Oplossingen voor functiebehoud van vitale stroombanen
ART. 104.03.E.5) - STROOMBANEN
De vitale stroombanen moeten onafhankelijk zijn van alle andere stroombanen. De beveiliging tegen overbelasting mag achterwege worden gelaten.
Art. 119 vermeldt dat in sommige stroombanen (vb. brandpompen) de beveiliging tegen overbelasting moet weggelaten worden. Let op : deze pompen (motoren) dienen robuuster uitgevoerd te worden en hebben vb. een hogere temperatuur isolatieklasse.
Overstroombeschermingstoestellen in vitale stroombanen moeten op zulke wijze gekozen en geïnstalleerd zijn dat de goede werking van andere vitale stroombanen niet nadelig wordt beïnvloed.
Hiermee bedoelt men dat de vitale stroombanen selectief dienen te zijn. Hierdoor kunnen de vitale kringen mekaar niet beïnvloeden.
Selectiviteit is het correct dimensioneren van een beveiliging zodat, wanneer er zich stroomafwaarts van die beveiliging een fout voordoet, het enkel en alleen die beveiliging is die zal werken. Men geeft eerder de voorkeur aan een horizontale dan aan een verticale selectiviteit.
De thermische overbelasting mag weggelaten worden, maar de magnetische beveiliging (tegen onrechtstreekse aanraking en kortsluiting) moet blijven.
ART. 104.03.E.1) - DUUR FUNCTIEBEHOUD
Ze zijn derwijze uitgevoerd, aangelegd of door bouwelementen afgeschermd dat ze bij een uitwendige brand gedurende ten minste 1 uur operationeel blijven.
Vitale stroombanen moeten de brand tenminste één uur kunnen weerstaan en gedurende die periode operationeel blijven
• Let op: bepaalde andere reglementeringen kunnen zelfs een langere tijd voorschrijven, vb. het KB van 1979 met betrekking tot ziekenhuizen legt een minimumweerstand tegen brand op van 2 uur.
• Rekening houden met bestaande en op de markt verkrijgbare producten
- beschikbaar: toepassen
- niet beschikbaar: afwijking aanvragen bij de FOD Economie
• Individuele componenten van de stroombaan alsook hun opstellingswijzen kunnen hier belangrijk zijn.
• De kabel moet een minimum brandweerstand van één uur hebben (RF1h).
• Aftakdozen die deel uitmaken van de stroombanen moeten eveneens gedurende 1 uur kunnen weerstaan.
• De individuele componenten van de verdeeldozen moeten ook de karakteristieke eigenschappen van functiebehoud hebben en volledig gebouwd zijn volgens de regels van goed vakmanschap
• Compartimenten van een gebouw dienen ook brandwerend te zijn voor één uur. Een specifiek aandachtspunt is de doorvoer van kabels en leidingen door de muur. Het mag duidelijk zijn dat de vitale stroombaan zeer nauwgezet moeten worden opgebouwd en dat component per component moet worden gecontroleerd om zo de brandwerendheid van één uur te kunnen garanderen.
ART. 104.03.E.1) – IDENTIFICATIE
Alle schakelaars waarmee de voeding van vitale stroombanen kan worden onderbroken, worden voorzien van een passende signalisatie die wijst op de risico’s van een buitendienststelling, bijvoorbeeld “BEVEILIGINGSINSTALLATIE NIET UITSCHAKELEN”.
De vitale stroombanen zijn duidelijk geïdentificeerd.
Zoals gezegd dienen de vitale stroombanen brandwerend te zijn opgesteld en aangeduid op de schema’s, hun eventuele schakelaars in een elektrisch verdeelbord worden van passende signalisatie voorzien naar analogie met de voorbeelden hieronder, meestal in de rood/witte kleuren.
ART. 104.03.E.1) - BESCHERMING TEGEN ONRECHTSTREEKSE AANRAKING
Onverminderd de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking is het verboden de vitale stroombanen door automatische onderbrekingsinrichtingen bij de eerste massafout te beschermen.
Differentieelstroominrichtingen zijn in dit geval dus niet in overweging te nemen als beveiliging tegen onrechtstreekse aanraking.
De beschermingsmaatregelen tegen onrechtstreekse aanraking zonder automatische onderbreking bij de eerste massafout zijn:
• de toepassing van ZLVS of ZLBS;
• het gebruik van materieel van klasse II of voorzien van een equivalente isolatie;
• de voeding door een IT-net; waarbij dit net wordt bewaakt door een toestel voor permanente isolatiecontrole (En 61557-8)
• de bescherming door veiligheidsscheiding (zie art. 76 van het AREI)
Dit sluit het gebruik van TN- of TT-netten niet uit wanneer de installatie zodanig ontworpen is dat een massafout de door de installatie gewaarborgde veiligheid niet nadelig beïnvloedt.
ART. 104.03.E.2) – VOEDING
De vitale verbruikers moeten op redundante wijze worden gevoed vanuit twee of meerdere stroombronnen.
Het spreekt voor zich dat een vitale stoombaan aangesloten moet worden op een werkende voedingsbron. Er is ook een redundante voeding met voldoende vermogen nodig voor het geval het net uitvalt.
Met uitzondering van de vitale verbruikers die over een autonome hulpbron beschikken:
Bij vitale gebruikers met een autonome hulpvoeding dient men geen redundante stroombaan te voorzien, aangezien de hulpbron in het toestel zit. Dat is het geval bij bv. veiligheidsverlichting met een interne batterijblok boven deuren. Vuurbestendigheid of functiebehoud van de kabel en hun toebehoren is hier niet vereist.
• Moet de hoofdvoeding rechtstreeks gekoppeld zijn aan het laagspanninghoofdverdeelbord en beveiligd tegen kortsluiting door uitsluitend voor dit gebruik voorbehouden beveiligingstoestellen;
• Moet de hulpvoedingsbron via een afzonderlijke stroombaan verbonden zijn aan de verdeelborden waarop de vitale verbruikers zijn aangesloten.
• De hulpvoeding moet automatisch worden ingeschakeld bij het uitvallen van de hoofdvoeding.
• Bij gebruik van één enkele hulpvoedingsbron, mag deze niet worden gebruikt voor andere doeleinden. Deze bepaling geldt niet indien bij het uitvallen van de hoofdvoeding voldoende vermogen beschikbaar blijft om alle vitale stroombanen in te schakelen en in bedrijf te stellen.
• Afzonderlijke voedingsleidingen aangesloten op openbare distributienetten mogen alleen zijn gebruikt indien een gelijktijdige onderbreking van de voedingen onwaarschijnlijk is.
• Elektrisch materieel dat kan worden gevoed door meer dan één voedingsbron moet zo zijn geïnstalleerd dat de bescherming tegen elektrische schokken en de goede werking niet nadelig worden beïnvloed door een defect in één van de voedende installaties.
• Voor voedingsbronnen die niet ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:
- zijn voorzieningen aangebracht om deze parallelwerking te voorkomen - is de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting voor iedere voedingsbron gewaarborgd.
• Voor voedingsbronnen die wel ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken: - is de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting ook bij parallelwerking gewaarborgd; - zijn voorzieningen getroffen om de vereffeningsstroom in de verbindingen tussen de nulpunten van de voedingsbronnen te beperken.
HS/LS distributienet
Hoofdbron
Hoofdverdeelbord
AUTOMATISCHE NORM/ NOOD OMSCHAKELAAR
bron
Lokaal REI 60 Voeding / stroombron onafhankelijk van de hoofdbron
gevoed bij NOOD indien hulpbron met voldoende vermogen Hulpverdeelbord
Hulp
ART. 104.03.E.3) - SCHAKEL- EN VERDEELINRICHTINGEN
De schakel- en verdeelinrichtingen zijn:
• ofwel ondergebracht in uitsluitend voor dit doel bestemde ruimten, die ten opzichte van andere ruimten afgeschermd zijn door bouwelementen (wanden, vloeren, zolderingen, deuren), met een brandweerstand die een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
De schakelkast of verdeelinrichting dient geplaatst te worden in een daarvoor bestemd lokaal met een brandweerstand die een functiebehoud van minimum 1 u garandeert. In bestaande gebouwen kan men bv. een kleinere ruimte creëren met wanden, plafond, doorvoeren en deur met een brandweerstand die een functiebehoud van minimum 1 u garandeert waarin men de schakelkast of verdeelinrichting kan plaatsen.
• ofwel vervaardigd uit bouwelementen, met inbegrip van hun deuren en doorvoerelementen, en die in hun geheel een brandweerstand hebben die een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
Dit kan bv. een nis zijn waarin een schakelkast of verdeelinrichting geplaatst wordt. Alle gebruikte materialen (wanden, doorvoeren, deur, …) moeten een brandweerstand met een functiebehoud van minimum 1u hebben.
• ofwel brandweerstand biedend met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1.
Er bestaan ook schakelkasten of verdeelinrichtingen met een brandweerstand van 1 u.
Schakel- en verdeelinrichtingen en bedieningstoestellen moeten duidelijk zijn gemerkt en geplaatst in ruimten uitsluitend toegankelijk door bevoegde of gewaarschuwde personen (BA5 of BA4).
Zowel de ruimte als de kasten voor de schakel- en verdeelinrichtingen (net + nood) mogen enkel toegankelijk zijn voor personen BA4 of BA5.
Een laagspanningsbord met bijvoorbeeld een vitaal deel en een normaal deel kan niet meer als we bovenstaande regels volgen. Dit zou impliceren dat bv een vlamboog het vitaal gedeelte in het bord zou kunnen aantasten en daardoor voldoet men niet meer aan de onafhankelijkheid.
De elektrische verdeelborden voor de vitale stroombanen mogen niet aangetast worden in geval van brand, men moet ten allen tijde een functiebehoud kunnen garanderen van minstens 1 u.
Ditzelfde geldt ook voor eventuele verbindingen in het traject van de vitale stroombaan, deze verbinding dient in een (geattesteerde) verbindingsdoos geplaatst te worden die ook functiebehoud heeft.
Kortweg kan men zeggen dat voor vitale stroombanen, alles wat zich tussen de bron en de vitale gebruiker of het compartiment waarin zich de vitale gebruiker bevindt, men minstens 1 u functiebehoud moet kunnen garanderen.
ART. 104.03.E.4) - LEIDINGEN
De leidingen en hun toebehoren,…
Om toe te lichten wat hiermee bedoeld wordt kijken we even terug wat er gebeurde tijdens de brand in de luchthaven van Düsseldorf in 1996. Toen hield men al rekening met het functiebehoud van kabels, waardoor de installatie gedurende een bepaalde tijd zou blijven functioneren. Men had er echter geen rekening mee gehouden, dat de mechanische eigenschappen van kabels die aan vuur worden blootgesteld, zeer snel afnemen. Wanneer de kabeldraagsystemen evenmin functiebehoud hebben en hun draagkracht faalt door de impact van vuur en warmte, dan vallen de vitale installaties uit.
Hierdoor vielen kort na het ontstaan van de brand in de luchthaven, de elektrische en vitale installaties uit. Als gevolg ontstond er chaos en paniek, waardoor het aantal slachtoffers en gewonden en de materiële schade zo hoog opliepen.
We wensen dan ook voldoende aandacht te besteden aan enerzijds het functiebehoud van de kabels en anderzijds het functiebehoud van de kabeldraagsystemen.
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn:
• ofwel van het type met kenmerk FR2 of equivalent hiermee, met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1;
In Art. 104.01.a) vindt men de indeling van de elektrische leidingen terug. De kenmerken voor vitale stroombanen zijn : FR
Brandweerstand: kenmerkt de geschiktheid van een elektrische geleider of kabel om in dienst te blijven in weerwil van een brandhaard. Deze categorie onderscheid zicht in twee subcategorieën:
FR1 heeft betrekking op proeven die toelaten het behoud van de elektrische functie te beoordelen bij laboratoriumomstandigheden (kabel individueel getest)
FR2 heeft betrekking op een proef die toelaat de tijdsduur te beoordelen gedurende dewelke het behoud van de elektrische functie verzekerd is (kabel getest met draagstel en bevestiging)
Testvoorwaarden worden bepaald in de daartoe voorziene, door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen. Indien er een andere norm geregistreerd is dient men na te gaan of deze een gelijkwaardig veiligheidsniveau kan garanderen.
Buitenlandse studiebureaus schrijven voor projecten in België echter steeds meer kabels voor op basis van normen uit hun eigen land. Dan moet er gecontroleerd worden of de brandeigenschappen van de buitenlandse normen identiek zijn aan de Belgische norm. Een bijkomend probleem daarbij is dikwijls het verschil in de gebruikte terminologie, waardoor vergelijken soms geen eenvoudige opdracht is.
Meer informatie over de norm van vuurbestendige kabels vindt u terug op blz. 32.
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn: • ofwel van het type met kenmerk FR2 of equivalent hiermee, met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1;
Voor de aanleg moet het materiaal - kabel, kabeldraagsystemen en toebehoren - minstens 1u functiebehoud garanderen. Dit is de betekenis van wat men in het AREI bedoelt met “FR2”. Tijdens een brand keramiseert namelijk het isolatiemateriaal en vormt het een broze mantel. Als deze mantel breekt ten gevolge van een mechanische schok of neervallend puin en de geleiders in kortsluiting gaan met elkaar of een geleidende massa, wordt het functiebehoud niet meer gegarandeerd.
In België hebben we tot op heden geen norm waarmee we de kabelladers of –goten kunnen attesteren voor functiebehoud. Het AREI laat toe om andere normen te gebruiken, daardoor kunnen we gebruik maken van de Duitse DIN norm 4102-12 waarin 2 manieren van testen worden voorgeschreven.
