

do 21 – za 23 mei 2026
![]()


do 21 – za 23 mei 2026




Beleef de kracht van een symfonisch orkest
curated for the curious concertgebouw.be/orkestraal
do 21 mei 2026
19.15 inleiding door Stijn Paredis
Béla Bartók (1881-1945)
Divertimento voor strijkorkest, Sz113, BB118


Budapest Festival Orchestra: ensemble

Expo Cince Johnston
za 07 mrt – zo 30 aug 2026
In this place I call home whispers fragments of secrets to me legt Cince Johnston haar vijf kinderen vast op beeld vanuit een verlangen om de tijd zachtjes te wiegen, een noodzaak om liefdevol te vertragen voordat alles verandert. Ze documenteert haar kroost tegen de setting van haar voorouderlijk huis op Île d’Orléans (Québec), als een kroongetuige van hun levens die zich ontvouwen. In een reeks portretten genomen tijdens de covid-lockdown vangt ze de diepe verbondenheid, stille spanning, eenzaamheid en uitbundigheid in hun dagelijkse bestaan.
Bezoek de expo tijdens de openingsuren van Concertgebouw Circuit of voor of na een voorstelling.

Gergely Csikota: trompet
Mirella Hagen: sopraan
Marta Dettlaf, Birgit Born, Lucrezia Constanzo, Péter Kostyál & Emese Gulyás: eerste viool
Éva Kóbor, Solvejg Wilding, Pál Jász & Zsuzsanna
Szlávik: tweede viool
Barbora Butvydaité, Harriet Quick, Zita Zárbok & Nao Yamamoto: altviool
Pietro Silvestri, Éva Eckhardt, Gabriella Liptai & Orsolya Mód: cello
Jenő Puporka: contrabas
– Allegro non troppo
– Molto adagio
– Allegro assai
Iván Fischer (1951)
Eine deutsch-jiddische Kantate
– Wiegenlied
– Deutsche Arie
– Jiddische Arie
– Grabschrift pauze
Felix Mendelssohn (1809-1947)
Strijkoctet in Es, opus 20
– Allegro moderato con fuoco
– Andante
– Scherzo. Allegro leggierissimo
– Presto

Nieuwe muziek grijpt vaker naar evolutie dan naar revolutie. Ook op bekend terrein kun je immers onverwachte richtingen uitgaan. Terwijl Béla Bartók het klassieke divertimento, Iván Fischer de muziek van Bach en Felix Mendelssohn het strijkkwartet in hun achteruitkijkspiegel zagen, richtten ze hun blik op nieuwe paden die voor hen liggen.
Geen namaak
Toen Béla Bartóks jongste zoon Péter hem vroeg waarom hij niet eens iets componeerde dat als Mozart klinkt, antwoordde de componist geduldig dat het de taak is van een artiest om een eigen bijdrage te leveren eerder dan anderen te kopiëren. Peter schaamt er zich in zijn memoires voor dat hij die vraag überhaupt durfde stellen aan een innovatieve componist als zijn vader, maar helemaal onlogisch is ze niet: bij zijn Divertimento voor strijkorkest uit 1939, waarvan de titel verwijst naar een luchtig 18e-eeuws genre en dat deels opgevat is als een barok concerto grosso, dwalen de gedachten gauw af naar Mozart of Vivaldi. Maar inhoudelijk is het typisch Bartók, met onder meer zijn karakteristieke, kletsende pizzicato-techniek, zijn schurende harmonische taal en een vette knipoog naar volksmuziek. Hoewel de typische luchtigheid van een divertimento het eerste deel dooradert, laten vlijmscherpe dissonanten niet lang op zich wachten. Maar zo viriel als het eerste deel klinkt, zo treurig schrijdt het tweede deel voort, afgewisseld met een orkestrale angstschreeuw, alsof Bartóks zorgen om de naderende Tweede Wereldoorlog even hun weg naar de partituur weten te vinden. Het derde en laatste deel lijkt die bekommernissen resoluut van tafel te vegen dankzij een aanstekelijk volksthema, stekelige harmonieën en een curieuze episode die doet denken aan Strauss’ Pizzicato Polka
Dirigent Paul Sacher, de opdrachtgever van het Divertimento, installeerde Bartók in de Zwitserse bergen om zich volledig te kunnen focussen op het schrijven. Toch bleef Bartók
– Met zijn titelkeuze verwijst Bartók in het Divertimento naar het gelijknamige, luchtige genre uit de pruikentijd terwijl hij af en toe de textuur leent van het barokke concerto grosso waarbij een groepje solisten zich onderscheidt van het orkest.
– Het heterogene Eine deutschjiddische Kantate van Iván Fischer is een hoopvolle excursie naar de Duitse wortels van de Jiddische taal.
– Met zijn Strijkoctet in Es bereikte de 16-jarige Felix Mendelssohn een vroeg hoogtepunt in zijn kamermuziekrepertoire dankzij de unieke, uitgebreide textuur van het gangbare strijkkwartet.
in die idyllische omgeving piekeren over een nakende oorlog; de gedachte dat hij als Hongaar binnenkort misschien onder het juk van een nazistisch regime moest leven en werken, liet hem niet los. Kort na het losbarsten van de Tweede Wereldoorlog ruilde Bartók dan ook zijn vaderland in voor de Verenigde Staten.
Heden Bach
In Eine deutsch-jiddische Kantate dolt Iván Fischer met ons historisch besef. De geest van Bach duikt regelmatig op en samen met de teksten van Rainer Maria Rilke, Johann Wolfgang von Goethe en de 20e-eeuwse Jiddische dichter Abraham Sutzkever construeert Fischer een anachronistische symboliek van (muzikale) talen. Het was een Duits grafschrift van Goethe op de zerk van Fischers Joodse oom in Boedapest dat de componist-dirigent inspireerde tot het verkennen van de historische vervlochtenheid van de Duitse taal en het Joodse Jiddisch (JoodsDuits), een relatie die ruw werd aangetast door de Tweede Wereldoorlog.

