van kalf tot koe

Handboek voor een gezonde en efficiënte melkveehouderij
Colofon
Redactie
Bert Kleiboer
Alice Booij
Eindredactie
Bas Popkema
Opmaak
Robin Bosgra
Met dank aan
Ingrid de Brabandere Katholiek Onderwijs Vlaanderen
Leon Raedts Helicon
Judith Roelofs HAS Hogeschool
Gerbrich Elgersma Van Hall Larenstein
Medewerkers van CRV
Fotografie
CRV, Harrie van Leeuwen
Els Korsten
Mark Pasveer
Beslissen van kalf tot koe
Inhoudsopgave
Voorwoord
Hoofdstuk 1 Inleiding
Hoofdstuk 2 Rond de geboorte
2.1 Aanhouden of verkopen?
2.2 I&R: de burgerlijke stand van runderen
2.3 Stamboekregistratie
Hoofdstuk 3 De opfok
3.1 De eerste levensmaanden
3.2 Jongveeopfok: investering in de toekomst
3.3 Het beste inseminatiemoment
3.4 Bestemd voor vlees en fokvee
Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen
4.1 Wat zijn fokwaarden?
4.2 Diversiteit aan fokwaarden en indexen
Bijlage: lijst met fokwaarden en indexen in 2020
Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf
5.1 Fokdoel
5.2 Fokkerijstrategie: hoe bereik je jouw fokdoel?
5.3 Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau
Bijlage: rassen die passen
Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur
6.1 Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie
6.2 Kijken naar koeien
Bijlage: onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling
Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid
7.1 Aandacht voor tochtigheid
7.2 Het bepalen van het juiste inseminatiemoment
7.3 Drachtcontrole
7.4 Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid
Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen
8.1 Aandacht in transitieperiode voorkomt problemen
8.2 Droogzetten op maat
8.3 Het afkalven
8.4 De start van de lactatie
Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel
9.1 Melkproductieregistratie (mpr)
9.2 Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie
9.3 Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien
9.4 Behandelplannen en medicijnregistratie
9.5 Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen
Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen
10.1 FosfaatPlanner
10.2 CRV Mineraal
10.3 CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht
10.4 CRV Mineraal: Derogatieoverzicht
10.5 CRV Mineraal: BEX
Bijlage
CRV als coöperatie
CRV als werkgever
CRV als kennisleverancier

VOORWOORD
Voor een volgende generatie die nog beter presteert
Als veehouders nemen we voortdurend beslissingen die te maken hebben met onze veestapel. Met het oog op de toekomst streven we daarbij naar een economisch duurzame bedrijfs voering met een gezonde veestapel die efficiënt produceert. Daarmee geven we onze dieren een beter leven, wordt ons werk een stuk plezieriger en beperken we de impact van ons bedrijf op de omgeving. De wijze waarop we onze beslissingen nemen, is in de voorbije jaren sterk veranderd. In de dagelijkse bedrijfsvoering gebruiken we steeds meer handige tools en sensoren. Onze koeien leveren waardevolle data en dankzij slimme informatietechnologie krijgen we meer en meer mogelijkheden om de gegevens te analyseren en te benutten voor een beter management.
Ook de fokkerij is voortdurend in beweging. Op bedrijfsniveau gaat het in beginsel nog altijd om de stierenkeuze en het bepalen van de juiste paringen. Maar de technologie daarachter staat niet stil. Vandaag maken we bijvoorbeeld volop gebruik van genomicfokkerij en gesekst sperma. Nieuwe ontwikkelingen in fokkerijonderzoek en gentechnologie zijn volop in beweging.
Samen doen we het
beter
In de wereld van vandaag zien we dat grote internationale partijen, die veel investeren in innovatie, hun vindingen afschermen in het belang van hun aandeelhouders. Dat is een trend in zowel genetica als informatietechnologie. In die markt opereert CRV als coöperatie van rundveehouders in het belang van haar leden. Dingen die we sámen doen, doen we beter. Als boeren hebben we belang bij toegang tot de nieuwste technologische ontwikkelingen en kennis. Daarmee behouden we onze onafhankelijkheid en vrijheid in ondernemen en blijven we baas over onze eigen data.
Volgende generatie koeien én boeren
Toegang bieden tot kennis en informatie doen we ook met Beslissen van kalf tot koe De vorige editie dateert van 2011. Deze nieuwe online uitgave is de derde herziene versie, een opvolger die aansluit op de jongste ontwikkelingen.
Dit naslagwerk behandelt de beslismomenten van alledag: van geboorte en opfok via fokkerij naar managementmaatregelen voor een gezonde en efficiënte veestapel. Al die momenten zijn belangrijk voor een goed management en dragen bij aan een volgende generatie koeien die nog beter presteert dan de huidige. Beslissen van kalf tot koe is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij de praktijk. Ik weet dat deze publicatie veel wordt gebruikt in het agrarisch onderwijs. En ik hoop dan ook dat we hiermee ook een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de volgende generatie boeren en hun adviseurs.
Peter Broeckx, voorzitter Coöperatie Koninklijke CRV u.a.

HOOFDSTUK 1
Inleiding
Melkkoeien in Nederland en Vlaanderen behoren tot de best presterende ter wereld. Dat is deels te danken aan het gunstige klimaat en de beschikbare landbouwgrond, waardoor de sector zich kon ontwikkelen. Daarnaast is er ook veel liefhebberij, kennis en vakmanschap. België en Nederland hebben een lange traditie van veeverbetering. De geschiedenis van fokkerijorganisatie CRV begint met stamboekorganisaties in de 19e eeuw.

Veeverbetering
Veeverbetering of veefokkerij is het selecteren van dieren om ze in te zetten voor de voortplanting, met de intentie om bepaalde eigenschappen in je veestapel te verbeteren. Met fokkerij werk je aan een volgende generatie koeien die beter presteert dan de huidige. Voor de één ligt de focus op een nog hogere melkproductie, terwijl de ander streeft naar een betere gezondheid of misschien wel een efficiëntere, duurzamere koe. Vrijwel altijd gaat het om een combinatie van wensen.
In essentie draait fokkerij om het paren van de beste koeien op jouw bedrijf met de beste stieren die beschikbaar zijn. Dat klinkt eenvoudig, maar de praktijk van het moderne melkveebedrijf is complex. Dagelijks neem je beslissingen over je veestapel en individuele dieren. Daarover gaat Beslissen van kalf tot koe
Opfok en fokkerij
De reeks beslissingen begint bij de geboorte van het kalf. Hoofdstukken 2 en 3 gaan over de eerste fase in het leven van melkvee: de eerste weken van het kalf en de opfok tot een vruchtbare pink die zich ontwikkelt tot melkgevende vaars. Daarna volgen drie hoofdstukken over fokkerij. Hoofdstuk 4 behandelt de cijfers waarmee je dieren onderling kunt vergelijken: de fokwaarden en indexen. Hoofdstuk 5 gaat over de uitvoering van de fokkerij op jouw bedrijf, aan de hand van het fokdoel en de fokkerijstrategie. In hoofdstuk 6 lees je over het beoordelen van het exterieur van de koeien.
Vruchtbaarheid en gezondheid
Veel van de beslissingen gaan over het diermanagement. Vruchtbaarheid en gezondheid zijn randvoorwaarden. Een koe die niet drachtig wordt, levert geen volgende generatie. Hoofdstuk 7 behandelt vruchtbaarheid in het algemeen. Hoofdstuk 8 zoomt in op de kwetsbare 100 dagen rondom het kalven. In die belangrijke periode leg je de basis voor een gezonde, vruchtbare koe met een efficiënte productie. In hoofdstuk 9 staat het gebruik van melkproductiegegevens en andere data in het management centraal. Hoofdstuk 10 behandelt een specifiek onderwerp dat sinds een paar decennia steeds meer aandacht opeist: kringloop en mineralen.
Coöperatie en kennisleverancier
Beslissen van kalf tot koe is een naslagwerk voor fokkerij en het gebruik van managementinformatie voor alle beslismomenten. Het wordt uitgegeven door CRV. Deze onderneming wil als coöperatie van rundveehouders in Nederland en Vlaanderen, als werkgever en als kennisleverancier een bijdrage leveren aan veeverbetering. Daarover lees je in de bijlage.

HOOFDSTUK 2
Rond de geboorte
Beslissen van kalf tot koe begint bij de geboorte, met de afweging: ga je het vaarskalf aanhouden? Daarbij let je op het potentieel van het jonge dier en het aantal kalveren dat je nodig hebt voor de gewenste ontwikkeling van je veestapel. Wat je ook beslist, je moet het kalf in elk geval registreren. Data vastleggen is nodig voor de wettelijke ‘burgerlijke stand’ van het vee en voor het stamboek.
In dit hoofdstuk
2.1 Aanhouden of verkopen?
2.2 I&R: de burgerlijke stand van runderen
2.3 Stamboekregistratie

2.1
Aanhouden of verkopen?
Bij elke geboorte van een vaarskalf sta je als veehouder voor de keuze: ga je het aanhouden of verkopen? Je wilt alleen de beste kalveren aanhouden. Maar welke zijn dat? Hoe weet je of een kalf het in zich heeft om een goede melkkoe te worden? Dat kun je inschatten met gegevens die je hebt over de erfelijke aanleg van het dier.
Verwachtingswaarde
Meer over fokwaarden en stierkeuze lees je in
H4. Fokkerij algemeen –fokwaarden en indexen en
H5. Fokkerij op jouw bedrijf
Met de gegevens van de ouders is het ‘talent’ van het kalf in te schatten, oftewel de verwachtingswaarde. Dit is het gemiddelde van de fokwaarden van de vader en de moeder. Als je deelneemt aan de stamboekregistratie, is van elk kalf een verwachtingswaarde voor productie, exterieur, levensduur en gezondheidskenmerken bekend. CRV geeft deze weer op het FokkerijOverzicht in de VeeManager module Fokkerij. Daar staan alle dieren gerangschikt naar fokwaarde, zowel de melkgevende dieren en het jongvee als de drachten. Je ziet in één oogopslag welk dier foktechnisch het meest in zijn mars heeft.
Merkeronderzoek kun je laten uitvoeren door CRV
Merkers
De verwachtingswaarde is dus het gemiddelde van de fokwaarden van beide ouders. Maar de natuur bepaalt in welke mate een kalf eigenschappen van de vader en van de moeder erft. De verwachtingswaarde heeft daarom een lage betrouwbaarheid. Vroeger had je pas zekerheid over de prestaties als het kalf was uitgegroeid tot een volwassen, melkgevende koe. Dankzij dna onderzoek kun je nu meteen na de geboorte een beeld krijgen van wat het dier later gaat presteren. Er is namelijk veel bekend over het dna profiel – het genoom – van melkvee in relatie tot de genetische aanleg. Met een zogenoemde merkertest (ook wel genoomtest of genomic test genoemd) kun je dit laten onderzoeken op basis van een haarmonster of oorbiopt. De uitslagen gebruik je om te bepalen welke dieren je aanhoudt en wat je stierkeuze wordt als straks de pink kan worden geïnsemineerd.
Praktisch

Er zijn ongeveer 150 haren (inclusief haarwortels) nodig voor een goed merkeronderzoek
Hoe neem ik een haarmonster?
Handleiding voor het nemen van haarmonsters
Voor een monster trek je haren uit met een tang. Het is belangrijk dat er voldoende haarwortels meekomen. Knippen werkt dus niet! Het beste werken de haren van de kruin of de lange haren uit de oren. Als dat lastig is, kun je het proberen met de staart. Er zijn ongeveer 150 haren nodig, een bosje zo dik als een potlood. De haren moeten droog en schoon zijn. Het blijkt dat rode haren minder goed bruikbaar zijn voor merkeronderzoek. Bij roodbonten moet je – als het even kan – witte haren trekken.

Met dna-onderzoek krijg je meteen een beeld van de kwaliteiten van het kalf
Praktisch
Oorbiopt voor bvd-onderzoek
Als je een oorbiopt gebruikt, kun je tegelijk met het merkeronderzoek het kalf testen op bvd. Kalveren kunnen als bvddrager worden geboren. Ze zijn dan vaak niet ziek, maar kunnen het virus wel verspreiden. Het nemen van een oorbiopt kan het beste in combinatie met het aanbrengen van de oormerken. Hiervoor zijn speciale hulpmiddelen beschikbaar.
Merkeronderzoek duurt 3 weken
Je verkoopt een kalf liever niet te oud. Houd er daarom rekening mee dat het merkeronderzoek enkele weken in beslag neemt. Stuur zo snel mogelijk een haarmonster of biopt in.
Hoeveel kalveren aanhouden?
Fokkerij zorgt voor verbetering van productiecapaciteit, exterieur en andere nuttige eigenschappen zoals levensduur, uier en klauwgezondheid en vruchtbaarheid. Als je oude koeien vervangt door vaarzen, verbeter je in de regel het genetische niveau van je veestapel. Elke nieuwe generatie is beter dan de vorige. Toch is het niet logisch om elk jaar alle oudere koeien te vervangen. Gemiddeld vervangen melkveebedrijven jaarlijks ongeveer een kwart van hun koeien door een vaars. Het vervangingspercentage
Meer over de impact van mest en mineralenwetgeving in Nederland lees je in H10. Kringloop en mineralen
schommelt in Nederland en Vlaanderen tussen 15 en 35%. Op een bedrijf met 100 melkkoeien met een vervangingspercentage van 25 zijn dus gemiddeld 25 vaarzen aan de melk. Om dit aantal nieuwkomers jaarlijks te laten instromen, moet je mikken op een hoger aanhoudingspercentage. Je moet namelijk rekening houden met uitval. Stel, je hebt een bedrijf met 100 koeien en je hebt gemiddeld 10% uitval in het eerste jaar (incl. doodgeboren kalveren). Voor 25% vervanging van de veestapel moet je dus rekening houden met 25 plus 10% = 27 à 28 kalveren.
De overige kalveren (72 van de 100) kun je verkopen. Dat laatste is een interessant gegeven bij de stierkeuze op je bedrijf. Je kunt het ondereind van je veestapel insemineren met stieren van vleesrassen. De kalveren van die stieren brengen meer geld op.

Een lager vervangingspercentage levert een besparing op in kosten voor
Welk vervangingspercentage is het beste?
Bereken de optimale veebezetting met de FosfaatPlanner
Wat is het optimale vervangingspercentage? Dat hangt sterk af van je fokdoel en de specifieke bedrijfsomstandigheden. Het vervangen van een oudere koe door een vaars levert weliswaar genetische vooruitgang op, maar brengt ook kosten met zich mee. In het algemeen geldt dat het verlagen van het vervangingspercentage met enkele procentpunten al een forse besparing oplevert. Ook voor de maatschappelijke waardering van de sector is het goed om te streven naar een lange levensduur. Nog een reden om te streven naar een minimale hoeveelheid jongvee is de mest en mineralenwetgeving. Ook jongvee telt mee voor de fosfaatrechten (Nederland) of nutriëntenemissierechten (Vlaanderen). Je benut je productieruimte het liefst optimaal voor melkgevende koeien.

De afkalfleeftijd van de vaarzen in Nederland en Vlaanderen is gemiddeld 26 maanden
Opfokperiode bekorten
Behalve het beperken van het vervangingspercentage is er nog een manier om de gemiddelde jongveebezetting te optimaliseren. Dat is het beperken van de duur van de opfok, oftewel te streven naar een jongere leeftijd bij het afkalven van de vaarzen. De gemiddelde leeftijd waarop vaarzen afkalven, ligt in Nederland en Vlaanderen op 26 maanden. Als het je lukt de afkalfleeftijd van de vaarzen met bijvoorbeeld 1 maand te bekorten, scheelt dat ook in het totaal aantal aan te houden dieren. In het hiervoor genoemde voorbeeldbedrijf met 100 koeien komen gemiddeld 25 vaarzen per jaar aan de melk. 25 maal een maand besparing op de opfokperiode komt overeen met ruim 2 dierplaatsen voor jongvee op jaarbasis. Bovendien brengen vaarzen die vroeger kalven ook eerder melk in de tank.

2.2
I&R: de burgerlijke stand van runderen
Of je een kalf nu aanhoudt of verkoopt, je moet het altijd oormerken geven en registreren, en wel binnen 3 werkdagen. Er geldt een verplichte identificatie en registratie (I&R) voor landbouwhuisdieren.
Dit I&R-systeem is de burgerlijke stand van de veestapel. Het systeem is cruciaal voor het diergezondheidsbeleid en de aanpak van calamiteiten, zoals ziekte uitbraken. De basisinformatie wordt ook gebruikt voor controles en het verstrekken van premies. De overheid voert de regeling uit en houdt toezicht op de naleving. In Nederland verloopt dit via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), in Vlaanderen via Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ).
Aanvoer, afvoer en andere meldingen
De verplichte I&R melding geldt niet alleen voor geboorten. Ook aan en afvoer van rundvee en doodgeboorte van kalveren horen aan de I&R computer gemeld te worden. Je moet alle meldingen doen binnen enkele werkdagen (3 in Nederland, 7 in Vlaanderen) na het moment van wijziging. Deze termijn is ingesteld om het systeem up to date te houden. Heb je als veehouder jouw I&R niet op orde, dan ben je in overtreding. Je kunt te maken krijgen met boetes en kortingen op bijvoorbeeld toeslagrechten en slachtpremies.
Oormerk, ID-code en basisgegevens
Voor de I&R geef je het pasgeboren kalf een oormerk in beide oren. Via een erkende leverancier houd je deze op voorraad. Met het oormerk krijgt het dier een unieke 9 cijferige ID code (de landcode en het volledige levensnummer dat op het oormerk staat).
Bij de melding geef je het oornummer door. Het viercijferige grootgedrukte nummer van het oormerk is een werknummer dat bij alle registraties weer terugkomt. Je meldt bij de geboorte ook een aantal basisgegevens: de geboortedatum, de moeder van het kalf, de haarkleur en het geslacht.

Het unieke I&R-nummer bestaat uit een 9-cijferige ID-code met een landcode
Praktisch
Meldingen doorgeven aan het I&R-systeem
In Nederland kan dat op de volgende manieren:
• Rechtstreeks via een formulier op de website van de overheid (mijn.RVO.nl).
• Via de telefoon met het Voice Response Systeem (VRS).
• Via een koppeling in een bedrijfsmanagementsysteem, zoals de VeeManagermodule Registratie en de app CRV Dier.
In Vlaanderen zijn dit de opties:
• Op papier met een geboorteformulier dat je per post stuurt aan DGZ.
• Via de telefoon met het Voice Response Systeem (VRS).
• Rechtstreeks via een formulier op Veeportaal van DGZ.
• Via een koppeling in een bedrijfsmanagementsysteem, zoals de VeeManagermodule Registratie en de app CRV Dier.

Bedrijfsregister
Het bijhouden van een bedrijfsregister is ook een verplicht onderdeel van de I&Rverordening. Als rundveehouder moet je op elk moment een actuele lijst kunnen tonen van alle aanwezige dieren, met gegevens over de aan en af voer. De NVWA in Nederland en het FAVV in Vlaanderen voeren steekproefsgewijs controles uit. De meeste bedrijven houden zo’n bedrijfsregister bij in hun bedrijfsmanagementsysteem. Als je I&R meldingen doet met de module Registratie in VeeManager of de app CRV Dier worden jouw gegevens ook meteen automatisch gebruikt voor het bijhouden van het bedrijfsregister en een aantal andere managementproducten.
Geboortebewijs
Kalveren mogen pas na 14 dagen leeftijd het bedrijf verlaten. Met een geboortebewijs bied je zekerheid over de geboortedatum. Je kunt geboortebewijzen op papier aanvragen. Als je de VeeManager module Registratie gebruikt, kun je deze documenten zelf aanmaken en printen.
Praktisch
Stallijst
De stallijst is een overzicht van de aanwezige dieren op je bedrijf. Via de lijst kun je van elke willekeurige datum de op dat moment aanwezige dieren opvragen. Naast de basisinformatie worden hier ook de namen van de ouders weergegeven.
Praktisch
Rundveestaat
Met de Rundveestaat maak je gemakkelijk een overzicht van het veeverloop op je bedrijf. Hierin zijn de aantallen dieren en alle mutaties, zoals aankoop, geboorte, overgang naar een ander bedrijf, verkoop en sterfte, vastgelegd per diercategorie. Je kunt overzichten maken met elke willekeurige begin en einddatum. Deze functie kun je gebruiken voor de Gecombineerde Opgave, om de gemiddelde aantallen aanwezige dieren over de periode van een jaar door te geven. Accountants gebruiken dit overzicht voor het opmaken van de fiscale jaarrapporten. De Rundveestaat levert namelijk gegevens voor een door de fiscus geaccepteerde omzet en aanwasberekening.
Goed om te weten
Gezondheidscertificaten
Diergezondheidsorganisaties GD (in Nederland) en DGZ en FAVV (in Vlaanderen) gebruiken het I&Rsysteem voor de gezondheidscertificering van dieren en bedrijven en voor het bewaken van diverse ketenbeheersystemen (onder andere de Integrale Keten Beheersing, IKB).
Afvoer voor slacht
Het I&Rsysteem is in Nederland ook gekoppeld aan voedselketeninformatie (VKI), bedoeld om de kwaliteit en veiligheid van vlees te borgen. Bij afvoer van dieren vraagt de slachterij naar de VKI: een verklaring van de veehouder over de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden dieren. Hierop staan eventuele behandelingen, de gezondheidsstatus en de bijzonderheden van het dier.
Automatische afvoermelding I&R
In de module Registratie van VeeManager kun je de slachterij en de veehandelaar toestemming geven kalveren en (slacht)runderen af te melden. Deze automatische afvoermelding voorkomt fouten en dubbel werk.

2.3
Stamboekregistratie
Behalve een wettelijk verplichte I&R is er ook een stamboekregistratie voor rundvee. Deze zorgt ervoor dat de gegevens over dieren betrouwbaar worden vastgelegd. De regels hiervoor zijn door de Europese Unie vastgelegd. In Nederland en Vlaanderen is Coöperatie CRV officieel erkend voor de uitvoering van de stamboekregistratie van meerdere rassen melkvee, vleesvee en dubbeldoelrunderen.
Om mee te doen aan de stamboekregistratie meld je je als deelnemer bij Coöperatie CRV. De gegevens die je hebt gemeld aan het I&R systeem worden automatisch doorgestuurd naar het stamboek.
Voor de stamboekregistratie zijn aanvullende gegevens nodig. Je kunt de naam van het kalf vastleggen en informatie doorgeven over bijvoorbeeld erfelijke kenmerken en het verloop van de geboorte. Ook kun je melden of het kalf één van een meerling is. Als stamboekdeelnemer geef je gegevens over de bevruchting van jouw koeien door. Dat zijn data over inseminatie, embryotransplantatie, samenweiding of natuurlijke dekking. De I&R gegevens van een nieuw kalf worden gekoppeld aan de bevruchtingsgegevens van de moeder of draagmoeder. Op basis van die gegevens wordt de draagtijd
Als je gebruikmaakt van de VeeManager module
Registratie kun je de gegevens voor I&R en het stamboek in één keer melden
uitgerekend. Als de draagtijd klopt, worden de vader en de rasbalk bepaald. Voor een betrouwbare stamboekregistratie is het dus belangrijk dat je de bevruchtingsgegevens tijdig doorgeeft. Deze data moeten uiterlijk 4 maanden na de bevruchting zijn gemeld. Als je alles op tijd en correct hebt geregistreerd in het stamboek, krijgt een kalf de code ‘S’. Als er bij de registratie iets ontbreekt of te laat is doorgegeven, krijgt het kalf de code ‘C’. Eventuele bijzonderheden (bijvoorbeeld embryotransplantatie) voor stamboekregistratie die tijdens de controle worden geconstateerd, zijn te lezen als opmerkingen op de registratiekaart.
De registratie in het stamboek is de basis voor officiële registratiedocumenten, paringsadviezen en de fokwaardeschatting. Coöperatie CRV (en haar rechtsvoorgangers) verzorgt sinds jaar en dag het vastleggen en publiceren van de data.
Praktisch
De afstamming is te bepalen met dna-onderzoek
Dna-onderzoek als controle
Om de kwaliteit van de stamboekregistratie te waarborgen, ook in verband met export, doet Coöperatie CRV jaarlijks steekproeven. Op die manier wordt via dnaonderzoek gecontroleerd of de afstamming die is vastgelegd correct is. Ook als veehouder heb je de mogelijkheid om gegevens te checken met dnaonderzoek. Als er problemen zijn geconstateerd bij de registratie, kun je afstammingsonderzoek (via dna) aanvragen om de afstamming van het kalf te controleren en het dier alsnog goed geregistreerd te krijgen in het stamboek. Alleen erkende afstammingsgegevens worden afgedrukt op officiële documenten en gebruikt voor de fokwaardeschatting.

Een stalnaam wordt geregistreerd en bevat maximaal 15 tekens
Naamgeving
De meeste veehouders geven kalveren die ze aanhouden een naam. Vaak krijgen dieren op melkveebedrijven een naam met een volgnummer, bijvoorbeeld Moniek 15. Elke nieuwe dochter van een ‘Moniek’ krijgt dan een nummer dat volgt op het tot dan toe hoogste nummer. Bij de stamboekregistratie heb je een aantal opties. Je kunt kiezen voor naam met volgnummer, maar ook voor geen naam, zelf een naam bedenken of automatische naamgeving.
Met een stalnaam geef je bekendheid aan de fokkerij van je bedrijf én straal je trots uit
Registratiekaart
Voor alle dieren die bestemd zijn voor de fokkerij krijg je een registratiekaart met daarop alle beschikbare registratie en afs tammingsgegevens van het dier. Je gebruikt registratiekaarten bij de aan en verkoop van dieren. Op de achterzijde kun je inseminaties noteren. Op de kaart worden bij de stamboekdeelnemers behalve de I&R gegevens ook de volgende gegevens vermeld (indien bekend): naam van het kalf, stalnaam, diernummer, draagtijd van het kalf, rasbalk, gegevens van de vader en de moeder, en gegevens van de grootouders. Ook eventuele erfelijke kenmerken, zoals blad/cvm of de roodbontfactor, staan afgedrukt achter het levensnummer van het betreffende dier in de afstamming. Op de kaart staat ook vermeld of het een stamboekdier betreft (S) of geen stamboekdier (C).
In de kolom ‘bijzonderheden’ kunnen zaken vermeld worden zoals: opgegeven bijzonderheid door de veehouder (draagtijd, et kalf ), de ID code van de draagmoeder, de reden voor weigering van stamboekregistratie of de datum van import en het land van herkomst.

Op een registratiekaart staan alle beschikbare registratie- en afstammingsgegevens van een dier
Stamboom
De stamboom is een stamboekdocument met alle belangrijke en officiële informatie van het dier en zijn of haar voorgeslacht. Op het document staan de volgende gegevens: de naam, het nummer, de rasbalk, de exterieurcijfers, de productiecijfers, de fokwaarden voor productie, exterieur, levensduur en gezondheid, en de inseminatiegegevens. De gegevens over de afstamming betreffen alle bekende gegevens van de vader, de moeder en de groot en overgrootouders, inclusief erfelijke kenmerken en predicaten. De stamboom is op aanvraag of via een abonnement te verkrijgen.
Ook voor een embryo kun je een stamboom aanvragen. Je moet daarvoor de moeder (donorkoe) en de vader opgeven. Bij verkoop heeft de koper dan behalve de afstammingsinformatie meteen ook de verwachtingswaarde van het embryo in beeld.
Als je bent aangesloten bij een vleesveestamboek, dan kun je een vleesveestamboom aanvragen met het logo van het stamboek. De stamboom is op aanvraag of via een abonnement te verkrijgen.
Zoötechnisch certificaat
Als je een dier naar een ander Europees land exporteert en de koper wil het in zijn land in het stamboek registreren, dan heb je een zoötechnisch certificaat nodig. Dit is het officiële stamboekdocument. Hierop staan ras, geboortedatum en afstamming van het dier en de naam van de fokker. Op de achterkant zijn de gegevens van het stamboekdocument vermeld (zie ‘Stamboom’). Je kunt het zoötechnisch certificaat aanvragen bij Coöperatie CRV. Als je een dier importeert en je wilt het in het CRV stamboek geregistreerd hebben, dan heb je een zoötechnisch certificaat nodig van het stamboek in het land van herkomst. Zoötechnische certificaten zijn ook nodig voor de export en import van sperma, embryo’s en eicellen.

Samenvatting
Bij de geboorte van elk vaarskalf maak je de afweging of je het dier aanhoudt of verkoopt. Voor deze beslissing is de erfelijke aanleg van het dier relevant. Die kun je aflezen aan de verwachtingswaarde. Je kunt ook een fokwaarde laten schatten op basis van een genoomtest.
Het aantal kalveren dat je aanhoudt, hangt samen met het gewenste vervangingspercentage in je veestapel.
Voor elk kalf geldt een registratieplicht. Je moet binnen enkele dagen een melding doen bij het systeem voor identificatie en registratie (I&R) voor landbouwhuisdieren. Als je dit doet via VeeManager van CRV, kun je de I&R data benutten voor verschillende overzichten en documenten. Naast de wettelijke registratie is er de stamboekregistratie voor runderen. Het stamboek is de basis voor officiële documenten, de fokwaardeschattingen en de paringsadviezen.
Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

HOOFDSTUK 3
De opfok
Een goede opfok is een investering. De tijd en aandacht die je daaraan besteedt, is bepalend voor de rest van het leven van een koe. Met een optimale opfok zorg je ervoor dat een kalf zich ontwikkelt tot een melkkoe die gezond en efficiënt een hoge levensproductie haalt.
In dit hoofdstuk
3.1 De eerste levensmaanden
3.2 Jongveeopfok: investering in de toekomst
3.3 Het beste inseminatiemoment
3.4 Bestemd voor vlees en fokvee

3.1
De eerste levensmaanden
Als je een kalf aanhoudt voor je eigen melkveestapel, dan hoop je dat het uitgroeit tot een duurzame koe die lang blijft produceren. Voor een deel heb je dat zelf in de hand, met de opfok. Een goed begin is het halve werk.
Biest: veel, vlug, vaak en vers Elk kalf verdient aandacht. Dat begint op dag 1. Meteen na de geboorte moet het kalf genoeg biest krijgen. Biest bevat antistoffen (immunoglobulinen) die alleen in de eerste 24 uur van het leven van een kalf ongehinderd de darmwand kunnen passeren. Met de biest geef je het kalf de nodige weerstand om de eerste maanden gezond door te komen. Voor een optimale bescherming moet het kalf 6 kg biest in de eerste 24 uur krijgen. Het advies luidt ‘4xV’: veel, vlug, vaak en vers. De eerste biest is de beste biest. De kwaliteit van de biest neemt na het kalven snel af, zo’n 3% per uur. Door de koe snel te melken krijgt het pasgeboren kalf de beste biest en dus de meeste weerstand mee. Geef het kalf daarom ook bij de tweede en eventueel derde voerbeurt nog van die biest. Denk daarbij
ook aan de vierde V, de V van vers. Zet de biest in een koelkast. Zo voorkom je dat er bacteriën in groeien. Breng de biest voor het voeren op temperatuur in warm water van maximaal 60 graden. Doe het niet in een magnetron: daarmee maak je de antistoffen kapot.
Goed om te weten

Met een Brix-meter kun je de kwaliteit van de biest bepalen
Biestkwaliteit meten
Met een biestmeter (ofwel Brixmeter of refractometer) kun je snel en gemakkelijk de kwaliteit van de biest controleren. Bij de beste biest ligt de Brixwaarde rond 25. Een matige biestkwaliteit kan haar oorzaak hebben in de droogstand.
Een goede opfok resulteert in 1.000 tot 1.500 kilo meer melk in de eerste lactaties
Melkperiode
Na de biestperiode van maximaal 3 dagen komt een periode van enkele weken waarin het kalf voornamelijk melk drinkt. Dat kun je invullen met koemelk, maar opfokmelk (ook wel kunstmelk of poedermelk genoemd) sluit beter aan op de behoeften van het jonge kalf. Deze kunstmelk is goed uitgebalanceerd en bevat naast de noodzakelijke voedingsstoffen ook vitaminen en mineralen die belangrijk zijn voor de groei. Heel belangrijk is dat de kalveren vanaf het begin ook altijd schoon water kunnen drinken.
Maximale groei
Het kalf heeft verder ook krachtvoer en hooi nodig. Met dit voer kunnen de magen van de kalveren zich ontwikkelen. Bovendien zorgt het vaste voer voor het bereiken van maximale jeugdgroei in de eerste 2 maanden. De groei en gezondheid van de kalveren houdt direct verband met de prestaties van de kalveren in hun verdere leven. Bij een hoge groeisnelheid bereik je sneller het gewicht en de hoogtemaat waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden. Bovendien is er een verband tussen groei in de eerste 2 maanden en de melkproductie op latere leeftijd. Een goede opfok resulteert in 1.000 tot 1.500 kg meer melk in de eerste lactaties.

De groei en de gezondheid van de kalveren houden direct verband met de prestaties van de kalveren in hun verdere leven
Spenen op 80 kg
In het begin zal de opname van vast voer beperkt zijn. Maar als de kalveren ouder worden, krijgen ze vanzelf meer trek in ruwvoer en krachtvoer. Hoe eerder ze hieraan zijn gewend, des te gemakkelijker het afbouwen van het melk voeren verloopt. Op een gewicht van zo’n 80 kg (voor holsteinkalveren) kun je de dieren spenen. Bij een goede groei bereikt het kalf dit gewicht op zo’n 9 weken leeftijd. Voor de melkperiode zijn verschillende soorten kunstmelk, voerschema’s en manieren van verstrekken beschikbaar. Overleg met je voerleverancier of opfokspecialist wat het beste past bij jouw bedrijf.
Vervolg opfok
In het vervolg van de opfok is een uitgebalanceerde voeding belangrijk voor een goede groei en skeletontwikkeling. Tijdens het eerste jaar hebben kalveren een eiwitrijk rantsoen en ruwvoer van hoge kwaliteit nodig. Een risico van onjuiste voeding is het vervetten van het uierweefsel. Dat heeft later een negatieve invloed op de uierkwaliteit en daardoor ook op de levensduur van de koe. In het tweede levensjaar moet je oppassen dat je het dier niet overvoert. Je wilt vervetting voorkomen. Maar let op: te weinig voeren is ook niet goed. Tekorten leiden tot een matige ontwikkeling en een langzame groei. De dieren kalven dan af op een te laag gewicht.
Bij een hoge groeisnelheid bereik je sneller het gewicht en de hoogtemaat waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden
bij geboorte 6 41 bij spenen 12 82
Optimale jongveegroei voor hf
Twee keer per jaar kruishoogte meten
Meten is weten. Als je twee keer per jaar de borstomvang en/of de kruishoogte meet, kun je goed inschatten of je opfok ‘op schema’ ligt. Het levert bovendien een goede indicatie van het moment waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden. Door het bijhouden van de informatie in een managementprogramma krijg je van elk dier een groeicurve die je kunt vergelijken met andere dieren van je bedrijf en met de gegevens van andere veehouders. Pinken kunnen geïnsemineerd worden rond de leeftijd van 15 maanden, bij een gewicht van 370 tot 400 kg. Oftewel een borstomvang van 170 cm en een kruishoogte van 130 tot 133 cm. De tabel hierboven geeft de ideale ontwikkeling weer voor hf koeien.






