Redactie en advies: Dirk Hilbers, Lisa Op den Kamp
Eindredaktie: Niels de Haan, Dirk Hilbers
Illustraties: Horst Wolter
Kaarten: Dirk Hilbers / mapy.com
Layout: Oscar Lourens
Druk: ORO grafic projectmanagment / Gedrukt in Polen
ISBN 978-94-91648-43-4
Dit boek is gedrukt op FSC-gecertificeerd papier. Normaal compenseren wij daarnaast ook de CO2-uitstoot afkomstig uit het drukproces door een bijdrage aan lokale klimaatprojecten. Ditmaal hebben wij ervoor gekozen om het bedrag van klimaatcompensatie te steken in biodiversteitsprojecten van Land van Ons. Land van Ons is een burgercoöperatie die landbouwgronden opkoopt, er de biodiversiteit en het landschap hersteld, en met die doelen in het achterhoofd het land verpacht aan boeren. Het uiteindelijke doel is een om de biodiversiteit van het boerenland te ondersteunen.
Zie voor meer informatie op onze website en op landvanons.nl
Niets aan deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, microfilm, fotokopie, scan of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Stichting Crossbill Guides en haar auteurs hebben hun uiterste best gedaan om de informatie in dit boek volledig, correct en accuraat te laten zijn. Dit wil zeggen dat de grootst mogelijke zorg is besteed aan de achtergrondinformatie, het voorkomen van flora en fauna, de loop van de routes en de informatie omtrent de toegankelijkheid van de routes. Desondanks zijn vergissingen mogelijk en situaties kunnen veranderen. Neem altijd de geboden en verboden in het veld in acht en blijf je gezond verstand gebruiken. Stichting Crossbill Guides noch de auteurs kunnen aansprakelijk gehouden worden voor schade die voortvloeit uit het gebruik van dit boek.
Deze publicatie is gedrukt in samenwerking met de KNNV Uitgeverij.
crossbillguides.org knnv.nl
CROSSBILL GUIDES FOUNDATION
Dit boek is gemaakt door de non-profitorganisatie Crossbill Guides. Met de publicatie van ecologische natuurreisgidsen willen wij meer mensen enthousiasmeren voor natuur en draagvlak creëren voor natuurbescherming. Met dit boek willen we laten zien wat de natuur van de Eifel zo bijzonder maakt. En natuurlijk hoe je dit zelf ‘in het veld’ kunt ervaren! Voor meer informatie, ga naar crossbillguides.org.
Hoogtepunten van de Eifel
Bezoek de kalkgraslanden met hun overdonderende rijkdom aan orchideeën en andere wilde planten.
1
Maak een wandeling rond de maren – unieke, cirkelronde meren die zijn ontstaan door vulkanische gasexplosies.
Maak er een vlindertocht van. De Eifel telt meer dan 80 vlindersoorten, waarvan een groot deel in Nederland en Vlaanderen zeldzaam of afwezig is. Veel soorten die elders zeldzaam zijn geworden, komen hier nog vaak voor.
2 3 4
Voor het Moezeldal kun je meerdere dagen uittrekken. De extreem steile, naar het zuiden gerichte hellingen herbergen een bijzondere, droogte- en warmteminnende flora en fauna.
Vlonderpaden voeren door de natte hoogvenen en koele sparrenbossen van het Brackvenn, waar een welhaast Scandinavische sfeer hangt.
Bezoek het Perlenbachtal in april, wanneer vele duizenden wilde narcissen het beekdal geel kleuren.
Nationaal Park Eifel biedt met zijn uitgestrekte bossen en open landschappen leefgebied aan het edelhert, de wilde kat, de zwarte wouw, de rode wouw en de zwarte ooievaar.
Bezoek een van de de zandsteenkloven, waar je door rotslabyrinten dwaalt en langs steile hellingen gaat, en waar prachtige bergriviertjes zich een weg omlaag banen.
Over deze gids
Voor je ligt de Crossbill Guide Eifel, door onszelf met enige bravoure dé natuurgids genoemd. Hij is speciaal geschreven voor mensen voor wie de natuur meer is dan een levend decor; voor mensen die in de natuur iets willen ontdekken, meemaken, beleven. Als dat voor jou geldt, dan zit je met dit boek goed. Dat ‘iets’ vullen we vervolgens zo breed mogelijk in. Van vogels, planten en vlinders kijken tot wild observeren en het ‘lezen’ van het landschap – het is ons doel om een zo compleet mogelijke gids voor natuurliefhebbers te maken, zowel voor actieve buitenmensen als voor de comfortminnende leunstoelreiziger. Met andere woorden: dit boek geeft je zowel achtergronden en mooie foto’s en illustraties, als concrete routebeschrijvingen en praktische tips over hoe, wanneer en waar je flora en fauna vindt. Volgens Crossbill Guides draait het daarbij altijd om de context. Die maakt het interessant en daarmee kun je de natuur op waarde schatten. Daarom hebben we ook onze naam Crossbill Guides gekozen. Als er één vogel is wiens uiterlijk schreeuwt om context, dan is het wel de kruisbek (Crossbill in het Engels). De vreemd gedraaide snavel (zie ons logo) lijkt in eerste instantie misvormd. Het is echter een zeer handige, specialistische aanpassing aan het voedsel van de kruisbek. De snavel fungeert als een soort tang waarmee de vogel de lamellen van dennenkegels openwrikt om de zaden eruit te eten. Meer soorten dennenappels betekent ook meerdere soorten kruisbekken. En doordat dennenbomen het ene jaar veel en het andere jaar weinig kegels dragen, zwerven de Europese kruisbekken over het continent, op zoek naar de plekken met de beste dennenappeloogst. Vandaar dat je ze soms veel en soms weinig tegenkomt in de naaldbossen van de Eifel.
Dat is het soort informatie dat we graag willen bieden in de Crossbill Guides. Door de context te geven, zie je ook waarom de kalkgraslanden, eiken- en beukenbossen, de beekdalen, rotswanden en hooilanden van de Eifel zo bijzonder en beschermingswaardig zijn.
Gelukkig zijn er mensen die dit doen – al die gebieden beschermen en beheren. Hoewel er verschillen zijn in de benadering van natuurbeheer en -behoud, is de kern van al die natuurorganisaties hetzelfde: het in stand houden en waar mogelijk herstellen of uitbreiden van de bijzondere natuur en het bijzondere landschap. Daarom besteden we in dit boek ook aandacht aan natuurbeheer en -herstel.
Leeswijzer
De Crossbill Guide bestaat uit vier onderdelen. Het landschapsdeel (lichtblauwe balk) is het eerste. Het beschrijft de verschillende ecosystemen, de geologische en historische ontstaansgeschiedenis van het gebied, de natuurbescherming en de processen die de natuur bedreigen. Centraal in dit onderdeel van het boek staat de landschapstekening van pagina 22-23, die aangeeft waar de verschillende landschappen te vinden zijn en hoe ze zich tot elkaar verhouden.
Het flora- en faunagedeelte (oranje balk) laat zich lezen als een catalogus van het Eifelleven: de zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, ongewervelden en de flora.
Het derde deelbestaat grotendeels uit routes en ‘sites’ (groene balk). Het duizelingwekkende aanbod aan wandelmogelijkheden in de Eifel is teruggebracht tot de 28 mooiste routes en de 28 mooiste ‘plekken’ (bij gebrek aan een goed Nederlands woord hebben we voor het Engelse woord ‘site’ gekozen), waarvan de landschappelijke bijzonderheden uitgebreid beschreven worden. Hier beschrijven we ook waar je de beste kans maakt op bijzondere zoogdieren, vogels, reptielen, vlinders en libellen. De mooiste routes – is dat niet wat subjectief? Tot op zekere hoogte wel, maar niet helemaal. Onder ‘mooiste’ verstaan we de plekken waar de landschappen het meest intact zijn en waar zeldzame plant- en diersoorten te vinden zijn. Verder zijn de routes zo gekozen dat ze door zoveel mogelijk unieke landschappen voeren, zodat je de belangrijkste landschapstypen van de Eifel ervaart.
De meeste Crossbill Guides beschrijven een mengeling van wandel en auto- of fietsroutes. In deze Eifelgids houden we het op wandelroutes.
De Eifel heeft namelijk een schitterende wandelinfrastructuur en ook het landschap vraagt om een trage beweging om alles goed in je op te nemen. De auto of de fiets zijn daarom wat minder geschikt. De beschreven wandelroutes zijn over het algemeen eenvoudig, met uitzondering van route 22 en 24, waar je langs steile hellingen loopt en je je goed moet vasthouden aan de aan de rotsen bevestigde touwen. De routes nemen meestal een halve tot hele dag in beslag, maar zijn doorgaans makkelijk af te korten.
In het laatste gedeelte van het boek vind je vooral praktische informatie over natuur en natuurbeleving, inclusief een overzicht met de vindplaatsen van de meest interessante vogelsoorten. Kortom, met deze gids in de hand ben je klaar om de Eifel te ontdekken!
Legenda routes en routekaarten:
Route
8
Routepunt
Site
Wandelroute
Historie
Landschap
Geologie
Ecologie
Planten
Zoogdieren
Vogels
Reptilien / Amfibien
Vlinders
Libellen
Insecten
Paddenstoelen
Wandelroute 5 22
Sites in de Kalk-Eifel*
Routes in de Vulkaan-Eifel
Route 14: Hönselberg en waterval van Nohn
Route 15: Gerolsteiner Dolomiten
Route 16: Schönecker Schweiz
Route 17: Dauner Maare
Route 18: De Mosenbergvulkaan
Sites in de Vulkaan-Eifel*
Routes in de Zuid-Eifel en het Moezeldal
Route 19: Het dal van de Our
Route 20: Het Ferschweiler Plateau
Route 21: De duivelskloof en de watervallen van Irrel
Route 22: Calmont
Route 23: Het Apollopad van Valwig
Route 24: Rotsen en wijngaarden bij Hatzenport
Sites in de Zuid-Eifel en het Moezeldal*
Routes in de Oost-Eifel
Route 25: Het Nettedal bij Trimbs
Route 26: Jeneverbesheides in de Oost-Eifel
Route 27: De Laacher See
Route 28: Het Brohldal
in de Oost-Eifel*
Een overzicht van de sites vindt u aan de binnenkant van de achterflap.
LANDSCHAP
Een licht glooiend heuvelachtig gebied met kalkgraslanden vol vlinders en orchideeën, ruisende beekjes waarlangs waterspreeuw, zwarte ooievaar en vuursalamander leven: dát is de Eifel, het summum van de natuur van een middelgebergte. Hier cirkelt de rode wouw boven de graanakkers, terwijl in de stille bossen de wilde kat zijn prooi besluipt (door de lokale bewoners liefkozend ‘Eifeltiger’ genoemd).
De Eifel heeft een lieflijk landschap, maar is tegelijkertijd ook spectaculair en veelbelovend in haar biodiversiteit. Met name de grote variatie aan vlinders en planten vallen op. Deze zijn typisch voor de middelgebergtes in dit deel van Europa, maar ontbreken of zijn zeer zeldzaam in het laagland. De Eifel is dan ook niet alleen de noordwestelijke grens van het centraal-Europese middelgebergte, maar ook de noordwestgrens van hun Midden-Europese verspreidingsgebied. Daarom is dit gebied voor de Nederlandse en Vlaamse natuurliefhebber zo’n aantrekkelijk gebied om op ontdekking te gaan. Wie zich een beetje in de Eifel verdiept, vindt steeds weer bijzondere soorten die het ontdekken waard zijn – van blauwe vuurvlinder tot hommelorchis en van grijze gors tot westelijke smaragdhagedis.