De standaardopstelling
Hierbij wordt door de norm o.a. een aantal parameters vastgelegd zoals :
Kabelladders
Hoogte
Steunafstand
Breedte
Max. belasting
Max. opening tussen de sporten
Min. dikte
Perforatiegraad
60 mm
Max. 1,2 m (horizontaal en verticaal)
Max. 400 mm
20 kg/m
Max. 150 mm (300 mm verticaal)
Min. 1,5 mm
Bijkomend dient er nog voor gezorgd te worden dat:
• de uiteinden van de consoles worden opgehouden door een draadstang
• de afstand tussen de verschillende trajecten onder elkaar minstens 250 mm is
• de console wordt geschroefd of gelast op de ophangsteun
Kabelgoten
60 mm
Max. 1,2 m
Max. 300 mm
10 kg/m
Min. 1,5 mm
15 ± 5 %
Indien we gebruik maken van een standaard opstelling, dan kunnen we kabels gebruiken van verschillende fabrikanten, mits zij geattesteerd zijn voor een functiebehoud van min. 1u.
oplossingen voor FUNCTIEBEHOUD van vitale
De niet-standaard of kabelspecifieke opstelling
Als er wordt afgeweken van de standaardopstelling zoals hierboven opgesomd (vb. kabelgoot is 400 mm breed in plaats van 300 mm breed) dan vervalt de vrijheid van kabelkeuze en dient deze afwijkende opstelling gecertificeerd te worden.
Het afgeleverde certificaat geldt dan enkel voor die manier van opstelling (geen verdere afwijkingen mogelijk) met de specifiek geteste kabel.
Deze manier van aanleg is veel beperkter in de kabelkeuze maar kan een oplossing bieden voor grote projecten waar de specifieke opstelling een besparing kan zijn op materiaal en plaatsingskosten.
Elke afwijkende niet-standaard opstelling dient eveneens gecertificeerd te worden.
eigenschappen
KLLIBS60
opstelling met kabellader
standaard draagconstructies (nr 16)
1. ophanging met borging
- plafondmontage (nr 16)
- montage tegen wand (nr 17)
2. verticale montage
- montage tegen wand (nr 18)
nr 16: plafondmontage referentie te bevestigen met aantal opmerking categorie
Certificaat ABP MPA-E-14-007 : F = 30 kg/m, L = 1500 mm, Max. 3 lagen, Variante 4, Bijlage 2/6
Bevestiging HDWK aan LBS LBS60.200 - 1500 QL8
Bevestiging LBS aan VS41.05
- 400 KLLBK25
Samenvatting
STANDAARD OPSTELLING
Vrije kabelkeuze (met een attest van functiebehoud)
De keuze van draagsysteem is vrij (met een attest van functiebehoud)
Ideaal voor kleinere projecten of projecten met veel variatie in aanleg Varianten op vlak van kabel en montage toegelaten binnen de specificaties van het attest
Bevestiging kabelladder op HDWK
NIET-STANDAARD OPSTELLING
Alleen de geteste combinatie van kabel en draagsysteem is toegelaten
Ideaal voor grote projecten met één of enkele manieren van aanleg
Elke montage- of kabelvariant dient getest te worden
In België wordt de DIN norm 4102-12 niet even streng toegepast. Volgens de FOD Economie moeten zowel de kabel als het draagstel een attest hebben van een functiebehoud van minimum 1u. Beiden hoeven echter niet samen getest te zijn. Belangrijk hierbij is dat, om het even welk systeem men gebruikt, de materialen vermeld in het certificaat moeten geïnstalleerd worden volgens de voorschriften van datzelfde certificaat.
Het kan dus zijn dat in het ene geval, volgens het certificaat de kabels in bundel mogen geplaatst worden en dat in het andere geval dit niet toegestaan is omdat dit zo niet getest is geweest.
Ook kan het zijn dat de afstand tussen de beugels of pendels groter kan zijn dan bv. 1,2 m; dat de maximale draaglast anders is; dat er geen bijkomende draadstang moet geplaatst worden, enz…
oplossingen voor FUNCTIEBEHOUD van
Verticale constructies
Stijgkabelladders worden niet getest. Hun beoordeling gebeurt op basis van uitgevoerde testen op gelijkaardige producten en bepalingen opgenomen in de DIN 4102-12 norm.
Bij stijgkabelladders geldt de classificatie enkel wanneer de kabel afdoende ondersteund wordt.
Hiervoor worden 2 mogelijkheden gegeven in de norm:
• De kabel mag max. over een afstand van 3500 mm verticaal doorlopen en dient bij afstanden groter dan 3500 mm horizontaal in te springen, zoals in onderstaande schema;
1 Toegelaten buigradius
2 Kabelklem
3 Kabel
1) Horizontale kabellengte ≥ 300 mm
2) Afstand tussen klemmen ≤ 300 mm
• De kabelladder wordt op een afstand van maximum 3500 mm onderbroken en ondersteund door een bouwkundig element (vloerplaat, ingemetste console, …), zoals in de hiernaast getoonde illustratie;
De opstelling voor verticale kabeldraagsystemen (kabelladders) is analoog aan de ophanging met kabelklemmen en rails. De kabels worden d.m.v. brandbestendige kabelklemmen aan de laddersporten bevestigd (elke 300 mm). Dezelfde opstelling met kabelklemmen en rails kan ook gebruikt worden voor horizontale opstelling van de kabel tegen de wand.
oplossingen voor FUNCTIEBEHOUD
Praktische Tips
Het functiebehoud van het kabeldraagsysteem mag niet negatief beïnvloed worden door omringende bouwelementen. Concreet wil dit zeggen dat er boven het kabeldraagsysteem met functiebehoud geen draagsystemen mogen gemonteerd worden die geen functiebehoud hebben.
De kabeldraagconstructie dient bevestigd te worden aan:
• Massieve wand of metselwerk met een brandweerstand evenwaardig aan de duur van het functiebehoud van het kabeldraagsysteem
• Constructief plafond uit beton of staalbeton met een brandweerstand evenwaardig aan het functiebehoud van het kabeldraagsysteem
Het zou onlogisch zijn om een compleet systeem te monteren met functiebehoud van bv. 90 minuten als de ondergrond waarop dit systeem gemonteerd is, het bij brand begeeft na 15 minuten. De ondergrond dient dus op z’n minst dezelfde tijd voor functiebehoud te hebben als het gemonteerde systeem. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de meest voorkomende materialen met al dan niet de mogelijkheid om functiebehoud te garanderen.
Ondergrond Plafond
Beton X X
Metselwerk* X
Gewapend beton X X
Gips
Stalen profielwand
X montage met functiebehoud mogelijk montage met functiebehoud NIET mogelijk
* afhankelijk van de gebruikte bouwmaterialen
Betonankers (met functiebehoud)
Ondergrond Toepassingen
Beton
Holle gewelven
Cellen-/gasbeton
Voor alle montagesystemen van toepassing.
Maximale belasting afhankelijk van leverancier en na te gaan op het certificaat of documentatie. Kan ook verschillen naar gelang de gebruikte ondergrond.
Schroefankers (functiebehoud)
Ondergrond Toepassingen
Kalkzandsteen
Beton metselblokken (holle of volle)
Baksteen
Blok met sponningen
Voor alle montagesystemen van toepassing.
Maximale belasting afhankelijk van leverancier en na te gaan op het certificaat of documentatie. Kan ook verschillen naar gelang de gebruikte ondergrond.
Staal (met functiebehoud)
Ondergrond Toepassingen
Stalen draagconstructie (onbekleed)
Functiebehoud mogelijk, afhankelijk van de brandwerendheid van de contstructie
Stalen draagconstructie (brandwerend bekleed)
Constructies die brandwerend zijn uitgevoerd, op z’n minst evenwaardig of langer dan vereiste functiebehoud
• De hangsteunen, consoles, afstandshouders, etc. dienen bevestigd te worden aan het constructief plafond of de wand door middel van stalen ankerbouten of brandpluggen. Deze worden aangeraden minstens 6 cm diep ingebout te worden, voor zover de algemene richtlijnen van de fabrikant dit niet tegenspreken. De brandpluggen of ankerbouten dienen gecertifieerd te zijn tegen brand door een erkend instituut.
Men dient dus best tijdens het ontwerp van de constructie rekening te houden dat de constructie voldoende functiebehoud heeft, daar waar vitale stroombanen dienen bevestigt te worden.
F.A.Q. ’S
• Volstaat het metalen expansiepluggen te gebruiken voor functiebehoud-constructies?
Nee, de pluggen dienen tevens gecertifieerde brandbestendige pluggen te zijn.
• Hoeveel tracés kan ik ophangen op 1 hangsteun?
Dit is afhankelijk van het certificaat en staat hierin duidelijk beschreven.
• Kan ik gelakte kabelbanen of ladders gebruiken voor functiebehoud? Wat met Hot-Dip en Inox? Het toegelaten gebruik van lak/kleur op een kabelgoot dient specifiek in het certificaat vermeld te worden. Hot-dip materiaal en Inox mogen gebruikt worden, dit staat eveneens mee gespecifieerd in het certificaat.
• Mag ik op een functiebehoud-constructie, ook niet-functiebehoudkabels leggen?
Ja, dit mag. Men dient wel alle voorschriften (gewicht, plaatsing enz…) volgens het principe van een functiebehoud-constructie te respecteren.
• Kruisstukken, bochten en T-stukken; kunnen deze gebruikt worden voor functiebehoud constructies?
Ja, zolang ze afdoende ondersteund worden om uitknikken te vermijden. Concreet wil dit zeggen dat een ondersteuning voorzien dient te worden ter hoogte van de verbinding (voor en na) van elk hulpstuk.
• Kan een deksel op een functiebehoud-constructie gemonteerd worden?
Een deksel kan een negatieve invloed uitoefenen op de kabels bij brand. Bijgevolg dient dus specifiek getest te worden en opgenomen te worden in het certificaat.
• Hoe monteer ik een verticale functiebehoud constructie in een vrije open ruimte?
Een verticale functiebehoud constructie is enkel mogelijk gemonteerd tegen een wand van metselwerk en beton.
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn:
• ofwel ondergebracht in aanlegsystemen beantwoordend aan het vereiste brandweerstandsniveau dat een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
Onderstaande foto’s geven voorbeelden weer van aanlegsystemen die ook functiebehoud hebben. Sommigen kunnen rechtstreeks op de muur of het plafond bevestigd worden. Deze systemen kunnen ook opgehangen worden met de klassieke pendels en/of draadstangen met functiebehoud.
De werking van deze kanalen kan op 2 manieren bekeken worden.
• Men kan ze aanwenden om de brandverspreiding tegen te gaan. Dit kan bv. nuttig zijn wanneer men kabels aanlegt in evacuatiewegen of in BE2 lokalen.
• Anderzijds gaan deze kanalen de erin geplaatste leidingen beschermen tegen een brand van buitenaf, gezien men op deze manier een ander compartiment creëert.
Wanneer meerdere vitale stroombanen in dergelijke kanalen geplaatst worden dan dienen de kabels toch van het type FR2 te zijn indien ze niet tot dezelfde stroombanen behoren. Stel dat men dit niet doet dan zou de verbranding van een kabel van een bepaalde stroombaan de continuïteit van de andere in het gedrang brengen, de onafhankelijkheid is dus niet gegarandeerd.
De interne temperatuur van deze kanalen kan ook nog oplopen, afhankelijk van leverancier en/of product zal deze dienen opgevraagd te worden om de berekening van de spanningsval ten gevolge van de temperatuurverhoging in rekening te brengen. Indien blijkt dat de interne temperatuur boven de maximale gebruikstemperatuur van een bepaald type kabel kan stijgen dient men een aangepaste kabel te kiezen.
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn:
• ofwel verzonken in vloeren en muren beantwoordend aan het vereiste brandweerstandsniveau dat een operationalteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
Algemeen wordt aangenomen dat wanneer de leidingen bedekt zijn met minstens 3 cm beton of cement, aan de eis voor functiebehoud, volgens art. 104 van het AREI, wordt voldaan.
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn:
• ofwel ingegraven.
Algemeen wordt in het AREI bepaald dat leidingen voor ondergrondse aanleg op een minimale diepte van 60 cm dienen geplaatst te worden (art. 187 van het AREI)
Wanneer deze diepte aangehouden wordt, garandeert dit een groot functiebehoud (meer dan Rf 1h30)
0,00 m
0,60 m
1,00 m
HS 1e cat.
Benevens de vereiste kwaliteit van de leidingen moet de installatie zodanig zijn ontworpen dat de toegekende functie gewaarborgd blijft gedurende de in punt e.1 hiervoor bepaalde duur.
Zoals in het artikel beschreven moet de brandwerendheid van 1 uur niet alleen gegarandeerd worden door de kabel op zich, maar ook door de manier van aanleggen, zolang de kabel maar één uur operationeel blijft. De doeltreffendheid van de plaatsingswijze dient natuurlijk wel aangetoond te worden door de installateur. Het mag duidelijk zijn dat de vitale stroombaan zeer nauwgezet moeten worden opgebouwd en dat component per component moet worden gecontroleerd om zo de brandwerendheid van 1 uur te kunnen garanderen.
De weerstand van de geleiders van de stroomkring evenals de verzwakking van elk transmissiesignaal moeten in rekening worden gebracht voor de mogelijke temperatuursverhoging in het compartiment waarin zicht het langste kabelgedeelte bevindt.
