















![]()
















Veertig procent van de wereldwijde CO₂-uitstoot is toe te schrijven aan de gebouwde omgeving. Toch functioneren veel gebouwen nog altijd ver onder hun duurzame potentieel, niet door gebrek aan technologie, maar door een gebrek aan samenhang. Installaties draaien op tijden dat er niemand aanwezig is, datasystemen staan los van elkaar en investeringsbeslissingen worden genomen zonder de gebruiker mee te wegen.

Sanne Dufrenne, Manager Smart Services, Croonwolter&dros
Verduurzaming is nodig, maar hoe wordt de beschikbare slimme technologie werkelijk benut? Sanne Dufrenne, manager Smart Services bij Croonwolter&dros, legt de vinger direct op de zere plek. De urgentie ligt niet in afzonderlijke deelproblemen, maar in de samenhang ertussen. “De grootste uitdaging is het gelijktijdig realiseren van verduurzaming, elektrificatie en digitalisering, terwijl de druk op het energienet toeneemt en er een enorm tekort is aan technisch geschoold personeel. Dat vraagt om een integrale aanpak.”
Dufrenne spreekt bewust over technologie als katalysator. Slimme systemen zijn geen doel op zich, maar het middel om de transitie te versnellen. Croonwolter&dros richt zich daarin op Smart Services: datagedreven diensten waarmee gebouwen continu worden gemonitord, geanalyseerd en geoptimaliseerd. Dat reikt verder dan energiebesparing alleen. Klimaatadaptatie,
croonwolterendros.nl
circulariteit en geopolitieke afhankelijkheid spelen allemaal mee. “We kijken bewust verder dan alleen CO₂-reductie en energiebesparing.”
Van data naar beslissingen Veel gebouwen beschikken al over uitgebreide datasystemen, maar de kloof tussen het verzamelen en interpreteren van data blijft groot. Dufrenne ziet daar een wezenlijk onderscheid. “De echte kracht van data in gebouwen ligt niet in het verzamelen ervan, maar in het slim combineren en interpreteren van verschillende datastromen. Pas dan kun je proactief sturen op operationeel, tactisch en strategisch niveau.”
Een concreet voorbeeld is adaptieve klimatisering: een systeem dat alleen verwarmt, koelt of ventileert wanneer ruimtes daadwerkelijk bezet zijn.
Door sensordata te combineren met bezettingspatronen en weervoorspellingen, kunnen systemen anticiperen op wat er in een gebouw gaat gebeuren. Weervoorspellingen kunnen helpen om beslissingen te nemen over energieopslag. In projecten waar deze technologie is toegepast, werd een gemiddelde energiebesparing gemeten van twintig tot dertig procent.
Integratie als voorwaarde voor succes
Het samenvoegen van afzonderlijke systemen, van verlichting en klimaat tot beveiliging en energiebeheer, vergroot de mogelijkheden exponentieel. Als sensoren voor aanwezigheid, weerdata en
energieverbruik samenwerken, kunnen gebouwen zelfstandig beslissingen nemen die zowel comfort als efficiëntie optimaliseren. Schoonmakers worden alleen naar gebruikte ruimtes gestuurd. Klimaatinstallaties koelen alvast voor als de zon hoog staat. “Met diverse data kun je een beter besluit nemen. Je krijgt veel meer inzicht door ze te combineren”, aldus Dufrenne.
Tegelijkertijd benadrukt zij dat technologie begrijpelijk moet blijven voor de eindgebruiker. “De beste technologie is onzichtbaar. Gebruikers merken alleen dat het werkt. Dat betekent geen complexe interfaces, maar intuïtieve, adaptieve systemen.” Croonwolter&dros borgt daarbij ook de cybersecurity van alle verbonden systemen. “In een wereld waar gebouwen steeds slimmer en verbondener worden, is cybersecurity pure noodzaak.”
langetermijnopbrengsten van slimme technologieën onderschat worden. Dat is niet alleen een gemiste kans, maar ook een risico voor de toekomstbestendigheid van gebouwen.”
Dat die benadering werkt, blijkt in de praktijk. Bij een klant identificeerde Croonwolter&dros twaalf concrete maatregelen op basis van een verduurzamingsonderzoek en een duurzaam meerjarenonderhoudsplan. De combinatie van lagere energiekosten en beschikbare verduurzamingssubsidies maakte de investering rendabel: een besparing van 12.000 kubieke meter gas en 9.000 kWh per jaar, met een daling van de WEii-score van 102 naar 38 in 2030. “Dat zijn meetbare resultaten die opdrachtgevers over de streep trekken.”
Technologie is een katalysator; een middel om de transities te versnellen
De investering die zichzelf terugbetaalt
Een hardnekkig obstakel blijft de manier waarop investeringsbeslissingen worden genomen. Initiële kosten worden afgezet tegen directe rendementen, terwijl de werkelijke meerwaarde van slimme gebouwtechnologie zich over de gehele levenscyclus manifesteert. Dufrenne pleit voor een andere benadering. “We moeten fundamenteel anders kijken naar investeringen in vastgoed. Beslissingen worden nu vaak genomen op basis van initiële kosten, terwijl de
Met het oog op ESG-rapportages worden deze argumenten steeds zwaarder. Gebouwen die energiezuinig zijn, presteren op comfort en meebewegen met wet- en regelgeving, vertegenwoordigen over hun levenscyclus een hogere waarde. Digital twins, predictive maintenance en AIgestuurde sturing worden de komende jaren mainstream.
De markt verandert mee. Dufrenne ziet een verschuiving richting wat zij “best total value” noemt: niet de laagste prijs, maar de combinatie van innovatie, duurzaamheid en toegevoegde waarde over de hele keten. “Dit werkt alleen als de gehele keten op deze manier naar het werk kijkt. Dan maken we dezelfde afwegingen om waarde toe te voegen.”
Voor Dufrenne is het geen abstracte ambitie. “De keuzes die we vandaag maken, bepalen de wereld van morgen. Door inzet van slimme technologie en innovatie dragen we bij aan het succes van onze klanten en aan een betere leefomgeving.”
Nederland staat voor een dubbele opgave. Terwijl bruggen, tunnels, sluizen en overige infrastructurele projecten als waterzuiveringen uit de naoorlogse decennia snel verouderen, stapelen nieuwe eisen zich op: meer woningen, meer netcapaciteit, meer infrastructuur en strengere milieunormen. In die spanning tussen onderhoud en uitbreiding proberen infrabouwers niet alleen aannemer te zijn, maar ook organisator van schaarste.

Remco Hoeboer is algemeen directeur van Mobilis. Deze infrabouwer realiseert complexe projecten en verbindt opdrachtgevers en ketenpartners, met behulp van opgebouwde expertise in ontwerp en projectmanagement. Volgens hem begint de huidige realiteit bij een ongemakkelijke constatering: de opgave groeit sneller dan het aanbod aan mensen, tijd en geld. “Er is een enorme vraag bij Rijkswaterstaat, in de energietransitie, in de woningbouw en bij watergerelateerde projecten. Tegelijk is technische capaciteit in Nederland schaars. Juist daarom moeten wij als hoofdaannemer helpen om met dezelfde mensen en middelen meer gedaan te krijgen.”
Die ambitie vormt de rode draad in het verhaal van de onderneming, die onderdeel is van TBI en al 125 jaar infrastructuur bouwt in Nederland en België. Niet de omvang van de orderportefeuille staat centraal, maar de vraag hoe met schaarse capaciteit toch meer maatschappelijke waarde kan worden geleverd. Dat vergt volgens de directie een andere rolopvatting: minder traditioneel aannemen, meer verbinden, slimmer ontwerpen en organiseren. “Wij willen een betrouwbare, stabiele partner zijn. Het geld dat we verdienen blijft in de TBI-groep om te investeren in innovatie en continuïteit. Dat past bij het idee dat je als bouwer ook iets teruggeeft aan de maatschappij”, zegt Hoeboer.
Schakel
In die benadering ziet Mobilis zichzelf als schakel tussen opdrachtgever,

Afvalwaterzuivering Zwanenburg

Station Amsterdam Zuid
leveranciers en specialistische partners. Het bedrijf zoekt nadrukkelijk langdurige samenwerkingen op, onder meer in allianties voor realisatie van grootschalige projecten als het bouwen of renoveren van bruggen, sluizen en waterzuiveringen. Door teams vaker in vergelijkbare samenstelling te laten werken, moet kennis beter beklijven en de leercurve sneller omhoog.
Divisiedirecteur Rutger de Jong plaatst die strategie in het bredere spectrum van de vervangings- en renovatiemarkt. “Nederland heeft jarenlang veel opgebouwd en merkt nu dat een groot deel daarvan tegelijk veroudert. Dan heb je continuïteit nodig in budgetten, in teams en in kennisopbouw. Zonder dat ritme krijg je een jojo-effect in de markt, terwijl de opgave alleen maar groter wordt.”
De praktische uitwerking daarvan is tweeledig. Waar projecten repeteerbaar zijn, wil het bedrijf standaardiseren en modulariseren. Waar de situatie uniek is, zoals bij drukke beweegbare bruggen of binnenstedelijke knooppunten, blijft maatwerk in ontwerp en fasering doorslaggevend. Vooral in de energiemarkt krijgt dat denken vorm. Daar wordt gewerkt met gestandaardiseerde funderingselementen en modulaire systemen voor hoogspanningsstations, zodat een groter deel van het werk verschuift van de bouwplaats naar een gecontroleerde productieomgeving. Het resultaat is sneller bouwen, constantere kwaliteit en minder hinder voor de omgeving.
Die nadruk op hinderbeperking is geen

Hoogspanningsstation Tilburg met toepassing Mobriq

Oosterweelknoop Antwerpen
bijzaak, maar juist cruciaal, omdat veel projecten plaatsvinden in dichtbevolkte gebieden of bij infrastructuur die in gebruik blijft. Bouwen gebeurt daardoor steeds vaker met “de winkel open”, wat naast technische beheersing ook omgevingssensitiviteit vraagt. Tegelijk krijgt duurzaamheid steeds concreter vorm, bijvoorbeeld met natuurinclusieve oplossingen zoals vleermuiskasten en visvoorzieningen in bruggen, het gebruik van recyclebare materialen, inzet van elektrisch materieel en de ontwikkeling van schoner beton. “Duurzaamheid zit in ontwerp- en materiaalkeuzes én in hoe je overlast beperkt. Uiteindelijk gaat het om toekomstbestendig bouwen in een drukbezet land”, zegt De Jong.
Bovendien is die maatschappelijke context een argument om breder naar vakmanschap te kijken. Technische kennis blijft cruciaal, maar de huidige markt vereist ook mensen met analytisch vermogen, nieuwsgierigheid en gevoel voor samenwerking. Voor Mobilis hoeft nieuwe instroom niet altijd uit klassieke technische opleidingen te komen. Naast technisch vakmanschap is er behoefte aan inlevingsvermogen, creativiteit en samenwerkingskracht. “Je moet belangen van klanten en ketenpartners kunnen verbinden. Precies daar wordt het verschil gemaakt op complexe projecten.”
Wat Hoeboer en De Jong concluderend benadrukken, is dat efficiënter werken duidelijke kansen biedt om de infrastructuuropgave versneld aan te pakken. Tegelijk vraagt dit om stabiele
randvoorwaarden en continuïteit in investeringen. In die combinatie van innovatie, samenwerking en langetermijnvisie ligt de sleutel om Nederland ook in de toekomst bereikbaar, veilig en duurzaam te houden.

