5 Violet ‘Hier,’ zei het meisje dat zich had voorgesteld als Lyla. Ze glimlachte toen we ongeveer halverwege de gang voor een open deur bleven staan. Ze stapte naar binnen. Ik aarzelde, maar volgde haar toen. De kamer was gigantisch. De houten vloer glansde, hoewel hij grotendeels door een zwart kleed werd bedekt; op dat kleed stond een mahoniehouten hemelbed, met donkere indigoblauwe draperieën die tot aan de grond reikten. Voor een stel openslaande deuren, met aan de buitenkant een ijzeren balustrade ervoor, hingen zwarte en paarse dunne gordijnen. Daarnaast waren verscheidene boogramen aangebracht, met vensterbanken die diep genoeg waren om erop te zitten. Ik nam het allemaal in me op terwijl Lyla begon te redderen en me verschillende dingen aanwees, ook al luisterde ik maar half. ‘Dat daar is de kledingkast, een inloopkast. We zullen zorgen dat je wat spullen krijgt, maar tot die tijd kun je wel wat van mijn kleren dragen. Ik bedoel, zóveel dikker dan ik ben je nu ook weer niet. De badkamer is aan de overkant van de hal.’ Ze fronste. ‘Het leek ons beter je geen badkamer naast je eigen kamer te geven, maar in de inloopkast is een wastafel, mocht je die nodig hebben,’ voegde ze eraan toe, en haar gezicht klaarde op. Ze glimlachte opnieuw, maar haar glimlach vervaagde toen ze zich weer naar me toe draaide. ‘Je bent niet echt een prater, hè?’ Ik staarde haar aan. Als zij denkt dat ik een vriendelijk babbeltje met haar ga maken, zal ze nog van een koude kermis thuiskomen. Vooral omdat ik me knap beroerd begon te voelen. Ik wist niet zeker of ik al het water dat ik in het meer binnen had gekregen wel had uitgespuugd. Ze gooide het over een andere boeg. ‘Nou ja, die jurk kun je maar beter uittrekken, dus laat ik je nu alleen.’ Ze wilde al weglopen, toen ze ineens bleef staan. ‘Ik zal de bedienden je ook iets te eten laten brengen. Je bent vegetariër, toch?’ vroeg ze. Mijn ogen werden nog groter dan ze al waren. Hoe kon zij dat nou weten? Ik gaf geen antwoord en nadat ze even was blijven staan waar ze stond, liep ze naar de deur. Vlak voordat ze naar buiten stapte, deed ik mijn mond open. ‘Jij ziet er helemaal niet uit als een moordenaar,’ flapte ik eruit. Ze lachte, als een volwassene die moet lachen om een kind dat een domme vraag stelt. ‘Omdat ik dat ook niet ben.’ Na die woorden stapte ze de kamer uit en deed de deur achter zich dicht.