Skip to main content

BAD, BROOD EN BEGELEIDING; het belang van inloophuizen

Page 1

D O O R B BAD, G N I D I E L E G E B N E E D N A V G N A L E B HET INLOOPHUIZEN

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 1


D O O R BAD, B G N I D I E L E G E EN B E D N A V G N HET BELA N E Z I U H P O O INL

2 BAD, BROOD EN BEGELEIDING


In de inloophuizen in Amsterdam komen zo’n 5000 bezoekers. En toch zijn daklozen in onze stad een stuk minder zichtbaar dan in steden als Rome en Barcelona: we zien weinig zwaar verwaarloosde mensen, weinig mensen die met hun hele hebben en houden op straat zitten... . En gelukkig maar. Het verschil met die andere steden? In Amsterdam zijn er acht inloophuizen; ruimtes waar daklozen onder andere terecht kunnen voor een douche, goedkoop eten en om hun kleren te wassen en waar ze - als ze een verslaving hebben - buiten het zicht van anderen veilig drugs kunnen gebruiken. Een van de mensen die weten hoe belangrijk een inloophuis is, is Mustafa (36). Hij scheidde zo’n acht jaar geleden en moest daarom het huis uit. “Ik heb hier verder geen familie, kende niemand”, vertelt hij. “Een andere dakloze in het Vondelpark bracht me naar Princehof. Daar heb ik de intake gedaan en daarna kwam ik in inloophuis Oud-West terecht. Dat paste beter bij me.” In totaal was Mustafa een jaar of twee dakloos, inmiddels heeft hij weer een eigen woning. “Anderhalf jaar daarvan heb ik zonder geld geleefd. Ik werkte al meer dan tien jaar voor dezelfde baas, maar zonder huis werd het steeds lastiger voor me om ‘s ochtends om 7 uur op mijn werk te zijn. Mijn baas begon lastig te doen, het gaf me steeds meer stress, zeker met de echtscheiding erbij. Toen heb ik gezegd: oké, ik stop ermee, ik neem ontslag.” Dat vindt hij, achteraf, ontzettend stom van zichzelf. “Omdat ik zelf wegging had ik geen recht op ww, geen recht op een uitkering. Waarom heb ik me niet ziek gemeld?” Zonder huis en zonder geld kwam hij op straat terecht. “Ik ben geen drugs gaan gebruiken of heel veel alcohol gaan drinken, dat is mijn redding geweest. Bij daklozen die in groepen bier zaten te drinken, ben ik op een gegeven moment niet meer gaan zitten. Het is een lastig leven, een heel moeilijk leven.” Toch is het juist Mustafa’s kennis van dat harde leven die hem nu van pas komt. Tegelijk met zijn inschrijving als dakloze bij De Regenboog kwam hij in contact met hulporganisatie HVO-Querido. Die wees hem een begeleider toe en hielp hem met het vinden van woonruimte. Een voorwaarde daarvoor is dat de hulpvrager werk of dagbesteding vindt. Mustafa vroeg bij het team van Oud-West of hij dat daar mocht komen doen. Dat kon. Nu is hij alweer drie jaar manusje van alles in het inloophuis. “Ik weet precies hoe moeilijk het leven is van de mensen die hier komen”, zegt hij daarover. “Ze gaan aan de alcohol om het te vergeten, om er niet aan te hoeven denken. Dat is dan ook de voornaamste verslaving die je hier ziet. Soms zijn het net kleine kinderen in hun gedrag, daar moet je mee om kunnen gaan. Ik kan goed met deze mensen, ik spreek veel bezoekers. Ik schenk de koffie in, zorg dat ze kunnen douchen, dat ze rustig worden als ze opgefokt zijn. Er zijn nog veel bezoekers uit ‘mijn’ tijd. Mensen met een daklozenuitkering die verder geen stappen hebben genomen. En bijna elke dag zie ik wel nieuwe gezichten.”

Registreren Deze nieuwe gezichten moeten zich eerst aanmelden. Dat gaat bij elk inloophuis hetzelfde: dak- en thuislozen moeten aanbellen en worden dan bij de welkomstbalie geregistreerd, zodat De Regenboog Groep weet wie er in huis is. Je wilt immers iets over de groep kunnen zeggen die je bedient. Ook heeft de organisatie zo beter zicht op de bezoekers; wie al bij welke zorginstelling in beeld is, bijvoorbeeld. Daarnaast geeft het ook de gemeente enig zicht op hoe groot de groep dak- en thuislozen in Amsterdam is. De registratie betekent niet dat mensen niet welkom zijn. Alle dak- en thuislozen kunnen terecht in een inloophuis, ongeacht waar ze vandaan komen. “Bij de welkomsttafel zit altijd iemand”, zegt Kathleen Denkers, locatiehoofd van Makom en de Kloof. “We proberen zoveel mogelijk contactmomenten te creëren met de bezoekers. We kennen daardoor al onze bezoekers bij naam. Als iemand hier nieuw is, lopen we op diegene af en maken we een praatje. Dat maakt aanspreken later ook makkelijker.” De registratie heeft nog een functie, die bij voorkeur zo min mogelijk wordt gebruikt door de inloophuizen: als iemand zich misdraagt, dan kan hij of zij geschorst worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld als er sprake is van agressie. Bezoekers kunnen dan voor een specifiek inloophuis worden geschorst, maar ook voor meerdere locaties. De duur van de schorsing hangt af van wat er is voorgevallen.