‘De gedachte dat hij als Hongaar binnenkort misschien onder het juk van een nazistisch regime moest leven en werken, liet Bartók niet los.’
Een korte driestemmige prelude met van Bach geleende gebaren kondigt de sopraan en de trompettist aan. Als duo brengen ze tijdens het tweede deel een Jiddisch wiegelied waarbij de ijle textuur van een spaarzame sopraanstem en gesmoorde trompetklanken contrasteert met het troostende en liefdevolle karakter van de tekst. Centraal staat het korte, smartvolle derde deel, waarbij Fischer de stijl van Bach combineert met een laat 19e-eeuws gedicht van Rilke, Ich weiß es im Traum, over moederschap. Meteen krijgt Sutzkever het woord die met zijn gedicht Mayn Mame (‘mijn moeder’) hetzelfde thema plaatst in de rauwe context van de Holocaust. De zalvende tonen van het vijfde deel – Erbarme dich uit Bachs Mattheuspassie is niet ver weg –, een gesmoorde trompet die de klankkleur van barokhobo lijkt te imiteren en de woorden van Goethes Symbolum roepen tenslotte op tot actieve hoop.
Strijkkwartet XXL
Dat Felix Mendelssohn al vroeg experimenteerde met muziek voor strijkers weten we dankzij zijn twaalf symfonieën voor strijkorkest die hij als jonge puber componeerde. Maar met zijn Strijkoctet in Es legde de amper zestienjarige Mendelssohn een nieuw genre op tafel. Een
eenvoudige verdubbeling van de bezetting van een strijkkwartet bood hem een textuurrijke klankwereld die haast orkestraal aandoet, getuige daarvan zijn aanwijzing aan de spelers om zo ‘symfonisch mogelijk’ te spelen. Na het lijvige Allegro moderato, het zwaartepunt van het Octet, volgt een gevoelig Andante en een feeëriek Scherzo, waarbij het laatste effectief een symfonische herwerking kreeg als alternatief voor het derde deel van zijn Eerste symfonie. De aanvang van de finale Presto klinkt tenslotte als een toegift waarbij elke partij een voor een mag schitteren om het applaus in ontvangst te nemen, gaande van de laagste cellopartij tot de eerste viool.
Stijn Paredis
Bewonder de veelzijdigheid van de trompet die in Fischers cantate zowel gesmoorde, elegante melodieën als scherpe, militaristische signalen voortbrengt. #deeplistening