Met een jongveemetingkaart kun je het groeiverloop goed volgen
Praktisch

De borstomvang geeft een goede indicatie voor de ontwikkeling van pinken
Zo meet je de borstomvang
Voor een goede meting moet het dier vlak en vierkant in een normale houding staan.
Je legt de meetband vlak achter de schouder om de borst. Je trekt vervolgens de band voorzichtig aan, voorkom insnoeren. Je moet twee vingers tussen de huid en de band kunnen bewegen. De tabel toont de relatie tussen borstomvang en levend gewicht.
Relatie tussen borstomvang en levend gewicht van vrouwelijk jongvee naar ras

3.2
Jongveeopfok: investering in de toekomst
Je steekt veel tijd en geld in een koe voordat ze melk geeft. Het is dus de moeite waard om na te denken over het rendement van deze investering.
Wat kost de jongveeopfok?
Als je alleen alle directe kosten rekent, zoals kunstmelk, krachtvoer en ki, dan kost de jongveeopfok volgens accountants ongeveer € 350. De totale kosten liggen hoger. De kalveren en pinken delen ook mee in de huisvesting en de ruwvoerproductie. Bovendien vraagt een secure opfok tijd. Als je de kosten voor huisvesting, ruwvoer, arbeid en mestafzet meerekent, dan investeer je € 1.500 tot € 2.500 in een kalf voordat ze is uitgegroeid tot melkgevende vaars.
Lage opfokkosten bij hoge levensproductie
In elke koe investeer je dus € 1.500 tot € 2.500 voordat deze geld gaat opleveren. Dat houdt in dat je weinig verdient aan een koe die maar 1 of 2 lactaties meegaat. Hoe hoger de levensproductie, hoe beter het rendement op de investering van de opfok. Stel, je opfokkosten bedragen € 1.500. Voor een koe met een levensproductie van 25.000 kg
melk komen de opfokkosten dan op 6 cent per kg melk. Bij een levensproductie van 50.000 kg zakken die opfokkosten naar 3 cent per kg melk.
Goed om te weten
Je kunt de tool (Jonkos) vinden op de site van het platform Verantwoorde Veehouderij

Met Jonkos kun je uitrekenen wat de jongveeopfok op jouw bedrijf kost
Reken de kosten voor jongveeopfok uit


Wageningen UR heeft een handige tool gemaakt voor het uitrekenen van de opfokkosten van jongvee. Daarmee kun je de situatie op jouw bedrijf inschatten en het effect van mogelijke veranderingen doorrekenen.
Uitbesteden of zelf doen?
De meeste veehouders doen de opfok zelf, op hun eigen bedrijf. Maar er kunnen redenen zijn om de zorg voor het jongvee uit te besteden. Dan kun je bijvoorbeeld je arbeid, gebouwen, voer of fosfaatrechten maximaal benutten voor je melkkoeien. Als je hiervoor een vergoeding met je opfokker overeenkomt van € 2,50 per dier per dag, dan geef je aan de opfok € 1.825 per vaars uit, bij een duur van 730 dagen (2 jaar).
levensproductie (kg melk) opfokkosten per kg melk (eurocenten)
5.000 30
10.000 15
25.000 6
50.000 3
Levensproductie in relatie tot de opfokkosten per kg melk (bij totale opfokkosten van € 1.500)

3.3
Het beste inseminatiemoment
Voor een optimale opfok insemineer je niet te vroeg en zeker niet te laat. Maar hoe bepaal je het optimale moment?
Pinken worden voor de eerste keer tochtig tussen 10 en 13 maanden. Voor een optimale opfok insemineer je ze vanaf 14 maanden. Dan kalven ze op een leeftijd tussen 23 en 24 maanden. Maar let op: niet de leeftijd maar het gewicht en de hoogtemaat zijn de beste maatstaven voor de ontwikkeling. Een goede richtlijn is een gewicht na het kalven van 550 tot 580 kg. Met de inseminatie kun je beginnen als de pink een gewicht heeft van minimaal 375 kg, een kruishoogte van 130 tot 133 cm of een borstomvang van ongeveer 170 tot 172 cm. Als het goed is, is een hf pink dan tussen 14 en 15 maanden oud.
Eerder insemineren
De gemiddelde afkalfleeftijd (afgekort naar alva: afkalfleeftijd vaarzen) van de vaarzen in Nederland en Vlaanderen bedraagt 26 maanden. Dat is eigenlijk te oud. De meest economische en meest duurzame afkalfleeftijd is 24 maanden. Maar je kunt pas beginnen met insemineren als de pinken het gewenste gewicht en de gewenste hoogtemaat hebben. Een achterstand in de ontwikkeling is meestal het gevolg van voedingsfouten en andere factoren, zoals een slechte huisvesting of gezondheidsproblemen.
Een kortere opfokperiode levert een besparing op. Elke maand scheelt ruwweg € 50. Daarnaast realiseert een melkkoe een hogere levensproductie als ze goed ontwikkeld is bij de eerste keer kalven – je hebt er dus langer plezier van.
Praktisch

Met de conditiescore kun je bepalen of een pink rijp is voor inseminatie
Hulp van conditiescore
Naast de kruishoogte of borstomvang van jongvee is de conditiescore een handig hulpmiddel voor het bepalen van het optimale inseminatietijdstip. Net als bij koeien is de kans op bevruchting het grootst bij de juiste conditie. Te vette dieren worden minder gemakkelijk drachtig. Bij het jongvee is een conditiescore van 3 rond het moment van insemineren optimaal. Daarna groeien de dieren door naar een score van 3,5 vlak voor het kalven.



Meer over vruchtbaarheidsmanagement vind je in H7. Vruchtbaarheid


Een conditiescore van 3 rond het moment van insemineren is optimaal
Insemineer met een pinkenstier
Pinken kun je het beste insemineren met een pinkenstier. Dat is een stier waarvan de kalveren gemakkelijk geboren worden. Een vlotte geboorte is voor alle koeien een voordeel, maar voor de vaarzen is dit extra belangrijk. Ze kalven tenslotte voor de eerste keer en de overgang naar de lactatie zorgt ook voor veel stress. Kenmerkend voor pinkenstieren is de fokwaarde voor geboortegemak: die is 104 of hoger. Door een stier te kiezen die bewezen heeft lichte kalveren te geven en dus goed scoort voor geboortegemak, krijgt de pink de kans om een vlotte en goede start van de eerste lactatie te maken.
Een vlotte geboorte is voor alle koeien een voordeel, maar voor de vaarzen is dit extra belangrijk
Goed om te weten
Gesekst sperma voor meer geboortegemak
Vaarskalveren zijn lichter en worden over het algemeen gemakkelijker geboren dan stierkalveren. Bij pinken kan de veehouder daarom ook kiezen voor gesekst sperma.
Overzicht drachtresultaten
De vruchtbaarheidsresultaten vormen ook een indicatie voor het beoordelen van de opfok. Als je de VeeManager module Vruchtbaarheid gebruikt, kun je een overzicht met kengetallen inzien, uitgesplitst naar koeien en jongvee. Zo heb je voor de pinken de verwachte afkalfleeftijd en data zoals nonreturnpercentages in beeld. Je ziet de gegevens van het laatste kwartaal, halfjaar en jaar en kunt daarbij ook vergelijken met landelijke gemiddelden en streefwaarden.

Voorbeeld van een attentielijst
Attentielijsten tocht en dracht
Als je deelneemt aan VeeManager kun je in de module Vruchtbaarheid attentielijsten aanmaken. De attentielijst Tochtcontrole geeft – naast een lijstje met melkkoeien – een overzicht van jongvee dat de leeftijd heeft om geïnsemineerd te worden. Ook voor de drachtcontrole en de verwachte kalfdatum worden attentielijsten gemaakt.
Eigen stier
Er zijn veehouders die een stier bij de pinken laten lopen. Natuurlijke dekking is erg gemakkelijk, want de stier mist geen enkele tochtigheid. Selecteer hiervoor een stier op gemakkelijke geboorten. In de praktijk wordt de draagtijd van de stier – deze staat op de registratiekaart aangegeven – als maatstaf gebruikt. Een stier die zelf na een korte draagtijd werd geboren, zou ook lichte kalveren als nageslacht produceren. Maar deze redenering gaat niet altijd op. Het inzetten van een eigen stier heeft ook nadelen. Stieren zijn gevaarlijk en vaak is er minder bekend over de vererving van eigenschappen zoals het geboorteverloop en de melkbaarheid.
Goed om te weten
Natuurlijke dekking registreren
Ook als je een eigen stier inzet, kun je de dekkingen of het samenweiden registreren, zodat de nakomelingen voor het stamboek in aanmerking komen. Je kunt dit online doen met de module Vruchtbaarheid van VeeManager. Het kan ook nog op papier met deklijsten. Hierop noteer je de begin en einddatum van de samenweiding/hokking. Na afloop van een kwartaal (zie inleverdatum op het overzicht) lever je de deklijst in.
Praktisch

Het is handig om te weten of pinken in de wei drachtig zijn
Scan voordat ze naar buiten gaan
Als je de pinken laat weiden, is het handig om ze te controleren op dracht voordat ze naar buiten gaan. Dat kan door ze te scannen. Zo weet je waarop je de komende winter in de melkstal kunt rekenen. Dieren die niet drachtig zijn, kunnen in de zomer alsnog geïnsemineerd worden.

3.4 Bestemd voor vlees en fokvee
Niet alle vaarskalveren die geboren worden, zijn nodig voor het vervangen van melkkoeien. Wat doe je met het extra jongvee? Er zijn twee mogelijke bestemmingen: vlees en fokvee voor derden.
Als je kalveren verkoopt voor de slacht, kun je voorsorteren op de behoefte van de vleesveesector door een deel van je melkkoeien te insemineren met sperma van een vleesras. Je krijgt dan kalveren die geschikter zijn voor de vleesproductie en dat vertaalt zich in een betere prijs. Maar let op: voor pinken is dit sterk af te raden omdat de nakomelingen van een vleesstier vaak moeilijker geboren worden. Je kunt er ook voor kiezen vaarzen langer aan te houden voor de verkoop als fokvee aan collegamelkveehouders of voor de export.
Extra maatregelen voor export
Bij je eigen opfokkalveren besteed je aandacht aan gezondheid en kwaliteit. Als je vaarzen houdt voor export, moet je daarin nog strikter zijn. De dieren moeten worden onthoornd op een leeftijd van 2 tot 6 weken. Het is handig om tegelijk eventuele bijspenen weg te laten knippen omdat de kalveren op dat moment toch al verdoofd zijn. Verder moeten exportvaarzen vrij zijn van huidziekten, zoals wratten, schurft, luizen en ringworm. Daarnaast bepaalt ook de afstamming van de pink en de dracht hoe aantrekkelijk het dier is voor buitenlandse afnemers.
Samenvatting
Als je een kalf aanhoudt, dan hoop je dat het uitgroeit tot een duurzame koe die lang blijft produceren. Dit hoofdstuk bespreekt hoe je in de opfok hiervoor de basis legt.
De optimale ontwikkeling is afhankelijk van de verzorging en voeding. Je begint met biest voor de ondersteuning van de weerstand van het jonge kalf. Vervolgens doorloop je verschillende fasen met kunstmelk, ruwvoer en krachtvoer. Tijdens het eerste jaar hebben kalveren een eiwitrijk rantsoen en ruwvoer van hoge kwaliteit nodig. In het tweede levensjaar moet je oppassen dat je het dier niet overvoert.
Een secure opfok is ook economisch van belang. Het is een investering van € 1.500 tot € 2.500 per koe. Een koe die slechts 1 of 2 lactaties op het bedrijf verblijft, verdient de opfokkosten dus nauwelijks terug.
Het moment waarop je de pink kunt insemineren hangt af van de ontwikkeling, niet van de leeftijd. Je bepaalt dat door het meten van de kruishoogte of borstomvang. Als het goed is, is de pink voldoende ontwikkeld op 14 à 15 maanden.
Voor kalveren die je niet aanhoudt voor eigen aanfok, zijn er twee mogelijke bestemmingen: kruisen met vleesvee of het leveren van fokvee aan derden.


HOOFDSTUK 4
Fokkerij algemeen –fokwaarden en indexen
Fokken is het vermeerderen van de veestapel door het selecteren van de juiste koeien en stieren, met als doel een nieuwe, betere generatie koeien. Van de ene koe of stier wil je een nakomeling, van de andere niet. Fokwaarden helpen bij deze selectie. Een fokwaarde is de geschatte erfelijke aanleg van een dier voor een bepaald kenmerk. Het is een onmisbaar hulpmiddel bij het maken van keuzes in de fokkerij.
In dit hoofdstuk
4.1 Wat zijn fokwaarden?
4.2 Diversiteit aan fokwaarden en indexen
Bijlage
Lijst met fokwaarden en indexen in 2020

Achtergrondinformatie over de berekening van de fokwaarden is te vinden op de website van Coöperatie CRV
krijgen een fokwaarde. Fokwaarden worden traditioneel berekend op grond van prestaties van het dier zelf en die van zijn of haar familie. Hoe meer gegevens van nakomelingen en familieleden beschikbaar zijn, hoe betrouwbaarder de fokwaarde. Tegenwoordig zijn fokwaarden ook deels gebaseerd op dna onderzoek (genomics).
Een fokwaarde is een schatting van de erfelijke aanleg. Deze wordt bepaald door de analyse van heel veel data, waarbij alle niet-erfelijke invloeden worden uitgefilterd
Data uit mpr en bedrijfsinspectie
Voor het berekenen van de fokwaarde van een stier zijn gegevens van dochters nodig. Die komen uit de melkproductieregistratie (mpr) en de bedrijfsinspectie (bi). Voor het publiceren van exterieurfokwaarden moet minimaal 1 dochter zijn ingeschreven en voor productiefokwaarden moeten 15 dochters een mpr van minimaal 120 dagen lactatie hebben.
4.1
Wat zijn fokwaarden?
Van welke koeien zijn de nakomelingen het meest waardevol om aan te houden voor de volgende generatie? Welke stieren passen het beste bij de ontwikkeling van jouw veestapel en jouw bedrijf?
Met fokwaarden kun je dieren onderling eerlijk vergelijken en een rangorde maken. Dat helpt bij het maken van fokkerijkeuzes.
Prestaties vergelijken
Toen er nog geen fokwaarden waren, selecteerden veehouders door de prestaties van dieren te vergelijken. Dat is niet erg nauwkeurig. Zo geeft een koe in de eerste lactatie minder melk dan in de tweede of derde lactatie. Verder wordt de melkgift sterk beïnvloed door het seizoen, de voeding en allerlei andere omgevingsfactoren. Voor de fokkerij wil je weten welk deel van de verschillen tussen dieren erfelijk is bepaald. Daarvoor zijn fokwaarden ontwikkeld.
Een fokwaarde is een schatting van de erfelijke aanleg van een dier voor een bepaald kenmerk. De waarde wordt bepaald door de analyse van heel veel prestatiedata, waarbij alle niet erfelijke invloeden worden uitgefilterd. Het erfelijke deel is wat de koe of stier in potentie kan doorgeven aan de volgende generatie. Alle stamboekkoeien en stieren
Meer over mpr lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel

Van elk pasgeboren kalf kun je dankzij dna al een fokwaarde berekenen
Informatie uit dna-onderzoek
Naast data van nakomelingen en familieleden kan ook dna onderzoek de basis vormen voor een fokwaardeschatting. In principe kan van elk dier meteen na de geboorte een genetisch profiel worden bepaald. Fokkerijorganisaties, zoals CRV, kunnen dat dna beeld vergelijken met de profielen van een groot aantal dieren met een bekende fokwaarde. Ze zoeken dan naar stukjes dna die overeenkomen. Van veel stukjes is bekend dat deze samenhangen met bepaalde eigenschappen. Dit zijn ‘merkers’ (in het Engels ‘markers’).
Deze technologie heet merkertechnologie of genomics.
Genoomfokwaarden
Dankzij genomics is van elk pasgeboren vaars of stierkalf dus direct een fokwaarde voor allerlei kenmerken te berekenen op basis van dna merker s en de fokwaarden van familieleden. Dit wordt de genoomfokwaarde of de genomicfokwaarde genoemd. Jonge dieren zonder nakomelingen hebben dus dankzij genomics al een behoorlijk betrouwbare fokwaarde.
Betrouwbaarheid fokwaarden
De betrouwbaarheid van een fokwaarde wordt uitgedrukt in procenten. Heeft een stier een betrouwbaarheid van 55%, dan is de betrouwbaarheid van zijn fokwaarde niet zo hoog. Het betekent dat er nog een bepaalde onzekerheid in de schatting zit. De kans bestaat dat de voorspelling van zijn erfelijke prestaties verandert als er informatie van nog meer dochters beschikbaar komt. Veel fokstieren hebben honderden, zelfs duizenden dochters aan de melk. Met deze informatie bereikt de fokwaarde een betrouwbaarheid van 99%. In overzichten van fokstieren wordt de betrouwbaarheid van de fokwaarden vermeld.

Betrouwbaarheid van verwachtingswaarde, genomicfokwaarde en berekende fokwaarde

Informatiebronnen die fokwaarde en betrouwbaarheid van een dier beÏnvloeden
Meer achtergrondinformatie over de betrouwbaarheid van fokwaarden kun je hier vinden
Prestatie dochters levert de hoogste betrouwbaarheid
Voor de betrouwbaarheid van een fokwaarde zijn er drie bronnen: de verwachtingswaarde, genomics én dochterinformatie. De prestaties van de dochters zorgen voor een hoge betrouwbaarheid van de fokwaarde. Hoe meer dochters er van een stier aan de melk zijn, hoe hoger de betrouwbaarheid.
Bij kenmerken met een hoge erfelijkheid, zoals melkproductie, leveren 300 dochters een betrouwbaarheid van 96%. De genomics en de verwachtingswaarde leveren nog eens 2%, wat een totaal oplevert van 98% betrouwbaarheid.
Bij een kenmerk met een lage erfelijkheidsgraad, zoals vruchtbaarheid, zijn er veel meer dochters nodig om een hoge betrouwbaarheid te realiseren. Bij 300 dochters is de betrouwbaarheid 89% en heeft de genomicfokwaarde nog 20% invloed hierop. Bij 1.500 dochters stijgt de betrouwbaarheid naar 97%.

4.2
Diversiteit aan fokwaarden en indexen
Fokwaarden zijn er voor een groot aantal verschillende eigenschappen. Om het overzichtelijk te houden, zijn er indexen ontwikkeld waarin afzonderlijke fokwaarden worden gebundeld.
Er bestaan fokwaarden voor verschillende eigenschappen: melkproductie, exterieur, gezondheids en vruchtbaarheidskenmerken, en gebruikskenmerken. De complete lijst omvat tientallen verschillende fokwaarden.
Relatieve of absolute fokwaarde
Fokwaarden worden uitgedrukt als een relatief getal, met 100 als gemiddelde, of als een absolute waarde die bij het kenmerk hoort, bijvoorbeeld kilogram (bij melk), percentage (bij eiwit) of dagen (bij levensduur), waarbij het gemiddelde 0 is.
Meer voorbeelden van relatieve naar absolute fokwaarden vind je op de website van Coöperatie CRV
Indexen
Om het selecteren van stieren gemakkelijker te maken, zijn indexen ontwikkeld. Een index is een combinatie van verschillende fokwaarden. In de index zijn bepaalde groepen fokwaarden gebundeld en verwerkt volgens een vaste verhouding. Indexen worden berekend aan de hand van een formule. Inet bijvoorbeeld is een index die de
productiefokwaarden melk, vet en eiwit combineert. De Nederlands Vlaamse Index (NVI) combineert productie , exterieur en gezondheidskenmerken. De NVI is de meest gebruikte selectie index in de Nederlandse en Vlaamse melkveehouderij.
Een uitgebreide lijst met fokwaarden en indexen vind je in de bijlage van dit hoofdstuk. Verderop in dit hoofdstuk vind je een beschrijving van de belangrijkste fokwaarden en indexen:
• De Nederlands Vlaamse Index (NVI)
• Fokwaarden en indexen voor productie
• Fokwaarden voor exterieur
• Fokwaarden voor gezondheid en vruchtbaarheid
• Fokwaarden voor gebruikskenmerken
• De fokwaarde levensduur
• De fokwaarden voor voeropname en efficiëntie

Drie keer per jaar nieuwe fokwaarden
Drie keer per jaar (in april, augustus en december) vindt er een berekening plaats van de fokwaarden. Coöperatie CRV publiceert de fokwaarden van de stieren en koeien in Nederland en Vlaanderen op haar website. Koeien geboren in een bepaald jaar bepalen wat het gemiddelde is van de fokwaarde. Er zijn vier verschillende rassen of kleurslagen die als basis dienen om de fokwaarden uit te drukken. Het gaat hierbij om melkdoel zwart, melkdoel rood, dubbeldoel en Belgisch witblauw.
De volledige perspublicatie van de stierindexen vind je hier
Onder de basis dubbeldoel vallen onder andere dieren die minimaal 62,5% genen hebben van brown swiss, montbéliarde, jersey of Noors roodbont. Als basis voor deze fokwaarden zijn stieren genomen met minimaal 87,5% mrij bloed en maximaal 12,5% hf bloed.
Meer achtergrondinformatie over de verschillende bases vind je hier
Elke vijf jaar een basisaanpassing
Door fokkerij worden koeien elke generatie beter. Deze vooruitgang zie je terug in de fokwaarden, die elk jaar stijgen. Na verloop van een aantal jaren is het nodig deze waarden bij te stellen en het gemiddelde weer op 100 of 0 te zetten. Dit noemen we de basisaanpassing. Zonder zo’n bijstelling zouden de fokwaarden steeds hoger worden. Je zou stieren krijgen die bijvoorbeeld gemiddeld 120 of meer voor exterieur scoren. Dat is verwarrend en het maakt vergelijken lastiger. Daarom blijft een basisaanpassing iedere vijf jaar nodig. Zo’n correctie is bijvoorbeeld in april 2020 doorgevoerd. Vóór dat moment bepaalden koeien geboren in 2010 het gemiddelde. Vanaf april 2020 zijn de koeien geboren in 2015 het uitgangspunt.
Goed om te weten
Switchen van de ene naar de andere basis
Stieren met fokwaarden in de basis melkdoel rood zijn om te rekenen naar de basis melkdoel zwart of dubbeldoel. Zo kunnen stieren van verschillende oorsprong met elkaar vergeleken worden in één basis. De basisverschillen zijn per kenmerk weergegeven en zijn te vinden op de website van Coöperatie CRV.
De NVI combineert de index voor productie met fokwaarden voor levensduur, vruchtbaarheid, uiergezondheid, uier, beenwerk, geboortekenmerken en voerkosten of vleesaanzet
De Nederlands Vlaamse Index (NVI)
De Nederlands Vlaamse Index (NVI) is gericht op een gezonde koe met een efficiënte productie en gelijkblijvende vruchtbaarheid, die een lange levensduur combineert met goed beenwerk en een functioneel exterieur. Voor het fokken van dit type koe zou je bij de stierenkeuze rekening moeten houden met de fokwaarden voor een groot aantal kenmerken. De NVI maakt dat gemakkelijk. In de index worden verschillende fokwaarden gecombineerd volgens een bepaalde weging. Dit zijn: de index voor productie Inet (zie hierna) en fokwaarden voor een aantal andere kenmerken: levensduur (LVD), vruchtbaarheid (VRU), uiergezondheid (UGH), uier, beenwerk, geboortekenmerken (Gin) en besparing voerkosten voor melkrassen (BVK) of vleesindex voor dubbeldoelrassen (VLi).
Het uitgangspunt is stabilisatie of mogelijk een lichte verbetering van de vruchtbaarheid en verbetering van de andere kenmerken. De eenheid is punten. Hoe hoger de NVI, des te meer draagt een stier bij aan het hierboven genoemde fokdoel. Er zijn twee NVI’s: één voor melkdoel (zwart en roodbont basis) en één voor dubbeldoel.
Goed om te weten
Formule NVI
In de NVI komt een aantal kenmerken samen. De weging van deze kenmerken is gericht op gewenste vooruitgang per kenmerk en houdt rekening met de onderlinge relaties tussen de kenmerken. Coöperatie CRV stelt deze index regelmatig bij, op basis van ontwikkelingen in de fokkerij. Zo waren er updates in 2012 en 2018.
De NVI-formule voor melkdoel is als volgt:
NVImd = 0,4 * Inet + 0,08 * LVD + 4,7 * (UGH100) + 6,3 * (VRU100) + 1,8 * (U100) + 3,6 * (B100) + 1,8 * (Gin100) + 2,7 * (KGH100) + 0,23 * BVK
Voor dubbeldoel is de NVI:
NVIdd = 0,35 * Inet + 0,09 * LVD + 5,2 * (UGH100)
(B100) + 2 * (Gin100) + 5,2 * (VLin100)
Toelichting:
Inet = 0,3 * kg lactose + 2,1 * kg vet + 4,1 * kg eiwit
UGH = 0,477 * (SCM100) + 0,641 * (CM100) +100
VRU = 0,52 * (IEL100) + 0,52 * (TKT100) + 100
Gin = 0,08 * (GEB100) + 0,08 * (AFK100) + 0,55 * (LVG100) + 0,83 * (LVA100) + 100
Voor de betekenis van de afkortingen, zie de lijst Fokwaarden en indexen in 2020 (bijlage).
De nettomelkgeldindex: Inet
Als je in de fokkerij wilt focussen op melkproductie, kun je selecteren op fokwaarden voor hoeveelheid melk, lactose, vet en eiwit. De nettomelkgeldindex Inet combineert deze in één getal. De afzonderlijke fokwaarden worden in de index zodanig gewogen dat selectie op Inet leidt tot een rendabeler melkproductie per koe.
De eenheid is euro’s. De Inet van een stier of koe geeft aan wat je van een nakomeling aan extra netto opbrengsten per lactatie mag verwachten. Als je een stier met +€ 400 Inet koppelt aan een koe met +€ 200, dan mag je van het kalf uit deze paring een Inet verwachten van +€ 300 (helft van de vader plus helft van de moeder). Dat is € 100 meer dan van de moeder. Met andere woorden: de verwachting is dat het kalf aan nettomelkgeldopbrengsten per lactatie circa € 100 meer zal opleveren dan de moeder.
Eiwit weegt het zwaarst in Inet
De Inet geeft aan hoeveel extra netto opbrengsten per lactatie er zijn te verwachten van een nakomeling van een dier. Dit is het resultaat van de melkgeldopbrengsten in euro’s per kg melk en de voerkosten van de productie van die kilo. De berekening is gebaseerd op de uitbetaling van de zuivelindustrie. Uit de formule valt af te lezen dat de productie van eiwit het meeste geld oplevert: € 4,10 per kg, bijna twee keer zoveel als een kg vet.

Eiwit is belangrijk voor de productie van kaas, daarom draagt het eiwitgehalte in de melk het meest bij aan het melkgeld
Goed om te weten
Formule Inet
De Inet wordt berekend volgens de volgende formule:
Inet = 0,3 * FW kg lactose + 2,1 * FW kg vet + 4,1 * FW kg eiwit
Deze formule is vastgesteld in 2015. De wegingen zijn nettoopbrengsten per kg lactose, vet of eiwit. De nettoopbrengst is opbrengst via uitbetaling minus voerkosten.
Zowel de opbouw van de melkprijs als de ontwikkeling van de kosten zijn aan veranderingen onderhevig. Daarom houdt Coöperatie CRV deze en andere ontwikkelingen nauwkeurig in de gaten. Indien nodig past ze de formules voor indexen aan.
Fokwaarden voor exterieur
Het exterieur is het best te omschrijven als het uiterlijk en de bouw van de koe. Het gaat in de fokkerij om functionele kenmerken: eigenschappen die bijdragen aan bijvoorbeeld een goede mobiliteit (beweging), een goede gezondheid en een grote capaciteit voor ruwvoeropname om een hoge productie te halen. Als je deelneemt aan het stamboek kun je ervoor kiezen alle vaarzen op jouw bedrijf te laten beoordelen op exterieur, met een periodieke bedrijfsinspectie. Deze gegevens worden ook benut voor het berekenen van fokwaarden. Voor het totaal exterieur bestaat er een index. Deze is weergegeven op een schaal met 100 als gemiddelde. Een score boven de 100 is dus bovengemiddeld. Meer over exterieur en bedrijfsinspectie lees je in H6.1. Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie
Uier en benen belangrijkst
In de formule voor de fokwaarde voor totaal exterieur tellen uier en beenwerk beide voor 35% mee, frame voor 20% en type voor 10%. De fokwaarde voor totaal exterieur varieert in de meeste gevallen van 88 tot 112. Voor de berekening van de fokwaarden worden de gegevens van de bedrijfsinspectie gebruikt.

De resultaten van het klauwbekappen leveren data voor de fokwaarde klauwgezondheid
Goed om te weten
Klauwaandoeningen bijhouden in DigiKlauw
Meer over DigiKlauw lees je in H9.5. Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen
DigiKlauw is een registratiesysteem voor de resultaten van de klauwverzorging, opgezet door CRV en Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Degene die de klauwen verzorgt, de veehouder of een professionele klauwverzorger, legt de data vast. De gegevens leveren handvatten voor verbetering van de klauwgezondheid. Deze data brengen ook de genetische aanleg voor klauwgezondheid in beeld. Via een koppeling met het stamboek worden deze benut voor het bepalen van fokwaarden voor klauwgezondheid.
Fokwaarden voor gezondheid en vruchtbaarheid
Ook kenmerken voor gezondheid en vruchtbaarheid van koeien zijn te vertalen in fokwaarden. Dit zijn verhoudingsgetallen: 100 is gemiddeld. Hoe verder de fokwaarde boven de 100 ligt, hoe beter een dier scoort op dit kenmerk. De tabel geeft een overzicht van deze fokwaarden en laat de praktische meerwaarde zien van een fokwaarde van 104.
kenmerk fokwaarde meerwaarde per lactatie
vruchtbaarheidsindex 104
tussenkalftijd 104 −14 dagen
interval eerste-laatste inseminatie 104 −12 dagen
uiergezondheidsindex 104 € 10 minder kosten
• klinische mastitis 104 −3,4% klinische mastitis
• subklinische mastitis 104 −6% subklinische mastitis
• celgetal 104 −17.000 cellen/ml klauwgezondheidsindex 104
• zoolbloeding 104 −4,5%
• mortellaro 104 −5,1%
• stinkpoot 104 −4,0%
• zoolzweer 104 −2,1%
• tyloom 104 −1,3%
• wittelijndefect 104 −2,0%
geboortegemak vaars 104 +1,9% gemakkelijke en normale geboorten afkalfgemak vaars 104 +1,5% gemakkelijke en normale geboorten
levensvatbaarheid afkalven vaars 104 +9,6% meer levend geboren kalveren
levensvatbaarheid afkalven koe 104 1,4% meer levend geboren kalveren
kalvervitaliteit 104 2,2% minder uitval kalveren het eerste levensjaar
De concrete meerwaarde van een fokwaarde van 104 ten opzichte van 96 voor gezondheidsen gebruikskenmerken
De vruchtbaarheidsindex is een combinatie van de periode tussen twee afkalvingen, de tussenkalftijd (tkt), en het interval eerste laat ste inseminatie (iel). Beide kenmerken tellen even zwaar. Koeien met een fokwaarde van 104 voor tussenkalftijd hebben gemiddeld een 6,2 dagen kortere tussenkalftijd dan koeien met een fokwaarde van 100.

Fokkerij helpt om de klinische en subklinische mastitis te verminderen
Uiergezondheid: klinische en subklinische fokwaarden
De uiergezondheidsindex bestaat uit een fokwaarde voor klinische mastitis en een fokwaarde voor subklinische mastitis. Een stier met een fokwaarde van 104 voor klinische mastitis en een koe met een fokwaarde van 100 voor dit kenmerk krijgen een nakomeling die 1% minder kans heeft op klinische mastitis. Wat levert dat op in de portemonnee?
Voor mastitis zijn de kostenposten: productieverlies, vervroegde afvoer, veterinaire behandelingskosten en opbrengstderving door niet geleverde melk.
Bij een gemiddeld mastitisgeval bedragen de kosten voor behandeling en niet geleverde melk € 82 per koe per jaar. Een stier met een fokwaarde van 104 voor uiergezondheid geeft dochters die minder kans hebben op mastitis en daardoor in totaal € 5,91 minder kosten per lactatie door mastitis veroorzaken.
Bij een gemiddeld mastitisgeval bedragen de kosten voor behandeling en niet-geleverde melk € 82 per koe per jaar
Klauwgezondheidsindex
De klauwgezondheidsindex is gebaseerd op gegevens die CRV verzamelt in samenwerking met klauwverzorgers van de Agrarische Bedrijfsverzorging (AB) en de Vereniging Voor Rundvee Pedicure (VVRP). Uit deze gegevens blijkt dat bij de bekapte koeien in 2019 mortellaro met 22% het meest voorkwam, en vervolgens zoolbloeding en wittelijndefect met beide 16%. Een stier gebruiken met een fokwaarde van 104 voor mortellaro betekent dat een dier 3% minder kans heeft om de ziekte van Mortellaro te krijgen.
Fokwaarden voor gebruikskenmerken
In de fokwaarden voor gezondheid zijn ook enkele gebruikskenmerken opgenomen. Ook dit zijn relatieve fokwaarden. Over het algemeen geldt dat een score boven 100 beter is. Melksnelheid is een uitzondering op deze regel. Dat is namelijk een optimumkenmerk: een score rond de 100 is het beste. Onder de 100 melken de koeien traag, boven de 100 is de kans op het uitliggen van melk groter. In de tabel staan de gebruikskenmerken met daarbij de variatie in fokwaarde. Er is ook aangegeven wat een score concreet betekent. Een fokwaarde van 104 voor karakter betekent bijvoorbeeld dat de dochters van een stier rustiger zijn tijdens het melken.
omschrijving kleiner dan 96 groter dan 104 afkalfgemak zwaar licht vruchtbaarheid slecht goed melksnelheid traag snel uiergezondheid slecht goed karakter lastig gemakkelijk geboortegemak zwaar licht
Verschil in gebruikskenmerken kleiner dan 96 en groter dan 104
Goed om te weten
Betrouwbaarheid gezondheidskenmerken
De gezondheidskenmerken geven betrouwbare informatie om in de fokkerij vooruitgang te boeken. Er is wel veel informatie nodig voor een hoge betrouwbaarheid van de fokwaarden. Voor een betrouwbaarheid van 80% zijn nodig:
• 40 keuringen voor exterieur
• 125 dochters voor levensduur die 72 maanden na 1e afkalving geleefd konden hebben, of 400 dochters op 12 maanden na 1e afkalving, 200 dochters op 24 maanden na 1e afkalving, 165 dochters op 36 maanden na 1e afkalving
• 125 geboorteverloopmeldingen voor geboortegemak
• 300 afkalvingen voor afkalfgemak
• 1250 geboorten voor levensvatbaarheid bij geboorte
• 200 afkalvingen voor levensvatbaarheid afkalven
• 100 koeien voor vruchtbaarheid
• 200 dochters met gegevens van (sub)klinische mastitis
• 80 bekapte dochters voor klauwgezondheid
Praktisch
Melkveebedrijven leveren data voor fokwaarden
Voor het berekenen van de fokwaarden zijn data nodig. Die komen uit de praktijk. Zo zijn de gegevens over de uiergezondheid afkomstig van de celgetalgegevens die beschikbaar komen uit de melkproductieregistratie (mpr). De vruchtbaarheidsgegevens komen via de inseminatiegegevens bij CRV binnen. Daarnaast geven veehouders ook zelf informatie door, zoals de melksnelheid en het karakter. Die gegevens worden tijdens de bedrijfsinspectie vastgelegd. Voor de fokwaardeberekening van afkalfgemak en geboortegemak gebruikt CRV de data die veehouders doorgeven bij het melden van de geboorte van een kalf voor de identificatie & registratie (I&R).

Informatie van afgevoerde dochters wordt verwerkt in de fokwaarde levensduur
De fokwaarde levensduur
De fokwaarde levensduur (LVD) geeft aan hoelang de dochters van een stier op een bedrijf blijven. Het kan zijn dat de dochters van een stier meer melk produceren en daarom langer blijven, het kan ook zijn dat ze over betere functionele kenmerken beschikken. De fokwaarde levensduur staat voor het aantal extra levensdagen ten opzichte van het gemiddelde, gerekend vanaf de start van de eerste lactatie. Een kalf erft eigenschappen van beide ouderdieren. Als een stier met een fokwaarde van +700 dagen wordt gepaard met een koe die 0 scoort (gemiddeld), dan mag je van de nakomeling +350 dagen levensduur verwachten. Dat komt overeen met een extra lactatie.
De fokwaarde levensduur is opgebouwd uit twee delen: een deel met directe informatie over de afgevoerde dochters en een deel met indirecte informatie over gecorreleerde (voorspellende) kenmerken. Deze voorspellende kenmerken vormen vooral in het begin van de loopbaan van een stier een belangrijk onderdeel van de fokwaarde levensduur. Dat is logisch, omdat een jonge stier nog geen afgevoerde dochters heeft.
Klik hier door voor de actuele
aanhoudingspercentages van stieren
Praktisch
Verband tussen exterieur en levensduur
Onderzoek toont het verband aan tussen enerzijds het exterieur en de prestaties van koeien en anderzijds de tijd dat een dier op het bedrijf aanwezig is. Als voorspellers voor de levensduur worden de fokwaarden voor subklinische mastitis, klauwgezondheid en beengebruik gebruikt. Dit zijn de kenmerken die direct gerelateerd zijn aan twee belangrijke afvoerredenen op het melkveebedrijf, namelijk uiergezondheid en beenwerk.
Nettodagrendement maat voor duurzaamheid veestapel
Een lange levensduur heeft duidelijke economische voordelen. Ten eerste kun je bij een oudere koe de opfokkosten uitsmeren over een hogere levensproductie. Bij een koe die 20.000 kg levensproductie haalt, zijn de kosten voor de opfok per kg melk 9 cent. Bij een koe die 40.000 kg melk in haar leven produceert, is dit de helft: 4,5 cent. De kosten per kg melk zijn dus lager. Een ander voordeel is dat een gemiddeld oudere veestapel een hogere productie per koe oplevert. Als je gebruikmaakt van de VeeManagermodule MPR vind je in de Duurzaamheidsmonitor verschillende aspecten van duurzaamheid. Een kengetal is daarbij het nettodagrendement (ndr), afgeleid van de melkgeldopbrengsten minus voerkosten per koe, in euro’s per dag.