1
23 4
I brand
I tot = totale lengte van de kabel
Hiermee wordt bedoeld dat we de spanningsval moeten compenseren die ontstaat ten gevolge van een brand in het compartiment, waarin het langste deel van de vitale stroombaan loopt. We moeten er voor zorgen voldoende energie of signaal te kunnen leveren naar de vitale kring/gebruiker zodat deze ten gevolge van een brand in een ander compartiment ten allen tijde kan werken.
Door een temperatuursverhoging zal de geleidbaarheid van koper of aluminium groter worden waardoor de weerstand van de geleider evenredig zal toenemen. Om een idee te krijgen van hoeveel die verhoging van de weerstand bedraagt, kunnen we gebruik maken van de volgende formule:
Tx eindtemperatuur van de geleider (°C)
Rx = R20. (1 + (a. (Tx - 20)))
Rx weerstand bij temperatuur Tx (ohm)
R20 weerstand geleider bij 20° C (Ω) a temperatuurcoëfficiënt bij 20° C = 0,004 voor Cu of Alu
Voorbeeld: neem een geleider van 50 mm², die heeft een weerstand van 0,387 ohm/km bij 20°C.
Dit is een verhoging met 4.6 keer de weerstand bij 20°C. Het spreekt voor zich dat de spanningsval bij 920°C ook veel groter zal zijn dan bij 20°C. In bepaalde gevallen kan deze spanningsval te groot zijn om een toestel in werking te houden.
De verhoging van de temperatuur wordt in dit voorbeeld berekend met 920°C? Waarom met deze temperatuur?
Om de temperatuur te bepalen baseert men zich op de test voor de bepaling van het functiebehoud volgens de normen NBN 713-020 Add. 3 en NBN C30-004. Tijdens deze test verhoogt men de temperatuur in de testoven volgens onderstaande ISO curve. Zodra één van de aangesloten lampen dooft (met andere woorden het falen van het functiebehoud) noteert men de tijd (functiebehoud) en kan men op de curve de temperatuur aflezen.
Temperatuur (°C)
Smeltpunt Cu 1084°C
Rf 1 1/2h
Rf 1h
0306090
Rf 1h Rf 1 1/2h
Tijd (min)
Uit bovenstaande grafiek blijkt dat we in onze berekening rekening moeten houden met een t° van 920°C om een functiebehoud van Rf 1 h te kunnen garanderen.
Een manier om die spanningsval te bepalen is de wet van Wiedemann-Franz. Dit is een berekeningswijze die voorgesteld wordt door Cablebel en waarvoor wij graag naar hun website verwijzen. Een andere manier door gebruik te maken van de bestaande softwarepaketten die deze vereisten ondersteunen.
Voor alle duidelijkheid, het is dus niet het langste compartiment dat telt, maar het compartiment waarin het langste kabelgedeelte zich bevindt zoals duidelijker te zien op onderstaande tekening.
COMPARTIMENT A
KABEL A
COMPARTIMENT B
KABEL B
COMPARTIMENT C
C
COMPARTIMENT C < COMPARTIMENT A < COMPARTIMENT B
KABEL C > KABEL B > KABEL A
Indien men kan aantonen dat een sprinklerinstallatie voorkomt dat die temperatuur bereikt wordt (conform de NBN S21-208), dan kan men rekening houden met de temperatuur die maximaal kan bereikt worden met behulp van die sprinklerinstallatie. In dit geval dient men rekening te houden met het compartiment waar het langste deel kabel ligt met de hoogste temperatuur.
KABEL
ART. 104.01.B) - COMPARTIMENT
Deel van een gebouw begrensd door wanden die de brandvoortplanting naar het aanliggend compartiment of compartimenten gedurende een bepaalde tijd dienen te beletten. Een compartiment is al dan niet onderverdeeld in lokalen.
De mate waarin een gebouw moet beschermd zijn tegen brand wordt beschreven in het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994 (bijgewerkt in het K.B. van 12 juli 2012) tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan gebouwen moeten voldoen.
Een belangrijke eigenschap van gebouwen betreft het vermogen om een brand te vertragen of te vermijden dat een brand zich verspreidt, zowel in horizontale als verticale richting.
Hiertoe kunnen we grotere gebouwen gaan opsplitsen in onderdelen of compartimenten. De wanden van zo’n compartiment (zowel de zijwanden, als vloeren en plafonds) dienen hiertoe gedurende een bepaalde tijd te beletten dat de brand zich voortplant. Welke brandweerstand deze moeten hebben, wordt bepaald in het hoger genoemde KB of een andere specifieke reglementering. Het is wel zo dat één compartiment meerdere lokalen kan bevatten.
Doorgangen (ramen, deuren, doorgangen van leidingen) van de ene ruimte naar de andere ruimte dienen dus ook een voldoende brandweerstand te hebben
• Om de brandwerendheid van een compartiment voor een bepaalde tijd te garanderen en de veilige evacuatie van personen mogelijk te maken, moet de constructie voldoende draagvermogen en stabiliteit behouden. Elk compartiment moet ook voldoende afgesloten zijn voor de vlammen. Hetzelfde geldt voor de warmte. Dit vereist dus een voldoende thermische isolatie.
• Gebouwen worden best al in de ontwerpfase opgedeeld in compartimenten. Vorm, grootte, plaatsing en frequentie van compartimenten, evenals de loopafstand voor de vluchtroute, hangen af van de gebruiksfunctie, bezettingsgraad, vorm en grootte van een gebouw. Bron: Koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, BS 21 december 2012
• De doorboring van brandwerende bouwelementen door leidingen, rookafvoerkanalen, elektrische leidingen moet op een zodanige manier gebeuren dat door middel van afdichtingen de compartimentering kan gegarandeerd blijven.
Wij willen hier zeker verwijzen naar de Technische Voorlichting nr. 254 van het WTCB waarin de voorschriften en de plaatsing van het brandveilig afdichten van doorvoeren in brandwerende wanden uitvoerig wordt omschreven.
Actieve oplossingen
Het AREI vormt opnieuw de basis om te weten wat actieve oplossingen zijn en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen.
Het Art. 3 van het AREI bepaalt dat :
een vitale installatie, een installatie is die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moet blijven (brandbestrijdingsinstallaties, alarminstallaties, …)
De groep van vitale installaties zoals hiervoor opgesomd, kunnen eigenlijk opgedeeld worden in 5 groepen:
OPGELEGDE INSTALLATIES
Installaties die door de eindklant opgelegd worden zoals in ziekenhuizen.
REDDINGSWERKERS
Installaties als ondersteuning voor de reddingswerkers: liften met prioritaire oproep en pompen die de waterdruk verhogen.
EVACUATIE
Installaties ter verbetering van de vlucht- of ontsnappingsroutes
WAARSCHUWING
Installaties die waarschuwen voor gevaar
MELDING
Installaties die bij de bevoegde instanties melding maken van dit gevaar: branddetectiesystemen, brandcentrales, brandalarminstallaties.
• RWA: rook- en warmteafvoer (vb. ondergrondse parkings)
• Over- en onderdrukinstallatie ter bescherming tegen rook
• Deurontgrendelingsinstallaties en afsluiting van compartimenten
Verlichting
De belangrijkste functie van noodverlichting is verlichting te voorzien die in werking treedt bij netuitval en zo het evacueren van personen uit een ruimte op een veilige manier te laten verlopen. Omdat niet elke netuitval levensbedreigend is, wordt vaak de term “veiligheidsverlichting” gebruikt.
SIGNALISATIE
Het doel van het plaatsen van signalisatie is om vanuit elke positie in een ruimte een grafisch symbool of pictogram te kunnen zien met een afbeelding van een pijl die de richting van de vluchtweg aangeeft.
Men heeft gekozen om op Europees vlak de veiligheidstekens te standaardiseren en het gebruik van woorden te verminderen zodat de betekenis voor iedereen (om het even welke taal of afkomst) duidelijk is. Vandaag moeten de pictogrammen voldoen aan de norm NBN ISO 7010. Zowel de ontwerpen en kleuren zijn eenduidig vastgelegd in normen, respectievelijk ISO 3864-3 en ISO 3864-1.
Het verlichten van pictogrammen kan op 2 manieren gebeuren. Door middel van een noodverlichtingsarmatuur voorzien van een pictogram, of door het verlichten van een pictogram met behulp van een noodverlichtingsarmatuur geplaatst boven het pictogram.
Afhankelijk van de omvang van de ruimtes dienen meerdere pictogrammen te worden geplaatst en/of herhaald. Dit is afhankelijk van de afstand waarbij het pictogram zichtbaar is of kan worden waargenomen. Dit noemt men de waarnemingsafstand van het pictogram en wordt uitgedrukt in meter.
Grote pictogrammen zijn verder waarneembaar dan kleine. Pictogrammen geïntegreerd in een noodverlichtingsarmatuur hebben een dubbele waarnemingsafstand t.o.v. pictogrammen verlicht met een noodverlichtingsarmatuur geplaatst boven het pictogram binnen een straal van 2 m.
Volgende ontwerpregel wordt toegepast:
PICTOGRAM MET GEÏNTEGREERDE LICHTBRON (noodverlichtingsarmatuur met pictogram) waarnemingsafstand pictogram = 200 x hoogte pictogram vb.
hoogte pictogram = 20 cm, waarnemingsafstand pictogram = 40 meter hoogte pictogram = 30 cm, waarnemingsafstand pictogram = 60 meter
PICTOGRAM VERLICHT DOOR EEN NOODVERLICHTINGSARMATUUR IN DE NABIJHEID (< 2 meter), GEPLAATST BOVEN HET PICTOGRAM waarnemingsafstand pictogram = 100 x hoogte pictogram vb.
hoogte pictogram = 20 cm, waarnemingsafstand pictogram = 20 meter hoogte pictogram = 30 cm, waarnemingsafstand pictogram = 30 meter
VERLICHTING
Verlichting van de vluchtweg
De zichtbaarheid van pictogrammen met de richting van de vluchtweg is alvast een geruststellend gegeven. De vluchtweg kan echter nog allerlei hindernissen bevatten zoals in de gang opgestelde printer, kasten, stoelen, … Om te voorkomen dat personen hierdoor worden gehinderd tijdens de evacuatie, is het noodzakelijk de vluchtweg te verlichten. De eisen waaraan deze noodverlichting moet voldoen is vastgelegd in de NBN EN 1838. Een minimale lichtsterkte van 1 Lux in het midden en over de volle lengte van de vluchtweg dient gegarandeerd te worden gedurende minimaal 1 uur.
Anti-paniek verlichting
Om te voorkomen dat in bepaalde ruimtes paniek ontstaat wordt “anti-paniek verlichting” geplaatst. Deze verlichting geeft voldoende licht om personen toe te laten een plaats te bereiken waar een vluchtroute kan worden herkend. Een minimale lichtsterkte van 0,5 Lux moet gegarandeerd worden.
De wetgever voorziet de verplichting van het plaatsen van anti-paniek verlichting in publiek toegankelijke zalen en ruimtes, liftcabines, andersvalidentoiletten,…
Ook in een ruimte die groter is dan 60 m² en waar geen vluchtwegroute aanwezig is (een gele band op de vloer die men kan volgen en die uitgerust is met noodverlichting) dient men deze volledige ruimte te verlichten met anti-paniek verlichting van minimum 0,5 Lux
Waar?
Waar moet nood-evacuatieverlichting geplaatst worden ?
• Bij elke uitgang die bedoeld is voor gebruik in geval van nood
• Nabij trappen, zodat elke trede direct wordt aangelicht
• Nabij enig ander niveauverschil
• Nabij voorgeschreven nood- en veiligheidssignalering
• Bij elke richtingsverandering, beide richtingen moeten verlicht worden
• Bij elke splitsing van gangen, beide richtingen moeten verlicht worden
• Aan de buitenkant van het gebouw, in de nabijheid van elke finale uitgang
• Nabij elke EHBO post (5 lux)
• Nabij elk onderdeel van de brandbestrijdingsuitrusting en brandmelders (5 lux)
• Nabij evacuatiemiddelen voor andersvaliden
• Nabij vluchtwegen voor andersvaliden en alarmmelders
“Nabij” betekent binnen een straal van 2 m
oplossingen voor FUNCTIEBEHOUD van vitale stroombanen
Types
In de groep van de noodverlichting of veiligheidsverlichting kan men spreken van 2 systemen.
1. DECENTRAAL SYSTEEM
Decentrale noodverlichtingssystemen functioneren bij netuitval doordat de noodzakelijke energie geleverd wordt door de ingebouwde batterij in het armatuur. Van zodra het net wegvalt schakelt het systeem automatisch over naar de batterij.
Controle
Om te voldoen aan de wetgeving dient de gebruiker 1 maal per maand de netuitval te simuleren. De netvoeding wordt onderbroken en men controleert of de noodverlichting functioneert. Ook de duur van het functiebehoud van de armatuur dient 1 x per jaar gecontroleerd te worden, door de netvoeding gedurende minimum 1 uur te onderbreken en na te gaan of de armatuur na 1 uur nog steeds werkt. Deze resultaten dienen genoteerd te worden in het logboek.
Bij toepassing van veel noodverlichtingsarmaturen neemt deze controle veel tijd in beslag, wat leidt tot een hoge onderhoudskost.
Fabrikanten van noodverlichtingstoestellen hebben deze manuele controle opgelost door het armatuur te voorzien van een zelftestfunctie. Hierbij gaat het armatuur zelf autonoom 1 x per week de “functietest” en 1 x per 13 weken de “duurtest” uitvoeren en de resultaten van de test weergeven via indicatie-led’s op het toestel. Het individueel controleren van elk noodverlichtingsarmatuur en het visueel vaststellen van de status en het noteren in het logboek blijft arbeidsintensief maar gebeurt op deze manier al een stuk efficiënter.