Vier pijlers
De activiteiten van Mobilis rusten op vier pijlers: grote infrastructurele projecten, vervanging en renovatie van bruggen en sluizen, energieprojecten met modulaire elementen en tot slot projecten in de waterzuiveringssector. In die laatste markt gaat het vooral om uitbreiding, verduurzaming en vernieuwing van installaties. Vorig jaar heeft Mobilis zijn 125e bestaansjaar gevierd. Het bouwbedrijf maakt daarbij onderdeel uit van TBI, met in totaal 6.400 collega’s één van de grootste techniek-, bouw- en infraconcerns in Nederland.
UITDAGINGEN
De Nederlandse bouwsector staat voor een dubbele opgave: meer bouwen en tegelijk minder CO₂ uitstoten. Dat vraagt om verduurzaming en hergebruik van traditionele materialen als beton en staal én nieuwe materialen met een lage milieu-impact. Tegelijkertijd zoeken agrariërs rond kwetsbare natuurgebieden naar nieuw perspectief. Die twee uitdagingen blijken elkaar te kunnen versterken.
Steeds meer bouwbedrijven werken met biobased materialen als vezelhennep, vlas, lisdodde en olifantsgras. Puck Sanders, belangenbehartiger duurzaamheid bij Bouwend Nederland, ziet daarin een krachtige verbinding. “De bouwsector zoekt duurzame materialen, de landbouw nieuwe verdienmodellen. Biobased bouwen brengt dat samen.” Bouwbedrijven als Heijmans en Dura Vermeer werken samen met agrariërs aan ketenproeven, en Bouwgroep Dijkstra Draisma ontwikkelde een houten woonconcept met plantaardige isolatie.
Toch zit biobased bouwen nog in de opbouwfase. Industriële opschaling vraagt om voldoende materiaalvoorziening, en vraag en aanbod moeten gelijk oplopen. “Het belangrijkste is dat opdrachtgevers biobased bouwen meer gaan uitvragen, bijvoorbeeld in aanbestedingen.
Daarbij wil je duidelijke doelen en randvoorwaarden, zonder één materiaal specifiek voor te schrijven”, benadrukt Sanders.
Hij onderscheidt drie voorwaarden: meer zekerheid over de afzet, gerichte ondersteuning voor agrariërs die biobased telen en een gebiedsgerichte aanpak die natuurherstel en bouwmaterialen verbindt. “Dat vereist langjarig, consistent beleid, zodat boeren, materiaalverwerkers en bouwbedrijven durven te investeren en er meer ketens ontstaan. Zo kunnen de bouw en boeren samen bijdragen aan oplossingen voor het landelijk gebied.”
Nederland moet de komende jaren honderdduizenden woningen bouwen, maar de traditionele bouwketen is inefficiënt om dat tempo bij te houden. Een oplossing? Niet elke woning opnieuw uitvinden, maar inzetten op herhaalbare, opschaalbare woningconcepten.

Dat is precies de missie van het Netwerk Conceptueel Bouwen (NCB), een kennisorganisatie die opdrachtgevers, bouwers, toeleveranciers, ontwerpers en gemeenten verbindt rond conceptueel ontwikkelen en bouwen. Directeur Olga Görts-van de Pas ziet dat de sector inmiddels overtuigd is van de richting, maar worstelt met de uitvoering. “Veel partijen weten dat conceptueel bouwen een belangrijke oplossingsrichting is om slimmer, sneller en schoner te
In de bouw- en infrasector komen bepaalde risico’s regelmatig terug. Waterschades op bouwplaatsen, letselincidenten in de laatste minuten van een werkdag, communicatieproblemen tussen tientallen nationaliteiten op een dak. Het zijn situaties die veel partijen uit de praktijk herkennen. De sector maakt deze patronen steeds beter inzichtelijk en werkt daarmee aan een structurele aanpak.

Verzekeren wordt traditioneel gezien als sluitstuk van een project, terwijl juist eerdere betrokkenheid van verzekeraars steeds meer waarde toevoegt.
DUPI Underwriting Agencies, specialist in onder andere de bouw- en infrasector, ziet
de rol van verzekeraars verschuiven: van het afdekken van risico’s naar het actief bijdragen aan het beheersen ervan.
Van polis naar partnerschap
“Betrek ons zo vroeg mogelijk in dat traject”, zegt Chris van Gorkum, Lead Underwriter CAR/Engineering bij het bedrijf. “Het verzekeren wordt helaas toch wel eens als het sluitstuk van het ontwerptraject gezien. Maar wij kunnen onze echte toegevoegde waarde leveren op het moment dat wij er bijtijds bij zijn.” Dat vertaalt zich in concrete aanwezigheid. Risk engineers en underwriters met uiteenlopende achtergronden gaan bij aannemers en opdrachtgevers aan tafel, en soms letterlijk de bouwplaats op. “Ik trek liever gewoon de stalen neuzen aan”, aldus Van Gorkum. “Zet mij maar op de bouwplaats, ik wil het zien, ik wil
het ervaren.” Van bouwkundigen en werktuigbouwkundigen tot specialisten in aansprakelijkheid: elk perspectief draagt bij aan een completer risicoprofiel. Van Gorkum benadrukt dat juist de terugkerende schadepatronen aanleiding zijn voor dat gesprek. “Waterschades zien wij in onze data vaak terugkomen. Juist daarom proberen we het verschil te maken door met concrete oplossingen te komen. Denk aan automatische waterafsluiters op de bouwplaats.” Een klant heeft volgens hem veel meer aan dergelijke oplossingen dan aan hogere premies of eigen risico’s.
Nieuwe risico’s, nieuwe inzichten De sector verandert snel. Prefab, modulair bouwen, houtbouw en de energietransitie brengen risicoprofielen met zich mee waarvoor nauwelijks historische gegevens beschikbaar zijn. “De relevantie van data uit het verleden neemt snel af”, stelt Van Gorkum. “Wij moeten ook vooruitkijken en nadenken over wat nieuwe ontwikkelingen betekenen voor de verzekerbaarheid.”
Bernadette Bode, Underwriting Director Casualty, wijst op de bredere context. Via moedermaatschappij SMABTP, met bijna tweehonderd jaar ervaring in de bouw en via vaste partners in de Londense verzekeringsmarkt, heeft het
bouwen. Maar het vraagt om lef en leiderschap om die nieuwe manier van werken strategisch te verankeren.”
Effectieve samenwerking begint met ‘Het spreken van dezelfde taal’. Met de Woonstandaard ontwikkelde NCB een instrument dat vraag en aanbod ordent in heldere product-marktcombinaties. “Taal doet ertoe. Als je dezelfde begrippen hanteert, weet iedereen wat je bedoelt”, aldus Görts-van de Pas. Op de Conceptenboulevard, een digitale showroom, kunnen opdrachtgevers vervolgens gericht zoeken naar woningconcepten die aansluiten bij hun prestatie-eisen.
De grootste uitdaging is niet inhoudelijk, maar menselijk. “Partijen en mensen moeten een andere rol innemen dan ze gewend zijn. Daar is nog veel winst te behalen.”
bedrijf toegang tot expertise uit diverse verzekeringsmarkten. Ervaringen uit het buitenland leren dat letselschadezaken complexer worden en uitkeringen hoger liggen. Dat biedt ruimte om samen te bouwen aan de juiste invulling van nieuwe schadeproblematiek. De database ondersteunt de analyses, maar de uiteindelijke beoordeling blijft mensenwerk. “Het stukje klantcontact en het beseffen wat een klant doet, dat ga je niet door een computer laten overnemen”, aldus Bode.
Wie de verzekeraar eerder betrekt als inhoudelijke gesprekspartner, vergroot de kans om aanvullende risico’s tijdig te herkennen, processen mogelijk aan te passen en structureel te werken aan verbeterde oplossingen.

Bernadette Bode, Underwriting Director Casualty, DUPI Underwriting Agencies


Goede schoolgebouwen zijn een randvoorwaarde voor goed onderwijs, maar Nederland blijft structureel achter. Van de circa 9.300 schoolgebouwen in het basis- en voortgezet onderwijs is bijna de helft toe aan renovatie of vervangende nieuwbouw, becijferde Bouwend Nederland. Volgens de PO-Raad zijn jaarlijks ruim 220 nieuwbouwprojecten en 70 renovaties nodig, een verdubbeling van het huidige tempo.

De oorzaak van deze achterstand ligt niet alleen op de bouwplaats, maar veel eerder in het proces. Het traject van eerste planvorming tot oplevering duurt gemiddeld acht tot tien jaar. In die tijd lopen budgetten vast, ontwerpen verouderen en indexaties stapelen zich op. Een school die acht jaar geleden werd gepland, kost bij oplevering aanzienlijk meer dan geraamd. Toch verandert de aanpak nauwelijks.
Versnelling begint vóór de schop de grond in gaat KernBouw, bouwpartner voor maatschappelijk vastgoed met veel ervaring in scholenrenovatie en nieuwbouw, ziet de kern van het probleem in de vroege projectfase. “Van initiatie tot oplevering duurt het traject al gauw acht jaar, en dat is eigenlijk veel te lang”, zegt Maarten
Smit, directeur Groei & Strategie. Het bedrijf werkt vanuit een lange historie in onderhoud en renovatie van scholen en is sinds 2018 gegroeid naar grootschalige renovaties en volledige nieuwbouw.
Het klassieke model werkt als volgt: een schoolbestuur en gemeente betrekken verschillende adviseurs bij hun initiatief voor een nieuwe school. Samen met de architect ontstaat een ontwerp, dat wordt na jaren van overleg en procedures op de markt gezet en dan blijkt er een mismatch tussen hetgeen bedacht is en wat de markt voor een bepaalde prijs kan leveren. “Aannemers worden te laat betrokken om realistisch mee te ontwerpen”, aldus Smit
Vijftig interviews als fundament KernBouw interviewde vijftig schoolbestuurders, onderwijsadviseurs, architecten en gemeenten. Op basis hiervan ontwikkelde het bedrijf een eigen scholenconcept volgens het Design & Buildprincipe. Het uitgangspunt: de beste school voor de euro met ontwerpvrijheid voor de architect.
Gustaaf de Vries, verantwoordelijk voor de conceptontwikkeling: “We hebben een school ontwikkeld met uitgewerkte gestandaardiseerde bouwblokken op UOniveau, waardoor we een efficiënt ontwerp en calculatieproces garanderen.”
Uit die gesprekken kwam een breed
gedeelde conclusie: iedereen in de keten erkent dat het anders moet, maar zonder concrete oplossingsrichting blijft men vasthouden aan het vertrouwde model.
Een school als configureerbare bouwdoos
Vertrekpunt is het programma van eisen dat de opdrachtgever aanlevert. Het concept werkt met parametrische software die op basis van kavelgrootte, schoolgrootte en energiedoelstellingen snel een geoptimaliseerd ontwerp oplevert. Het ontwerp is tot in detail uitgewerkt, inclusief varianten voor gevels en isolatiediktes. “Je moet het zien als een doos met legostenen”, zegt De Vries. “Hoe vaker wij dit doen, hoe meer steentjes we toevoegen en hoe sneller we nieuwe varianten kunnen samenstellen.”
Iedere school heeft toiletten, een aula, een gymzaal en lokalen nodig. Die elementen zijn volledig uitgeengineeerd en direct inzetbaar. De tijdwinst zit niet in de bouwfase zelf, die duurt anderhalf jaar, maar in het voortraject dat nu jaren in beslag neemt.
Netcongestie als ontwerpopgave Een concrete uitdaging is netcongestie. Nieuwe aansluitingen boven 3×80A kunnen jaren vertraging opleveren. Door gebouwschil en installaties bouwfysisch te optimaliseren, ontwierp KernBouw een school die binnen die grens blijft. “Energetisch en bouwfysisch hebben we de school dusdanig geoptimaliseerd dat we hem kunnen realiseren met een 3×80A-aansluiting”, legt De Vries uit. Een school van 2.500 vierkante meter kan daardoor worden gerealiseerd met een reguliere aansluiting, ondanks de huidige netcongestie.
Volledig energieneutraal bouwen is voorlopig niet realistisch. Tijdens de bouwfase is er altijd uitstoot en ook in exploitatie blijft enige energievraag bestaan. Wel komt KernBouw dicht bij energieneutraal. De combinatie van dikkere muren, betere isolatie en slimme installatiekeuzes houdt het aansluitvermogen laag zonder concessies aan comfort.
De Wijde Wereld als voorbeeld
Een project waar KernBouw trots op is, staat in Haarlem: De Wijde Wereld. Dit houten schoolgebouw bestond al veertig jaar en was aan het einde van zijn levensduur. Bij de renovatie hergebruikte KernBouw de bestaande fundering en constructie gedeeltelijk, en plaatste een volledig nieuwe houten gevel. “Het verschil tussen oud en nieuw zie je niet meer terug”, zegt Smit. “Een mooi voorbeeld van hoe je de bestaande constructie hergebruikt en toch een volledig nieuwe school neerzet.”
De scholenbouwopgave vraagt om structurele versnelling. Wie het proces niet verandert, verandert niets aan de uitkomst.