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 3


In de inloophuizen Dak- en thuislozen als Mustafa komen naar een inloophuis voor ‘bad en brood’: een douche, wat te eten, een kop koffie, een droge plek als het regent, een plek om tot rust te komen ... “We kunnen ook een luisterend oor bieden”, zegt Bianca Koster, dagcoördinator in Princehof, een inloophuis op de Oudezijds Voorburgwal. “De mensen die hier komen, hebben veel meegemaakt, anders kom je niet in een inloophuis terecht. Het beeld van onze bezoekers is dat ze allemaal verslaafd zijn en daardoor in de problemen zijn gekomen, maar dat is niet zo, er zijn bijvoorbeeld ook mannen die na een scheiding op straat komen te staan, omdat hun vrouw met de kinderen in het huis blijft wonen. Alle bezoekers hebben wel één ding gemeen: ze hebben om welke reden dan ook geen sociaal vangnet. Ze hebben niemand bij wie ze terechtkunnen op het moment dat ze hun huis kwijtraken, of de problemen houden te lang aan waardoor ze niet bij iemand kunnen blijven logeren.” “Mensen zijn soms jaren dakloos, omdat ze een combinatie van problemen hebben. Het zou fantastisch zijn als we iedereen aan een huis zouden kunnen helpen en beter zouden kunnen maken, maar dat is niet realistisch. Onze hulp en betrokkenheid zitten in andere dingen: we luisteren naar ze, geven ze een kop koffie, droge sokken als het regent ... Het zijn hele kleine dingen, maar daar kunnen ze heel dankbaar voor zijn. We maken het leven op die manier even iets leefbaarder en draaglijker voor mensen. Daarnaast helpt het dat ze even als volledig mens worden gezien, niet als bijvoorbeeld die ‘zwerver’ die op een bankje hangt.” “In de winter komen hier overdag 100 tot 120 mensen, van wie het overgrote deel dakloos is. Ze kunnen hier dagbesteding doen: koken voor de andere bezoekers, een wasdienst draaien, de volgorde van douchebeurten in de gaten houden en mensen een handdoek en shampoo geven, bardienst doen, schoonmaken, deel uitmaken van de veeg- en prikploeg ... Dat geeft ze ritme en het gevoel dat ze iets terugdoen. De veeg- en prikploeg gaat twee keer per week de straat op om hier op de Wallen schoon te maken. Hij is niet zo lang geleden nieuw leven ingeblazen, en zat in no-time vol. Deelnemers krijgen een symbolisch bedrag en een maaltijd, maar het belangrijkste is dat ze het fijn vinden om nuttig te zijn. Ze zijn trots dat ze iets kunnen doen.”

4 BAD, BROOD EN BEGELEIDING


Daarnaast worden in inloophuizen verschillende activiteiten georganiseerd. Dat gebeurt vooral in Makom. “Door die activiteiten kun je mensen echt zien groeien” zegt Kathleen Denkers. “Al duurt het soms jaren voordat dat vertrouwen er is.” Op vrijdag is in Makom bijvoorbeeld een bioscoop. Bezoekers moeten dan op donderdag een kaartje halen, en op de avond zelf wordt gestemd welke film er wordt gedraaid. Op de eerste verdieping is de ‘kunstsuite’: een hoge lichte ruimte waar iedereen zijn artistieke aandrang de vrije loop kan laten. Dat heeft al een band opgeleverd en kunstexposities. Het inloophuis heeft letterlijk veel ruimte, zegt Denkers. “Dat maakt het zo leuk. Het is altijd in ontwikkeling.” Eén van de bezoekers van Makom is Alexander. De afgelopen 2,5 jaar woonde hij op het ADM-terrein. Nu dat ontruimd is, heeft hij geen eigen plek meer. Bij Makom krijgt hij hulp. “Ik wist niet bij welke instanties ik moet of kan aankloppen. Hier helpen ze me goed op weg en geven ze me advies.” En er is meer. “Makom is voor mij ook eten, gezelschap, iemand om mee te roken, mensen om mee te praten. Dat is stukken beter dan gewoon op straat zitten.” Het is niet de eerste keer dat het Alexander tegenzit. Hij kwam in 1998 naar Nederland nadat hij was gedeserteerd uit het Russische leger. Sindsdien gaat het op en af met hem. Tijdens de asielprocedure begon hij drugs te gebruiken om zijn problemen te vergeten. Hij raakte verslaafd aan heroïne en handelde in drugs om zijn gebruik te bekostigen. Twee weken nadat zijn asielaanvraag was goedgekeurd, stond de politie daarom voor de deur om hem te arresteren. Tijdens zijn detentie tekende hij - naar eigen zeggen zonder dat hij het doorhad - een ongewenstverklaring. Toen hij vrijkwam, moest hij linea recta door naar vreemdelingendetentie. Hij was inmiddels afgekickt, maar belandde op straat, waar hij direct weer begon te gebruiken. Hij sliep vaak op Schiphol. Een tijdje ging het beter, toen hij iemand had ontmoet (‘een moederfiguur’) bij wie hij in huis mocht wonen, maar in 2011 werd hij bij een controle door de vreemdelingenpolitie opnieuw opgepakt. Hij zat een jaar in vreemdelingendetentie in Zeist, en kwam daarna terug naar Amsterdam. “Na tien jaar hetzelfde leven dacht ik eindelijk: dit is geen leven”, zegt hij. Hij kwam bij inloophuis AMOC terecht en via daar bij Makom. Daar krijgt hij eten, drinken en af en toe onderdak. “Na het afkicken ben ik begonnen met tekenen”, zegt Alexander. “In plaats van beneden zitten en niks doen, ga ik tekenen in de kunstsuite van Makom.” Samen met andere dak- en thuislozen exposeert hij ook. “De meesten hebben geen woning en zijn aan de drank of de drugs. Niemand heeft iets van school of kunstacademie gedaan, toch heeft iedereen iets van talent. Het is een goed project.” Alexander is nu vrijwilliger bij Makom, maar mocht hij legaal worden, dan weet hij het zeker: “Dan kan ik makkelijk een baan krijgen bij de Regenboog, of bij Jellinek of iets dergelijks. Ik heb zoveel ervaring met drugshandel, stelen, gebruiken. Gelukkig ben ik ondanks die ellende goed terechtgekomen. Dat is niet alleen mijn mening; ik heb hier het vertrouwen van de leiding en dat doet me veel. Ik heb moeilijke tijden meegemaakt, maar nu gaat het goed.”

