. Ook het duinzand was soms de oorzaak dat een dorp moest worden verlaten. Alle huisjes raakten onder het zand. Omdat de mensen niet begrepen hoe dat allemaal kon gebeuren, verzonnen ze een verhaal. De meeste keren was een zeemeermin de schuldige. Zij had het immers voorspeld. Ook aan onze Vlaamse kust zijn vele dorpjes verdwenen door het zand of door de zee. Zo had je Walraversyde en Ter Streep boven Oostende, Mosselinge en Tarninge bij Wenduine, Scarphout ten noorden van Blankenberge, Koudekerke bij Heist en Scharpoord en het eiland Wulpen bij Knokke. Over die verdwenen dorpen werden eveneens verhalen verteld. Dat er in zee, boven de verdwenen dorpen soms klokgelui was te horen. Waar Ter Streep lag, was er met Pasen klokgelui onder water te horen.
9
In Wenduine hoorden ze op bepaalde nachten het kerkorgel spelen en de doodsmis zingen. Bij zeer laag tij voelden de garnaalvissers gladde stenen onder hun voeten. Dat waren de grafstenen van het kerkhof van de verdwenen dorpen Mosselinge en Tarninge. In Oostkerke bij Damme hoorde men tijdens de kerstnacht de mistklokken. Ze luidden voor de schepen die vergaan waren. Op de plaats waar het oude Blankenberge, Scarphout, verzonken ligt, was er op kerstnacht klokkengelui te horen. Maar misschien was al dat klokgelui alleen maar het geluid van de kerkklokken aan wal. Was het windstil weer en kwam de wind van aan land, dan kon je in de verte de klokken horen. Met een beetje fantasie kon je er een verdronken kerk bij verzinnen.
10
ZEEDUIVELS EN WATERDUIVELS Een andere legende over Damme is over een duivelshond. Een verhaal dat zich afspeelt in het verre verleden van het stadje, zo’n 800 jaar terug. De duivelshond van Damme In die tijd stonden er op de plaats die nu Damme heet niet meer dan enkele schamele vissershuisjes. Gezellig wonen was het er niet, want af en toe spoelde het water met geweld over de weiden en het land. Er moest een stevige dijk8 worden gebouwd. Dat was een hele klus, maar er waren honderden dijkendelvers aan de slag en het werk vlotte snel. Wanneer de werken bijna klaar waren, kregen ze wel een probleem. Er was een stuk dijk dat telkens weer openbrak. En wat ze ook deden om de bres9 te dichten, het mocht niet baten. De dijk brak elke nacht weer door en alles stond de volgende ochtend weer onder water. Men liep radeloos heen en weer en wist niet wat te beginnen. Waren hier vreemde krachten in het spel? Was dit het werk van de duivel? Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Tot grote ergernis van de dijkenbouwers liep er voortdurend een zwarte hond rond. Hij sloop langs de dijkwerkers en toonde grommend zijn scherpe tanden. Wie hem probeerde
11
weg te jagen, riskeerde gebeten te worden. Hij draaide rond de dijkmeesters heen en af en toe liet hij een akelig geblaf horen. ’s Nachts sloop het beest rond en kermde en huilde voortdurend iedereen wakker. Niemand durfde maar iets te ondernemen, want er werd al gefluisterd dat die hond misschien wel de duivel was. Dat duurde zo drie dagen en nachten. Maar op de ochtend van de vierde dag, kreeg de opzichter er echt wel genoeg van. Met een schop sloeg hij de hond op de kop. De dode hond gooide hij in de bres. En toen … toen gebeurde er een wonder … de dijk hield stand! Het water vloeide niet meer weg en de dijkwerkers konden hun werk voltooien. Achter de veilige dijk, op het droge land, werden huizen gebouwd en kwam een stad tot stand. Het wapenschild van de stad was een hond. Die plek werd Hondsdamme genoemd. Later werd het afgekort tot Damme. Omdat het gemakkelijker bekte10 dan Hondsdamme? Of omdat de Dammenaars niet meer herinnerd wilden worden aan die blaffende hond die misschien wel de duivel was geweest? Maar de legende blijft voortleven, al is het maar in het wapenschild van de stad: een zwarte, rennende hond op een rood veld met een zilveren balk.