vr 22 mei 2026
19.15 inleiding door Jan Christiaens
Budapest Festival Orchestra: orkest, zie p. 12
Iván Fischer: dirigent
Ingela Brimberg: sopraan
Hanno Müller Brachmann: bas-bariton
Robert Schumann (1810-1856)
Symfonie nr. 3 ‘Rheinische’, opus 97
– Lebhaft
– Scherzo: Sehr mäßig
– Nicht schnell
– Feierlich
– Lebhaft pauze
Richard Wagner (1813-1883)
Wotans Abschied und Feuerzauber uit
Die Walküre
Schumanns Derde symfonie ontstond in een periode van nieuwe impulsen en tegenstrijdige verwachtingen. In september 1850 verhuisde hij met zijn vrouw Clara en hun zeven kinderen naar Düsseldorf, waar hij was aangesteld als stedelijk muziekdirecteur. Nochtans was Schumann aanvankelijk weigerachtig tegenover het aanbod. Hij twijfelde of hij wel een goed dirigent kon zijn, en bovendien had zijn vriend Mendelssohn zich laatdunkend uitgelaten over het niveau van de musici in Düsseldorf. Toch zette hij de stap, die een breuk betekende met zijn Saksische verleden in de steden Leipzig en Dresden, twee toonaangevende centra van het Duitse muziekleven. In het Rijnland werd Robert echter al snel gegrepen door de schoonheid en levendigheid van zijn nieuwe omgeving. Tegelijkertijd kende het dagelijks leven minder ideale kanten: hun woning lag midden in de stad, waar straatlawaai Schumanns concentratie verstoorde en bijdroeg aan de stemmingswisselingen die hem zijn hele leven zouden blijven achtervolgen.
Naar de Dom van Keulen
Een beslissende indruk maakte een uitstap naar Keulen, eind september 1850. Schumann wilde al langer de Keulse Dom – die hij in 1840 in een lied uit de cyclus Dichterliebe had bezongen – in levenden lijve bewonderen. Hij maakte er kennelijk een religieuze dienst mee, waarvan hij de indrukken vastlegde in het vierde deel van zijn nieuwe symfonie. Ook de Rijn zelf vormde een belangrijke inspiratiebron. In een periode waarin Duitsland nog niet als eenheid bestond, gold de stroom als een krachtig cultureel symbool dat verschillende gebieden met elkaar verbond. De ondertitel van de Derde symfonie – Rheinische – weerspiegelt dan ook niet alleen een geografische indruk, maar ook een groeiend gevoel van nationale identiteit.