Intussen bestaat er ook de mogelijkheid om de data via een module “monitoring” te verzamelen en te registreren in een digitaal logboek.
2. CENTRAAL SYSTEEM
Centrale noodverlichtingssystemen functioneren bij netuitval doordat de noodzakelijke energie geleverd wordt door externe batterijen die centraal opgesteld staan in een afzonderlijke locatie. Van zodra het net wegvalt, schakelt het systeem automatisch over naar de batterij.
Volgens het AREI moet de schakelkast- of de verdeelkast van vitale installaties in een aparte ruimte (BA4 - BA5) staan die hiervoor bedoeld is en een functiebehoud van min. 1 u garanderen.
Dit betekent dus ook dat de centrale batterij in zo’n ruimte moet geplaatst worden. Indien er geen aparte ruimte beschikbaar is kan men dit oplossen door deze batterij in een kast met functiebehoud te plaatsen of een ruimte te creëren d.m.v. materialen met functiebehoud. De noodverlichting moet ook in werking treden bij een lokale netuitval. Dit betekent dat indien er een netuitval is in 1 lokaal in het gebouw de veiligheidsverlichting moet functioneren. In een centraal beheerd systeem betekent dit dat elke armatuur een automaat moet hebben met een positieve veiligheid, waardoor bij netuitval een signaal gegeven wordt aan de batterij, die dan enkel deze armatuur voedt vanuit de batterij. Dit kan voor problemen zorgen indien men werkt met een UPS of een dieselgenerator als noodbron.
Men mag op 1 veiligheidscircuit max. 20 noodverlichtingen aansluiten. Een centraal systeem kan meerdere veiligheidscircuits hebben en dit in functie van het aantal armaturen en het vermogen van de armaturen.
De laders van een centraal systeem moeten binnen de 12 uren van 0 tot 80% van hun capaciteit kunnen opladen.
Toestellen
Verlichtingstoestellen die gebruikt worden als noodverlichting dienen te voldoen aan de constructienorm NBN EN 60598-2-22
Hierbij enkele belangrijke opmerkingen:
• Een noodverlichting mag GEEN starter bevatten
• Een noodverlichtingstoestel moet bestand zijn tegen een gloeidraadtest van 850 °C
Plaatsing
niet op deze wijze!!! wel op deze wijze!!!
niet op deze wijze!!! wel op deze wijze!!!
in lengterichting in breedterichting
VUURBESTENDIGE KABELS
ALSECURE PLUS TEL - 170 V (Cebeo benaming: PYRO-TEL)
PYROCONTROL-TELECOM-F2 - Rf 1h - 225 V
SmGGB-F2 - Rf 1h30 - 0,6/1 kV
ALSECURE PLUS - 300/500V (Cebeo benaming: PYRO-SNA)
PYROCONTROL-POWER-F2 - Rf 1h - 300/500 V
EmXGB-F2 - Rf 1h - 0,6/1 kV
EmGGB-F2 - Rf 1h30 - 0,6/1 kV
Technische
Het brandgedrag van kabels
Vooraleer we kunnen definiëren wat vuurbestendige kabels zijn, dienen we eerst het onderscheid te maken in het brandgedrag van kabels. We kunnen dit opdelen in 2 begrippen.
BRANDREACTIE
De brandreactie betreft de mate waarin een kabel bijdraagt tot de ontbranding en de verspreiding van vuur, alsook de eigenschappen van de rook die vrijkomt bij verbranding.
Primaire brandreactie: brandverspreiding
De primaire brandreactie van een kabel is de mate waarin de kabel het vuur voedt of verspreidt
FLAME RETARDANT
Flame retardant of vlamvertragend betekent dat de elektrische geleiders of kabels die, enkelvoudig gelegd en onder testvoorwaarden, de vlam niet verspreiden en uit zichzelf doven op geringe afstand van de vuurhaard die hen doen ontvlammen heeft.
Secundaire brandreactie: rookemissies
FIRE RETARDANT
Fire retardant of niet-brandverspreidend betekent dat de elektrische geleiders of kabels die, verticaal geplaatst in bundel of lagen en onder testvoorwaarden, de brand niet verspreiden en uit zichzelf doven.
De secundaire brandreactie van een kabel betreft de eigenschappen van de rook en de verbrandingsgassen die vrijkomen bij de verbranding.
SMOKE DENSITY
Smoke denisity of rookdensiteit is de dichtheid van de rook bij verbranding, die het zicht belemmert en dus ook de evacuatie bemoeilijkt.
BRANDWEERSTAND
SMOKE TOXICITY
Smoke toxicity of rooktoxiciteit is de giftigheid van de verbrandingsgassen die vrijkomen bij verbranding. Het zijn net deze verbrandingsgassen die, meer dan het vuur zelf, slachtoffers maken.
SMOKE ACIDITY
Smoke acidity of rookaciditeit is het zuurgehalte van de verbrandingsgassen. Stoffen zoals zoutzuur of zwavelzuur, die vrijkomen bij verbranding, liggen aan de basis van de meeste schade aan apparatuur en bouwstructuren.
De brandweerstand betreft het vermogen van een kabel om bij brand zijn elektrische functie gedurende een bepaalde periode te behouden.
Normering en wetgeving
Producten moeten voldoen aan normen, en dat is zeker het geval voor kabels. Zo is er onder andere de norm NBN C30-004 - Brandbestendigheid van elektrische kabels en leidingen, classificatie en beproevingsmethoden voor de classificatie, die een onderscheid maakt in 3 testcategorieën.
NBN C 30-004
In juli 2004 werd een vernieuwde norm NBN C 30-004 gepubliceerd. Het publiceren van de NBN EN 50200 en NBN EN 50362 hierin heeft tot gevolg dat de proefopstelling F3 geen reden van bestaan meer heeft.
Sindsdien voorziet de NBN C 30-004 een opdeling in 3 categorieën met elk hun respectievelijke subcategorieën.
1.
CATEGORIE F
Deze categorie beschrijft de eigenschappen van de geleider of van de kabel om de oorspronkelijke vuurhaard te verspreiden en heeft twee subcategorieën:
deze betreft de geleiders of de kabels die, afzonderlijk geplaatst, de vlam niet verspreiden en vanzelf doven binnen een kleine afstand van de vuurhaard.
2. CATEGORIE S
deze betreft de geleiders of de kabels die, verticaal in bundel geplaatst de vlam niet verspreiden. Deze subcategorie vormt een aanvulling op de subcategorie F1. Men kan er niet van uitgaan dat de geleiders of de kabels conform aan de subcategorie F1 de brand niet zullen verspreiden indien zij verticaal in bundel worden geplaatst.
De categorie S beschrijft de niet-metalen onderdelen van elektrische geleiders of kabels betreffende hun agressiviteit en zuurtegraad (subcategorie SA), dichtheid (subcategorie SD) en toxiciteit (subcategorie ST) van rook en verbrandingsgassen.
SD - Smoke Density
SA - Smoke Acidity
de bepaling van de zuurtegraad van de vrijgekomen gassen gebeurt door de meting van de pH-waarde en de geleidbaarheid, zoals vastgelegd in de normen van de serie NBN EN 50267.
ST - Smoke Toxicity Potency de normen van de reeks NBN EN 50268 betreffende de gemeenschappelijke beproevingsmethoden voor het gedrag bij brand van geleiders en elektrische kabels, bepalen de rookdensiteit van de gassen welke vrijkomen bij brand onder gedefinieerde omstandigheden.
de berekening van de index gebeurt op basis van de resultaten van de metingen tijdens de proefopstelling uitgevoerd, volgens de normen NF X 70-100-1 en NF X 70-100-2.
F1 F2
® KABELWERK EUPEN
® KABELWERK EUPEN
® KABELWERK EUPEN
Technische info
3. CATEGORIE FR
Deze categorie laat toe de geleiders of de kabels in te delen volgens de capaciteit om hun functie te behouden, ondanks de vuurhaard.
FR1
functiebehoud werd bepaald aan de hand van een kleinschalige proefopstelling in laboratoriumomstandigheden
INDEX C1: NBN EN 50200 deze norm behandelt de beproevingsmethode voor dunne kabels zonder bescherming voor gebruik in noodcircuits, met een maximale spanning van 0,6/1 kV met inbegrip van kabels met een nominale spanning kleiner dan 80 V en van optische vezels voor gebruik in noodcircuits. Deze methodologie beperkt zich tot geleiders en kabels met een buitendiameter van maximum 20 mm en een sectie kleiner of gelijk aan 2,5 mm².
INDEX C2: NBN EN 50362 Beproevingsmethode voor niet-beschermde dikkere controle- en energiekabels voor gebruik in noodcircuits.
FR2
grootschalige proefopstelling teneinde de duur van het functiebehoud te kunnen beoordelen. De geleiders of de kabels worden getest volgens de modaliteiten van de norm NBN 713-020 Add. 3. De duur van de test moet minimum 1 uur bedragen.
Voor het bepalen van het functiebehoud wordt er verwezen naar een bijkomende norm namelijk NBN 713-020 Addendum 3 - Gedrag bij brand van bouwmaterialen en bouwelementen - Brandweerstand van elektrische kabels.
NBN 713-020 ADD. 3
De norm NBN 713.020 beschrijft het gedrag bij brand van bouwelementen in het algemeen.
Het addendum nr. 3 van deze norm breidt het toepassingsgebied uit tot energie-, sein- en telefoniekabels met intrinsieke brandweerstand (Rf).
De Rf-factor is gebaseerd op de tijd gedurende dewelke de voeding van de installatie verzekerd is.
De norm geldt enkel voor kabels met maximale buitendiameter tot 45 mm. De kabels met buitendiameter groter dan 45 mm worden geproduceerd volgens norm NBN 713-020 Add. 3 maar kunnen geen certificaat voorleggen.
Drie kabelbanen worden horizontaal geplaatst tegen een muur van de proefoven. De kabelmonsters van hetzelfde gamma worden vrij op de kabelbanen gelegd. De uiteinden lopen dwars door de muur om buiten de oven aangesloten te worden op de elektrische meetapparatuur. Tijdens de proef worden de kabelmonsters onder spanning gebracht door ze te verbinden met de klemmen van een transformator geregeld op de gebruiksspanning van de kabels. Dit systeem voedt, met tussenschakeling van smeltveiligheden (1A in elke fase), lampen van 7 W. Eventueel wordt op elke geleider een toestel aangesloten voor het meten van de verliesstroom. De oven wordt inwendig opgewarmd volgens een genormaliseerd thermisch programma (ISO curve).
VOORBEELD: volgens de ‘ISO’ curve bedraagt de temperatuur:
na 30 min.: ± 800°C
na 60 min.: ± 920°C
na 90 min.: ± 980°C
Het criterium is de tijd gedurende dewelke de kabel blijft functioneren. Deze moet 1 uur bedragen om de kwaliteit Rf 1h (= brandweerstand) toe te kennen.
Een gamma van kabels wordt conform verklaard wanneer minstens 2 monsters van elke samenstelling voldoening geven op volgend criterium: geen enkele van de lampen mag doven tijdens de proef bepaald door de Rf graad (dit wil zeggen de zekeringen van 1A mogen niet doorsmelten).
® Laboratoires d’essais au feu - U.L.G
VUURBESTENDIGE
Technische info
BRANDWEERSTAND: NBN 713-020 ADD. 3 VERSUS DIN 4102-12
Dient voor de brandweerstand enkel rekening gehouden te worden met de norm NBN 713-020 Add. 3? Is bijvoorbeeld de norm DIN 4102-12 gelijkwaardig?
Volgens het nieuw art. 104 van het AREI moeten elektrische leidingen die vitale stroombanen vormen, het kenmerk FR2 hebben en dus ten minste 1 uur operationeel blijven.
Wat betreft de kabels, wordt dit kenmerk FR2 duidelijk gedefinieerd in de norm NBN C 30-004 (2004) - Art. 2 die in Art. 4.3.2 verwijst naar de beproevingsnorm NBN 713-020 Add.3.
De in het KB gebruikte formulering ‘FR2 of equivalent hiermee’ kan laten verstaan dat de kabels die beantwoorden aan de norm DIN 4102-12, toegestaan zouden zijn.
Welnu, men kan de beproevingsnorm NBN 713-020 Add.3 en de classificatie FR2 niet vergelijken met een niet door het NBN geregistreerde norm (bv. DIN 4102-12) aangezien het enige gemeenschappelijk punt het gebruik van dezelfde, internationaal erkende temperatuurcurve ISO 834 is. Alle andere beproevingsvoorwaarden in deze normen, zoals de warmtebron, de methoden van kabelaanleg en -bevestiging, hun vervormingen, de stuurstroomkring, de bemonstering van de te testen kabelgedeelten, … verschillen zodanig dat het onmogelijk is om ze als gelijkwaardig te beschouwen.
Bovendien baseren de bijkomende wetgevingen zoals de Basisnormen, de regionale en lokale decreten, ... zich voornamelijk op de beproevingsnorm NBN 713-020 Add.3.
Uit het bovenstaande kan men afleiden dat voor alle elektrische leidingen in vitale stroombanen de strikte toepassing van NBN 713-020 Add.3 elke verwarring en onnodige discussie zal voorkomen.
Een duidelijke identificatie van de vitale stroombanen - NBN 713-020 Add.3 verplicht de markering Rf 1h of Rf 1h30 op de buitenmantel - kan nuttig blijken bij een onderhoud of eventuele uitbreiding van de installaties.