Aan ambities ligt het niet, maar het overvolle stroomnet vormt een grote rem op nieuwe bouw- en infraprojecten. In Nederland vertragen plannen, haken bedrijven af en komt de concurrentiepositie onder druk te staan. Die schaarste dwingt de markt tot een fundamenteel andere blik op de realisatie van projecten.
Wie infrastructuur nog altijd vooral ziet als wegen en spoorlijnen, kijkt te beperkt, stelt Peter Oosterbaan. Hij is business development director bij AECOM, een wereldwijd projectmanagement- en ingenieursbureau gespecialiseerd in complexe vraagstukken op het gebied van infrastructuur, gebouwen, mobiliteit, energie en milieu. “Infrastructuur behelst de gehele gebouwde omgeving; van gebouwen en energiesystemen tot (lucht) havens en mobiliteit. Tezamen vormen zij de drager van onze economie, waarbij juist de beschikbaarheid van energie de katalysator is. Energie ondersteunt economische groei, maar ook vernieuwing en versnelling.” En juist daar wringt het in Nederland.
Integrale aanpak
De gevolgen reiken verder dan afzonder-
lijke projecten. In binnensteden, havengebieden en logistieke knooppunten lopen ontwikkelingen steeds vaker vast op de vraag hoe de grotere stroombehoefte moet worden opgevangen. Hierdoor verschuift de aandacht van alleen ontwerpen en bouwen naar adviseren en modelleren.
Dit maakt de toegevoegde waarde van AECOM steeds groter en heeft ertoe geleid dat energie nu een van de belangrijkste groeimarkten is. Oosterbaan: “Als bedrijf dragen we bij aan de energietransitie door de realisatie van batterijopslagsystemen, walstroom en energienetwerken.”
Daarnaast benadert AECOM projecten vanuit een integraal perspectief om zowel technische als operationele haalbaarheid te waarborgen. Implementatie van hybride PV-systemen en het slimmer omgaan met stroomverbruik zijn daar voorbeelden van. We hebben door deze manier van denken
al diverse ontwikkelingen kunnen vlottrekken, aldus Oosterbaan.
Het thema duurzaamheid is allang geen sluitpost meer, volgens Oosterbaan, maar steeds vaker een integraal onderdeel van de businesscase. Niet alleen door wet- en regelgeving, maar ook doordat opdrachtgevers scherper kijken naar exploitatiekosten, toekomstbestendigheid, marktwaarde en CO2-uitstoot. Door de netcongestie worden net-zero projecten het uitgangspunt.
Data en AI zijn belangrijke instrumenten om de transitie te versnellen, bijvoorbeeld door gebruikspatronen beter te analyseren en piekbelasting te verlagen. Daarmee wordt de tussenfase overbrugbaar, terwijl de grootschalige verzwaring van het Nederlandse energiesysteem nog jaren vergt. Oosterbaan zegt: “De toegevoegde waarde van deze instrumenten is een van
de redenen waarom wij als bedrijf sterk investeren in digitalisering en geavanceerde technologieën. We hebben onlangs de startup Consigli overgenomen. Zo kunnen we sneller interne digitale tools ontwikkelen voor het gebruik van kunstmatige intelligentie in ontwerpprocessen. Dit verhoogt de efficiëntie en innovatie van uitgevoerde projecten.”
Deze nieuwe manier van denken is randvoorwaardelijk voor een land dat wil verdichten, verduurzamen en concurrerend blijven. Het is de enige manier waarop de gebouwde omgeving nog kan groeien. De essentiële toolkit om door te kunnen bouwen is een integrale dienstverlening waarin (data-)analyse, slimme ontwerptools, innovatieve technische oplossingen en helder projectmanagement samenkomen.


Nederland staat voor een infrastructurele opgave van ongekende omvang. Bruggen, wegen, tunnels en dijken zijn verouderd en moeten worden gerenoveerd, terwijl ze tegelijkertijd in gebruik blijven. Daarbovenop komen de eisen van de energietransitie, klimaatadaptatie en strengere duurzaamheidsregelgeving. En dat alles met een krappe arbeidsmarkt, stijgende materiaalprijzen en een overvolle projectenkalender.
Sander Den Blanken, hoofd infrastructuur Nederland bij Turner & Townsend, ziet de uitdaging dagelijks. Het bureau is actief in projectmanagement, programmamanagement en cost consultancy voor grote infrastructurele opdrachtgevers. “De winkel moet open blijven”, zegt Den Blanken. “We kunnen wegen, bruggen en tunnels niet zomaar afsluiten. Tegelijkertijd moet alles ook worden verduurzaamd. Dat maakt de planning enorm complex.”
Prioriteren in een volle pijplijn Een van de grootste knelpunten is de samenloop van programma’s. Schiphol, Rijkswaterstaat, Defensie, netbeheerders en waterschappen voeren tegelijkertijd grootschalige investeringsprogramma’s uit. De beschikbare capaciteit, zowel in engineering
als in de uitvoering, is eindig. “Je kunt niet alles tegelijk uitvoeren”, stelt Den Blanken. “Bepaalde bruggen rondom steden kunnen pas worden gerenoveerd als tunnels elders al zijn aangepakt. Masterplanning van onder meer vliegvelden en het organiseren van de juiste volgorde van activiteiten is een van de grootste uitdagingen.”
Daarbij speelt kostenoverschrijding een structurele rol. Budgetten zijn beperkt, investeringsbeslissingen complex en de kosten van grondstoffen stijgen door schaarste op de wereldmarkt. Het bedrijf helpt opdrachtgevers grip te krijgen door begrotingen te benchmarken met vergelijkbare projecten wereldwijd. Met ruim 22.000 medewerkers in meer dan 60 landen beschikt het bureau over een uitgebreide database. “We kunnen
inzichtelijk maken wat een project kost in Nederland en hoe dat zich verhoudt tot buitenlandse projecten. Dat helpt bij betere investeringsbeslissingen.”
Masterplanning en het organiseren van de juiste volgorde van activiteiten is een enorme uitdaging
Sturen op data, niet op gevoel
De verschuiving van reactief naar proactief projectmanagement is een thema dat Den Blanken regelmatig terugziet. “We worden vaak pas gevraagd als er al problemen zijn. Maar liefst zitten we vanaf dag één aan tafel.” Het bureau brengt alle
stuurdata samen en maakt gebruik van digitale platforms, zoals het zelfontwikkelde Hive voor slimmere projectrealisatie, en benchmarkdata. “Als je niet weet waar je staat, weet je ook niet welke kant je op stuurt. Dat is het ergste wat je kunt doen.”
Duurzaamheid is in die aanpak geen bijzaak. Kostenramingen, planning en risicoanalyses nemen CO2-data integraal mee. Den Blanken wijst op het belang van geharmoniseerde rapportagestandaarden, zoals de RICS-richtlijn voor whole life carbon. Via het door RICS gelanceerde CLEAR-initiatief denkt het bedrijf actief mee aan de internationale afstemming van die standaarden. “Niet iedereen moet opnieuw het wiel uitvinden. Standaardisatie helpt de hele bouwketen, van hoofdaannemer tot toeleverancier.”
De komende jaren verwacht Den Blanken een verdere professionalisering van de sector, met een sterkere focus op grote programma’s in plaats van projectvoor-project contracteren. Data en digitale tools zijn daarbij onmisbaar, maar blijven een middel. “Het zijn ‘enablers’, geen doel op zich. Uiteindelijk gaat het erom dat opdrachtgevers minder verrassingen hebben, op kosten én op planning. Daar werken wij elke dag aan.”

De bouwsector staat voor een periode van ongekende activiteit en vernieuwing. Grote infrastructurele projecten, woningbouw en duurzame innovaties volgen elkaar in hoog tempo op. Tegelijk groeit de complexiteit van projecten, waardoor risico’s veranderen en vaker samenkomen. Dat vraagt om een andere rol van verzekeraars, die steeds vaker al in een vroeg stadium meedenken om projecten beheersbaar en financierbaar te houden.