Hulp met problemen “We zijn geen hulpverleners, die grens moeten we goed bewaken”, zegt dagcoördinator Koster (Princehof). “Natuurlijk kunnen we bijvoorbeeld een telefoontje plegen, maar als het ingewikkelder wordt, moeten bezoekers naar maatschappelijk werk.” Dat maatschappelijk werk is in alle inloophuizen aanwezig, soms een paar uur per week, soms vaker. Door de aanwezigheid van deze hulpverleners, is het voor bezoekers laagdrempelig om hulp te vragen. Een van de maatschappelijk werkers is Bryan Joe. Hij werkt in Princehof. “Mensen komen hier met de meest uitlopende hulpvragen”, vertelt hij. “Iedereen kan naar ons toe komen. We geven begeleiding, maar ook praktische hulp. Deze groep heeft zelden één vraag, er speelt van alles: verslaving, schulden, geen huisvesting, geen verblijfsvergunning. Soms is het eenvoudig om iemand te helpen, dan vragen we bijvoorbeeld een uitkering voor hem aan. Maar anderen hebben een complexe vraag, dan helpen we diegene bijvoorbeeld aan een advocaat. Soms moeten we ook echt nadenken waar we moeten beginnen, want de problemen die mensen hebben beïnvloeden elkaar. En weer andere mensen komen alleen even vertellen hoe het met ze gaat. Een sociaal praatje, daar zijn we ook voor.”

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 5


“Onze taak is om mensen er weer bovenop te helpen. Ze te ondersteunen en begeleiden bij het regelen van hun zaken en het op orde krijgen van hun leven. Als die zaken geregeld zijn, dan hebben ze een fijner bestaan. De mensen die hier komen, zitten echt op de bodem. Wij kijken met hen hoe we die situatie kunnen oplossen. De kern is altijd om eerst een basis te creëren. Dat betekent dat ze een verblijfplek moeten vinden, een dak boven hun hoofd, dat er een inkomen moet zijn en dat ze ingeschreven moeten staan. Als dat geregeld is, dan gaan we verder met de andere problemen.” Maatschappelijk werk is nergens verplicht: bezoekers mogen zelf kiezen of ze er gebruik van willen maken. Wel is er tegenwoordig meer aandacht voor het helpen van bezoekers. Waar de enige functie van inloophuizen 15 jaar geleden was dat mensen van straat werden gehouden en dak- en thuislozen verder zo veel mogelijk met rust werden gelaten vanuit het idee dat ze daar recht op hadden, wordt nu meer nagedacht over hoe ze toch verder gebracht kunnen worden in hun leven. Hoe een beroep gedaan kan worden op iemand en zijn of haar mogelijkheden en energie. Bezoekers mogen dat wel blijven weigeren en alleen voor een douche en een kop koffie naar de inloophuizen komen, maar ook met die bezoekers wordt minstens eens per jaar gesproken om te kijken of ze alsnog openstaan voor maatschappelijk werk. Dat is een goede zaak, vindt Hendrik Boon, psychiatrisch verpleegkundige bij GGZ-instelling Arkin, al is volgens hem een interessante vraag hoe je dat doet zonder mensen weg te jagen: “Ik denk dat het gezond is om mensen zich welkom te laten voelen en na bijvoorbeeld een maand eens te zeggen: hé, wat fijn, je komt hier geregeld. Je vindt de broodjes tof en de douches fijn, en het zij je gegund, maar hoe gaat het verder met je? Wat wil je doen? Ben je hier over een jaar nog, of wil je bijvoorbeeld een huis? Hoe gaan we dat doen? Dat kan niet met iedereen, en je loopt het risico dat mensen daardoor wegblijven, het is een interessante discussie om te kijken hoe ver je daarin kan en moet gaan.” Bij Makom zijn ze dat aan het aftasten. Daar loopt sinds ruim een jaar het project Makom Zonder Zorg. Daarbij wordt in samenwerking met GGZ inGeest actief ingezet op hulp. Het afgelopen jaar werden met deze zorgtoeleiding ruim honderd mensen bereikt; op dit moment zitten er tussen de veertig en vijftig bezoekers in een lopend traject. Het team wordt dit jaar uitgebreid met inzet van Arkin. “We zijn dit project gestart voor mensen die niet of onvoldoende in beeld kwamen bij zorgorganisaties, maatschappelijk werk of andere hulpverleners”, zegt projectleider Janneke Roozen. De zorg die geboden wordt, kan net als bij het reguliere maatschappelijk werk van De Regenboog Groep uit van alles bestaan: psychische zorg, hulp bij het vinden van een huis of de financiën, ambulante begeleiding ... Ook de bezoekers in het traject hebben meervoudige problematiek. “In maximaal drie gesprekken kunnen wij beoordelen of iemand aan de

