1 De eerste juni, een prachtige zomeravond. Maandag. Ik heb heel Dublin overgevlogen, en nu ben ik er dan eindelijk en ga ik via het dak naar binnen. Door een bovenlicht glijd ik een woonkamer binnen en ik weet meteen dat hier een vrouw woont. Het meubilair heeft iets vrouwelijks. Pastelkleurige plaids op de bank en zo. Twee planten. Ze leven allebei nog. Een beschaafd formaat tv. Kennelijk kom ik midden in een of ander feestje binnenvallen. Enkele mensen staan een beetje ongemakkelijk in een kringetje champagne te drinken en doen net alsof ze moeten lachen om wat de anderen zeggen. De grote verscheidenheid van leeftijd en geslacht doet meteen aan een familiegebeurtenis denken. Overal liggen verjaardagskaarten. Gebruikt pakpapier. Cadeautjes. Nieuwsgierig gluur ik naar de kaarten. Ze zijn gericht aan een zekere Katie, die zo te zien haar veertigste verjaardag viert. Volgens mij is dat geen reden voor een feestje, maar er schijnen mensen te zijn die daar anders over denken. Ik heb Katie gevonden. Ze ziet er een stuk jonger uit dan veertig, maar ik heb me laten vertellen dat veertig tegenwoordig gelijkstaat aan twintig. Ze is vrij lang, met donker haar en een stevige boezem, en ze doet haar best om rechtop te blijven staan in een paar laarzen met naaldhakken. Ze heeft een plezierige uitstraling, die een beetje doet denken aan een nogal sexy onderwijzeres. Alleen weet ik toevallig dat ze dat niet is, want ik weet toevallig ontzettend veel. De man naast Katie straalt een soort sombere trots uit, die alles te maken heeft met het nieuwe platina horloge om Katies pols. Hij is haar vriend, haar partner, haar geliefde, zegt u het maar. Een interessante man, met een onweerstaanbare levenslust die bijna tastbaar is. Eerlijk is eerlijk, ik ben meteen geboeid. Conall wordt deze man genoemd. In ieder geval door de beleefdste mensen die aanwezig zijn. Er zweven nog wat andere benamingen in het rond – Opschepper, Verwaande Kwast – maar die blijven onuitgesproken. Fascinerend. De mannen hebben ronduit de pest aan hem. Ik weet inmiddels wie Katies vader, broer en zwager zijn, en die moeten niets van hem hebben. Maar de vrouwen – Katies moeder, zus en beste vriendin – zijn wat milder. Ik kan jullie nog iets vertellen: die Conall woont hier niet. Een vent met zo’n enorme uitstraling zou nooit tevreden zijn met zo’n bescheiden televisietoestel. Ik zweef langs Katie heen en ze wrijft huiverend over haar nek. ‘Wat is er?’ Conall staat meteen klaar om iemand een mep te verkopen. ‘O niets. Er liep iemand over mijn graf.’ Doe me een lol! ‘Hé!’ Naomi, de oudere zus van Katie, wijst naar een spiegel die op de grond staat. ‘Is je nieuwe spiegel nog niet opgehangen?’ ‘Nog niet.’ Katie maakt ineens een gespannen indruk. ‘Maar die heb je al eeuwen! Ik dacht dat Conall die op zou hangen.’ ‘Dat is ook zo,’ zegt Katie vastberaden. ‘Morgenochtend, voordat hij naar Helsinki gaat. Hè, Conall?’ Onenigheid zoeft door de kamer en spat van de muren. Tussen Conall, Katie en Naomi golft de spanning snel heen-en-weer, maar die breekt algauw door naar de anderen. Tussen ons gezegd en gezwegen zou ik dolgraag willen weten wat er precies aan de hand is, maar tot mijn grote schrik word ik ineens overmand door een of andere kracht. Iets dat groter of beter is dan ik sleept me naar beneden. Dwars door het scheerwollen vloerkleed, langs wat krakkemikkige dwarsbalken die echt barstensvol houtworm zitten – daar zou iemand eens naar moeten kijken – een ander huis binnen: de flat onder die van Katie. Ik ben in een keuken. Een ontzettend
1