12
Een andere legende waar ook een hond een rol in speelt, is het verhaal van Roeschaard. Dat was een duivel die alle soorten gedaanten kon aannemen. Maar het liefst vertoonde hij zich als een grommende hond die een ketting achter zich aan sleepte. Roeschaard Lang geleden stond er in de duinen van Blankenberge een klein huisje. Het was niet meer dan een hutje, met muren van leem en een dak van stro. Er woonde een oud vrouwtje in dat hutje. Iedereen was bang van haar. Er werd gezegd dat ze een heks was. Bijna niemand durfde voorbij haar hutje te passeren. 13
Op een avond had een groepje dronken jonge gasten zich toch dichterbij gewaagd. Ze hadden op haar vensterraam geklopt en haar uitgelachen. Diezelfde nacht stak er een immense storm op. Het strand werd één snijdende zandzee. De duinen gingen waaien en wandelen. Zo stoof het hutje van de oude vrouw helemaal onder. Enkel het rieten dak stak nog boven het zand uit. Het vrouwtje was dood, wist iedereen. Dat kon niet anders … Er was iemand die opperde dat er misschien wel een schat verborgen lag. Dat gerucht begon de ronde te doen. En al snel was iedereen daar zeker van: in het hutje lag een schat. De jongelui van het dorp pakten elk een schop en trokken naar het hutje. Al het zand van erop en errond schepten ze weg. Urenlang waren ze bezig. Maar toen ze eindelijk de deur konden openen, hoorden ze een gegrom. Er sprong een hond tevoorschijn. Hij toonde zijn tanden, het kwijl liep uit zijn muil. Aan zijn hals had hij een losgerukte ketting. Blaffen deed hij niet, maar grommen des te meer. Het was een vreemd soort grommen. Het klonk een beetje als roes, roes ... roes, roes … Die jonge gasten liepen zo snel mogelijk terug naar het dorp en vertelden wat ze hadden gezien. Van die schat in het hutje sprak niemand meer.
14
Die hond verdween echter niet. Hij bleef dolen over het strand en door de duinen. Jarenlang maakte dat beest de mensen bang. Gelukkig hoorden ze hem al van ver komen door zijn gegrom en door de rammelende ketting. Maar waarmee hij de mensen nog banger kon maken: hij kon veranderen van gedaante! De ene keer toonde hij zich in de gedaante van een oude vrouw of een zwarte kat. Soms ook als een zeemonster dat aan de reling van een vissersschip ging hangen om het te doen kantelen. De mensen noemden het monster ‘Roeschaard’ en iedereen was er doodsbang van. Jarenlang bleef dat spelletje duren. Het vergalde het leven van de kustbewoners en al zeker van de vissers, want zij moesten dagelijks op zee. Maar eindelijk kwam er een oplossing. Er kwam een vreemdeling in het dorp wonen. Tot grote verwondering van iedereen bouwde hij een hutje heel dicht bij de plek waar ooit het hutje van het oude vrouwtje had gestaan. En die man beweerde dat hij Roeschaard onschadelijk kon maken. De vissers geloofden er niet veel van, maar gingen toch naar hem toe, want van dat beest hadden ze wel schoon genoeg.