6 BAD, BROOD EN BEGELEIDING


voorwaarden van dit traject voldoet”, zegt Roozen. Het project is vooral bedoeld voor mensen die in een complexe situatie zitten en daar zelf niet uit kunnen komen. Het uitgangspunt daarbij is dat de hulp van Makom Zonder Zorg eindig is - al is dat een rekbaar begrip. Voor het contact maken met een bezoeker staat zo’n drie maanden. “Daar steken we veel tijd in”, zegt Roozen. De volgende fase is dat samen met een dak- of thuisloze wordt bekeken wat de volgende stap wordt. Welke organisaties kunnen hem of haar helpen? Als de bezoeker dat wil, worden die organisaties ingeschakeld. “We dragen dat dan over, maar blijven wel minimaal drie maanden betrokken bij het verdere verloop. Soms gebeurt het dat het minder goed gaat met iemand, op dat moment kunnen wij weer aansluiten.” Veel bezoekers die in dit traject terechtkomen, kampen ook met psychiatrische klachten. Roozen: “Ze komen in de problemen en kunnen die niet zelf oplossen. Bij deze groep is zelfredzaamheid een relatief begrip. We gaan bijvoorbeeld echt met ze mee als ze een afspraak hebben bij de gemeente. Anders komen ze, om allerlei redenen, niet opdagen en stagneert het hulpaanbod.” Ondanks de tijd en energie die in het eerste contact worden gestoken, zijn er ook bezoekers die geen hulp willen. “Die houd je altijd. Dan kijken we of we ze wellicht op een andere manier kunnen helpen, of dat iemand toch zichzelf kan redden. Die autonomie is belangrijk, ook voor het succes van een eventuele behandeling.” De kracht van het project zit ‘m volgens Roozen in het feit dat ze starten met de problemen die de bezoekers zélf ervaren. Daarbij maakt het niet uit of deze problemen psychisch zijn of praktisch. “We kunnen sowieso opstarten, beginnen met gesprekken. Als er een wachttijd is voor psychische hulp, kunnen we al met kleine praktische dingen beginnen.” Voor de bezoekers is het fijn dat ze ook afspraken buiten de openingstijden van Makom om maken. En als het nodig is, gaan ze ook naar mensen toe. “Mensen die bijvoorbeeld inmiddels een huis hebben gekregen”, zegt Roozen. “Het contact met hen kunnen we makkelijk weer oppakken. Soms bellen ze en zeggen dat het niet gaat, een eigen woning. Vanuit het inloophuis kan begeleiding dan weer worden opgezet.” De Regenboog Groep breidt dit project binnenkort uit met nog een locatie.

Samenwerking met andere instanties Niet alle problemen kunnen door maatschappelijk werk worden opgelost. Kan dat niet, dan wordt door De Regenboog Groep hulp ingeschakeld van een van de vele andere instanties die zich in de stad bezighouden met de hulp aan dak- en thuislozen. Een van die organisaties is Arkin, dat specialistische geestelijke gezondheidszorg biedt. De Regenboog Groep belt Arkin bijvoorbeeld als personeel van een inloophuis gedrag van een bezoeker niet kan duiden of inschat dat de bezoeker baat heeft bij specialistische hulp. Andersom zijn de inloophuizen voor Arkin een vindplaats van mensen die zorg nodig hebben. “Wij komen bij alle inloophuizen over de vloer”, vertelt psychiatrisch verpleegkundige van Arkin Hendrik Boon dan ook. “Veel daklozen zijn disfunctionerend op bijna alle levensgebieden: ze hebben lichamelijke problemen en geen huisarts of een die ze zelden bezoeken, psychiatrische problemen, hebben vaak meerdere boetes die ze niet kunnen betalen, bijvoorbeeld omdat ze op straat slapen, hebben geen inkomen, weinig tot geen dagbesteding… Ze behoeven dus op alle levensgebieden wel aandacht.” “Wij richten ons vooral op de psychiatrische problemen. Die kunnen heel uiteenlopend zijn. Sommigen lijden aan psychoses of schizofrenie, anderen hebben trauma’s. We kijken of er kwetsbare mensen tussen zitten die ggz-problematiek hebben en hulp willen of nodig hebben. We praten met ze, stellen een diagnose, vertellen wat psychische hulp inhoudt en wat de mogelijkheden voor hen zijn. Ook praten we geregeld met de wat moeilijkere mensen in de inloop om te kijken waar we hen kunnen helpen. En met het personeel van de inloophuizen praten we over hoe ze met bepaald moeilijk gedrag kunnen omgaan. Dat is ze daar wel toevertrouwd, maar soms is het ook voor hen fijn om daar met een buitenstaander

