Skip to main content

Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - N3 – Een eenhoorn in je tuin

Page 1

ucatieve uitgaven

Een eenhoorn in je tuin

BIEB

Joris Denoo

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 4

1


Een eenhoorn in je tuin

Personages

– Pippa (10 jaar) – Opoe (veel ouder) – 3 poolreizigers – Lawrence van Arabië – Baron von M. – Robin – Meester Brekebeen – Schoolkinderen in de klas en op de speelplaats

Plaatsen

– Bij Opoe in haar woonkamer – Ernaast een tuintje met wc-hokje (hartje in de deur) – Binnen in wc-hok met telkens ander landschap: pool, woestijn, eiland – In de klas en op de speelplaats van de school

1


ACT I1 (Pippa smakt de wc-deur dicht en holt naar binnen. Opoe schrikt op uit gepeins.) P O P O P O

P O

Opoe! Opoe! Hij is er weer! Wie, mijn kind? De eenhoorn! En hij heeft weer al je tulpen in je tuin opgegeten! O, dat moet ik alleszins aan je pa en je ma vertellen wanneer ze uit Alaska terugkomen. Maar die zullen ons nooit geloven! Ach, vroeger geloofde je ma me ook nooit. En zie je wel: de eenhoorn bestaat echt. Hij heeft immers mijn tuintje kaalgevreten. Je moet er alleen maar in geloven. Mijn vrienden op school lachen me vierkant uit wanneer ik ze het vertel. Ach, ze hebben pudding in hun kop. Wacht maar tot ze zelf eens zien … Trek het je niet aan.

(Pippa schudt haar hoofd en gaat aan tafel zitten.) P O P

Ik zag hem daarnet weer passeren … door het hartje in de wc-deur. Vind je ’t niet jammer van je mooie tulpen? Ik plant wel nieuwe. Nog een kopje zwart vuurwater, Dappere Krijger Met Het Derde Oog? Graag, Gerimpeld Opperhoofd.

(Opoe en Pippa drinken koffie.) O Ik vraag me af … Hoe zouden tulpen smaken? P Tulps! O & P Ha ha ha ha ha!!! (Lichten dimmen. Duister.)

2


3


ACT II (Pippa duwt op spoelknop. Het regent overal slierten toiletpapier. Ze belandt daardoor in een andere wereld. Via de wc-deur verschijnen drie poolreizigers. Ze gaan rond een kampvuur zitten.) P Dag Lisa! Dag Erik! Dag Björn! L Ha, die Pippa! Brr… Beestachtig koud. E & B Dag Pippa! P Bar koud vandaag, hé? B Het tocht in mijn kop. E Mijn tong schaatst over mijn tanden. L Heb je de eenhoorn nog gezien, Pippa? We vonden laatst sporen in de sneeuw hier. B Ja. Onze expeditie is niet geslaagd als we de eenhoorn niet gezien hebben. P De eenhoorn is weer in Opoes tuintje geweest. L O ja? En wij maar zoeken en zoeken … P Hij heeft haar tulpen opgegeten. L Oei, niet leuk. E Als jouw Opoe nu ’ns rozen met doornen plantte? Die gulzige eenhoorn zou schrikken bij de eerste hap! B Ha ha! Ik lach me een tulp! L Schei uit, Björn. De eenhoorn is een lief, eenzaam dier. Zeg, Pippa: hoe ziet hij er eigenlijk uit? P Eh… Ik zie hem nooit echt helemaal. Eh…

4


5


B P E L P B P

E P

L

Telkens als ik hier … Door het hartje in de deur … (grinnikt) Ja, we begrijpen het al, Pippa. Jullie geloven me toch? Ja hoor. We hebben immers sporen ontdekt. De eenhoorn is dus … hartvormig? Eh… precies. Vraag het maar aan Opoe. Maakt hij geluiden? Eerst hoor ik het knappen van tulpen. Daarna laat hij soms een boer. Uit zijn buik komt gerommel … dat lijkt op gegrom van honden. Ik denk dat hij hagelwit is, met een paarse kop. Ben je dat zeker? Dat is wat ik zie als ik vlug opspring, mijn broek optrek, dichtrits en dan vliegensvlug door het hart in de deur kijk. Hij verrast me telkens weer. Alles gaat zo vlug! Hm… hagelwit, hé. Daarom zien wij, poolreizigers, hem niet zo snel. Wij leven vanzelf al in een witte wereld.