De symfonie ontstond opmerkelijk snel. Begin november 1850 zette Schumann de eerste schetsen op papier; nauwelijks vijf weken later was het werk volledig georkestreerd.
– Robert Schumann componeerde zijn Derde symfonie, ‘die Rheinische’, kort na zijn verhuis naar het Rijnland en geïnspireerd door de Keulse Dom en de Rijn zelf.
– De vijfdelige symfonie combineert klassieke vormen met levendige delen die verschillende stemmingen en beelden oproepen.
– Verder op het programma staan twee delen uit Wagners mythische operacyclus Der Ring des Nibelungen waarin ook de Rijn een rol toebedeeld krijgt als bewaarplaats van een schat met ongekende kracht.
Het resultaat is een grootschalige vijfdelige symfonie, wat in die tijd eerder ongebruikelijk was. Het eerste en het vijfde deel vormen de steunpilaren van dit bouwwerk, terwijl de drie centrale delen eerder als intermezzo’s fungeren die verschillende stemmingen en beelden oproepen.
Het eerste deel opent zonder inleiding, met een krachtige, voortstuwende beweging die als een muzikale verbeelding van de Rijn zelf klinkt. Brede, vloeiende lijnen en een energiek driekwartsritme geven de muziek een voorwaartse drang, terwijl de hoorns het majestueuze openingsthema boven het orkest uit schallen. Tegelijk blijft Schumann hier trouw aan de klassieke vormpatronen: onder de vrije, bijna improvisatorische oppervlakte schuilt een strak opgebouwde sonatevorm.
‘In een periode waarin Duitsland nog niet als eenheid bestond, gold de stroom als een krachtig cultureel symbool dat verschillende gebieden met elkaar verbond.’
Magisch vuur
Ochtend aan de Rijn
De drie middendelen functioneren eerder als karakterstukken. Het tweede deel, oorspronkelijk ‘Ochtend aan de Rijn’ genoemd, heeft het karakter van een landelijk, dansachtig scherzo, met een wiegende beweging die rust en eenvoud uitstraalt. Het derde deel vormt een lyrisch intermezzo, waarin de houtblazers en hoorns een zangerige melodie laten horen – een herinnering aan Schumanns grote talent als liedcomponist. Onder de oppervlakte klinkt echter ook iets geheimzinnigs, alsof de rustige stroom van de rivier diepere krachten verbergt. Wat volgt, is misschien wel een van de meest ontzagwekkende passages die Schumann ooit voor orkest heeft geschreven. Voor het eerst in de symfonie treden de trombones op de voorgrond, met een koraalachtige passage waarmee Schumann de sfeer van een kerkelijke ceremonie oproept. Oorspronkelijk gaf hij deze beweging een beschrijvende titel – ‘Met het karakter van een begeleiding bij een plechtige ceremonie’ –, maar later reduceerde hij die tot de eenvoudige aanduiding ‘Feierlich’ (‘plechtig’). Alsof men vanuit het gedempte licht van de kathedraal weer naar buiten stapt in het zonlicht: zo abrupt barst het slotdeel van deze symfonie los in een uitbundige beweging. Ritmisch geprofileerde motieven en een vederlichte articulatie geven de muziek een sprankelende energie, terwijl Schumann motieven uit eerdere delen subtiel opnieuw voor het voetlicht brengt.
In Wagners operacyclus Der Ring des Nibelungen krijgt de Rijn een mythische dimensie als bewaarplaats van een schat met ongekende kracht. Een van de meest indringende scènes uit de cyclus is Wotans Abschied und Feuerzauber uit Die Walküre Wotan, de oppergod, moet zijn dochter Brünnhilde straffen omdat zij uit medelijden zijn bevel heeft overtreden. Hij ontneemt haar haar goddelijkheid en veroordeelt haar tot een door hem opgelegde slaap als sterfelijke vrouw. Het afscheid wordt in de muziek echter niet louter als straf uitgewerkt. Wotans autoriteit maakt geleidelijk plaats voor zijn emotionele bewogenheid, waarbij de plechtige beslissing overgaat in een afscheid van een vader van zijn dochter. Brünnhilde vraagt hem dat alleen een held haar zal kunnen wekken. In de aansluitende Feuerzauber omringt Wotan haar met een ring van magisch vuur die enkel door een ware held kan worden doorbroken. De orkestklank wordt hier fonkelend en beweeglijk, alsof de vlammen hoorbaar dansen. Tegelijk krijgt de muziek een mythische grootsheid waarin niet alleen verlies klinkt, maar ook lotsbestemming en toekomst.
Jan Christiaens
Let er tijdens het beluisteren van het slotdeel op hoe Schumann eerder materiaal subtiel terughaalt: motieven uit de voorafgaande delen keren in verkorte of getransformeerde vorm terug. Zo is het slotdeel niet alleen een uitbundige afsluiting, maar ook een muzikale terugblik op de hele symfonie. #deeplistening
za 23 mei 2026
19.15 inleiding door Jan Christiaens
Budapest Festival Orchestra: orkest
Iván Fischer: dirigent
Ingela Brimberg: sopraan
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Ouverture tot Die Zauberflöte
Richard Wagner (1813-1883)
Prelude und Liebestod uit Tristan und Isolde
pauze
Béla Bartók (1881-1945)
De wonderbaarlijke Mandarijn, opus 19, BB82
– Begin - het doek gaat op
– Het eerste verleidingsspel
– Het tweede verleidingsspel
– Het derde verleidingsspel – de Mandarijn komt binnen
– De dans van het meisje
– De achtervolging – de zwervers springen tevoorschijn
– Plots verschijnt het hoofd van de Mandarijn
– De Mandarijn valt op de grond
Dit concert is een Feestevent van The Keys
Een internationaal programma op het Concertgebouwpodium, de kwaliteitsgarantie van de uitstekende piano’s en de ondersteuning van jonge artiesten?
Als lid van The Keys maakt je dit mee waar. En je geniet mee vanop de eerste rij! We danken onze leden van harte voor hun engagement! Interesse om lid te worden? Lees meer op p. 13 en op the-keys.be