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 7


over te praten. Wat doe je bijvoorbeeld met iemand die tegen een schorsing aan dreigt te lopen? En we vertellen hoe je met bepaalde psychiatrische ziektebeelden moet omgaan.” Ook Veldwerk Amsterdam werkt nauw samen met De Regenboog Groep. Veldwerk Amsterdam biedt praktische hulp aan dak- en thuislozen. “Bij Veldwerk Amsterdam gaan we geen hulpverleningsrelatie aan en verlenen we ook geen zorg, maar we zorgen dat mensen bij de juiste partij terechtkomen voor die zorg en hulp.” Veldwerker Mohamed Bakayan vertelt dat zijn organisatie de inloophuizen gebruikt als vindplek voor mensen die praktische hulp nodig hebben, bijvoorbeeld bij het vinden van een toegespitst zorgkader, huisarts of iemand die hen met financiële problemen kan helpen. Ook laat Veldwerk Amsterdam mensen zich opfrissen in een inloophuis als ze gerepatrieerd worden: teruggaan naar hun land van herkomst. “Iemand die fris is, zet je makkelijker op een bus of in een vliegtuig. En het is voor hen prettiger om een beetje gefatsoeneerd terug te kunnen keren naar hun land.” Daarnaast gebruikt Veldwerk Amsterdam de inloophuizen als afspreekplek, zeker bij minder goed weer. “Inloophuizen hebben dus een grote waarde voor ons”, zegt Bakayan. “We komen in alle inloophuizen in de stad. Medewerkers vertellen het ons als ze zorgwekkende signalen zien, dan kijken wij wat we voor diegenen kunnen doen. In inloophuizen kunnen mensen goed geobserveerd worden; ze zijn daar langere tijd en vaak meerdere uren op een dag, waardoor gedragsveranderingen goed kunnen worden opgemerkt. En het gebeurt ook dat bijvoorbeeld ggz-instellingen, familie, of de GGD mensen kwijt zijn. Die bellen ons en dan vragen wij inloophuizen om ons te bellen als diegene daar binnenloopt. Dat gebeurt geregeld. Een groot deel van onze doelgroep duikt op bij de inloophuizen. De wisselwerking die wij met elkaar hebben, draagt daardoor bij aan onze slagkracht.” De inloophuizen bieden geen nachtopvang. Daarvoor worden bezoekers doorverwezen naar een andere organisatie, zoals HVO-Querido. Andersom stimuleert HVO-Querido bezoekers weer om naar de inloophuizen te gaan voor sociale voorzieningen en dagbesteding, vertelt Conrad Köckert van HVO-Querido. “De activiteiten van ons en De Regenboog Groep overlappen elkaar deels, maar vullen elkaar ook aan. In onze nachtopvang is bijvoorbeeld geen ‘woonkamer’. Wij stimuleren mensen om de deur uit te gaan, naar hun vrienden, een inloophuis of huis in de wijk. Zeker mensen die nog niet stabiel gehuisvest zijn, trekken terug naar hun matties van de straat. Het kan 1 tot 4 jaar duren voordat ze gesetteld zijn. In die periode zijn de medewerkers van de inloophuizen vaak de enigen met wie ze een vertrouwensband hebben, met wie ze kunnen praten en werken. Op het moment dat ze gestabiliseerd zijn, is het beter voor ze om niet meer naar de inloophuizen te gaan, maar naar een Huis van de Wijk.”

Niet-Nederlanders in inloophuizen Veldwerker Mohamed Bakayan had het er al over: een deel van de daklozen in Amsterdam komt niet uit Nederland. Deze groep bestaat voor een groot deel uit Midden- en Oost-Europeanen. Bij De Regenboog Groep is er voor hen een speciaal inloophuis: AMOC. “Deze Europeanen zijn in principe legaal in Nederland, ze hebben hier soms ook wel gewerkt, maar hebben geen recht op voorzieningen. Geen recht op zorg”, zegt Aukje Polder, locatiehoofd bij AMOC. De eerste zes maanden mogen ze alleen bij AMOC komen. Daar zit een specialistisch maatschappelijk werk team dat de kansen en mogelijkheden van deze mensen het best kan inschatten. “We hebben hier veel maatschappelijk werkers die bijvoorbeeld Pools, Duits of Roemeens spreken. Kan iemand terug? Kunnen we iemand snel aan werk helpen? Dat zijn de voornaamste vragen die we in die eerste periode stellen. We zetten erop in dat ze zo kort mogelijk in het daklozencircuit blijven.” Veelal is de boodschap die hier gegeven wordt: er is in Nederland weinig perspectief voor je, we kunnen je helpen om terug te gaan. Daarvoor zoeken ze ook contact met het land waar iemand vandaan komt. “Ze hebben hier zo weinig perspectief. Soms hebben ze nog familie in het land van herkomst bij wie ze terecht kunnen. Het gaat zelfs zo ver dat we ze hier op de bus zetten en ze daar door bijvoorbeeld maatschappelijk werk van de bus worden gehaald.” “Tien jaar geleden klopten hier met name Duitse heroïnegebruikers aan, nu zijn het Oost-Europeanen met een alcoholprobleem”, zegt Polder. “Het is niet eens zo heel veel drukker, het is meer een geografische verschuiving.” Veel bezoekers van het inloophuis zijn niet alleen verslaafd, maar hebben ook psychische problemen. “We proberen hen wel door te verwijzen, eventueel. Maar ze moeten het wel heel bont maken om gedwongen te worden opgenomen, want ze hebben in principe geen recht op die zorg. Terwijl er ook mensen tussen zitten