(Lisa staat op en gluurt door het hart in de deur.) E L B

Sneeuwt het nog, Lisa? Alle sporen zijn weer onzichtbaar. Zelfs de onze. Het is geen weer om een sledehond door te jagen. We moeten dus opnieuw beginnen.

(Plots hevig gieren van wind. Allen buigen zich weer naar het kampvuur toe. Lichten dimmen. Duister.)

6


ACT III (Na geluid van spoelknop nieuw landschap: woestijn en tent van toiletpapier dat aan de hoge spoelbak gedrapeerd is. Pippa gebruikt plee2 als zitplaats. Theekopjes uit glas. Lawrence van Arabië komt binnen in woestijnplunje.) P L P L P L P L P L P L

(uit diep gepeins opkijkend) Lawrence! Pippa! Dappere woestijnvos! Welkom in mijn woestijntent, Woestijnheer! O, geen ronde tent, zoals gebruikelijk? O… eh… nee … niet aan gedacht. (neemt klapstoeltje en gaat zitten) Even uitblazen. Ik reisde vele halve manen en zandstormen lang. Zag u geen sporen in het zand, Lawrence? Ja! Inderdaad! Van hoeven! De eenhoorn weer, Pippa? Heb je weer … Ja. Hij zat weer aan Opoes tulpen. Tja. Maar sinds de laatste zandstorm zijn alle sporen weer uitgewist. Jammer. Er is alleen het gehuil van woestijnhonden. Heb je thee, Pippa? Is tulpenbollenthee oké, Woestijnheer? Dat rijmt, Pippa. Prima. Doe mij maar thee!

(Pippa geeft hem thee en neemt ook een kopje.) L P

Als ik heel diep in mijn kopje kijk … dan zie ik … Mag ik u waarschuwen voor fata morgana’s3?

7


8


L P L P L

P L P L

En toch … En toch … Zie ik daar een horen? Spits als een minaret4? Iets paars? Iets wits? O, nu wordt het beeld weer troebel. (Ze loert even in zijn kopje.) Heel troebel! Maar het grote weerspiegelt zich in het kleine. Kunt u dat uitleggen, Heer van de Woestijn? Ik zie … een storm in een glas thee. Boert daar iemand? Is dat het gehuil van jaloerse honden? Rommelt het in de buik van de woestijn? Zie ik daar vage sporen? Rimpelingen in het zand? O… alles verdwijnt weer … zand … zand … zon! Hebt u misschien een zonnesteek, Lawrence? Laten we inderdaad hopen dat het geen luchtspiegeling was. Zoals ik opspring en door het hart in de wc-deur ga gluren? Bedoel je dat? En toch bestaat de eenhoorn. Sst… Luister!

(Gerommel in de verte. Dat zwelt aan. Daarna duidelijk gehinnik.) P L

De … de eenhoorn!? O!!!

(Geraas van spoelwater. Lichten dimmen. Duister.)

9


ACT IV (Bij Opoe in huis en tuin.) P O P O P O P O P O P O P O P O

10

Je had nog iets voor mij, Opoe? (neemt kaart van schoorsteenmantel) Er is een kaartje van je pa en je ma uit Alaska. Lees maar. (leest) Beste ma, lieve dochter, vele groeten uit het verre Alaska. Goed maar koud weer hier. Lekker eten. Vriendelijke mensen. Tot binnenkort. Misschien komt de eenhoorn uit Alaska? Dan moet hij uitkijken voor ijsberen, Opoe. Je pa en je ma hebben het daar wel ijsberegezellig! Wij toch ook hier, hé? Ik heb een vraag voor jou, Pippa. Ben je een slim kind? Bereslim. Goed dan. Waarom is een pinguïn nooit bang voor een ijsbeer? Maar dat weet ik, hoor! Pinguïns wonen op de Zuidpool; ijsberen op de Noordpool. Je hebt al je punten! (gaat op haar hoofd staan) Hopla! Laat ik even Alaska verkennen. De andere kant van de wereld! Daar word je nog slimmer van. Opoe, ik heb ook een vraagstuk voor jou. Ik luister. Moet ik ook op mijn hoofd staan?