Deze uitleg betreft alleen de kabels. Het spreekt voor zich dat de kabelaanleg en -bevestiging moet worden uitgevoerd met materialen met een verbeterd brandgedrag, getest en gekwalificeerd volgens een erkende norm om te beantwoorden aan de eisen van het nieuwe artikel 104 van het AREI.
Bron: www.cablebel.be
Berekening van de sectie <> temperatuurstijging
Vuurbestendige kabels moeten in geval van brand hun elektrische functie gedurende een bepaalde tijd behouden. Het berekenen van een kabelsectie speelt hier een uitermate belangrijke rol in. Om te voorkomen dat een vitale installatie een te grote spanningsval ondergaat en daardoor zijn functie verliest, dient men rekening te houden met de stijgende elektrische weerstand van het koper in functie van de temperatuur. Dit kan in vele gevallen leiden tot een belangrijke verhoging van de doorsnede van de geleiders.
AREI ART. 104.E.4) LEIDINGEN
“De weerstand van de geleiders van de stroomkring evenals de verzwakking van elk transmissiesignaal moeten in rekening worden gebracht voor de mogelijke temperatuursverhoging in het compartiment waarin zich het langste kabelgedeelte bevindt.”
De wetgever vermeldt of verwijst echter niet volgens welke berekeningsmethode de doorsnede moet bepaald worden. Cablebel biedt op zijn website www.cablebel.be, onder de rubriek, ‘Fire safety cables cross section determination’ een benadering van de berekening van de sectie op basis van pure en eenvoudige toepassingen van de fysische wetten.
Begrippenlijst
AREI
Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties
Brandgedrag brandreactie en/of brandweerstand
Brandreactie omschrijft de eigenschappen van een kabel die bijdragen aan het ontstaan van de brand en de evolutie ervan (verspreiding van vuur en rook)
Brandveilige kabel synoniem voor vuurbestendige kabel
Brandverspreidend mate waarin een kabel het vuur voedt of verspreidt. Wordt getest volgens de norm NBN C30-004
Brandvertragend materiaal dat – eventueel na behandeling – de eigenschap heeft de verspreiding van de brand te vertragen, F2 volgens de norm NBN C30-004
Brandweerstand synoniem voor brandwerendheid en vuurbestendigheid
Brandwerendheid synoniem voor brandweerstand en vuurbestendigheid
Cablebel Cablebel is het platform van de Belgische kabelfabrikanten
EN Europese norm
F1 vlamvertragend volgens norm NBN C30-004
F2 niet-brandverspreidend volgens norm NBN C30-004
Fire retardant niet-brandverspreidend of F2 volgens de norm NBN C 30-004 of andere internationale normen
Flame retardant vlamvertragend of F1 volgens de norm NBN C 30-004 of andere internationale normen
FR1
brandweerstand volgens de norm NBN C 30-004, heeft betrekking op proeven die toelaten het behoud van de elektrische functie te beoordelen bij laboratoriumomstandigheden (kabel individueel getest)
FR2 brandweerstand volgens de norm NBN C 30-004, heeft betrekking op een proef die toelaat de tijdsduur te beoordelen gedurende dewelke het behoud van de elektrische functie verzekerd is (kabel getest met draagstel en bevestiging)
Functiebehoud de capaciteit om te blijven functioneren tijdens een brand, uitgedrukt in uren of minuten
IEC International Electrotechnical Commission
LS0H, LSOH, LSZH Low Smoke, Zero Halogen
NBN Belgische norm
Niet-brandverspreidend de mate waarin een kabel het vuur niet verder voedt en dus niet verder verspreidt, beproefd volgens de norm NBN C30-004 F2
Rf 1h vuurbestendig gedurende één uur, getest volgens NBN 713-020 Add.3
Rf 1h30
Rf 2h
SA (Smoke Acidity)
SD (Smoke Density)
ST (Smoke Toxicity)
Vitale installatie
vuurbestendig gedurende anderhalf uur, getest volgens NBN 713-020 Add.3
vuurbestendig gedurende twee uur, getest volgens NBN 713-020 Add.3
mate waarin de rook die bij brand al dan niet vrijkomt zuur en dus bijtend is.
Wordt getest volgens norm NBN C 30-004
mate waarin de rook die bij brand al dan niet vrijkomt dicht en ondoordringbaar is.
Wordt getest volgens norm NBN C 30-004
mate waarin de rook die bij brand al dan niet vrijkomt toxisch of giftig is.
Wordt getest volgens norm NBN C 30-004
installatie die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moet blijven (brandbestrijdingsinstallatie, alarminstallatie,...)
Vitale stroombaan stroombaan die een vitale installatie voedt
Vlamvertragend
materiaal dat – eventueel na behandeling – de eigenschap heeft de verspreiding van de vlam te vertragen, F1 volgens de norm NBN C 30-004
Vuurbestendigheid het vermogen om gedurende een bepaalde tijd te beantwoorden aan de testcriteria van brandweerstand beschreven in de normen NBN C 30-004 FR2 en NBN 713-020 Add.3
Vuurwerendheid zie ‘brandwerendheid’
Zelfdovend
materiaal dat de eigenschap heeft de verbranding uit zichzelf te beëindigen nadat de warmtebron, die zijn verbranding heeft doen ontstaan, verdwijnt.
Gebruikte symbolen en normen
NBN NORMEN
Norm NBN C 30-004
Brandbestendigheid van elektrische kabels en leidingen, classificatie en beproevingsmethoden voor de classificatie
NBN
C 30-004 F1
NBN
C 30-004 F2
NBN
C 30-004 SD
NBN
C 30-004 SA
NBN
C 30-004 ST
NBN
C 30-004 FR1
NBN
C 30-004 FR2
NBN C 30-004 F1 vlamvertragend
NBN C 30-004 F2 niet-brandverspreidend
NBN C 30-004 SD densiteit of dichtheid van de rook
NBN C 30-004 SA aciditeit of zuurtegraad van de rook
NBN C 30-004 ST toxiciteit of giftigheid van de rook
NBN C 30-004 FR1 testprocedure bij laboratoriumomstandigheden
NBN C 30-004 FR2 vuurbestendheid van de kabel
Norm NBN 713-020 - Add. 3
Gedrag bij brand van bouwmaterialen en bouwelementen - Brandweerstand van elektrische kabels
NBN
713-020 Rf 1h
NBN
713-020 Rf 1h30
NBN
713-020 Rf 2h
NBN 713-020 Rf 1h functiebehoud van 1h
NBN 713-020 Rf 1h30 functiebehoud van 1h30
NBN 713-020 Rf 2h functiebehoud van 2h
IEC NORMEN
IEC 60332-3-24
IEC 61034-1+2
IEC 60754-2
IEC 60754-1
IEC 60332-3-24 niet-brandverspreidend
IEC 61034-1+2
densiteit of dichtheid van de rook
IEC 60754-2 aciditeit of zuurtegraad van de rook
IEC 60754-1
toxiciteit of giftigheid van de rook
BRANDGEDRAG VAN KABELS
F2 of gelijkwaardig mag in bundel geplaatst worden
SA en SD of gelijkwaardig voldoet aan de normen SA en SD of gelijkwaardig
1h Rf 1h
1,5h Rf 1h30
2h Rf 2h
voldoet aan de NBN 713-020 Add.3 met functiebehoud van 1h
voldoet aan de NBN 713-020 Add.3 met functiebehoud van 1h30
voldoet aan de NBN 713-020 Add.3 met functiebehoud van 2h
ALSECURE PLUS TEL - 170 V (Cebeo benaming:
BRANDVRIJE TELEFONIEKABEL Rf 1h VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw Kern
• koper
• diameter: min. 0,9 mm / max. 0,9 mm
• massief
• klasse 1
Geleider(s)
• aantal: 1 - 7 paren
Isolatie van de geleider(s)
• silicone
Identificatie van de geleider(s)
• geleider 1: wit
• geleider 2: blauw
Afscherming
• globaal: aluminium / polyester tape
Aardingsdraad
• vertind koper
• diameter: 0,6 mm
Buitenmantel
• halogeenvrij
• kleur: oranje
Karakteristieken
Max. bedrijfsspanning: 500 V
Bedrijfstemperatuur: min. -25 °C / max. +90 °C
Installatie / brandgedrag 1,5h 2h
Buigradius
• 10 x kabeldiameter
PYROCONTROL-TELECOM-F2 - Rf 1h - 225 V
BRANDVRIJE TELEFONIEKABEL Rf 1h VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• diameter: min. 0,8 mm / max. 0,8 mm
• massief
• klasse 1
Geleider(s)
• aantal: 1 - 2 paren
• samengedraaid per paar
Isolatie van de geleider(s)
• keramiserend polymeer
Identificatie van de geleider(s)
• paar 1: blauw - rood
• paar 2: grijs - geel
Omhulling: geleideromhulling
Afscherming
• globaal: polyesterband met aluminiumlaag
Aardingsdraad
• vertind koper
• diameter: 0,8 mm
Buitenmantel
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
• kleur: 1 paar: rood - 2 paren: oranje of rood
Karakteristieken
Max. bedrijfsspanning: 225 V
Geleidertemperatuur: max. +90 °C
Installatie / brandgedrag 1h
Buigradius
• 7,5 x kabeldiameter
Temperatuur bij installatie: min. -5 °C
PYROCONTROL-TELECOM-F2 - Rf 1h - 225
KABEL | brandvrije signalisatiekabel
PYROBELCA SmGGB-F2 - Rf 1h30 - 0,6/1 kV
BRANDVRIJE SIGNALISATIEKABEL Rf 1h30 VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• sectie: min. 1,5 mm2 / max. 2,5 mm2
• massief
• klasse 1
Geleider(s)
• aantal: 7 - 19
Isolatie van de geleider(s)
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
Identificatie van de geleider(s)
• kleurencode volgens HD 308 S2
Omhulling: geleideromhulling
Band: mica
Buitenmantel
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
• kleur: blauw
Karakteristieken
Nominale bedrijfsspanning Uo/U
• 0,6/1 kV
Geleidertemperatuur: max. +70 °C
Bedrijfstemperatuur: min. 0 °C / max. +60 °C
Installatie / brandgedrag 1,5h
Buigradius
• 12 x kabeldiameter
Temperatuur bij installatie: min. -5 °C
PYROBELCA SmGGB-F2 - Rf 1h30 -
KABEL | brandvrije installatiekabel
ALSECURE PREMIUM
BRANDVRIJE INSTALLATIEKABEL Rf 2h VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• sectie: min. 1,5mm2 / max. 4 mm2
• massief
• klasse 1
Geleider(s)
• aantal: 2 - 5
Isolatie van de geleider(s)
• elastomeer met sterke mechanische weerstand INFIT
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• sectie: min. 1,5 mm2 / max. 300 mm2
• sectie = 1,5 & 2,5 mm2: massief
• sectie ≥ 6 mm2: samengeslagen
• sectie = 1,5 & 2,5 mm2: klasse 1
• sectie ≥ 6 mm2: klasse 2
Geleider(s)
• aantal: 1 - 19
Isolatie van de geleider(s)
• silicone elastomeer
Identificatie van de geleider(s)
• kleurencode volgens HD 308 S2
Buitenmantel
• halogeenvrij polyolefine
• kleur: oranje
Karakteristieken
Nominale bedrijfsspanning Uo/U
• 300/500 V
Geleidertemperatuur: max. +90 °C
Bedrijfstemperatuur: min. -20 °C / max. +60 °C
Installatie / brandgedrag 1h 1,5h
Buigradius
• 6 x kabeldiameter
MONOGELEIDER 092
(Cebeo
092
2 GELEIDERS
092
3 GELEIDERS
4 GELEIDERS 092
092
092
092
092
092 PYR0-SNA-4G150
092 PYR0-SNA-4X150
KABEL
ALSECURE PLUS - 300/500V (Cebeo benaming:
5 GELEIDERS 092
> 5 GELEIDERS
092 PYR0-SNA-7X2,5
092
092 PYR0-SNA-19G1,5
092 PYR0-SNA-19X1,5
BRANDVRIJE INSTALLATIEKABEL Rf 1h VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
BRANDVRIJE INSTALLATIEKABEL Rf 1h VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• sectie: min. 1,5 mm2 / max. 300 mm2
• sectie ≤ 6 mm2: massief
• sectie > 6 mm2: samengeslagen
• sectie ≤ 6 mm2: klasse 1
• sectie > 6 mm2: klasse 2
Geleider(s)
• aantal: 1 - 5
Isolatie van de geleider(s)
• VPE - vernet polyethyleen
Identificatie van de geleider(s)
• kleurencode volgens HD 308 S2
Omhulling: geleideromhulling
Band: mica
Buitenmantel
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
• kleur: blauw
Karakteristieken
Nominale bedrijfsspanning Uo/U
• 0,6/1 kV
Geleidertemperatuur: max. +90 °C
Bedrijfstemperatuur: min. 0 °C / max. +60 °C
Installatie / brandgedrag 1h
Buigradius
• 20 x kabeldiameter
MONOGELEIDER
092
2
092
3
4 GELEIDERS 092
PYROBELCA EmXGB-F2 - Rf 1h
092
092
092
092 PYR0BEL1-4X240
KABEL | brandvrije installatiekabel
PYROBELCA EmXGB-F2 - Rf 1h - 0,6/1 kV
5 GELEIDERS
092
092
brandvrije installatiekabel | KABEL
PYROBELCA EmGGB-F2 - Rf 1h30
BRANDVRIJE INSTALLATIEKABEL Rf 1h30 VOLGENS BELGISCHE NORMEN NBN
Toepassingen
• De kabel is speciaal ontworpen voor veiligheidssystemen (noodverlichting, waarschuwingssystemen, brandvoorzieningen ...) in openbare gebouwen (concert- en theaterzalen, bioscopen, grootwarenhuizen, ziekenhuizen, scholen ...), flatgebouwen, tunnels en fabrieken.