Met Nederlandse boventiteling
Van Orpheus en Eurydice uit de Griekse mythologie tot Het jaar van de kreeft van Hugo Claus: de Westerse cultuurgeschiedenis barst van de verhalen waarin liefde en dood fataal met elkaar verbonden zijn. Het programma van vanavond biedt twee muzikale verklankingen van dat thema. De uitwerking is zeer verschillend, en dat verbaast ook niet gezien de verschillende ontstaansperiode en context. In Richard Wagners muziekdrama Tristan und Isolde (1859) bevinden we ons in de geïdealiseerde wereld van de ridderromantiek. Eer en trouw staan voor een maatschappijvorm met strakke hiërarchie en versmachtende conventies. In die context moet een allesverzengende liefde wel tot de dood leiden. In Béla Bartóks De wonderbaarlijke Mandarijn (1924) bevinden we ons ondanks het exotische hoofdpersonage in de criminele onderbuik van een moderne grootstad. Aantrekkingskracht en geweld liggen er in elkaars verlengde.
Onbewust, hoogste lust
Zoals wel vaker het geval in een concertzaal, beluisteren we tijdens dit concert enkel begin en einde van Wagners Tristan und Isolde. Het slot is tragisch. Tristan is overleden en Isolde sterft de liefdesdood. Haar laatste woorden drukken het verlangen uit om samen met hem op te gaan in de dood: verdrinken, verzinken, onbewust, hoogste lust! Wagner pusht de romantische muziektaal tot aan de grens om dit uit te drukken. Dat is heel de opera het geval, maar de prelude is wat dat betreft legendarisch. De allereerste samenklank staat bekend als het Tristan-akkoord. Het komt aan als een stomp in de maag. Meer nog, Wagner lost de spanning die deze dissonante samenklank opwekt helemaal niet op in een volgend consonant akkoord, zoals gebruikelijk in tonale harmonie. Hij houdt deze spanning bijna heel dit muziekdrama lang vast, om pas helemaal op het einde, in de liefdesdood van Isolde, tot stralende ontspanning te komen.
Dodelijke verleiding
Alleen al het libretto van Bartóks balletpantomime De wonderbaarlijke Mandarijn
– Wagner pusht de romantische muziektaal tot aan de grens om oneindig verlangen uit te drukken.
– Bartóks De wonderbaarlijke Mandarijn is een schoolvoorbeeld van muzikaal expressionisme: hard, maar beklijvend.
– Voor de ouverture van Die Zauberflöte opteert Mozart voor een strakke muzikale vorm in plaats van een vrijblijvende potpourri.
bracht het toenmalige publiek uit evenwicht door zijn gewelddadigheid en zijn donkere eros/thanatos-thematiek. Een jong meisje lokt mannen in een huis, waar ze door rovers mishandeld en beroofd worden. De eerste twee pogingen mislukken: een haveloze zwerver brengt geen geld in het laatje en ook een schuchtere jonge man blijkt berooid te zijn. Het derde slachtoffer is een Chinese edelman. Ook voor hem voert het meisje een verleidingsdans op. De Mandarijn ontvlamt in liefde, maar bekoopt dit met zijn leven. De misdadigers beroven hem en willen hem doden door verstikking, messteken en uiteindelijk door ophanging aan een lamphaak. De lamp valt naar beneden, en het is het lichaam van de Mandarijn dat begint te gloeien. Het meisje beseft dat de Mandarijn enkel kan sterven wanneer ze zich met hem verenigt. Of hoe de liefdesdood hier een andere, eerder Freudiaanse dimensie krijgt.
Bartóks verklanking
Ook Bartóks muzikale zetting moet aanstootgevend geweest zijn bij de creatie in 1926. Zowat alles is on-academisch aan dit werk: de intensiteit en luidheid, de ruwe maar pakkende orkestratie, de frenetieke herhalingen (onverbiddelijke ostinato’s) en de dissonantie maken van deze compositie een schoolvoorbeeld van het muzikale expressionisme. Daarnaast horen we in dit
‘Zowat alles aan Bartóks De wonderbaarlijke Mandarijn is on-academisch.’
werk ook de voor Bartók typische combinatie van modernisme en volksmuziek. De dans voor de schuchtere jongeman staat bijvoorbeeld in 5/4 maat, een van de typische asymmetrische maatsoorten uit de Balkan-muziek. Bartók buit de herhalingselementen van het libretto maximaal uit om zijn compositie formele coherentie te verlenen. De luisteraar herkent de terugkeer van dezelfde melodie tijdens de drie verleidingsdansen, temeer daar het telkens de klarinet is die deze melodie speelt. Welk instrument geeft de verleiding beter gestalte dan de klarinet, met haar zacht-zijden sonoriteit, haar warme diepe tonen en haar soepele beweeglijkheid?
De muziek schept nog op minstens twee andere plaatsen een typische sfeer. Wanneer de Mandarijn voor het eerst verschijnt weerklinkt een Oosters klankbeeld, inclusief de karakteristieke pentatoniek (melodieën die slechts uit vijf verschillende tonen bestaan).
Voor de scène waarin hij opgehangen aan een draad begint te gloeien, schrijft Bartók gedragen muziek in lange akkoorden. De luisteraar denkt onwillekeurig aan een treurig koraal. We horen als het ware ‘O Haupt voll Blut und Wunden’, maar dan in een moderne grootstedelijke versie, waarin het de mens is die mishandeld en gedood wordt.
Hoor de verklanking van een moderne grootstad in de opening van De wonderbaarlijke Mandarijn: een wirwar van klanken uit verschillende richtingen. #deeplistening