Volgens Rick Jongkind, senior underwriter construction, en George Wildenberg, underwriting manager property, energy & construction, beiden van AXA XL Benelux, ligt de grootste uitdaging momenteel in het gelijktijdig managen van vernieuwing en uitvoering. De sector bouwt met nieuwe materialen, elektrificeert in hoog tempo en experimenteert met opslag van energie, terwijl op de bouwplaats bekende uitvoeringsuitdagingen blijven terugkeren. Dat kan wringen, te meer omdat een klein incident in een complex project snel kan uitgroeien tot een miljoenenclaim. Jongkind: “Waterschade is nog altijd
schadeoorzaak nummer één binnen de bouwverzekeringen. Vaak begint het met iets kleins, zoals een koppeling die niet goed is aangedraaid of een sprinklerkop die vlak voor oplevering wordt geraakt. Juist dat soort ogenschijnlijk simpele fouten kan enorme gevolgen hebben.”
Die kwetsbaarheid wordt volgens hem scherper nu houtbouw aan terrein wint. Waar beton- en staalprojecten bij brand of rookschade vaak nog herstelbaar zijn, is bij hout de kans op totaalverlies groter. Ook vocht is bij houtbouw een wezenlijk ander risico, zeker als gebouwen tijdens de bouw niet volledig wind- en waterdicht zijn.
De opkomst van houtbouw is het resultaat van duidelijke markt- en beleidsontwikkelingen. Overheden sturen op duurzamer bouwen, opdrachtgevers zoeken naar materialen met een lagere CO2-voetafdruk en ook beton- en staalproducenten werken aan groenere varianten. Maar voor verzekeraars betekent die verduurzaming niet automatisch minder risico. Nieuwe bouwmethoden missen vaak een lange schadehistorie, waardoor premiestelling uitdagender wordt en acceptatie-eisen eerder strenger dan losser worden, aldus George Wildenberg.
Samenwerking in de bouwpraktijk Op grote projecten werken tientallen partijen samen, vaak onder hoge tijdsdruk en met dunne marges. In die omgeving gaan zaken niet altijd fout door één oorzaak; vaker is schade het gevolg van gebrekkige afstemming, onduidelijke verantwoordelijkheden of onvoldoende toezicht op detailniveau.
“Communicatie is in de bouw nog altijd de grote risicofactor. Iedereen doet zijn eigen deel, maar niet altijd met oog voor wat de ander achterlaat of nodig heeft. Dan stapelen kleine tekortkomingen zich op tot een probleem dat pas laat zichtbaar wordt.”
Risico’s
Precies daarom verschuift de rol van verzekeraars. Bij grote en complexe projecten willen zij steeds eerder aanschuiven, niet alleen om polisvoorwaarden vast te leggen, maar ook om risico’s in kaart te brengen over de hele levenscyclus van een project. Dat begint bij ontwerp en voorbereiding, loopt door in de bouwfase en eindigt niet bij oplevering, omdat ook de gebruiksfase relevant is voor de verzekerbaarheid op langere termijn.
Bij grote infrastructurele werken, tunnels, bruggen en binnenstedelijke projecten gebeurt dat al geregeld ruim voor de eerste paal de grond in gaat. Verzekeraars kijken dan samen met aannemers, opdrachtgevers, makelaars en risk engineers naar ontwerpkeuzes, fasering, testprocedures en beheersmaatregelen. Dat vraagt tijd, maar

voorkomt volgens Jongkind dat verzekeren een sluitpost wordt die pas opduikt als het project al bijna start. Verzekeraars proberen in te spelen op de behoeften van de klant en bestaande en nieuwe risico’s af te dekken.
Die bredere betrokkenheid hangt ook samen met de digitalisering van de sector. Systemen als BIM maken het mogelijk om fouten eerder te signaleren en faalkosten te verlagen. Toch is technologie volgens Jongkind geen wondermiddel, omdat de uitvoering uiteindelijk nog altijd staat of valt met discipline op de bouwplaats. “Digitale systemen helpen zonder twijfel om projecten beter te ontwerpen en af te stemmen. Maar uiteindelijk blijft de vraag of mensen elkaar op de bouwplaats echt spreken, waarschuwen en corrigeren. Fysiek overleg en direct contact blijven essentieel voor een goede samenwerking.”
Preventie
Ook klimaatrisico’s worden steeds groter. Hevige regenval, hagel, sneeuw en hoogwater leiden niet alleen vaker tot schade, maar dwingen ook tot een andere blik op preventie. Zeker in Nederland, waar grote investeringen in dijkversterking en infrastructuur samenkomen met een verouderd areaal van bruggen, tunnels en sluizen, wordt klimaatbestendigheid een structureel onderdeel van risicobeoordeling.
Het verzekeringsmodel voor de bouw blijft daarmee robuust, maar is wel verder in ontwikkeling. Er ontstaat meer ruimte voor maatwerk, intensievere samenwerking en een zorgvuldige risicobeoordeling aan de voorkant. Vooral partijen die vroeg transparant zijn over ontwerp, planning en risicobeheersing profiteren daarvan. Voor hen wordt verzekering steeds meer een integraal onderdeel van het project. “Het verzekeringsproduct zelf zal niet radicaal veranderen, maar de risico’s eromheen wel. De winnaars zijn de partijen die nieuwe technieken omarmen en tegelijk hun basisprocessen op orde hebben. Wie vroeg samenwerkt en risico’s aantoonbaar beheerst, blijft ook in een complexere markt goed verzekerbaar.”


De groei van zon- en windenergie stelt het Nederlandse elektriciteitssysteem voor een fundamenteel probleem. Hernieuwbare bronnen zijn weersafhankelijk: soms schijnt de zon niet, soms waait de wind niet. Ondertussen loopt het net vol. De situatie in Utrecht, waar recent bleek dat er niets meer bij kan, illustreert de urgentie. De maatschappelijke schade loopt op tot miljarden per jaar. Bedrijven kunnen niet uitbreiden en verduurzamen, terwijl nieuwe zonneparken niet worden aangesloten. Energieopslag is daarom noodzaak geworden en de vraag is vooral hoe snel het uitgerold kan worden.

Jeroen Neefs, Directeur, Energy Storage NL
Van noodoplossing naar systeemwaarde
Jeroen Neefs, directeur van Energy Storage NL, ziet die urgentie dagelijks. Zijn branchevereniging, aangesloten bij FME, vertegenwoordigt zo’n 230 leden, van batterijontwikkelaars en warmtebuffers tot
moleculenopslag en van netbeheerders tot banken, verzekeraars en energiebedrijven. “We moeten afscheid nemen van het beeld dat de energietransitie iets ideologisch is”, zegt Neefs. “Het is de nieuwe werkelijkheid. Vanuit onafhankelijkheid moeten we overstappen op een duurzaam energiesysteem, omdat dat de laagste kosten brengt.”
Opslag biedt volgens hem niet slechts een technische oplossing, maar een systeemwaarde. Batterijen laden wanneer er veel aanbod van energie is en de prijs laag, en ontladen wanneer de vraag hoog is. Dat stabiliseert prijzen voor bedrijven en consumenten. Slimme software speelt daarin een cruciale rol. “De batterij op zichzelf is een dom product, maar de software maakt het slim”, aldus Neefs. Op basis van realtime data worden
batterijen op de juiste momenten aangestuurd om maximale waarde te genereren. Samen met netbeheerders ontwikkelde de branchevereniging het capaciteitssturingscontract: een instrument waarmee netbeheerders proactief batterijen in kunnen zetten om congestie te verlichten, in ruil voor een vergoeding. Ook het besluit van de ACM om opslag in de wachtrij prioriteit te geven boven andere aanvragen benadrukt die waarde.
en vergunningen vormen een extra belemmering, en de financiering knelt. In Duitsland en België betalen opslagbedrijven geen nettarieven, in Nederland wel. “Veel Nederlandse ontwikkelaars overwegen nu om hun systemen in het buitenland neer te zetten, terwijl wij hier zoveel noodzaak hebben.”
De energietransitie is een nieuwe werkelijkheid, en voor energieonafhankelijkheid een vanzelfsprekendheid
Nederland mist een nationale opslagstrategie
Toch mist Neefs regie. “We weten niet hoeveel opslag er in het systeem nodig is. Dan kun je ook geen effectief beleid voeren.” Italië zette een nationale opslagdoelstelling neer en ontwikkelde tenders om daar naartoe te werken. Nederland heeft zoiets niet. Locaties
Kieback&Peter – Partner Content
De batterij alleen is niet de heilige graal, benadrukt Neefs. Voor kortetermijn-opslag van vier tot acht uur voldoen batterijen prima, maar het weersafhankelijke systeem vraagt ook om opslag van dagen, weken en maanden. Daarvoor zijn warmtebuffers en moleculenopslag nodig. “We blijven nadenken in hokjes”, zegt hij. “Maar het moet en-en-en zijn, dus tegelijkertijd opwek, elektrificatie, netverzwaring en opslag. En het moet parallel ontwikkeld worden.”
Energy Storage NL werkt samen met het ministerie aan een beleidsagenda. De hoop is helder: meer regie vanuit de overheid, zoals eerder bij wind en zon gebeurde. “De markt gaat niet alles oplossen. We hebben een overheid nodig die de randvoorwaarden gaat scheppen.”
Veel organisaties die willen verduurzamen, maken dezelfde fout: ze starten met vervangen in plaats van optimaliseren. Nieuwe warmtepompen, extra isolatie, andere installaties. Terwijl de grootste winst vaak al verborgen zit in het bestaande gebouw. De vraag is dus hoe het huidige systeem beter benut kan worden.

Het grootste deel van de gebouwen die in 2050 nog in gebruik zijn, staat er vandaag al. Dat maakt verduurzaming van bestaande bouw tot een van de meest urgente opgaven in de energietransitie. Installaties draaien op instellingen van tien, vijftien jaar
geleden. Systemen zijn niet aangepast aan huidig gebruik. Energieverspilling gaat onopgemerkt door, simpelweg omdat bijna niemand ernaar kijkt.
Alexander Engelage, engineer en adviseur duurzaamheid bij Kieback&Peter, herkent dit patroon dagelijks. “We zien dat mensen heel graag beginnen met vernieuwing van de installatie, maar dat de eerste stap eigenlijk overgeslagen wordt: de bestaande installatie optimaliseren en het energieverbruik omlaag brengen.” Het bedrijf is gespecialiseerd in gebouwautomatisering en energiebeheer, en ontwikkelt systemen die gebouwen efficiënter en intelligenter maken.
Optimaliseren als vertrekpunt Engelage pleit voor een gefaseerde aanpak waarbij analyse voorafgaat aan investering. Welke installaties draaien
wanneer? Wat verbruikt energie als het gebouw leeg is? Door energiemeters en submeters in te lezen, worden afwijkingen snel zichtbaar. “Een energiemeter is de kanarie in de kolenmijn. Je kunt gelijk zien waar het fout gaat. Als je die niet hebt, sta je in het donker.”
In de praktijk levert deze aanpak met actieve energiemonitoring aantoonbaar resultaat op. Bij een modern kantoorgebouw met bovengemiddeld energieverbruik startte het bedrijf met energiemanagement op basis van de bestaande hoofdmeters. Al snel bleek dat installaties doordraaiden terwijl het gebouw leeg was. Door de aansturing te optimaliseren op werkelijk gebruik, zonder aanpassingen aan de installatie zelf, werd ruim twintig procent op elektriciteit bespaard en bijna tien procent op gas.
Van beheerder naar energiestrateeg De rol van de gebouwbeheerder verandert mee. Vroeger was deze primair verantwoordelijk voor comfort en onderhoud, maar inmiddels is daar de rol van energiecoördinator bijgekomen.
Engelage ziet dat die combinatie onder druk staat. “De energierol krijgt men er altijd bij. Maar het primaire proces gaat voor. Daardoor wordt het energiestuk ondergeschoven.”
Tegelijkertijd neemt de druk vanuit regelgeving toe. De GACS-verplichting dwingt gebouweigenaren om klimaatsystemen aan strengere richtlijnen te laten voldoen. “GACS raakt iedereen die met klimaatinstallaties (>290kW) werkt. Dit verplicht tot continue monitoring en datagedreven bijsturing.” Zijn advies aan directies: geef de verantwoordelijke persoon een echt mandaat, inclusief tijd, budget en draagvlak. Verduurzaming vraagt om organisatorische keuzes, niet alleen technische. Richting 2030 ziet Engelage de rol van data verder groeien. Voorspellende regelingen en AI-gestuurde klimaatbeheersing maken het mogelijk om installaties nauwkeuriger af te stemmen op werkelijk gebruik. “Zie het niet als verplichting, maar als kans. Je kunt al vijf tot twintig procent besparen zonder grote investeringen, puur door goed te kijken naar wat er nu al staat.”