In Duitsland liggen verschillende middelgebergtes, waarbinnen de Eifel een aparte positie inneemt die twee uitersten verbindt. Enerzijds zijn hier, dankzij de grote hoeveelheden neerslag en de relatief noordelijke ligging, relicten aanwezig van de ‘boreale’ (noordelijke) natuur met naaldbossen en hoogvenen. Anderzijds vormen de rotsige zuidhellingen van de dalen van de Ahr en de Moezel vooruitgeschoven posten van aan hitte en droogte aangepaste, ‘zuidelijke’ natuur, die eerder typisch is voor het (sub-)mediterrane gebied.
Als je hier de relatieve nabijheid van de Eifel tot Nederland en Vlaanderen bij optelt, zou je verwachten dat het gebied druk en razend populair is.
Des te wonderlijker is het dat je in de natuurgebieden van de Eifel zelden iemand tegenkomt. Slechts af en toe zie je een wandelaar en nog minder vaak iemand die met zijn verrekijker of fototoestel op zoek is naar orchideeën of vlinders. Meestal heb je het gebied voor jezelf. Ideaal dus voor een ongestoorde ontdekkingstocht!
Dit boek geeft inzicht in de achtergronden van landschap, flora en fauna en verbindt deze met 28 wandelroutes en 28 sites waar de natuur van de Eifel zich van haar beste kant laat zien.
Kalkgraslanden met jeneverbes zijn typisch voor de Kalkeifel. Tussen de jeneverbesstruiken groeien orchideeën en andere bijzondere planten.
Overzichtskaart van de Eifel. De zwarte cijfers refereren aan de routes en de blauwe vierkantjes aan de sites die op pagina 121 en verder beschreven staan.
De Eifel in vogelvlucht
De Eifel is een uitgestrekt gebied in het westen van Duitsland, het grenst aan België en Luxemburg en ligt iets ten zuidoosten van Limburg. De lijn Aken-Düren-Bonn vormt de noordgrens van het middelgebergte, het Moezeldal de zuidgrens en het Rijndal de oostgrens. Hoewel de Eifel op het eerste oog een uitgestrekt heuvelland zonder duidelijke afgegrensde heuvelruggen lijkt, kan het gebied toch worden opgedeeld in verschillende deelgebieden met elk hun eigen karakter.
Noord-Eifel
De Noord-Eifel omvat het gebied rondom Aken, de zinkgraslanden bij Stolberg en de Hoge Venen. Het Dürener-Zülpicher Lössplateau (de Börde) vormt de oostgrens. Een belangrijk deelgebied van de Noord-Eifel is het Nationaal Park Eifel – een aaneengesloten bosgebied met daarnaast uitgestrekte bremheides op de Dreiborner Hochfläche. Typisch
voor dit deelgebied is de cascade van stuwmeren in het stroomgebied van de Roer. De Noord-Eifel is grotendeels bebost, waarbij naaldbos de boventoon voert. In het dal van de Roer zijn de steile hellingen begroeid met eikenbossen. De ondergrond van de Noord-Eifel bestaat vooral uit zuur gesteente uit het Devoon. Er valt behoorlijk veel neerslag, al nemen de hoeveelheden van west naar oost wel sterk af.
De Noord-Eifel is toeristisch goed ontsloten. De bekendste plaatsen zijn Monschau en Aken, maar ook Heimbach, Nideggen, Simonskall en Einruhr worden druk bezocht. De bossen en beekdalen worden doorkruist door een dicht netwerk van wandelpaden.
De Belgisch-Duitse Hoge Venen liggen op bijna 700 meter, veel hoger dan de aangrenzende Noord-Eifel. De neerslaghoeveelheden zijn heel groot, tot wel 1400 mm per jaar. Op de waterafstotende kleilagen in de ondergrond hebben zich hoog- en laagvenen met een geheel eigen flora en fauna gevormd.
De Zülpicher Börde met haar vruchtbare lössbodems is een intensief akkerbouwgebied. Tussen de akkers liggen enkele geïsoleerde kalkgraslanden – vaak op een ondergrond van Muschelkalk. In combinatie met het droge en zonnige klimaat in de regenschaduw van de Hoge Venen (er valt gemiddeld slechts 600-700 mm neerslag per jaar) zorgt de kalkrijke bodem voor een bijzondere flora en fauna.
Kalkeifel
De Kalkeifel ligt tussen de Noord-Eifel en de Hoge Eifel. Bad Münstereifel, Nettersheim, Blankenheim en Hillesheim markeren de grenzen van het gebied. Zoals de naam al aangeeft, bestaat de ondergrond hier grotendeels uit kalk. De vele kalkbekkens (‘Kalkmulden’) uit het OnderDevoon zorgen voor een bijzondere vegetatie met allerlei soorten orchideeën, wildemanskruid en andere zeldzame planten. Ook is de Kalkeifel een eldorado voor vlinderliefhebbers.
Hoge Eifel en Oost-Eifel
In de Hoge Eifel liggen de hoogste toppen van de Eifel, waaronder de Hohe Acht (747 m), de Nürburg (678 m) en de Hochkelberg (674 m). In dit gebied bevinden zich meer dan 350 vulkanen. De vulkanen in de Hoge Eifel zijn enkele miljoenen tot enkele tientallen miljoenen jaren oud (honderd keer zo oud als die in de Oost-Eifel). Hun kraters en lavastromen zijn inmiddels weggeërodeerd. Alleen de opvullingen van de kraters, bestaande uit basalt, zijn overgebleven en steken als bergtoppen boven het omringende landschap uit.
Op de lichtzure bodems zijn veel sparren aangeplant. Alleen op de toppen van de vulkanen groeit nog natuurlijk bos. Verder naar het oosten ligt de Laacher See, een van de jongste vulkaangebieden van Europa.
Het Liasgesteente op het Ferschweiler
Plateau (route 20) dateert uit de Jura-tijd en wordt gekenmerkt door de vele richels en kloven.
Kenozoïcum (65 miljoen jaar geleden tot heden)
Tijdens het Tertiair (265-2,4 miljoen jaar geleden) heerste een vochtig en warm klimaat dat leidde tot een massieve verwering van het gesteente uit het Mesozoïkum. Bij de gebergtevorming van de Alpen tijdens het begin van het Tertiair bewoog in de Eifel ook de aardkorst. De oude Variskische romp van het gebergte begon zich boven zijn omgeving te verheffen. In de ondergrond ontstonden allerlei breuken. Het gebied tussen de breuken daalde en zo ontstond ten noordwesten van de Eifel de laagvlakte van de Nederrijn die op het Noordzeebekken aansluit. Door de opheffing van de oude romp van de Eifel begonnen de beken en rivieren zich in het landschap in te snijden.
Tertiair vulkanisme
In het Eoceen (circa 50 miljoen jaar geleden) begon het Tertiaire vulkanisme dat leidde tot een ingrijpende omvorming van het tot dan toe zacht glooiende Eifellandschap. Vooral tussen Adenau en Kelberg bepaalde het vulkanisme 20 miljoen jaar lang het landschap en werden vulkanen als de Hohe Acht (747 m; site 27), Nürburg (678 m; site 28), Hochkehlberg (675 m) en Aremberg (623 m) gevormd. Deze vulkaankegels steken ver boven de oude rompvlakte van de Eifel uit en vormen de hoogste toppen van het gebied. In de Eifel zijn circa 350 basaltvulkanen uit het Tertiair te vinden, waarvan enkele door erosie of afgraving voor het winnen van gesteente nog maar met moeite te herkennen zijn. In tegenstelling tot de vulkanen uit het Quartair ontbreken bij deze vulkanen de lavastromen.
In het Quartair (2,4 miljoen jaar geleden tot heden) begon een volgende opheffing van de Eifel en sneden de rivieren zich nog dieper in. Deze opheffing ging zo snel, dat zich de nog steeds herkenbare karakteristieke steile kloofdalen vormden. In de rompvlakte vormde zich een fijn vertakt systeem van dalen dat het huidige aanzien van de Eifel bepaald. Eigenlijk is de Eifel namelijk geen gebergte, maar een zacht glooiend plateau dat door dalen is opgedeeld. Zo stroomde de Moezel aan het begin van het Quartair, dus 2 miljoen jaar geleden, op 200-300 m boven het huidige smalle dal, hetgeen te zien is aan de rivierafzettingen bovenop het plateau.
De middenloop van de Moezel heeft zich dus in het opstijgende Devonische gesteente ingesneden. Ook kleinere riviertjes als Kyll, Salm en Lieser hebben zich in de loop van de tijd steeds dieper ingesneden. Alleen de vulkanen steken boven de rompvlakte uit en kunnen inderdaad als bergen worden aangeduid.
Quartair vulkanisme
Het Quartaire vulkanisme begon ongeveer 60.000 jaar geleden, ongeveer tegelijkertijd in de West- en de Oost-Eifel. In de West-Eifel, tussen Bad Bertrich in het zuidoosten en Ormont nabij de Belgische grens in het noordwesten, bevinden zich ongeveer 200 vulkaankegels en 74 maren.
De maren (route 17, sites 17-19) zijn een bijzonderheid van de Eifel. Ze werden gevormd aan het eind van de laatste ijstijd, tussen 20.000 en 10.000 jaar geleden, door zeer hevige waterdampexplosies, die weer ontstonden doordat koud grondwater in contact kwam met hete magma. Bij een temperatuur van meer dan 1000 °C veranderde het water plotsklaps in stoom waardoor het omliggende gesteente openscheurde en verpulverde. Bij deze stoomexplosies werd het materiaal met enorme kracht de lucht in geslingerd. Er ontstonden explosiekraters waarvan de omvang samenhangt met de hoeveelheid water en de diepte waarop het water met het magma in aanraking kwam. Maren zijn in feite gasvulkanen waaruit alleen vulkanische as omhoog is gekomen en die vaak door lage tufwallen worden omgeven. Hoewel de meeste maarkraters droog zijn en daardoor lastig als zodanig te herkennen zijn, zijn de acht met water gevulde maren in de Vulkaaneifel beroemd. ‘Echte’ vulkaankraters zijn slechts zelden behouden gebleven. Een uitzondering is de Windsbornkrater bij Manderscheid, die zelfs een kratermeer bevat (route 18). Bij de Bausenberg bij Niederzissen (route 23) stroomde een lavastroom van de helling, maar bleef de ringwal bijna geheel behouden.
Basaltgesteente op de Nürburg.
Aan het eind van de ijstijd, ongeveer 13.000 jaar geleden, eindigde de periode van het vulkanisme in de Eifel. Toch zijn er nog altijd veel vulkanische verschijnselen waar te nemen. Onder meer de vele Säuerlinge: bronnen waar zuur, roestkleurig water opborrelt, de Mofetten langs de Laacher See en de thermale bronnen in Aken. Sinds 2015 is het Geopark Vulkaneifel als UNESCO werelderfgoed erkend. De Deutsche Vulkanstraße, een 280 km lange autoroute, voert in twee lussen langs de geologische bijzonderheden van de Vulkaaneifel.
Landschappen
Op het eerste oog lijkt de Eifel op een schier eindeloos heuvelland waarin bossen, akkergebieden en hooilanden elkaar afwisselen. Bijna alle toppen lijken even hoog, alle dalen bijna even diep. Als je beter kijkt, zijn er echter duidelijke verschillen, die het mogelijk maken om de Eifel op te delen in meerdere regio’s met ieder hun eigen ecosystemen. Deze deelgebieden worden duidelijk als je een lijn trekt tussen het Atlantisch beïnvloedde en hoog gelegen noordwesten naar het drogere en warme Moezeldal in het zuidoosten. Op deze afbeelding zijn deze overgangen sterk vereenvoudigd in beeld gebracht.