15
Het volstond om van naam te veranderen, zei de man. Iedereen van jullie die op zee gaat, zal ik een bijnaam geven. Ik zal jullie opnieuw dopen! Hij besprenkelde de vissers met een kwast wijwater dat hij uit de doopvont van de kerk had gejat. Hij sprak daarbij de volgende woorden:
Ik doop u, en Roeschaard, die lelijkaard, kere zich om, romme, domme, dom … Uw naam is … En dan gaf hij een naam. Kloefe was voor een visser die splinternieuwe klompen aan zijn voeten had. De Rosten was een jongen met ros haar. En een jongen die scheel keek, doopte hij ‘Schele’. Een visser met een wat rare neus werd Neuze. Zo gaf hij iedere visser een lapnaam: Klakke, Schete, Tsjiko, Puptje, Neuze, Jan Poep … Sindsdien heeft Roeschaard geen toeren meer uitgehaald. Op zee waren ze van hem verlost. Maar of hij nog ronddoolt, dat blijft de vraag. Dat weet niemand. Die wilde zwarte kat met haar schichtige, gele ogen, die zich enkel ’s nachts laat zien … dat oude vrouwtje met het zwarte sjaaltje en een vetknobbel op haar neus … Pas maar op, je weet maar nooit …
16
17
Het geven van een bijnaam of lapnaam was een gebruik aan de hele kust. Vroeger geloofden de mensen dat het bescherming zou bieden tegen de gevaren op zee. Het verhaal deed zelfs de ronde dat je nooit je echte naam, maar wel je lapnaam moest roepen als de zeeduivel Roeschaard vroeg hoe je heette. Zo wist hij niet wie je was en kon hij je geen kwaad doen. Om te weten of zeeduivels echt bestaan, moet je wel bij oude vissers zijn. Aan hen kun je het vragen. Zij moeten het wel weten, want ze zijn hun hele leven op zee geweest en hebben daar toch heel wat gezien en meegemaakt. Erge zaken, heel erge zaken. Ze pochen dat ze nooit bang zijn geweest. Zelfs bij de grootste storm of de dikste mist kennen ze geen angst. Als het slecht weer werd, zeiden ze dat ze de storm zouden ‘afrijden’ of dat ze de duivel uit de zee zouden jagen … Maar nu en dan hoor je een ander geluid. Dan vertellen ze over die ene keer dat ze heel erg bang zijn geweest. De storm was zo hevig, het schip dreigde te kapseizen of tegen de rotsen te slaan. Dan zeggen ze dat ze de zeeduivel hebben gezien. Wie eenmaal de zeeduivel had gezien, durfde niet meer terug in zee. Het was zelfs gevaarlijk om terug in zee te gaan, want de zeeduivel lag op de loer.
18
Er was daar wel een remedie voor. De vrouw of het lief van de visser moest kruiden als donderkruid en maretak gaan plukken. Daarmee trok ze naar het kapelletje Baaldjes’ kruis in Koksijde. Daar ging ze een uurtje bidden. Daarna ging ze naar zee en gooide de kruiden in het water terwijl ze de duivel verwenste. Was de visser nog niet getrouwd, dan moest hij een meisje zoeken dat dat voor hem wilde doen. Daarna pas kon de visser weer met een gerust hart in zee gaan.
19
MARIAVERHALEN Ook de visserskapelletjes in Heist en in Bredene werden vroeger heel druk bezocht door de vissers en vissersvrouwen. Maar ook nu nog zijn er velen die er een kaarsje laten branden. Dat doen ze om bescherming te vragen aan Maria. Want de zee is en blijft gevaarlijk. Zo zijn er ook tal van verhalen waarin Maria een rol speelt. De legende van Onze Lieve Vrouw van Meetkerke Het was een mooie dag en de vissers van een Blankenbergse schuit11 hadden die dag al veel gevangen. Maar ze zouden die dag nog iets heel bijzonders in hun netten vinden. Wanneer ze een laatste keer hun net ophaalden, lag er een Mariabeeld te midden van de spartelende vis. Met veel omhaal voeren de vissers naar de haven terug. Ze brachten het beeld aan land en droegen het naar hun kerk in Blankenberge. De parochiepriester was zeer in zijn nopjes en gaf het beeld een mooie plaats in de kerk. De volgende dag echter zag hij dat het beeld was verdwenen. Gewoon weg. Hij kreeg er kop noch staart aan, want hij had toch het portaal van de kerk op slot gedaan en als gewoonlijk de deur afgesloten? Maar wonder bij wonder viste dezelfde Blankenbergse schuit opnieuw dat Mariabeeld op.