De transitie naar een klimaatneutrale industrie wordt vaak gepresenteerd als een lineaire weg van vervuilend naar volledig emissieloos. Toch stuiten projectontwikkelaars en aannemers in de praktijk op een hardnekkige barrière: terwijl de verbruikerskant elektrificeert, blijft de betrouwbare opwekking van grote hoeveelheden groene stroom op locatie een technische en logistieke uitdaging. De kloof tussen ambitie en haalbaarheid vraagt om een realistische herwaardering van de energielogistiek.

Voor Bredenoord, specialist in tijdelijke en mobiele stroomoplossingen, is deze complexiteit dagelijkse kost. Met vestigingen in Nederland, Duitsland en Denemarken opereert het familiebedrijf als een pragmatische gids in de energietransitie. Waar velen dromen van een directe sprong naar nul emissie, waarschuwt commercieel verantwoordelijke Toon Bruining voor een te simpel beeld. “De transitie in de energie opwek verloopt via emissiearm”, stelt hij, “want schaalbaar volledig emissieloos is hierbij in de keten helaas nog niet mogelijk.”
Stappenplan met ook biogas De fundamentele uitdaging ligt in het verschil tussen energieopslag en energieopwekking. Batterijen, waar het bedrijf al vijftien jaar expertise in heeft opgebouwd, zijn essentieel voor het opvangen van pieken en het overbruggen van netcongestie, maar ze moeten
ergens door gevoed worden als er geen netaansluiting voorhanden is. Volgens Bruining is de route naar een schone toekomst dan ook een stappenplan.
In de zoektocht naar realistische innovatie zet Bredenoord onder andere in op biogas. De oplossing wordt gezien als een van de meest effectieve middelen om de NOx-, fijnstof- en CO2-uitstoot drastisch te reduceren, zeker in kwetsbare Natura 2000-gebieden. Het is een pragmatische keuze die direct resultaat boekt, zonder te hoeven wachten op infrastructuur die er nog niet is.
Waterstof nu niet haalbaar
Dat pragmatisme komt ook naar voren in de visie van Bredenoord op waterstof. In 2010 beschikte het bedrijf al over een waterstofgenerator, maar ze hebben besloten de verdere ontwikkeling voorlopig te parkeren. De redenen zijn simpel: gebrek aan groene waterstof, hoge kosten, complexe regelgeving en de logistieke uitdaging.
In plaats daarvan richt de eigen R&Dafdeling met ruim vijftig engineers zich op nieuwe wegen, zoals bio(m)ethanol. Door te pionieren met (m)ethanolmotoren en fuel cells zoekt het bedrijf naar een vloeibaar alternatief, dat eenvoudig te vervoeren is en toch een enorme stap voorwaarts zet in de emissiereductie.
Leverancier wordt projectorganisatie Bruining ziet een fundamentele
verschuiving in de sector, van het leveren van een product naar het beheersen van een systeem: “Je gaat van brandstoflogistiek – wat relatief eenvoudig is – naar energielogistiek.” Dit betekent dat de leverancier transformeert tot een projectorganisatie, die onder andere adviseert over laadlogistiek, verbruiksprofielen en de interactie met netbeheerders. Data spelen hierbij een sleutelrol; met IoT-nodes in de Bredenoordvloot kan het bedrijf brandstofaanvoer optimaliseren, klanten adviseren en in de toekomst storingen voorspellen voordat de klant het merkt.
In de praktijk vertaalt deze systeembenadering zich in hybride (net)opstellingen die de beperkingen van het energienet omzeilen. Neem bijvoorbeeld een bouwplaats met een te kleine of geen netaansluiting. Hier wordt een Battery Box ingezet die de benodigde energie voor de werkzaamheden levert. Op deze manier wordt de piekbelasting opgevangen, eventueel met hulp van een duurzaam aggregaat, zonder dat de werkzaamheden stilvallen door een gebrek aan netcapaciteit én met een besparing op brandstof en uitstoot.
Netcongestie blijft groot obstakel
Deze technologische transitie gaat hand in hand met de harde realiteit van netcongestie. Steeds vaker blijkt een netaansluiting simpelweg niet beschikbaar voor de gewenste elektrificatie. “Men realiseert zich steeds meer dat dit de feiten zijn en dat
deze niet op korte of middellange termijn zijn opgelost”, stelt Bruining. “Wij verhuren vaak voor de korte termijn, maar organisaties kijken ook naar aanschaf om hun situatie voor de lange termijn op te lossen. Daarvoor bieden we diverse oplossingen.”
Vooruitstrevend familiebedrijf Bredenoord is altijd geworteld gebleven in de waarden van een familiebedrijf, waarbij betrouwbaarheid en 24/7 beschikbaarheid voorop staan. Met een eigen vloot van zo’n vijftig vrachtwagens en een team van vijftig servicemonteurs zorgt het bedrijf dat stroom feitelijk nooit uitvalt, of het nu gaat om een datacentrum, ziekenhuis of het uitzenden van de Olympische Spelen. Hun eigen transportafdeling is daarbij echt een strategisch visitekaartje. Bruining: “Onze chauffeurs spelen ook een belangrijke rol bij het aansluiten van ons systeem en het instrueren van de klant.”
Het bedrijf neemt volop verantwoordelijkheid bij de energietransitie, maar hij benadrukt dat ze niet aan greenwashing doen en een partner willen zijn die eerlijk is over wat technisch mogelijk is. Daarbij ligt de focus op het leveren van een oplossing die werkt, niet alleen vandaag maar ook morgen. Voor Bruining is dat de essentie van hun toegevoegde waarde: “We willen een realistische voorloper zijn en staan bekend om de levering van betrouwbare energie.”


VERNIEUWING
Er rijden inmiddels ongeveer 700.000 elektrische auto’s in Nederland en dat aantal groeit dagelijks. Warmtepompen worden daarnaast steeds populairder en fabrieken elektrificeren in hoog tempo. De keerzijde van dit succes is pijnlijk zichtbaar: het elektriciteitsnet kan de groeiende vraag op veel plekken niet meer aan. De netcongestie remt bedrijven, vertraagt de woningbouw en dwingt beleidsmakers tot ingrijpende keuzes.

De transitie als groeipijn
Jinny Moe Soe Let, directeur beleid en communicatie bij Netbeheer Nederland, plaatst de problematiek in perspectief.
“Netcongestie raakt de hele maatschappij. Eerst kwamen bedrijven op een wachtlijst,
en we zien dat nu ook consumenten geraakt worden. Dat gaat ons aan het hart. Tegelijk is het goed om te beseffen dat netcongestie een groeipijn is, die hoort bij deze transitie. En dat we hieruit kunnen komen, door te bouwen én door ons gedrag aan te passen.”
Ze gebruikt de metafoor van de leerkuil om het veranderproces te duiden. Nederland bevindt zich op de bodem, maar de weg omhoog is zichtbaar. Drie sporen zijn bepalend. Allereerst integraal kijken naar het energiesysteem: niet alleen elektriciteit, maar ook warmtenetten, groen gas en waterstof. Vervolgens fysieke uitbreiding van het net, met meer kabels en hoogspanningsstations, een traject dat tien tot twaalf jaar in beslag neemt, voornamelijk door lange voorbereidingsprocedures. En ten derde gedragsverandering: stroom gebruiken op
het moment dat er veel aanbod is, om de drukte op het net te verlagen. “We leggen ook niet voor één mooie zomerdag een zevenbaanssnelweg naar Scheveningen aan”, stelt Moe Soe Let. “Datzelfde geldt voor het elektriciteitsnet.”
Anders samenwerken
Technische uitbreiding alleen is niet genoeg. Ze benadrukt dat een andere manier van samenwerken minstens zo belangrijk is. Waar netbeheerders vroeger opdrachten uitvoerden na een aanvraag, is nu een actief gesprek gaande. Bedrijven worden gevraagd naar hun bedrijfsproces: wanneer verbruiken ze energie en is er ruimte voor flexibiliteit? En aan consumenten wordt gevraagd of ze écht een zwaardere aansluiting nodig hebben. Vaak is met de bestaande meer mogelijk dan mensen denken.
Contractuele innovatie speelt daarin een rol. Naast standaardcontracten bieden netbeheerders overeenkomsten, waarbij partijen op afgesproken momenten hun capaciteitsgebruik tijdelijk aanpassen. In Zeeland zetten TenneT en enkele grote gebruikers vaste contracten om
ELEQ – Partner Content
De energietransitie in Nederland bereikt een kantelpunt. Netcongestie en elektrificatie maken duidelijk dat uitbreiding van het elektriciteitsnet alleen niet voldoende is. Het bestaande net beter benutten wordt daardoor steeds belangrijker.

Reinout Getreuer is CEO van ELEQ, een bedrijf dat elektrotechnische toepassingen ontwikkelt voor het meten en beheren van energie. Volgens hem vraagt dit om beter inzicht in hoe energie wordt gebruikt en verdeeld. “We staan voor een opgave die vergelijkbaar
is met de Deltawerken, maar dan voor elektriciteit.”
Wat is de grootste verschuiving in de huidige energietransitie?
“Veel technologie van vandaag bestaat eigenlijk al decennia. De echte verschuiving zit in de urgentie. Het elektriciteitsnet zit vaak vol: nieuwe woonwijken kunnen niet worden aangesloten en bedrijven kunnen hun aansluiting niet verzwaren.”
Maar het elektriciteitsverbruik is toch niet explosief gestegen?
“Dat is het interessante. Het totale verbruik is de afgelopen jaren relatief stabiel, maar de piekbelasting neemt toe. Het probleem zit in gelijktijdigheid. Overdag produceren we massaal zonneenergie, terwijl de vraag aan het begin van de werkdag piekt. Daar is het net niet op ontworpen.” Hij vult aan: “Netverzwaring is een noodzakelijk, maar langdurig, traject. Het vraagt enorme investeringen en voldoende uitvoeringscapaciteit, en daar zit een bottleneck. Een belangrijk deel van de oplossing kan liggen in slimmer gebruik van het net: flexibiliteit, opslag en spreiding van energiegebruik over de dag. Dat vraagt
om een andere manier van denken over energie.”
Welke rol vult ELEQ in?
“ELEQ opereert op het snijvlak van techniek en toepassing. We ontwikkelen en leveren meetoplossingen en ondersteunen partijen bij het verkrijgen van inzicht in hun energiestromen. Dat doen we voor installateurs, eigenaren en beheerders van het net, en bijvoorbeeld datacenters. Dit inzicht kan helpen om beter te sturen en het net efficiënter te benutten.”
naar flexibele varianten, waardoor stroomverbruik in tijd verschoven kan worden. Dat creëerde direct ruimte voor nieuwe aansluitingen in de regio.
Technologieën
Data en digitalisering ondersteunen dit proces. Door gebruiksprofielen, weersvoorspellingen en netgegevens te combineren, kunnen netbeheerders de congestie gerichter voorspellen en sturen. “Het genereren en verschaffen van inzichten om handelingsperspectief te bieden, zien wij als een kerntaak”, aldus Moe Soe Let.
De boodschap aan bedrijven, overheden en huishoudens is: durf het anders te doen en vertel wat voor jou belangrijk is. Want alleen als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, werkt het energiesysteem van de toekomst.
Een opgave vergelijkbaar met de Deltawerken, maar dan voor elektriciteit
“Door elektrificatie en decentrale opwekking is het elektriciteitsnet anders en complexer dan voorheen. Er ontstaan effecten die je alleen goed kunt begrijpen als je nauwkeurig meet. Meten speelt daarmee een belangrijke rol in het
optimaliseren van energiegebruik en flexibiliteit.”
Wat kenmerkt ELEQ?
“Wij bouwen op drie pijlers: kennis, kwaliteit en klantgerichtheid. Klanten zoeken niet alleen producten, maar ook inzicht en advies. In een kritische infrastructuur als het elektriciteitsnet is betrouwbaarheid essentieel, van meting tot rapportage.”
Wat merkt u van netcongestie in de praktijk?
“Het raakt iedereen, ook ELEQ. Onze groei dwingt ons kritisch te kijken naar ons energiegebruik. Denk aan het spreiden van verbruik of het inzetten van opslag. Dat zijn geen eenvoudige oplossingen, want ze vereisen investeringen en brengen nieuwe vraagstukken met zich mee.”
Wat is het beste moment om in actie te komen?
“Energie is van een vanzelfsprekendheid veranderd in een strategische factor. Bedrijven die nu investeren in inzicht en flexibiliteit kunnen beter omgaan met bestaande beperkingen. De energietransitie vraagt niet alleen om techniek, maar ook om regie. Begrijpen wat er in het systeem gebeurt, is daarbij een belangrijke eerste stap.”