Helemaal links liggen de Hoge Venen, die duidelijk hoger liggen dan de omliggende gebieden (met uitzondering van de niet afgebeelde vulkanen in het oosten van de Eifel; zie pagina 265). Op de hoogvlakte liggen hoogvenen die worden omgeven door uitgestrekte, vrijwel natuurlijke sparrenbossen. Daarop volgen hellingbossen van eiken en beuken, met in sommige dalen spectaculaire rotspartijen.
Veldbiesbeukenbos (pag. 30) en hoogvenen (pag. 24)
Naaldbos (pag. 32)
Beekdalen (pag. 36)
Eikenhaagbeukenbos (pag. 31)
Landbouwgebieden (pag. 54), bremheiden en heischraal grasland (pag. 42-43)
Kalkbeukenbos (pag. 31)
De beekdalen zelf vormen met hun vochtige graslanden, bergweitjes en beekbegeleidende elzenbossen een geheel eigen ecosysteem. Het beekdalecosysteem komt in de gehele Eifel voor, maar heeft, afhankelijk van ligging en bodemgesteldheid, overal net weer een iets ander karakter. Het middelste deel van de tekening wijst op de talrijke plateaus die door het beekdalsysteem van elkaar worden gescheiden. Hier is het landschap opener en domineren akkers en graslanden. Lokaal zijn er echter ook heischrale graslanden en andere voedselarme biotopen aanwezig. Het tweede dal ligt in een kalkgebied, met een kalkbeukenbos aan de linkerkant (noordhelling) en een kalkgrasland met verspreid groeiende jeneverbessen aan de rechterkant (zuidhelling). Dit is typisch voor de kalkbekkens van de Eifel. Het tweede plateau staat voor de Vulkaaneifel met haar ronde maren – die deels met hoogvenen zijn dichtgegroeid –en de inmiddels zeldzaam geworden heidegebieden en heischrale graslanden. De steile helling aan de rechterkant met zijn wijngaarden en rotsen verwijst naar het Moezeldal met zijn unieke natuur.
In werkelijkheid is de Eifel natuurlijk nog veel diverser en kleinschaliger met talloze in het agrarisch gebied en de bosbouwgebieden gelegen natuurreservaten. De tekening toont slechts de belangrijkste bouwstenen van het landschap met hun grove ligging in het gebied. Op de volgende pagina’s worden deze ecosystemen verder beschreven.
Kalkgraslanden (pag. 44)
Heidevelden (pag. 40) en maren(pag. 21)
Rotshellingen en wijngaarden (pag. 49)
De veenvorming in de Hoge Venen begon in de lithalsen.
Hoogvenen
Hoogvenen vind je op route 10 en sites 7, 13 en 19.
Uitgestrekte hoogvenen zijn in de Eifel alleen aan de noordwestkant te vinden, in de Hoge Venen. Verspreid over de Eifel liggen wel nog enkele kleinere hoogvenen, zoals in de verlande maren in de Vulkaaneifel. De vegetatie daar is vergelijkbaar met de Hoge Venen. In de Hoge Venen begon de veenvorming in kleine meertjes – de zogenaamde lithalsen (zie kader op pagina 26). Aanvankelijk werden ze nog door grondwater gevoed en vormde zich een laagveenmoeras. Afgestorven plantenresten hoopten zich op en langzamerhand ontstond een steeds voedselarmer, enkel nog door regenwater gevoed hoogveen.
De vegetatie van hoogvenen is heel anders dan die van laagvenen en bestaat voor een groot deel uit veenmossen. Die stapelden zich in de loop van de tijd op tot een steeds dikkere veenlaag die plaatselijk wel 8 meter dik kon worden. De veenlaag werd door mensen weer afgegraven omdat het goede brandstof was (turf). Aan het begin van de 19e eeuw was het grootste deel van het hoogveen van de Hoge Venen afgegraven, waarmee het oorspronkelijke hoogveen in een heidegebied veranderde.
Hoogvenen hebben drie kenmerken: het is er vochtig, koel en voedselen mineraalarm. Grote hoeveelheden neerslag en lage temperaturen zorgen voor een permanent vochtige, zuurstofarme bodem waardoor de afgestorven plantenresten niet vergaan. De voedingsstoffen worden in het veen opgeslagen en zijn dan niet meer voor de planten beschikbaar.
De flora en fauna van het hoogveen heeft zich hieraan aangepast en kan overweg met een zeer beperkte hoeveelheid voedingsstoffen. Soorten als veenmossen, kleine veenbes, gewone dophei, ronde zonnedauw, eenarig wollegras en lavendelhei kunnen onder deze voedselarme omstandigheden groeien.
De venen in de lithalsen van de Hoge Venen zijn bijzonder omdat hier alle stadia van verlanding goed te zien zijn. Er liggen hier namelijk niet alleen hoogvenen, maar ook laagvenen met lisdodde en zeggen, en vegetaties van de randzones van het hoogveen, met soorten als beenbreek, veenpluis en waterdrieblad. Afhankelijk van de vochtigheidsgraad, voedselrijkdom en vegetatiestructuur heeft iedere lithals zijn eigen planten- en diersoorten. De lithalsen worden omgeven door een heideachtige vegetatie met struikhei, blauwe en rode bosbes en de zeldzame rijsbes. Hier groeit ook de zevenster, het symbool van de Hoge Venen. De veenbesparelmoervlinder is een echte hoogveensoort. Deze dagvlinder is op de kleine veenbes aangewezen, de waardplant van zijn rupsen. In de wateren leven de larven van hoogveenglanslibel, noordse en venglazenmaker en zwarte heidelibel.
Wie deze soorten in een Europese verspreidingsatlas opzoekt, zal al snel merken dat de meeste hoofdzakelijk in Scandinavië en in het hooggebergte voorkomen. Koel, vochtig en voedselarm zijn de belangrijkste kenmerken van deze koudere gebieden van Europa. De flora en de insecten van de venen in de Eifel hebben dan ook een duidelijk ‘alpienboreaal karakter’. Met andere woorden: ze komen vooral voor in Scandinavië en het hooggebergte.
Dat geldt ten dele ook voor de vogels, zoals het vlaggenschip van de Hoge Venen: het korhoen. Deze hoenderachtige leeft weliswaar nog in de Hoge Venen, maar helaas niet meer in het Brackvenn, dat in dit boek wordt beschreven. De meeste vogelsoorten in de Hoge Venen, zoals sprinkhaanzanger, rietgors, boompieper en roodborsttapuit, hebben overigens een ruimere verspreiding. Klapekster en blauwe kiekendief zijn wintergasten in de Hoge Venen.
Berkenbroekbossen
In verdroogde venen, hoogveenranden en langs veenbeken groeien berkenbroekbossen. In de Eifel zijn deze bossen sporadisch in het Hürtgenwald (route 4), in de Hoge Venen (route 10) en in het Bragphenn (site 13) te vinden. Het berkenbroekbos groeit op voedselarme bodems,
De wateraardbei is een typische veenplant en belangrijke nectarbron voor veeninsecten.
In kalkgraslanden zoals hier op de Kuttenberg (route 11) komt een grote verscheidenheid aan planten en insecten voor.
Kalkgraslanden
Kalkgraslanden zijn het thema van routes 5, 11, 12, 13, 14 en 16, plus van sites 2, 4, 8, 9, 10, 12, 14 en 20.
Kalkgraslanden zijn extensief begraasde, soortenrijke graslanden op dunne kalkbodems. Ze ontstonden door eeuwenlange overbeweiding, waardoor de meeste bomen en struiken verdwenen. Vroeger werden kalkgraslanden als woeste gronden aangeduid. Dagelijks trokken de kuddes koeien en schapen uit de dorpen over de kalkhellingen en vraten alles wat eetbaar was op. Alleen planten die giftig, stekelig, beklierd, taai, houtachtig, bitter smakend of gedoornd waren, bleven over. Eén daarvan is de reeds genoemde jeneverbes, (zie pagina 40), die zowel in heidevelden als kalkgraslanden kan groeien. De jeneverbesstruwelen op kalkbodems zijn echter ecologisch dusdanig verschillend van die op zure bodems, dat ze hier in een apart hoofdstuk worden besproken. Kalkgraslanden ontstonden uit door begrazing steeds schraler wordende loofbossen. Op zonnige rotsen en open plekken met losse stenen groeiden daar al diverse warmte- en droogteminnende plantensoorten. Met het verdwijnen van het bos nam het leefgebied voor deze planten exponentieel toe.
In het begin van de 19e eeuw waren er grote oppervlakten aan kalkgraslanden aanwezig in de Eifel (zie pagina 61). De huidige graslanden zijn slechts kleine relicten daarvan, gelegen op plekken waar door de dunne bodem of de steile helling geen intensief grondgebruik mogelijk is. Kalk-
graslanden zijn vooral te vinden in de Kalkeifel in de Devonische kalkbekkens (zie pagina 16). De grootste is het Sötenicher kalkbekken met een oppervlakte van meer dan 100 km2. Ook het zuidelijker gelegen bekken van Prüm (route 16) is met een oppervlak van 90 km2 aanzienlijk. Kalkgraslanden hebben een unieke combinatie van planten, paddenstoelen en ongewervelden. Veel van de hier levende soorten, zoals orchideeën, wasplaten (een kleurige groep van paddenstoelen) en vlinders, worden vanwege hun fraaie verschijning en zeldzaamheid hoog gewaardeerd. In de relatief koele Eifel bevinden kalkgraslanden zich meestal op naar zuiden gerichte, min of meer steile hellingen. Een kenmerk van de meeste hier groeiende soorten is dat ze extreem veel licht nodig hebben. Dat is direct te zien als je een kalkgrasland bezoekt: zodra je bij de rand van een struweel komt, ontbreken de meeste typische soorten en vind je planten die ook gedijen in halfopen bossen. Hoewel bijna alle planten een bepaalde hoeveelheid kalk nodig hebben, is een overdosis hiervan voor de meeste soorten dodelijk. De groeiomstandigheden in kalkgraslanden zijn dan ook extreem. Slechts een beperkt aantal soorten kan hier overleven. De bodem is ook nog eens voedselarm; ten dele een direct gevolg van het menselijke gebruik. De droogte speelt echter ook een rol. Hierdoor zijn microorganismen minder actief en mineraliseert de bodem slechts traag. Stikstof en fosfor, belangrijke bouwstenen voor planten, zijn hierdoor maar in geringe mate aanwezig.
Grote biodiversiteit
Bovenstaande beperkingen zijn juist gunstig voor de biodiversiteit. Kalkgraslanden kennen – zeker in vergelijking met schraallanden op zure bodems – een hoge biodiversiteit. Meer dan veertig plantensoorten per vierkante meter zijn geen uitzondering. Algemene soorten zijn grote centaurie, geel zonneroosje, beemdkroon, duifkruid, wilde marjolein, gewone agrimonie en gulden sleutelbloem, en dat is nog maar het topje van de ijsberg (zie pag. 75 voor een uitgebreide florabeschrijving). Veel natuurliefhebbers komen echter ook af op speciale soorten zoals het wildemanskruid in april, de diverse orchideeënsoorten in mei en juni en de gentianen in de nazomer.
Een dambordje slaapt op de bloemen van het hondskruid, een typisch beeld van het kalkgrasland.
Vanaf half juli vliegen bleke blauwtjes in grote aantallen in de droge, warme kalkgraslanden.
Terwijl botanici vaak rustig over de smalle paadjes door de graslanden slenteren, rennen vlinderliefhebbers heen en weer, achter de vele zeldzame dagvlinders aan. Kalkgraslanden zijn namelijk net zo rijk aan dagvlinders als aan planten. Met name dikkopjes, blauwtjes, zandoogjes en parelmoervlinders zijn met veel verschillende soorten vertegenwoordigd. Sommige van hen (o.a. dambordje en bleek blauwtje) zijn op de meeste kalkgraslanden te vinden. Daarnaast heeft iedere plek zo zijn eigen specialiteiten (zie pag. 110).