P

O P O P O

Nee, het antwoord zit al in je hoofd. Je moet het er alleen even uit schudden. Hoe komt het dat de oppasser met een vis gooit telkens als de zeehond een trucje doet met een speelbal op zijn snoet? O, omdat hij honger heeft? Nee! Mis poes! Waarom dan wel? Omdat de oppasser goed getraind is door de zeehond. Dat is inderdaad de omgekeerde wereld. Daarvoor moet je op je hoofd staan.

(Lichten dimmen. Duister.)

11


ACT V (Binnen in wc-hokje. Pippa kijkend naar een wereldkaart aan de wand. Naderend hoefgetrappel. Baron von M. komt binnen: zwierig gekleed, puntsnor. Hij galoppeert op een houten paard. Dat is eigenlijk een borstelstok. Tijdens het gesprek huppelt hij af en toe rond.) B P B

P B P B

P B P

12

Ho, Mister Mistral, ho! (verbaasd) U hier, baron? U duikt toch alleen maar in boeken en verhalen op? Is … Is dat een eenhoorn? U rijdt verdorie op een eenhoorn! Maar dat is geen eenhoorn! Dat is mijn edele dier. Maak kennis met Mister Mistral. Ik heb het zelf aan zijn manen uit een moeras getrokken om zijn leven te redden. O, excuus. Is er nieuws uit de wijde wereld? Over de eenhoorn bijvoorbeeld? Een verblindend witte eenhoorn kruiste niet lang geleden mijn pad in de oude wouden van Engeland. Hoe kwam dat, Baron von M.? Ik moest naar een feestmaal in een kasteel. Het sneeuwde dikke vlokken. Mijn knol5 Mister Mistral was bang. Ik ging dan maar te voet, tot ik op een open plek in het bos de eenhoorn ontmoette. Ja, en? Op zijn rug ben ik naar het feest gereden. Wauw!


13


B P B P B P B P B P B

Het was een feestmaal ter ere van mezelf. Heb je met de eenhoorn gesproken? Eh… Ik hoorde alleen gegrom in zijn buik. Aan de kasteelpoort knikte hij me toe en verdween dan. Maar u moest toch nog terug? Eh… ja… Toen dooide het. Ik kon te voet terug. En zag u de eenhoorn nooit meer weer? Jawel: in mijn dromen en verhalen. Hm… De eenhoorn is echt wel schuw van de mensen. Moet ik je geloven, Baron von M.? Voor jou staat de enige mens op aarde die ooit op de rug van de eenhoorn heeft gereisd. Maar hij is de meest eenzame zwerver ter wereld! Niemand kan hem zelfs maar even aaien! Maak dat je grootje wijs6, jonge wijsneus! Een oud en bereisd man als ik moet je niks op de mouw spelden7! Juju, Mister Mistral!

(Baron von M. geeft zijn houten paard de sporen.) P

Heb je van je leven! Moet ik de grootste leugenaar aller tijden dan geloven?!

(Neemt een borstelstok en doet Baron von M. na.) P

Maak dat je grootje wijs, jonge wijsneus!

(Pippa gooit de borstel weg en spoelt door. Lichten dimmen. Duister.)