De opfokkosten per kg melk halveren bij een stijging in levensproductie van 20.000 naar 40.000 kg melk
Goed om te weten
Aanhoudingscijfers en levensduur
Aanhoudingscijfers geven een globale indicatie voor de vererving van levensduur van een bepaalde stier. Deze cijfers geven aan hoeveel procent van de dochters na een bepaald aantal maanden nog aanwezig is. Maar dit zijn ruwe cijfers, die naast erfelijke aanleg ook onder invloed staan van omgevingsfactoren en wetgeving. In de volgende tabel is dat duidelijk te zien bij de dochters van Atlantic. De aanhoudingspercentages veranderen per kalfjaar van de vaarzen. De fokwaarde levensduur geeft daarom voor individuele stieren een beter beeld.
Aanhoudingspercentage op 12, 24, 48 en 60 maanden na eerste afkalving voor Delta Atlantic per kalfjaar als vaars (gegevens uit fokwaardeschatting april 2020)
Goed om te weten
Levensduur en gemiddelde leeftijd
De vraag ‘Hoe oud worden koeien?’ kun je op verschillende manieren beantwoorden. Op het Bedrijfsoverzicht in de mpruitslag staat bij het bedrijfsgemiddelde van de 305 dagenproductie de gemiddelde leeftijd op het moment van afkalven. Dat is niet hetzelfde als de levensduur van de koeien. Stel, je hebt een veestapel met een klein aantal heel oude koeien en verder veel jonge vaarzen. Dan is de levensduur van de meeste dieren niet zo hoog, terwijl de gemiddelde leeftijd door de oude koeien wel hoog is. Andersom kan ook: als je veel dieren in de derde lactatie hebt, en juist weinig vaarzen, dan is de levensduur juist relatief hoog. De gemiddelde levensduur in Nederland en Vlaanderen ligt rond de 5,07. Bij het rollend jaargemiddelde staat de gemiddelde leeftijd vermeld van alle melkkoeien. De levensduur van koeien is stabiel. De afgevoerde stamboekkoeien in Nederland hebben gemiddeld 3,4 à 3,5 keer gekalfd, in Vlaanderen ligt dat op 3,0 à 3,1.
Op de website van Coöperatie CRV vind je uitgebreide statistieken over melkveebedrijven en stamboekkoeien in Nederland en Vlaanderen
Goed om te weten
Levensproductie 31.553 kg melk
Melkkoeien hebben gemiddeld rond 30.000 kg melk gegeven op het moment van afvoer, zo blijkt uit de mprgegevens van CRV.
Voor Nederlandse koeien was de levensproductie in het boekjaar 2019 gemiddeld 31.553 kg melk met 1.371 kg vet en 1.120 kg eiwit. In Vlaanderen ligt de levensproductie op 27.806 kg melk met 1.145 kg vet en 954 kg eiwit.
De levensproductie is al jarenlang stabiel rond 30.000 kg. Ter vergelijking: in 1992 was dat nog 22.132 kg. De toename wordt vooral veroorzaakt door een hogere melkproductie per lactatie. De levensduur is stabiel. In het boekjaar 20182019 produceerden de Nederlandse melkkoeien gemiddeld 9.155 kg melk met 4,38% vet en 3,59% eiwit, wat resulteert in 730 kg vet en eiwit. In Vlaanderen is dat 9.164 kg, met 4,22% vet en 3,49% eiwit.

De ene koe maakt meer melk van een kilo voer dan de andere koe
Fokwaarden voor voeropname en efficiëntie
Het verschil in voerefficiëntie tussen koeien is groot. Een hogere voerefficiëntie betekent meer melk per kilo opgenomen voer. Dat is niet alleen economisch interessant, maar ook heel gunstig voor het milieu. CRV verzamelt voeropnamegegevens van duizenden koeien. Die verschillen in voeropname vormen de basis voor de fokwaarden voeropname en besparing voerkosten (BVK). Fokken op BVK leidt tot koeien die minder voer nodig hebben voor onderhoud van hun lichaam, beweging en vertering. Hierdoor blijft er meer over voor de productie van melk en stijgt de voederconversie.

Samenvatting
Als je gericht wilt fokken zijn fokwaarden onmisbaar. Ze zijn een schatting van de erfelijke aanleg. Daarmee heb je een handvat om te bepalen wat het dier kan doorgeven aan de volgende generatie.
Van eigenlijk alle denkbare kenmerken van koeien en stieren zijn fokwaarden te vinden. Van melkproductie en exterieur tot aan karakter en voerefficiëntie. Van al deze fokwaarden zijn toplijstjes te maken, maar de rangschikking in Nederland en Vlaanderen wordt gedaan op basis van de NVI. Deze index is een mix van fokwaarden die nodig zijn om een gezonde en efficiënte melkproductie te realiseren. Om de fokwaarden te berekenen wordt niet alleen de eigen prestatie van het dier meegenomen, maar ook de aanleg van de ouders én de genomicfokwaarde. Deze genomicfokwaarde wordt bepaald met behulp van dna mons ters. Met enkele haren kun je dna onderzoek laten doen om zo te bepalen wat een dier in zijn mars heeft, ook al bij jonge kalveren en stieren. Met al die informatie worden fokwaarden steeds betrouwbaarder en daarmee een steeds waardevoller ‘stuur’ in de veeverbetering.
Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen
Bijlage
Lijst met fokwaarden en indexen in 2020
fokwaarde afkorting dit zegt iets over
fokwaarden voor productie en totaalindexen
Nederlands Vlaamse Index NVI het totaalbeeld van productie, exterieur, gezondheid en gebruikskenmerken
nettomelkgeldindex Inet de melkproductie, vet, eiwit en lactose
• kg melk kgM melkproductie
• kg vet kgV vetproductie in kilo’s
• kg eiwit kgE eiwitproductie in kilo’s
• kg lactose kgL lactoseproductie in kilo’s
• % vet %V vetgehalte
• % eiwit %E eiwitgehalte
• % lactose %L lactosegehalte
fokwaarde levensduur
levensduur LVD levensduur
levensproductie-index LPin
• levensproductie kg melk LPkgM
• levensproductie kg vet LPkgV
• levensproductie kg eiwit LPkgE
fokwaarden voor exterieur exterieur: boven en onderbalk bovenbalk:
totaal exterieur Ext
• frame F
• type T
• uier U
• beenwerk B
• bespiering (bij dubbeldoel) Bs onderbalk:
• hoogtemaat HT
• voorhand VH
• inhoud IH
• openheid OH
• conditiescore CS
• kruisligging KL
• kruisbreedte KB
• beenstand achter BA
• beenstand zij BZ
• klauwhoek KH
• voorbeenstand VB
• beengebruik BG
• vooruieraanhechting VA
• voorspeenplaatsing VP
• speenlengte SL
• uierdiepte UD
• achteruierhoogte AH
• ophangband OB
• achterspeenplaatsing AP
fokwaarden vruchtbaarheid vruchtbaarheidsindex VRU
• non return NR56
• interval afkalven 1e inseminatie IAI
• interval eerste laat ste inseminatie IEL
• tussenkalftijd TKT
• drachtpercentage koe DP_ko
• drachtpercentage pink DP_pi
• leeftijd 1e inseminatie LEI
reproductiestoornissenindex Rsin
• aan de nageboorte blijven staan NAGE
• niet opgeschoonde baarmoeders VUIL
• baarmoederontsteking BMON
• cysteuze eierstokken CYST
• anoestrus (inactieve eierstokken) ANOE fokwaarden rondom geboorte
• GEB geboortegemak GEB gemak waarmee de kalveren van een stier geboren worden
• geboortegewicht GW het geboortegewicht van de kalveren
• drachtduur DrD dagen dat de dracht duurt
• levensvatbaarheid geboorte LVG levensvatbaarheid bij de geboorte van de kalveren van een stier
• afkalfgemak AFK Het gemak waarmee de dochters van een stier afkalven
• levensvatbaarheid afkalven LVA levensvatbaarheid van de kalveren van de dochter van een stier
geboorte-index Gin
• direct geboorteverloop GEB
• directe draagtijd DDt
• direct geboortegewicht DGw
• maternaal afkalfgemak Afk
• maternale draagtijd MDt
• maternaal geboortegewicht MGw
kalvervitaliteit
• kalvervitaliteit gedurende opfok KaVi1
• kalvervitaliteit gedurende opfok dag 3 14 KaVi2
• kalvervitaliteit mestkalveren KaVi3
Index levensvatbaarheid LVG
• index maternale levensvatbaarheid LVA
• directe levensvatbaarheid vaarzen LVG1
• maternale levensvatbaarheid vaarzen LVA1
• directe levensvatbaarheid koeien LVG2
• maternale levensvatbaarheid koeien LVA2
fokwaarden rondom vleesproductie
vleesindex VLin de bijdrage aan de vleesproductie van een vleeskalf of stier
• bevleesdheid koe Be_ko
• vetbedekking koe Ve_ko
• gewicht koe Gw_ko
• bevleesdheid kalf Be_ka
• vetbedekking kalf Ve_ka
• groei kalf Gr_ka
• vleeskleur kalf Vlkl
• bevleesdheid vleesstier Be_st
• vetbedekking vleesstier Ve_st
• groei vleesstier Gr_st
uiergezondheidsindex UGH de gezondheid van de uiers
• klinische mastitis KM
• subklinische mastitis SKM
• celgetal SCC het celgetal van de melk van de dochters
klauwgezondheidsindex KGH
• bevangenheid Bv
• mortellaro Mo
• stinkpoot Sp
• zoolzweer Zz
• tyloom Ty
• wittelijndefect Wld
stofwisselingsaandoeningenindex SAin
• melkziekte index MZ
• klinische ketose/slepende melkziekte index SMZ
• Subklinische ketose index SubKE
fokwaarde gebruikskenmerken
• karakter KA het karakter van de dochters
• melksnelheid MS de snelheid waarmee de dochters melk geven
• AMS Efficiency Eff
• AMS interval Int
• AMS gewenning Gewen
• lichaamsgewicht Gew het gewicht van de dochters
• persistentie Pers de persistentie in de lactatie
• laatrijpheid RTM de persistentie over de eerste drie lactaties
• kg drogestof opname DSopn
• besparing voerkosten voor onderhoud (euro/lactatie) BVK

HOOFDSTUK 5
Fokkerij op jouw bedrijf
Met fokkerij werk je aan een nieuwe generatie van koeien die nog beter passen bij jouw bedrijf. Je bepaalt je eigen bedrijfsspecifieke fokdoel en stippelt de strategie uit om dat doel te bereiken. Daarvoor selecteer je op fokwaarden voor diverse eigenschappen. Je maakt gericht een keuze uit het aanbod stieren en uit de verschillende rassen.
In dit hoofdstuk:
5.1 Fokdoel
5.2 Fokkerijstrategie: hoe bereik je jouw fokdoel?
5.3 Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau
Bijlage
Rassen die passen

5.1
Fokdoel
De keuze die je vandaag maakt bij het insemineren van je koeien, zie je over zo’n drie jaar terug in melkgevende dochters. Voor de veestapel van de toekomst moet je dus nú strategische keuzes maken. Dat begint met het formuleren van een fokdoel.
Het fokdoel omschrijft jouw ideale koe. Daarbij staat economie vaak centraal. Logisch, je hebt immers een melkveebedrijf om een inkomen te verdienen. Maar de manier waarop is voor elk bedrijf en iedere ondernemer anders. Bij het formuleren van een fokdoel moet je dus nadenken over jouw specifieke bedrijfsomstandigheden, bedenken wat jij als ondernemer wilt bereiken en welke koe daarbij past.
Bedrijfsomstandigheden en persoonlijke stijl
De bedrijfsomstandigheden en jouw persoonlijke stijl zijn van groot belang bij het bepalen van het fokdoel. Wat vind je belangrijk, wat is je managementstijl en wat zie je graag terug bij je vee? Dat bepaalt met welk type koe je het beste werkt. Een voorbeeld: als je veel wilt weiden, zul je een ander slag dieren nodig hebben dan bij jaarrond opstallen. Ook exterieur en gezondheid kunnen onderdeel zijn van je fokdoel. Mogelijk wil je meer
aandacht voor bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld uiergezondheid of beengebruik. Rendement, levensduur, keuringssucces: het kan allemaal in het fokdoel terugkomen. Ook emotie speelt een rol. Jij bepaalt zelf met welke koeien je wilt werken.
Hoe snel ga je vooruit in de fokkerij: erfelijkheidsgraad
Bij het bepalen van je fokdoel moet je je realiseren dat je niet elke eigenschap even goed kunt bijsturen met fokkerij. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de erfelijkheidsgraad en de spreiding. De erfelijkheidsgraad is een getal tussen 0 en 1 dat aangeeft in hoeverre een eigenschap via de genen wordt doorgegeven. Hoe hoger de erfelijkheidsgraad, hoe meer invloed de fokkerij heeft. Het getal geeft aan welk percentage van de verschillen die je ziet in de prestatie van dieren, erfelijk is. Hoogtemaat en melkproductie bijvoorbeeld scoren hoog, met erfelijkheidsgraden van respectievelijk 0,60 en 0,50. Deze kenmerken zijn dus gemakkelijk door fokkerij te verbeteren.
Om het fokdoel sneller te realiseren biedt CRV hulp met Fokken op Maat
Kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad zijn bijvoorbeeld afkalfgemak (0,07) en vruchtbaarheid (0,03). Dit betekent voor vruchtbaarheid dat slechts 3% van de verschillen tussen koeien wordt verklaard door de erfelijke aanleg. De overige 97% komt door omgevingsfactoren, zoals voeding en huisvesting. Met managementmaatregelen kun je sneller verbeteren, maar door zo’n kenmerk consequent mee te nemen in je fokdoel verbeter je op de lange termijn. En belangrijker misschien wel: je zorgt ervoor dat je niet achteruitgaat op dit kenmerk.
Hoe snel ga je vooruit in de fokkerij: spreiding
Een ander belangrijk element voor vooruitgang in de fokkerij is spreiding. Hoe meer spreiding in een populatie, des te meer vooruitgang er mogelijk is met fokkerij. Een grote spreiding betekent dat er grote verschillen zijn tussen de beste en de slechtste dieren. Bij koeien is er bijvoorbeeld meer spreiding in vetgehalte dan in eiwitgehalte. Het verhogen van het vetgehalte met fokkerij is daarom gemakkelijker dan het verhogen van het eiwitgehalte.

CRV biedt met de stieradviesprogramma’s
SAP en StierWijzer een hulpmiddel bij het maken van de juiste stierkeuze. Zo voorkom je paringen van verwante dieren en paringen met een verhoogd risico op genetische afwijkingen

Uit twee zwartbonte ouders kan een rood kalf geboren worden
Heterosis: bonus bij kruisen
Door het kruisen van twee nietverwante ouderlijnen of rassen krijg je heterosis. Dat houdt in dat het product van een kruising beter presteert dan het gemiddelde van de ouders.
Zeg maar: dat 1 + 1 bij heterosis 3 is. Bijvoorbeeld als je op basis van beide ouders een melkproductie verwacht van 9.000 kg melk, terwijl de dochter 9.500 kg melk produceert.
Hoe minder verwantschap er tussen de ouders/rassen is, des te groter het effect. Heterosis heeft vooral uitwerking op gezondheid en vruchtbaarheid, het zorgt voor meer vitaliteit.
Dat is het sterkst bij de eerste kruising van rassen, bijvoorbeeld holstein en jersey. Als je daarna nog een keer kruist met een van deze rassen neemt het heterosiseffect weer af.
Een inteeltdepressie kenmerkt zich door verminderde weerstand, met als gevolg een slechtere gezondheid en vruchtbaarheid
Inteeltdepressie kost gezondheid en vruchtbaarheid
Inteeltdepressie is het tegenovergestelde van heterosis. Als je familieleden met elkaar paart, is er sprake van inteelt. Bij het combineren van een koe en een stier werken adviesprogramma’s met maximaal 6,2% inteeltgraad. Een te hoge inteeltgraad kan een inteeltdepressie tot gevolg hebben. Een inteeltdepressie kenmerkt zich door verminderde weerstand, met als gevolg een slechtere gezondheid en vruchtbaarheid.
ÉÉN OUDER IS DRAGER
BEIDE OUDERS ZIJN DRAGER
drager drager geen drager
drager
geen drager geen drager dubbeldrager geen drager drager drager drager drager
Als je twee dragers paart, is de kans 25% dat de nakomeling het recessieve gen van beide ouders krijgt en ‘dubbeldrager’ is
Praktisch
Hoe voorkom je erfelijke gebreken?
Blad (bl), brachyspina (by), cholesterin deficit haplotype (cd) en cvm (cv) zijn erfelijke gebreken die door sterfte van dieren veel schade kunnen veroorzaken. Het zijn zogenaamd recessieve erfelijke eigenschappen. Dat betekent dat een dier alleen ziek wordt als het van beide ouders het betreffende gen krijgt. Als dieren het gen van een van de ouders meekrijgen zijn ze niet ziek, maar kunnen ze het gen wel doorgeven aan de volgende generatie. Deze dieren noemen we heterozygoot of ‘drager’. Als je twee dragers paart, is de kans 25% dat de nakomeling het recessieve gen van beide ouders krijgt en daarmee homozygoot of ‘dubbeldrager’ is. Alle stieren worden getest op verschillende erfelijke gebreken. In overzichten staat de uitslag achter de naam van de stier. Bijvoorbeeld: Snowfever cd. Door bepaalde paringen te vermijden, kun je deze erfelijke gebreken terugdringen en zelfs helemaal uit de populatie fokken. Een stieradviesprogramma kan je helpen om erfelijke gebreken te voorkomen.

Voor fokkerij op een rode haarkleur kies je roodbonte stieren of stieren met de roodfactor, rf
Fokken op haarkleur, hoornloosheid en A2A2-melk
Naast eventuele erfelijke gebreken kunnen stieren ook andere toevoegingen achter hun naam hebben staan. Rf bijvoorbeeld staat voor roodfactor. Een zwartbonte stier met roodfactor zal in combinatie met een roodbonte koe 50% zwartbonte en 50% roodbonte kalveren geven. Roodbont is in dit geval recessief, zwartbont dominant. De vererving zal op dezelfde manier plaatsvinden als in het schema op de vorige pagina, waarbij de drager een koe of stier is met roodfactor.
A2A2melk bevat een specifieke variant van het eiwit caseïne waaraan positieve gezondheidseffecten worden toegeschreven. Een koe geeft melk met uitsluitend de A2A2variant als ze van beide ouders het gen voor de gewenste caseïne heeft meegekregen. Om deze eigenschap in je veestapel te behouden, kies je homozygote stieren die de eigenschap doorgeven (A2A2stieren).
Net als de bovengenoemde erfelijke ziekten komt hoornloosheid van nature voor in de holsteinpopulatie. De eigenschap hoornloosheid is dominant. Dat betekent dat zowel dragers als dubbeldragers hoornloos zijn, maar er is wel een verschil in het doorgeven bij een paring. Van een homozygoot hoornloze stier (PP) blijven alle kalveren hoornloos. Als je een heterozygoot hoornloze stier (Pp) gebruikt, ontwikkelt de helft van de geboren kalveren geen horens. Hoornloosheid wordt op de stierenkaart aangeduid met PP of Pp.

5.2
Fokkerijstrategie:
hoe bereik je jouw fokdoel?
Als je jouw fokdoel duidelijk hebt bepaald, is de volgende stap: nadenken over de strategie. Hoe wil je het fokdoel bereiken? Daarvoor kijk je naar de prestaties, afstamming en genetische waarde van de dieren op jouw bedrijf. Wat heeft je veestapel nodig om het fokdoel te verwezenlijken? In deze paragraaf vind je voorbeelden van verschillende fokkerijstrategieën.
Je fokdoel bereik je onder meer met de stierkeuze. Daarin kun je verschillende beslissingen nemen. Blijf je bij je eigen ras? Ga je inkruisen? En zo ja: met welke rassen, en welk kruisingsschema houd je aan? Allemaal vragen waar je een antwoord op moet geven voordat je je uiteindelijke keuze maakt op de stierenkaart. Hierna is een aantal mogelijkheden uitgewerkt.
Strategie 1: lage kosten en hoge marges
Door de soms heftige bewegingen op de zuivelmarkt wisselen pieken en dalen in de melkprijs elkaar af. Als je met fokkerij hierop wilt inspelen, kies je stieren die een hoge levensduur doorgeven en veel kilo vet en eiwit.
Je verlaagt daarmee de kostprijs door het aantal productieve dagen per koe te vergroten en de (melkgeld)opbrengst per dierplaats te verhogen. Met een langere levensduur kun je de opfokkosten uitsmeren over een hogere levensproductie. Bij een hogere productie per koe wordt de kostprijs verlaagd door lagere huisvestingskosten per kilo melk. Hogere inkomsten realiseer je door te fokken op hogere gehalten. Kilo eiwit is daarbij de hoogste opbrengstverhoger.
Praktisch
Hoge NVI past bij kosten- en margestrategie
Als je met jouw fokkerijstrategie lage kosten en betere marges nastreeft, is de NVI een goed hulpmiddel. De berekening van deze index is namelijk sterk gericht op zowel levensduur als het aantal kilo eiwit. Stieren met een hoge NVIscore passen dus goed bij deze strategie.
Wil je inspelen op de pieken en dalen in de melkprijs, kies dan stieren met een hoge levensduur
Strategie 2: selectief inzetten melk- en vleesstieren
Als je snel genetische vooruitgang wilt blijven boeken, kan een combinatie van gesekst sperma en vleesrassen een goede strategie zijn. Je kiest dan voor gesekst sperma van topstieren en insemineert daarmee alleen je beste koeien of pinken. De genetische vooruitgang gaat snel doordat er uit jouw topkoeien bijna uitsluitend vaarskalveren worden geboren.
Het ondereind van de veestapel insemineer je met vleesstieren. Het kruisingskalf brengt door een betere vleesproductiegeschiktheid meer op dan gewone holsteinkalveren. Met de extra opbrengsten van die kalveren compenseer je de extra kosten van het gesekste sperma. Ook van vleesstieren is gesekst sperma beschikbaar, waarmee je ervoor kunt zorgen dat je (vrijwel) uitsluitend stiertjes krijgt. Let bij vleesrassen op de eigenschappen voor geboorteverloop van de stieren. Een vlotte kalving is een voorwaarde. Voor deze gebruikskruisingen is een aantal rassen interessant. Belgisch witblauw is het meest gebruikte vleesras.
CRV begeleidt veehouders bij het inzetten van gesekst sperma en gebruikskruisingen met Belgisch witblauw, in het concept Fokken met gesloten beurs
Praktisch
Rekenvoorbeeld
Een melkveebedrijf heeft 100 melkgevende dieren met een gemiddelde leeftijd van 4,04 jaar, en daarnaast 30 dekrijpe pinken. Het aantal inseminaties per dracht is bij de koeien 2, bij gesekst sperma 2,5, en bij de pinken 1,7. Het gewenste vervangingspercentage is 25. De veehouder wil op jaarbasis 25 vaarskalveren van zijn beste koeien en pinken, en gebruikt daarvoor gesekst sperma. Hij selecteert hiervoor in totaal 35 dieren: 15 pinken en 20 koeien. Hij houdt daarmee rekening met eventuele uitval en met het feit dat gebruik van gesekst sperma in 90% van de gevallen een vaarskalf oplevert. De overige koeien insemineert hij met een Belgischwitblauwstier. Voor de overige pinken gebruikt hij conventioneel sperma van melkveestieren die goed scoren voor afkalfgemak.
Meerkosten
Gesekst sperma is gemiddeld € 25 duurder dan ‘gewoon’ sperma. 15 pinken x 1,7 rietjes per dracht x € 25 meerkosten per rietje = € 637,50 20 koeien x 2,5 rietjes per dracht x € 25 meerkosten per rietje = € 1.250
Totaal aan extra kosten = € 1.887,50
De kosten voor inseminaties met sperma van de Belgischwitblauwstier zijn ongeveer even hoog als de kosten voor conventionele inseminaties.
Meeropbrengsten
Bij een vervangingspercentage van 25 worden 25 van de 100 dieren afgevoerd. Van de resterende 75 koeien selecteert de veehouder er 20 voor de fokkerij en insemineert hij er 55 met een vleesras. Bij een uitval van 9% resteren er dus 50 kruisingskalveren voor de verkoop. Belgisch witblauwe kruislingen leveren gemiddeld € 100 meer op dan ‘normale’ stierkalveren.
De extra opbrengst is dus: 50 kalveren x € 100 extra opbrengsten = € 5.000
Het resultaat
• De veehouder heeft 25 vaarskalveren van zijn allerbeste dieren.
• Hij heeft € 5.000 opbrengsten € 1.887,50 kosten = € 3.112,50 extra opbrengsten.
Gesekst sperma: ook bij Belgisch witblauw
Van Belgischwitblauwstieren is ook gesekst sperma beschikbaar. Door het gebruik van dit sperma heb je 90% kans op een stierkalf.
Goed om te weten

In plaats van het drachtig maken van de koe met sperma kun je ook kiezen voor een embryo
Fokken met embryo’s
Je kunt in het streven naar een veestapel met topgenetica ook kiezen voor hoogwaardige embryo’s in plaats van gesekst sperma. Dat kan op twee manieren. Je kunt een eigen koe of veelbelovende pink spoelen en de embryo’s inzetten. Je kunt ook embryo’s aankopen. Dit kan bijvoorbeeld via het Delta Satellietprogramma.

Het inkruisen met een ander ras kan een geschikte manier zijn om grote veranderingen in je veestapel door te voeren
Strategie 3: kruisen verschillende rassen
In een kruisingsstrategie kies je bewust voor stieren van een ander ras. Een veelgenoemde reden om te kruisen is het verbeteren van de gezondheidskenmerken en de levensduur van de veestapel. Kruisen levert namelijk heterosis op en daarmee een betere gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur. Het inkruisen met een ander ras kan een geschikte manier zijn om grote veranderingen in je veestapel door te voeren of een heel ander type koe te fokken dan je nu hebt.
Welke rassen komen in aanmerking?
In Nederland en Vlaanderen heeft een behoorlijk aantal melkveebedrijven ervaring met het inkruisen met fleckvieh, brown swiss, montbéliarde en Zweeds roodbont. Ook jerseys en de Oudhollandse rassen kunnen dienstdoen in kruisingen: blaarkop, fh, mrij en ook de Belgische rassen witrood, rood en witblauw mixte worden gebruikt.
Bepaal je fokdoel, denk na over je strategie en maak pas daarna een stierselectie
Fokkerijsysteem
Genetische vooruitgang op veestapelniveau
Genetische hoogste dier met gesekst sperma
Genetische middelste dier met conventioneel sperma
Genetische lager dier met bwbgebruikskruising
Genetische laagste dier met embryo’s
De gekozen fokkerijstrategie bepaalt de vooruitgang in NVI (Bron: CRV)
Meer informatie over verschillende rassen vind je in de bijlage Rassen die passen
Verschillende manieren om te kruisen
Bij het kruisen met andere rassen is het zaak om na te denken over de lange termijn. Kies je bijvoorbeeld voor een eenmalige kruising waarna je weer terugkruist naar het huidige ras? Of wil je het ‘nieuwe’ ras blijvend inzetten? Dat zijn wezenlijke verschillen. Hierna de belangrijkste kruisingsschema’s op een rij.
CRV ondersteunt en adviseert bij het uitvoeren van een kruisingsstrategie, met het concept CrossFit

De vraag bij kruisen is vooral: welk ras kies je en wat ga je na de eerste kruising doen?
MET 2 RASSEN
Rotatiekruising
1. Verdringingskruising
Als je blijft kruisen met het nieuwe ras wordt het oorspronkelijke ras uiteindelijk verdrongen. Dit heet een ‘verdringingskruising’. Na een aantal generaties kan je veestapel bestaan uit bijvoorbeeld fleckvieh. De kenmerken van het nieuwe ras worden bij deze manier van kruisen sterk verankerd in de veestapel.
MET 3 RASSEN
Rotatiekruising
2. Rotatiekruising
Bij een rotatiekruising zet je telkens een ander ras in. Een voorbeeld is een driewegrotatie van brown swiss, holstein en fleckvieh. Je kunt de rotatiekruising ook met twee of vier rassen uitvoeren. Door een vaste volgorde van rassen in de stierkeuze aan te houden, combineer je de kenmerken van de rassen en benut je telkens het heterosiseffect. Een ander voordeel is dat je de kans op inteelt verkleint. Na een aantal generaties wordt de veestapel letterlijk kleurrijk door de mix aan rassen. Om toch uniformiteit in je veestapel te behouden, moet je een gerichte stierkeuze uitvoeren. Je hebt kennis nodig van de afzonderlijke rassen om deze kruisingsvorm succesvol toe te passen.
Verdelingskruising
3. Veredelingskruising
Als het doel is om specifieke kenmerken van een ander ras in de veestapel te fokken, kan een veredelingskruising geschikt zijn. Hierbij kruis je één of twee keer met een ander ras. Daarna ga je weer terug naar het oorspronkelijke ras. Zo voeg je de sterke eigenschappen toe en blijven de goede eigenschappen van het oorspronkelijke ras bewaard. Het nieuwe ras helpt dus bij de veredeling van het oude ras. Bij deze kruisingsvorm ontstaat er wel veel variatie.

5.3
Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau
Bij de selectie van ouderdieren spelen vele factoren een rol.
De essentie is: welke koeien en welke stieren selecteer je en hoe maak je de beste paringen?
Prestaties van het dier
De uitvoering van jouw fokkerijstrategie begint met het selecteren van de koeien. Van welke koeien wil je dochters melken? Van welke dieren verwacht je het meeste rendement en plezier? Voor de beste selectie kijk je naar de prestaties van een dier en naar de erfelijke aanleg, samen verwerkt in fokwaarden. Dat geeft je in de selectie de maximale slagkracht. Als je naar de prestaties van het dier kijkt, moet je eerlijk vergelijken. Als je deelneemt aan de mpr, kun je kijken naar de lactatiewaarde. De lactatiewaarde geeft aan hoeveel een koe boven (>100) of onder (<100) het gemiddelde van de veestapel scoort voor productie, te weten melk, vet, eiwit en lactose.
Het is slim om bij de selectie van de beste dieren ook gezondheid en vruchtbaarheid mee te nemen. Zieke dieren kosten tijd, geld en werk. In grote koppels is het soms lastig om van alle dieren te onthouden of ze problemen hebben gehad. Managementprogramma’s zoals
Meer over vruchtbaarheid lees je in H7. Vruchtbaarheid
Meer over mprgegevens en gezondheidsdata lees je in H9.
Een efficiënt en gezond presterende veestapel
VeeManager bieden daarvoor een oplossing, met overzichten van relevante kengetallen.
Nog een factor die van belang is bij koeselectie is het exterieur.

Naast productie zijn ook kenmerken als gezondheid en vruchtbaarheid van belang bij de selectie van de beste koeien
Erfelijke aanleg in FokkerijOverzicht
Naast de eigen resultaten speelt de erfelijke aanleg van het dier een belangrijke rol bij de selectie. Fokwaarden geven de erfelijke aanleg voor een bepaald kenmerk weer.
Als je deelneemt aan het stamboek, kun je gebruikmaken van het FokkerijOverzicht.
Daarin staan de dieren (en drachtigheden) gerangschikt op fokwaarden. Je kunt deze per dier vergelijken met het stalgemiddelde en het landelijk gemiddelde. Zowel prestaties en genetica alsook (eventuele) genomics zijn hierin verwerkt. Dat maakt het werken met deze fokwaarden in de selectie zeer betrouwbaar. Het FokkerijOverzicht is ook een prima hulpmiddel om te bepalen of je met je fokkerijstrategie nog op koers ligt.
Fokwaarden zijn zeer betrouwbaar omdat zowel de prestaties en de genetica alsook de genomics hierin verwerkt zijn
De stierkeuze
Om het fokdoel te vertalen naar de dagelijkse praktijk moet je stieren uitzoeken die de eigenschappen doorgeven om je doel te bereiken. Dat hoeven niet per se de stieren te zijn die boven aan de stierenkaart staan. Jouw bedrijfseigen fokdoel vraagt om een stierkeuze die specifiek bij jouw bedrijf past. Coöperatie CRV publiceert drie keer per jaar de fokwaarden van de beschikbare stieren.


Drie keer per jaar verschijnt er na de indexdraai een nieuwe stierenkaart
Stierenkaarten
CRV publiceert na elke indexdraai, dus drie keer per jaar, een uitgebreid magazine met het stierenaanbod. Hierin worden de stierenkaarten per ras en de uitgebreidere informatie van uitgelichte stieren gepubliceerd. Daarnaast verschijnen er korte stierenkaartoverzichten met bijvoorbeeld het aanbod gehaltenstieren, de selectie aAastieren en het TPIaanbod (AmerikaansCanadese stieren). De stierenkaarten voor Belgisch witblauw zuiver ras en die voor de vleesveerassen verschijnen één keer per jaar.
De fokwaarden van stieren die al dochters aan de melk hebben, zijn het meest betrouwbaar. Wil je gebruikmaken van de jongste generatie stieren, dan kies je voor genomicstieren. Deze hebben nog geen dochters aan de melk, hun fokwaarden zijn gebaseerd op dna onderzoek.
Uit resultaten blijkt dat de genomicfokwaarde van de stier gemiddeld dicht bij de berekende fokwaarde ligt die de stier later krijgt na het aan de melk komen van zijn dochters.
Stieren uit het buitenland vergelijken
Je kunt in je selectie ook buitenlandse stieren meenemen. Met omgerekende fokwaarden zijn deze te vergelijken met de in Nederland en Vlaanderen geteste stieren. Het omrekenen van de fokwaarden is nodig omdat de oorspronkelijke fokwaarden zijn gebaseerd op de productieomstandigheden in het land van herkomst. Ook is er natuurlijk sprake van een basisverschil. Het in Zweden gevestigde Interbull verzorgt de omrekening van alle stieren uit de hele wereld. Deze zijn ook verwerkt in het fokwaardeoverzicht van Coöperatie CRV.
CRV heeft ook adviseurs beschikbaar voor Fokkerijadvies achter de koe
Praktisch
Slim stieren selecteren
Om snel een stier te vinden die past bij je wensen, kun je op de website van CRV bij het aanbod van de stieren selecteren op verschillende kenmerken en eigenschappen. Onder andere de hoornloze stieren en stieren die A2A2 doorgeven, zijn zo gemakkelijk te vinden.

Op internet kun je makkelijk stieren selecteren met de voor jou gewenste eigenschappen
De juiste stier bij elke koe
Als je een aantal stieren hebt uitgezocht, moet je bepalen welke stier bij welke koe past. Topstieren hebben soms ook matige dochters en van matige stieren zijn ook toppers geboren. Voor de perfecte match moet je weten op welk vlak de vader en de moeder elkaar aanvullen en elkaars minder sterke punten compenseren. Met veel verschillende fokwaarden, een flink wensenpakket en de eigenschappen van de koe en de stier naast elkaar is het matchen een ingewikkelde puzzel. Je wilt bovendien inteelt zoveel mogelijk voorkomen, erfelijke gebreken uitsluiten en geen moeilijke geboorten. Gelukkig zijn er in de praktijk stieradviesprogramma’s. Daarnaast bieden fokkerijorganisaties graag persoonlijk advies.
Goed om te weten
Koeien en stieren matchen met aAa-codes
Het paringssysteem aAa (triple A) helpt bij het maken van de beste combinatie tussen koe en stier op basis van de bouw. Uitgangspunt is dat koe en stier elkaar moeten aanvullen: een ronde stier levert zijn beste nakomelingen bij een scherpe koe en andersom. Het systeem gaat uit van zes skeleteigenschappen, aangeduid met cijfers 1 tot en met 6. Elk dier kan worden getypeerd met een volgorde van deze cijfers. Bij stieren staat de code voor wat het dier te bieden heeft, in volgorde van belang. Bij koeien drukt de code uit wat het dier tekortkomt. Hoe beter de code van een stier overeenkomt met die van een koe, hoe beter ze elkaar aanvullen. Een koe met code 156 en een stier met code 156 betekent een 100% aAamatch. Om het systeem te gebruiken moet je je koeien laten analyseren.
De cijfers in de triple Asystematiek geven dus geen waardeoordeel. Ze zeggen ook niets over fokwaarden voor bijvoorbeeld productieeigenschappen. CRV heeft een speciale aAastierenkaart, waarop naast fokwaarden ook aAacodes staan. Ook online zijn alle aAacodes van de stieren te vinden.

Goed om te weten

In Wirdum staan veelbelovende vrouwelijke dieren die voor het fokprogramma ingezet worden
Selectie voor CRV-fokprogramma
CRV heeft een fokprogramma om de leden te helpen bij het genetisch verbeteren van hun veestapel. Dit gebeurt met sperma van de stieren uit het fokprogramma. Daarvoor worden steeds de beste dieren voor de volgende generaties geselecteerd. De vrouwelijke dieren in dit programma komen deels voort uit eigen fokkerij van CRV en deels uit aankoop bij veehouders.
Voor de aankoop selecteert CRV potentiële stiermoeders op melkveebedrijven. Criteria zijn: afstamming, merkerinformatie en fokwaarden gebaseerd op prestaties van het dier in de mpr en de bedrijfsinspectie. CRV test nakomelingen van deze koeien op genetische merkers en koopt daarna de beste dieren aan. Deze dieren komen vóór de leeftijd van 12 maanden naar het zogeheten donor en opfokstation van CRV in Wirdum (NL). In deze stallen verblijven ook de pinken die CRV zelf heeft gefokt.
Van de veelbelovende vrouwelijke dieren worden via ivf embryo’s gewonnen en verkocht aan veehouders. Uit de kalveren die hieruit worden geboren, selecteert CRV opnieuw de beste – op basis van een merkertest – en koopt deze terug. Als de donorpinken voldoende embryo’s hebben geproduceerd, worden ze geïnsemineerd en mogen ze afkalven. Dan is het tijd om te laten zien of de genetische aanleg in de praktijk tot uitdrukking komt. Dat moet blijken uit de mpr en de bedrijfsinspectie.
Dit gebeurt op verschillende testbedrijven door heel Nederland en Vlaanderen. De gekalfde dieren die nog steeds tot de genetische top van de populatie behoren en goede resultaten in de praktijk laten zien, worden opnieuw gespoeld voor nog meer potentiële fokstieren en stiermoeders.
Ook de mannelijke dieren in het fokprogramma van CRV worden deels zelf gefokt en deels aangekocht bij veehouders. In totaal heeft CRV jaarlijks ongeveer 2.600 stierkalveren in beeld die de potentie hebben om fokstier te worden. CRV test deze stieren op merkers en zet hiervan 50 tot 55 stuks in als genomicstier in het InSireprogramma.