8 BAD, BROOD EN BEGELEIDING


die echt heel zware gevallen zijn. We zijn daar eigenlijk niet op ingericht. Er zijn wel wat mogelijkheden qua zorgtoeleiding, maar dat aanbod is echt minimaal.” Polder zou graag zien dat ze haar bezoekers verder kan helpen. “Laten we wel wezen: de meeste Polen die naar Nederland komen, redden het gewoon. Zij vinden een baan, woonruimte… We zouden ook verantwoordelijkheid moeten nemen voor het kleine deel dat het níet redt. Het zou zo fijn zijn als we deze mensen verder kunnen helpen. Iedereen is de moeite waard om in te investeren. Je loopt er tegenaan dat je mensen die steun nodig hebben bij bepaalde zaken, te weinig kunt geven.” AMOC is dagelijks bijna 24 uur geopend. De inloop is vijf dagen per week. In het weekeinde dient de inloopruimte als gebruikersruimte en er is een kleine nachtopvang van tien bedden. “Daar slapen mensen die teruggaan of die ziek of heel uitgeput zijn”, zegt Polder. “Het is hier best wel vol, dus wat extra ruimte zou ook fijn zijn.” Een van de mensen die al jarenlang bij AMOC over de vloer komen, is de 55-jarige Zoran. Zeven jaar geleden kwam hij naar Amsterdam voor een vakantie, hij woonde toen in Macedonië. “Toen ik naar Amsterdam kwam, sliep ik elke dag in een hotel. Nu is het elke dag zoeken naar een bed.” Hij wilde de wereld rond reizen, maar werd van al zijn geld beroofd. “Maatschappelijk werk bij AMOC heeft me geholpen om een advocaat te vinden.” Zijn geld kreeg hij niet terug en nu woont Zoran als dakloze in Amsterdam. “Ik kom hier bijna elke dag. Ik vind dit een prettige plek, hier heb ik vriendschappen gevonden. De sfeer is goed, de mensen die hier werken zijn aardig en ze kunnen je nog weleens helpen met iets. Zo zoeken ze nu een plek voor me waar ik mijn spullen kan stallen. Ik heb nogal veel spullen.” Elke dag een slaapplek zoeken is bijna een dagtaak voor hem. In de winter kon hij terecht bij de nachtopvang in de Marnixstraat, het Stoelenproject. “Dat is heel basic, maar ze hebben gezond, goed eten. Alleen is het dicht tussen april en september. AMOC is de fijnste plek om te slapen.” Met zijn AMOC-vrienden speelt Zoran in een band: Homeless Sapiens. “We willen een cd maken. Ik speel gitaar en zing. Een boek uitgeven, dat zou ik ook wel willen.”

Gebruikersruimten Moet je mensen faciliteren om drugs te gebruiken? Het is een lastige vraag. Maar feit is: gebruikers zijn er, en anders gebruiken ze op andere plekken. Dan kun je ze maar beter een ruimte geven waar ze dat kunnen doen, is de visie van De Regenboog Groep. Daarom zijn op drie locaties gebruikersruimten ingericht: in Blaka Watra, AMOC en Princehof. In twee van de ruimtes mag alleen gerookt worden, bij AMOC is ook spuiten toegestaan. Bij AMOC en Princehof kunnen spuiten daarnaast worden omgeruild voor schone. Hugo (55) is een van de mensen die geregeld gebruik maken van een van de gebruikersruimten. Hij komt in Princehof, waar hij cocaïne en heroïne gebruikt ‘op de folie, en af en toe een pijpje’. Spuiten heeft hij nooit gedaan. “Ik heb mijn aderen lief.” Sinds hij zo’n 25 jaar geleden begon met gebruiken, heeft hij meerdere afkickklinieken gezien. Hij was steeds enige tijd clean, maar viel keer op keer terug in zijn verslaving. “Er hoefde maar dit te gebeuren, of ik gebruikte weer.” Hugo leefde tien jaar lang op straat. “Ik begon gebruiken uit nieuwsgierigheid. Ik had een vriend die gebruikte en vroeg of ik het ook eens mocht proberen. Hij zei dat ik dat niet moest doen, maar ik deed het wel. Zo begon het. En later ga je excuses zoeken om te gebruiken, dan komen er problemen en ga je meer gebruiken. En dan ga je dingen doen die niet door de beugel kunnen. Ik kwam in aanraking met politie en verloor mijn huis.” Hugo heeft inmiddels ook alweer zo’n tien jaar woonruimte in Amsterdam-Zuidoost en heeft zijn verslaving naar eigen zeggen ‘een beetje onder controle’. “Ik heb niet het gehaaste meer, ik moet niet gebruiken.” Hij maakte het begin van de gebruikersruimten mee. “De gemeente vond dat het niet kon, overal gebruiken, boetes krijgen, dat soort dingen. Toen zijn ze met gebruikersruimten begonnen. Hier konden we ook douchen, bijkomen.” Ook nu betekent Princehof nog heel veel voor Hugo. “Ik kom hier mensen tegen. Veel gebruikers zijn eenzaam, ik ook. Ik heb een huis, maar soms komen de muren op me af, dan moet ik eruit. Hier kan ik mensen ontmoeten, een babbeltje maken, even bijkomen, een kop koffie drinken en gebruiken zonder dat ik scheve blikken krijg.” Toen hij dakloos was, deed Hugo vrijwilligerswerk in Princehof, nu is het vooral een plek om niet alleen te zijn.