14


ACT VI (In de klas van meester Brekebeen. Pippa zit op een van de eerste rijen. De leerlingen dragen gedichten voor.) F(lin) Huu, lelijk spook! Weg, lelijk spook! Ach, ’t was maar een afgewaaide tak, dat lelijke spook! (Buiging. Applaus van de klas.) MB Goed zo, Flin. Terug naar je plaats. Wat vonden jullie ervan, meisjes en jongens? J1 Zeer goed, meester. M1 Ik vind dat ook, meester. M2 Ze mocht een beetje harder spreken, meester. J2 En een pauze houden waar een komma staat. MB Maar vonden jullie het een mooi gedicht? MMMJJJ Jaah!! MB Wel: wie komt nu? Wie durft? Nora? N Ik … Ik ben verkouden, meester. MB Mira dan? M Ik kom pas op ’t laatste van het alfabet, meester Brekebeen. Ik heb nog geen gedicht. MB Hm… Pippa misschien? P Als het echt niet anders kan … MB Ik zal je heus niet opeten, hoor. P Nee hoor, want mijn vlees is nu al tien jaar oud, meester. MMMJJJ Ha ha ha ha!!! F Een taaie!

15


16


MB Stilte! Pippa: doe nou maar. (Pippa stapt naar voren, buigt en draagt het gedicht voor.)

Een eenhoorn in mijn tuin Toen ik mezelf om mijn tuin eens leidde, zag ik dat de eenhoorn al mijn tulpen opgegeten had. Dat hij dit af en toe eens deed, en daarna weer doodgewoon verdween, heb ik altijd al geweten. De eenhoorn moet dus wel degelijk bestaan, daar hij door mijn tuintje is gegaan en geen enkele tulp heeft laten staan. Het is alleen maar jammer dat ik hem nooit eens rustig kan gadeslaan8. MB Wat is dat? Waar heb je dat gevonden? P In mijn hoofd. Ik hoor het in mijn hoofd. MB Niet uit een boekje? Zelf uitgevonden? Waarom doe je niet zoals iedereen? P Maar meester! Het gedicht van Flin ging toch ook over een spook? Dat eigenlijk een stomme tak was? MB Maar jij beweert dat jouw eenhoorn echt is! Maak dat je grootje wijs! P Maar meester … J1 Meester, ’t was toch mooi? M1 Flauwekul!

17


M2 J2 J1 M3 JJMM J3 MB P MB P MB P MB

Zij pauzeerde lang genoeg bij de komma’s. En het was hard genoeg opgezegd. De eenhoorn is een echt fabeldier! Die tuin ligt vol eenhoorndrollen! Hi hi hi!! Het gedicht had geen rijmen! STILTE!! Pippa …: weten je ouders dat je zelf zulke … zulke dingen maakt? Nou ja: gedichten. Die zijn momenteel in Alaska, meester. Wat?? In … in Alaska?? Ja, meester Brekebeen. Maar wat is dat hier allemaal? Straks maak je ons nog wijs dat de kippen tanden hebben! Je lijkt wel de Leugenbaron von M.! Die heb ik ook al ontmoet, meester. Nu is het genoeg! Tweehonderd strafregels tegen morgen: DE EENHOORN IS EEN VERZINSEL. En leesbaar! Geen hanenpoten9!

(Lichten dimmen. Duister.)

18


ACT VII (Bij Opoe in huis en tuin.) O P O P O P O P O P O P O P

Je bent zo stil, Pippa. Scheelt er wat? (plots boos) Meester Brekebeen is een kip zonder kop! O, dan heeft hij ook geen tanden! Hij is bijziend als een kip. Er is geen plaats voor een eenhoorn in dat puddinghoofd van hem. Sommige mensen hebben inderdaad alleen maar hersens in hun kop. Heb je ’t hem verteld van de eenhoorn in onze tuin? De tulpen? Ik heb het gedicht voorgedragen dat altijd in mijn hoofd zit als ik naar … (knikt naar wc-hokje) Ach, meester Brekebeen is een man met een meetlat. Alles wordt gemeten. Saai! Ja, hij gelooft alleen in centimeters en kommagetallen. Leest hij dan nooit voor uit boeken? Ja: uit leerboeken! Die mogen van mij allemaal naar … ginder! (wijst naar wc-hokje) Ha! Poeppapier met moeilijkheden op, hé? Ja. Wat hij nodig heeft, is een flinke sneeuwstorm in zijn hoofd. Of een zandstorm. Pff… Een afgewaaide tak kost me tweehonderd regels! O, is dat het tarief heden ten dage? DE EENHOORN IS EEN VERZINSEL. Dat moet ik tweehonderd keer schrijven.