Samenvatting
Met fokkerij werk je aan een nieuwe generatie van koeien die nog beter passen bij jouw bedrijf. Dat begint met het bepalen van je eigen bedrijfsspecifieke fokdoel. Welke koe past bij jouw specifieke bedrijfsomstandigheden en bij wat je wilt bereiken? Daarbij richt je je op eigenschappen die je met fokkerij kunt beïnvloeden.
Vervolgens denk je na over de strategie. Er zijn verschillende mogelijkheden om je doel te bereiken. Dit hoofdstuk laat enkele voorbeelden zien. De eerste is een strategie die is gericht op lage kosten (hoge melkproductie) en hoge marges (gehalten). Vervolgens komt een strategie aan bod die is gericht op het selectief inzetten van de beste melkstieren in combinatie met vleesrassen voor het ondereind van je veestapel. Ten slotte krijgt het inkruisen met verschillende rassen aandacht. Bij de uitvoering van de strategie gaat het om het maken van de beste paringen. Bij de koeien selecteer je de beste dieren. Voor de stieren let je in eerste instantie op specifieke fokwaarden. Voor de perfecte match moet je weten op welk vlak de vader en de moeder elkaar aanvullen en elkaars minder sterke punten compenseren. Je wilt bovendien inteelt zoveel mogelijk voorkomen, erfelijke gebreken uitsluiten en geen moeilijke geboorten. Gelukkig zijn er in de praktijk stieradviesprogramma’s die je helpen bij deze ingewikkelde puzzel.
Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf
Bijlage
Rassen die passen
Holstein is het meest gebruikte rundveeras in Nederland en Vlaanderen. Naast dit typische melkveeras zijn er verschillende andere runderrassen beschikbaar, onderverdeeld naar productiedoel: melk, vlees of dubbeldoel.
Coöperatie CRV is door de Nederlandse en Vlaamse overheid erkend voor de uitvoering van de officiële stamboekregistratie van meer dan twintig rassen. Deze staan in de tabellen. Daaronder een korte beschrijving van de belangrijkste rassen.
melkveerassen dubbeldoelrassen vleesrassen
brandrood (brr)
brown swiss (bs)
holstein friesian (hf) jersey (jer)
blaarkop (g) fleckvieh (flv) Fries-Hollands (fh) lakenvelder (lv) mrij montbéliarde (mon)
aberdeen angus (aa)
Belgisch witblauw (bwb) blonde d’Aquitaine (ba) charolais (chl) dexter (dex) hereford (her) limousin (lim) marchigiana (mar) piemontese (pim) verbeterd roodbont (vrb) wagyu (wag)
Stamboekrassen Nederland
melkveerassen dubbeldoelrassen vleesrassen
holstein friesian (hf)
Belgisch witblauw (bwb) rood (brd) witrood (bwr) Kempens roodbont (krb)
Stamboekrassen Vlaanderen
Melkveerassen
Holstein friesian
Belgisch witblauw (bwb) rood (brv) blonde d’Aquitaine (ba)
Het holstein friesianras, kortweg holstein, is ontstaan uit de Nederlandse Fries Hollandse koeien. Amerikaanse fokkers kochten de beste Europese dieren en selecteerden ze voornamelijk op melkgift. Hierdoor kregen de koeien een melktypisch uiterlijk. In de jaren
zeventig begon de ‘holsteinisering’ in Nederland en Vlaanderen. Veehouders kruisten hun dieren massaal in met de melktypische Amerikaanse holsteins. Inmiddels is hf het meest verspreide ras ter wereld. De roodbonte holsteins worden red holsteins (rhf) genoemd. Het hf ras staat bekend om zijn hoge melkproductie en goede uiervorm.

Brown swiss
Brown swiss is een melkras met als typische kenmerken: sterk gebouwd, een vierkante en vast aangehechte uier en sterk droog beenwerk dat krachtig wordt gebruikt en voorzien is van sterke, zwarte klauwen. De kruishoogte is ongeveer 144 tot 148 cm. De kleur van de vacht is karakteristiek grijsbruin, variërend van lichtgeelachtig of zilverkleurig tot donkerbruin. Rond de neusspiegel is het haar bijna wit en ook de haren van de oren zijn licht van kleur. Brownswisskoeien geven melk met een hoog eiwitgehalte en hebben een lange levensduur. Ze zijn goed vruchtbaar en hebben een normaal geboorteverloop.

Jersey
De jersey (oorspronkelijk afkomstig van het Britse eiland Jersey) is een kleine, lichtgebouwde maar sterke en efficiënte melkkoe. De uier is ondiep, vierkant en vast aangehecht. De dieren hebben fijn droog beenwerk dat krachtig wordt gebruikt. De kruishoogte is ongeveer 125 tot 130 cm. De haarkleur is egaal bruin. Bijzondere raskenmerken zijn: lager dan gemiddelde melkproductie met een zeer hoog vetgehalte en een hoog eiwitgehalte, lange levensduur, goede vruchtbaarheid en een gemakkelijk geboorteverloop.

Dubbeldoelrassen
Blaarkop
De blaarkop is een van oorsprong Nederlands (Gronings) dubbeldoelras. De blaarkop is een sterk en evenredig gebouwde melkkoe met een wigvormige romp, een kruishoogte van ongeveer 140 tot 142 cm, een soepele en vast aangehechte uier en sterk beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt. De haarkleur is zwart of rood. Typische raskenmerken zijn de witte kop met een ‘blaar’ rond de ogen en het wit boven de klauwen. De blaarkop kalft gemakkelijk, is voldoende bevleesd en kan de melkproductie lang volhouden.

Brandrood rund
Het brandrode rund is van oudsher een degelijke koe met goede overlevingseigenschappen. Brandroden zijn egaal diep donkerrood of bruinrood van kleur met witte aftekeningen: een witte kol, een witte buik, een witte staartpunt en witte sokken of onderbenen. De neusspiegel is blauwzwart. Op de kop en de poten neigt de kleur naar zwartachtig rood. De naam van het ras verwijst naar deze geblakerde kleur. Brandrode runderen zijn middelgroot en evenredig gebouwd. Het zijn rustige en vriendelijke dieren, zowel voor elkaar als voor de mens.

Fleckvieh
Fleckvieh is een dubbeldoelras dat zijn oorsprong heeft in Zuid Duit sland, Oostenrijk en Tsjechië. De fleckviehkoe is een goede melk en vleesproducente. De dieren zijn ruim ontwikkeld en hebben een goed gevormde uier en correct beenwerk. De volwassen koeien hebben een hoogtemaat van gemiddeld ongeveer 140 cm. De melkproductie ligt gemiddeld op 8.000 8.50 0 kg melk met gemiddelde gehalten. De haarkleur is roodbont met een overwegend witte kop. De kalveren worden normaal geboren.

Kempens roodbont
Het Kempens roodbontrund is een robuuste, sobere, duurzame dubbeldoelkoe. Het oorspronkelijke fokgebied ligt in de Kempen en de Oostkantons in Vlaanderen. De haarkleur is roodbont, waarbij de rode vlakken duidelijk afgelijnd zijn ten opzichte van de witte delen. De kop moet rastype uitstralen. Deze is aan de kleine kant, tamelijk kort en breed. De hals heeft een brede aanzet aan de borst en moet een rechte bovenlijn hebben. De dieren zijn stevig gebouwd en hebben een gewillig karakter. Het is een dubbeldoelras met een goede melkproductie en voldoende vleeskwaliteiten. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 600 en 700 kg. Ze worden gemiddeld 128 cm groot.

Fries-Hollands
Fries Hollands (fh) is een oud Nederlands zwartbont dubbeldoelras. De roodbonte variant heet Fries roodbont. De fh koe is een sterk gebouwde, goed bevleesde melkkoe, met diepe en goed gewelfde ribben en een kruishoogte van ongeveer 135 tot 142 cm. De koeien hebben een vierkante, soepele en vast aangehechte uier en sterk beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt, en klauwen die binnen en buiten even groot zijn. Naast een goede melkproductie wordt gestreefd naar een gunstige aanleg voor vleesproductie. De kalveren worden vlot geboren.

Lakenvelder
De lakenvelder is een Nederlands dubbeldoelras dat herkenbaar is aan de speciale kleuraftekening. Kenmerkend is de witte baan (laken) over de rug en de buik, terwijl de voorhand en de achterhand zwart of rood is zonder witte aftekeningen. De ideale hoogtemaat van een volwassen lakenvelder ligt tussen de 126 en 136 cm. De koeien produceren ruim 4.000 kg melk per jaar met vrij lage gehalten, maar de meeste lakenvelders worden gehouden als zoogkoeien. De dieren zijn sober en robuust en kalven gemakkelijk af.

Montbéliarde
Montbéliarde is van origine een Frans dubbeldoelras. De montbéliarde is een zeer goed ontwikkelde, ruim gebouwde melkkoe met veel lengte en een hellend kruis. De kruishoogte is ongeveer 145 cm. De iets korte uiers zijn hoog en breed aangehecht. Het beenwerk, met veel bot, is sterk. De haarkleur is roodbont, de kop is overwegend wit. Sterke raskenmerken zijn: een hoog eiwitgehalte en een goede geschiktheid voor de vleesproductie.

Mrij
Het Maas Rijn IJsselvee is een Nederlands dubbeldoelras. De mrij is een ruim gebouwde en goed bespierde roodbonte melkkoe met een sterke bovenbouw, een wigvormige romp, een licht hellend kruis en een kruishoogte van ongeveer 142 tot 144 cm. De koeien hebben een soepele en vast aangehechte uier en beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt. De haarkleur is roodbont. Mrij koeien produceren ruim 7.500 kg melk per lactatie met een relatief hoog eiwitgehalte.

Vlaams rood
Het Vlaams roodras (brd) komt oorspronkelijk voor in WestVlaanderen. De runderen hebben een uniform dieprode haarkleur met kleine, witte vlekken op de kop, buik, uier en staartpunt. De neusspiegel is zwart of vlezig roze. De dieren hebben een zacht karakter. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.000 en 1.300 kg. Ze worden gemiddeld 155 cm. De koeien hebben een gewicht tussen de 650 en 775 kg en worden gemiddeld 135 tot 142 cm groot. Naast het dubbeldoeltype zijn er binnen dit ras ook dieren van zuiver vleestype (brv).

Vlaams witrood
Het Belgisch witroodras (bwr) komt oorspronkelijk voor op de zandgronden van OostVlaanderen. De haarkleur van de dieren is overwegend wit met op de kop en hals een typisch rode kleuraftekening. Op de romp en benen komen soms kleine rode vlekjes voor. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.100 en 1.500 kg. Ze worden gemiddeld 155 cm groot. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 700 en 850 kg. Ze worden gemiddeld 135 cm groot.

Witblauw mixte
Het Belgisch witblauwras heeft een extreem vleestype (zie volgende pag.), maar ook een tweeledig dubbeldoeltype: het witblauw mixteras. In 1973 is deze splitsing in de fokkerij ontstaan. Mixte witblauwe is het meest gebruikte dubbeldoelras in Vlaanderen, waarbij er ook een fokprogramma gevoerd wordt ter verbetering van ongeveer 2300 geregistreerde dieren. De dieren van het witblauw mixteras combineren een sterke bevleesdheid en een goede groei met een keurige melkproductie en prima vruchtbaarheid. Hun kleur varieert van geheel wit of witblauw (schimmelkleur) tot zwartbont. De witte variant komt het meest voor.

Vleesrassen
Aberdeen angus
Aberdeen angus is een van oorsprong Schots vleesras. De dieren zijn van nature hoornloos. Ze zijn eenkleurig zwart of rood, de uier kan wit zijn. De dieren zijn klein van formaat (koeien 115 tot 125 cm). Het ras wordt geroemd vanwege zijn superieure vleeskwaliteit met veel marmering en weinig bot. Het geboorteverloop is zeer gunstig. Kenmerkend is verder de soberheid van het ras.
Het ras wordt ook ingezet in gebruikskruisingen met melkvee. De bevleesdheid is minder dan bij de Belgisch witblauwe kruislingen. Daartegenover staat dat het vlees door de marmering een heel fijne kwaliteit heeft.

Belgisch witblauw
Belgisch witblauw is een vleesras met een evenredige bouw. De volwassen vrouwelijke dieren hebben een schofthoogte van ongeveer 134 cm. De haarkleur is wit, witblauw, zwart of zwartbont. De dieren zijn royaal bespierd en hebben een hoog slachtrendement. Het dikbiltype komt in grote mate voor met als gevolg dat meer dan 90% van de raszuivere kalveren geboren wordt met een keizersnede.
Een speciaal fokprogramma levert stieren voor de gebruikskruising. Door gunstige cijfers voor afkalfgemak en geboorteverloop zorgen deze stieren voor een vlotte geboorte. De witte ‘witblauwe’ stieren zorgen in combinatie met een rood of zwartbonte koe voor een blauw kalf. Blauwe ‘witblauwe’ stieren kunnen ook zwartbonte kalveren geven die minder onderscheidend van kleur zijn (zie beeld op volgende pagina).

Blonde d’Aquitaine
Blonde d’Aquitaine is een laatrijp vleesras dat opvalt door lengte en hoogtemaat en sterke benen. De dieren zijn van het langbiltype en hebben een hoog slachtrendement.
De bespiering is zeer goed. Het zijn sobere dieren die gemakkelijk groeien. Er zijn weinig geboorteproblemen, meer dan 90% van de kalveren wordt op natuurlijke wijze geboren.
De dieren zijn eenkleurig en de haarkleur kan worden aangeduid met tarwekleur (beige).
Kruisingskalveren zijn eenkleurig vaal.

Charolais is een Frans vleesras, sterk, breed en diep ontwikkeld, met recht beenwerk.
De volwassen vrouwelijke dieren hebben een schofthoogte van ongeveer 142 cm. Het ras is laatrijp, vrij grof gebouwd en heeft een zeer geringe neiging tot vetaanzet. De dieren
hebben een zeer royale bespiering en een hoge groeicapaciteit. Ze kalven overwegend normaal af. Het geboorteverloop is zeer stierafhankelijk. De dieren hebben een sterke gezondheid, een goede vruchtbaarheid en kunnen goed tegen sobere omstandigheden, waardoor ze geschikt zijn voor landschapsbeheer.
De dieren zijn eenkleurig, de haarkleur is wit. In een gebruikskruising met hf zijn de kalveren eenkleurig vaal, met een witachtige kop.

Dexter
Dexter is van oorsprong een Iers/Engels vleesras. De kleine runderen zijn geheel zwart of rood. De koeien zijn 100 tot 110 cm en wegen gemiddeld 350 kg. Het beenwerk is droog en vierkant geplaatst. Het ideale dier heeft een rustig, volgzaam, aangenaam temperament en een intelligente, nieuwsgierige aanwezigheid.

Hereford
De hereford komt van oorsprong uit Engeland en is een vroegrijp vleesras, vrij klein van formaat (koeien 135 tot 140 cm) en geblokt. Het vierkant geplaatste beenwerk is tamelijk recht, de koten zijn sterk. De haarkleur is donkerrood, waarbij hoofd, borst, nek (witte streep van nek tot schoft), halskwab, buik, sokken en staartborstel wit zijn. Het geharde sobere ras is een zeer goede natuurgrazer. De dieren kalven gemakkelijk af.

Limousin
Limousin is een ruim en evenredig gebouwd Frans vleesras, middelgroot (140 cm) en evenwichtig ontwikkeld. Het beenwerk is sterk, licht en droog. De bespiering is royaal en het slachtrendement is gunstig. De dieren zijn zelfredzaam en het geboorteverloop bij deze natuurgrazers is gunstig. De bruinrode limousin wordt geroemd vanwege de vruchtbaarheid en de goede moedereigenschappen. Ze doen het goed onder sobere omstandigheden en hebben een neiging tot vetaanzet. De geboorten verlopen zowel binnen als buiten het ras gemakkelijk. De haarkleur is eenkleurig roodbruin. De kruisingskalveren zijn eenkleurig donker.

Marchigiana
Marchigiana’s zijn grote, gerekte Italiaanse vleesrunderen met sterk, licht beenwerk. De haarkleur is eenkleurig wit en de neus is zwart, de kalveren zijn bij de geboorte rood. De groeisnelheid is hoog, het slachtrendement is gunstig. Het zijn geschikte natuurgrazers met een gunstig geboorteverloop.

Piemontese
Piemontese is een middelgroot Italiaans vleesras. Het skelet is fijn, het beenwerk is sterk, licht en droog. De dieren groeien snel en zijn vroegrijp. De bespiering is royaal, het dikbiltype komt regelmatig voor. Het ras blinkt uit in een hoog slachtrendement. Het vlees is fijn van draad. De vetaanzet is gering. In de zuivere fokkerij worden de kalveren licht van gewicht geboren. Het percentage moeilijke geboorten is zeer stierafhankelijk. De haarkleur van zuivere piemonteses is grijswit, de kalveren zijn bij de geboorte bruin. Kruislingen uit een zwartbonte holsteinmoeder zijn eenkleurig donkerbruin of bijna zwart. Het drinken uit de emmer levert nog weleens problemen op.

Verbeterd roodbont
Verbeterd roodbont is een Nederlands ras met een vrij korte historie. De dieren zijn normaal ontwikkeld en fijngebouwd en hebben een rustig karakter. De haarkleur is roodbont, waarbij rood overheerst. De bespiering is royaal tot zwaar. Het slachtrendement en de kwaliteit van het vlees zijn zeer gunstig. Er is een fokrichting voor het dikbiltype en een voor het goed bespierde roodbonte type. Het geboorteverloop is minder gunstig. De kalveren worden over het algemeen met een keizersnede gehaald. Er is (nog) niet veel ervaring met gebruikskruising.

Vlaams rood (vleestype)
Het roodras (brv) heeft als oorspronkelijk fokgebied WestVlaanderen. Het is een vroegrijp vleesras van het dikbiltype. De dieren hebben een uniform dieprode haarkleur met kleine, witte vlekken op de kop, buik, uier en staartpunt. De neusspiegel is zwart of vlezig roze. De dieren hebben een zacht karakter. Ze hebben sterk maar zwaar beenwerk en zijn schurftbestendig. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.100 en 1.300 kg. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 700 en 850 kg. Het vlees van het roodras is een door de EU erkend en beschermd streekproduct met de benaming ‘Vlees van het rood ras van WestVlaanderen’.

Wagyu
Het wagyurund is een vleesras van Japanse oorsprong. De dieren zijn eenkleurig bruin en het ras werd oorspronkelijk gehouden als trekdier. Zo kreeg het wagyurund een bijzonder fraaie marmering van onverzadigde dus gezonde vetten die het vlees mals maken en voor de bijzondere smaak zorgen. De dieren zijn zeer vruchtbaar en kalven gemakkelijk af. De koeien zijn 120 tot 130 cm groot.


HOOFDSTUK 6
Fokkerij
– exterieur
In fokkerij speelt het exterieur een belangrijke rol. Het uiterlijk en de bouw van een koe zijn medebepalend voor haar potentieel om een hoge levensproductie te realiseren. Dieren met goede scores voor exterieurkenmerken blijven vaak langer gezond en vitaal. Bovendien, het oog wil ook wat!
In dit hoofdstuk:
6.1 Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie
6.2 Kijken naar koeien
Bijlage
Onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling

6.1
Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie
Tijdens de bedrijfsinspectie beoordeelt de inspecteur van het stamboek het exterieur van individuele dieren. Daarmee krijg je een beeld van de sterke en zwakke punten van je koeien.
Om te kunnen fokken op exterieurkenmerken moet je deelnemen aan Bedrijfsinspectie van CRV. Bij deelnemende bedrijven komt een stamboekinspecteur gemiddeld eens per 8 maanden om alle melkgevende vaarzen objectief te beoordelen en op te nemen in het stamboek. Je kunt een kortere bezoekfrequentie aanvragen. Ook kun je koeien die zich goed hebben ontwikkeld (op latere leeftijd) opnieuw laten keuren. Aan de hand van een keuringsrapport legt de inspecteur de scores voor alle exterieurkenmerken vast. Zo heb je een objectief beeld van de plussen en minnen van elk dier én van de veestapel. Aan het einde van de keuring ontvang je de uitslag van de gekeurde dieren en het Bedrijfsoverzicht. De uitslagen staan online in VeeManager, in de module Fokkerij. De exterieurbeoordeling wordt ook meegenomen bij het paringsadvies in het StierAdviesProgramma (SAP).
Keuringsstandaard
De inspecteur hanteert vastgestelde normen: de keuringsstandaard. Er zijn twee keuringsstandaards: ‘melk’ (voor zwart en roodbont melktype) en ‘lokaal’ (voor dieren van een dubbeldoelras). Op het moment van keuren kent de inspecteur alleen het diernummer, de naam, het levensnummer en de geboorte en kalfdatum. De afstammingsgegevens zijn niet bekend bij de inspecteur, want die zouden een objectief oordeel in de weg kunnen staan.
Keuringsrapport
Het keuringsrapport bestaat uit een onderbalk en een bovenbalk. De onderbalk bevat de beschrijvende lineaire kenmerken, de bovenbalk de waarderende algemene kenmerken. Daarnaast geef je als veehouder zelf een beoordeling van de gebruikskenmerken, zoals melksnelheid en karakter. Dit wordt hierna verder uitgelegd.
Onderbalkkenmerken
De onderbalk bestaat uit 19 lineaire kenmerken die voldoen aan de internationale eisen van het keuringsrapport. Ze worden vastgelegd in scores van 1 tot en met 9, met uitzondering van de hoogtemaat: die wordt gemeten in centimeters. De kenmerken van de onderbalk zijn beschrijvend, dat wil zeggen dat het constateringen zijn die aangeven hoe de koe eruitziet. De kenmerken vormen als het ware een ‘foto’ van de koe in cijfers. De scores geven dus geen waardeoordeel. Van de 19 onderbalkkenmerken zijn afbeeldingen met uitersten en een beschrijving te vinden in de bijlage bij dit hoofdstuk. De afbeeldingen laten zien waar de inspecteur op let en wat de uiterste scores betekenen.

De inspecteur bekijkt de koe op 19 verschillende onderdelen
Bovenbalkkenmerken
Het exterieur in de bovenbalk is onderverdeeld in frame, type, uier en beenwerk. Bij de keuringsstandaard ‘lokaal/dubbeldoel’ komt hier ook bespiering bij. In tegenstelling tot de onderbalk bevat de bovenbalk wél een waardeoordeel. De bovenbalk geeft aan in welke
mate het dier overeenkomt met de keuringsstandaard. Hiervoor hanteert de inspecteur een range van 71 tot 99 punten. De scores worden verdeeld in klassen waarmee een kwalificatie van het dier wordt gegeven. Het populatiegemiddelde is 80 punten. Voor vaarzen kan de exterieurscore niet hoger zijn dan 89 punten. Op een oudere leeftijd kunnen koeien opnieuw worden gekeurd en kan de waardering van 90 punten of hoger worden gegeven. Om 90 punten of meer te krijgen, moeten de koeien ten minste 48 maanden oud zijn en twee keer hebben gekalfd.
De bovenbalk bevat de volgende kenmerken:
• Frame De functionele bouw en capaciteit van het dier.
• Type Het type wordt bepaald door de onderbalkkenmerken conditie, inhoud, voorhand en kruisbreedte. De hoogste waardering is voor dieren die voor alle vier kenmerken gemiddeld scoren (4 t/m 6).
• Uier
De totaalwaardering van de uier.
• Beenwerk
De totaalwaardering van het beenwerk.
• Bespiering
De bespiering van het gehele dier, vooral de dikte van het spierenpakket in de achterhand. Bespiering wordt alleen beoordeeld bij de keuringsstandaard ‘lokaal/dubbeldoel’.
• Algemeen voorkomen
Totaalindruk van de koe.

Het kenmerk bespiering is onderdeel van de keuringsstandaard ‘lokaal’
klasse score bovenbalk
excellent 90 en hoger
zeer goed 85 t/m 89 goed 80 t/m 84
voldoende 75 t/m 79
onvoldoende 71 t/m 74
Klassen exterieurscores bovenbalk

Bons-Holsteins Koba kreeg 94 punten voor haar exterieur
Gebruikskenmerken
Als veehouder geef je zelf een score voor melksnelheid en karakter. Dat doe je voorafgaand aan de bedrijfsinspectie.
• Melksnelheid
De snelheid waarmee de vaars melkt. Score 1 staat voor traag en score 9 voor snel.
• Karakter
Het gedrag van de vaars tijdens het melken. Score 1 staat voor nerveus en score 9 voor rustig.
Praktisch

Bij robotmelken is van elke koe de melksnelheid bekend
Robot meet melksnelheid
Als je melkt met een melkrobot kun je de gemeten gegevens als leidraad gebruiken voor de score van de melksnelheid in de bedrijfsinspectie.
Gemiddeld 80 punten
Het algemeen voorkomen is de totaalindruk. Die wordt berekend uit de scores van de afzonderlijke bovenbalkkenmerken, volgens een vastgestelde weging. Het gemiddeld algemeen voorkomen van de Nederlandse en Vlaamse vaars is 80 punten.
De inspecteurs die de bedrijfsinspecties uitvoeren, vergelijken alle dieren in één jaar met elkaar en stemmen zo af hoe een gemiddelde vaars eruitziet. De score voor het algemeen voorkomen van een koe uit 1971 is dan ook niet te vergelijken met een score uit 2010, ook al hebben ze beide 80 punten.
klasse
Wegingsfactoren voor algemeen voorkomen
Alle excellente koeien en de hoogst ingeschreven vaarzen krijgen een vermelding op de website van Coöperatie CRV onder ‘exterieurtoppers’
Goed om te weten
100.000 kg-koeien scoren bovengemiddeld op exterieur
Koeien die 100.000 kg melk of 10.000 kg vet en eiwit hebben geproduceerd, scoren beter op exterieur dan gemiddeld. De exterieurscore van deze levensproductietoppers ligt gemiddeld op 82 tot 82,5 punten. Deze koeien scoren vooral hoog voor uier en benen. Een bovengemiddeld exterieur levert dus een bijdrage aan een bovengemiddelde productie.
Het gemiddeld algemeen voorkomen van de Nederlandse en Vlaamse vaars is 80 punten. Productietoppers scoren bovengemiddeld op exterieur
Inspectiegegevens basis voor fokwaarden
De scores van de bedrijfsinspectie worden gebruikt voor het berekenen van de exterieurfokwaarden van de koe. Die fokwaarden worden gebaseerd op de gegevens uit de bovenen onderbalk en de gebruikskenmerken. Deze gegevens worden ook verwerkt in fokwaarden van de vaders. Voor het berekenen van fokwaarden worden alleen de keuringen van de vaarzen gebruikt. Koeien die op latere leeftijd voor de eerste keer gekeurd worden, krijgen geen fokwaarde voor exterieur. Van koeien die op latere leeftijd opnieuw worden gekeurd, wordt alleen de keuring in de eerste lactatie gebruikt voor het berekenen van fokwaarden. Wel wordt de uitslag van de nieuwe keuring gebruikt om een beter advies in het StierAdviesProgramma (SAP) te geven.

Koeien kunnen op latere leeftijd opnieuw gekeurd worden
Praktisch
BEDRIJFSINSPECTIE uitslag
Deze Bedrijfsinspectie
Aantallen verdeling <
Landelijk
Voorgaande Bedrijfsinspecties

Postbus
Bedrijfsgemiddelden Hoogtemaat
Inhoud Openheid Conditiescore Kruisligging Kruisbreedte Beenstand achter Beenstand zij Klauwhoek Beengebruik
Vooruieraanhechting Voorspeenplaatsing Speenlengte Uierdiepte Achteruierhoogte Ophangband
Achterspeenplaatsing Melksnelheid Karakter smal weinig weinig weinig oplopend smal hakkig recht weinig zwak los wijd kort diep laag zwak wijd traag nerveus
Algemeen voorkomen is gecorrigeerd voor genetische vooruitgang
Bedrijfsoverzicht
Het Bedrijfsoverzicht bevat alle sterke en zwakke punten van je veestapel. Het bevat de bedrijfsgemiddelden van de vaarzen, de tweedekalfskoeien, de oudere koeien en het totaal. Je ziet hierop ook de gegevens van de vier voorgaande bedrijfsinspecties en je kunt jouw scores vergelijken met het landelijk gemiddelde. Dit Bedrijfsoverzicht geeft handvatten voor het formuleren van je fokdoel en het evalueren van je fokkerijstrategie. Hiernaast vind je een toelichting op dit overzicht.

De uitkomsten van de bedrijfsinspectie geven handvatten voor je fokdoel en strategie
Keuringsstandaard
Melk (zwartbont, roodbont) of lokaal (dubbeldoel).
Deze bedrijfsinspectie
Gemiddelde scores voor de bovenbalkkenmerken van deze inspectie.
Verdeling punten
De scores voor de bovenbalkkenmerken ingedeeld in vier klassen.
Dat geeft een indruk van de spreiding.
Landelijk gemiddelde
Het landelijk gemiddelde voor de bovenbalkkenmerken. Interessant in vergelijking met de bedrijfsgemiddelden onder 6.
Voorgaande bedrijfsinspecties
De gemiddelde scores van de laatste vier bedrijfsinspecties.
Hiervan kun je de ontwikkeling aflezen.
Bedrijfsgemiddelden
Gemiddelden van de bovenbalkkenmerken van alle koeien die tijdens de laatste keuring aanwezig waren op het bedrijf.
Onderbalkkenmerken
De onderbalkscores van deze inspectie en het gemiddelde van alle op het bedrijf aanwezige gekeurde dieren in getallen en in een grafische weergave.

6.2 Kijken naar koeien
Bij de definitie van de ideale koe heeft iedereen zijn eigen voorkeuren. De een hecht meer waarde aan een fraai type om te scoren op een keuring, de ander legt meer nadruk op probleemloos melken of op koeien die 100.000 kg melk kunnen produceren. Los van al die verschillen: alle veehouders hebben passie voor hun vee. Kijken naar koeien hoort daarbij.
Veebeoordelen
Kennis en vaardigheden voor het beoordelen van vee zijn essentieel om de gewenste koe te kunnen fokken. Bovendien helpt het je bij je dagelijks werk als je goed naar je koeien leert kijken. Door op de juiste details te letten, merk je eerder of een koe ziek is of in de problemen komt. Veebeoordelen kun je leren door het te doen. Jongerenorganisaties en veeteeltstudieclubs organiseren veebeoordelingscursussen en wedstrijden. Hier kun je ervaring opdoen of jouw skills meten met die van andere liefhebbers. In provinciale en nationale (Champions League) wedstrijden kun je in teamverband strijden om de hoogste eer. Behalve leerzaam is veebeoordelen ook leuk als sport. De basis voor het beoordelen is het keuringsrapport van Coöperatie CRV.
Keuringen: sportieve strijd in de ring
In regionale en provinciale keuringen komen veehouders met hun kalveren, pinken en koeien voor een wedstrijd ‘wie heeft het mooiste dier’. Een onafhankelijke jury plaatst de dieren op volgorde en beargumenteert zijn keuze. Het is een sportieve strijd, maar het gaat ook om gezelligheid en netwerken.
De grootste keuring is de tweejaarlijkse Nationale Rundvee Manifestatie (NRM) in Nederland, die ook veel internationale belangstelling trekt. In Vlaanderen organiseert CRV de grote tweejaarlijkse keuringen Agriflanders en Agribex. Ook de jaarlijkse HHH show in Nederland is een groot evenement.

Keuringen: leuk én nuttig
Praktisch
Veebeoordelen: ook voor vleesvee
In Nederland en Vlaanderen worden niet alleen keuringen voor rood en zwartbonte koeien georganiseerd, maar ook voor vleesvee. In Vlaanderen zijn er talrijke lokale keuringen en een paar nationale keuringen ( Agribex, Doornik). De gezamenlijke vleesveestamboeken in Nederland organiseren eens in de twee jaar de Nationale Vleesvee Manifestatie (NVM).
Jong geleerd, oud gedaan
Om de liefhebberij voor de fokkerij al vroeg te stimuleren, organiseren veel kalveropfokclubs (koc’s) wedstrijden met kalveren voor de jeugd. Daar leren deelnemers de beginselen van het omgaan met dieren en het toiletteren. In Nederland zijn veel plaatselijke, regionale en provinciale keuringen, soms in combinatie met een keuring van de kalveropfokclub.
Alle honderd en tientonners krijgen een vermelding op de website van Coöperatie CRV onder ‘tien / honderdtonners’

Bij de eerste honderdtonner op je bedrijf krijg je een wandbord
Predicaten voor excellente dieren en Sterkoeien
Een koe met een uitzonderlijk goed exterieur krijgt het predicaat excellent. Dat wordt toegekend bij een waardering van 90 punten of meer. Koeien die naast een fraai exterieur ook een goede productie hebben, komen in aanmerking voor het predicaat Sterkoe. Daarvoor moeten ze gemiddeld 105 lactatiewaarde halen en minimaal 85 punten noteren voor algemeen voorkomen én uier. Er zijn drie niveaus: Sterkoe 1, 2 en 3, die kunnen worden toegekend als een koe respectievelijk 9, 12 en 15 jaar oud is.
Predicaat voor honderd- en tientonners
Productietoppers worden in de spotlights gezet. Er zijn predicaten voor 100.000 kg melk en voor 10.000 kg vet + eiwit. Als je deelneemt aan MPR ontvang je van Coöperatie CRV een ingelijst certificaat. Bij de eerste honderdtonner op je bedrijf krijg je ook een wandbord voor zo’n topproducente. Deze zogenoemde honderd en tientonners komen direct na het behalen van de mijlpaal op de website van Coöperatie CRV. Een select aantal koeien verlegt de grens nog verder, ze produceren 200.000 kg melk. In 2020 hadden 4 koeien deze mijlpaal bereikt: Big Boukje 192, Dora 442, Minke 64 en De Rith Nora 265.

De Rith Nora 265 is een van de weinige koeien die meer dan 200.000 kg melk hebben gegeven

Samenvatting
Een goed exterieur helpt de koe bij een efficiënte en gezonde melkproductie. Een ondiepe uier, droge benen en breedte in het bekken zijn bijvoorbeeld kenmerken die van belang zijn voor het halen van een hoge levensproductie.
Een bedrijfsinspecteur is gespecialiseerd in het beoordelen van het exterieur. Hij/zij beoordeelt alle vaarzen en hanteert daarbij de standaard ‘melk’ voor melktypische dieren en ‘lokaal’ voor dubbeldoeldieren. Een gemiddelde koe in Nederland en Vlaanderen heeft 80 punten. Excellente koeien worden gewaardeerd met 90 punten of meer. Met het keuringsrapport van elke koe kun je beter stieren uitzoeken. Ook paringsadviesprogramma’s gebruiken deze gegevens om de beste combinatie te maken tussen koe en stier. Zelf kun je ook exterieur leren beoordelen. Je kunt een veebeoordelingscursus volgen, met je koeien of kalveren meedoen aan een keuring of een fokveedag bezoeken. Dat is leerzaam, nuttig en vooral erg leuk. Exterieur beoordelen is vooral ook: in het algemeen leren kijken naar koeien. Dan leer je ook herkennen of de koe wel of niet goed in haar vel zit. Het is de basis van het vak van veehouder.
Bijlage
Onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling
De onderbalk van de exterieurbeoordeling bevat 19 punten waarvoor een beoordeling wordt gegeven op een schaal van 1 tot 9. Hieronder een toelichting in woord en beeld.
7. Kruisligging
De helling van het heupbeen naar het zitbeen. Een horizontaal kruis krijgt score 3. oplopend (1) horizontaal (3) hellend (9)
1. Hoogtemaat
De hoogtemaat, gemeten in centimeters van het midden van het kruis tot de grond.
3. Voorhand
De afstand tussen de voorbenen
beoordeeld op het hoogste punt van de voorbenen. smal (1) breed (9)
naar buiten (1) parallel (9)
2. Voorbeenstand
Vanaf schuin achter de koe beoordeeld: de richting waarin de punten van de voorklauwen wijzen. Daarbij bepaalt de stand van het meest afwijkende been de score.
9. Beenstand achter
Vanaf de achterzijde beoordeeld: de richting waarin de punten van de klauwen wijzen. hakkig (1) breed (9)
8. Kruisbreedte
De afstand tussen de zitbeenderen, op het meest achterste punt. smal (1)
weinig (1)
5. Openheid
Van ribben en de welving van de ribben.
weinig (1)
4. Inhoud
De beoordeling van de vet en spierbedekking. weinig (1) veel (9) veel (9) veel (9)
De afstand tussen de bovenkant van de rug en de onderkant van de buik ter hoogte van de laatste rib. De score is onafhankelijk van de hoogtemaat.
11. Klauwhoek
De hoek aan de voorkant van de buitenklauw van het minst goede been (dit geldt voor alle beenkenmerken). weinig (1) veel (9)
10. Beenstand zij
De hoek beoordeeld aan de voorkant van het spronggewricht. recht (1)
6. Conditiescore
13. Vooruieraanhechting
De sterkte van de aanhechting tussen vooruier en buikwand (voor en zijkant). los (1) vast (9)
12. Beengebruik
Het gebruik van de benen, zowel de lengte als de richting van de pas. zwak (1) krachtig (9)
14. Voorspeenplaatsing
De plaatsing van de voorspenen onder de kwartieren. wijd (1) nauw (9)
kort (1) lang (9)
15. Speenlengte
De lengte van de voorspenen.
laag (1) hoog (9)
17. Achteruierhoogte
De afstand tussen het laagste punt van de vulva en het melkuitscheidend weefsel, in relatie tot de hoogte van de koe.
diep (1) ondiep (9)
16. Uierdiepte
De afstand van de uierbodem tot de hak.
Als de bodem van de uier gelijkhangt met de hak wordt score 2 gegeven.
wijd (1) nauw (9)
19. Achterspeenplaatsing
De plaatsing van de achterspenen.
Als de spenen in het midden van het kwartier staan, wordt score 4 gegeven.
zwak (1) sterk (9)
18. Ophangband
De diepte van de ophangband onder in de uier.