Nederland heeft dringend behoefte aan oplossingen om de problemen met netcongestie te verlichten. Een tastbaar bewijs daarvoor wordt geleverd door een zonnepark tussen Amersfoort en Apeldoorn: wat begon met zonnepanelen voor het opwekken van stroom ontwikkelt zich stap voor stap tot een knooppunt voor de energietransitie. Niet door één grote sprong, maar door nieuwe functies toe te voegen: opslag, flexibiliteit voor het stroomnet en mogelijk straks waterstofproductie.
Voor ondernemer Brand Jan van den Bosch van Energeion is dit project, met de naam Branderwal, meer dan een uitbreiding van een zonnepark. Het park draaide al enkele jaren, maar krijgt nu een batterij die op momenten van overvloed stroom kan opslaan en op andere momenten kan leveren. “Daarmee ontstaat een regionale energiehub, waarbij de batterij niet alleen inzetbaar is voor het park, maar ook kan helpen om lokale congestie op te lossen. Dat maakt het project in Nederland uniek in zijn soort.”
De netbeheerder kan via erkende platforms dit flexvermogen inzetten
om lokaal het net te helpen balanceren. Daarmee heeft deze inzet ook maatschappelijke waarde, volgens Energeion. “Met dit project kan men op lokaal niveau de problemen met netcongestie helpen oplossen en is tegelijkertijd een mooi voorbeeld van hoe flexvermogen kan bijdragen aan nationale oplossingen. Uitgangspunt is niet alleen een verdienmodel, maar zeker ook een aandeel in deze maatschappelijke discussie.”
Veiligheid is een harde voorwaarde. “Als je een goed technisch systeem bouwt, voldoe je eigenlijk automatisch aan veel regels. Veiligheid moet vanaf het ontwerp worden meegenomen. Achteraf repareren
is bij dit soort projecten geen optie.”
Onderscheidend
Om het ontwerp te realiseren, werkt Energeion samen met Wattkraft, leverancier van omvormers, batterijen en DC-chargers. “Er is bewust gekozen voor minder omvormers en bekabeling en een slimme plaatsing, gericht op de beste prestaties van het zonnepark”, zegt Elise ten Klooster, director Benelux van Wattkraft. “Niet prijs, maar betrouwbaarheid, veiligheid en levensduur waren leidend.”
Binnen het batterijproject, van 80 MWh, speelde veiligheid een centrale rol. Daarom heeft een van de projecteigenaren een achtergrond bij de brandweer, wat de lat voor veiligheidsstandaarden hoog legde. “We hebben ons echt moeten bewijzen op het gebied van veiligheid”, vertelt ten Klooster. “Dat is ook waar deze batterijsystemen zich onderscheiden. Er wordt fors geïnvesteerd in uitgebreide testprogramma’s, zodat je zeker weet dat
Bryntell – Partner Content
Netcongestie en strengere emissieregels zetten bouw- en infraprojecten steeds vaker onder druk. Projecten lopen vertraging op of gaan helemaal niet door. De noodzaak groeit om uitstoot drastisch te verminderen. In deze mix van uitdagingen ontstaat er vraag naar schone alternatieven voor traditionele dieselaggregaten, die decennialang de standaard waren.
Volgens Adriaan van Tets, CEO van Bryntell, een bedrijf dat mobiele, schone energieoplossingen ontwikkelt, ligt de uitdaging niet alleen in regelgeving, maar vooral in het ontbreken van werkbare alternatieven. “We willen allemaal verduurzamen, maar projecten moeten ook doorgaan, ook in Natura 2000-gebieden bijvoorbeeld. Dan heb je oplossingen nodig die vandaag inzetbaar zijn en aansluiten op de praktijk van de bouwplaats.”
Op veel bouwplaatsen is een netaansluiting geen vanzelfsprekendheid. Zeker bij infrastructuurprojecten ontbreekt die vaak volledig of is de capaciteit beperkt. Traditioneel wordt dat opgevangen met dieselgeneratoren, maar die oplossing past steeds minder binnen de huidige
eisen rondom stikstof, luchtkwaliteit en CO₂-uitstoot. “Diesel scoort niet goed op emissies. En juist die emissies passen niet meer in het toekomstbeeld. We moeten toe naar oplossingen die hetzelfde gemak bieden, maar dan zonder de nadelen voor milieu en gezondheid.”
Mobiele energie met lage uitstoot
De technologie waar zijn bedrijf op inzet, draait op Brythol BS19, een eigen brandstofblend op basis van biomethanol. Deze wordt gecombineerd met aangepaste generatoren die specifiek voor deze brandstof zijn ontwikkeld. Het resultaat is een mobiele energievoorziening met zeer lage emissies, nagenoeg geen stikstofdepositie en aanzienlijk minder fijnstof dan conventionele diesel. Dat zijn prestaties die met onafhankelijke metingen
en verificatie zijn onderbouwd. Afhankelijk van het gebruik kan één brandstoftank daarnaast langdurig energie leveren, variërend van dagen tot weken, waardoor frequente bevoorrading niet nodig is. “Wij richten ons op die ‘sweet spot’ tussen kosten, gebruiksgemak en emissies. Je zet de installatie neer en hebt er nauwelijks omkijken naar. Tegelijk blijven de kosten beheersbaar en voldoen gebruikers aan steeds strengere eisen. Dat maakt het voor bouwbedrijven een realistisch alternatief.”
De vraag naar dergelijke oplossingen groeit snel, mede door toenemende druk vanuit regelgeving en aanbestedingen.
het systeem gedurende de levensduur veilig kan opereren.”
Volgens haar is dat geen overbodige luxe in een markt die sterk onder prijsdruk staat. De samenwerking kenmerkt zich door een sterke focus op kwaliteit en lokale ondersteuning. “Dat vind ik zo mooi aan deze samenwerking.”
Een volgende stap is waterstof. Op het terrein draait al een pilot waarbij zonnestroom direct als DC-stroom wordt gekoppeld aan waterstofproductie. Als de tests slagen, kan opschaling volgen, mogelijk met lokale afnemers zoals een waterstoftankstation in Amersfoort. Voor Van den Bosch is dat precies de kern: lokaal opgewekte energie ook lokaal nuttig maken.

Bouwbedrijven zoeken naar manieren om projecten doorgang te laten vinden zonder vast te lopen op stikstofnormen of beperkte netcapaciteit.
Netcongestie zal bovendien niet snel verdwijnen. De uitbreiding van het elektriciteitsnet vergt jaren, terwijl de vraag naar stroom blijft toenemen. Daardoor blijft de behoefte aan flexibele, mobiele energieoplossingen bestaan. “Dit is geen tijdelijke trend”, zegt Van Tets. “Mobiele, schone energie speelt daarin een steeds grotere rol, juist omdat het direct inzetbaar is waar en wanneer het nodig is.”