• Brandvrije en brandvertragende kabel, veroorzaakt nauwelijks rook en is halogeenvrij. De gassen die zich vormen bij brand zijn niet corrosief en nauwelijks giftig.
• Deze kabels met functiebehoud worden gebruikt als vitale stroombaan voor het voeden van vitale installaties, die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moeten blijven. Mogelijke vitale installaties zijn: installaties voor detectie, melding, waarschuwing, alarm, deurontgrendelingssystemen, rookafvoer, liften met prioritaire oproep, veiligheidsverlichting, noodverlichting, enz.
Opbouw
Kern
• koper
• sectie: min. 1,5 mm2 / max. 300 mm2
• sectie ≤ 6 mm2: massief
• sectie > 6 mm2: samengeslagen
• sectie ≤ 6 mm2: klasse 1
• sectie > 6 mm2: klasse 2
Geleider(s)
• aantal: 1 - 5
Isolatie van de geleider(s)
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
Identificatie van de geleider(s)
• kleurencode volgens HD 308 S2
Omhulling: geleideromhulling
Band: mica
Buitenmantel
• halogeenvrij thermoplastisch materiaal
• kleur: blauw
Karakteristieken
Nominale bedrijfsspanning Uo/U
• 0,6/1 kV
Geleidertemperatuur: max. +90 °C
Bedrijfstemperatuur: min. 0 °C / max. +60 °C
Installatie / brandgedrag 1,5h
Buigradius
• 20 x kabeldiameter
Temperatuur bij installatie: min. -5 °C
KABEL | brandvrije installatiekabel
PYROBELCA EmGGB-F2 - Rf 1h30 - 0,6/1 kV
MONOGELEIDERS
092
092
2 GELEIDERS 092
3 GELEIDERS
092 PYR0B1H30-3G1,5
4 GELEIDERS
092
092
092 PYR0B1H30-4X95
092 PYR1H30-4X1X120
092 PYR1H30-4X1X150
5 GELEIDERS 092
PYROBELCA EmGGB-F2 - Rf 1h30 -
092 PYR0B1H30-5G16
092 PYR0B1H30-5G25
092 PYR0B1H30-5G35
KABELDRAAGSYSTEMEN EN BEVESTIGINGEN
Draagsystemen met functiebehoud - normen
BRANDWEERSTAND
DRAAGSYSTEMEN
Art. 104 van het AREI vermeldt :
e.4) Leidingen
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn: • ofwel van het type met kenmerk FR2 of equivalent hiermee, met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1; Benevens de vereiste kwaliteit van de leidingen moet de installatie zodanig zijn ontworpen dat de toegekende functie gewaarborgd blijft gedurende de in punt e.1 hiervoor bepaalde duur.
Art. 7 van het AREI vermeldt dat elektrisch materiaal voor laagspanning verondersteld wordt de vereiste veiligheid te bieden wanneer :
Het voldoet aan de voorschriften van het KB van 23/03/1977, 12/08/1981, 18/06/1990
Het conform de normen is, door de Koning gehomologeerd of door het B.I.N. geregistreerd
Problematiek : er bestaan geen NBN normen om de brandweerstand van kabeldraagsystemen te definiëren. De enige reguliere norm die er bestaat is de DIN 4102-12.
Functiebehoud volgens DIN 4102-12
• De testen bepalen het functiebehoud van elektrische kabels tijdens brand met een maximale spanning van 1 kV.
• De test beschrijft een opstelling van een geheel van kabelgoten en kabels. Functiebehoud wordt bekomen zolang geen kortsluiting / onderbreking van de stroom optreedt gedurende de test.
• Er zijn 3 klassen: E 30, E 60 en E 90.
• De norm onderscheidt standaard draagconstructies en niet-standaard draagconstructies, het functiebehoud van beiden wordt getest d.m.v. de beschreven testmethode.
• Alle testen worden op horizontale montages uitgevoerd. De resultaten zijn tevens geldig voor montages onder hoek of verticale montages voor zover de constructie goed ondersteund wordt en de kabels vastgemaakt kunnen worden.
• Het functiebehoud van het volledige kabeldraagsysteem wordt d.m.v. een test geverifieerd en vervolgens neergeschreven in een certificaat. Dit certificaat bevat de interpretatie van de testresultaten en formuleert de beperkingen en de toepassing van het certificaat.
Toepassing van de (Duitse) DIN 4102-12 in de Belgische markt.
Gezien de DIN-norm geen “door de Koning gehomologeerde norm is, noch een door het N.B.N. geregistreerde norm” is, is de toepassing ervan in België niet vanzelfsprekend. Er zijn evenwel niet veel opties voor de kabeldraagsystemen.
Hieronder beschrijven we enkele mogelijkheden (niet limitatief) zoals deze in de Belgische praktijk toegepast kunnen worden:
• Gebruik makende van de Belgische normering voor kabels – kunnen bij de interpretatie van het functiebehoud-certificaat (volgens DIN 4102-12) van het kabeldraagsysteem, de bepalingen m.b.t. de kabels gereduceerd worden tot een gelijk verdeelde belasting, waarbij dus louter met de belasting op het certificaat rekening gehouden wordt.
Hierbij vervalt het onderscheid tussen STANDAARD en NIET-STANDAARD draagconstructies, daar men de certificatie van kabels en kabeldraagsysteem gaat loskoppelen van elkaar.
Voor het aantonen van het functiebehoud van een vitale stroombaan, dient de aannemer in dit geval meerdere certificaten voor te leggen ter goedkeuring:
- Certificaat van functiebehoud van de kabel, type FR2
- Certificaat van functiebehoud van het kabeldraagsysteem volgens DIN 4102-12
- Certificaat van brandweerstand van de ankers of expansiepluggen (tenzij inbegrepen in het kabeldraagsysteem)
• Voor het volledige systeem (kabel + kabeldraagsysteem) verwijzen naar de DIN 4102-12 als zijnde een norm die een gelijkwaardig veiligheidsniveau biedt. In dit geval worden alle bepalingen in het certificaat en volgens DIN 4102-12 gerespecteerd.
Voor het aantonen van het functiebehoud van een vitale stroombaan, dient de aannemer in dit geval volgende certificaten voor te leggen ter goedkeuring:
- Certificaat van functiebehoud van kabel en kabeldraagsysteem volgens DIN 4102-12
- Certificaat van brandweerstand van de ankers of expansiepluggen (tenzij inbegrepen in het kabeldraagsysteem)
KABELGOTEN I Stagobel
HORIZONTAAL MET KABELGOOT PEMSABAND 60
Wandmontage pemsaband® 60
pemsaband®
+ Omega SPLUS console
+ E90 SPLUS connector
+ draadstang
Vereisten voor een E60 montage:
• Ondersteuningsafstand 1,2 m
• Geldig voor Omega SPLUS en RPLUS consoles
• Gebruik de E90 SPLUS of de E90 RPLUS connector om de draadstang te bevestigen
• Maximale belasting: 10 kg/m per niveau van kabelgoot
• Het is toegelaten om maximaal 2 niveaus kabelgoten boven elkaar te monteren
• Minimale afstand tussen de niveaus: 300 mm.
Plafondmontage pemsaband® 60
pemsaband®
+ Omega SPLUS draagconsole
+ draadstang
Vereisten voor een E60 montage :
• Ondersteuningsafstand 1,2 m
• Maximale belasting: 10 kg/m per niveau van kabelgoot
• Het is toegelaten om maximaal 2 niveaus kabelgoten boven elkaar te monteren
• Minimale afstand tussen de niveaus: 300 mm
Certificaat
Standaard draagconstructie volgens DIN 4102-12
Stagobel I KABELGOTEN
Wand- en plafondmontage Pemsaband voor 1 uur functiebehoud
• Ondersteuningsafstand 1,2 m
• Maximale belasting per niveau van kabelgoot 10 kg/m
• Het is toegelaten om maximaal 2 niveaus kabelgoten boven elkaar te monteren
Standaard draagconstructie getest en gecertificeerd volgens DIN 4102-12.
OBO I KABELLADDER
Verticale montage LGN ladder voor 1 uur functiebehoud
• Ondersteuningsafstand max 1,2 m
• Toegelaten gewicht max. 20 kg/m
• Max. sportafstand 300 mm en op elke sport een beugelklem
• Installatie in combinatie met geattesteerde kabels
• Om de 3,5 m dient een trekontlasting voorzien te worden
• * Standaard geleverd in sendzimir verzinkt, thermisch verzinkt (hot dip) ook verkrijgbaar
Afmetingen LGN* Trekontlasting ZSE
60x200 mm 6209330 7215702
60x300 mm 6209332 7215706
60x400 mm 6209334 7215709
Koppelplaat
LVG 60 FS 6208840
Bevestigingshoek
• Voor montage van de ladder tegen de muur
• Kan als alternatief gebruikt worden voor rechtstreekse muurmontage met ankers
BW 70 40 FT 6019706
Beugelklem
• Ook andere maten verkrijgbaar
Afmetingen 2056 M 12-16 mm 1156012 16-22 mm
1156020
1156039
22-28 mm
28-34 mm 1156047
KABELLADDER I OBO
Belasting
20 kg / lopende meter
Certificaat
Standaard draagconstructie getest en gecertificeerd volgens DIN 4102-12.
OBO I KABELLADDER
Wand- en plafondmontage kabelladders LG 60VSF
• Ondersteuningsafstand max. 1,2 m
• Toegelaten gewicht max. 20 kg/m
• Bij plafondmontage: max. 2+1 lagen (zie montagevoorbeeld 2)
• Installatie in combinatie met geattesteerde kabels
• * Standaard geleverd in sendzimir verzinkt, thermisch verzinkt (hot dip) ook verkrijgbaar
• * Sportafstand 150 mm
Afmetingen LG 60VSF* Koppelplaat AVL 90° bocht MWA Wand- en profielconsole
60x200 mm
60x300 mm
60x400 mm
6207501 6208770 6211224 6424732
6207505 6208770 6211232 6424740
6207509 6208770 6211240 6424759
Hangprofiel 50x30 mm
• ** Thermisch verzinkt
• ** Ook in andere afmetingen verkrijgbaar
Afmetingen US 3K**
Beschermkap
400 mm 6342355 6338458
600 mm 6342359 6338458
1200 mm 6342372 6338458
• Voor bevestiging kabelladder op console
Klemstuk LKS 40 6221076
Draadstang
• In combinatie met SKS zeskantbout M10x40 mm (ref. 3160750) en BSB brandwerende beugel (ref. 6418198)
• Alternatief BSB: plafondmontage draadstang rechtstreeks in inslaganker
Klembereik Draadstang 1 m Moer Ring M10 3141209 3400107 3402096 M12 3141306 3400123 3402126
KABELLADDER I Vergokan
Kabelladders Vergokan
HORIZONTAAL MET KABELLADDER KLLIBS60
3 NIVEAUS ASYMMETRISCH
Kabelladder
KLLIBS60.150 – 400 lengte 3 m, sportafstand 150 mm
Ineenschuifbare kabelladder – in de verbinding te koppelen d.m.v. 4 VMK bouten en moeren.
Ondersteuning: plafond – elke 1500 mm
Hangsteun: HSMES300 - 1000 bevestiging met 2 brandbestendige pluggen M 10
Console: HDWK150 - 400
• Te bevestigen aan de HSMES d.m.v. een glijmoer GM41M10 in de open zijde van de hangsteun en bout B10.30 en sluitring CRO10
Borging: LBS60.300 - 800
• Wordt bevestigd enerzijds aan de console d.m.v. een verbindingsschakel QL en anderzijds aan het plafond d.m.v. opnieuw een QL en L-vormig HDVS41.05 plaatje, bevestigd aan het plafond d.m.v. een brandbestendige plug M 10.
• Bevestiging van de kabelladder op de console (elke 1,5 m) d.m.v. 2 KLLBK25 klemmen.
• Maximaal 3 niveaus/trajecten te monteren per hangsteun.
Belasting
30 kg / lopende meter
Certificaat
Niet-standaard draagconstructie getest en gecertificeerd volgens DIN 4102-12.
KABELDRAAGSYSTEMEN EN
Vergokan I KABELLADDER
Horizontale montage KLLIBS60 ladder voor 1 uur functiebehoud
• Ineenschuifbare kabelladder
• In de verbinding te koppelen met 4 VMK6.10 bouten en moeren
• Ondersteuning: Wand en/of plafond - elke 1,5 m
• Lengte: 3 m
• Belasting: 30 kg/ lopende meter
• Certificaat niet-standaard draagconstructie volgens DIN 4102-12
Afmetingen KLLIBS60 Console
150 mm
200 mm
300 mm
400 mm
KLLIBS60.150 HDWK150
KLLIBS60.200 HDWK200
KLLIBS60.300 HDWK300
KLLIBS60.400 HDWK400
Enkele hangsteun
• Bevestiging met 2 brandbestendige pluggen M10
Afmetingen Enkele hangsteun Lat
300 mm
400 mm
500 mm
600 mm
800 mm
Verbindingsschakel
HSMES300 LBS60.300
HSMES400 LBS60.400
HSMES500 LBS60.500
HSMES600
LBS60.600
HSMES800 LBS60.800
QL6
QL8
Verbindingsstuk
HDVS41.05
KABELDRAAGSYSTEMEN EN
KABELLADDER I Vergokan
Kabelladders Vergokan
VERTICAAL MET KABELLADDER KLLIBS60
Kabelladder
KLLIBS60.150 – 400
• Lengte 3 m, sportafstand 150 mm, alternerend naar boven en naar onder.