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 9


Helemaal uitsluiten wil hij het niet, maar de kans dat Hugo nog een keer gaat afkicken, is klein, zegt hij zelf. “Als je dat wil, dan helpen ze je hier ook daarmee. Dan maken ze bijvoorbeeld een afspraak voor je bij de kliniek. Maar ik ben 55, ik ga geen kliniek meer pakken. Dat heb ik al heel vaak geprobeerd. Ik ben ook wel eens jaren clean geweest, maar gebruikers zoeken een excuus om te gebruiken, omdat de ziekte zo sterk is. Soms is verveling al genoeg. Ik kan er wel vanaf komen, maar niet vanaf blijven. Dan had ik bijvoorbeeld ruzie met iemand en bam, gebruikte ik weer. Misschien dat ik nog wel een keer ga stoppen, maar voorlopig heb ik daar geen zin in. Ik heb het onder controle en ben tevreden met hoe ik nu leef. Ik ben niemand tot last, dat vind ik belangrijk.” Gebruikersruimtes zijn gericht op harm reduction, vertelt Bryan Joe (maatschappelijk werk). De mensen die er komen gebruiken, hoe dan ook. Ze zijn verslaafd en er niet klaar voor om te gaan afkicken, dus doorsturen naar een afkickkliniek is zinloos. Ze hebben daar niet de motivatie voor. De vraag is dan: laat je ze gebruiken in een onveilige, onhygiënische situatie waarin ze ook sneller in aanraking komen met de politie, of geef je ze een ruimte waar in elk geval toezicht is en waar ze veilig zijn? Ik denk dat het goed is dat we het tweede doen.” Dat zegt ook Bianca Koster (Princehof). “Hier krijgen mensen geen scheve blikken. Ze hoeven niet achter een muurtje te kruipen om te gebruiken. De mensen die hier komen berusten erin dat ze gebruiken, die wil je ook een plekje bieden en het gevoel geven dat ze er mogen zijn en ergens onderdeel van uitmaken. Daarnaast krijgen ze schone spullen om veilig te gebruiken, waardoor ze minder risico lopen. Dat geldt vooral voor de spuitenomruil.” Die spuitenomruil vindt ook Bakayan heel belangrijk. “Die voorkomt dat we de spuiten overal op straat vinden. Preventie in het kader van volksgezondheid, noem ik dat. Datzelfde geldt voor de gebruikersruimte in AMOC, waar ook gespoten kan worden. Veel Midden- en Oost-Europeanen die daar spuiten, zijn dakloos. Door de gebruikersruimte voorkom je dat zij op straat gebruiken en de spuiten bijvoorbeeld in een park achterlaten.”

Een Amsterdam zonder inloophuizen? Inloophuizen kunnen overlast veroorzaken voor mensen in de buurt, daarvan is De Regenboog Groep zich bewust. “Sommige buren vinden het prima, anderen ervaren overlast”, zegt Aukje Polder (AMOC). “Soms kan ik me dat ook wel voorstellen, bijvoorbeeld van onze directe buren. We hebben een bewaker om de inloop een beetje te reguleren, en zodat de buurt een aanspreekpunt heeft.” De overlast zou groter zijn als er geen inloophuizen zouden zijn, verwacht de organisatie. “Als er geen inloophuizen zouden zijn, dan zou het een zooitje worden in de stad”, zegt Bianca Koster (Princehof). “Zoals het bijvoorbeeld is in Los Angeles en Boston: daar liggen mensen in hun slaapzak op straat. Dat is voor niemand fijn, zeker ook niet voor de daklozen zelf. Ook in Amsterdam slapen mensen op straat, we kunnen niet iedereen onderbrengen. Maar als ze overdag binnen kunnen zijn, dan draagt dat bij aan een stukje sociaal contact, gezien worden en wat rust voor ze. En een kop koffie, wat te eten, dat beperkt ook de overlast. Anders moeten ze het ergens anders vandaan halen, en daar hebben ze niet altijd geld voor.” Conrad Köckert (HVO-Querido) denkt dat inloophuizen altijd belangrijk zullen blijven voor de opvang van dak- en thuislozen. “Ze zijn het vangnet van de hulpverlening, voor de mensen die tussen wal en schip vallen. Als er geen inloophuizen meer zijn, dan zul je dat voelen op straat en zal het voor hulpverleners en cliënten moeilijker zijn om met elkaar in contact te komen.” Ook Mohamed Bakayan is overtuigd van het belang van inloophuizen, niet alleen voor de daklozen en zijn eigen organisatie, maar voor de hele stad. “Als er geen inloophuizen zouden zijn, dan zou een behoorlijk grote groep mensen meer zichtbaar zijn op straat. Ik denk dat dat gepaard gaat met diverse vormen van overlast. Mensen die afwijkend gedrag vertonen, die in inloophuizen geen overlast veroorzaken omdat ze daar weten hoe ze met deze mensen om moeten gaan, maar dat op straat wel zouden doen. Maar er zou ook meer visuele overlast zijn, omdat ze dan bijvoorbeeld op een pleintje zouden hangen. In een inloophuis hebben deze mensen een veilige plek waar ze zichzelf kunnen zijn. Maar zouden de inloophuizen sluiten, maak dan je borst maar nat voor de overlast.”