De infrastructuursector loopt steeds vaker tegen een andere grens aan dan voorheen. Niet de techniek of het budget, maar de beschikbare netcapaciteit bepaalt tegenwoordig de voortgang van de Nederlandse infrastructuur. Netcongestie, het tekort aan ruimte op het elektriciteitsnet, verschuift daarmee van randvoorwaarde naar bepalende factor. Zonder stroom geen uitvoering.
De impact wordt inmiddels breed gevoeld. Duizenden bedrijven wachten op een (zwaardere) aansluiting en ook tijdelijke bouwaansluitingen vallen in congestiegebieden steeds vaker onder beperkingen. Energie is daarmee geen faciliteit meer, maar een kritische voorwaarde geworden. Dat verandert de manier waarop projecten worden opgezet.
Energie buiten het net organiseren Waar een project traditioneel begint bij de tekentafel, start het steeds vaker met de energievraag. Is er capaciteit beschikbaar, en zo niet: hoe houden we de machines
draaiende? Zeker bij de renovatie van bruggen, tunnels en kades is dit cruciaal. Deze objecten worden voorbereid op een elektrische toekomst, terwijl de uitvoering zelf ook een enorme vermogensvraag stelt.
fundamentele ontwerpopgave. Het is niet langer voldoende om tijdens de bouw een batterij neer te zetten; de energievraag moet vanaf de eerste schets worden meeberekend in de aanbesteding.
De grootste bottleneck zit niet in de grond, maar in het net
Omdat een tijdige netaansluiting niet langer een gegeven is, dwingt dit tot ad-hocoplossingen op de bouwplaats. Er is een snelle opmars van mobiele, offgrid energievoorzieningen en het slim benutten van bestaande reststromen. Deze verschuiving blijft niet beperkt tot de uitvoeringsfase, maar werkt ook door naar de kern van het proces.
Van noodgreep naar integrale ontwerpopgave
Deze nieuwe realiteit transformeert energie van een logistieke sluitpost tot een
Vroegtijdige afstemming met netbeheerders en de inzet van energiemanagementsystemen worden steeds meer de standaard. Er ontstaan energiehubs waarbij opslag en distributie niet meer per project, maar gebiedsgericht worden georganiseerd. In stedelijke gebieden en infracorridors komen zo collectieve laadpleinen en gedeelde faciliteiten. Daarmee verschuift de focus van het individuele infra-object naar een breder, bestuurlijk ecosysteem waarin energie, ruimte en mobiliteit onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Concurrerende infrastructuur Tegelijkertijd raakt de ondergrond voller. Kabels, leidingen en andere energievoorzieningen concurreren met bestaande infrastructuur om ruimte. Netbeheerders schuiven daardoor eerder aan in projecten en beïnvloeden direct de uitvoerbaarheid.
Faalkosten, vertraging, miscommunicatie: de bouw- en infrasector kampt met hardnekkige inefficiënties. Experts wijzen steeds vaker naar gefragmenteerde informatiestromen als oorzaak. Gegevens zijn verspreid over tientallen systemen, servers en persoonlijke apparaten, waardoor niemand in de keten een volledig en actueel beeld heeft. Digitalisering biedt een uitweg, maar alleen als de basis op orde is.
Maarten van der Hoek, CEO van W.T. Group, ziet de sector op een kantelpunt staan. “Ik denk dat we goed onderweg zijn, BIM-modellen worden toegepast, informatie over veel processen wordt verzameld. Maar we staan pas aan de vooravond van wat AI kan betekenen voor bedrijfsprocessen in hun geheel.”
Het versnipperde datalandschap
De bouw werkt van oudsher in ketens. Aannemers, onderaannemers, leveranciers en opdrachtgevers wisselen voortdurend informatie uit. Juist die samenwerking, kenmerkend voor de sector, vormt qua data tegelijkertijd het grootste digitale knelpunt. Gegevens staan intern of extern, in de cloud, op een lokale server of op persoonlijke apparaten. Een totaalbeeld ontbreekt vrijwel altijd.
“Een keten is zo sterk als de zwakste schakel. Dat geldt zeker ook voor data”, aldus Van der Hoek. Ontbreekt
een cruciale databron, dan verandert het hele beeld. Analyses kloppen niet, aannames zijn verkeerd en beslissingen worden genomen op basis van onvolledige informatie. Dat raakt direct projectresultaten en winstgevendheid.
Als je doet wat je gisteren deed, krijg je wat je gisteren kreeg
De oplossing is helder: stop met het spreadsheet-syndroom. “Iedereen zit naar zijn eigen Excel te kijken. Met databasemodellen die je samen met ketenpartners vult, kijkt iedereen naar dezelfde gegevens. Dankzij op maat gemaakte views ziet iedere partij alleen wat relevant is. Dat voorkomt
fouten en onnodige correcties.” Onterecht denkt de sector dat hier complexe en dure programma’s voor nodig zijn, terwijl slim inzetten van bestaande systemen al veel kan oplossen.
Digitalisering vraagt bestuurlijke betrokkenheid
Technologie alleen volstaat echter niet. Van der Hoek benadrukt dat digitale transformatie ook een cultuurverandering vergt. Het bedrijf werkt met een eigen trainingsafdeling die gebruikersadoptie begeleidt naast de technische implementatie. Minstens zo belangrijk is structurele betrokkenheid vanuit de top.
Veel digitaliseringsprojecten mislukken doordat ze op afdelingsniveau starten, zonder draagvlak van de directie. Vertrekt een sleutelpersoon, dan verdwijnt de oplossing met hem mee en vallen bedrijven terug op oude werkwijzen. “En als je doet wat je gisteren deed, krijg je wat je gisteren
De kern van het vraagstuk ligt niet in de techniek. Elektrisch materieel, opwek en opslag zijn beschikbaar. De uitdaging zit in afstemming, timing en organisatie. Energie wordt daarmee een integraal onderdeel van ontwerp en uitvoering.
Netcongestie blijkt geen tijdelijke belemmering, maar een structurele factor. Projecten die energie vanaf het begin meenemen, blijven uitvoerbaar. Daarmee verschuift energie van randvoorwaarde naar uitgangspunt.
Tijdens InfraTech 2027 in Rotterdam Ahoy krijgt energie een eigen hal. De focus in deze Hal 3 ligt op praktische oplossingen voor netcongestie, zoals energiehubs, opslag en off-grid systemen. De beurs vindt plaats van 12 tot en met 15 januari en brengt partijen samen rond de uitvoerbaarheid van infraprojecten.
kreeg. En je concurrenten staan zeker niet stil.” Zijn advies aan bestuurders is direct: “Nog niet investeren in datastructuur lijkt goedkoop, maar is op de middellange termijn zeer kostbaar. En centraliseer, want losse initiatieven leiden tot nieuwe fragmentatie.”
W.T. Group ziet de bouwplaats van de toekomst als een compact, digitaal gecoördineerd geheel, waar leveringen just-in-time arriveren, systemen met elkaar communiceren en beslissingen op basis van betrouwbare data worden genomen. “De heilige graal is dat je op basis van data een keuze maakt die anders is dan je gevoel. Dat kan alleen als je weet dat de datakwaliteit goed is.”



Extreme neerslag, langere droogteperioden en toenemende verharding van stedelijk gebied zetten gemeenten en projectontwikkelaars steeds verder onder druk. Regenwater dat in minuten neervalt, kan soms nergens heen: kelders lopen vol, straten staan blank en de schade loopt in de miljoenen. Kopenhagen werd ruim tien jaar geleden getroffen door een catastrofale regenbui met een enorme gevolgschade, een incident dat heel Europa de ogen opende. De vraag is allang niet meer óf steden klimaatbestendig moeten worden, maar met welke middelen dat het snelst en meest duurzaam kan.

Daan Los, Adviseur Stedelijke Klimaatadaptatie, ROCKWOOL Rainwater Systems
Ondergrondse opvang
Het antwoord ligt deels onder de grond. ROCKWOOL Rainwater Systems, onderdeel van het internationale ROCKWOOL-concern dat bekendstaat om steenwolisolatie, heeft systemen ontwikkeld die regenwater ondergronds opvangen, filteren en infiltreren in de bodem. “We spelen in op drie dingen: wateroverlast voorkomen, waterkwaliteit verbeteren en regenwater beschikbaar houden voor groen in de stad”, zegt adviseur Stedelijke Klimaatadaptatie Daan Los, die dagelijks spreekt met gemeenten, ingenieursbureaus en projectontwikkelaars.
ROCKWOOL Rainwater Systems heeft inmiddels bijna 600 projecten gerealiseerd, waarvan zo’n 500 in Nederland, verspreid over vele tientallen gemeenten. De projecten variëren van kleine buffers van vijf kubieke meter tot systemen van 2.500 kubieke meter die complete woonwijken van wateropvang voorzien.
De technologie is eenvoudig maar doeltreffend: elementen van steenwol worden ondergronds aangebracht. Omdat 95 procent van het volume gevuld kan worden met water, en dat water er bovendien razendsnel in kan stromen, is het systeem bij uitstek geschikt voor de piekbuien die steeds vaker voorkomen. Afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem sijpelt het water vervolgens langzaam de grond in, of wordt het via een gecontroleerde afvoer naar een watergang geleid.
Onderhoud als onderscheidend voordeel
Veel ondergrondse buffersystemen kampen met een fundamenteel probleem: ze slibben dicht. Kunststof krattensystemen zijn omhuld met een geotextiel dat na verloop van tijd verstopt raakt. Eenmaal dichtgeslibd is er geen mogelijkheid meer tot herstel en verliest het systeem zijn functie. “Op een gegeven moment heb je eigenlijk een systeem waar je niks meer aan hebt”, vertelt Los.
zijn toegankelijk via een put, waardoor ze periodiek met hogedrukwater kunnen worden gereinigd. Daardoor blijft het systeem onderhoudbaar over de volledige levensduur.
Omdat er bovendien geen omhullend doek nodig is, hoeft het systeem geen rechte vormen te hebben. Het kan organisch worden aangelegd, ook op locaties met obstakels zoals bomen en kabels en leidingen. Dat maakt het bijzonder geschikt voor bestaande stedelijke omgevingen, waar ruimte schaars is. Bij de installatie zelf is het systeem eenvoudig aan te passen – een stuk eraf zagen of de vorm bijstellen behoort gewoon tot de mogelijkheden.
Waterkwaliteit ondergeschoven kindje
hanteren al concretere normen en handhavingsmechanismen. “In Nederland kijken gemeenten, waterschappen en provincies nog te veel naar elkaar”, zegt Los. “Er is eigenlijk niemand die een knoop doorhakt.” Toch is er beweging zichtbaar: organisaties als Rioned en STOWA onderzoeken hoe meer sturing aan waterkwaliteitseisen kan worden gegeven.
Er is eigenlijk niemand die een knoop doorhakt
Bij het steenwolsysteem werkt het anders. Het water stroomt via kanalen de steenwol in, en de wand van die kanalen fungeert als filteroppervlak. Die kanalen
Nederland is sterk gefocust op kwantiteit: zolang er geen plassen blijven staan en kelders droog blijven, is men tevreden. Maar de kwaliteit van regenwater verdient meer aandacht. “Regenwater is op zichzelf best schoon, maar zodra het van een dak of straat afstroomt, neemt het allerlei verontreinigingen mee”, legt Los uit. Zware metalen zoals koper en zink, reststoffen van voertuigen en remstof: al die stoffen belanden uiteindelijk in grond- en oppervlaktewater.
De Europese Kaderrichtlijn Water verplicht lidstaten om in 2027 een bepaalde oppervlaktewaterkwaliteit te halen –Nederland dreigt die deadline te missen. Landen als Duitsland en Denemarken
De klimaatbestendige stad is groener en sponsachtiger
Bouwen aan sponsstad Gemeenten nemen regenwaterbeheer steeds vroeger mee in projectplannen en reserveren er ook budget voor. Bij projectontwikkelaars gaat dat moeizamer: waterbeheer is er vaak een sluitpost. Maar hemelwaterverordeningen verplichten ook hen om regenwater op eigen terrein op te vangen, waardoor de druk toeneemt.
Los verwacht dat steenwoloplossingen de komende jaren breder inzetbaar worden, en naast buffer- en infiltratiesystemen ook bij filtersystemen voor waterkwaliteitsverbetering, toepassingen op platte daken en systemen die water beschikbaar houden voor beplanting. Stedelijk gebieden worstelen immers niet alleen met te veel water, maar ook met hittestress: zwarte daken en asfalt warmen overdag sterk op en koelen ’s avonds nauwelijks af. Meer groen en blauw in de stad biedt tegenwicht. “De klimaatbestendige stad is groener en sponsachtiger”, stelt hij. “Bij te veel water vang je het op en houd je het vast. Bij droogte gebruik je het weer om je groen van water te voorzien.”
Institutionele beleggers staan voor een vastgoedmarkt die structureel en ingrijpend verandert. Stijgende bouwkosten, geopolitieke onzekerheid, strenger ESG-beleid en een groeiend tekort aan betaalbare woningen maken de sector complexer dan ooit. Belangrijk is niet alleen wat een object vandaag oplevert, maar vooral of het over twintig jaar nog steeds relevante waarde heeft.