• Ineenschuifbare kabelladder – in de verbinding te koppelen d.m.v. 4 VMK bouten en moeren.
Ondersteuning
HDAB35.110
• Steun ter bevestiging van de ladder tegen de muur.
• Te monteren elke 1,5 m aan weerszijden d.m.v. een brandwerende plug aan de wand.
• Bevestiging KLLIBS aan HDAB35.110 d.m.v. een bout VM6.20, sluitring en moer.
KABELKLEM, MODEL H
• Bevestiging van de kabel aan elke sport van de ladder met opening naar boven.
Belasting
30 kg / lopende meter
Certificaat
Niet-standaard draagconstructie getest en gecertifieerd volgens DIN 4102-12.
Vergokan I KABELLADDER
Verticale montage KLLIBS60 ladder voor 1 uur functiebehoud
• Ineenschuifbare kabelladder
• In de verbinding te koppelen met 4 VMK6.10 bouten en moeren
• Lengte: 3 m
• Belasting: 30 kg/ lopende meter
Afmetingen KLLIBS60
150 mm
200 mm
300 mm
400 mm
KLLIBS60.150
KLLIBS60.200
KLLIBS60.300
KLLIBS60.400
Afstandsbeugel
• Voor verticale plaatsing van de kabelladder
• Te monteren elke 1,5 m aan weerszijden d.m.v. een brandwerende plug aan de wand
• Bevestiging KLLBS60 aan HDAB35.110 d.m.v. een bout VM6.20, sluitring en moer
Steun
HDAB35.110
Kabelklem
• Kabelklem, model H bevestiging van de kabel om de 2 sporten van de ladder
• Hot-dip uitvoering
Afmetingen
12-16 mm
16-20 mm
24-28 mm
28-32 mm
HDY1199
HDY1200
HDY1202
HDY1203
KABELLADDER I Legrand
• Beugelafstand 1,2 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Geschikt voor kabelladders 200, 300 en 400 mm breed
• Beugelafstand 300 mm
• Bevestiging van FB kabels op profiel R215
Belasting
20 kg / lopende meter
Certificaat
Standaard draagconstructie getest en gecertificeerd volgens DIN 4102-12.
Legrand I KABELLADDER KABELDRAAGSYSTEMEN
Verticale montage ladder voor 1 uur functiebehoud
• Beugelafstand 1,2 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Geschikt voor kabelladders van 200, 300 en 400 mm breed
Afmetingen H60
200 mm 8311492
300 mm 8311493
400 mm 8311494
Koppelplaat
• 1 set van 2 stuks
• Type H60
• Bevestiging aan kabelladder 8xM6x10 (8200100 + 8200200)
8313182
Wandbeugel
• 1 set van 2 stuks
• Bevestiging aan kabelladder 2xM6x10 (8200100 + 8200200)
• Bevestiging aan wand 1 x betonanker M10 (VG350037)
8313160
Kabelklem
• Kabelklem FB voor stijgladder sendzimir verzinkt
Afmetingen
12-16 mm
20-24 mm
28-32 mm
32-36 mm
8190201
8190203
8190204
8190205
KABELLADDER I Legrand
FUNCTIEBEHOUD VAN GEEL GLO-4
E30 - E90 CONSTRUCTIES
Plafondmontage E30 - E90
• Ondersteuningsafstand tot 1,5 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Ophanging met extra draadstang M10
• Geschikt voor kabelladders 200, 300 en 400 mm breed
• Sendzimir verzinkt
• Thermisch verzinkt op aanvraag
Draadstangmontage E30 - E90
• Ondersteuningsafstand tot 1,5 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Geschikt voor kabelladders 200, 300 en 400 mm breed
• Geschikt voor kabelladders licht H60 en middelzwaar H100
• Sendzimir verzinkt
• Thermisch verzinkt op aanvraag
Wandmontage E30 - E90
• Ondersteuningsafstand tot 1,5 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Ophanging met extra draadstang M10
• Geschikt voor kabelladders 200, 300 en 400 mm breed
• Sendzimir verzinkt
• Thermisch verzinkt op aanvraag
Belasting
20 kg / lopende meter
Certificaat
Niet-standaard draagconstructie getest en gecertificeerd volgens DIN 4102-12.
KABELDRAAGSYSTEMEN
Legrand I KABELLADDER
Horizontale montage ladder voor 1 uur functiebehoud
• Ondersteuningsafstand tot 1,5 m
• Kabelgewicht max. 20 kg/m
• Ophanging met extra draadstang M10
• Geschikt voor kabelladders van 200, 300 en 400 mm breed
Afmetingen H60
Console Steun U55
200 mm 8311492 8717220 VG348362
300 mm 8311493 8717230 VG348363
400 mm 8311494 8717240
800 mm
1000 mm
VG348364
VG348368
VG348360
Koppelplaat
• 1 set van 2 stuks
• Bevestiging aan kabelladder 8xM6x10 (8200100 + 8200200)
8313182
Ophangingssteun met extra draadstang
• Afsteunprofiel te bevestigen aan console 2xM6x10
• Draadstang M10 lengte 1 m
• Plafondbeugel voor draadstang (bevestiging betonanker M10)
• Brandwerend kussen voor toepassing in ondervloerkanalen, wandkanalen of muuropeningen die moeten gecompartimenteerd worden met Rf 1h
OBO I PYROBAG
Pyrobag, brandwerend kussen
Afmetingen KBK
120x10 mm
7202709
170x23 mm 7202725
170x40 mm
7202741
OBO I PYROSIT
Brandwerende doorvoer 1 uur
• Pyrosit 2-componenten brandwerend schuim
• Kan tot maximaal 6 maanden worden bewaard in droge, vorstvrije ruimtes bij temperaturen van +5° C tot +30° C
• Europese goedkeuring ETA-11/0237
• Combineerbaar met schuimblok FBA-B
• * Bevat: 3 x FBS-S, 1 x FBS-PH, 6 spuitmonden en 5 verlengtuiten
FBS-K*
Pyrosit brandwerende koffer 7203809
Brandwerend schuim patroon
FBS-S 380 ml 7203800
Kitpistool
FBS-PH 7203806
Set
• Bevat 10 spuitmonden + 5 mengtuiten
FBS-M 7203803
PYROCOMB I OBO
Brandwerende doorvoer 1 uur
• Brandwerende buismanchet
• Installatie in combinatie met afdichtingskit DSX-K voor het opvullen van randopeningen rond buizen en het vullen van elektrobuizen
• Europese goedkeuring ETA-11/0237
Buismanchet met 2 bevestigingsriemen
Afmetingen TCX 32 mm
Buismanchet met 4 bevestigingsriemen
Afmetingen TCX 63 mm 7202204 75 mm 7202205
mm 7202206
mm 7202208
Afdichtingskit DSX-K
DSX-K
7202300
PYROMIX I OBO
Brandwerende doorvoer 1 uur
• Brandwerende mortel
Brandwerende mortel, zak
MSX-S1 20 kg 7206104
Brandwerende mortel, emmer
MSX-E1 10 kg 7206058
Afdichtingskit DSX-K
DSX-K 7202300
EZ-PATH I Legrand
Muurdoorvoeren
1 EZ-PATH® 44+ module met de plaat EZP144WT enkel
1 2 3 Module en plaat geïnstalleerd
1 tot 5 EZ-PATH® 44+ modules met de universele plaat EZP544WT
1 2 3 Module en plaat geïnstalleerd
Vloerdoorvoeren
Een EZ-PATH® 44+ modules met EZG144T-plaat
1 2 3 Module en plaat geïnstalleerd
4 EZ-PATH® 44+ modules met EZG444T-plaat 1 2 3 Module en plaat geïnstalleerd
Legrand I EZ-PATH
Brandwerende compartimentering voor 1 uur functiebehoud
• Gemakkelijk voor trekken van kabels en kabels met stekkers uitgevoerd
• Modellen geschikt voor alle types van muren
• 3 verschillende bouwgroottes
• Horizontale en verticale montagemogelijkheden
• Inclusief 2 afdekplaten
Afmetingen EZD 33 EZD 44
75x75x267 mm CM250018
102x118x356 mm CM250058
Vloermontage
1 module 4 modulen 8 modulen
EZD 33 CM250220
EZD 44 CM250260 CM250370 CM250380
Wandmontage
• Betonnen muur en droge wand
1 module 2 modulen 3 modulen 4 modulen
EZD 33 CM250240 CM250120 CM250130 CM250140
EZD 44 CM250230 CM250360
Uitgangsplaat & verlengstuk
Uitgangsplaat Verlengstuk (L = 150 mm)
CM250206 CM250078
EZD 33
EZD 44 CM250306 CM250178
DOORVOERSYSTEEM I Kaiser
Toepassingsvoorbeelden
Optioneel als reserveschot bruikbaar.
Volledige bezetting met mantelleidingen tot Ø 29 mm.
Technische informatie DS 90 / 120 mm
Op de binnenzijde van de schottencilinder aangebrachte lamellen zorgen voor een afsluiting in geval van brand.
Het dichtingselement met geïntegreerde koelribben staat garant voor een zuivere kabelen buisdoorvoering.
Toepassingsvoorbeelden
Gebruik in betonnen plafonds EI30 - EI90 (150 - 300 mm)
Toepassing in plafonds van cellenbeton EI30 - EI90 (150 - 300 mm)
Gemengde installatie van kabels en buizen.
Plaats de schottencilinder eenvoudig in de installatieopening.
Gemengde bezetting met kabels en buizen tot volledige bezetting. Ook een gegroepeerde plaatsing met een tussenafstand van 205 mm (DS 90 / 120 mm) of 125 mm (DS 90 / 74 mm) is mogelijk.
Binnen een afstand van 50 mm is een horizontale opstelling mogelijk.
Zelfstandige afsluiting, zwikken en voegen moeten niet opgevuld worden.
Gemengde bezetting met kabels en buizen tot volledige bezetting.
Bezetting plafondafschermingssysteem DS 90 / 120 mm en DS 90 / 74 mm
Gemengde installatie van mantelleidingen en buizen.
Gebruik als reserveschot mogelijk.
Volledige bezetting met mantelleidingen Ø 29 mm en buizen tot M63.
Volledige bezetting met mantelleidingen Ø 15 mm en buizen tot M40.
Brandwerende compartimentering voor 1 uur functiebehoud
• Gemakkelijk voor trekken van elektro kabels en leidingen met stekkers uitgevoerd
• Modellen geschikt voor alle types van muren
• Geschikt vanaf wanddikte 100 mm
• Horizontale en verticale montagemogelijkheden
Vloermontage
Boorgat 150-300 mm Stortschuim
100 mm 9459-05 9473-95 150 mm 9459-06 9473-96
Wandmontage
• Wanddikte vanaf 100 mm
• *Diameter voor holle wand (metselwerk)
Boorgat DS 90 Ø 74 mm (82 mm)* 9459-03 Ø 120 mm (150 mm)* 9459-04
Wandmontage
• Wanddikte vanaf 100 mm
• Zonder gebruik van brandwerend schuim of brandwerende kit
• LS 90 voor leidingen: 5 - 15 mm
• RS 90 voor buizen: M16 - M25
• *Diameter voor holle wand (metselwerk)
Boorgat LS 90 RS 90
Ø 20 mm (20 mm)* 9459-01 Ø 35 mm (32 mm)* 9459-02
NOODEN VEILIGHEIDSVERLICHTING
124 NORMEN 125 CRONUS
NOOD- EN VEILIGHEIDSVERLICHTING
Normen
De algemene term die men gebruikt voor verlichting bij nood- of gevaarsituaties is “Noodverlichting of Veiligheidsverlichting”. Volgens de norm NBN EN 1838 onderscheidt men verschillende types:
1. NOODVERLICHTING
Verlichting die in werking treedt bij netuitval.
2. NOOD-EVACUATIEVERLICHTING
Dat gedeelte van de noodverlichting dat verlichting levert voor de veiligheid van mensen die een ruimte verlaten, dan wel om een mogelijk gevaarlijk proces af te sluiten voordat ze deze ruimte verlaten.
3. VLUCHTWEGVERLICHTING
Dat gedeelte van de nood-evacuatieverlichting dat voorzien is om de vluchtmogelijkheden effectief te kunnen herkennen en ze op een veilige manier te kunnen gebruiken, wanneer de ruimte in gebruik is.
4. ANTI-PANIEK VERLICHTING
Dat gedeelte van de nood-evacuatieverlichting dat voorzien is om paniek te voorkomen en verlichting te leveren om personen toe te laten een plaats te bereiken waar een vluchtroute kan worden herkend.
Verlichting van werkplekken met een verhoogd risico en vervangingsverlichting ook opgenomen in de norm NBN EN 1838 worden hier niet verder besproken, gezien hier geen noemenswaardige wijzigingen zijn.
Op 12/7/2012 werd een nieuw Koninklijk Besluit uitgevaardigd dat o.a. de normering rond nood- of veiligheidsverlichting definieert, met name in de bijlagen 1 tot en met 5.
• NBN EN1838 wordt voornamelijk gebruikt door de studieburelen en omvat lichttechnische voorschriften
• NBN EN60598-2-22 is gemaakt voor de fabrikant van de armaturen
• NBN EN 50172 voor plaatsing en onderhoud (vervangt de norm NBN EN 71100 die niet meer vermeld staat in het K.B.)
Eaton I CRONUS
Cronus
Cronus is een complete productlijn die u kunt gebruiken voor uw gehele project. De elliptisch vormgegeven Cronus armaturen zijn inzetbaar als opbouw- / inbouw- of signaleringsarmatuur. Cronus is verkrijgbaar in een aantrekkelijk vormgegeven 8 W en 6 W versie. Daar komt bij dat Cronus zeer eenvoudig en snel te installeren is, wat u een hoop tijdwinst oplevert.