Ook zijn er diverse vogelsoorten typerend voor kalkgraslanden. Deze zijn echter niet aan kalk gebonden, maar profiteren van de structuurrijke biotopen met struiken die worden afgewisseld met graslanden waarin veel insecten en zaden te vinden zijn. Daarnaast hebben de vogels baat bij de relatief warme omgeving. Opvallend is dat deze omstandigheden ook in zure heidegebieden voorkomen, waar de flora en vlinders totaal anders zijn dan in de kalkgraslanden, maar de vogelwereld haast hetzelfde is. Zo zijn boompieper, veld- en boomleeuwerik, torenvalk, rode wouw, raaf, grauwe klauwier, kramsvogel, grasmus, braamsluiper, geelgors en groene specht typische soorten. Ook de draaihals is hier te vinden, al is deze tamelijk zeldzaam.
Een beetje ecologie
De bolrapunzel is een kalkminnende soort van grazige kalkgraslanden.
Dat de kalkgraslanden de schatkamers van de biodiversiteit zijn, is grotendeels het gevolg van de open vegetatiestructuur. Door de open grasmat is er veel ruimte voor specialistische planten. Een belangrijke rol is weggelegd voor de verschillende soorten ratelaars. Deze planten zijn halfparasieten; ten dele halen ze hun voedsel en vocht uit andere planten door met hun speciale zuigwortels in te toppen op de wortels van hun gastheer. Ze para-
siteren vooral op grassen, die daardoor verzwakken en hun doorgaans dominante positie in het grasland verliezen. Zo ontstaat leefgebied voor andere, minder concurrentiekrachtige bloemplanten.
Ook mierenhopen nemen een belangrijke plek in het ecosysteem in. Mieren zorgen voor het micro-reliëf. Aan de oppervlakte van mierenhopen is het droger en warmer, en is de aarde losser dan eromheen. Dat maakt mierenhopen geschikte kiemplekken voor planten. Met name concentraties van geel zonneroosje, gewone zandmuur, veelkleurig vergeet-mijnietje en tijm zijn indicaties van mierenhopen. Verder leggen sprinkhanen hun eitjes vaak in de buurt van mierenhopen en zijn de mieren zelf een geliefd voedsel voor groene specht en draaihals.
Karakteristiek voor kalkgraslanden zijn de talrijke, specialistische relaties tussen planten en dieren, vooral ongewervelden. Veel insecten zijn gespecialiseerd op één enkele waardplant, waardoor een grote diversiteit aan planten zich vertaalt naar veel verschillende soorten insecten. Geel zonneroosje is hiervan een goed voorbeeld. Deze soort groeit alleen in warme, droge kalkgraslanden met een open structuur. Ze is de waardplant van verschillende soorten vlinders als groentje, bruin blauwtje, heideblauwtje en de zeldzame kleine metaalvlinder. Een ander voorbeeld: waar paardenhoefklaver groeit, leeft de zeldzame zuidelijke luzernevlinder, waarvan de rupsen zich met deze plant voeden. Veel kalkgraslanden worden in hun voortbestaan bedreigd en dat geldt ook voor de aan kalkgraslanden gebonden flora en fauna. Daarom zijn veel kalkgraslanden als natuurreservaat beschermd. Vooral kleine kalkgraslanden dreigen door struweel overwoekerd te raken, ook in natuurreservaten. Door het beweiden ervan met schapen en het gericht verwijderen van bomen en struiken wordt gepoogd de kalkgraslanden te behouden. Daarbij worden zelfs af en toe zelfs jeneverbessen gekapt – iets dat in Nederland een doodzonde zou zijn. In de Eifel daarentegen, kan zelfs de jeneverbes gaan woekeren. Gerichte kap komt het behoud van de andere soorten dan ook ten goede.
Het tweekleurig hooibeestje komt in de zomer vrij algemeen voor in warme, droge schraallanden met struiken.
De gewone kogelbloem groeit op stenige plekken in open kalkgrasland.
Het grazen van enorme schaapskudden zorgde ervoor dat in de 18e eeuw grootschalig jeneverbesheiden en jeneverbes-kalkgraslanden ontstonden. Sparrenbossen bepalen sinds 150 jaar grote delen van het landschap in de Eifel.
Tegelijkertijd veranderde het boerenbedrijf. Volgens de Code Napoleon, het Franse wetboek dat tot 1900 in de Eifel gold, werd bij een overlijden de erfenis in gelijke mate onder de kinderen verdeeld. Zo ook het land dat een boerenfamilie bezat. Van generatie op generatie werden de percelen van veel plattelanders steeds kleiner. Ondanks dat veel Eifelbewoners wegtrokken, bezaten nieuwe generaties boeren een steeds kleiner stukje land, dat daarmee steeds lastiger te bewerken was.
Om dit probleem op te lossen, vaardigde de staat in 1885 een ‘Zusammenschlussgesetz’ uit, een soort ruilverkaveling waardoor de boeren niet alleen grotere percelen kregen, maar deze ook direct vanaf de weg toegankelijk werden. In de jaren 1850-1860 besloot de Pruissische regering de woeste gronden te bebossen en werden, tegen de wil van de lokale bevolking, massaal sparren aangeplant (zie kader op pagina 33). De keuze voor de fijnspar kwam door diens snelle groei en de veelzijdige bruikbaarheid van het hout, vooral als bouwhout. De boeren waren echter kwaad, omdat ze hiermee weidegrond voor hun schaapskuddes verloren. Het aantal schapen nam dan ook snel af. In 1820 werden er in de hele Eifel nog 280.000 schapen gehouden, in 1914 nog maar 30.000.
Opkomst van het toerisme
Aan het eind van de 19e eeuw verschenen de eerste toeristen in de Eifel. Ze bezochten het dal van de Ahr, lekker gemaakt door een reisbeschrijving uit 1844. Neuenahr werd geliefd vanwege zijn geneeskrachtige bronnen en baden.
In veel gemeentes ontstonden verenigingen die wandelwegen, bankjes en schuilhutten aanlegden. Veel verenigingen gingen in 1888 op in de Eifelverein, die de regio via kranten en tijdschriften bekendmaakte. Met horten en stoten ontwikkelde het toerisme zich, waarbij de belangrijkste ‘horten’ werden veroorzaakt door twee wereldoorlogen…
Eerste Wereldoorlog en Interbellum
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog trokken troepen, treinen en militaire kolonnes door de Eifel richting België. Tijdens de oorlog ontstond in de Eifel schaarste aan levensmiddelen en aan het einde van de oorlog waren er veel doden te betreuren. Zelfs in de kleinste dorpjes lag het aantal gevallenen boven de tien. Oorlogsmonumenten in haast ieder dorp herinneren nog altijd aan deze vreselijke tijd. Ook het bos in de Eifel had te lijden van de oorlog, onder andere door de enorme behoefte aan hout.
Na de Eerste Wereldoorlog hoorde de Eifel bij de Weimarrepubliek, hoewel de geallieerden, die de gebieden ten westen van de Rijn bezet hielden, de echte machthebbers waren. Frankrijk heerste over de Zuid-Eifel en het district Trier, België over de regio Aken, Monschau en Schleiden. De Amerikanen zwaaiden de scepter over de omgeving van Koblenz en de oostelijke Eifel.
Aangezien de herstelbetalingen aan de Fransen niet snel genoeg gingen en er behoefte was aan hout, werden veel boomstammen gevorderd. Daartoe werden hele bossen gekapt en opnieuw beplant met de snelgroeiende fijnspar.
De overwegend katholieke bevolking van de Eifel had in eerste instantie maar weinig op met het nationaalsocialisme. Die houding sloeg om ten gunste van de nazi’s met de bouw van de Ordensburg Vogelsang in de jaren dertig. Dit complex, nu een monument en museum, gelegen in
Een Amerikaans legervoertuig baant zich een weg door de modderige wegen in het Hürtgenwald.
De Ordensburg Vogelsang is gebouwd onder het Nazi-regime in de jaren dertig. Nu vormt het het hart van het Nationaal Park van de Eifel.
FLORA EN FAUNA
De Eifel ligt aan de noordrand van de Midden-Europese berggebieden. Veel plant- en diersoorten bereiken hier de noordwestelijke grens van hun verspreidingsgebied. Dat maakt de Eifel voor bezoekers uit Nederland en Vlaanderen ook zo interessant: er komen veel soorten voor die je thuis niet zult zien.
Binnen de Eifel zijn er grote verschillen in temperatuur en neerslag en daarmee ook de aanwezige flora en fauna. In het randgebied van de Hoge Venen in het noordwesten komen noordelijke soorten voor als zevenster, grote wolfsklauw, korhoen, hoogveenglanslibel en blauwe vuurvlinder. Dit zijn soorten die de winterse kou goed verdragen. Hier tegenover staan warmteminnende, min of meer mediterrane soorten als vuurwerkplant, grijze gors, orpheusspotvogel, westelijke smaragdhagedis en Koningspage, die vooral in het Moezeldal te vinden zijn.
Ook de hoeveelheid neerslag speelt een belangrijke rol. In de hoogveengebieden aan de rand van de Hoge Venen leven Atlantische soorten die slecht tegen droogte kunnen. Typische voorbeelden zijn beenbreek en wilde narcis. Ook insecten als veenbes- en ringoogparelmoervlinder zijn vooral in vochtige gebieden te vinden. Verder naar het oosten, in de regenschaduw van de Eifel, groeien continentale soorten als steppeseselie, kalkaster, geel zonneroosje en echte gamander.
De meest soortenrijke delen van de Eifel zijn de kalkgebieden, met kalkbeukenbossen en kalkgraslanden als belangrijkste biotopen. Tot de highlights behoren met name de orchideeën, die hier met vele soorten vertegenwoordigd zijn. Ook krioelt het er van sprinkhanen, wilde bijen en dag- en nachtvlinders. Juist door het warme, droge microklimaat van de kalkgraslanden bereiken veel zuidelijke soorten hier hun meest noordelijke populaties in de verder relatief koele Eifel.
Niet alle groepen zijn even sterk vertegenwoordigd. Voor planten- en vlinderliefhebbers is het gebied een absolute hotspot, net als voor sommige minder bekende insectengroepen. Tegelijkertijd moeten vogelaars met een bescheidener lijstje bijzonderheden genoegen nemen.
In de Hoge Venen en enkele kleinere hoogveengebieden in de Eifel vliegt de veenbesparelmoervlinder.
De stengels van de kleine veenbes groeien over de veenmosbulten in de Hoge Venen.
Het rode bosvogeltje (een orchidee) is een van de drie soorten bosvogeltjes in de Eifel.
om te gaan. Een van die aanpassingen is het vangen en verteren van insecten, zoals zonnedauw en blaasjeskruid doen. Ronde zonnedauw is zo’n typische hoogveensoort. In hoogveenplassen groeien diverse soorten blaasjeskruid. Beenbreek, een geelbloeiende verwant van de leliefamilie, is een Atlantische soort die in het noordwesten van Duitsland de grens van haar verspreidingsgebied bereikt. Haar naam dankt ze aan het feit dat ze op moerassige plekken groeit waar het vee (en de mens) zich de poten kon breken. Een andere reden voor deze naam is dat het gras op dit soort plekken maar heel weinig kalk bevat, waardoor het vee dat ervan moest leven, broze botten kreeg. Het sierlijke waterdrieblad heeft gewimperde witte kroonbladeren. Haar lange, drijvende stengels groeien in de vennen. De donkerrood bloeiende wateraardbei is, net als gewone dophei, een belangrijke nectarleverancier voor in het veen levende insecten.