Vruchtbaarheid
Aan de productie van melk gaat de geboorte van een kalf vooraf. Voor een hoge levensproductie is goed vruchtbaarheidsmanagement dan ook essentieel. Dat is het resultaat van goede voeding, optimale conditie, een goede tochtwaarneming en inseminatie op het beste moment. Kengetallen en overzichten zijn hierbij onmisbaar.
In dit hoofdstuk:
7.1 Aandacht voor tochtigheid
7.2 Het bepalen van het juiste inseminatiemoment
7.3 Drachtcontrole
7.4 Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid
Bijlage
Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten

Aandacht voor tochtigheid
Je insemineert een koe als ze tochtig is. Je moet er dus voor zorgen dat je de tocht goed waarneemt. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want niet alle koeien laten heel duidelijk zien dat ze tochtig zijn. Het is een kwestie van heel goed observeren en waar mogelijk gebruikmaken van sensoren om tochtige koeien op te sporen.
Het tochtig zien van de koe
Signalen
Een tochtige koe geeft de volgende signalen af:
• Staande tocht/sta reflex
• Andere dieren bespringen
• Kin op het kruis van een andere koe leggen
• Ruiken/likken/snuffelen aan de kling van een andere koe
• Onrust/vechten
• Slijmen
• Meer loeien
• Attenter zijn dan normaal
Staande tocht is het meest duidelijke signaal. Als een koe dit gedrag vertoont, kun je er vrij zeker van zijn dat ze tochtig is. Maar let op: koeien vertonen dit onderdeel van het tochtgedrag maar een relatief korte periode (gemiddeld 6 uur) en het springen zelf duurt per keer maar een paar seconden. Je kunt het dus gemakkelijk missen. Bovendien: als een koe niet besprongen wordt door een andere koe (als ze in haar eentje tochtig is), kan ze ook geen staande tocht laten zien.
Als je alleen op staande tocht afgaat, zul je driekwart van de tochtigheidsgevallen missen. Het is dus belangrijk om ook op andere signalen te letten. Het bespringen van andere koeien is ook een duidelijk teken, zeker als dit op de kopse kant gebeurt. Dat doet een koe ook als ze als enige in het koppel tochtig is. Hoe meer van de andere signalen zichtbaar zijn, des te zekerder dat de koe tochtig is. Gemiddeld geeft een koe gedurende 12 uur tochtigheidssignalen af. Een goede vruchtbaarheid begint bij een goede tochtwaarneming 7.1
Als een koe vruchtbaar is, vertoont ze zo’n 30 uur voor de eisprong bronstgedrag. Dat noemen we tocht. Een goede tochtwaarneming is cruciaal voor het vruchtbaarheidsmanagement. Want een koe die niet wordt opgemerkt tijdens de tocht, wordt niet geïnsemineerd en wordt dus ook niet drachtig. Een goede tochtwaarneming is een hele kunst, want de mate waarin de signalen zichtbaar zijn, varieert en is afhankelijk van verschillende factoren: omgeving, koe en boer. Omgevingsfactoren zijn bijvoorbeeld het rantsoen, de huisvesting en klimaat(wisselingen). Koefactoren zijn onder meer gezondheid, melkproductie en lactatienummer. En bij de factor boer gaat het om de plaats en het tijdstip van de waarneming, hoelang je kijkt en waar je op let.

Praktisch

In een lichte, luchtige stal met een stroeve ondergrond laten koeien hun tocht beter zien
Stal bepaalt tochtgedrag
Huisvesting is belangrijk voor tochtdetectie. Koeien laten meer tochtsignalen zien in een stal waarin ze zich gemakkelijk en vrij kunnen bewegen. Zorg daarom voor voldoende licht, lucht en ruimte in de stal. Matige ventilatie en onvoldoende licht hebben een negatieve invloed op de vruchtbaarheid van de veestapel. Hittestress in de zomer veroorzaakt ook een slechte tochtexpressie en een matige kans op een succesvolle bevruchting. Ook de vloer is belangrijk: op een gladde ondergrond zijn koeien banger om springgedrag te vertonen.
Praktisch
Zowel bij actie als in rust
Tijdens het voeren en melken zijn tochtige koeien vaak extra actief. Dat lijkt een mooie gelegenheid om tochtige koeien te spotten. Maar door de omstandigheden is de kans groot dat je veel gevallen mist. In de onrust rond het opdrijven en voeren tonen de koeien vaak minder verschijnselen. Bovendien zie je het minder goed omdat je minder overzicht hebt. Het kijken op rustige momenten is effectiever. Als de meeste koeien liggen, valt springgedrag meer op. Als er maar één koe in het koppel tochtig is, is tochtdetectie een hele kunst. Het wordt gemakkelijker wanneer er meerdere koeien tochtig zijn. Die zoeken elkaar. Een goed moment voor tochtdetectie is ‘s morgens vroeg voor het melken en tijdens de laatste avondronde in de stal.
Goed om te weten
Cyclus 21 dagen
Net als veel andere zoogdieren hebben koeien een regelmatige cyclus. Deze begint met de groei van een follikel met een eicel in een van de eierstokken (ovaria). Dit gebeurt onder invloed van het hormoon FSH. Ongeveer een dag voor de eisprong is de koe tochtig. Dat wordt veroorzaakt door het hormoon oestradiol, dat door de grote follikel wordt afgegeven. Dit hormoon zorgt ook voor het typische tochtslijm. Als de follikel is uitgegroeid, komt de rijpe eicel vrij in de eileider, onder invloed van het hormoon LH. Dit is de eisprong (ovulatie). LH zorgt er ook voor dat de cellen van de lege follikel zich ontwikkelen tot het gele lichaam, dat vervolgens het hormoon progesteron gaat produceren. Progesteron is belangrijk voor de ontwikkeling van de baarmoeder en de instandhouding van de dracht. Als de eicel op het juiste moment wordt bevrucht in de eileider, nestelt deze zich na ongeveer 18 dagen in de baarmoederwand en groeit uit tot kalf. Bij een succesvolle bevruchting zorgt het embryo ervoor dat het gele lichaam blijft bestaan, door interferontau af te geven. Dat proces heet maternale herkenning. Als dat niet gebeurt, krijg je regelmatige terugkomers. Interferontau blokkeert onder andere het hormoon prostaglandine (PGF2α). Blijft een succesvolle innesteling uit, dan wordt het gele lichaam afgebroken onder invloed van prostaglandine. In dat geval start weer een nieuwe cyclus. Bij een koe duurt de cyclus ongeveer 21 dagen.

Hormonale veranderingen in de vruchtbaarheidscyclus
Koeien kijken is nuttig werk
Kijken naar koeien is een nuttig onderdeel van het vruchtbaarheidsmanagement. Hoe vaker en hoe langer je kijkt, hoe hoger het percentage waargenomen tochtige dieren. Het beste resultaat bereik je als je er de tijd voor neemt. Beter drie keer per dag 15 minuten dan vijftien keer 3 minuten. Het is verstandig de tochtwaarneming gestructureerd aan te pakken. Als je met meer mensen samenwerkt, moet je het slim organiseren. Je wilt geen tochtigheid missen. Je kunt gelukkig gebruikmaken van technische hulpmiddelen, zoals activiteitenmeters en managementprogramma’s waarin je attenties en overzichten kunt raadplegen.
In de bijlage Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten vind je een voorbeeld van de attentielijsten en andere overzichten
Activiteitenmeting: hulpmiddel voor tochtdetectie
Automatische activiteitenmeting is een veelgebruikte manier om tochtdetectie te ondersteunen. Deze systemen werken met een hals of pootband of een sensor in het oor. Het systeem registreert de bewegingen van een koe en vergelijkt deze met het normale patroon. Een tochtige koe valt op omdat die meestal actiever is. Je kunt met activiteitenmeting vaak heel nauwkeurig vaststellen op welk tijdstip de verhoogde activiteit is begonnen. Een ander groot voordeel van de sensoren is dat ze dag en nacht hun werk doen. Onder ideale omstandigheden kunnen ze 90% van de tochtigheden detecteren. Als je drie tot vier keer per dag intensief kijkt, kom je op ruim 70% uit. Veehouders die minder intensief kijken, missen vaak meer dan de helft. In managementprogramma’s zoals VeeManager van CRV worden de activiteitendata benut voor attentielijsten met koeien die (mogelijk) tochtig zijn.

Onder ideale omstandigheden detecteren sensoren 90% van de tochtigheden
Attentielijsten
Met de vruchtbaarheidskalender en de attentielijsten uit je managementprogramma kun je bepaalde dieren gericht in de gaten houden. De module Vruchtbaarheid van VeeManager maakt een lijst met alle koeien en pinken die in aanmerking komen voor tochtigheidscontrole. Je kunt zelf aangeven vanaf welke leeftijd (voor pinken) of hoeveel dagen na het afkalven (voor koeien) je geattendeerd wilt worden.
Slimme kengetallen voor vruchtbaarheidsmanagement
Om een actueel beeld te krijgen van de vruchtbaarheid op je bedrijf staan er in de module Vruchtbaarheid in VeeManager drie kengetallen: insemination rate (ir), conception rate (cr) en pregnancy rate (pr). Met name voor grotere bedrijven zijn deze kengetallen bruikbaar omdat er in elke periode grotere aantallen zijn. De insemination rate (ir) geeft het percentage dieren aan dat de afgelopen 21 dagen is geïnsemineerd ten opzichte van het aantal dieren dat beschikbaar was voor inseminatie. Met dat kengetal krijg je een indruk van de toch
tigheid van de koeien en de tochtsignalering. De beste bedrijven scoren hier 42%, de minste bedrijven 24%. De conception rate (cr) geeft aan hoe goed de koeien drachtig zijn geworden van de inseminaties 2 maanden geleden. De cr is het percentage dieren dat 63 84 dagen geleden is geïnsemineerd en drachtig is geworden. Is dat 64% of hoger? Dan hoor je bij de beste 25% bedrijven. Bedrijven die niet goed scoren, halen een percentage lager dan 35%.
De pregnancy rate (pr) geeft een algemeen inzicht in de vruchtbaarheid van de veestapel. De pr = ir x cr. De 25% topbedrijven haalt 18%, de minst presterende bedrijven 9%.

De vruchtbaarheid is de motor van de melkproductie. Met kengetallen krijg je een actueel beeld van de vruchtbaarheid
Praktisch
Zoekstier, veestift en kleurpatroon
Stieren hebben een feilloze neus voor bronstige koeien. Met een zoekstier maak je daarvan gebruik. Als je een stier dicht bij de koeien stalt, verraden tochtige koeien zichzelf door het contact met de stier op te zoeken. Met een veestift worden koeien op de ruggenwervels aan de staartbasis ‘geverfd’. Als de koe vaak besprongen wordt, gaat de verf eraf en blijft het haar rechtop staan. Bij een kleurpatroon wordt een plastic buisje op het kruis van de koe gelijmd. Als de koe wordt besprongen, verkleurt de inhoud van het buisje. Beide systemen hebben twee nadelen. Ze kunnen niet worden gebruikt in stallen met stalborstels en ze richten zich op de staande tocht, terwijl maar 40% van de koeien die laat zien. Een andere beperking van deze hulpmiddelen is dat ze niet registreren wanneer het begin van de tocht is. Deze informatie is nuttig bij het bepalen van het optimale inseminatiemoment.

7.2
Het bepalen van het juiste inseminatiemoment
Bij een geslaagde natuurlijke of kunstmatige bevruchting – een dekking of een ki – komen de zaadcellen van de stier precies op het juiste moment in de eileider: als de eicel rijp is. De kunst van insemineren is het bepalen van dat moment.
Optimale moment: ongeveer 8 uur na begin springactiviteit Het juiste inseminatiemoment verschilt van koe tot koe. Een half uur na de eisprong is het eitje gearriveerd op de plek van de bevruchting. Daar moeten dan vruchtbare spermacellen aanwezig zijn, want de eicel leeft maar enkele uren. Als de eicel in die tijd niet is bevrucht, sterft ze af. Het sperma ondergaat een rijpingsproces van 6 tot 8 uur vanaf het inseminatiemoment. Het blijft daarna 18 tot 24 uur vruchtbaar, met uitschieters tot zelfs 48 uur. De levensduur van de eicel is dus de beperkende factor. Gemiddeld begint het springgedrag ongeveer 30 uur voor de eisprong. Het optimale inseminatiemoment ligt binnen 12 uur na het zien van staande tocht. Als je niet weet wanneer de tocht is begonnen, kun je beter iets te vroeg dan te laat insemineren. De meeste sensorsystemen geven een advies voor het inseminatiemoment op basis van de activiteitengegevens.
Insemineren met gesekst sperma
Gesekst sperma heeft een kortere levensduur dan conventioneel sperma. Zorg er dus voor dat je met de inseminatie zo dicht mogelijk bij de eisprong zit. In de praktijk betekent dat: later in de tocht dan bij conventioneel sperma.
de beste tijd om te insemineren % drachtig na eerste inseminatie
voortocht gem. 12 uur tochtig gem. 18 uur natocht gem. 10 uur eitje komt vrij te vroeg uren
De tochtverschijnselen en het percentage dracht na inseminatie
7 weken na het kalven
Een gezonde koe met een goede vruchtbaarheid wordt snel na het afkalven weer tochtig. Als alles goed verloopt, vindt de eerste eisprong gemiddeld rond de 30 dagen plaats. Pas na circa 50 dagen en twee tochtigheden is de cyclus van de koe weer op orde.
Je kunt dus ongeveer 7 weken na het afkalven weer voor de eerste keer insemineren. Dit geldt voor een situatie waarin alles volgens het boekje verloopt: de koe kalft vlot, blijft niet aan de nageboorte staan en is gezond opgestart. Pinken worden vanaf een leeftijd van 13 maanden geïnsemineerd.
Praktisch
Insemineer in alle rust
Rust rondom de inseminatie bevordert de bevruchting. Als je ervoor zorgt dat de koeien gemakkelijk herkenbaar klaarstaan voor de inseminator, kan de inseminatie in alle rust en met aandacht plaatsvinden. Koeien zijn kuddedieren: als dieren kort voor het insemineren worden afgezonderd, levert dit sociale stress op. Door die onrust raken ze verhit en dat heeft direct invloed op de kans van slagen, want sperma en eicellen zijn gevoelig voor een verhoogde temperatuur.
Goed om te weten
Slimme kengetallen voor vruchtbaarheidsmanagement
Niet alle inseminaties slagen. Gemiddeld zijn in Nederland en Vlaanderen 1,8 inseminaties nodig voor een koe drachtig is. Je moet dus koeien op 3 en 6 weken (1 en 2 cycli) na de inseminatie goed in de gaten houden. Een koe die dan weer tochtig blijkt, is een ‘terugkomer’. Met een aantal handige kengetallen houd je de vinger aan de pols. Het inseminatiegetal is het aantal inseminaties dat nodig is om de koe drachtig te krijgen. Het percentage non return op 56 dagen (nr56) is ook een maat voor het succes van de inseminatie, maar dan op koppelniveau. Dit is het percentage koeien dat niet is teruggekomen (ofwel non return) op 8 weken (56 dagen) na de eerste inseminatie. De tussenkalftijd (tkt) is het aantal dagen tussen twee geboorten. Een tkt van 365 dagen houdt in dat jouw koeien precies ééns per jaar kalven. In Nederland ligt de tussenkalftijd rond de 410 dagen (cijfer in 2020). De optimale tussenkalftijd verschilt per bedrijf en per ondernemer en hangt af van zijn eigen doelstellingen.
Het interval afkalveneerste inseminatie (iei) is het gemiddeld aantal dagen tussen afkalven en eerste inseminatie. Het optimum ligt tussen 50 en 80 dagen na afkalven. Begin je te vroeg, dan kan dit leiden tot lagere bevruchtingsresultaten. Als je laat begint met insemineren, heb je meer kans op vervetting in het laatste gedeelte van de lactatie of, afhankelijk van het bedrijf, op een lagere melkproductie.
Langer wachten met insemineren
Melkproductie en vruchtbaarheid hangen samen. Hoogproductieve koeien zijn vaak moeilijker drachtig te krijgen in het begin van de lactatie. Veel veehouders beginnen daarom later met insemineren van de koeien: nadat de dieren hun piekproductie hebben gehad. In de piekperiode kunnen de koeien namelijk in een diepere negatieve energiebalans zitten. Ze zijn dan minder vruchtbaar. Als je iets langer wacht met insemineren, is de kans groter dat de koe vlot drachtig wordt. Je kiest dan bewust voor een langer interval afkalven eerste inseminatie. Een langere tussenkalftijd is bij een hoog productieniveau minder erg, zolang de koeien maar persistent produceren zodat de melkgift ook langer op peil blijft. Een langere tussenkalftijd kost vooral geld als de productie afneemt, de voerefficiëntie vermindert en koeien lang droog staan.
Hoe vaak insemineer je een koe?
Hoelang blijf je proberen een koe drachtig te krijgen? Dat hangt af van de waarde van de koe voor het bedrijf. Dieren met een hoge lactatiewaarde kunnen op meer geduld rekenen dan dieren die ver onder de 100 scoren. Daarnaast is het lactatiestadium van belang. Hoe langer de kalfdatum is verstreken, hoe minder interessant het wordt om te blijven proberen. De afweging heeft consequenties voor het rendement van je bedrijf. Het kan bijvoorbeeld verleidelijk zijn een oudere koe af te voeren als er jongvee staat te trappelen om te gaan produceren. Tegelijkertijd produceren oudere koeien efficiënt en kan overtollig jongvee ook via export geld opleveren. Overigens is veel jongvee aanhouden ongunstig voor de mestwetgeving.
Goed om te weten
Inseminatiewaarde
Nog een keer insemineren of gust laten en afvoeren? CRV heeft een kengetal ontwikkeld dat je helpt bij die afweging: de inseminatiewaarde (iw). Deze geeft weer wat het verwachte extra rendement is als de koe na inseminatie drachtig wordt, in vergelijking met afvoeren op een later moment. De inseminatiewaarde houdt rekening met de leeftijd van de koe, het lactatiestadium, de lactatiewaarde van de laatste monstername en de lactatiewaarde van de vorige lactatie. De inseminatiewaarde is weergegeven op dezelfde schaal als de lactatiewaarde. Als een tochtige koe een inseminatiewaarde heeft van 85 of meer, dan is het de moeite waard om te insemineren.
Het kan verleidelijk zijn een oudere koe af te voeren als er jongvee staat te trappelen, maar oudere koeien produceren efficiënt
Goed om te weten
Grote kans op een vaars- of stierkalf met gesekst sperma
Kiorganisaties bieden gesekst sperma aan. Bij gebruik van SiryX is ongeveer 90% van de geboren kalveren uit een melkstier een vaarskalf. Bij een vleesstier is 90% een stiertje.
Niet insemineren maar implanteren
In plaats van een koe insemineren kun je ook embryo’s implanteren. Deze embryo’s zijn uit een donorkoe gespoeld, 7 dagen na de bevruchting. Zo’n embryo implanteer je 7 dagen nadat de ontvangster tochtig is geweest. Dat kan een vers embryo zijn, maar ook een diepvriesembryo. Embryo’s uit het eliteprogramma van CRV zijn genetisch hoogwaardige embryo’s. Deze kun je bijvoorbeeld in je minder goede dieren implanteren in plaats van insemineren met sperma van Belgisch witblauwe stieren. Zo boek je een snellere genetische vooruitgang. Je kunt ook topkoeien uit je eigen veestapel laten spoelen (dat heet embryotransplantatie, et) en die embryo’s weer inzetten in dieren van je eigen bedrijf.
Bij het insemineren kies je voor stieren die passen bij jouw bedrijf. Meer over fokdoel en stierkeuze lees je in H5. Fokkerij op jouw bedrijf

Als de koe niet drachtig wil worden van een inseminatie is een embryo implanteren nog een goede optie
Praktisch
Laatste kans met een embryo
Bij waardevolle koeien die niet drachtig worden door inseminatie kan het inzetten van een embryo een oplossing zijn. Circa 7 dagen na de tocht kun je een embryo laten implanteren. CRV levert zogeheten laatstekansembryo’s. De helft van de koeien die deze behandeling ondergaat, brengt 9 maanden later toch een gezond kalf.
Melden van tochtige koeien en bestellen van sperma
Als je tochtige koeien wilt insemineren, geef je een melding door aan je ki organisatie. Dat kan online en telefonisch. In Vlaanderen meldt de veehouder de tochtige koeien rechtstreeks aan de inseminator of het ki team. Online opgeven kan eenvoudig via VeeManager. Meldingen via dit systeem komen automatisch bij het juiste ki team terecht. In de meeste gevallen geven veehouders ook de naam van de gewenste stier door. Als je activiteitenmeting hebt, is in VeeManager zichtbaar welke koeien (mogelijk) tochtig zijn. Op het scherm zie je een overzicht van de dieren die in aanmerking komen voor inseminatie. Je kunt de inseminatiedatum, de naam van de stier en het chargenummer toevoegen. De applicatie
geeft ook een overzicht van de al uitgevoerde inseminaties. Je kunt tochtige koeien ook telefonisch melden via het voice response systeem.
Waardevolle data
Het registreren van inseminaties levert waardevolle data op. Die zijn de basis voor de kengetallen waarmee je je vruchtbaarheidsmanagement controleert en aanscherpt. Daarnaast zijn de gegevens ook nodig voor de stamboekregistratie, voor kloppende afstammingsgegevens van het toekomstige kalf en voor betrouwbare fokwaarden van vruchtbaarheidseigenschappen. Deelnemers aan dhz ki kunnen de inseminaties ook melden via VeeManager. Veehouders die dit niet online kunnen doen, kunnen van de routerijders formulieren krijgen om de inseminaties te noteren. Deze moeten elk kwartaal verzonden worden naar de afdeling ki in Deventer of de klantenservice in Sint DenijsWest rem.

Met een eigen vat kun je ook zelf insemineren
Goed om te weten
Natuurlijke dekking registreren
Ook als je een eigen stier inzet, kun je de dekkingen of het samenweiden registreren, zodat de nakomelingen voor het stamboek in aanmerking komen. Je kunt dit online doen met de module Vruchtbaarheid van VeeManager. Ook is het nog mogelijk om te werken met deklijsten. Hierop noteer je de begin en einddatum van de samenweiding/hokking. Na afloop van een kwartaal (zie inleverdatum op het overzicht) lever je de deklijst in.
In de bijlage Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten vind je een voorbeeld van de VruchtbaarheidsAttentie en andere overzichten
Inseminator, dhz-ki of eigen stier?
Bij ki kun je ervoor kiezen het werk door een inseminator te laten uitvoeren, je kunt het ook zelf doen. Het voordeel van dhz ki is dat je als veehouder op elk gewenst moment kunt insemineren. In de praktijk leidt dit overigens niet tot hogere bevruchtingsresultaten. Insemineren is een vak apart. Je hebt ervaring nodig om het goed in de vingers te krijgen. Je moet een grote veestapel hebben om routine te ontwikkelen en je moet er de tijd voor (kunnen) nemen. Zelf insemineren betekent ook dat je zelf de administratie moet bijhouden en de gegevens tijdig moet doorgeven aan het stamboek om registratie van de kalveren mogelijk te maken. In plaats van ki kun je ook een eigen stier inzetten voor natuurlijke dekking. Een eigen stier heeft een verwachtingswaarde, maar die heeft een erg lage betrouwbaarheid. Een aandachtspunt is de vruchtbaarheid van de stier. Dit kun je controleren door middel van drachtcontrole. Daarnaast zijn er ook foktechnische beperkingen. Als één stier veel dekkingen uitvoert, moet je oppassen voor inteelt en voor ongewenste eigenschappen zoals zware kalveren of een lage melksnelheid. Bovendien kan een stier gevaarlijk zijn. Het voordeel is dat een stier de tochtcontrole en de bevruchting overneemt.
Praktisch
Opleiding dhz-ki
Voor het toepassen van doehetzelfki (dhzki) is het volgen van een cursus noodzakelijk. CRV organiseert opleidingen voor startende dhz’ers en opfriscursussen voor het gehele vruchtbaarheids en inseminatietraject.
VruchtbaarheidsAttentie (VBA)
Een inseminator verzorgt niet alleen de inseminatie, hij legt ook gegevens vast over de conditiescore, de spanning (tonus) op de baarmoeder en de reinheid van de baarmoeder. Deze gegevens vind je terug in de VruchtbaarheidsAttentie (VBA). Daarop staat ook informatie over tussenkalftijd, nonreturncijfers en aantal inseminaties per geïnsemineerde koe. Naast jouw eigen cijfers zie je ook de gemiddelde score van vergelijkbare bedrijven. Groene of rode balkjes tonen in één oogopslag jouw sterke en zwakke punten. Het overzicht helpt je je vruchtbaarheidsmanagement te verbeteren. Het geeft ook de dierenarts en vruchtbaarheidsspecialisten handvatten bij het begeleiden van jouw bedrijf. De VBA is online beschikbaar voor gebruikers van de module Vruchtbaarheid in VeeManager.

7.3
Drachtcontrole
Als de koe na de inseminatie niet meer tochtig wordt, zou ze drachtig moeten zijn. Toch is het verstandig dat te controleren. Het uitblijven van de tocht kan andere oorzaken hebben. En elke dag dat een koe ongewenst gust blijft, kost geld. Drachtcontrole geeft op tijd duidelijkheid.
Scannen: snel en zeker
Drachtcontrole met echografie – scannen genoemd – geeft de grootste zekerheid. Bovendien kan dit al vanaf 30 35 dagen na de bevruchting. Op het beeldscherm van de scanner zijn de baarmoeder en de eventuele vrucht zichtbaar. Deze technologie is ook bruikbaar om de baarmoeder en eierstokken te controleren op afwijkingen.
CRV biedt veehouders maatwerk met een specifieke combinatie van advies en diensten zoals insemineren, tocht en drachtcontrole: Vruchtbaarheid op Maat
Drachtig voelen
Een andere, betrekkelijk eenvoudige methode is de rectale drachtcontrole. Dierenartsen en speciaal hiervoor opgeleide inseminatoren kunnen het dier onderzoeken door via de endeldarm de baarmoeder te voelen (palperen). Dit onderzoek is mogelijk vanaf dag 42 na de inseminatie.
Meer over attentielijsten vind je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel
Praktisch
Scanner toont ook cysten
Koeien met cysten op de eierstokken kunnen nietcyclisch zijn, wat betekent dat ze geen nieuwe eisprong krijgen. Wel zijn ze vaak actief bij andere tochtige koeien. Ze worden cysteuze koeien of ‘brullers’ genoemd. Op de scan is deze aandoening goed te zien. De koeien zijn alleen na behandeling drachtig te krijgen. Snel ingrijpen verhoogt de kans op herstel.
Drachtcontrole via MPR Dracht
Je kunt drachtigheid van de koeien ook checken via een melkmonster, als onderdeel van de mpr: met MPR Dracht van CRV. Het monster wordt getest op een eiwit (PAG oftewel pregnancyassociated glycoproteins) dat te vinden is in melk van drachtige koeien. Goed om te weten
Data delen met de dierenarts
Veel melkveehouders maken gebruik van bedrijfsbegeleiding door de dierenarts. Hierbij komen eventuele knelpunten voor de vruchtbaarheid ter sprake en worden de probleemkoeien gecontroleerd. Attentielijsten en bedrijfsoverzichten (zoals KoeAttenties Vruchtbaarheid of VruchtbaarheidsAttentie uit VeeManager) kunnen daarbij behulpzaam zijn. Je kunt via pirDAP de dierenarts ook toestemming geven om data op te halen, zoals mprresultaten en attentielijsten.

Tijdens de bedrijfsbegeleiding met de dierenarts komt de vruchtbaarheid altijd ter sprake

7.4
Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid
De conditie en de energievoorziening rond het afkalven zijn bepalend voor de bevruchting en de innesteling van het embryo. Daarom is het essentieel om aandacht te besteden aan een uitgebalanceerde voeding.
Het drachtig worden van een koe of pink is van vele factoren afhankelijk. Een goed management hoort daar ook bij. Zorg ervoor dat al je koeien een vreetplaats en ligplek hebben. Een stal met ruimte, licht en ventilatie helpt ook. En niet te vergeten een goed rantsoen met goede watervoorziening. Met een hoog koecomfort hebben koeien minder problemen met de klauwen en locomotie. Ze nemen meer voer op en dat zorgt voor een betere gezondheid, voor minder baarmoeder en uierontsteking. De pensvulling is een goede maat voor de voeropname. Sommige sensorsystemen kunnen de voeropname volgen, door het meten van vreet en herkauwtijd.
Meer over de voeding tijdens de droogstand en de opstartperiode lees je in H8. De kwetsbare 100 dagen. Meer over mpr en gezonde productie lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel
Negatieve energiebalans
De meeste verschillen in vruchtbaarheidsresultaten tussen bedrijven zijn te herleiden tot de voeding. De grote uitdaging is het voeren in de droogstand en in de eerste maanden na het afkalven. Berucht is de zogeheten negatieve energiebalans. In de opstartperiode stijgt de melkgift snel naar de productiepiek. Dat kost koeien meer energie dan ze via de voeding kunnen opnemen. Ze verliezen daardoor conditie. De kunst is om de periode van de negatieve energiebalans zo kort mogelijk te houden en het energietekort zo klein mogelijk. Zorg voor voldoende vreetplekken voor de koeien, vers en smakelijk voer en altijd gemakkelijke toegang tot het voerhek. Zo bereik je de hoogste voeropname.

De meeste verschillen in vruchtbaarheidsresultaten tussen bedrijven zijn te herleiden tot de voeding
Voeropname bepaalt diepte negatieve energiebalans
Een negatieve energiebalans begint vaak enkele dagen voor het afkalven en bereikt 2 à 3 weken later het dieptepunt. Gemiddeld komen de dieren 6 weken na het afkalven weer in de juiste balans. De diepte van de negatieve energiebalans heeft meer te maken met een te geringe voeropname dan met de hoogte van de melkgift.
Als de negatieve energiebalans te lang aanhoudt, hapert de hormonale regulatie van de voortplantingscyclus en de ontwikkeling van het embryo. Daardoor komt de bevruchting in gevaar of treedt er vroege embryonale sterfte op.
Praktisch
Analyse rantsoen
met MPR Voeding
Aan de mprresultaten kun je goed zien of koeien last hebben van een verstoorde energiebalans en of het rantsoen aansluit op de behoeften van de koeien. MPR Voeding, onderdeel van VeeManager, geeft een overzicht van het productieresultaat in relatie tot het rantsoen.
Voorkom leververvetting
Leververvetting kan plaatsvinden bij een negatieve energiebalans. Als de koe meer energie nodig heeft dan de voeding biedt, mobiliseert de lever vet uit het lichaam als energiebron. Voor het benutten van dit vet is glucose nodig, dat zich bindt aan de vetzuren. Als die glucose ontbreekt, stapelt het vet zich op in de lever. Dit zorgt voor leverschade en komt vooral voor bij koeien die in een ruime conditie zijn. Vervetting kan optreden bij zowel pinken aan het eind van de dracht als koeien aan het eind van de lactatie. Ook in de droogstand is leververvetting een risico. Al tijdens de droogstand komt energie uit lichaamsvet vrij: de ‘vetmobilisatie’. De koe gebruikt maar een deel van deze energie. De overtollige energie wordt weer als vet opgeslagen in de lever. Wanneer de drogestofopname aan het einde van de droogstand en het begin van de lactatie te laag is, bestaat de kans op leververvetting. Vervetting heeft gezondheids en vruchtbaarheidsproblemen tot gevolg. Koeien met leververvetting hebben vaak zware kalveren, hun geboorteweg kan vervetten en ze kalven zwaar af. Ze blijven vaker aan de nageboorte staan en hebben meer last van witvuilen, lebmaagdislocaties, slepende melkziekte, verlate eisprong en cysteuze follikels, en klauwproblemen.