20
Dit keer brachten ze het naar de parochiekerk van Uitkerke. Nu was het de beurt aan de parochiepriester van Uitkerke om blij te zijn. Maar hetzelfde herhaalde zich. Het beeld verdween nog voor de volgende ochtend aanbrak. Toen de vissers het nog een derde maal opvisten, haalden ze er een jonge ezel bij. Ze bonden het Mariabeeld op zijn rug en lieten hem vrij. Ze lieten hem stappen waar hij wilde. De ezel trok kilometers ver door de polders en in Meetkerke bleef het stilstaan, pal voor de deur van de kerk. Dat was klare taal. Het beeld werd in de kerk van Meetkerke geplaatst. En daar staat het nog steeds.
21
DWAALLICHTEN Pikdonkere nachten, we kunnen het ons bijna niet meer voorstellen. En niet alleen de steden, dorpen, autosnelwegen worden verlicht, ook de hemel boven de bossen, de weiden, de rivieren is in onze streken nooit helemaal duister. Maar beeld je eens in dat alle lichten zijn gedoofd en de nacht is helemaal donker. Je moet op stap langs een duister paadje. In je hand draag je een klein lampje. De vlam verlicht een paar meter, niet veel meer. En als ineens de vlam dooft, is er alleen maar het licht van de maan. Maar dan verdwijnt ook die achter een donkere wolk … Toen het duister nog echt duister was en de mensen ’s nachts wel eens te voet langs donkere weiden of bossen op pad moesten, zagen ze soms vreemde lichtjes. Die joegen hen de stuipen op het lijf. Soms waren het alleen maar glimwormpjes met hun lichtgevende staart. Maar soms waren het ook kleine, blauwe vlammen die ‘doodskaarsen’ werden genoemd. Soms waren die boven een moeras te zien, soms ook op kerkhoven. Dat was door een soort gas dat ontsnapte uit het moeras of uit de grond. Wanneer de maan er in een bepaalde hoek op scheen, lichtte dat gas op. Niet vreemd toch dat men dacht dat het geesten van overleden mensen waren?
22
Wanneer men een paar keer een of ander lichtje zag op een bepaalde plek, dan was dat voldoende om daar een verhaal rond te breien. Zag men een lichtje op zee, dan zei men dat het de eeuwige kruier was. Een man die gedoemd12 was om voor eeuwig en altijd zijn garnaalnet door het water te trekken. Zie je dus een lichtje bij valavond, net boven het water … dan zou het wel eens hém kunnen zijn, de eeuwige kruier. Maar als je dat lichtje in de duinen ziet, dan kan het een oud mannetje zijn, dat daar al eeuwen rondloopt met een klein kaarspannetje in zijn hand. Hoe dat mogelijk is, lees je in het volgende verhaal …
23
De eeuwige centenzoeker Op een avond liep Pietje-de-Dood met zijn blinkende zeis13 over de schouder te mopperen dat lopen in duinzand zo lastig is. Het was niet voor niets dat hij niet vaak in de duinen kwam. En daarom worden de mensen die in schamele hutjes in de duinen wonen, ook zo oud … Pietje-de-Dood was helemaal uitgeput wanneer hij aan het kleine hutje waar hij moest zijn, aanklopte. Voeten sloften en de deur ging open. Een oud, krom mannetje verscheen. In zijn hand had hij een kaarspannetje. Want elektriciteit was daar toen nog niet. ‘Dat is hier hoog tijd,’ dacht Pietje-de-Dood toen hij goed keek. Het mannetje was inderdaad al behoorlijk oud. Zijn vel leek wel van karton, zijn haar had de kleur van as en hij had geen enkele tand meer in zijn mond. Het oude mannetje van zijn kant schrok dan ook niet zo erg wanneer de man met de zeis tegen hem zei: ‘Het is je tijd, man, je bedje staat klaar.’ Maar hoe oud de man ook was, en al had hij het toch al een beetje verwacht, hij wilde toch liever niet mee. Hij bedacht snel een uitvlucht. ‘Wacht even … ik heb een paar centen verloren in ’t zand,’ zei hij. ‘Maar nu heb je geen geld meer nodig,’ zei Pietje-de-Dood en hij zette zich zuchtend op een stoel.