19


O P

20

Verzinsel? Wat een mottenballenwoord! Mag het niet op computer? Ik ken wel een trucje daarvoor, hoor. Opoe, je bent een engel! En je bestaat echt!


ACT VIII (Speelplaats. Meester Brekebeen heeft toezicht.) M1 Pff… Alaska. Bestaat alleen op de kaart. P Wil je het kaartje zien dat ze me zonden? M2 Kijk uit! Je trapt bijna in een eenhoorndrol! P Uilskuikens! F Huu, lelijk spook! Weg, lelijk spook! J1 Hulp! Ik trap op een tulp! JJJMMM Ha ha ha ha!! J2 Mijn dinosaurus vreet elke dag veertig plastic rozen! Mijn tuin ligt vol plastic diarree! P Die komt vast uit jouw poep! J2 Meester! Pippa heeft ‘poep’ gezegd! MB (dreigend) Pippa?? (Iedereen gaat nu verder van de meester vandaan.)

(zachter nu) Wedden dat mijn eenhoorn waar is? M1 Dat gedicht had je ook uit een boek. Maar je wou het niet toegeven. J1 Wij hebben thuis twee mammoeten. P Als je je ogen sluit, zie je voor je wat je maar wenst. Je kunt erover schrijven. Je kunt ervoor zingen. Je kunt het tekenen. Bij mijn Opoe komt de eenhoorn twee keer per week tulpen eten. M1 Misschien moeten we met z’n allen naar haar Opoe gaan. P

21


M2 M3 J3 P

Die tuin ligt vol afgewaaide takken. Laat Pippa toch uitspreken. Ja, luister toch nog maar even naar haar. Misschien mogen we vrijdag de eenhoorn wel tekenen. Vraag ik het aan Brekebeen? M3 Joepie! Geen gymnastiek! J2 Geen wero! MMMMMJJJJJJ (allemaal door elkaar, in een soort rondedans waarin Pippa onzichtbaar wordt) Kinderpraat! Moet kunnen! Superman bestaat ook! In mijn dromen! Ben ik zelf! Geen bedrog! Bravo! Onnozele trien! Awoert! Boe! Alaska heen en terug! Hulp! Een tulp! Hoorndrager! Wat je zegt, ben je zelf! Ezelskop! Mislukt hert! Afgewaaide tak! Huu, lelijke eenhoorn! Neushoorn! Eekhoorn! Eenhoorn! Verzinsel! Dichtertje! Rijmelaar! Pippa wordt beroemd! Hij bestaat echt! In haar hoofd! (Gerinkel van de schoolbel. Iedereen blijft stokstijf staan. Pippa, weer centraal in halve kring, heeft plotseling een hoorn op haar voorhoofd. Lichten dimmen. Duister.)

22


23


ACT IX (Pippa pookt met een wc-borstel in de toiletpot. Daarna giet ze er twee emmers water in. Ze legt een grote gele zon voor zich neer. Op dat ogenblik komt een druipnatte man met lange haren binnen. Hij schudt zich als een poedel.) R P R P R P

Ahum ahum. (verrast opkijkend) O… Hallo, dag meneer. Robin is de naam. Aangenaam … maar beetje nat. Ja, badnat, hé. Ik heet Pippa. Welkom. Ik stoor toch niet? Helemaal niet. Gaat u zitten, natte meneer.