Zevenster groeit op koele plekken, met name in de Hoge Venen. Ze vormt ook het symbool van dit natuurreservaat.
Flora van de beukenbossen
Beukenbossen zijn dominant in de hoge delen van de Noord-Eifel. De beukenbossen op zure bodems (dat wil zeggen die op een ondergrond van zandsteen of leisteen groeien), onderscheiden zich sterk van de beukenbossen op kalkbodems. De zure beukenbossen zijn met name aan de rand van de Hoge Venen en op de Kermeter te
vinden en hebben een erg karige flora, met een spaarzame groei van witte klaverzuring, witte veldbies of pilzegge. Hier en daar komen daar grote veldbies, boszwenkgras, bosereprijs, ongevlekt longkruid en boswederik bij. In de lagere delen van de Eifel, waar de gemiddelde temperatuur ‘s winters boven het vriespunt blijft, groeit de vorstgevoelige hulst, ook weer een Atlantische soort.
De flora in de kalkbeukenbossen is totaal anders. Door de basische bodem verteert het zure beukenloof veel sneller en kan geen dikke humuslaag tot ontwikkeling komen. De rijkdom van de flora in de kalkbeukenbossen valt met name in het vroege voorjaar op wanneer de beuken nog geen blad hebben en er veel zonlicht op de bodem doordringt. Dan bloeien er (lokaal) de lieflijke lenteklokjes en het zoet geurende rood peperboompje, gevolgd door bosanemoon en gele anemoon, donkersporig bosviooltje, grootbladviooltje, bosbingelkruid, lievevrouwebedstro, ongevlekt longkruid en op noordhellingen met een vochtige, lemige bodem, en masse daslook. Vegetatiekundigen maken op grond van de dominante soorten op de bosbodem zelfs onderscheid tussen lievevrouwebedstro-, bosgerst- en orchideeën-beukenbossen.
In kalkbeukenbossen bloeit in maart en april het rood peperboompje.
De muurhagedis is een liefhebber van warme rotsen en is vooral op zonnige dagen actief.
De rugstreeppad is een typische cultuurvolger die vooral voorkomt in groeves, braakliggende industriegebieden en andere door mensen beïnvloede biotopen. Daarnaast leeft er een forse populatie op de Dreiborner Hochfläche. Ook komt hij in grote aantallen voor in de noordoostelijke Vooreifel, met name in groeves bij Mechernich. In de omgeving van Stolberg (route 1) leeft hij in steengroeves.
Reptielen
Kalkgraslanden vormen, samen met de jeneverbesheiden en andere heidegebieden, een belangrijk leefgebied voor reptielen. Deze vinden hier genoeg plekken om te zonnen en zich te verschuilen. Ook de vele natuurlijke rotspartijen in de beekdalen zijn bekende reptielen-hotspots. Uit de Eifel zijn acht soorten reptielen bekend: muurhagedis, zandhagedis, westelijke smaragdhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm, gladde slang, ringslang en dobbelsteenslang. Daarvan zijn levendbarende hagedis en hazelworm het meest wijd verspreid.
De muurhagedis bereikt in de Eifel, samen met een aantal kleine populaties nabij Maastricht, de noordgrens van zijn leefgebied. Muurhagedissen hebben een voorkeur voor zeer warme, stenige plekken. De populaties in de Eifel zijn dan ook beperkt tot op het zuiden gerichte rotshellingen.
De grootste populatie in het noordelijk deel van de Eifel ligt in het Roerdal tussen Heimbach en Nideggen, en verder langs de stuwmeren tot bij Einruhr. Daarnaast zijn er enkele geïsoleerde populaties. In het warme Ahrdal en het Moezeldal is de muurhagedis een algemene verschijning. Via de beekdalen van Sûre, Enz, Nims, Prüm, Kyll en Our dringt de soort ook door in andere delen van de Eifel en is ze onder meer bij Gerolstein, in de Prümer Kalkmulde en bij Schönecken te zien.
De zandhagedis is opvallend schaars en hoofdzakelijk beperkt tot kalkgraslanden. Hij heeft zonnige, warme open plekjes op de bodem nodig. Hier worden de eieren afgezet.
De westelijke smaragdhagedis is een mediterrane soort die in het Moezeldal de noordelijke grens van zijn verspreidingsgebied bereikt. Deze zeer warmteminnende soort
leeft in halfdroge schraallanden en verlaten wijngaarden.
De dobbelsteenslang is het zeldzaamste reptiel van de Eifel en komt alleen voor in enkele kleine gebieden langs de Moezel. Deze slang leeft met name in het water of ligt langs de oever te zonnen. Het is een Zuidoost-Europese soort die in het midden van Duitsland een geïsoleerde populatie heeft en in het dal van de Moezel tussen Kröv en Kobern-Gondorf en, iets zuidelijker, langs de Lahn en de Nahe leeft. De dichtstbijzijnde populaties zijn dan pas weer in het zuidoosten van Oostenrijk en Zuid-Zwitserland. Ook de ringslang is aan water gebonden, maar is in tegenstelling tot de dobbelsteenslang tamelijk algemeen. Ze komt langs vrijwel alle grotere beken en rivieren voor en heeft ook in de Vulkaan-Eifel een grote populatie. De gladde slang, tot slot, bewoont in de Eifel drie biotopen: kalkgraslanden, heides en de warme hellingen van de grotere beekdalen. Ze is in de meeste kalk- en zinkgraslanden en op de warme leisteenhellingen van de dalen van Ahr en Moezel te vinden. In tegenstelling tot de andere genoemde slangensoorten, leeft de gladde slang alleen in droge gebieden.
De meest voorkomende slangen zijn de ringslang (links) en de gladde slang (onder).
Geen enkele van deze slangen is giftig. De enige gifslang van gematigde streken is de adder, en die ontbreekt in de Eifel. Hij komt wel voor in de Belgische Hoge Venen, waar de soort is geïntroduceerd. Een enkele keer wordt er weleens een adder van deze populatie op Duits grondgebied gezien.
De koninginnepage is een van de meest indrukwekkende vlinders van de Eifel. De rupsen leven op schermbloemigen.
Insecten en andere ongewervelden
Kalkgraslanden vormen het beste biotoop voor dagvlinders en liggen op routes 12, 13, 14 en 16 en op de sites 10 en 12. Een andere vlinder-hotspot is het Moezeldal (routes 22, 23, 24 en site 21). Soorten van hei en heischraal grasland, zoals rode en bruine vuurvlinder, vind je op routes 7 en 8 en op de sites 2 en 6. Noordelijke soorten zoals blauwe vuurvlinder en ringoogparelmoervlinder maken route 8 de moeite waard. Voor soorten van hoogvenen en vooral ook voor libellen is route 10 interessant. Routes 1, 3, 4, 5, 7, 13, 22, 23 en 24, evenals de sites 2, 8, 12 en 23, hebben een zeer rijke sprinkhanenfauna; op site 23 komt zelfs de bidsprinkhaan voor.
Veel natuurliefhebbers bezoeken de Eifel vanwege de grote rijkdom aan insecten. Vooral dagvlinders en het smaldeel van de nachtvlinders dat overdag bloemen bezoeken, zijn hier met tientallen soorten aanwezig. Veelal zijn het soorten die in het laagland van Nederland en Vlaanderen ontbreken. Datzelfde geldt voor allerlei soorten sprinkhanen en krekels.
Dagvlinders
Uit de Eifel zijn meer dan 80 soorten dagvlinders bekend. Een van de redenen voor deze rijkdom is dat de intensieve landbouw in de Eifel, in vergelijking met andere gebieden, slechts een gering oppervlak inneemt. Grote delen van de Eifel zijn bebost of als hooi- en weiland in gebruik. De percelen zijn klein en omzoomd door hagen – een structuurrijk landschap met veel ruimte voor ‘rommelrandjes’, solitaire bomen en struiken, bloemrijke bermen en zoomvegetaties. Voor vlinders zijn
dit belangrijke biotopen. De meest soortenrijke zijn echter de kalkgraslanden, vochtige hooilanden en heischrale graslanden. Ook onder de vlinders zijn veel warmteminnende soorten te vinden, maar ook soorten van koele regio’s, die deels relicten zijn van de laatste ijstijd. Een goed voorbeeld uit die laatste categorie is de blauwe vuurvlinder. Deze soort vliegt op een beperkt aantal koele plekken in de Hoge Venen en diens randgebieden. De blauwe vuurvlinder heeft in Duitsland slechts drie grotere populaties: in de Eifel, het Sauerland en het Voor-Alpengebied. De ondersoort van de Eifel en Ardennen (arduinnae) vliegt in één generatie van mei tot juni in koele bergweitjes waar zijn waardplant adderwortel groeit.
De warmteminnende Moezeldal-ondersoort van de apollovlinder (vinnigensis) vliegt alleen langs de benedenloop van de Moezel, tussen Bremm, Calmont en Winningen. Hier vliegen de vlinders in juni en juli tussen de wijngaarden en voeden de rupsen zich met het hier algemeen voorkomende wit vetkruid. De Moezelapollo vliegt alleen bij zonnig weer en een minimale temperatuur van boven de 25°C. Dit microklimaat is typisch voor de zuidhellingen. Helaas zijn dat ook precies de plekken waar druiven verbouwd worden voor de wijnbouw. Veel leefgebieden van de Moezelapollo zijn dan ook verdwenen. Ruilverkavelingen, het gebruik van insecticiden en herbiciden en het verkeer langs de doorgaande weg onderlangs de Moezel zijn belangrijke oorzaken van het verdwijnen van de soort.
De Moezelapollo is een lokale ondersoort van de apollovlinder. Hij komt alleen voor langs de Moezel en is daar inmiddels zeer zeldzaam geworden.
In de kalkgraslanden en in het Moezeldal leven diverse vlindersoorten van zuidelijke gebieden. De kalkbodems warmen snel op en vormen warmte-eilanden waar deze vlindersoorten zich thuisvoelen. Soorten die bij dit ‘profiel’ passen zijn tijmblauwtje, koningspage, tweekleurige en paarse parelmoervlinder en allerlei kleine pages, zoals pruimenpage en kleine sleedoornpage.
In het Moezeldal leeft ook de wegedoornpage. Deze soort is ten westen van de Rijn en Moezel zeer zeldzaam en komt langs de Moezel alleen op rotshellingen voor.
In kalkgraslanden leeft de zuidelijke luzernevlinder die voor de ei-afzet gebonden is aan paardenhoefklaver. Deze soort bereikt in de Eifel de noordgrens van haar verspreidingsgebied en lijkt sterk op de gele luzernevlinder, een trekvlinder.
Routes in de Noord-Eifel
Een bezoek aan de Noord-Eifel vormt een goede introductie op het gebied. De meeste landschapstypes en planten- en diersoorten die in de rest van de Eifel voorkomen, zijn ook hier te zien. De Noord-Eifel ligt vanuit Nederland en Vlaanderen gezien het dichtstbij en vormt dus een logische keuze voor een eerste verkenning. Maar de Noord-Eifel is veel meer dan dat. De hoogvenen, schrale graslanden, heides, bergweiden en zinkvegetaties vormen bijzondere ecosystemen die voornamelijk in dit deel van de Eifel te vinden zijn.
De noordoostelijke rand van het gebied bestaat uit een licht glooiend terrein met uitgestrekte akkers op een vruchtbare lössbodem, de Börde. Hiertussen liggen kalkgraslanden (route 4; site 4) en een relatief groot heidegebied; de Drover Heide (route 3). Meer naar het westen worden de hellingen steiler. Zand- en leisteenrotsen bepalen daar het landschap. Hier bevindt zich het Nationaal Park Eifel met zijn natuurlijke beukenbossen en de uitgestrekte bremheides van de Dreiborner Hochfläche (routes 6 en 7). De Roer en andere beken hebben zich hier diep in het rompgesteente van de Eifel ingesneden (routes 2,8 en 9).