Twee soorten liefde Mozarts laatste opera Die Zauberflöte (1791) gaat niet over liefde en dood, maar over twee types van liefde: Tamino en Pamina verpersoonlijken de verheven liefde, Papageno en Papagena de zinnelijke liefde. Het concert van vanavond opent met de ouverture tot deze opera. Operaouvertures zijn vaak een eerder vrijblijvende potpourri van de belangrijkste melodieën uit de opera, maar dat is hier allerminst het geval. Mozart koos hier voor een sonatevorm, voorafgegaan door een korte langzame inleiding. De sonatevorm is afkomstig uit de instrumentale muziek en waarborgt coherentie en ontwikkeling. Een verband met de opera ontbreekt, ook het hoofdthema is er niet uit afkomstig. Mozart verwerkt dat hoofdthema zelfs in de vorm van een fuga, wat nog verder afstaat van het operagenre. Enkel de statige akkoorden uit de langzame inleiding zijn nadien nog te horen (in de eerste akte).
Mark Delaere
concertmeester
Daniel Bard*
Guy Braunstein°
eerste viool
Violetta Eckhardt
Ágnes Biro
Balázs Bujtor
Csaba Czenke
Mária Gál-Tamási
Emese Gulyás
Erika Illési
István Kádár
Péter Kostyál
Eszter Lesták Bedő
Gyöngyvér Oláh
Tímea Iván*
Lucrezia Costanzo*
Birgit Katriin Born*
János Pilz°
Radu Hrib
tweede viool
János Pilz*
Tímea Iván°
Antónia Bodó
Györgyi Czirók
Pál Jász
Zsófia Lezsák
Noémi Molnár
Anikó Mózes
Levente Szabó
Erika Kovács
Zsuzsanna Szlávik
Solvejg Wilding
Éva Kóbor
Gabriella Nagy*
Marta Dettlaff*
altviool
Csaba Gálfi
Zoltán Fekete
Barna Juhász
Nikoletta Reinhardt
Nao Yamamoto
Barbora Butvydaité
Harriet Quick*
Krisztina Haják
Gábor Sipos
László Bolyki
Zita Zárbok
István Polónyi*
cello
Péter Szabó
Lajos Dvorák
Éva Eckhardt
György Kertész
Gabriella Liptai
Kousay Mahdi
Orsolya Mód
Rita Sovány
Pietro Silvestri*
Alma Hernán Benedí*
contrabas
Zsolt Fejérvári
Attila Martos
Károly Kaszás
László Lévai
Csaba Sipos
Jenő Puporka
David Tinoco*
Alajos H. Zováthi*
fluit
Gabriella Pivon
Anett Jóföldi
João Milhinha
hobo
Clara Dent-Bogányi
Eva Neuszerova
Marie-Noëlle Perreau
klarinet
Ákos Ács
Rudolf Szitka
Roland Csalló
Nóra Czere*
fagot
Bence Bogányi
Dániel Tallián
Ziv Wainer-Bobrowicz*
Bálint Vértesi°
hoorn
Zoltán Szőke
András Szabó
Máté Harangozó
Zsombor Nagy
Éva Lilla Fröschl*
Gábor Tóth*
trompet
Gergely Csikota
Tamás Póti
Zsolt Czeglédi
trombone
Balázs Szakszon
Attila Sztán
Gergely Janák
Tibor Orbán*
Dávid Sztranyák*
tuba
Bálint Keresztesi
pauken
Roland Dénes
percussie
László Herboly°
István Kurcsák
Kornél Hencz°
Ádám Maros°
Boglárka Fábry°
piano / celesta
Emese Mali°
Krisztina Melisko°
harp
Ágnes Polónyi
Rosanna Rolton*
* enkel 22 mei 2026 ° enkel 23 mei 2026
Vrienden zijn gepassioneerde cultuurliefhebbers met een zwak voor het Concertgebouw.
Je geeft
€ 85
Je voordelen
– Voorrang bij het boeken van tickets
– Gratis tickets voor een van de Vriendenvoorstellingen met drink
– Een jaar lang gratis Concertgebouw Circuit
– Een unieke inkijk in het Concertgebouwprogramma (seizoenslancering, repetities, try-outs ...)
Je steunt
– De Makers van het Concertgebouw
Lees meer op concertgebouw.be/vrienden