24
Het oude mannetje nam van de gelegenheid gebruik en glipte naar buiten. ‘Eerst mijn centen terugvinden!’ riep hij. De Dood werd wit van woede. ‘Verdorie, kom terug!’ riep hij. Maar het oude mannetje, dat gewoon was om in duinzand te lopen, was al een heel eind weg. ‘Zoek dan voort tot in de eeuwigheid!’ brulde Pietje-deDood, die geen zin had om hem achterna te zitten. En al zeker niet in dat duinenzand! En zo geschiedde … Nog steeds dwaalt het oude mannetje door de duinen, zogezegd op zoek naar zijn centen. Als je dus ooit bij valavond een stokoud mannetje met een kaarsenpan in de hand ontmoet, geef hem dan vlug een paar centen. Zodat hij eindelijk toch naar zijn bedje kan.
25
SPOOKSCHEPEN Er waren natuurlijk aan onze kust heel wat verhalen over spookschepen. Zo was er in Oostende een schip dat Oschaart heette. Er werd verteld dat het een vervloekt schip was. De kapitein had het in brand gestoken, omdat hij de lading goud die hij mee had, voor zichzelf wilde houden. Als straf moest hij voor altijd met zijn vlammende schip op zee blijven zwalpen. Van tijd tot tijd verscheen het schip voor de kust van Oostende. In Heist was er de Concordia. De schipper had zijn ziel aan de duivel verkocht om altijd veel te kunnen vangen. Naar het schijnt, was het schip bemand met duivels die rode mutsen droegen. Het schip werd wel eens gezien, varend op het strand. De Walvis was een kaperschip dat eeuwen geleden strandde in Koksijde. Op die plek was er een duin die af en toe veranderde in een schip. Het schip voer dan een eind in zee, om ’s avonds terug te keren en te veranderen in een duin. Maar nog het meest fantastische verhaal is dat van een immens groot schip, De Almacht genaamd.
26
27
De Almacht Hoe groot dat schip wel was, weet niemand te zeggen. Dat kan ook niet, omdat het eenvoudig niet te meten was. Het was zo groot dat de kapitein op een paard heen en weer op het dek reed. De matrozen, die als jonge kerels in de touwen klommen, kwamen bejaard weer beneden. Als er soep gekookt werd, dan moest men een roeiboot in de pot neerlaten om te roeren. Op een keer had de kapitein het in zijn hoofd gehaald om naar de Noordzee te varen en hij koos de weg door het Kanaal. Dat is die nauwe doorgang tussen Engeland en Frankrijk. Dat was zeer dom, want hij had kunnen weten dat het te nauw voor zijn schip was. En natuurlijk liep het schip vast! Het schuurde langs de Franse kust en het bleef steken tegen de Engelse kust. ‘Alle zeilen bij!’ commandeerde de kapitein. De stuurman rende met zijn paard over het dek en gaf opdracht om alle zeilen bij te zetten. Maar wat helpen honderden zeilen en een flinke wind als het schip tussen twee landen zit gekneld? ‘Zeep!’ brulde nu de kapitein. Weer liet de stuurman zijn paard hollen en gaf de bemanning nu opdracht om de buitenwanden van het schip met zeep in te smeren. Bruine zeep.