In het westen van de Noord-Eifel, vlakbij het beroemde vakwerkstadje Monschau, bevinden zich de bijzondere narcissenweiden (route 8). Het klimaat is vochtiger en koeler dan in de rest van het gebied. Dit verklaart ook de aanwezigheid van hoogvenen (route 10) en min of meer natuurlijke sparrenbossen (routes 8, 9 en 10). Tenslotte moeten ook de bossen en zinkgraslanden ten zuiden van Aken (route 1 en site 2) met hun unieke flora en fauna genoemd worden.
De routes 1-10 en de sites 1-5 op de pagina’s 178-181 bevinden zich in de Noord-Eifel.
• Het Nationaal Park Eifel met bijzondere soorten als zwarte ooievaar, wilde kat, edelhert en wilde narcis.
• Zeer afwisselend, met kalkgraslanden, lössakkers en heidevelden in het oosten en vochtige bossen en hoogvenen in het westen.
• Zeldzame noordelijke relicten, waaronder de blauwe vuurvlinder.
• De zinkgraslanden – een zeldzaam biotoop met een unieke flora en fauna.
ROUTE 1: BRANDER WALD
4 UUR, 7,5 KM, LICHT
Wandeling over een militair oefenterrein met natuurlijke graslanden en heides.
Het Brander Wald bij Stolberg is een militair oefenterrein dat doordeweeks tussen 7:00 en 17:00 uur niet toegankelijk is. Wanneer je er wel in mag, is het strikt verboden buiten wegen en paden te gaan. Hierdoor is het er voor flora en fauna over het algemeen redelijk rustig. Het Brander Wald herbergt een bijzondere flora en fauna, mede door de grote diversiteit aan biotopen zoals droge schraallanden, plassen en poelen, hakhoutbossen en zinkgraslanden. Deze biotopen bleven hier bestaan omdat het gebied sinds de ingebruikname als militair oefenterrein in 1937 nooit meer als landbouwgebied is gebruikt. Een bijzonderheid zijn de ‘Pingen’: ondiepe kuilen met stortbergjes eromheen. Het zijn overblijfselen van de metaalwinning uit de Romeinse tijd. De vele plassen, poelen en karrensporen op de tankbanen in het gebied vormen
Beste tijd voorjaar-zomer
In het Brander Wald wisselen heide, bremstruweel, schraal grasland en eikenbos elkaar af.
een belangrijk biotoop voor de zeldzame geelbuikvuurpad, die hier een van zijn belangrijkste populaties in de Eifel heeft.
Startpunt: parkeerplaats nabij Buschmühle 16 in Stolberg (GPS 50.772366, 6.197603). Vanaf de parkeerplaats loop je het militair oefenterrein in. Houd daarbij het riviertje Inde aan je linkerhand. Vervolgens neem je de eerste weg linksaf.
In de Canadapopulieren groeien maretakken die ‘s winters regelmatig bezocht worden door grote lijsters. Hier zijn ook vaak grote en kleine bonte spechten te zien, evenals de groene specht.
Neem het eerste pad links en steek de Inde over.
In het vroege voorjaar bloeit in het elzenbos de bosgeelster. Na het oversteken van de Inde ligt links een hoogstamboomgaard met appels, peren en pruimen, die prachtig bloeit in de lente.
Na een zijweg gepasseerd te hebben, kom je langs een Höckerlinie, een tankversperring uit de Tweede Wereldoorlog die deel uitmaakte van de Westwall. Negeer een tweede pad van rechts en steek de drooggevallen molentak van de Buschmühle over. Op de dwarsweg ga je linksaf en volg je het pad het bos in.
De bomen in dit open, sprookjesachtige berken-eikenbos zijn veelstammig – een gevolg van het gebruik als hakhout in het verleden (zie pag. 28 en 50). Wilde kamperfoelie rankt hier in de bomen en struiken. Haar bloemen verspreiden een heerlijke geur en trekken hiermee nachtvlinders. Dankzij het open karakter van het bos groeien adelaarsvaren en blauwe bosbes uitbundig. Naast diverse algemene bosvogels, broedt hier de middelste bonte specht – een typische soort van oude eikenbossen.
Na een zijweg gepasseerd te zijn kom je op een grazige open plek met verspreid staande groepjes wintereiken. Hier groeit blaassilene, een anjerachtige die tot de zinkflora behoort. Andere opvallende plantensoorten zijn grasklokje, gewone vleugeltjesbloem en het zeldzame varentje addertong. In augustus zorgt de bloeiende struikhei voor paarse toefjes in het gras. ’s Zomers tsjirpen hier sprinkhanen, waaronder gouden sprinkhaan en grote groene sabelsprinkhaan.
Waar de weg naar rechts buigt, is nog meer zinkflora te vinden, zoals zinkviooltje en zinkschapengras. Rechts van de weg liggen afwisselend open plekken en kleine bosjes met wintereiken, die boompiepers gebruiken als zangpost. Vlinders als boswitje, bruin dikkopje en kaasjeskruiddikkopje zoeken op de bloemen naar nectar. Goed verborgen tussen de vegetatie liggen ringslang, levendbarende hagedis en hazelworm te zonnen. Hier en daar liggen opvallende grondwallen en kleine ronde heuveltjes – mogelijk zijn dit restanten van stortbergjes uit de Romeinse pingen. Op deze walletjes en heuveltjes groeien kleine groepjes eiken of beuken die het gebied het aanzien geven van een Engels landschapspark. Houd er rekening mee dat je niet van het pad af mag!
De Inde meandert vrijelijke door het Münsterbachtal.
Je loopt langs een toegangshek van het militair oefenterrein en vlak daarna draait de weg naar rechts. Negeer twee paden van links en sla vervolgens linksaf, een grindweg naar links in.
Langs het pad liggen enkele poeltjes. Neem hier even de tijd om goed rond te kijken. In de poelen leven geelbuikvuurpadden. De
ROUTE 12: HET
URFTDAL BIJ NETTERSHEIM
5 UUR, 10 KM, LICHT
Beste tijd april-juli
De massale bloei van daslook op de noordhelling van het Urftdal.
Het ‘Schmetterlingpfad’ met veel vlinders.
Bijzondere bostypen in de meander van de Urft.
Landschappen: kalkbeukenbos, thermofiel loofbos, dennenbos, kalkgrasland, bloemrijke ruigte langs de beek, beekdal
Deze route voert door het dal van de Urft tussen Urft en Nettersheim. Dit beekdal in het hart van de Sötenicher Kalkmulde kent een rijke kalkflora. De warme, beschutte ligging zorgt ervoor dat het dal van de Urft een van de beste vlindergebieden van de Eifel is. In het dal zijn meer dan zestig soorten dagvlinders en bloeddropjes waargenomen, waaronder vele zeldzame soorten. Het begin en het eind van deze route lopen door bossen en zijn schatkamers voor de flora. Op de hellingen liggen kalkbeukenbossen en kalkgraslanden. In de meander van de Urft bij Gut
Neuwerk groeit een thermofiel (warmteminnend) loofbos met een van de weinige populaties van blauw parelzaad in de Eifel. Voor archeologisch geïnteresseerden vormt de Romeinse waterleiding naar Keulen zeker het hoogtepunt van de route.
Startpunt: parkeerplaats tegenover Urfttalstraße 2a, Urft (GPS: 50.512944, 6.581917), op loopafstand van het treinstation van Urft. Je volgt de weg “Neuwerk” het bos in.
Na de inrit van Gut Neuwerk groeit in de wegberm het zeldzame groot laserkruid, een schermbloemige waarvan het hoofdverspreidingsgebied in de Alpen ligt. Op de hellingen staat een rijke voorjaarsflora met rood peperboompje, bosanemoon, gele anemoon, gulden sleutelbloem en ongevlekt longkruid. Sporadisch staan er orchideeën als vogelnestje en bergnachtorchis.
Op een Y-splitsing ga je rechtsaf en loop je bovenlangs Gut Neuwerk. De weg leidt door het bos tot op een brede dwarsweg.
In het bos ligt de Achenlochhöhle, een natuurlijke grot, met de omliggende kalkrotsen. Hier groeit een voor dit deel van de Eifel zeldzaam thermofiel eikenbos. Zomereik, es, zoete kers, Spaanse aak, gewone esdoorn en beuk bepalen hier de boomlaag. Hier groeit blauw parelzaad, een soort van deze warme bossen met slechts enkele
In de Eifel komt de zomererebia alleen voor in het Urftdal (boven). Iets algemener is de boserebia (rechts) die wat vroeger in het jaar vliegt en te herkennen is aan de witte zoom op de vleugel (rechts).
populaties in de Eifel. Verder kun je hier zwartblauwe rapunzel, lievevrouwebedstro, boswalstro, ruig hertshooi en grootbladviooltje vinden. De laatste is een zeldzame soort die vaak over het hoofd wordt gezien, zeker omdat hij niet altijd bloeit. Op sommige plekken vormt hij in het voorjaar wel bloemen, maar worden er geen vruchten gevormd. ’s Zomers is het precies andersom, dan zijn er geen bloemen te zien, maar ontstaat er door zelfbestuiving wel zaad.
Ook aan de andere kant van het pad, langs de Urft, is een bijzondere flora te vinden, met bosgeelster, rood peperboompje, knikkend nagelkruid en moesdistel. Grote gele kwikstaart, waterspreeuw en ijsvogel broeden langs het riviertje.
Je komt bij een brede weg uit bij de brug over de Urft. Ga linksaf (niet de brug over).
In het dennenbos komen vuurgoudhaan, kuifmees, zwarte mees, glanskop, zwarte specht, kruisbek en boompieper voor. Langs de weg groeit een typische kalkflora met echte gamander, bergzegge, knolspirea, bloedooievaarsbek en driedistel. Uit de Alpen afkomstige soorten als blauwgras en aardzegge zijn bijzonder omdat ze slechts sporadisch in middelgebergtes als de Eifel te vinden zijn. Op plekken met veel gulden sleutelbloemen vliegt in mei de sleutelbloemvlinder, een zeldzame dagvlinder. ’s Zomers komen hier klaverblauwtje, bruine vuurvlinder, sleedoornpage, argusvlinder en braamparelmoervlinder voor.
3
Na 1,3 km ga je bij een woonhuis (Rosental) rechtsaf.
Door dit deel van het dal van de Urft loopt het vlinderpad. Dit predicaat verdient het terecht, zeker in de maanden mei, juni en juli. Langs de wegen en bosranden en in de hooilanden vliegen typische dagvlinders van Midden-Europese kalkgraslanden, zoals bruin dikkopje, kaasjeskruiddikkopje, dambordje, dwergblauwtje, bleek blauwtje, grote
parelmoervlinder en zuidelijke luzernevlinder. Uniek is het voorkomen van drie soorten erebia’s, een dagvlindergeslacht dat typisch is voor berggebieden. Langs het vlinderpad zijn zowel voorjaars-, zomer- als boserebia te zien. De zomererebia is daarvan de meest opmerkelijke – hij komt binnen de Eifel alleen hier voor.
Een andere zeldzame soort is de veldparelmoervlinder. De kleine ijsvogelvlinder vind je in de buurt van zijn waardplant wilde kamperfoelie. Ook dagactieve nachtvlinders als sint-jansvlinder, metaalvlinder en het zeldzame tijgerbeertje komen af op de bloemenweelde.
Verder komen er in dit gebied veel sprinkhanen voor, waaronder greppel-, sikkel-, gouden en rosse sprinkhaan, en grote groene sabelsprinkhaan.