Conditiescore
De conditiescore van een koe geeft aan hoeveel vetbedekking een dier heeft, oftewel hoe mager of vet een koe is. Koeien met conditiescore 1 zijn mager, die met conditiescore 5 zijn vet. De conditiescore wordt ook wel afgekort tot ‘BCS’, het Engelstalige ‘body condition score’. De conditiescore zegt iets over de vetreserve van het dier. Je bepaalt deze door een schatting te maken van de vetbedekking van de koekoeksgaten, de lendenen en de ribben. Een score van 3 tot 3,5 is ideaal voor droge koeien. Tijdens de lactatie is 2,5 tot 3 optimaal. Het geraamte en de bedekking met vlees zijn dan goed in balans. De conditiescores helpen je om maatregelen te nemen op het gebied van de voeding en het management. Zowel de inseminator als de inspecteur van het stamboek scoren de conditie bij dieren. Veel veehouders doen het ook regelmatig zelf. Om snel te kunnen bijsturen, is het vooral tijdens de droogstand (begin en eind) en het begin van de lactatie belangrijk dat je in de gaten houdt hoe de conditiescore zich van week tot week ontwikkelt.
Conditiescoreverloop: maximaal 1 punt
In de loop van de lactatie schommelt de conditiescore. Vooral in het begin van de lactatie verliest een koe conditie door de negatieve energiebalans. Dit verlies wil je beperken tot maximaal 1 punt (op de schaal van 5). Enkele voorbeelden van het effect van conditieverlies:
• Dieren die meer dan 1 punt conditie verliezen, laten hun tocht 14 dagen later zien dan dieren die 0,5 punt in conditie verminderen.
• De kans dat dieren met veel conditieverlies drachtig worden na de eerste inseminatie is slechts 17%, terwijl bij dieren die maar een halve punt conditie verliezen het drachtpercentage op 65% ligt.
Bij hoogproductieve koeien bepalen de conditie en de gezondheid mede of het überhaupt zin heeft om te insemineren. De figuur hieronder toont de normlijnen voor het conditieverloop. Als de score tussen de lijnen blijft, is de koe niet te vet en niet te mager. Haar energieopname past dan bij haar behoefte en lactatiestadium.
0306090120150180210240270300330360390420
lactatiestadium (dagen) droog
Normlijnen voor het verloop van de conditiescore
afkalven eerste ovulatie in dagen 27 31 42
afkalven eerste tochtigheid in dagen 48 41 62
afkalven eerste inseminatie in dagen 68 67 79
drachtpercentage na eerste inseminatie 65 53 17
Effect van daling conditiescore (in punten) op vruchtbaarheidskengetallen
Goed om te weten
Stamboekinspecteur scoort conditie van 1 tot 9
De stamboekinspecteur gebruikt niet de score tussen 1 en 5, maar een beoordeling tussen 1 en 9. De inspecteur kijkt naar de vet en spierbedekking van de zitbeenderen, de lendenen en de koekoeksgaten. Daarbij staat 1 voor weinig bedekking en 9 voor veel. Deze meer verfijnde onderverdeling is nodig voor het maken van een fokwaarde waarbij de verschillen tussen stieren duidelijk uitkomen.
Ziekte
en kreupelheid
Koorts als gevolg van ontstekingen (bijvoorbeeld mastitis) heeft vlak na het insemineren een negatieve invloed op de bevruchting. Kreupelheid heeft een negatieve invloed op het laten zien van de tocht. Ook kan een lage voeropname door de kreupelheid – en daarmee een teruggang in conditie – negatief werken op het drachtig worden.
Een kreupele koe heeft een lagere voeropname en laat de tocht niet zien. Bekap een kreupele koe daarom zo snel mogelijk 3,5 5 4,5 4 3

Praktisch
Voorkom insleep infectieziekten
Ziekten als ibr, bvd, neospora en salmonella kunnen een dramatische invloed hebben op de vruchtbaarheid van de veestapel. Je kunt insleep van deze ziekten voorkomen door je bedrijf zo gesloten mogelijk te houden. Je kunt het risico beperken door bezoekers te verplichten (jouw) bedrijfskleding te dragen en door een strikt aankoopbeleid voor vee te hanteren. Denk ook aan de verspreiding van neospora door honden.
Voeding: pas op voor veel eiwit
Een tekort aan eiwit in de voeding leidt zelden tot problemen voor de vruchtbaarheid. Een overschot, bijvoorbeeld door te veel (te jong) gras, kan wél gevolgen hebben. Dat veroorzaakt namelijk een hoog ureumgehalte in het bloed en dat heeft een negatieve invloed op de eicelkwaliteit. Hierdoor ontwikkelen zich minder levensvatbare eicellen. Daarnaast kan een hoog ureumgehalte een sterke verhoging van embryonale sterfte tot gevolg hebben. Het probleem wordt groter als het dier tegelijkertijd in een negatieve energiebalans verkeert.
Mineralen en vitaminen
Als je krachtvoer (brok) geeft, krijgen de dieren meestal voldoende mineralen en vitaminen binnen tijdens de lactatie. Als je enkelvoudige voedingsproducten zoals bierbostel of bietenperspulp voert, moet je extra aandacht besteden aan mineralen en vitaminen. Die extra aandacht is ook nodig bij koeien in de droogstand, bij de voeding van de pinken aan het einde van de dracht, en bij een rantsoen met veel mais. Goed ruwvoer is de basis. Met bemesting kun je het mineralengehalte beïnvloeden. Grondonderzoek brengt de behoefte in beeld. Met bloedonderzoek bij de verschillende diergroepen check je de mineralenvoorziening.
Praktisch

Een schimmelkuil is desastreus voor de vruchtbaarheid en gezondheid van de koeien
Schimmelkuil schaadt
Schimmels in de kuil hebben een slechte invloed op de voeropname, door een verminderde smakelijkheid. Bovendien produceren de schimmels schadelijke stoffen (mycotoxinen) die de vruchtbaarheid sterk negatief kunnen beïnvloeden. In het ergste geval kan het zelfs leiden tot abortussen.
Goed om te weten

Check na het insemineren of de koe mooi helder slijm had
Bevruchtend vermogen en kwaliteit sperma
De vruchtbaarheidsresultaten zijn voor het grootste deel afhankelijk van een goed koemanagement. De kwaliteit van het diepvriessperma heeft ook invloed op het succes van een inseminatie. Het bepaalt voor 4% het resultaat. De bevruchtingscijfers van stieren staan op de stierenkaart onder ‘gebruikswaarden stier’. Gemiddeld over alle stieren is het NRpercentage 68%. Een goed bevruchtende stier met bijvoorbeeld +3 bevruchting scoort dus 71%. Van jonge stieren zijn nog geen bevruchtingsresultaten bekend. De vruchtbaarheid wordt berekend zodra de inseminatoren meer dan 1.000 inseminaties hebben geregistreerd. Het is niet zo dat jonge stieren automatisch beter bevruchten dan oudere fokstieren. Kiorganisaties controleren de kwaliteit van het sperma op aantal spermacellen, beweeglijkheid en kwaliteit. CRV vult van elke nieuwe stier de rietjes op een gestandaardiseerde wijze af en volgt de resultaten nauwlettend om de afvulling bij te stellen als dat nodig is. Het sperma wordt na elke sprong uitgebreid gecontroleerd, als het vers is en na het invriezen en ontdooien. Als het niet voldoet, komt het niet in de verkoop. Ook bij de inseminatoren vindt monitoring plaats op basis van de maandelijkse resultaten van het percentage non return. Indien nodig vindt bijsturing plaats.
Fokken op vruchtbaarheid
Twee manieren om de vruchtbaarheidsresultaten te verbeteren via de fokkerij zijn: gebruik goed bevruchtende stieren en let op de dochtervruchtbaarheid van de stier. Beide gegevens staan op de stierenkaart. Vruchtbare stieren hebben spermacellen die beter bevruchten. Dat helpt op korte termijn bij het drachtig worden van de koe. Het fokken op dochtervruchtbaarheid is: zorgen voor een betere vruchtbaarheid bij de nakomelingen op lange termijn.

Samenvatting
Voor goede vruchtbaarheidsresultaten is een goede tochtdetectie het vertrekpunt. Het waarnemen van de juiste signalen is een hele kunst. Daarvoor moet je tijd nemen op meerdere momenten van de dag.
Gelukkig kun je gebruikmaken van techniek zoals activiteitenmeting en van attentielijsten. Zo kun je gericht te werk gaan.
Een goede tochtwaarneming helpt je bij het insemineren op het juiste tijdstip. Gemiddeld begint het springgedrag ongeveer 30 uur voor de eisprong. Het optimale moment ligt binnen 12 uur na het zien van staande tocht. Of een koe daadwerkelijk drachtig wordt, kun je controleren. Er zijn verschillende mogelijkheden: voelen, scannen en het onderzoeken van een mpr monster.
Vruchtbaarheidsmanagement is meer dan het bepalen van het beste moment voor de bevruchting. Het gaat ook over vragen als: ‘Hoe snel na het kalven begin je met insemineren?’ en ‘Hoelang ga je door met insemineren als een koe niet drachtig wordt?’ Ten slotte is het voor een succesvol vruchtbaarheidsmanagement nodig te zorgen voor goede omstandigheden. Vooral een uitgebalanceerde voeding – het beperken van de negatieve energiebalans – en de juiste conditie zijn belangrijk.
Voor het beoordelen en verbeteren van je vruchtbaarheidsmanagement kun je gebruikmaken van verschillende kengetallen en managementtools. De bijlage bij dit hoofdstuk geeft hiervan een overzicht.
Bijlage
Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten
Als melkveehouder beschik je over veel data om het vruchtbaarheidsmanagement te verbeteren. Managementprogramma’s helpen je te sturen op de signalen en kengetallen. Via verschillende attenties en overzichten kun je op elk moment inzicht krijgen in de vruchtbaarheidsstatus van je veestapel en eventuele acties op dierniveau.
In deze bijlage een aantal voorbeelden uit VeeManager van CRV.
1. KoeAttenties en attentielijsten
2. Stallijst vruchtbaarheid
3. Dieroverzicht
1. KoeAttenties en attentielijsten
Met attentielijsten creëer je je eigen checklist. In de VeeManager module Vruchtbaarheid kun je zelf lijsten instellen voor onder meer tocht en drachtcontrole. Daarnaast kun je ook attenties instellen voor droogzetten, opstarten en afkalven.
Toelichting per onderdeel

Tochtcontrole/insemineren
Alle koeien en pinken die in aanmerking komen voor tochtcontrole/inseminatie. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen na afkalven of (bij pinken) de ingestelde leeftijd. Aanvullende informatie is mogelijk: kalfdatum, laatste tocht, aantal inseminaties, SAPadviezen. 1



Drachtcontrole
Alle koeien die in aanmerking komen voor een drachtscan. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen na inseminatie (minimaal 31). Aanvullende informatie is mogelijk: kalfdatum, leeftijd, lactatiewaarde, inseminatiedatum, aantal inseminaties, de naam van de stier.
Droogzetten
Alle koeien die in aanmerking komen om te worden drooggezet. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen voor afkalven. Aanvullende informatie: de verwachte afkalfdatum, de naam van de stier, informatie over het celgetal, mastitisrisico.
Opstarten
Alle koeien die opgestart kunnen worden. Aanvullende informatie: droogzetdatum, verwachte kalfdatum, vader van het kalf.
Afkalven
Koeien en vaarzen die binnenkort afkalven. Ze komen op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen voor de verwachte afkalfdatum. Aanvullende informatie: droogzetdatum, de vader van het kalf, gebruik gesekst sperma.
2. Stallijst vruchtbaarheid
Met een stallijst vruchtbaarheid heb je de status van alle dieren in één overzicht. Je kunt de lijst op verschillende manieren sorteren: bijvoorbeeld op laatste tocht, inseminatie of verwachte kalfdatum. Als je klikt op een individueel dier, zie je een uitgebreide vruchtbaarheidshistorie van de huidige lactatie. Je kunt ook de gegevens van eerdere lactaties bekijken.

Voorbeeld van een stallijst gesorteerd op inseminatiedatum
3. Dieroverzicht
Het Dieroverzicht in de module Vruchtbaarheid van VeeManager is een hulpmiddel om pinken en koeien op te sporen die de (bedrijfs)kengetallen het meest (negatief) beïnvloeden. Als extra kengetal wordt de inseminatiewaarde (iw) weergegeven. Dit kengetal kan helpen bij de afweging om een dier wel of niet opnieuw aan te bieden voor inseminatie.
Naast de bekende diergegevens worden de volgende gegevens weergegeven:
• Kalfdatum, leeftijd en lactatienummer
• Interval afkalven eerste inseminatie (bij pinken interval geboorte eerste inseminatie)
• Aantal inseminaties en de intervallen tussen de inseminaties
• Aantallen ‘correcte’ en ‘gemiste’ tochten vanaf de eerste inseminatie
• Verwachte tussenkalftijd
• Verwachte kalfdatum, leeftijd en lactatienummer
• Inseminatiewaarde (zie ook 7.2)


HOOFDSTUK 8
De kwetsbare 100 dagen
Van ongeveer 40 dagen vóór het kalven tot 60 dagen daarna is de koe in haar meest kwetsbare periode. In deze transitieperiode heeft ze extra aandacht nodig omdat haar situatie behoorlijk verandert. Dat brengt risico’s met zich mee voor gezondheid, vruchtbaarheid en productie. Deze 100 dagen zijn cruciaal voor een hoge en efficiënte levensproductie.
In dit hoofdstuk:
8.1 Extra aandacht rondom het kalven
8.2 Droogzetten op maat
8.3 Het afkalven
8.4 De start van de lactatie
8.1
Aandacht in transitieperiode voorkomt problemen
Om melk te produceren moet de koe kalven. De 100 dagen rondom het kalven vormen de lastigste periode in het leven van een koe, omdat er veel overgangen – transities – plaatsvinden: droogzetten, groei en ontwikkeling van het kalf, de geboorte en de opstart van melkveeproductie. Als die transitieperiode goed verloopt, ligt de weg open voor een lang en productief leven.
Tachtig procent van de gezondheidsproblemen van melkkoeien heeft zijn oorsprong in de transitieperiode: van droogstand tot de opstart in de eerste weken na afkalven. Als je de koe veilig door deze 100 dagen loodst, heb je daar de hele lactatie plezier en rendement van. Rust, reinheid en regelmaat zijn belangrijk in deze periode. Besteed ook aandacht aan comfort: voldoende ruimte, voor iedere koe een zacht en ruim ligbed en een vreetplek (85 cm per koe), en vanzelfsprekend een passend droogstandrantsoen dat vers en smakelijk is. Dat zijn basisvoorwaarden voor een hoge drogestofopname.


8.2
Droogzetten op maat
In de droogstand vraagt de uier om bescherming. Oude uierinfecties verdienen aanpak. Droogzetten is daarmee maatwerk met duidelijke regels.
Na de lactatie gaat de koe genieten van de droogstand. In die rustperiode kan ze zich opladen voor een nieuwe lactatie. In de droogstand maakt ze nieuw uierweefsel aan. Goed droogzetten is belangrijk voor de gezondheid van de koe en in het bijzonder voor de bescherming van haar uier. Waar nodig kun je ter ondersteuning een antibioticum gebruiken. Een koe of vaars met een gezonde uier (voor een vaars lager dan 50.000 cellen/ml, voor een koe lager dan 150.000 cellen/ml) en een melkproductie onder de 12 kg melk per dag kun je droogzetten zonder antibiotica, eventueel wel met een teatsealer.
Problemen opsporen
De droogstand is een uitgelezen periode om een aantal mastitisverwekkers aan te pakken. Als jouw koeien in de lactatie een hoog celgetal of mastitis hebben, is het raadzaam om bacteriologisch onderzoek te doen. Hierdoor weet je welke ziekteverwekker de problemen veroorzaakt en zo kun je een behandeling op maat geven. Wanneer koeien een hoog celgetal of mastitis hebben vlak voor het droogzetten, is bacteriologisch onderzoek ook
van belang om de koe met het juiste antibioticum droog te zetten. Hiermee bied je de koe de optimale bescherming en de beste kans op herstel. Het verloop van haar celgetal tijdens de lactatie kan ook informatie geven over de mogelijke boosdoeners die voor problemen hebben gezorgd.

Een teatsealer beschermt de uier tegen ziekteverwekkers
Met of zonder antibiotica
Het gebruik van antibiotica bij droogzetten is in Nederland aan richtlijnen gebonden.
Vaarzen die een celgetal hoger dan 150.000 cellen/ml hebben en koeien met een celgetal boven 50.000 cellen/ml mag je droogzetten met antibiotica, volgens het bedrijfsbehandelplan (BBP). Dit BBP stel je samen met de dierenarts op. Er staat precies in aangegeven hoe en waarmee je koeien behandelt.
Goed om te weten
KoeAttenties Droogzetten en de droogzetevaluatie
De attentielijst Droogzetten in de VeeManagermodule MPR geeft een overzicht van droog te zetten koeien mét hun celgetal bij de laatste controles. Deze informatie helpt je bij de afweging om droog te zetten met of zonder antibiotica. Je kunt het verloop van de uiergezondheid in de droogstand evalueren met het overzicht ‘droogstandevaluatie’ in de MPRmodule. Het celgetal na het kalven van de koeien wordt hierbij gevolgd. Is de koe genezen in de droogstand? Hoeveel koeien komen met een hoog celgetal uit de droogstand? Het antwoord op deze vragen biedt aanknopingspunten om je droogstandmanagement verder te verbeteren.
Het verloop van het celgetal tijdens de lactatie geeft informatie over de mogelijke boosdoeners die voor uiergezondheidsproblemen hebben gezorgd
Beschermen met een teatsealer
Met een teatsealer kun je de uier beschermen zonder antibiotica. Normaal maken koeien in de droogstand een keratineplug aan in het tepelkanaal als natuurlijk barrière voormastitisverwekkers. Bij sommige koeien wordt die keratineplug onvoldoende aangemaakt, met name bij koeien die nog veel melk geven aan het einde van de lactatie. De teatsealer geeft bescherming gedurende de hele droogstand. Een teatsealer dicht het tepelkanaal af met een tandpasta achtige emulsie zodat ziekteverwekkers niet in de uier kunnen komen. Hygiënisch werken is hierbij van extra groot belang, omdat het kwartier helemaal wordt afgedicht. Je wilt voorkomen dat bacteriën opgesloten zitten. In de warme uier en met extra melkdruk de eerste dagen in de droogstand, kunnen ziekteverwekkers ‘exploderen’ in de uier.

Praktisch
Ook vaarzen kennen een droogstand
Koeien die worden drooggezet, komen in een aparte groep met een ander rantsoen.
Hoe zit dat eigenlijk bij vaarzen die voor de eerste keer kalven? Deze dieren hebben ook extra aandacht nodig, misschien zelfs wel meer dan oudere koeien. Zo kunnen vaarzen last krijgen van zucht (oedeem, zwelling door vochtophoping) in de uier en onder de buik. De vorming van de uier, de ontwikkeling van het kalf en de hormonale veranderingen zijn voor de vaarzen nieuwe ervaringen die met veel stress gepaard kunnen gaan. De kans bestaat dat de vaarzen veel liggen, te weinig bewegen en daardoor ook te weinig vreten. Dat vormt een risico. De voeding van de vaarzen, de conditie en de klauwverzorging vragen daarom extra aandacht, ook in hun droogstand.


8.3
Het afkalven
Om de lactatie vlot te starten is gemakkelijk kalven essentieel. Daar kun je als melkveehouder zelf veel aan doen.
Stressvrij en hygiënisch kalven
De koe is een kuddedier en houdt van een saai leven. Het liefst wil ze dat alle dagen hetzelfde zijn. Dat is zeker niet het geval rondom het afkalven en dat levert dan ook stress op voor de hoogdrachtige koeien en vaarzen. Stress betekent risico’s op problemen en stress kan het afkalfproces laten stagneren met doodgeboorte tot gevolg. Zorg er dus voor dat je de koe zoveel mogelijk haar gang laat gaan en dat ze contact met haar koppelgenoten heeft.
Nog een belangrijke factor rondom het afkalven is hygiëne. Tijdens het afkalven staat de baarmoedermond helemaal open en ontstaan vaak wondjes aan de geboorteweg. De kans op besmetting en ontsteking is dan aanwezig. Baarmoederontsteking heeft grote negatieve invloed op de vruchtbaarheid.
Praktisch
Tips voor het afkalven
• Zorg voor een ruime en schone afkalfbox. Voldoende stro voor elke koe is geen overbodige luxe. Voldoende is: wanneer je zelf droge knieën houdt als je in het stro zit. Laat de koe los in het hok.
• Reinig en ontsmet de achterkant van de koe vlak voordat ze afkalft. Dat verhoogt de hygiëne rondom het afkalven.
• Onderzoek de koe inwendig nooit zonder wassen en ontsmetten van de handen, en gebruik voldoende glijmiddel. Zorg voor kortgeknipte nagels en draag geen ringen of andere sieraden.
• Gebruik alleen schone hulpmiddelen, zoals trekhoutjes, touwtjes of kettinkjes.
• Onderzoek de koe inwendig niet te vroeg: de baarmoederhals heeft tijd nodig om ruimte te maken.
Goed om te weten
Deel je ervaring over het geboorteverloop
Als je de geboorte van een kalf opgeeft, kun je binnen VeeManager van CRV ook gegevens toevoegen over het geboorteverloop. Deze gegevens vormen belangrijke informatie voor de berekening van de fokwaarden: ze bepalen of een stier wel of geen pinkenstier wordt. Hierdoor kunnen veehouders de stieren gericht gebruiken en afkalfproblemen voorkomen.

Voorkom zware geboorten
Een vlotte kalving zorgt ook voor het vlot opstarten van de lactatie. Zware geboorten trekken een wissel op de gezondheid van de koe en zorgen voor een langere herstelperiode van de koe na het afkalven. Gebruik daarom een pinkenstier bij de pinken en kies zorgvuldig de stieren voor je oudere koeien. Ook de voeding tijdens de droogstand en het seizoen (vooral na de zomer zijn er meer zware kalveren) hebben invloed op het verloop van de geboorte.

Met een gemakkelijke kalving start de koe de lactatie soepel op
MPR Voeding en de KoeAttenties MPR geven inzicht in de resultaten van de droogstand. Meer hierover lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel
Vruchtbaarheid begint in de droogstand
Een goede vruchtbaarheid van je veestapel begint in de droogstand. Een koe mag niet toenemen of afnemen in conditiescore. Een goede voersamenstelling is daarom van groot belang, plus een hoge voeropname. Een koe die problemen in de droogstand krijgt, komt in een vicieuze cirkel terecht. Ze blijft aan de nageboorte staan, vreet te weinig, loopt (slepende) melkziekte op, krijgt mastitis en wordt moeilijk drachtig. Allemaal kostbare problemen die je kunt voorkomen door de droogstand te optimaliseren.

8.4 De start van de lactatie
Voor de pasgekalfde koe verandert er in een korte tijd heel veel.
Het antwoord op de vraag hoe ze zo goed mogelijk door deze periode komt, is heel kort: zoveel mogelijk opname van een kwaliteitsrantsoen.
De pasgekalfde koe wil veel melk produceren. De voeropname kan de plotseling toegenomen energiebehoefte vaak niet bijhouden. We spreken dan van een negatieve energiebalans. Op zich is dit een normaal verschijnsel, de koe is hier van nature op ingesteld. Maar je kunt er wel voor zorgen dat de duur en diepte van de negatieve energiebalans beperkt blijft.
Veel problemen zijn te voorkomen met goed samengestelde rantsoenen voor de koeien die droogstaan en de koeien die weer beginnen aan een nieuwe lactatie. Hierbij een paar tips voor de beste lactatiestart:
• Zorg voor een zacht ligbed en voor iedere koe een ligplaats en een voerplek.
• Fris en smakelijk voer en water zorgen voor een hogere drogestofopname.
• Zet koeien 2 weken voor het afkalven in de closeupgroep (strohok).
Dit levert de minste stress op voor de koe.
• Voer vezelrijk, energiearm ruwvoer tijdens de droogstand, met een eiwitvoorziening van 13%.
• De koe dient met een goede conditie de droogstand in te gaan en mag niet te veel groeien, maar zeker ook niet afvallen tijdens de droogstand.
• Besteed aandacht aan de mineralen en vitaminen in het rantsoen van de droogstaande koeien. De verhoudingen tussen calcium, fosfor, kali en magnesium moeten kloppen.
• Laat de pensflora de laatste weken vóór het afkalven alvast wennen aan het voer van de verse koeien, door een gedeelte van het rantsoen aan te passen.
• Verstrek te vette droge koeien aan het einde van de droogstand juist meer energie om leververvetting te voorkomen.
• Evalueer het rantsoen bij iedere rantsoenwisseling met een deskundige.
• Check ook de Brixwaarde van de biest. Is de Brix rond de 23 of hoger, dan geef je de nuchtere kalveren maximale weerstand mee. Een te lage waarde heeft vaak zijn oorzaak in de droogstand.

Met goed samengestelde rantsoenen voor de droogstand en opstart kun je problemen voorkomen
Voorkom daling van conditiescore
Het dalen van de conditiescore is een indicatie voor een negatieve energiebalans. Als de conditie sterk (meer dan 1 punt) afneemt na het afkalven, wordt de koe moeilijker weer drachtig. Het stimuleren van de voeropname is van groot belang voor de verse melkkoe. Dit begint al vóór het afkalven. Hoe meer de koe in de droogstand aan voer opneemt, des te gemakkelijker kan ze veel ruwvoer opnemen aan het begin van de lactatie.
Praktisch
Goede start, gezonde klauwen
Vlak voor de droogstand bekap je de klauwen van de koeien. In de droogstand kunnen de klauwen herstellen. Na het kalven is aan de klauwen te zien hoe de droogstand is geweest. Zijn ze verkleurd? Dan heeft de koe zoolbloedingen. Als er veel verkleuring is, valt er wat te verbeteren met de voeding tijdens de droogstand en in de eerste maanden van de lactatie.
Goed om te weten
KoeAttenties Opstarten
De KoeAttenties Opstarten helpen je herinneren dat een koe zo’n 2 weken voor haar kalving is. Zo kun je zorgen voor de beste opstart.
Praktisch
Algemene tips voor transitiemanagement
• Vermijd stieren met een zeer lage fokwaarde voor het kenmerk geboortegemak. Vooral bij vaarzen is het belangrijk om een pinkenstier te gebruiken met een fokwaarde voor geboortegemak van 102 of hoger.
• Gebruik alleen vleesstieren met bekende fokwaarden voor geboortegemak.
• Wees alert op overvoeding. Eiwit vergroot de kans op veel oedeemvorming (zucht) en extra zware kalveren bij de geboorte. Te veel energie veroorzaakt vervetting.
• Zorg voor een goede conditie bij afkalven, de conditiescore ligt tussen 3+ tot 3,5.
• Voer droge en hoogproductieve koeien een smakelijk rantsoen en verstrek dit vaak. Vooral in de zomer: zo voorkom je broei en daarmee verminderde kwaliteit. Verse koeien moeten in de eerste weken zoveel mogelijk voer opnemen.
• Maak optimaal gebruik van de mprcijfers. Koeien geven zelf signalen af over hun uiergezondheid en hun energiebalans. In de mpr zijn ze te herkennen aan hun prestaties. De attentiedieren komen apart op een lijst te staan zodat je weet welke koeien je moet controleren of in de gaten houden. Externe adviseurs kunnen vanuit hun eigen vakgebied de cijfers analyseren en op basis hiervan advies geven.
• Let op het eiwit in het rantsoen van de hoogproductieve koeien: te veel eiwit kan de vruchtbaarheid schaden. Een gezond ureum ligt rond de 20.
• Houd de vinger aan de pols door regelmatig conditie, pensvulling, mest en locomotion/klauwen te scoren.

Samenvatting
De meeste problemen bij melkkoeien hebben hun oorsprong in de droogstand en het begin van de lactatie. Koeien én vaarzen hebben in deze transitieperiode veel aandacht nodig, zodat ze probleemloos kunnen produceren en de beste uitgangspositie hebben voor nóg een lactatie.
Voeding is van groot belang en gezond de droogstand ingaan ook, met klauwen en uiers die in goede conditie zijn. Dan volgt een stressvrije afkalving en de overgang naar een hoogwaardig melkveerantsoen. Al met al zijn het veel veranderingen in een korte tijd en daar houdt een koe per definitie niet van. Zorg er dus voor dat je je koeien een optimale droogstand geeft. Daarmee geef je jezelf het minste werk en het meeste arbeidsplezier en rendement.

HOOFDSTUK 9
Een efficiënt en gezond presterende veestapel
Je besteedt veel aandacht aan de voeding en verzorging van je veestapel. Dit resulteert in efficiënt producerende en gezonde koeien. Met diverse kengetallen uit de mpr voor productie en (uier)gezondheid kun je exact volgen in hoeverre dat lukt. Gezondheidsproblemen kun je bovendien voorkomen of aanpakken met gerichte plannen voor bedrijfsgezondheid en klauwverzorging.
In dit hoofdstuk:
9.1 Melkproductieregistratie (mpr)
9.2 Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie
9.3 Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien
9.4 Behandelplannen en medicijnregistratie
9.5 Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen

9.1
Melkproductieregistratie
Met melkproductieregistratie (mpr) verzamel je waardevolle gegevens over de prestaties, de voeding en de gezondheid van de hele veestapel en van individuele koeien.
De zuivelfabriek geeft van elke levering waardevolle data: gegevens over de hoeveelheid en de kwaliteit van de geleverde melk. Die resultaten bepalen de uitbetaling. Voor het verfijnen van je bedrijfsvoering kun je nog veel meer data verzamelen met de melkproductieregistratie (mpr). Hiervoor laat je regelmatig voor elke afzonderlijke koe de productiehoeveelheid bepalen en een melkmonster onderzoeken. Je krijgt daarmee een schat aan gegevens over de voeding, gezondheid, vruchtbaarheid en fokkerij op jouw bedrijf.
Bovendien worden de mpr gegevens via het stamboek benut voor het berekenen van de fokwaarden van jouw koeien en ze worden verwerkt in de fokwaarden van stieren.
Nederlandse melkveehouders kunnen melkproductiegegevens benutten voor de FosfaatPlanner, zie H10. Kringloop en mineralen
Proefmelkingen
Proefmelkingen vormen de basis van de mpr. Daarbij leg je van elke melkgevende koe de geproduceerde hoeveelheid melk vast en verzamel je melkmonsters. De monsters worden geanalyseerd op de samenstelling van de melk: vet, eiwit en lactosegehalten. Daarnaast kun je ze laten onderzoeken op ureum, ketose, celgetal en dracht.
Dat levert interessante gegevens op over de gezondheid van de dieren en de samenstelling van het rantsoen. Het ureumgehalte geeft informatie over de benutting van eiwit in de voeding. De aanwezigheid van ketonlichamen (ketose) duidt op (sub)klinische slepende melkziekte. Het celgetal is een maat voor de uiergezondheid. Het melkmonster kun je ook gebruiken als drachttest, met een onderzoek op een specifiek eiwit dat alleen voorkomt in melk van drachtige koeien.
MPR van CRV: met monsternemer of in eigen beheer
CRV is de grootste aanbieder van erkende melkproductieregistratie. Je kunt kiezen voor een drie vier, vijf of zesweekse frequentie. Voor het vaststellen van de hoeveelheid melk zijn verschillende mogelijkheden (AMS, elektronische melkmeting, meetglazen en tru testmeters), afhankelijk van de melktechniek op jouw bedrijf.
Voor de uitvoering van de mpr in de melkstal maken de meeste veehouders gebruik van een monsternemer. Die schept en verzamelt de melkmonsters en legt ook de productiehoeveelheid vast. Je kunt de mpr ook in eigen beheer uitvoeren. Daarvoor levert CRV de benodigde materialen (zoals een monsternameapparaat en monsterflesjes) en een app (MPR Assistent). Je kunt dan zelf de gegevens van de monstername verwerken op je smartphone of tablet. Monstername in eigen beheer gebeurt vooral op bedrijven met elektronische melkmeting of een melkrobot. Voor melkrobots is een apparaat ontwikkeld dat automatisch een melkmonster van elke koe neemt.
Ongeveer 57% van de bedrijven laat de monsternames uitvoeren door een monsternemer van CRV of een van de contractorganisaties (zelfstandige vvb’s). Ruim 43% van de mpr deelnemers voert de monstername uit in eigen beheer (meb). Daarbij horen ook de bedrijven met een melkrobot.
Op de website van CRV vind je informatie over MPR, waaronder instructievideo’s

Voor monstername kun je kiezen uit eens per drie, vier, vijf of zes weken
Goed om te weten
Elektronische MelkMeting
Als je op jouw bedrijf beschikt over elektronische melkmeting, dan verzamel je elke dag productiegegevens. CRV biedt de mogelijkheid om deze te combineren met de mpr. De data uit jouw eigen melkmeting en die van de mpr worden dan verwerkt in VeeManager. Deelname aan Elektronische MelkMeting van CRV levert je zeer nauwkeurige gegevens op. Voor de berekening van de dagproductie van de mpr worden de melkgiften van de monstername gebruikt. Bij de berekening van de totale lactatieproductie worden alle melkgiften meegenomen. De invloed van een afwijkende melkgift wordt hierdoor zeer klein.
Tweemaal bemonsteren – of driemaal bij drie keer daags melken – geeft het beste beeld van de vet- en eiwitpercentages
Enkelvoudige monstername
Veel veehouders kiezen voor een mpr met twee keer een monstername van elke koe, zodat ze een beeld hebben van de dagproductie. Bij drie keer daags melken neem je hiervoor drie monsters. Die meervoudige bemonstering geeft ook het beste beeld van de vet en eiwitpercentages.
Robotmelkers maken meestal gebruik van enkelvoudige monstername omdat lang niet alle koeien twee keer in de melkrobot komen. De melkrobot legt toch al de productiegegevens op dierniveau vast. Datzelfde geldt voor veehouders die gebruikmaken van elektronische melkmeters (emm) in combinatie met een managementsysteem.
Goed om te weten
Distributiedienst en centraal laboratorium
Als deelnemer aan de mpr krijg je ongeveer een week van tevoren een aankondigingsbericht. CRV heeft een distributiedienst met routerijders die de benodigde materialen tijdig bezorgen en na de proefmelking de verzamelde monsters ophalen. Ze nemen tijdens hun bezoek ook eventueel bestelde spermarietjes en kibenodigdheden mee.
De analyse van de melkmonsters vindt de volgende werkdag plaats in een centraal onderzoekslaboratorium. In Nederland is dat Qlip in Zutphen, in Vlaanderen MCCVlaanderen in Lier. Via CRV ontvang je vervolgens de uitslagen in je managementsysteem, zoals de module MPR in VeeManager. Je kunt de resultaten ook per post ontvangen.

De stroom aan gegevens vanuit de mpr zorgt voor informatie om de veestapel beter te managen
Overzichten voor veehouders en adviseurs
Uit de mpr kun je heel veel nuttige managementinformatie halen, zowel op individueel dierniveau als op koppelniveau. In de paragrafen hierna (9.2 en 9.3) lees je meer hierover. Veel van die informatie is ook interessant om te delen met jouw adviseurs, zoals de voerspecialist en de dierenarts. Via een machtiging kun je regelen dat zij rechtstreeks toegang krijgen tot de data. Zo kunnen ze over je schouder meekijken. MPR van CRV bevat hiervoor handige overzichten, zoals SnelZicht en KoeAttenties. SnelZicht is een analyseoverzicht op één A4’tje. Hiermee kun je een snelle beoordeling maken van bedrijfsprestaties. Dit is handig in het contact met dierenartsen en adviseurs/ voorlichters. Zo kunnen deze adviseurs zich optimaal voorbereiden op een bedrijfsbezoek. KoeAttenties is bedoeld als lijst met koeien die direct aandacht nodig hebben. Inzicht in potentiële probleemkoeien is ook nuttig voor externe adviseurs. Meer hierover vind je in 9.3.
Goed om te weten
Kwaliteit van de mpr
Het officiële Reglement Melkproductieregistratie is te vinden op de website van Coöperatie CRV
Om de kwaliteit van de mprdata te controleren doet CRV steekproefsgewijs hercontroles. Verder voert het computersysteem een aantal (automatische) controles uit op basis van de kengetallen MPR 24 uur, MPR Zuivel en Verdeling isk. Deze kun je inzien in het overzicht MPR Kwaliteit in de module MPR van VeeManager.


9.2
Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie
De mpr bevat verschillende productiekengetallen waarmee je je management op zowel dierniveau als op koppelniveau kunt bijsturen. Bij MPR van CRV krijg je daarvoor twee overzichten: het Dieroverzicht en het Bedrijfsoverzicht.
Dieroverzicht
Het Dieroverzicht in de mpr uitslag toont de individuele resultaten van alle koeien die tijdens de laatste monstername aanwezig waren. Behalve de gemeten productiecijfers van de laatste proefmelking zie je hier ook cumulatieve productiecijfers. Op de volgende pagina’s zie je een voorbeeld van een Dieroverzicht, met een beknopte uitleg van de verschillende onderdelen.

Voorbeeld van het Dieroverzicht, de cijfers verwijzen naar de toelichting in de tekst hieronder
Dagproductie
De dagproductie ‘kg m dag’ is de gemeten hoeveelheid bij de laatste mpr. Deze wordt vergeleken met de verwachte dagproductie. Als het verschil tussen de gemeten en de verwachte hoeveelheid groter is dan 15%, staat bij gemeten waarde een ‘+’ of een ‘’. Daardoor heb je snel een beeld van de uitschieters. De verwachte voorspelde dagproductie ‘kg m vw’ wordt gebaseerd op eerdere metingen en het gemiddelde verloop van de melkgift van dieren met een vergelijkbaar productieniveau. Behalve de hoeveelheid geproduceerde melk vind je hier ook de gehalten vet, eiwit en lactose en de uitslagen van andere analyses: ureum, ketose en celgetal (deze worden verderop toegelicht).
Individuele standaardkoe (isk)
De gemeten dagproductie wordt omgerekend naar de individuele standaardkoeproductie (isk). Dat is de (berekende) melkgift van de betreffende koe op de dag van de mpr als ze op volwassen leeftijd in februari of maart zou hebben afgekalfd en 50 dagen in lactatie zou zijn. De dagproductie wordt gecorrigeerd voor leeftijd, lactatiestadium en seizoen. Dat maakt de prestatie van de koe vergelijkbaar met andere koeien. Alle dieren die tussen 5 en 305 dagen aan de melk zijn, krijgen een isk.
Het gemiddelde van alle isk’s is de bsk. Die vind je op het Bedrijfsoverzicht.
Lactose en ureum
Vet, eiwit en lactosegehalten zijn belangrijk voor de uitbetaling van het melkgeld. Ze geven bovendien extra informatie. Zo is het lactosegehalte nuttig voor het opsporen van gezondheidsproblemen die te maken hebben met voeding. Verse koeien met een laag lactosegehalte hebben mogelijk een energietekort. Bij koeien die al langer in lactatie zijn, duidt een laag percentage lactose vaak op andere problemen. Ook de verhouding tussen vet en eiwitgehalte biedt vaak aanknopingspunten voor voeradviseurs. Het ureumgetal (ur) geeft een indicatie van de benutting van het eiwit in het voer. Vooral de gemiddelde ureumscores voor groepen dieren bieden aanknopingspunten voor de rantsoenbeoordeling en aanpassing. Dat kun je beoordelen in het Bedrijfsoverzicht of in het overzicht MPR Voeding (zie 9.3).
Celgetal
Van elk dier wordt het gemeten celgetal weergegeven, waarbij een celgetal van 90 wil zeggen dat er per ml melk 90.000 (afweer)cellen geteld zijn. Naast het celgetal wordt het aantal keren dat het celgetal verhoogd is binnen de lactatie weergegeven. Verhoogd wil zeggen: >150.000 cellen/ml bij vaarzen en >250.000 cellen/ml bij koeien. Voor een gedetailleerder overzicht is er een overzicht Uiergezondheid (zie 9.3).
Status
Onder ‘Status’ staan de opmerkingen die tijdens de mpr zijn ingevoerd. Verder valt onder status een eventuele groepsindeling, ‘g1’, ‘g2’, etc.
codes betekenis
1 x 1 maal per dag gemolken drg droog drsp driespeen ber berekende gehalten ne niet erkende monstername/ lactatie mast mastitis of uierontsteking onm monstername was onmogelijk toch tochtig tvg te vroeg gekalfd vers nog geen vier dagen geleden gekalfd ziek ziek
Betekenis codes van de kolom ‘status’
Productie, 305 dagenproductie en lactatiewaarde
Naast kalfdatum, leeftijd (uitgedrukt in jaren en maanden), lactatienummer en het aantal dagen in lactatie, zie je in het Dieroverzicht de cumulatieve opgetelde productieresultaten. Er zijn hiervoor twee cijfers: de gerealiseerde productie in de lopende lactatie en de 305 dagenproductie. Als de lopende lactatie nog geen 305 dagen duurt, wordt een voorspelling gemaakt. Met de (voorspelde) 305 dagenproductie kun je dieren onderling vergelijken en checken hoe jouw koeien presteren ten opzichte van je doelen. Ook de lactatiewaarde
(lw) is een kengetal waarmee je dieren kunt vergelijken. Dit is een kengetal voor de productie van een koe ten opzichte van haar stalgenoten. Het gemiddelde van alle koeien is 100. Bij een lw van 90 of lager wordt met een ’ aangegeven dat de koe duidelijk slechter produceert dan de overige koeien. Een lw van 110 of hoger krijgt een ‘+’. De lactatiewaarde is afgeleid van de netto opbrengst (no). Stel een dier heeft een no van 2.500 en het bedrijfsgemiddelde is 2.400, dan is de lw van het individuele dier 2500/2400 * 100 = 104. De lactatiewaarde is een economisch kengetal waarmee je jouw koeien onderling kunt vergelijken. Deze is gebaseerd op het productieniveau en gecorrigeerd voor een aantal factoren, zoals gehalten, leeftijd, lactatiestadium en seizoen. Ook vruchtbaarheid telt mee: een langere tussenkalftijd verlaagt de lw.
Praktisch
Detailoverzicht per dier
Je kunt vanuit het Dieroverzicht nog veel meer details over een individuele koe in beeld krijgen. Door te klikken op de naam van het dier verschijnt een popupvenster met gerelateerde informatie uit onder meer de stamboekregistratie en het gezondheids en vruchtbaarheidsmanagement.
Maak je eigen toplijst
In het Dieroverzicht staan de koeien op nummer gerangschikt. Wil je een ranglijst voor % eiwit? Of voor de 305 dagen lactatieproductie? Klik dan op het betreffende kenmerk en er ontstaat vanzelf een handige rangorde van je koeien.