(Pippa keert de lege emmers om, waar ze op gaan zitten.) R P R P R P R P

24

Zeg maar Robin, hoor. Ja, het regent haaientanden10. Ik ben hier zowat aangespoeld. U zult kou vatten. Daarom kom ik schuilen. Aardig hokje hier. Ver van de bewoonde wereld. Gezellig alleen. Geen pottenkijkers. Het is mijn geheime hut. Van hieruit zie ik veel. (wijst naar het hart in de deur) O, het hart, hé? En wat kun je zo allemaal zien? Vreemde vogels? Precies. Eh… Wie door het hart kijkt, ziet soms ook de eenhoorn. Dat is toch dat beest uit de fabels? Ja. En hij komt hier tulpen eten.


R P

Wel grote gribus! Probeert u zelf maar even. Misschien hebt u geluk.

(Robin staat op en gluurt door het hart in de deur.) P R P R

P R P R P R

Bespeurt u iets, Robin? Geen sikkepit. Ik bedoel: alleen een eiland in de regen, mijn droge vriendin. Grijze wolken boven wuivende palmbomen. Tja, misschien is het uw dagje niet. De eenhoorn houdt nochtans van wind en regen. En eenzame plaatsen. (gluurt nog eens) Nog altijd regen … De voetsporen op het strand zijn al verdwenen … De tulpen in je Opoes tuin zijn geknakt … Ben ik blij dat ik hier in het droge ben aangespoeld …(zich nu plots omdraaiend) Zeg, Pippa: geloof jij eigenlijk zelf in die eenhoorn? (boos en vlug) Gelooft u in mooi weer, Robin? Eh… nee. Op dit ogenblik niet. Luister maar. De hele wereld lijkt wel een carwash. Wel: hup dan! (Ze hangt de grote gele zon aan de wand.) (verbaasd, voor de derde keer door het hart in de deur kijkend) Ongelofelijk! Mooi weer! In één klap mooi weer! Hoe kan dat nou!? Heel simpel: geloof altijd je eigen ogen. En vooral: je hart. Laat ik maar vlug van die opklaring profiteren.

25


P R

P

Bedankt! Bye bye, Pippa! Hela! Wacht! Hoe zit dat nu met mijn eenhoorn? Bestaat hij of bestaat hij niet? (aarzelend, naar de zon aan de wand kijkend) Eh… Eh… De zon schijnt voor iedereen, hé. Ja, de eenhoorn zal dus wel bestaan. Die geknakte tulpen in de tuin bewijzen het ook. Maar nu moet ik er vlug vandoor. Morgen is het alweer vrijdag. Goede reis, Robin. En nog vele jaren.

(Robin verdwijnt. Pippa gaat weg, in elke hand een emmer. Lichten dimmen. Duister.)

26


ACT X (Huis en tuin. Huis: Pippa print een aantal keren het gedicht over de eenhoorn. Opoe helpt daarbij. Tuin: een na een komen alle personages op. Ze richten zich eerst tot de zaal. Ieder heeft wat te zeggen. Het sneeuwt ook snippers: exemplaren van het gedicht + tweehonderd strafregels. De personages die opkomen, plukken zo’n snipper en stellen zich in een spreekkoor op. De hele act eindigt via spreekkoor in het gedicht ‘Een eenhoorn in mijn tuin’. Pippa staat centraal. Ze draagt een groot hart op haar hart. Opoe dirigeert het spreekkoor. De eenhoorn passeert nu echt, heen en terug. Op het witte laken over hem prijken tulpen.) B Li E B Li E B E

Eén … Twee … Drie … Ik zie wat ik niet zie. Ik denk dat ik het weet. Een eenhoorn die graag tulpen eet. En sporen in de sneeuw vergeet. Noem ik voortaan een sneeuwhoorn.

(Ze gaan nu in een spreekkoor samen staan.) La Moet er geen zand zijn? Als woestijnvos geef ik toe: de eenhoorn bestaat! Elk zegge het door! (Hij voegt zich bij het spreekkoor.)