NLV is als vastgoedvermogensbeheerder van pensioenfondsen dagelijks bezig met de vraag wat portefeuilles toekomstbestendig maakt en
ziet de verschuiving van dichtbij. “Als je iets koopt wat niet voldoet aan de Paris Proof-eisen voor CO₂-uitstoot, koop je eigenlijk iets wat stuk is in je portefeuille”, zegt CIO Wim Wensing. “Dat is niet goed voor het milieu, maar ook zeker niet voor je risico-rendementverhouding.”
Sociale duurzaamheid als criterium Naast milieuduurzaamheid wint een andere dimensie snel aan gewicht: sociale duurzaamheid. Het aantal eenpersoonshuishoudens groeit snel en daarmee nemen risico’s als betaalbaarheidsproblemen en eenzaamheid toe. Thema’s die al langer spelen, maar nu steeds explicieter worden meegenomen door vastgoedbeleggers.
“De bebouwde omgeving is hier specifiek in”, legt Wensing uit. “Of het nou een kantoor, winkel of woning is, er zit altijd een sociale component in ingebakken.” Dat betekent ook concrete ontwerpkeuzes, zoals een entree die uitnodigt tot ontmoeting, een galerij die op strategische plekken iets breder is zodat bewoners elkaar tegenkomen of mixed-use gebouwen waar wonen, werken en winkelen samenkomen.
Minder snel verouderd
CEO Jan Willem Siekman geeft een voorbeeld uit Amsterdam: een woongebouw zonder parkeerplaatsen, met een supermarkt in de plint. “Voor bewoners is het prettig dat de Jumbo zich direct onder het gebouw bevindt. Dat genereert uiteindelijk ook extra rendement.” De beleving is geen luxe, aldus Siekman, maar een manier om risico’s te verkleinen. Gebouwen en winkelgebieden die goed aansluiten op het gebruik door mensen zijn toekomstbestendiger en kennen minder
– Partner Content
De verduurzaming van de bestaande gebouwvoorraad staat hoog op de agenda. In plaats van grootschalige sloop en nieuwbouw verschuift de aandacht steeds nadrukkelijker naar slimmer gebruik van wat er al is. Innovatieve concepten en integrale benaderingen spelen daarbij een groeiende rol. Dat vraagt niet alleen om technische oplossingen, maar ook om een andere manier van denken over waarde, gezondheid en impact op de lange termijn, zowel economisch als maatschappelijk.
Binnen die context positioneert dakraamleverancier VELUX zich als product- en kennispartner. Het bedrijf richt zich op renovatie als hefboom voor verduurzaming, met aandacht voor comfort, energieprestatie en circulariteit. Public Affairs Manager Marcel Vreeken zegt hierover: “We zien dat de grootste winst niet zit in meer bouwen, maar in beter benutten wat er al staat. Renovatie biedt een kans om bestaande gebouwen te verbeteren zonder de hoge milieu-impact van sloop en nieuwbouw.”
Die urgentie is groot: volgens de UNEP (UN Environment Programme) is de bouwsector verantwoordelijk voor circa een derde van het wereldwijde afval en
meer dan een derde van de CO₂-uitstoot. Volgens Vreeken ligt de oplossing in een ‘renovatie-eerst’-benadering, waarbij behoud van bestaande structuren centraal staat. Door gericht in te grijpen (bijvoorbeeld met meer daglicht, betere ventilatie en verbeterde energieprestaties) kan de kwaliteit van woningen aanzienlijk worden verhoogd, terwijl de ecologische voetafdruk juist daalt.
Een belangrijke rol speelt Re:Living, waarin principes uit nieuwbouw worden toegepast op bestaande gebouwen. Het concept bouwt voort op Living Places – een initiatief om duurzamer te bouwen – en richt zich op een gezond binnenklimaat, laag energiegebruik en
beperkte CO₂-impact. Nieuw is de nadruk op biodiversiteit, zodat renovatie ook de leefomgeving versterkt. “Re:Living laat zien dat renovatie geen compromis hoeft te zijn. Je kunt bestaande woningen stap voor stap verbeteren en tegelijk zorgen voor meer woonkwaliteit en minder impact op het milieu.”
Aanbouwen en optoppen
Naast technische verbeteringen ziet het bedrijf ook kansen in uitbreiding van bestaande woningen, bijvoorbeeld via aanbouw of optoppen met lichtgewicht houtconstructies. Daarmee kan extra woonruimte worden gecreëerd zonder extra ruimtebeslag, een belangrijk voordeel in dichtbebouwde gebieden. Tegelijkertijd draagt deze aanpak bij aan een lagere CO₂impact dan traditionele bouwmethoden en versnelt het de realisatie van nieuwe woonruimte.
De uitdagingen zijn echter aanzienlijk. De diversiteit aan woningtypen, regelgeving en praktische beperkingen maken
leegstand. “Een gebouw waar mensen graag komen, verouderd veel minder snel.”
Risico’s breder definiëren Het onderscheidende aan de aanpak van NLV is de manier waarop risico’s worden meegenomen in investeringsbeslissingen. Maatschappelijke factoren worden niet apart gewogen, maar naast het financieel rendement integraal meegenomen. “We zien dingen soms als kostenpost, in plaats van als een verzekeringspremie”, zegt Wensing. “Als je die risico’s niet meeneemt, hoef je de verzekering ook niet te hebben.”
Rekenkundig kijkt NLV vijftien jaar vooruit, maar Paris Proof 2050 staat altijd nadrukkelijk op de horizon. Dat langetermijnperspectief maakt investeringen in leefbaarheid en duurzaamheid niet alleen verantwoord, maar ook financieel verdedigbaar. De uitdaging die overblijft is om deze factoren concreet en meetbaar te maken. Samen met een gerenommeerde universiteit wordt onderzocht hoe dit te kwantificeren valt, ondersteund door uitgebreide data en geavanceerde AI-modellen. “We zoeken objecten waar financieel rendement en maatschappelijke waarde hand in hand gaan”, besluit Wensing. “Dan doe je het aan alle kanten goed.”

grootschalige renovatie complex en soms kostbaar. Toch liggen er volgens Vreeken kansen in standaardisatie en industrialisatie, zoals prefab oplossingen die sneller en efficiënter kunnen worden toegepast, ook in bewoonde situaties.
Vooruitkijkend verwacht het bedrijf dat renovatie verder zal professionaliseren en dat criteria zoals ‘whole life carbon’ (de som van alle emissies van wieg tot graf) een grotere rol gaan spelen in besluitvorming. Ook biodiversiteit wordt steeds vaker meegenomen als indicator voor de impact van gebouwen. Daarmee verschuift de focus van kwantiteit naar kwaliteit: waar het kan, meer doordachte transformatie van wat er al is, naast gerichte nieuwbouw, met blijvende waarde voor toekomstige generaties.


De woningbouwopgave dwingt de bouwsector tot andere keuzes. Sneller bouwen is noodzakelijk, net als een strakkere regie op kwaliteit, logistiek en kosten. Tegelijk willen opdrachtgevers, gemeenten en bewoners geen uniforme woonwijken zonder architectonische nuance. Het resultaat is dat industrieel bouwen aan terrein wint, niet alleen als antwoord op personeelstekorten, maar ook als manier om voorspelbaarder en schoner te produceren.

Een van de meest opvallende verschuivingen zit in de gevel.
Waar prefab lang vooral draaide om casco’s, verschuift de grens nu naar complete buitenschillen die in de fabriek worden voorbereid en op de bouwplaats vrijwel direct kunnen worden gemonteerd. Volgens directeur Ab Knook van Spaansen, leverancier van bouwsystemen, prefab beton en bouwgrondstoffen, zit daar precies de volgende stap in de industrialisatie van de bouw. “Met het concept Gevelklaar leveren we een totale binnen- en buitenschil. Daarmee schuif je een groot deel van het traditionele werk op de bouwplaats naar voren, naar een gecontroleerde productieomgeving.”
De naam Gevelklaar is niet voor niets gekozen: deze vat de essentie van het
spaansen.nl
productieproces treffend samen. Betonnen wanden worden in de fabriek voorzien van isolatie en vervolgens afgewerkt met keramische steenstrips. Kozijnen, glas, voegwerk en waterkeringen kunnen worden ingebouwd voordat een element de fabriek verlaat. Op de bouwplaats resteert dan vooral montage. Het effect daarvan is volgens Knook niet alleen snelheid, maar ook minder afhankelijkheid van weersomstandigheden en een schonere bouwplaats met minder losse materialen, verpakkingen en transportbewegingen.
De winst zit nadrukkelijk niet alleen in efficiëntie. Prefab draagt nog altijd het stigma van standaardisering, maar volgens Knook is dat beeld achterhaald. Dankzij robotisering kan binnen een gestandaardiseerd proces juist veel variatie worden aangebracht. Verschillende steentypen, kleuren, diktes en metselverbanden zijn in één gevel te combineren, zolang het ontwerp binnen de technische randvoorwaarden blijft. “De robot krijgt geen hoofdpijn van staande steentjes. Wat traditioneel veel handwerk en dus ook veel kosten vraagt, is in een geautomatiseerd proces veel minder ingewikkeld.”
Concretere dialoog
Daarmee verschuift ook de relatie met architecten. Niet elk ontwerp is maakbaar, maar de dialoog begint eerder
en wordt concreter. In plaats van pas op de bouwplaats tegen beperkingen aan te lopen, wordt in de ontwerpfase al getoetst wat industrieel reproduceerbaar is. Volgens Knook maakt dat het proces zakelijker, maar zeker niet beperkter. Architecten behouden vrijheid, mits zij rekening houden met de logica van het systeem. Soms vraagt dat een aanpassing in detaillering; daar staat tegenover dat er ook nieuwe mogelijkheden ontstaan, bijvoorbeeld in patronen, kleurverlopen of zelfs figuratieve toepassingen in gevels.
De robot krijgt geen hoofdpijn van staande steentjes
Weken tijdwinst
“De economische aantrekkingskracht is evident. Bij grondgebonden woningen gaat het vaak om weken tijdwinst, bij appartementen om maanden.”
Knook noemt een project van zestig appartementen en 21 meter hoog dat in circa zeven weken op de bouwplaats werd geassembleerd. Traditionele bouwmethoden zouden daar een veel langere ruwbouwfase voor nodig hebben. “Wij horen van aannemers geregeld dat wij te hard gaan. Dan hebben wij ons deel van het werk gedaan en is het aan de rest van de keten om aan te sluiten.”
Die versnelling is vooral relevant in een markt waarin vakmensen schaars zijn en de vraag naar woningen hoog blijft. Prefab is in die zin niet langer alleen een technische keuze, maar ook een arbeidsmarktstrategie. Productie in de fabriek maakt het werk minder fysiek belastend en minder
weersgevoelig, terwijl op de bouwplaats minder specialismen tegelijk hoeven samen te komen.
Tegelijkertijd blijft verduurzaming een complex dossier. Minder transport, minder afval en lichter bouwen leveren aantoonbare voordelen op. Doordat met steenstrips wordt gewerkt in plaats van volle bakstenen, daalt het materiaalgebruik en kunnen ook funderingen lichter worden uitgevoerd. Daar staat tegenover dat de verduurzaming van beton, lijmen en mortels technisch én financieel ingewikkeld blijft. Knook pleit daarom voor schaalbare oplossingen in plaats van incidentele pilots. “Je moet verduurzaming in je standaardproces inbouwen. Anders blijft het iets experimenteels, terwijl de sector juist behoefte heeft aan oplossingen die groot genoeg zijn om echt verschil te maken.”
Daarbij helpt het dat de ontwikkeling van Gevelklaar samen met vaste bouwpartners en toeleveranciers tot stand is gekomen. Grote klanten schuiven periodiek aan om techniek, detaillering en uitvoerbaarheid te bespreken. Dat past in een bredere trend waarin fabrikanten, aannemers en ontwerpers eerder in het proces kennis delen om faalkosten te beperken en productie beter planbaar te maken.
Tuinklaar
De ervaringen met Gevelklaar hebben Spaansen bovendien geïnspireerd om het concept Tuinklaar te ontwikkelen, waarbij nieuwbouwwoningen al bij oplevering worden voorzien van een ingerichte tuin. Het idee is minder verspilling, minder transport en een completer woonproduct bij sleuteloverdracht. De trend naar meer gemak en efficiëntie stopt niet bij de gevel.


Bouw- en ontwikkelfinanciering
Acquisitie- en (her) financiering
Overbruggingsfinanciering
Optimaliseren eigen inbreng
Snelle doorlooptijden
Alle (inter)nationale financiers
Banken en debt fondsen
Zeer uitgebreid netwerk financiers
Alle asset classes
Financiering van 1-100 miljoen
>35 jaar track-record in financiering
>500 miljoen vanuit PPREF begeleid
Inspelend op strategie financiers
Begeleiding volledige traject
Competitief proces