28
De kapitein had wellicht geweten wat hij zou ondernemen en had voor alle zekerheid tonnen en tonnen zeep ingeslagen. Het hele schip werd aan de buitenkant ingesmeerd met de zeep. Toen ze daarmee klaar waren en de wind nog wat aanwakkerde, schoof het schip knarsend het Kanaal door. De zee begon geweldig te schuimen door al die zeep en schuurde de kliffen blank. Je zou het niet zo geloven, maar het is te bewijzen … Hoe komt de kliffenkust van Dover anders aan zijn witte kleur? En de Franse kust bij Cap Blanc Nez?
29
Het schip met de zwarte zeilen Na een lange tocht komt de jongeman aan in een haven. Hij slentert er wat rond, ziet een schip liggen. Een wat vreemd schip, met pikzwarte zeilen. Hij voelt dat hij op dat schip moet stappen. Waarom weet hij niet, maar hij gehoorzaamt een stem die hem er met zachte dwang heen leidt. Zodra hij aan boord is, worden de zeilen gehesen en vaart het schip uit. De kapitein komt op hem toe en wijst hem een kajuit aan. Blij dat hij na die zware en lange tocht wat zal kunnen uitrusten, duwt hij de deur open. Maar dan ziet hij dat hij niet alleen is. Er zitten twee mannen te dobbelen14. De ene man is in het zwart gekleed en de andere in het wit. Beurtelings spreken ze hem aan en al snel begrijpt hij hoe de vork in de steel zit. De man in het zwart raadt hem aan om gewoon te vergeten wat er gebeurd is. ‘Geniet van al het moois dat de wereld je nog te bieden heeft,’ zegt hij. De man in het wit herinnert er hem nog eens aan dat hij iets vreselijks heeft gedaan. ‘Je hebt je broer vermoord. Daarvoor moet je boete doen,’ zegt hij. De jongeman kijkt van de een naar de ander. Hij weet echt niet voor wie hij moet kiezen. Voor wat hij moet of mag kiezen … Ondertussen dobbelen de twee mannen verder. En de jongeman begrijpt dat ze dobbelen om zijn ziel. En ze zullen dat doen tot het schip vergaat … Maar dat schip is een spookschip en spookschepen vergaan nooit. Het zal varen tot in de eeuwigheid. En ze zullen dobbelen om zijn ziel, tot in de eeuwigheid15.
30
En zo loopt het in vele verhalen die zich afspelen aan zee. Tot in de eeuwigheid … Net als de eb en de vloed van de zee. Het water komt en gaat. Altijd en altijd en altijd opnieuw.
31
Woorduitleg 1 korre = net 2 vloot = het aantal schepen van een bepaalde haven of van een bepaald land 3 voorbode = op voorhand weten wat er zal gebeuren 4 onheil = catastrofes, rampen 5 kade = walkant langs een haven, waar de schepen kunnen aanleggen 6 noodlot = iets waar niet aan te ontkomen valt 7 springvloed = één keer per maand, met volle maan, komt de zee dieper het land in; als er daarbij ook storm is, kan dat gevaarlijk zijn voor overstromingen. 8 dijk = ophoping in aarde (kan ook in steen) als bescherming tegen het water 9 bres = opening, gat 10 het bekt = het wordt gemakkelijker uitgesproken, het ligt beter in de mond 11 schuit = een typische vorm van boot die vroeger in Blankenberge werd gemaakt 12 gedoemd = gestraft 13 zeis = scherp voorwerp aan een houten stok waarmee vroeger gras en graangewassen werden gemaaid 14 dobbelen = gokken met dobbelstenen 15 tot in de eeuwigheid = voor altijd
32
In de duisternis van dichte wouden, de echo van diepe grotten en mist boven de moerassen verbergen zich spoken, geesten, trollen … Maar wanneer het licht dooft over de zee en de avond valt over strand en duinen, dan laten vreemde wezens zich ook daar zien. Ze maken de kustbewoners bang en ze jagen de vissers de stuipen op het lijf. Zelfs de zeemeerminnen blijken nooit zo lieflijk als wat van hen verteld wordt.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Foto’s: Katrien Vervaele Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 622832
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.