Voorbeeld van een Bedrijfsoverzicht, de cijfers verwijzen naar de toelichting in de tekst hieronder
Bedrijfsoverzicht
De analyse van mpr gegevens op groeps of koppelniveau is waardevol voor verschillende onderdelen van de bedrijfsvoering, zoals voeding en selectie voor de fokkerij. Het Bedrijfsoverzicht toont daarvoor verschillende kengetallen op bedrijfsniveau en uitgesplitst naar groepen. De groepen worden gesorteerd op lactatiestadium en lactatienummer. Met de indeling op lactatiestadium kun je bijvoorbeeld zien of de dieren goed opstarten na het afkalven. Een groepsindeling op lactatienummer (pariteit, vaarzen, tweedekalfs en oudere koeien) geeft ook inzicht in de vooruitgang in melkproductie van vaarzen ten opzichte van tweedekalfs en oudere dieren.
Dagproductie, 305 dagenproductie, rollend jaargemiddelde
Het Bedrijfsoverzicht toont de gemiddelde dagproductie en de 305 dagenproductie. Daarnaast is er een rollend jaargemiddelde. Dat geeft de terugblik op de afgelopen 365 dagen. Dit wordt berekend door de gemiddelde dagproductie (kg melk, vet, eiwit) van alle koeien uit de monsternames in het afgelopen jaar te vermenigvuldigen met 365.
Lactatiewaarde en de bedrijfsstandaardkoeproductie (bsk)
Net als op het Dieroverzicht zie je hier ook twee gestandaardiseerde productiecijfers: de gemiddelde lactatiewaarde (lw) en de bedrijfsstandaardkoeproductie (bsk). De bsk is een berekende waarde die afgeleid is van de gemiddelde dagproductie per koe, gecorrigeerd voor factoren als leeftijd, afkalfmaand en lactactiestadium. De bsk is de gemiddelde dagproductie op de dag van de monstername als de koe bij volwassen leeftijd (69 92 maanden) in februari/maart afgekalfd zou hebben en 50 dagen in lactatie zou zijn. Je kunt de bsk van je eigen bedrijf vergelijken met andere bedrijven.
De bsk is het gemiddelde van de gestandaardiseerde productie van een individuele koe (de isk op het Dieroverzicht). In het Bedrijfsoverzicht zie je in een grafiek de ontwikkeling van de bsk in de afgelopen 2 jaar. In de berekening zijn producties verwerkt van koeien die tussen 5 en 305 dagen in lactatie zijn.
Economisch jaarresultaat (ejr) en netto-opbrengst (no) Het Bedrijfsoverzicht toont twee economische cijfers: ejr en no. Het economisch jaarresultaat (ejr) is de waarde van de melkproductie. Deze wordt berekend door aan de melkproductie en de gehalten een waarde te geven die overeenkomt met de gangbare melkgeldberekeningen. In 2020 was dat € 1,90 per kg vet, € 3,80 per kg eiwit en € 0,20 per kg lactose. Het andere economische kengetal is netto opbrengst (no), een maat voor het saldo van melkgeld minus voerkosten op basis van de gecorrigeerde 305 dagenproductie en (normatieve) voerkosten. Het Bedrijfsoverzicht toont het verloop van de netto opbrengst in een grafiek.

Een koe krijgt na de monstername een lactatiewaarde en een isk
MPR JAAROVERZICHT
bedrijfsoverzicht
Tel:+31880024440
Verwerkingsdatum
periode:
Productie voor rangschikking (365 dagen)
Rollend jaargemiddelde bedrijvenkoeienlft(gem)melk%eiwit %vet kgvkgeEJRrang 714.09111064.173.404633782419
District West-Nederland1574884.1087524.333.58379314199261
CRV 119121004.0791654.383.594023292098992
Utrecht 800804.0987924.353.58383315200238
Nederland 13493994.0891554.383.5940132920951110
Gemiddelde lactatie-productie aantallft(afk)dagenmelk%vet%eiwitkgvkgeEJR tktlw
Bedrijf 434.02343117934.033.27475385225440297
vaarzen 132.0033391164.413.25402297185538897
2e kalfs 83.02354126663.923.334964212298417101
oudere koeien 225.10345130583.913.25510425247440496
Zwartbont93 HF 3 BS374.02341118673.953.26469387225840098
Roodbont67 HF 13 BS64.06358113374.513.34511378223441292
Afgevoerde koeien 195.0628798234.253.36417330 93
Gemiddelde levensproductie aantallft(gem) afk melk%vet%eiwkgvkge dgn(lact)dgn(drg)
Aanwezige koeien 674.072.7827155280374.053.291135922
Afgevoerd (slacht/dood)216.064.41410239464344.003.2518601511
Monsternames in het statistiekjaar
Voorbeeld van een Jaaroverzicht op bedrijfsniveau
Jaaroverzicht (bedrijf)
Deelnemers aan MPR van CRV krijgen twee jaaroverzichten: op bedrijfsniveau en op dierniveau. Het boekjaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus.
Het Jaaroverzicht (bedrijfsniveau) is niet alleen een terugblik op het afgelopen jaar, het geeft ook een vergelijking van de gemiddelde productie op jouw bedrijf ten opzichte van andere bedrijven. Je ziet het rollend jaargemiddelde en het economisch jaarresultaat (ejr). Voor het ejr zie je jouw positie op de ranglijst van de regio, de provincie en nationaal.
Verder toont het Jaaroverzicht de gemiddelde lactatieproductie en de gemiddelde levensproductie. Lactatieproductie wil zeggen: afgesloten lactaties van koeien die in het verslag
jaar hebben gekalfd. De gemiddelde levensproductie van de aanwezige koeien is de totale productie zoals berekend op 31 augustus. Voor de levensproductie van de afgevoerde dieren worden alleen die dieren meegenomen die afgevoerd zijn voor de slacht, noodslacht of destructie. Koeien die ‘voor het leven’ zijn verkocht, worden hierin niet meegenomen. Onder aan het overzicht staan de gemiddelde resultaten per monstername.
Voorbeeld van een Jaaroverzicht op dierniveau
Jaaroverzicht (dier)
Op het Jaaroverzicht (dierniveau) wordt de gerealiseerde lactatie of 305 dagenproductie van alle koeien vermeld die in de statistiekperiode opnieuw (ten minste voor de tweede keer) gekalfd hebben of zijn afgevoerd. De dieren staan op leeftijdsvolgorde en de afgevoerde dieren staan in een aparte rubriek. De kalf of afvoerdatum die bepalend is voor de publicatie, wordt vermeld. Daarnaast worden de tussenkalftijd (tkt), het aantal dagen droog en het ejr gepubliceerd.

Een jaaroverzicht loopt van 1 september tot en met 31 augustus
Goed om te weten


Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien
Voorbeeld van een KoeKaart
KoeKaart
Productiegegevens van elke koe staan ook op de KoeKaart, die je kunt inzien en downloaden in de module MPR van VeeManager.
Op de KoeKaart staan alle bekende gegevens van de koe: van afstamming, productie, exterieur en fokwaarden tot en met de nakomelingen. Je kunt dit overzicht gebruiken bij beslissingen rond selectie en fokkerij en bij de aan of verkoop van dieren of hun nakomelingen. De KoeKaart is geen officieel stamboekdocument, in tegenstelling tot de stamboom en het exportcertificaat. De KoeKaart wordt automatisch bijgewerkt met de actuele gegevens als je deelneemt aan mpr, exterieurcontrole, stamboekregistratie en ki (of deklijsten).
Melkkoeien geven veel signalen af over hun gezondheid, door de hoeveelheid en de samenstelling van hun melk. Ook daarin is de mpr een belangrijke informatiebron, met overzichten van uiergezondheid en voeding en een duurzaamheidsmonitor.
Overzicht Celgetaluitslag
Bij de mpr kun je van elke individuele koe het celgetal laten onderzoeken. Dat is een maat voor de gezondheid van de uier. Een verhoogde waarde kan duiden op uierontsteking (mastitis). Verhoogd wil zeggen >150.000 cellen/ml bij vaarzen en >250.000 cellen/ml bij koeien. De uitslagen van elke individuele celgetalbepaling vind je terug in het Dieroverzicht. Het overzicht Celgetaluitslag in de module MPR van VeeManager geeft een uitgebreidere analyse op bedrijfsniveau. Net als in het Bedrijfsoverzicht met productiecijfers kun je hier ook onderscheid maken naar lactatienummer en lactatiestadium. Per groep zie je de gemiddelde waarde, het aantal dieren met een verhoogd celgetal en het aantal dieren dat voor het eerst (na langere tijd) een verhoogde waarde heeft (zie volgende pagina nr. 1). 9.3
Er is ook een categorie ‘verhoogd na afkalven’, voor de gevallen die worden geconstateerd bij de eerste monstername na kalven. Die geven een indicatie van problemen bij de jongveeopfok, rond het droogstandsmanagement of rondom het afkalven.
Celgetal uitslag
330828Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde
Deelnamegegevens
celgetalfreq.: zuivelorg/tanknr
Blad1/1 17/08/20
Elke proefmelking Friesland Campina Nederland BV224030
Celgetal informatie
Uiergezondheid
Voorbeeld celgetaluitslag, de cijfers verwijzen naar de toelichting op deze pagina’s
Uiergezondheid
In de celgetaluitslag kun je de actuele cijfers vergelijken met die van de achterliggende periode. Ook zie je grafische weergaves van het percentage verhoogd celgetal en het aandeel nieuwe gevallen in het huidige jaar in vergelijking met het vorige jaar. Dat geeft een beeld van de ontwikkeling van de uiergezondheid.
Tankcelgetal
De zuivelfabriek bepaalt de kwaliteit van de geleverde melk. Een vast onderdeel daarvan is de bepaling van het tankcelgetal. De tankcelgetalinformatie wordt met de centrale database van CRV uitgewisseld, mits je daarvoor toestemming hebt gegeven. Deze tankcijfers worden ook verwerkt als grafiek in het overzicht Celgetaluitslag.
Celgetalpatronen: omgevingsgebonden en koegebonden
Via de mpr kun je als veehouder alle zichtbare mastitisgevallen doorgeven. Het aantal gemelde gevallen komt terug in het overzicht. Je vindt er ook gegevens over patronen in het verloop van het celgetal. Die geven informatie over de aard van ziekteverwekkers die uierontsteking veroorzaken. Bij een snel herstel (één keer een te hoog celgetal) hebben koeien vaker last van een bacterie uit de omgeving (omgevingsgebonden, bijvoorbeeld E. coli). Daarvan ligt de oorzaak vaak in de voeding, de huisvesting of de wijze van melken. Als het verhoogd celgetal meerdere monsternames aanhoudt, is meestal sprake van een koegebonden ziektekiem. Denk bijvoorbeeld aan S. aureus. Met behulp van bacteriologisch onderzoek (bo) van de melk van probleemdieren kun je een betere diagnose van de ziekteverwekker stellen, zodat je gerichter kunt behandelen. Via het logistieke netwerk van de mpr kun je flesjes en formulieren voor een bo laten brengen en afhalen.

melkmonster genomen voor mpr kun je ook laten onderzoeken op een aantal aandoeningen
Bacteriologisch onderzoek
Het advies luidt om bij koeien die twee tot drie keer een verhoogd celgetal hebben gehad, een bacteriologisch onderzoek (bo) te laten uitvoeren. Bij koeien die meer dan 70 dagen in lactatie zijn, is dat het geval als het geometrisch gemiddelde van de laatste drie celgetalbepalingen uitkomt op 250.000 cellen/ml of meer. Voor vaarzen is de drempel 200.000 cellen/ml. Bij koeien die korter dan 70 dagen melk geven is het raadzaam om een bo uit te laten voeren na tweemaal een verhoogd celgetal. Als je gebruikmaakt van KoeAttenties MPR word je automatisch geattendeerd wanneer dat het geval is.
Praktisch
Extra onderzoek melkmonsters
De individuele mprmonsters kunnen ook onderzocht worden op andere aandoeningen. Dat kan voor ziekten waarvoor ook tankmelkonderzoek mogelijk is, zoals paratbc, ibr, salmonella, leptospirose en blauwtong.
MPR Voeding
Afwijkingen in de melkgift en/of gehalten kunnen op een probleem in de voeding duiden, zeker als meerdere koeien hetzelfde beeld laten zien. Ook het ureumgetal en de ketosebepaling leveren belangrijke signalen. Het ureumgetal geeft een indicatie van de benutting van het eiwit in het rantsoen. Zeker voor de groep pasgekalfde dieren (van 0 tot 60 dagen) is het juiste rantsoen belangrijk. Een ureumgetal van 18 tot 28 is optimaal. Een veel te laag of te hoog ureumgetal wijst op een niet optimale eiwitbenutting. Dat heeft invloed op de melkproductie, de gezondheid en de vruchtbaarheid van de dieren, vooral als dat optreedt in combinatie met een negatieve energiebalans. Het ureumgetal staat op zowel het Dieroverzicht als op het Bedrijfsoverzicht. Een overzicht van de ontwikkeling op koppel en groepsniveau vind je in MPR Voeding.
Ketose
De aanwezigheid van ketonlichamen (stoffen die vrijkomen bij afbraak van lichaamsvet) in de melk kan duiden op voedingsgerelateerde ziekten, zoals (sub)klinische slepende melkziekte (ketose) en pensverzuring. Slepende melkziekte komt het meest voor bij verse koeien (0 tot 60 dagen in lactatie), met name bij de oudere dieren die een (te) hoge conditiescore hadden voor het afkalven. De oorzaak is een chronisch tekort aan energie (negatieve energiebalans) bij de opstart van de melkproductie. Melkmonsters worden onderzocht op het ketonlichaam aceton. Het onderzoek op ketose geeft de veehouder een duidelijk overzicht van de dieren die zeker (sub)klinische melkziekte hebben.
Onderzoek op ketose geeft je een duidelijk overzicht welke dieren (sub)klinische melkziekte hebben
Overzicht in drie onderdelen Het overzicht MPR Voeding bestaat uit drie onderdelen.
Meting laatste MPR
Het eerste onderdeel is een tabel met gegevens van de verschillende lactatiegroepen. Hierin staan aantallen dieren die mogelijk aandacht nodig hebben in verband met ketose, een afwijkende verhouding vet en eiwit, en pensverzuring. Verder bevat de tabel het gemiddelde ureumgetal per groep. Ten slotte wordt de behaalde melkproductie uitgedrukt als percentage van de verwachte productie op groepsniveau. Een (tegenvallende) score van minder dan 100 procent kan duiden op problemen op bedrijfs of groepsniveau.
Ureum-eiwitoverzicht
Het tweede onderdeel is een figuur waarin het ureumgehalte (horizontale as) wordt afgezet tegen het eiwitpercentage (verticale as). In deze figuur zijn de lactatiegroepen uitgebeeld in bolletjes. De grootte van de bol geeft ook de grootte van de groep aan. De verticale stippellijnen geven de grenzen aan voor de optimale ureumwaarde. Deze figuur laat zien hoe goed de verschillende groepen het aangeboden rantsoen benutten. Eventuele afwijkende groepen vallen direct op. In elke hoek van de figuur is beknopt de energieeiwitverhouding van het rantsoen aangegeven die hoort bij die plek in de figuur.
Jaaroverzichten ureum en ketose
Het derde element van MPR Voeding zijn de jaaroverzichten voor ureum (gemiddeld ureumgetal) en ketose (percentage potentiële probleemgevallen). Deze figuren tonen het ureumgehalte in cijfers per maand voor de nieuwmelkte koeien (0 tot 60 dagen in productie) en het hele bedrijf. Vergelijkbare grafieken zijn er voor ketose.
Naast KoeAttenties MPR voor productie en uiergezondheid zijn er ook KoeAttenties Vruchtbaarheid. Daarover lees je in H7. Vruchtbaarheid

Voorbeeld overzicht
KoeAttenties, de cijfers verwijzen naar de toelichting op deze pagina’s
KoeAttenties MPR voor productie en uiergezondheid
Attentielijsten wijzen je op koeien die aandacht nodig hebben. Managementsystemen baseren deze attenties op verschillende gegevens. Als je de juiste signalen herkent, kun je in een vroeg stadium ingrijpen. Bijvoorbeeld door een zieke koe te laten onderzoeken en behandelen, of door het rantsoen aan te passen. In VeeManager heten deze attentielijsten KoeAttenties. KoeAttenties op basis van mpr gegevens zijn gericht op productie en uiergezondheid.
Attenties afwijkende productie
Er zijn twee productiegerelateerde attenties. De eerste is voor koeien met een melkgift of gehalten die sterk afwijken van de verwachting tijdens de eerste 120 dagen van de lactatie.
9
Op de lijst staan de koeien op volgorde van kalfdatum. Links in de tabel staan de gemeten productieresultaten, in de kolommen rechts is met kruisjes aangegeven wat het mogelijke probleem is. Deze problemen zijn:
• Gerealiseerde melkgift is kleiner dan 85% van de verwachte hoeveelheid.
• Het vetpercentage is lager dan 3,80.
• Het eiwitpercentage is lager dan 3,00.
• Kans op pensverzuring: het vetpercentage is lager dan het eiwitpercentage en lager dan 4,00.
• Kans op ketose (slepende melkziekte):
de verhouding tussen het vet en eiwitpercentage is verstoord, het verschil is meer dan 1,50 procentpunt, waarbij het eiwitpercentage lager is dan 3,25.
hoog ketosegetal: bij deze dieren is met grote zekerheid (sub)klinische slepende melkziekte vastgesteld.
Veel veehouders maken gebruik van de mogelijkheid de dierenarts (via pirDap) en/of de voerleverancier mee te laten kijken naar de mpr-uitslagen
Attenties afwijkend melkvet
Bij de tweede productiegerelateerde melding gaat het om een sterke daling van het vetgehalte bij de nieuwe ten opzichte van de vorige monstername. Dit duidt op een sterk negatieve energiebalans. Deze dieren verbruiken te veel van hun eigen lichaamsreserves. De vastgelegde percentages vet en eiwit zijn van belang, maar nog belangrijker is de verhouding tussen de percentages. Koeien die een verhoogde kans hebben op pensverzuring of slepende melkziekte komen op deze manier in beeld. Ook de koeien waarbij ketose is aangetroffen in de melk en die dus last hebben van (sub)klinische slepende melkziekte zijn geattendeerd. De geconstateerde afwijkingen zijn weergegeven door middel van kruisjes. De bijzonderheden staan in de kolom ‘opmerking’.
Celgetal als maat voor uiergezondheid
KoeAttenties voor uiergezondheid zijn afgeleid van het celgetal in de melk. Met deze lijst heb je mogelijke probleemkoeien in beeld, ook over een langere periode. Je ziet daarbij de incidenten en chronische gevallen. Ook zijn de effecten van de uitgevoerde behandelingen te volgen. Er zijn drie categorieën: nieuw verhoogd celgetal, verhoogd celgetal en droogstand. De eerste categorie bestaat uit koeien die voor het eerst of opnieuw (na een langere tijd) een verhoogd celgetal laten zien. Dat wil zeggen: voor vaarzen hoger dan 150.000 cellen/ml, voor koeien hoger dan 250.000 cellen/ml. De tweede categorie bestaat uit dieren die herhaald een te hoge waarde hebben. Het overzicht toont behalve lactatiegegevens ook de celgetallen van vorige monsternames, het aandeel van de betreffende koe in de verhoging van het tankcelgetal (‘% tank’) en het aantal malen met een verhoogd celgetal in de lopende lactatie (‘verh’). In de kolom ‘opmerking’ staan eventuele bijzonderheden, hier zie je opmerkingen die bij de proefmelking zijn gemaakt. Hier verschijnt ook de opmerking ‘bo’ bij dieren die in aanmerking komen voor bacteriologisch onderzoek. Bij de categorie droogstand gaat het om koeien die met een te hoog celgetal de droogstand zijn ingegaan.
Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel 187

Je kunt in de Duurzaamheidsmonitor toevoegen waarom je dieren afvoert
Duurzaamheidsmonitor
Hoe langer de koeien meegaan, hoe hoger het rendement. Want een nieuwe koe klaarstomen voor productie kost veel tijd en geld voor de opfok. De Duurzaamheidsmonitor (zie het voorbeeld rechts) in de module MPR van VeeManager geeft je inzicht in hoe duurzaam jouw veestapel produceert. Hij biedt ook een overzicht van de oorzaken van afvoer.
Nettodagrendement (ndr)
De duurzaamheid van de productie wordt weerspiegeld in het kengetal nettodagrendement (ndr). Dat is een berekend saldo per koe per dag: opbrengsten uit melkgeld minus voerkosten, gedeeld door het aantal levensdagen. In deze calculatie worden de kosten en opbrengsten gecorrigeerd voor een aantal factoren, net als in de lactatiewaarde en het economisch jaarresultaat. Het overzicht toont het ndr van verschillende leeftijdsgroepen.
Normaal gesproken is de waarde bij de oudere koeien het hoogst.
Afvoerreden
De Duurzaamheidsmonitor geeft daarnaast ook een beeld van de redenen waarom je dieren hebt afgevoerd. Dat zijn de opmerkingen die je zelf kunt toevoegen als je de module Registratie van VeeManager gebruikt voor de afvoermeldingen in het I&R systeem. In de Duurzaamheidsmonitor staan deze gegevens op bedrijfsniveau bij elkaar, zodat je de gedwongen afvoer beter kunt analyseren.
De Duurzaamheidsmonitor is een spiegel voor de bedrijfsvoering. Je kunt jouw gegevens vergelijken met landelijke data. Het overzicht biedt ook aanknopingspunten voor bedrijfsbegeleiders, bijvoorbeeld dierenartsen en voeradviseurs.



Voorbeeld van de Duurzaamheidsmonitor

9.4
Behandelplannen en medicijnregistratie
Als veehouder ben je begaan met de gezondheid van je dieren. Waar nodig voer je behandelingen uit om problemen te verhelpen of te voorkomen, in de meeste gevallen samen met de dierenarts.
Een goede uitwisseling van informatie is hierbij cruciaal.
Het vastleggen van gegevens helpt om de gezondheid op jouw bedrijf verder te verbeteren. Je kunt daarmee beter bepaalde patronen ontdekken, of het effect van behandelingen beoordelen. Door jouw data te delen, kun je ervoor zorgen dat de dierenarts en andere experts op de hoogte zijn van jouw situatie. Ze kunnen je dan beter adviseren.
Rundveehouders zijn verplicht om samen met een vaste dierenarts een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan op te stellen voor het bedrijf.
De zuivelindustrie verlangt ook van melkveehouders dat ze gezondheidsgegevens en het diergeneesmiddelengebruik registreren. Dat is opgenomen in de leveranciersvoorwaarden.
Goed om te weten
KoeMonitor: één systeem voor Nederlandse melkveehouders Nederlandse melkveehouders werken sinds 2020 met KoeMonitor, een systeem voor monitoring en borging. Hiermee laten ze zien dat ze de regels voor diergezondheid, dierenwelzijn en de voedselveiligheid naleven. KoeMonitor bestaat uit drie onderdelen: KoeAlert, KoeData en KoeKompas. Bij KoeAlert gaat het om het signaleren (door de veehouders) van koeien met mogelijke gezondheidsproblemen. KoeData zijn kwartaaloverzichten met diergezondheidsdata. KoeKompas is een managementsysteem dat de diergezondheid, het dierenwelzijn en de mogelijke risico’s op het melkveebedrijf in kaart brengt. KoeMonitor is ontwikkeld door LTO, NMV en NZO, in samenwerking met KNMvD en CPD. ZuivelNL, de ketenorganisatie van de zuivelsector, verzorgt de uitvoering. Meer informatie over KoeMonitor vind je op www.koemonitor.nl.
Online gegevens uitwisselen met de dierenarts
Voor een professioneel melkveebedrijf is automatische verwerking en uitwisseling van gegevens rond diergezondheid eigenlijk onmisbaar. Dierenartspraktijken kunnen hiervoor gebruikmaken van pirDAP. De naam staat voor ‘partners in rendementsverbetering Dierenartspraktijken’. Het is ontwikkeld door CRV, de dierenartsenorganisatie KNMvD en diergeneesmiddelenfabrikant Zoetis. De gegevens uit pirDAP worden gedeeld met veehouders via een koppeling in de module Diergezondheid in VeeManager. In dit systeem legt de dierenarts behandelingen en verstrekte medicijnen vast. Voor regelmatig voorkomende gevallen stel je samen vaste behandelplannen vast. Als veehouder kun je in de module Diergezondheid vervolgens ook zelf een behandelplan koppelen aan een dier of diergroep. Dat werkt efficiënt en geeft ook structuur en overzicht. De behandelplannen brengen structuur in de aanpak van voorkomende ziektegevallen. Alle behandelingen worden automatisch geregistreerd. Ook houd je met deze module automatisch een sluitende medicijnregistratie bij waarmee je voldoet aan de eisen van de zuivelsector en de overheid.

de gezondheid van de koeien
Overzichten diergezondheid
De module Diergezondheid geeft je inzicht in de ziekten die voorkomen in je koppel, de uitgevoerde behandelingen en de effectiviteit daarvan. Je kunt overzichten raadplegen op bedrijfsniveau, maar ook op het niveau van individuele dieren, bijvoorbeeld de behandelhistorie van een koe.
Naast het dier en bedrijfsoverzicht voor ziekten en behandelingen kun je ook een overzicht raadplegen voor de voorraad en aankoop van medicijnen. Op het overzicht ‘Niet geleverde melk’ kun je zien van welke dieren geen melk geleverd mocht worden en hoeveel dagen dit duurde. Hiermee kun je uitrekenen hoeveel melk de betreffende aandoeningen hebben gekost.
De module Diergezondheid draagt bij aan een bewuster medicijngebruik. Doordat zaken inzichtelijker worden, kun je eerder actie ondernemen en vindt er een verschuiving plaats van behandelen naar preventief werken.
Bedrijfsbegeleiding
Dierenartsen kunnen de data van afzonderlijke veehouders vergelijken met landelijke gemiddelden, zodat ze gerichter kunnen adviseren op basis van de sterke en zwakke punten in jouw situatie. PirDAP is ontwikkeld met als doel het stimuleren en intensiveren van bedrijfsadvisering door de erkende rundveedierenarts. Als veehouder kun je de betreffende dierenarts ook machtigen om mpr resultaten en vruchtbaarheidsgegevens in te zien. Die kan hij ook betrekken in de bedrijfsbegeleiding.


9.5
Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen
Je wilt klauwproblemen effectief aanpakken en het liefst voorkomen. Daarvoor heb je inzicht nodig in de aard van de problemen en de oorzaak ervan.
Schadepost
Kreupelheid is samen met mastitis en problemen met de vruchtbaarheid het belangrijkste diergezondheidsprobleem bij runderen. De kosten van kreupelheid liggen tussen € 100 en € 300 per kreupele koe. Dat is de optelsom van directe kosten, zoals behandelkosten en een verlaagde melkproductie, en indirecte kosten, zoals een verhoogde vatbaarheid voor mastitis, verminderde vruchtbaarheid en uitval. Uit onderzoek blijkt dat op een doorsnee bedrijf de schade ruim € 81 per gemiddeld aanwezige koe bedraagt.
Infectieuze en niet-infectieuze kreupelheid
Het bekendste verschijnsel bij klauwaandoeningen is kreupelheid. Vaak heeft een koe al last voordat ze zichtbaar kreupel is. Ze beweegt dan al moeizamer en daardoor functioneert ze niet optimaal. Klauwproblemen zijn grofweg te verdelen in infectieuze en niet infectieuze aandoeningen. De belangrijkste infectieproblemen zijn mortellaro, stinkpoot en tussenklauwontsteking. Deze vormen van kreupelheid worden veroorzaakt door bacteriën.
De besmetting komt veelal uit de stal. Door een goede hygiëne, een niet te hoge stalbezetting en regelmatig een voetbad kun je problemen voorkomen of beperken. Niet infectieuze klauwaandoeningen zijn het gevolg van overbelasting, vaak in combinatie met tekortkomingen in de voeding. De bekendste kwalen zijn zoolbloedingen, wittelijndefecten en zoolzweren.

Informatie verzamelen over klauwproblemen geeft inzicht in de klauwgezondheidsstatus
DigiKlauw
Inzicht is cruciaal voor de aanpak van klauwproblemen. Een interessant hulpmiddel is
DigiKlauw, een dataregistratiesysteem dat is ontwikkeld door de klauwverzorgers van de Agrarische Bedrijfsverzorging (AB), de Vereniging Voor Rundvee Pedicure (VVRP) in Nederland, de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en CRV.
In dit systeem leggen klauwverzorgers hun bevindingen vast. Dat levert overzichten op waarmee veehouders inzicht krijgen in de klauwgezondheidsstatus. Zeker als je regelmatig gegevens registreert, krijg je inzicht in het verloop van bepaalde klauwproblemen en het effect van maatregelen. Je kunt de data ook benutten voor preventie. Sommige aandoeningen vragen om een aanpassing in de stalvloer, andere om een wijziging in de voeding of een specifieke behandeling. Het is dan ook nuttig om overzichten te bespreken met je dierenarts of voeradviseur.
Overigens kunnen behalve professionele klauwverzorgers ook dierenartsen en veehouders data invoeren.
Praktisch
DigiKlauw gekoppeld aan VeeManager en pirDAP
DigiKlauw is gekoppeld aan het managementsysteem VeeManager van CRV. De gegevens over klauwgezondheid worden ingevuld op een (digitale) stallijst die wordt aangemaakt op basis van VeeManager. De klauwverzorger registreert zijn bevindingen met behulp van een smartphone, tablet of pda (handcomputer). Nadat het systeem de gegevens heeft verwerkt, kun je de resultaten inzien in het onderdeel Klauwgezondheid in de VeeManagermodule Diergezondheid (je hoeft hiervoor geen VeeManagerabonnement te hebben). Ook dierenartsen kunnen toegang krijgen tot de resultaten, via pirDAP.

Naast de verschillende aandoeningen kun je in DigiKlauw ook aangeven of je tape of een blokje hebt aangebracht
Uniforme methode voor typeren belangrijkste aandoeningen
DigiKlauw is gebaseerd op een uniforme methode voor het typeren van klauwgezondheidsgegevens, ontwikkeld door de GD (Royal GD, Gezondheidsdienst voor Dieren in Nederland). De klauwverzorger kan tien verschillende aandoeningen per koe registreren en daarnaast nog drie andere kenmerken vastleggen (zie kaart en tabel op de volgende pagina’s). Voor de vijf belangrijkste wordt de ernst van de aandoening vastgelegd (1 is licht aanwezig, 2 is duidelijk aanwezig en 3 is ernstig kreupel). Voor de overige aandoeningen volstaat de melding of het kenmerk dat het zichtbaar is of niet. Verder kan de verzorger aangeven of hij een blokje of verband heeft aangebracht en of hij een koe de volgende keer wil zien.
nr. kenmerk afkorting waarde
1 mortellaro
2 stinkpoot
3 zoolbloeding (kneuz.)
4 wittelijndefect
6 chronische bevangenheid
7 tyloom
8 dikke hak
teenpuntnecrose
10 tussenklauw
blokje bevestigd bL x
12 verband Vb x
13 volgende keer zien
Scoren van klauwaandoeningen
Klauwgezondheidsscore KGS
Op basis van de gestandaardiseerde gegevens heeft de GD de klauwgezondheidsscore KGS ontwikkeld. Dat is een kengetal voor de gezondheidsstatus op het bedrijf ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De score loopt van 0 tot 100. Een KGS van 50 is gemiddeld, hoger is goed en lager is ongewenst. In deze score wordt rekening gehouden met onder andere pariteit (eerste , tweedekalfs), lactatiestadium en seizoen van bekappen. Er is een klauwgezondheidsscore per aandoening (mortellaro, stinkpoot, zoolbloeding, witte lijn, zoolzweer, tyloom). Daarnaast krijg je ook een totaalscore.
Overzichten
De klauwgezondheidsscores vind je terug in overzichten op bedrijfs en dierniveau. Het bedrijfsoverzicht Klauwgezondheid bestaat uit drie gedeelten. Het eerste is een overzicht van de scores uit de laatste behandelingen op een rij. Verder krijg je een overzicht van het aantal aandoeningen tijdens de laatste bekapping, uitgesplitst naar zowel leeftijdscategorieën als lactatiegroepen. Het derde onderdeel is het verloop van de algemene klauwgezondheidsscore.
Dieroverzichten en attentielijsten DigiKlauw laat via het Dieroverzicht de vastgelegde data per dier zien. Je kunt per dier doorklikken naar de klauwgezondheidshistorie van het betreffende dier. Het is ook mogelijk om het overzicht van eerdere bekappingen te bekijken. Op het Dieroverzicht vind je ook een attentielijst met dieren die volgens de klauwverzorger extra aandacht nodig hebben.
























De klauwenscorekaart, ontwikkeld door GD en CRV
Praktisch
Bewegings- of locomotionscore Je kunt gemakkelijk zien of een koe kreupel is of niet, maar hoe krijg je een beeld van de klauwgezondheidssituatie van het hele koppel? Dat kan met de bewegings of locomotionscore. Aan de hand van een scorekaart kun je eenvoudig per koe een waardering geven voor de klauwgezondheid. Daarbij is de kromming van de rug een belangrijk ijkpunt. Bij een goede klauwgezondheid scoort 80% van de koeien een 1 of 2.
Meer over fokwaarden vind je in H4. Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen
Goed om te weten
Fokwaarden en de index klauwgezondheid
Dankzij de registratie van gegevens over individuele koeien herbergt DigiKlauw een schat aan informatie over de klauwgezondheid. CRV koppelt de data aan de cijfers van de ouders van het dier en gebruikt de informatie voor het berekenen van fokwaarden. Er zijn fokwaarden voor de zes meest voorkomende aandoeningen. Deze zes worden verwerkt in één klauwgezondheidsindex.
Stieren met een hoge klauwgezondheidsindex dragen positief bij aan de klauwgezondheid op de bedrijven. Zodra van 15 bekapte dochters van één stier de gegevens binnen zijn bij CRV, inclusief de beenexterieurkenmerken, zorgt dit voor een betrouwbaarheid van 60%. Bij 30 bekapte dochters stijgt de betrouwbaarheid van de fokwaarde naar 70%.
De gegevens zijn te vinden bij de verervingsgegevens op de stierenkaart en nog uitgebreider op de site.