27


Meester (beschuldigende vinger) Zij beweert dat ze de eenhoorn heeft gezien! Tweehonderd regels straf! Dat zal ze leren! (spottend) Toen hij zichzelf om zijn tuin Baron eens leidde, ha ha ha! Meester Geloven in sprookjes mag alleen op vrijdagmiddag, van halfvier tot vier uur. Meer kan ik niet toestaan! Baron Maar zoals een baron een edel mens is onder de mensen, zo is de eenhoorn een edel dier onder de dieren. Ik heb me bekeerd. We hebben het dus niet over poten, maar over benen. Niet over kop, maar over hoofd. Niet over beest, maar over dier. Na u, meester! Robin Tulpen verwelken, schepen vergaan, eilanden zwalpen, dolfijnen verdwijnen, maar de eenhoorn zal altijd blijven bestaan. (Ook hij gaat naar het spreekkoor.) (Nu een na een de kinderen van op de speelplaats. Ze roepen van alles naar de zaal, voor en tegen. Telkens vergroten ze daarna het spreekkoor.) J1 M1 J2 M2

28

Als haar ma en pa naar Alaska zijn, dan zijn die van mij op de maan! Zeker weten! Als dino’s bestaan, dan is de eenhoorn echt! En het monster van Loch Ness dan? Waar rook is, is ook vuur!


29


J3

Wedden voor tien jaar zakgeld dat Pippa de eenhoorn echt heeft gezien? M3 Zou je die centen niet beter gebruiken om een nieuw stel hersenen te kopen? J4 Wis en drie! M4 Waar het hart van vol is … J5 … stroomt de mond van over. M5 Heb je ’t misschien over dat wc-hok hier? J6 Het hoofd van een paard, soms wit, soms paars … M6 Een grote gedraaide hoorn op dat voorhoofd ... J7 Gegrom van honderd honden in zijn buik … M7 Grote droevige ogen … J8 Schichtig als een hert … M8 Eenzaam als … als … zichzelf … J9 Noordpool … Zuidpool … M9 Woestijn … water … zand … wind … J10 Wolken … bossen … bomen … M10 Hij moet bestaan! J11 Het is alleen maar jammer … M11 dat wij hem nooit eens rustig … J12 met onze eigen ogen kunnen gadeslaan! (Spreekkoor is nu volledig.) (Nu terug naar huis.) P

30

Zo, Opoe: de straf is af. Maar ik heb de tekst wat veranderd. Er zijn nu ook vijfhonderd regels in plaats van tweehonderd. Prima idee van jou, die computer. En wat een mooi regelmatig schrift!


O

Goed zo, Pippa. Help je even uitdelen?

(Ze delen nu de tekst van het gedicht ook aan het publiek uit. Daarna voegen ze zich bij het spreekkoor. Pippa gaat centraal staan. Opoe als dirigent. Terwijl iedereen samen het gedicht nog eens voordraagt, passeert de eenhoorn, getooid met tulpen op zijn witte laken. Einde.)

31


Woorduitleg 1 2 3

act = deel van een toneelstuk plee = leuker woord voor wc fata morgana = een soort droom (je ziet iets wat niet echt is) 4 minaret = de toren van een moskee 5 knol = leuk woord voor oud paard 6 maak dat je grootje wijs = dat geloof ik niet 7 iemand iets op de mouw spelden = iets vertellen wat niet waar is 8 gadeslaan = toekijken 9 hanenpoten = veel te grote letters 10 het regent haaientanden = het regent heel veel 11 verbouwereerd zijn = heel verbaasd zijn

32


Pippa ziet af en toe een eenhoorn in de tuin van Opoe. Wie anders kan die mooie tulpen opgegeten hebben? Wie gelooft haar? Wie gelooft haar niet? En bestaat de eenhoorn nu echt? Meester Brekebeen heeft er alvast grote problemen mee.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 4. ISBN 978 90 486 2283 2 Bestelnummer 60 1021 397 KB D/2015/0147/339 NUR 191 Illustraties: Chris Vosters Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 622832

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb 4e leerjaar - Kijker 1 - N3 – Een eenhoorn in je tuin by die Keure - Issuu