The Keys vormen een groep enthousiaste kunst– en muziekliefhebbers die helpen bouwen aan de toekomst van het Concertgebouw als succesvol internationaal podiumkunstenhuis.
Je geeft
€ 660* per seizoen voor 1 persoon of € 825* per seizoen voor 2 personen
*excl. btw
Je voordelen
– Voorrang bij het boeken van tickets
– Gratis tickets voor 3 voorstellingen naar keuze waarvan 1 feestevent met uitgebreide receptie
– Interessante netwerkgelegenheden
– Een jaar lang gratis Concertgebouw Circuit
– 20% korting bij de huur van Forum 6 of 7 voor jouw feest of event
Je steunt
– Jonge artiesten
– Een internationaal programma
– De kwaliteitsgarantie van de Concertgebouwpiano’s
Lees meer op the-keys.be


In 1983 beslisten dirigent
Iván Fischer en pianist
Zoltan Kocsis om een nieuw symfonisch orkest op te richten: het Budapest Festival Orchestra (HU). Niemand had toen kunnen raden dat dit het begin was van een van de meest succesvolle en opwindende muzikale avonturen in Hongarije en op de internationale podia. In het begin gaf het Budapest Festival Orchestra maximum vier tot vijf concerten per jaar. Nadat het in 1992 aangesteld werd als permanent orkest van Boedapest, kreeg het steeds meer de titel van ‘de ware erfgenaam van de muzikale tradities van Hongarije en CentraalEuropa’. Tegenwoordig is het Budapest Festival Orchestra een welkome gast op vooraanstaande muziekfestivals en in de belangrijkste concertzalen. Ook hun operaprojecten oogsten succes en het orkest besteedt ruime aandacht aan nieuwe muziek.
Iván Fischer (HU) studeerde aanvankelijk piano en viool en schakelde later over op cello, compositie en orkestdirectie. Vervolgens werkte hij gedurende twee seizoenen als assistent van Nikolaus Harnoncourt. De internationale carrière van Fischer ging van start toen hij op 25-jarige leeftijd in Londen de Rupert Foundation
Conducting Competition won.
In 1983 keerde hij terug naar Hongarije en richtte hij het Budapest Festival Orchestra op. Als gastdirigent wordt hij geregeld gevraagd door de Berliner Philharmoniker, Concertgebouworkest Amsterdam, New York Philharmonic en Cleveland Orchestra. Als operadirigent werd Iván Fischer uitgenodigd door de opera’s van Londen, Parijs, Zürich, Frankfurt, Boedapest, Wenen en Stockholm.
De gerenommeerde Zweedse
sopraan Ingela Brimberg (SE) studeerde aan de Academie voor Muziek en Drama van de Universiteit van Göteborg en behaalde nadien een master in de psychologie aan de Universiteit van Stockholm. Ze werkte al samen met enkele van ’s werelds beste dirigenten, waaronder Marc Minkowski, Donald Runnicles, Alan Gilbert, Alain Altinoglu, Esa-Pekka Salonen, Ivan Repusic, Leif Segerstam, Sakari Oramo en Pablo Heras-Casado. Brimberg staat bekend om haar vertolkingen van de meest complexe en veeleisende dramatische sopraanrollen in de opera.