De kalkgraslanden zijn schatkamers voor plantenliefhebbers met soorten als geel zonneroosje, grote brunel en centauriebremraap (parasiterend op grote centaurie). Vlak voor de brug over het spoor groeit in de wegberm het zeldzame kamzwartkoren, een kalkminnende halfparasiet met fraaie paars-gele bloemen.
Let op de open plekken aan de rand van het kalkgrasland; hier ligt soms een gladde slang te zonnen. Hoewel de blik meestal op de insecten en de flora is gericht, is het zeker ook de moeite waard omhoog te kijken om vogels als geelgors, boompieper, grauwe vliegenvanger, grauwe klauwier, zwarte specht en de zeldzaam geworden zomertortel niet te missen.
Na 2,5 km sla je rechtsaf en ga je de brug over de Urft en het spoor over. Sla op de kruising rechtsaf richting Grüner Pütz.
Op de zuidhelling wisselen open dennenbossen en kalkgraslanden elkaar af (links).
Het kamzwartkoren is een zeldzaamheid, die lokaal langs het pad groeit (onder).
23 – Bausenberg
De hellingen van de Bausenberg bestaan uit vulkanisch gesteente dat makkelijk in de zon opwarmt (boven). Dit maakt ze perfect voor sprinkhanen, waaronder zelfs een populatie van de Europese bidsprinkhaan (onder).
Ongetwijfeld behoort de Bausenberg tot Duitslands mooiste vulkaankraters met een zeer goed bewaard gebleven, hoefijzervormige krater. De uitbraak vond 140.000-150.000 jaar geleden plaats. Al bij de parkeerplaats kun je in een kale wand verschillende vulkanische gesteenten zien, zoals vulkanische as, lapilli en vulkanische bommen. De wal rondom de krater is grotendeels met een wintereikenbos begroeid, gemengd met beuken aan de noordkant en haagbeuken aan de zuidkant. De open hellingen aan de zuidkant zijn warm en droog, en vormen het leefgebied van gladde slang en muurhagedis. Ook ringslang wordt hier soms gezien. Op de Bausenberg zijn meer dan 500 soorten planten ontdekt, waaronder mannetjes- en purperorchis, en vele warmteminnende bos- en rotsplanten. Enkele bijzonderheden zijn zwarte lathyrus, tuilganzenbloem en sikkelgoudscherm. De Beusenberg is beroemd vanwege zijn vele sprinkhanen van warme steenhellingen. blauwvleugel-, steppe-, weide-, rosse en duinsabelsprinkhaan en zwart wekkertje behoren tot de interessante soorten. Bijzonder is de populatie van de Europese bidsprinkhaan die hier in 2017 werd ontdekt. Deze fraaie soort is pas eind augustus volwassen en dan het beste te zien.
Een 2,5 km lange rondwandeling (100 hoogtemeters) over de Bausenberg begint bij de parkeerplaats aan de Kraterstraße in Niederzissen (GPS: 50.463611, 7.221861). Vanaf hier volg je de asfaltweg bergop en neem je na 300 m het pad rechtsaf tot de rand van de krater. Vanaf de startplaats voor paragliders heb je een prachtig uitzicht op Niederzissen. Dit is ook een goede plek om de sprinkhanen te zoeken.
24 – Wingertsbergwand
De Wingertsbergwand is een 60 meter hoge wand die volledig bestaat uit vulkanische afzettingen. Ronduit indrukwekkend is de dikke laag puimsteen die hier na de uitbarsting van de Laacher See-vulkaan is ontstaan, ongeveer 13.000 jaar geleden.
De Wingertsbergwand is één van de nationale geologie-sites van Duitsland en wordt door geologen uit de hele wereld bezocht om vulkaan-
uitbraken te begrijpen. In het vulkanische gesteente aan de voet van de Wingertsbergwand kun je Hauyn vinden, een klein blauw kristal. De route naar de Wingertsbergwand is vanaf de straat Laachgraben in Mendig met bruine borden van het Vulkanpark aangegeven (GPS: 50.382667, 7.278417).
25 – Kottenheimer Winfeld
Het Kottenheimer Winfeld is een voormalige basaltgroeve die opnieuw begroeid raakt. Het gebied maakt onderdeel uit van de Kottenheimer Büden, die op zijn beurt weer de oostelijke flank van de Bellerbergvulkaan vormt.
Bijzonder aan het gebied is het labyrint van grote basaltrotsen gelegen in het bos. Er zijn zowel beuken als dennenbossen te vinden, waarbij die laatste botanisch het meest interessant is (o.a. klein wintergroen en echte guldenroede). Op de open rotsen groeien kruip- en pijlbrem, voorjaarsganzerik, wilde marjolein en tripmadam. Twee hier algemene vlinders zijn keizersmantel en kleine ijsvogelvlinder. In de herfst is het gebied rijk aan paddenstoelen. Er lopen enkele prachtige paden door het Kottenheimer Winfeld. Je kunt het beste beginnen bij de parkeerplaats langs de K20 tussen Kottenheim en Ettringen (GPS: 50.355833, 7.237333).
Volg vanaf daar de onverharde weg het bos in, sla bij de eerste gelegenheid linksaf en direct weer rechts, de groeve in. De wandelroute is als Traumpfad gemarkeerd.
26 – Ettringer Bellerberg
De Ettringer Bellerberg ligt op een steenworp afstand van het Kottenheimer Winfeld (vorige site) en vormt de westelijke flank van de Bellerbergvulkaan. De hellingen bestaan ten dele uit schrale graslanden en struwelen, waar pijl- en kruipbrem, kartuizer anjer en mannetjesorchis groeien.
Een korte steile klim leidt naar de top van de basaltrots, waar de zeldzame rotsganzerik een kleine populatie heeft. Het gebied is rijk aan vlindersoorten, met argusvlinder, tweekleurig hooibeestje, dambordje, kleine sleedoornpage en braamparelmoervlinder. Bovenaan heb je prachtig uitzicht op de vulkanen in de omgeving (Hochsimmer, Gänsehals, Hochstein, Laacher Kopf en Krufter Ofen) en direct voor je ligt de krater van de Bellerbergvulkaan.
Je beklimt de Ettringer Bellerberg vanaf parkeerplaats ‘Ettringer Lay’ aan de L82 tussen Ettringen en Mayen (GPS: 50.347361, 7.223333). Steek de verkeersweg over en volg het pad rechtdoor langs de bosrand naar de Ettringer Bellerberg. Daar neem je het tweede pad naar links om het hoogste punt te bereiken.
PRAKTISCHE INFORMATIE
Reizen en accomodatie
Reizen door de Eifel
De Eifel beschikt over een uitgestrekt wegennet en wordt ontsloten door diverse autowegen. De autoweg A4 loopt van west naar oost tussen Aken en Keulen, langs de noordrand van de Eifel. De A61 tussen Kerpen en Koblenz ligt langs de oostzijde ervan. De A48 loopt tussen Koblenz en Daun aan de zuidkant van het gebied en de A1 doorsnijdt de Eifel van noord naar zuid.
Binnen de Eifel zijn de autoweg A1 en de regionale wegen B257, B258 en B266 de belangrijkste verkeersaders. De eenvoudigste verkeersmiddelen om jein de Eifel te verplaatsen zijn de auto en de fiets. Hoe verder je in het gebied doordringt, des te kleiner worden de wegen, maar ze zijn stuk voor stuk goed onderhouden en relatief rustig. Voor fietsers is het van belang om te weten dat de Eifel een middelgebergte met veel diep ingesneden dalen is. Dat betekent dat het niet gemakkelijk is om hier te fietsen, hoewel de steile stukken vaak niet erg lang zijn en afgewisseld worden door langere stukken over licht glooiende plateaus. Daarnaast maakt het gebruik van elektrische fietsen het doorkruisen van de Eifel natuurlijk ook gemakkelijker. Hoewel het aanbod aan fietspaden in de Eifel karig is, zijn de landweggetjes relatief rustig en zeer geschikt om te fietsen.
Met trein en bus
De Eifel is met het openbaar vervoer goed bereikbaar. Aken, Keulen, Bonn en Trier zijn met intercity’s bereikbaar. Treintickets kunnen op bahn.de worden geboekt. Ook zijn er veel bussen in de Eifel, al rijden sommige lijnen maar een paar keer per dag. Vooral tussen de verschillende regio’s (Kreisen) zijn de verbindingen vaak minder goed. Alle informatie over het openbaar vervoer is te vinden op standort-eifel.de en zoek op ‘bus’.
Klimaat en weer
Het klimaat van de Eifel wijkt slechts weinig af van de rest van het midden van Duitsland. Wel speelt de hoogteligging een rol. Het voorjaar begint in de hoge delen van de Eifel enkele weken later dan in het laagland en de herfst keert er vroeger terug. Ook is het er relatief koel, vooral in de Hoge Venen, waar de gemiddelde jaartemperatuur slechts 6,1° Celsius bedraagt. Het regent hier ook meer omdat de vanaf de oceaan aangevoerde lucht hier voor de eerste keer moet stijgen. Dit heeft tot gevolg dat er relatief grote hoeveelheden neerslag (tot) vallen, tot wel 1400 mm/jaar (ter vergelijking: het jaargemiddelde van Amsterdam is 850 mm). ’s Winters valt er regelmatig sneeuw in de Eifel. De sneeuwlaag kan in de Hoge Venen tot vier weken
blijven liggen. Fotografen kunnen zich uitleven op de, in de Noord-Eifel regelmatig optredende mist, die vooral ’s morgens sprookjesachtig boven de dalen hangt. Verder naar het oosten neemt de hoeveelheid neerslag duidelijk af. Langs de benedenloop van de Moezel valt jaarlijks slechts 550-600 mm neerslag. De dalen van de Moezel en de Ahr kennen jaarlijks meer zonuren en hogere temperaturen dan de rest van de Eifel, genoeg om wijnbouw mogelijk te maken. De website eifelwetter.de geeft betrouwbare weersvoorspellingen.
Reistijd
De Eifel is het hele jaar door aantrekkelijk voor toeristen, maar de meeste bezoekers komen van het voorjaar tot de herfst naar de Eifel. Hoewel er geen sneeuwgarantie is, maak je grote kans op sneeuw in de maanden januari en februari in de Hoge Venen g. Dan zijn de klapekster en notenkraker in de Hoge Venen ook het beste zichtbaar. Om het afzetten van kikkerdril door de springkikkers in de Drover Heide waar te nemen moet je vaak al in februari de voortplantingswateren opzoeken. Het bloeiseizoen begint met de bloei van het lenteklokje in maart. Daarop volgen wilde narcis en wildemanskruid (begin-midden april) en allerlei soorten orchideeën in de bossen en op de kalkgraslanden (in de tweede helft van mei). In juni en juli staan de bloemrijke ruigtes in de beekdalen in volle bloei en lokken allerlei vlindersoorten. In augustus en september bloeien de gentianen in de kalkgraslanden. Vanaf het midden van september begint de bronsttijd van de edelherten en beginnen de bladeren van de wijnranken in de dalen van Ahr en Moezel te verkleuren. In de bossen in de Eifel schieten dan de paddenstoelen uit de grond. De wintermaanden zijn geschikt om diersporen, zoals de beverdammen in de Noord-Eifel, te zoeken.
Onderdak
De Eifel is al lang in zwang als toeristisch gebied. Bijna overal zijn hotels of vakantiewoningen te vinden. Daarnaast zijn er grotere vakantieparken, zoals in Cochem, Heimbach, Kelberg en Gerolstein. Bij de lokale toeristenbureaus kun je hier meer informatie over inwinnen. Campings zijn relatief dun gezaaid in de Eifel, waarbij het aantal toeristische plekken beperkt wordt door het grote aantal vaste standplaatsen. Campers kunnen op veel plekken terecht. Voor onderdak kun je je het beste oriënteren op eifel.info.