Samenvatting
In melk zit heel veel informatie verborgen. De melkproductieregistratie (mpr) zorgt ervoor dat die data beschikbaar komen. Dat helpt je bij het managen van je bedrijf en je veestapel.
Deze data worden omgerekend naar kengetallen. Denk bijvoorbeeld aan de bsk, waarmee je je bedrijf kunt vergelijken met andere bedrijven. Of het celgetal om de uiergezondheid te monitoren. En het ureumgehalte: dat geeft aanknopingspunten voor het optimaliseren van het rantsoen.
De mpr geeft ook informatie over individuele koeien. Dankzij attentielijsten weet je welke koeien je in de gaten moet houden. Welke koe heeft een verhoogd celgetal of kans op ketose? Tijdig reageren kan helpen om ziekten en dus schade te voorkomen. Daarmee kun je je veestapel gezond houden en efficiënt laten produceren.
Naast mpr zijn er meer manieren om informatie uit de veestapel te halen. Het vastleggen van gegevens over ziektebehandeling en medicijngebruik helpt je om de gezondheid op jouw bedrijf verder te verbeteren. Je kunt daarmee beter bepaalde patronen ontdekken of het effect van behandelingen beoordelen. Je kunt deze gegevens gemakkelijk delen met de dierenarts en andere organisaties.
Met DigiKlauw registreert de klauwverzorger zijn bevindingen en krijg je inzicht in de klauwgezondheidsstatus van je bedrijf. De gegevens van DigiKlauw worden gekoppeld aan de afstamming van de koeien. Zo leveren ze ook een bijdrage aan de fokwaarde klauwgezondheid.
Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel
Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

HOOFDSTUK 10
Kringloop en mineralen
Als ondernemer streef je naar een efficiënte productie. De maatschappij vraagt bovendien nadrukkelijk aandacht voor de impact van veehouderijbedrijven op hun omgeving, via mest- en milieuwetgeving. CRV Mineraal maakt het gemakkelijker om aan de eisen te voldoen.
In dit hoofdstuk:
10.1 FosfaatPlanner
10.2 CRV Mineraal
10.3 CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht
10.4 CRV Mineraal: Derogatieoverzicht
10.5 CRV Mineraal: BEX

10.1 FosfaatPlanner
Elk melkveebedrijf in Nederland heeft sinds 2018 fosfaatrechten. Deze geven aan hoeveel kilo fosfaat er in een jaar op het bedrijf geproduceerd mag worden. Je wilt ze optimaal benutten, maar moet tegelijkertijd oppassen dat je de grenzen niet overschrijdt. Dat is best een uitdaging. De FosfaatPlanner is een handig hulpmiddel.
Wat is de FosfaatPlanner?
De FosfaatPlanner van CRV kan de fosfaatproductie over het hele jaar voorspellen. Deze planner verzamelt automatisch informatie over de veestapel en de zuivelleveranties op je bedrijf. Zo heb je zicht op het aantal koeien dat kalft, het aantal vaarzen dat instroomt, en de hoeveelheid melk die je hebt geproduceerd. Daarmee geeft de FosfaatPlanner een nauwkeurige voorspelling van de fosfaatproductie van het hele jaar. Zo kun je de fosfaatproductieruimte op je bedrijf optimaal benutten zonder de fosfaatgrens te overschrijden. Hoe dichter je bij de laatste datum van het jaar komt, hoe nauwkeuriger de voorspelling. Maar let op: bijsturen in aantal dieren of melkproductie heeft dan nog maar een heel klein effect.
Bedrijfsspecifieke instellingen
Naast het voorspellen van de fosfaatproductie kun je met de FosfaatPlanner ook bedrijfsspecifieke scenario’s doorrekenen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de fosfaatproductie als de productie stijgt? Of als je de droogstand verlaagt van 60 naar 50 dagen? En wat betekent het als je deze maand 5 koeien afvoert? Je kunt de planner benutten om binnen de fosfaatgrenzen je bedrijfsvoering te optimaliseren.
Praktisch
Fosfaatrechten
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) houdt het aantal fosfaatrechten bij dat aan je melkveebedrijf is toegekend. Melkveehouders hebben de fosfaatrechten toegekend gekregen op basis van de veestapel die ze op 2 juli 2015 hadden en de gemiddelde melkproductie per koe in dat jaar. Door aan of verkopen kan de hoeveelheid fosfaatrechten wijzigen.
In Vlaanderen: mestactieplan (MAP)
In dit hoofdstuk gaat het over de Nederlandse mestwetgeving. Hoe zit het in Vlaanderen? Daar is het mestactieplan in werking: MAP. In dit plan staan de maatregelen die Vlaamse veehouders nemen om de Europese kwaliteitsdoelen te halen voor grond en oppervlaktewater. In de Vlaamse wetgeving wordt het MAP omgezet naar het mestdecreet: MAP 6. Melkveehouders hebben onder andere te maken met nutrientenemissierechten (NER), mestproductie, transport en toediening op het bedrijf, en het meten van nitraatresidu’s. In Vlaanderen zorgt de Mestbank voor het verwerken van de administratie, de controle en ook de naleving van de mestwetgeving.

Ook voor jongvee heb je fosfaatrechten nodig

10.2 CRV Mineraal
Als melkveehouder heb je te maken met vaak complexe wetgeving op het gebied van de mineralenhuishouding. Op welke manier kun je daaraan voldoen? CRV heeft samen met andere grote coöperaties en organisaties, grondlaboratoria en mengvoer- en zuivelindustrie het programma CRV Mineraal ontwikkeld. Dit geldt inmiddels als standaard in de sector.
Mestboekhouding
Het gebruik van organische, dierlijke mest en minerale kunstmeststoffen is aan maxima gebonden. Daarom moet je als melkveehouder een mestboekhouding bijhouden. Globaal betekent het dat je aangeeft hoeveelheid dieren je houdt, hoeveel mest ze produceren en hoeveel grond je hebt om de mest te kunnen plaatsen. Een overschot moet je afvoeren en eventueel verwerken, en je kunt mest aanvoeren wanneer je meer grond dan mest hebt. CRV Mineraal helpt om te voldoen aan de administratieve verplichtingen.
Onder het kopje CRV Mineraal binnen
VeeManager zijn alle hulpmiddelen te vinden om aan de wet en regelgeving te voldoen
Zelf invullen of laten invullen
Als veehouder kun je de mestboekhouding zelf bijhouden en verwerken. Je kunt ook een adviseur inschakelen. Die heeft ervaring en is op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Ook als je het uitbesteedt, is het goed om inzicht te hebben in de beschikbaarheid en de benutting van mineralen.
Met CRV Mineraal kun je op een eenvoudige manier een goed onderbouwd bemestingsplan opstellen. Tegelijkertijd is inzichtelijk of je bedrijf de normen overschrijdt of nog gebruiksruimte onbenut laat. Ook voor de derogatiedeelnemers biedt CRV Mineraal alle mogelijkheden die nodig zijn om aan de overheidseisen te voldoen.

Ook als je de mestboekhouding laat invullen is het goed om zelf inzicht te hebben in de beschikbaarheid en benutting van mineralen
Praktisch
Derogatie
Een sluitend bemestingsplan is een voorwaarde voor deelname aan de derogatie (daarover meer in paragraaf 10.4). De derogatie is een uitzonderingspositie voor de Europese normen voor het gebruik van mest. Boeren in Nederland en Vlaanderen kunnen hiervoor in aanmerking komen. Hiervoor geldt een aantal voorwaarden. Zo moet het bedrijf onder andere uit minimaal 80% blijvend grasland bestaan, is bemesting met fosfaatkunstmest niet toegestaan en moet je een sluitend bemestingsplan hebben. Als je aan de voorwaarden voor derogatie voldoet, mag je in plaats van 170 kg stikstof 230 of 250 kg stikstof per hectare uit dierlijke mest toedienen. 230 kg geldt voor landbouwgrond op zand en lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, NoordBrabant of Limburg. In de rest van Nederland mag je 250 kg stikstof toedienen.
Digitaal informatie verzamelen
Met CRV Mineraal kun je een sluitend bemestingsplan maken. Daarmee laat je zien waar de mest naartoe gaat die op je bedrijf is geproduceerd. CRV heeft de module verdeeld in vier thema’s: grond, vee, mest en voer.
Goed om te weten
Samenwerking van de sector
CRV Mineraal is ontwikkeld in samenwerking met veehouders, de veevoerindustrie, de zuivel en organisaties die grond en gewasonderzoek uitvoeren. De informatie van al die bedrijven is van belang voor het bemestingsadvies. Bij CRV Mineraal komt al die informatie digitaal bij elkaar, uiteraard alleen met jouw toestemming.
CRV Mineraal bestaat uit een aantal overzichten: het Bedrijfsoverzicht (10.3), het Derogatieoverzicht (10.4) en bedrijfsspecifieke excretie (10.5).

CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht
In het Bedrijfsoverzicht van CRV Mineraal wordt bepaald hoeveel dierlijke en organische mest je beschikbaar hebt en hoeveel kunstmest je kunt inzetten.
In dit overzicht komen de data van je veestapel, de melkproductie, de mestproductie en de grond bij elkaar. In bijgaand voorbeeld (zie volgende pagina) worden de verschillende blokken op dit overzicht uitgelegd.
Deelnamegegevens
Het BRS nummer is het LNV relatienummer waaronder je staat geregistreerd bij Dienst Regelingen. Per BRS nummer dien je een mestboekhouding bij te houden. Aan één BRSnummer kunnen meerdere UBN’s gekoppeld zijn. In het blokje uitgangspunten staat nog een aantal specifieke kenmerken, zoals derogatie, fosfaatdifferentiatie en beweiden.
Grond en gewas
Hier staat per grondsoort het aantal hectares grasland en bouwland, zoals je dat hebt geregistreerd bij RVO. Voor de derogatie moet je minimaal 80% van de grond als grasland in gebruik hebben. Het laatste blok geeft het eventuele aantal hectares aan dat buiten de mestwetgeving valt (bijvoorbeeld natuurterreinen).
Tel:088-0024440
CRV Mineraal
Verwerkingsdatum
Uitgangspunten: - Derogatie:Ja
Periode 20-08-2019 - 19-08-2020
Diercategorie
100Melk- en kalfkoe 73001442146773.674.0
101Jongvee < 1 jaar 142640344192320.926.0
102Jongvee > 1 jaar 22301214041915.111.0
104Fokstier > 1 jaar 100000100.20.2
Gemiddeld aantal dieren
In dit overzicht zie je het jaargemiddelde van dieraantallen over de periode van 1 jaar voorafgaand aan de verwerkingsdatum of een kalenderjaar. Het gemiddelde dieraantal wordt berekend door per diercategorie van elk aanwezig dier het aantal dagen aanwezig op te tellen en dit getal te delen door 365 (366 bij een schrikkeljaar). Deze gegevens komen overeen met de informatie op de Rundveestaat en de veesaldokaart.
Melkproductiekenmerken
De zuivelindustrie geeft de zuivelleveranties door. De gemiddelde productie per koe bestaat uit de geleverde kilo’s melk per jaar gedeeld door het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien. Het gemiddeld ureumgetal is het gemiddelde van de tankleveranties uit het voorgaande jaar.
Beide getallen (gemiddelde productie en ureumgetal) worden gebruikt voor het vaststellen van de stikstofproductie op het bedrijf. Hiervoor wordt het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien vermenigvuldigd met de excretienorm die hoort bij de vastgestelde productiecijfers en het ureumgetal. 3 4

De afgeleverde kilo’s melk per koe en het gemiddeld ureumgetal bepalen de stikstofproductie op het bedrijf
Berekening voorspelde mestproductie
Door de gemiddelde dieraantallen uit het rollend jaargemiddelde te vermenigvuldigen met de stikstof en fosfaatexcretienormen die gelden per diercategorie, wordt de mineralenproductie in kilo stikstof en fosfaat van het bedrijf zichtbaar.
CRV Mineraal houdt per diercategorie rekening met de opgegeven verhouding tussen drijfmest en vaste mest en hanteert de bijbehorende excretienormen. Je kunt zelf de beweidingsduur en het percentage vaste mest online aanpassen. Met deze aangepaste gegevens wordt dan gerekend.
Gebruiksruimte dierlijke mest
Voor zowel stikstof als fosfaat bestaat er een zogenaamde plaatsingsruimte op het bedrijf. De plaatsingsruimte voor stikstof wordt berekend door het aantal hectares te vermenigvuldigen met 170, 230 of 250 kg stikstof per hectare (afhankelijk van deelname aan derogatie). De plaatsingsruimte voor fosfaat wordt verkregen door de hectares te vermenigvuldigen met de gebruiksnormen per hectare. Maakt een bedrijf gebruik van de fosfaatdifferentiatie, dan is de norm afhankelijk van het PAL getal (grasland) of het Pw getal (bouwland). Dit gaat per 2021 veranderen.
Berekening gebruik en ruimte dierlijke mest
Door de beschikbare hoeveelheid mest af te trekken van de gebruiksruimte dierlijke mest komt het saldo in beeld. Als er te weinig ruimte is voor de beschikbare mest, is het saldo negatief. In dat geval wordt de gebruiksruimte dierlijke mest overschreden en moet het plan worden aangepast. Door het bemestingsplan vroegtijdig op te stellen, heb je tijdig inzicht in een mogelijke over of onderschrijding van de normen.
Gebruiksruimte meststoffen
Per hectare gelden gebruiksnormen voor het totaal aantal kilo stikstof en fosfaat dat mag worden aangewend. De optelsom van de uitkomsten is de totale gebruiksruimte voor stikstof en voor fosfaat voor het bedrijf.
202364931 Lucky Holsteins
Verwerkingsdatum20/08/20
Berekening voorspelde mestproductie
Diercategorie Aantal Fosfaat NormProductie Mestopslagcapaciteit
Gebruiksruimte dierlijke mest
Beginvoorraad Mestproductie graasdieren Mestproductie staldieren
Aangevoerde dierlijke mest
Afgevoerde dierlijke mest Eindvoorraad
Beschikbare mest - Graasdiermest
Verantwoorde groei melkveehouderij
Verwerkingspercentage behorend bij regio Overig:
Te verwerken kg fosfaat (verwerkingspercentage x Groei Melkveefosfaatoverschot):
Mestverwerking is verplicht bij een te verwerken fosfaatoverschot van >=0 kg. Mestverwerking verplicht:
202364931 Lucky Holsteins
Berekening gebruik en ruimte kunstmest
Gebruiksruimte meststoffen
Werkzame dierlijke mest
Beschikbare dierlijke mest x wettelijke werkingscoëfficient
Beginvoorraad
Aangevoerde kunstmest
Afgevoerde kunstmest
Eindvoorraad
Beschikbare kunstmest
Saldo
Conclusie gebruiksruimte meststoffen
De gebruiksruimte dierlijke mest wordt nog overschreden, hierdoor kan de conclusie met betrekking tot de gebruiksruimte kunstmest onjuist zijn.
Op basis van de huidige gegevens wordt de gebruiksruimte meststoffen niet overschreden.
Bedrijfssysteem
Aanwezige mestopslagcapaciteit Drijfmestm3 Vaste mestm3 Benodigde mestopslagcapaciteit Drijfmestm3
Dierlijke mest beschikbaar voor bemesting
SoortOmschrijvingMestsoort wc Tonkg N /ton kg P O 25 /ton kgkg P O 25 wet. bruto N
Beginvoorraad
Voorraad 2 10 Vaste mest, rundvee 455.06.43.23216
Berekening gebruik en ruimte kunstmest
Bij punt 8 is de totale gebruiksruimte voor stikstof (bij G) en fosfaat (bij H) berekend. Hiervan wordt het werkzame deel vanuit de dierlijke mest afgetrokken. Wat overblijft, is de ruimte voor stikstof uit kunstmest. Het saldo – op de onderste regel – voor stikstof en fosfaat geeft aan of je wel of niet binnen de gebruiksruimte gebleven bent.
Werkingscoëfficiënt
Omdat niet alle mineralen uit dierlijke mest efficiënt worden benut, worden de kilo’s stikstof uit dierlijke mest niet volledig in mindering gebracht op de totale gebruiksnorm. De berekende kilo’s worden eerst vermenigvuldigd met een werkingscoëfficiënt.
Bedrijfssysteem
De wettelijk benodigde mestopslagcapaciteit (1 september1 maar t) voor het bedrijf wordt berekend door het gemiddeld aantal aanwezige dieren per diercategorie te vermenigvuldigen met de forfaitaire mestproductie in die 7 maanden. De totaaltelling geeft de benodigde kubieke meters (m³) mestopslagcapaciteit aan.
Dierlijke mest beschikbaar voor bemesting
Hier staat een overzicht van de dierlijke mest die beschikbaar is voor bemesting. In de berekening worden de (bekende) beginvoorraad, de productie, de aan en afvoer van mest en de eindvoorraad meegenomen.
Kunstmest beschikbaar voor bemesting
Productie Prognose Voorraad 210 Vaste mest, rundvee 5.06.43.23216
Productie mestcode 1010 Vaste mest, rundvee 4552.98.52.9449155
Eindvoorraad 52.9 449155
Beginvoorraad
Te verdelen Voorraad 1 14 Drijfmest, rundvee 451220.04.01.548801830
Productie
Afvoer
Productie mestcode 1414 Drijfmest, rundvee 452226.64.31.695903490
Prognose afvoer14 Drijfmest, rundvee 290.04.01.51160435
Dit is een overzicht van de kunstmest die beschikbaar is voor bemesting. In de berekening worden de (bekende) beginvoorraad, aan en afvoer van kunstmest en de eindvoorraad meegenomen.
Eindvoorraad 1936.6 84303055
Te verdelen
Prognose Voorraad 114 Drijfmest, rundvee 1220.04.01.548801830
Productie mestcode 1919 Vleeskalveren, rosévlees450.45.11.721
0.4 21 Te verdelen
Productie mestcode 2525 Vaste mest, paarden 4518.76.33.111857 Productie 18.7 11857
Te verdelen Productie mestcode 2727 Vaste mest, pony's 455.35.22.52713
2713
Kunstmest en overige organische mest beschikbaar voor bemesting
SoortOmschrijvingMestsoort
Praktisch
Archief
In CRV Mineraal is een archief opgenomen van de bemestingsplannen voor je bedrijf. De laatste 5 jaar kun je altijd terugvinden in CRV Mineraal. Zo kun je altijd terugvinden hoe je bemestingsplannen en het Derogatieoverzicht zich in de loop van de jaren hebben ontwikkeld.

10.4
CRV Mineraal: Derogatieoverzicht
Het Derogatieoverzicht in CRV Mineraal geeft inzicht in de onderliggende gegevens van het Bedrijfsoverzicht. Op basis van deze gegevens worden de gebruiksnormen berekend.
Om derogatie te mogen toepassen moet je naast het maken van een Bedrijfsoverzicht nog aan extra regels voldoen. Een daarvan is het maken van een Derogatieoverzicht.
Het Bedrijfsoverzicht en het Derogatieoverzicht vormen samen het bemestingsplan.
Goed om te weten
Als voorwaarden veranderen
De voorwaarden voor derogatie veranderen van jaar tot jaar. Check op www.rvo.nl aan welke voorwaarden je moet voldoen om in aanmerking te komen voor derogatie.
Denk daarbij ook aan het tijdig regelen van de derogatievergunning via RVO.
Het eerste deel is de berekening van de (landbouwkundig) optimale bemesting. De werking van mest wordt hierbij berekend volgens de landbouwkundige werkingscoëfficiënten. Het tweede deel omvat de berekening van de voorgenomen bemesting. De mestgiften moeten worden berekend volgens de wettelijke regels (dus ook de formele werkingscoëfficiënten). Deze twee delen moeten met elkaar ‘geconfronteerd’ worden. Voldoet het voorgenomen bemestingsplan aan de normen? Dat zie je in het derde deel van het overzicht, de confrontatiematrix.
Elke 4 jaar moet de grond worden onderzocht op stikstofleverend vermogen (N) en fosfaat (P2O5 )

Praktisch
Grondmonsters nemen
Als je meedoet aan de derogatie moet je elke 4 jaar grondmonsters laten nemen door een erkend laboratorium. Monsters die op 1 februari jonger zijn dan 4 jaar, zijn nog geldig voor derogatie (dit geldt alleen voor stikstof). Monsters voor fosfaatdifferentiatie mogen op 15 mei niet ouder zijn dan 4 jaar.
In het onderdeel Grond wordt een automatische koppeling gemaakt tussen de percelen en de bodemonderzoeken op basis van coördinaten. Binnen CRV Mineraal vindt er een berekening plaats of de voorgenomen bemesting past binnen de wettelijke gebruiksnormen.




Derogatieoverzicht
Bodemonderzoek en bemestingsbehoefte
Het bemestingsplan in CRV Mineraal is gebaseerd op bodemonderzoeken. Op het overzicht staan de uitgevoerde grondonderzoeken in de laatste 4 jaar. Je ziet de aanwezige geldige grond en onderzoeksgegevens met een waardering van het stikstofleverend vermogen (NLV) en de fosfaattoestand.
Het overzicht van het grondgebruik bevat de topografische percelen, namen, het gewas, de grondsoort en de oppervlakte.
Landbouwkundig optimale mestgift per ha
Op basis van de aanwezige gegevens (hoeveelheid beschikbare mest, oppervlakte per soort grond en gewas) wordt een landbouwkundig optimaal bemestingsadvies opgesteld.
Het advies is opgedeeld in een advies voor enerzijds dierlijke mest (DM) en anderzijds kunstmest.
Voorgenomen mestgift binnen gebruiksruimte
Op basis van het overzicht ‘Landbouwkundig optimale mestgift per ha’ (zie punt 2) weet je de wenselijke hoeveelheid dierlijke mest. De verdeling is een voorstel, je kunt als gebruiker de mestgift vervolgens naar eigen wens aanpassen tot een voorgenomen bemesting.
De werkelijke mestgiften voer je later in. Het programma berekent daarna de totale hoeveelheden stikstof en fosfaat uit dierlijke mest per hectare en per perceel. Deze waarden worden per kolom (kg N totaa uit DM/perceel en kg P205 totaal uit DM/ perceel) opgeteld en automatisch ingevuld bij T, U en W op het overzicht.
De voorgenomen dierlijke mestgiften en de totalen stikstof en fosfaat worden (met de oppervlakte van de percelen) vervolgens doorgerekend met de wettelijke normen.
Confrontatiematrix
De laatste stap is de confrontatiematrix, ofwel: voldoet het bemestingsplan aan de diverse normen? Is dit niet het geval, dan kun je via de voorgenomen bemesting je keuze aanpassen waardoor het bemestingsplan wel aan de eisen voldoet.
In de eerste regel van de confrontatiematrix is het gebruik van N en P205 volgens het plan ‘Voorgenomen mestgift’ te zien (T, U en W) (zie punt 4).
De tweede regel laat het gebruik van N en P205 voor dit bedrijf volgens de wettelijke rekenregels zien (C, D en J). De berekening van deze gegevens is te vinden op het Bedrijfsoverzicht van CRV Mineraal (zie paragraaf 10.3, punt 7 en 9).
Op de derde regel staat de gebruiksruimte voor N en P205 voor dit bedrijf (A, G, B en H). Zolang de aantallen kg N en kg P205 die afgedrukt staan bij gebruiksruimte (regel 3) hoger zijn dan de aantallen kg op regel twee (gebruik volgens de wettelijke rekenregels), blijf je binnen de toegestane normen.

10.5
CRV Mineraal: BEX
De ene veestapel gaat efficiënter om met het voer dan de andere. Met de bedrijfsspecifieke excretie (BEX) maak je inzichtelijk hoe efficiënt jouw veestapel omgaat met stikstof en fosfaat. In de BEXuitslag vind je de geproduceerde kilo’s stikstof en fosfaat van de melkveestapel. Deze productie wordt gerelateerd aan de forfaitaire productie. Een hogere BEX geeft je meer gebruiksruimte op je bedrijf.
Om de BEX te kunnen berekenen, moet je een berekening maken van de hoeveelheid en kwaliteit van je voer. Of beter gezegd: die moet je laten maken door een erkend laboratorium. Dat meet de hoeveelheid voer in kubieke meters kuil of in aantallen kuilpakken. Een analyse maakt duidelijk hoeveel kwaliteit in de vorm van droge stof, vem, dve, stikstof en fosfor er in het voer zit. Als je deze voerproductie van een jaar corrigeert met een begin en eindvoorraad weet je wat de veestapel heeft opgevreten om de – ook bekende – hoeveelheid melk en vlees te produceren. De BEX maakt hiermee de stikstof en fosfaatefficiëntie van de veestapel duidelijk.
Praktisch
Eigen BEX
Binnen CRV Mineraal kun je je eigen BEX ingeven. Bij een hogere efficiëntie levert dat meer ruimte op voor het gebruik van dierlijke mest. Als de BEX minder voordelig uitpakt voor je bedrijf, kun je beter kiezen voor de forfaitaire excretie, oftewel de wettelijke gemiddelden.
Excretiewijzer melkvee
Invoerset : 289890_3216
Analyse bedrijfsspecifieke excretie (rantsoenkenmerken) Melk per ha 13640 kg Jongvee per 10 melkkoeien 4.0 stuks
Opname krachtvoer (excl. bijproducten) per bedrijf 261472 kg
Opname krachtvoer (excl. bijproducten) per 100 kg melk 24 kg
BEX-excretie per ton melk, stikstof 14.2 kg
BEX-excretie
bedrijfsspecifiek, stikstof +4 %
Voordeel bedrijfsspecifiek, fosfaat +17 % Maximale melkproductie zonder mestafzet, stikstof 16969 kg/ha Maximale melkproductie zonder mestafzet, fosfaat 19597 kg/ha
Melkveebedrijf Giesen
-
Voervoorraden op bedrijf
BeginRE/kVEMP/kVEM EindRE/kVEMP/kVEMMutatie Voer (eenh*)(g/kvem)(g/kvem)(eenh*)(g/kvem)(g/kvem)(eenh*) Grasland producten 281416
veestapel (melkkoeien, incl. jongvee)
: ds-gehalte =
* Krachtvoer en melkproducten: opname staat in 'kg ds', voorraden en analyse eenheid staat in 'kg product'. Overige voeders en rantsoen: opname, voorraden en analyse eenheid staat in 'kg ds'.
Bijlage
CRV
Als veeverbeteringsorganisatie speelt CRV verschillende rollen in de sector: ze is coöperatie, werkgever en kennisleverancier. Deze bijlage licht die functies toe.

CRV als coöperatie
CRV is een coöperatieve onderneming. Het grootste deel van de activiteiten wordt uitgevoerd door bedrijven binnen CRV Holding bv. De eigenaar is de Coöperatie CRV. De leden van de coöperatie zijn rundveehouders in Nederland en Vlaanderen.
Coöperatie: bijzondere ondernemingsvorm
De ‘coöperatieve vennootschap’ (België) of ‘coöperatieve vereniging’ (Nederland) is een bijzondere ondernemingsvorm. Volgens het kenniscentrum NCR (Nationale Coöperatieve Raad) is een coöperatie in feite een vereniging met een bedrijf. In een coöperatie bundelen leden hun krachten om hun individuele doelen te bereiken. De agrarische sector heeft een rijke coöperatieve historie. Hieruit zijn bijvoorbeeld de grootste marktpartijen in de zuivel (FrieslandCampina, Milcobel) ontstaan.
Het doel van een coöperatie is waardecreatie voor de leden. Bij CRV is dat gericht op veeverbetering. Vanuit dat perspectief levert CRV vanuit het bedrijf genetica, managementproducten en diensten als ki en MPR, en vanuit de coöperatie diensten zoals stamboekregistratie, erkenning van MPR, Bedrijfsinspectie en fokwaardeschattingen.
Winst als middel
Bij een coöperatie gaat het nooit om het genereren van zoveel mogelijk winst. Winst maken is geen doel op zich, maar een middel om het doel te bereiken. Een goed financieel resultaat is een voorwaarde voor de continuïteit en noodzakelijk om te kunnen blijven investeren in innovatie, in het belang van de leden. Bij de meeste coöperaties wordt een deel van de winst uitgekeerd aan leden. Bij CRV wordt dat ‘CRV Ledenvoordeel’ genoemd.
Sinds 1874
De geschiedenis van coöperatieve veeverbetering begint in de 19e eeuw. In 1874 vindt de oprichting plaats van het Nederlandsch Rundvee Stamboek en in 1897 die van het Provinciaal Verbond der Veekweeksyndicaten van OostVlaanderen. Deze organisaties ontwikkelen zich tot CR Delta u.a. in Nederland en de Vlaamse Rundveeteelt Vereniging (VRV) vzw in België. Deze gaan in 2002 intensief samenwerken en fuseren in 2017 tot Coöperatie Koninklijke CRV u.a. Alle leden (ruim 23.000 in 2020) van CR Delta en VRV zijn sindsdien lid van de Coöperatie CRV, met het hoofdkantoor in Nederland.
Leden hebben zeggenschap
In een coöperatie hebben de leden zeggenschap via stemrecht. Via bestuurs en ad viesorganen kunnen ze invloed uitoefenen op het beleid. Bij CRV is de bestuurlijke organisatie opgebouwd vanuit tien districten, met elk een eigen districtsbestuur van acht tot twaalf leden. De districtsbestuurders vormen de ledenraad van de coöperatie. De ledenraad
Hoofdstuk 11
Meer over de bestuurlijke organisatie vind je op de website van de coöperatie voor Nederland
Meer over de bestuurlijke organisatie vind je op de website van de coöperatie voor Vlaanderen
bestaat uit 87 leden en is het ‘hoogste orgaan’ in de coöperatie.
Het hoofdbestuur van de coöperatie heeft tot taak de coöperatie te besturen. Het bestuur bestaat uit zeven leden. De raad van commissarissen (RvC) is toezichthouder voor de onderneming en benoemt de leden van de directie. De RvC bestaat uit de leden van het hoofdbestuur, aangevuld met drie externe commissarissen.
Er zijn diverse raden en commissies die het hoofdbestuur en de directie ondersteunen bij het nemen van beslissingen, waaronder drie jongerenraden, de CRV adviesraad en de dubbeldoelraad.
In een coöperatie hebben de leden zeggenschap via stemrecht.
Leden van CRV worden actief betrokken bij het fokbeleid en ze kunnen invloed uitoefenen via bestuurs- en adviesorganen
Leden hebben invloed op fokbeleid
Hoe ziet het melkveebedrijf er over tien jaar uit en welke eisen stelt dat aan de koe?
Voor de fokkerij is het belangrijk hierop te anticiperen. Veranderingen in het fokbeleid werpen immers pas na vijf tot tien jaar vruchten af. Als coöperatie betrekt CRV de leden bij het fokbeleid. Zo krijgen leden elke vijf jaar gelegenheid hun mening te geven over fokdoelen, via enquêtes en bijeenkomsten. De fokwaarden voor voeropname en besparing voerkosten (BVK), geïntroduceerd in 2020, komen voort uit de ledenraadpleging van 2015. Eerdere overlegrondes lagen ten grondslag aan fokwaarden voor klauwgezondheid en vruchtbaarheid.


CRV als werkgever
Als internationale leverancier van genetica, ontwikkelaar van innovatieve managementproducten en dienstverlener op het melkveebedrijf is CRV ook een interessante werkgever.
Als je geïnteresseerd bent in een stage of een baan bij CRV, kun je contact opnemen via jobs@crv4all.com
CRV zoekt voortdurend nieuw talent: mensen die zich betrokken voelen bij de rundveehouderij en die met trots bijdragen aan een duurzame toekomst van de sector. Bij CRV liggen kansen voor leerlingen en studenten van agrarische en andere opleidingen. Ook voor bedrijfsopvolgers die ervaring willen opdoen buiten het melkveebedrijf van hun familie biedt CRV de mogelijkheid voor een bredere ontwikkeling van kennis en competenties.Je kunt een loopbaan bij CRV uiteenlopend invullen, zowel met praktijkgericht werk als met functies op wetenschappelijk niveau. Je kunt aan de slag als dierverzorger of distributiemedewerker. Je kunt de boer op als inseminator of veestapeladviseur. Daarnaast kun je achter de schermen werken aan de ontwikkeling van nieuwe managementtools, de uitvoering van het fokkerijbeleid of de zoektocht naar nieuwe innovaties in genetica. Ook als je interesse hebt in werken in het buitenland liggen er kansen. CRV is internationaal actief, met vestigingen in verschillende werelddelen. Als je nog niet toe bent aan een baan, zijn er andere mogelijkheden om het bedrijf alvast te leren kennen. Van meeloopstage tot aan afstudeeronderzoek.

CRV als kennisleverancier
In veeverbetering draait alles om data. CRV gebruikt die data voor haar fokprogramma’s en benut ze in managementproducten voor de veehouder.
Marktleider in genetica
Vrijwel alle rundveehouders kennen CRV als ki organisatie en leverancier van fokmateriaal. Het assortiment fokkerijproducten omvat sperma en embryo’s van hoogwaardige koeien en stieren. CRV is marktleider en heeft eigen fokprogramma’s met internationale reikwijdte. In het verlengde daarvan levert CRV diensten die met de genetica te maken hebben, zoals ki, embryotransplantatie en fokkerijadvies. Het aanbod omvat toepassingen van moderne technologische ontwikkelingen, zoals het gebruik van gesekst sperma en genomicfokwaarden. Niet alleen boeren in Nederland en Vlaanderen maken hiervan gebruik. CRV is wereldwijd actief, met businessunits in Europa (Duitsland en Tsjechië), Noord en Zuid Amerika en Oceanië.
Dagelijks gebruikte managementproducten
Met een lange geschiedenis in stamboekregistratie en veeverbetering heeft CRV zich ook ontwikkeld tot partner van rundveehouders voor het registreren en analyseren van data. Sinds jaar en dag worden exterieurkenmerken en melkproductiegegevens geregistreerd. Die zijn waardevol in het streven naar een functionele koe met een goede productie en hoge gehalten. Ook informatie over vruchtbaarheid en gezondheid heeft een rol gekregen in de fokkerij. Die ondersteunt de ontwikkeling naar een langere levensduur van koeien. Dat is in het belang van het dier en van de boer. Verder groeit de interesse in data rondom efficiëntie. Als melkveehouder wil je kosten beheersen. De maatschappij vraagt bovendien nadrukkelijk aandacht voor een efficiënte benutting van mineralen en een beperking van emissies.
Al die waardevolle data vormen de basis voor managementproducten van CRV. In grote lijnen zijn deze producten onder te verdelen in twee categorieën: ondersteuning bij beslissingen in genetica en ondersteuning van het veemanagement.

Ondersteuning fokkerijstrategie
Binnen de eerste categorie vallen de programma’s en tools die je ondersteunen bij de uitvoering van de fokkerijstrategie. Het paringsadviesprogramma SAP is een voorbeeld. Dit helpt je bij het bepalen van je persoonlijke fokdoel, het selecteren van geschikte stieren en de uitwerking daarvan in het maken van de best passende paringen. SAP gebruikt alle beschikbare data van jouw veestapel, zoals afstamming, fokwaarden, gegevens van mpr en bedrijfsinspectie. Die gegevens kun je in handige overzichten zelf raadplegen. Daarnaast krijg je als SAP gebruiker advies van een persoonlijk adviseur.
Managementpakket
De managementproducten vallen binnen de tweede categorie. Deze zijn gebundeld in VeeManager en de app CRV Dier. VeeManager is een online managementpakket voor veehouders. De basis is vrij toegankelijk. Daarmee kun je gegevens invoeren en een aantal basisoverzichten raadplegen. Hieronder vallen de meldingen in het I&R systeem en VKImeldingen, opgaven voor ki en het invoeren van dhz inseminaties en de resultaten van de mpr proefmelkingen.
Naar behoefte kun je deze basis uitbreiden met een aantal modules:
• Module Registratie: extra functies voor het verwerken van I&Rgegevens, zoals het produceren van overzichten en documenten.
• Module MPR: uitgebreide overzichten en analyses van mprgegevens.
• Module Vruchtbaarheid: analyses van resultaten en kengetallen met betrekking tot vruchtbaarheid.
• Module Diergezondheid: inzicht in de gezondheid van je veestapel en eenvoudig aanmaken van (verplichte) overzichten.
• Module Fokkerij: gerichte ondersteuning bij fokkerijbeslissingen, aansluitend op programma’s als Fokkerij op Maat en tools als SAP en Herdoptimizer.
• CRV Mineraal: praktische overzichten en inzicht in de mineralenstromen op je bedrijf, toegepitst op de Nederlandse situatie.

App CRV Dier
Met VeeManager krijg je meer grip op de enorme hoeveelheid gegevens, zodat je ze kunt benutten voor het verbeteren van je bedrijfsvoering. In combinatie met de app CRV Dier heb je alle relevante informatie altijd beschikbaar op je smartphone of tablet en kun je ter plekke nieuwe gegevens invoeren.
Dataplatforms DjustConnect en JoinData
Dankzij technische ontwikkelingen kun je steeds meer gegevens automatisch verzamelen én steeds gemakkelijker data delen met andere partijen, zoals je dierenarts, zuivelverwerker of de overheid (I&R). CRV verwacht dat veehouders in toenemende mate kunnen profiteren van het delen van informatie met uiteenlopende erfbetreders en leveranciers. Maar een onbeperkte toegang tot data is niet vanzelfsprekend en ook niet altijd gewenst. Als boer moet je zelf de regie kunnen houden over jouw data. Het gebruik ervan moet verantwoord en veilig zijn. Daarom is CRV actief betrokken bij JoinData (Nederland) en DjustConnect (België). Dat zijn dataplatforms waarop je overzicht hebt over alle partijen die jouw data mogen inzien en waarop je gericht toestemming kunt verlenen en desgewenst ook weer kunt intrekken.



Vakinformatie en evenementen
Behalve met genetica en managementproducten ondersteunt CRV haar leden met vakkennis, via de vakmedia Veeteelt, VeeteeltVlees en De Boerin. Deze verschijnen in print en online en zijn ook actief via social media. Verder organiseert en ondersteunt CRV evenementen zoals fokveeshows en dochtergroepenpresentaties.