10 BAD, BROOD EN BEGELEIDING


Inloophuizen en de toekomst Zoals genoemd onder ‘hulp met problemen’, zet De Regenboog Groep tegenwoordig meer in op het op de rit krijgen van het leven van bezoekers van de inloophuizen. Daarvoor is het belangrijk dat de bezoekers een goede intake krijgen, waarbij voor iedereen individueel een plan en een doel worden opgesteld. Ook moet de voortgang regelmatig worden besproken met cliënten. Het liefst zou De Regenboog Groep die gesprekken door maatschappelijk werkers laten voeren, maar daarvoor is de capaciteit ontoereikend. Alle bezoekers krijgen nu een intakegesprek en jaarlijks een gesprek over de stand van zaken, vanuit de inloophuizen. Het maatschappelijk werk spreekt daarnaast met ongeveer de helft van de 5000 bezoekers. Mohamed Bakayan van Veldwerk Amsterdam is het ermee eens dat het goed zou zijn als er gerichter met bezoekers over hun toekomst wordt gesproken. “Zo voorkom je dat je kansen laat liggen voor mensen. Veel mensen die in inloophuizen komen, hebben geen plan. Ze kunnen dat zelf ook vaak niet opstellen, omdat ze niet zien hoe ze uit hun situatie kunnen komen. Ze denken dat dat onmogelijk is, en hulp dus zinloos is. Maar dat hoeft het niet te zijn. Ook zorgt zo’n plan ervoor dat mensen meer rust hebben en weer een lichtpuntje zien.” “Zo’n plan hoeft echt niet heel groot te zijn. Een terugkeer in de maatschappij is een mooi doel, maar het vinden van woonruimte of een behandelaar is ook al een goed plan. Het optuigen van de belangrijkste leefdomeinen: stabiel onderkomen, dagbesteding, inkomen, het regelen van schulden - dat zou het eerste doel moeten zijn. Maar dat is overal maatwerk, daarvoor moet de intake gedaan worden door een generalist die heel goed weet welke wegen er mogelijk zijn in de stad, en het kost tijd. Ook omdat geregeld opnieuw moet worden gekeken of de doelen gehaald zijn, wat er nog moet gebeuren en of er nieuwe doelen moeten of kunnen worden opgesteld.” Bakayan vindt wel dat hulp niet geforceerd moet worden. “Je moet proberen om met mensen in gesprek te blijven over hoe je hun leven beter kan maken, maar mensen die dat niet zien zitten moet je niet weigeren.” Momenteel werkt De Regenboog Groep aan doorstroommogelijkheden tussen de inloophuizen en de Huizen van de Wijk. Een aantal Huizen van de Wijk heeft zich inmiddels ontwikkeld tot een plaats waar nieuwe daklozen beter op hun plek zijn dan in een inloophuis. Daarvoor is echter belangrijk dat er voldoende professionele begeleiding in de Huizen van de Wijk aanwezig is, om mensen die net dakloos zijn geworden te ondersteunen en weer op weg te helpen. De inloophuizen voorkomen mensonwaardige en overlastgevende situaties. Toestanden die Amsterdam uit haar eigen verleden kent en die in andere grote steden dagelijkse kost zijn. De Regenboog staat midden in de weerbarstige en complexe realiteit van dat werk. Op basis van praktijkervaringen, verfijnt ze haar aanpak voortdurend. In het belang van haar bezoekers en de stad.

BAD, BROOD EN BEGELEIDING 11


n met rijkdom reen. Waarin mense de ONZE DROOM ie or vo is ek ken. pl stad waarin samenleven en -wer ar ka el et m Wij dromen van een en ar ka mensen die le) armoede door el ar versterken. Waar ka el en mensen in (socia en n ve le s de ar zijn bij elka lpen dragen. Waarin he te ng vi le Waarin we betrokken en m sa illig inzetten om de elen. dat kunnen, zich vrijw verloren hoeft te vo ch zi d an em ni rin Waa stad ieders thuis is.

DE REGENBOOG GROEP

COLOFON

Vanwege de privacy zijn de namen van de deelnemers gefingeerd

Droogbak 1d 1013 GE Amsterdam

Dit rapport is gemaakt op initiatief van De Regenboog Groep

t. 020 531 76 00 info@deregenboog.org

Tekst: Malin Kox & Marianne Lucieer Foto’s: Merlijn Michon Vorm: De Regenboog Groep

www.deregenboog.org www.hulpvanderegenboog.org facebook.com/deregenbooggroep twitter.com/Regenboog020

12 BAD, BROOD EN BEGELEIDING

Š De Regenboog Groep 2019/03

PRIVACY


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
BAD, BROOD EN BEGELEIDING; het belang van inloophuizen by De Regenboog Groep - Issuu