Ecologisch verantwoord
toerisme
We gaan ervan uit dat ls je met dit boek op stap bent, je doel is om de bijzondere natuur van de Eifel te ontdekken én te behouden. Volg daarom de volgende regel: laat niets na behalve je voetstappen en neem niets anders mee dan mooie herinneringen. Verantwoord shoppen kun je het beste bij de lokale bakker, slager of levensmiddelenzaak. Deze hebben vaak ook een (beperkt) assortiment lokale producten (melk, kaas, vlees, wild, sappen). Ook boerderijwinkels en kloosterwinkels, zoals in Maria Laach en Mariawald, bieden een keur aan lokale producten aan. Op deze wijze draag je eraan bij dat levensmiddelen niet eerst over grote afstanden getransporteerd worden voordat je ze koopt. Lokaal geperst appelsap is op vele plekken te koop en eens heel
wat anders dan de supermarktvariant. Ook is er genoeg keuze in wijn van lokale herkomst. Daarbij is het wel goed erop te letten de ecologisch werkende kleine wijnboeren te ondersteunen in plaats van de grote firma’s die met helikopters gif over hun wijngaarden sproeien.
Begeleide wandelingen, vogelkijkhutten enz.
Voor begeleide wandelingen kun je het beste informatie inwinnen bij de lokale toeristenbureaus of de infocentra van het Naturpark en het Nationaal Park, zoals in Vogelsang, Heimbach, Höfen en Nideggen. In het Nationaal Park worden bijna dagelijks begeleide wandelingen aangeboden. Als je doel vooral is om in een groep te wandelen, kun je ook bij de Eifelverein (eifelverein.de) terecht, die veel lokale afdelingen heeft. Als het gaat om meer thematische tochten of tochten met meer diepgang, is de NABU (Naturschutzbund) een goede ingang (nrw.nabu.de en rlp.nabu.de).
De NABU biedt ornithologische en botanische excursies aan, NABU-afdelingen zijn er in Aken, Düren, Euskirchen, Bonn, Ahrweiler, Daun, Trier, Kylleifel, Osteifel, Bernkastel-Wittlich en Südeifel.
Wie graag zelf op stap gaat en naast de beschreven wandelingen uit dit boek nog meer mooie tochten door de Eifel wil ondernemen, kan de vele door de Eifelverein (eifelverein.de) bewegwijzerde wandelwegen volgen. Veel aantrekkelijke routes in de Noord-eifel zijn onder de noemer ‘Eifelschleifen’ en ‘Eifelspuren’ gemarkeerd. In de Oost-Eifel zijn zulke routes bewegwijzerd als ‘Traumpfad’ (lange routes) en Traumpfädchen (korte rondjes), en in de Vulkaan-Eifel is een netwerk van rondwandelingen uitgezet als ‘HeimatSpuren’. Een bijzondere belevenis is het wandelen langs de Eifelsteig, een lange-afstandswandeling die van Kornelimünster naar Trier langs de mooiste plekken van de Eifel voert. Daarnaast zijn er de Ahr-, Rhein- en Moselsteig, het Lieserpfad, de Römerkanalweg tussen Nettersheim en Keulen en de Eifelleiter tussen Bad Breisig en Adenau. Meer informatie onder eifel.info.
Vogelkijkhutten zijn in de Eifel haast niet te vinden, alleen langs de Junfernweiher (site 17) staat er een. Op het plateau van Dreiborn kun je vanaf de Rotwildempore (route 7 en site 3) naar edelherten kijken. Bij Großhau in het Hürtgenwald is een beverpad met een kijkhut.
Literatuur
Kaarten
De beste wandelkaarten zijn die van de Eifelverein (eifelverein.de). Deze zijn voor de hele Eifel beschikbaar en bieden een goed overzicht over alle bewegwijzerde wandelroutes en de ligging van de natuurreservaten.
Flora
Flora der Region Trier (Band 1 & 2). R. Hand, H. Reichert, W. Bujnoch, U. Kottke & S. Caspari. Verlag Michael Weyand. Uitgave 2016. ISBN 978-3-942-492-29-0. Met verspreidingskaarten en korte soortbeschrijvingen.
Ooievaars
De Eifel is een van de weinige gebieden in Duitsland, waar de ooievaar ontbreekt. De veel zeldzamere zwarte ooievaar heeft echter juist een voorkeur voor de Eifel, vooral voor de rustigere delen van het gebied. Deze schuwe soort kan nog het meest cirkelend in de lucht worden waargenomen. Bijna overal in de Eifel is er kans op een waarneming, maar het meest op de routes R6, R8, R16 en R28.
Roofvogels
De rode wouw is de algemeenste roofvogel in de Eifel. Deze soort kan bijna overal worden waargenomen, jagend boven graslanden en langs bosranden, maar ook in de dorpen. De zwarte wouw is veel zeldzamer en kan vooral langs rivieren en meren worden waargenomen (R22, R23, R24, R27 en S17). Kiekendieven zijn in de Eifel gelukkig weer toegenomen. De blauwe kiekendief broedt in de Zülpicher Börde (R5) en is als wintergast in Nationaal Park Eifel en in de Hoge Venen (R7 en R10) aanwezig. De zeldzame grauwe kiekendief broedt – zij het in zeer klein aantal – in de Zülpicher Börde (R5). Sperwer, havik en buizerd zijn overal algemeen. De havik heeft een voorkeur voor uitgestrekte bossen. De ruigpootbuizerd is als wintergast in de Eifel en de Hoge Venen (R10) aan te treffen. De wespendief is een verspreid voorkomende zomergast. Visarenden zijn zeldzaam, maar tijdens de trek komen ze langs verschillende wateren voor (met name bij S17). De torenvalk komt overal algemeen voor waar graslanden en akkers liggen. De slechtvalk breidt zich gelukkig langzaam weer uit (R4 en R23). De boomvalk is een sporadische gast, zoals in de Hoge Venen (R10) en bij de Jungfernweiher (S17). Het smelleken is een doortrekker en wintergast.
Rallen en Meerkoeten
De waterral is zeldzaam in de Eifel (met wat geluk bij R17 of S17). Waterhoentjes en meerkoeten zijn langs de meeste grote meren te vinden.
Hoenders en kraanvogels
Het veelgezochte hazelhoen is een zeer zeldzame, schuwe soort die in de eikenhakhoutbossen van de Oesling in Luxemburg leeft. Deze soort wordt ook aangegeven voor het dal van de Our (R19). De populatie in het Moezeldal lijkt verdwenen. Ook de populatie van het korhoen neemt steeds verder af. Alleen in de Belgische Hoge Venen leeft nog een kleine relictpopulatie van deze vroeger veel meer voorkomende soort. De fazant is op vele plekken in graslanden en akkers te vinden. De patrijs is zeldzamer en leeft in de grotere gebieden met akkerbouw (R5, R25). Dat geldt eveneens voor de kwartel, die iets meer verspreid voorkomt (o.a. ook op R7).
Tijdens de trek is de kraanvogel in de Eifel te gast. Tijdens de herfsttrek overnachten soms wel 10.000 kraanvogels in de Hoge Venen (R10). Ook op andere plekken, zoals bij de Jungernweiher (S17), zijn dan rustende kraanvogels te zien.
Steltlopers
De kleine plevier broedt langs rivieren en meren (b.v. bij S17). Hier kan ook het witgatje worden waargenomen. Bosruiters leven in de Hoge Venen (R10) en de Thürer Wiesen. Kieviten broeden soms in gebieden met natte hooilanden en kunnen ’s winters op de graslanden worden waargenomen. Andere steltlopers zijn in de
Eifel zeer zeldzaam en kunnen uitsluitend tijdens de trek worden waargenomen.
Watersnippen leven in de Hoge Venen (R10) en tijdens de trek rustend in natte gebieden (met name bij S17). Houtsnippen kunnen tijdens de balts op allerlei plekken worden waargenomen (onder meer R2, R8 en R10).
Meeuwen
Langs de Moezel kunnen soms zilver- en kokmeeuwen worden gezien. ’s Winters is de Laacher See (R27) een goede plek om meeuwen waar te nemen.
Duiven
Houtduiven komen in de hele Eifel voor; holenduiven met name in de oude bossen (o.a. R5, R6, R16, R20, R21) en in akkerland. De zomertortel laat haar roep ’s zomers nog op diverse plaatsen horen. Een goede kans hierop bestaat op de routes R3, R7, R12 en R25 en bij de sites S8, S11 en S12.
Koekoeken
De koekoek is op veel plekken in de Eifel nog veel te horen.
Uilen
De steenuil leeft in de lagere delen van de Eifel (o.a. R5 en R17). De nachtactieve kerkuil heeft ongeveer dezelfde verspreiding. De oehoe broedt vooral langs steile rotswanden (R4, R11, R12 en R15). Ransuil en bosuil komen verspreid in de Eifel voor. De dwerguil is de zeldzaamste uil in de Eifel en leeft vooral in de uitgestrekte bossen aan de rand van de Hoge Venen (R10).
Nachtzwaluwen
De nachtzwaluw is een zomergast die met name in de schemering te zien is, met name op de Drover Heide (R3).
Gierzwaluwen
Gierzwaluwen zijn in de Eifel minder algemeen dan in het laagland. Ze kunnen echter in de grote dorpen en de steden en in de omgeving daarvan worden waargenomen.
IJsvogel en bijeneter
De ijsvogel is op veel plekken in de Eifel te vinden, mits er maar voldoende water voorhanden is (b.v. R4, R12, R14, R18, R22 en R27). Bijeneters kunnen ’s zomers in kleine aantallen in de Thürer Wiesen, maar ook sporadisch op andere plekken in de Eifel worden waargenomen.
Spechten
Groene specht en grote bonte specht zijn algemene vogels in de Eifel. De kleine bonte specht leeft in gebieden met veel berken en elzen (o.a. R2, R8, R10, R16, R19, R27). De middelste bonte specht leeft bij voorkeur in oude eikenbossen en is vooral in het vroege voorjaar (als hun baltsroep te horen is) relatief eenvoudig op de routes R4, R19, R22, R28 en S15 te vinden. De zwarte specht, een bewoner van uitgestrekte bossen, vindt in grote delen van de Eifel geschikte leefgebieden (o.a. R6, R9, R16, R17, R19 en R27). De grijskopspecht lijkt uit de Eifel verdwenen te zijn, al wordt deze soort zo nu en dan nog gemeld uit het Vogelschutzgebiet Ahrgebirge. De draaihals leeft ’s zomers in oude fruitboomgaarden en andere kleine bosjes (het beste op R3, R7 en R28).
CROSSBILL GUIDES FOUNDATION
Net over de Duitse grens ligt de Eifel: een lieflijk en veelzijdig middelgebergte vol natuur en historie. De regio staat bekend om haar vulkanische landschappen, charmante vakwerkstadjes, het schilderachtige Moezeldal en de duizenden wilde narcissen die in april de hooilanden geel kleuren. De grote rijkdom aan vlinders en de gevarieerde flora – met indrukwekkende aantallen wilde orchideeën – maken dit gebied tot een schitterende bestemming voor natuurliefhebbers.
Deze Crossbill Guide is de meest complete natuurgids van de Eifel. Het boek biedt uitgebreide achtergrondinformatie over landschap, flora en fauna en beschrijft 28 zorgvuldig geselecteerde wandelroutes, aangevuld met 28 extra locaties waar de natuur van de Eifel op haar mooist is.
• Zelf vogels, flora, vlinders en andere soorten vinden
• Natuurroutes, sites en waarnemingstips
• Achtergronden over landschap, ecosystemen en geologie