seizoen 2026/27
Boek je tickets voor een wijs nieuw seizoen
concertgebouw.be
Hanno Müller-Brachmann (DE) werd op 27-jarige leeftijd nog tijdens zijn studies door Daniel Barenboim bij de Staatsopera van Berlijn ondergebracht, waar hij 13 jaar lang deel uitmaakte van het ensemble. Hij werkte in Berlijn samen met Michael Gielen, René Jacobs, Sebastian Weigle, Gustavo Dudamel, Pierre Boulez, Sir Simon Rattle en Philippe Jordan. Daarnaast was hij te gast bij staatsopera’s als Hamburg, Wenen, München, Madrid, Sevilla en San Francisco. Naast zijn operacarrière verwierf Müller-Brachmann faam als liedvertolker.
Trompettist Gergely Csikota (HU) behaalde masters aan de Franz-Liszt-Musikakademie en de Universiteit voor MuziekMozarteum in Salzburg. Gergely werd solotrompettist bij de Münchner Symphoniker, vaste tweede trompettist bij het Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam, plaatsvervangend solist bij Concerto Budapest en sectieleider bij het Symfonieorkest van de Hongaarse Radio, waar hij in 2019 een award voor ‘artiest van het jaar’ won. Sinds 2020 is hij trompetleider bij het Budapest Festival Orchestra en eerste trompettistgastmusicus bij de Berliner Philharmoniker.
Mirella Hagen (DE) werd na haar studies zang aangenomen in de studio van de Staatsoper Stuttgart. Ze trad op in het Regensburger Theater, bij Opera Ballet Vlaanderen, de Dortmund Opera, de Komische Oper Berlin, het Theater an der Wien en nog vele andere gerenommeerde theaters. In de zomer van 2013 maakte ze haar internationaal geprezen debuut op de Bayreuther Festspiele onder leiding van Sir Simon Rattle. Met René Jacobs ondernam zij verschillende tournees met Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria en Le nozze di Figaro Sinds 2024 geeft Mirella Hagen les aan de Hogeschool voor Muziek en Dans in Keulen.
za 30 mei 2026
20.00 Concertzaal

Antwerp Symphony Orchestra
Berlioz. Roméo et Juliette
Geen verhaal zo romantisch als Romeo en Julia Gesponsord door Paganini en geïnspireerd door Shakespeare en actrice Harriet Smithson, schreef Berlioz zijn briljante ‘symphonie dramatique’. Ondanks deze ondertitel zijn de hoofdpersonages niet te zien en geeft de componist geen enkele regie-aanwijzing.
Niettemin brengt Aïda Gabriëls Berlioz’ symfonische meesterwerk op scène en tekent zij voor een eigenzinnige interpretatie.
06 juni 2026
20.00 Concertzaal

Laureaten 4, 5 & 6 van de Koningin
Elisabethwedstrijd
Wie de finale haalt van een muziekwedstrijd, behoort tot de happy few – zeker als het om onze internationaal gewaardeerde Koningin Elisabethwedstrijd gaat. Tientallen cellisten moesten zich bewijzen. De allerbesten worden door een gespecialiseerde jury beloond met een ereplaats. Volgde je het op radio of televisie? Beleef het dan nu in het echt! De muzikaliteit, creativiteit en virtuositeit van deze jonge leeuwen is ontroerend, meeslepend en opwindend.
Laat weten wat je van de voorstelling vond met #concertgebouwbrugge
Info & tickets +32 (0)78 15 20 20 — In&Uit: ‘t Zand 34, Brugge concertgebouw.be