Voordelen
• Elliptisch gevormd
• Verkrijgbaar in 6 W of 8 W uitvoering
• Multifunctioneel inzetbaar
• Gekeurd LB400 VS8 AUT en VSi8 AUT voor 8 W
• Gekeurd LB400 VS6 AUT en VSi6 AUT voor 6 W
• Grote tussenafstanden
referentie voedingsspanning lumen AT IP
(V) AC (V) DC
Cronus 6 W
Decentraal niet permanent
(schakelbaar)
Cronus 8 W
Al onze armaturen zijn standaard voorzien van een of meerdere lichtbronnen. Accessoires en pictogrammen
CRONUS I Eaton
Polaire diagrammen
6 W 8 W
Pictogrammen
referentie omschrijving herkenningsafstand
433
Accessoires
Inbouwaccessoire
433 170-200-030
Inbouwaccessoire voor verzonken montage van Cronus 8 W en 6 W armaturen met perspexplaat
Inbouwaccessoire
433 O-EL8RBP
Inbouwaccessoire voor verzonken montage van Cronus 8 W en 6 W armaturen zonder perspexplaat
Beschermkorf
433 170-000-200 Gemaakt van RVS
Pendelset
433 170-000-306
Pendelset 25 cm wit, inkortbaar
433 170-000-311
Pendelset 75 cm wit, inkortbaar
433 170-000-316
Pendelset 125 cm wit, inkortbaar
Spacingtabellen
Spacing,
3,5
Cronus EL 8-HF Spacing, 1 lux
Cronus EL 8-HF Spacing, 0,5 lux
Cronus EL 8-CG
REGELGEVING
Uittreksel Koninklijk Besluit
Gezien het belang van deze kabels werd in 2013 het Art. 104 van het AREI - Voorzorgsmaatregelen tegen brand - aangepast met het doel wat meer klaarheid te scheppen. Het volledige artikel 104 zoals het werd opgenomen in het Belgisch Staatsblad, vindt u hieronder
Publicatie: 2013-06-04
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
25 APRIL 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 1, 3, 28, 100, 104, 151, 200 en 207 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, artikel 21, 1° ;
Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en van 10 januari 2007; Gelet op het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 maart 1981 en bij koninklijk besluit van 2 september 1981;
Gelet op het advies van het Vast Elektrotechnisch Comité, gegeven op 13 februari 2003;
Gelet op het advies van de Hoge Raad voor de Beveiliging tegen Brand en Ontploffing, gegeven op 15 mei 2003;
Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 27 juni 2003;
Gelet op de mededeling aan de Europese Commissie, gedaan op 30 september 2003 en op 4 februari 2010, in toepassing van artikel 8, lid 1, van de Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij;
Gelet op advies 47.549/3 van de Raad van State, gegeven op 22 december 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Werk en de Staatssecretaris voor Energie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
Artikel 1. In artikel 1 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 maart 1981 en bij koninklijk besluit van 2 september 1981, hierna « AREI » genoemd, wordt het punt 01 vervangen als volgt: « 01. Algemene voorwaarden
De voorschriften van dit reglement gelden:
- voor alle elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie voor zover de normale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz;
- voor vaste leidingen ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening (met uitzondering van de inwendige stroombanen van de toestellen) in het geval van de voorzorgsmaatregelen tegen brand zoals vermeld in artikel 104. » Art. 2. In artikel 3 van het AREI, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 april 1986 en 25 april 2004, worden tussen de bepalingen van een elektrische installatie en van de nominale spanning van een elektrische installatie de volgende bepalingen ingevoegd:
« Elementaire stroombaan: deel van een elektrische installatie tussen twee opeenvolgende beschermingsinrichtingen tegen overstroom (hoofdstroombaan) of deel na de laatste beschermingsinrichting (eindstroombaan).
Stroombaan: geheel dat bestaat uit een of meerdere elementaire stroombanen.
Vitale installatie: installatie die gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen in dienst moet blijven (brandbestrijdingsinstallatie, alarminstallatie,...).
Vitale stroombaan: stroombaan die een vitale installatie voedt.
Autonome stroombron: elektrische energiebron waarvan het debiet onafhankelijk is van de in normale dienst gebruikte bron(nen); zij is in staat om gedurende een bepaalde tijd installaties of toestellen te voeden waarvan het in dienst houden onmisbaar is. »
Art. 3. In artikel 28.01 van het AREI, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 juli 1987, 7 mei 2000 en 25 april 2004, worden de bepalingen van een elementaire stroombaan en van een stroombaan geschrapt.
Art. 4. In artikel 100 van het AREI worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling van ontvlambaar materiaal worden tussen de woorden “Ontvlambaar materiaal” en “: materiaal” de woorden “(vlamverspreidend materiaal)” ingevoegd;
2° in de bepaling van zelfdovend materiaal worden tussen de woorden “Zelfdovend materiaal” en “: materiaal” de woorden “(niet-vlamverspreidend materiaal)” ingevoegd;
3° het artikel wordt aangevuld als volgt:
« Vlampunt: de laagste temperatuur onder door de norm voorgeschreven testvoorwaarden waarbij de vrijgekomen dampen van een vloeistof in de lucht ontvlammen bij contact met een warmtebron en ophouden met branden na het verwijderen van de warmtebron.
Brandpunt: de laagste temperatuur onder door de norm voorgeschreven testvoorwaarden waarbij de vrijgekomen dampen van een vloeistof in de lucht ontvlammen bij contact met een warmtebron en blijven branden na het verwijderen van de warmtebron. »
Art. 5. Artikel 104 van het AREI, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 juli 1987 en 25 november 1998, wordt vervangen als volgt:
« ART. 104 - VOORZORGSMAATREGELEN TEGEN BRAND
01. - Bepalingen
a) Indeling van de elektrische leidingen
De elektrische leidingen worden met betrekking tot hun brandgedrag ingedeeld volgens de hierna weergegeven kenmerken: Caractéristiques - Kenmerken
F Primaire brandreactie: kwalificeert de geschiktheid van de elektrische geleider of kabel om de vuurhaard te verspreiden en onderscheidt zich in twee subcategorieën met stijgende strengheid, als volgt gekenmerkt:
F1 betreft de elektrische geleiders of kabels die, enkelvoudig gelegd en in de proefvoorwaarden, de vlam niet voortplanten en uit zichzelf doven op weinig afstand van de vuurhaard die hen doen ontvlammen heeft.
F2 betreft de elektrische geleiders of kabels F1 in bundel en in verticale positie die in de proefvoorwaarden de vlam niet voortplanten.
S Secundaire brandreactie: kenmerkt de secundaire brandeffecten en kwalificeert de niet-metalen componenten van de elektrische geleiders of kabels met betrekking tot de lichtondoorlatendheid van de rookgassen (subcategorie SD) en de zuurtegraad van de verbrandingsgassen (subcategorie SA).
SD Kabel waarvan de verbrandingsgassen doorschijnend zijn
SA Kabel waarvan de verbrandingsgassen niet corrosief zijn
FR Brandweerstand: kenmerkt de geschiktheid van een elektrische geleider of kabel om in dienst te blijven in weerwil van een brandhaard. Deze categorie onderscheidt zich in twee subcategorieën:
FR1 heeft betrekking op proeven die toelaten het behoud van de elektrische functie te beoordelen bij laboratoriumomstandigheden (kabel individueel getest)
FR2 heeft betrekking op een proef die toelaat de tijdsduur te beoordelen gedurende dewelke het behoud van de elektrische functie verzekerd is (kabel getest met draagstel en bevestiging)
De beproevingsvoorwaarden zijn weergegeven in de desbetreffende door de Koning gehomologeerde of door het N.B.N. geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.
b) Compartiment
Deel van een gebouw begrensd door wanden die de brandvoortplanting naar het aanliggend compartiment of compartimenten gedurende een bepaalde tijd dienen te beletten. Een compartiment is al dan niet onderverdeeld in lokalen.
c) Ruimten met een verwaarloosbaar brandgevaar
Ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloedsfactoren BE1 + CA1 + CB1.
d) Ruimten met een bijzonder brandgevaar
Ruimten gekenmerkt door de aanwezigheid van minstens één van de volgende uitwendige invloedsfactoren: BE2, BE3, CA2 of CB2.
02. - Algemeenheden
Het elektrisch materieel moet zodanig gekozen en geïnstalleerd worden dat er geen gevaar bestaat voor personen, omgevende voorwerpen en materiaal. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de aansluitingen en verbindingen van het elektrisch materieel.
Het elektrisch materieel moet zo worden opgevat en geïnstalleerd dat de warmteafgifte, voortgebracht in normaal bedrijf door dit elektrisch materieel, niet wordt gehinderd.
Indien natuurlijke verluchting niet volstaat om een overmatige warmteconcentratie te vermijden moet een gepast warmteafvoersysteem worden voorzien.
03. - Keuze en installatie van elektrisch materieel
a) Elektrische leidingen
a.1) Afzonderlijk geplaatste leidingen
De geïsoleerde geleiders en kabels hebben ten minste het kenmerk F1.
a.2) In bundel of in laag geplaatste leidingen
De in bundel of in laag geplaatste kabels hebben ten minste het kenmerk F2.
a.3) Uitzonderingen
De bepaling van punt a.1 is niet van toepassing op:
- de ondergrondse kabels of kabels ondergebracht in met zand gevulde kanalen;
- de in een onbrandbare bekleding verzonken kabels met een minimale inbouwdiepte van 3 cm;
- de hoogspanningskabels;
- de voorgebundelde leidingen van elektrische luchtlijnen;
- de uiteinden van ondergrondse of in een onbrandbare bekleding verzonken kabels met een minimale inbouwdiepte van 3 cm, aangebracht in openlucht of in opbouw, voor zover hun lengte 10 m niet overschrijdt en zij geplaatst zijn in een omgeving met te verwaarlozen brandgevaar. Deze uitzondering is nochtans niet toegelaten voor de aansluitleidingen in open lucht of in opbouw van huishoudelijke en gelijksoortige installaties op het openbaar verdeelnet.
De bepaling van punt a.2 is niet van toepassing op:
- de ondergrondse kabels of kabels ondergebracht in met zand gevulde kanalen;
- de hoogspanningskabels;
- de voorgebundelde leidingen van elektrische luchtlijnen.
REGELGEVING
b) Elektrisch materieel
b.1) Ingebouwd elektrisch materieel
Elektrisch materieel dat ingebouwd is in brandbare materialen is:
- hetzij voorzien van een omhulsel uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal;
- hetzij volledig gescheiden van deze brandbare materialen door elementen uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt, of zelfdovend materiaal.
b.2) Niet ingebouwd elektrisch materieel
Op brandbare materialen is het elektrisch materieel voor opbouw:
- hetzij voorzien van een omhulsel uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal;
- hetzij volledig gescheiden van deze brandbare materialen door elementen uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt, of zelfdovend materiaal.
c) Ruimten met een verwaarloosbaar brandgevaar
c.1) Elektrische leidingen
De elektrische leidingen beantwoorden aan de bepalingen van punt a.
c.2) Gevaarlijke lek- of foutstromen
Maatregelen moeten worden genomen om te verhinderen dat in normaal bedrijf of wegens een fout, een gevaarlijke lek- of foutstroom blijft bestaan. Deze maatregelen moeten coördineren met deze die worden genomen voor de bescherming tegen elektrische schokken en de bescherming tegen overstroom.
In huishoudelijke lokalen of plaatsen worden elektrische installaties volgens het TN-C type verboden. De stroombanen die deze ruimten bedienen moeten worden beschermd door ten minste één automatische differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom kleiner dan of gelijk aan 300 mA. Er moet niet noodzakelijk een automatische differentieelstroominrichting worden voorzien voor iedere elementaire stroombaan die deze ruimten bedient indien een dergelijke inrichting stroomopwaarts van deze stroombanen is geplaatst, bijvoorbeeld aan het voedingspunt van de installatie.
d) Ruimten met een bijzonder brandgevaar
d.1) Elektrische leidingen
De elektrische leidingen hebben ten minste het kenmerk F2 met uitzondering van de kabels die in een mantel met een kenmerk equivalent aan F2 zijn geplaatst.
d.2) Brandschotten
In alle ruimten waar een bijzonder brandgevaar heerst moeten op het traject van de elektrische leidingen bij de doorgang van wanden brandschotten worden opgesteld overeenkomstig de desbetreffende door de Koning gehomologeerde of door de N.B.N. geregistreerde normen of volgens bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.
d.3) Elektrisch materieel dat een brandbaar vloeibaar diëlektricum bevat
d.3.1) Constructieve maatregelen zijn genomen om bij lekken de verspreiding van brandbare vloeibare diëlektrica naar de belendende ruimten te voorkomen.
d.3.2) Wanneer, in eenzelfde lokaal, de totale hoeveelheid aan vloeibare diëlektrica met een brandpunt lager dan 300 ° C: - ofwel meer is dan 25 l in één elektrische machine of toestel, - ofwel meer is dan 50 l voor het geheel van alle elektrische machines of toestellen, moeten de scheidingselementen (wanden, vloeren, zolderingen, deuren, verluchtingsopeningen, enz...) van dit lokaal met de belendende lokalen een brandweerstand van minimum 1 uur hebben, overeenkomstig de door de Koning gehomologeerde of door de N.B.N. geregistreerde normen of beantwoordend aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.
Deze bepaling geldt niet wanneer:
- ofwel de elektrische machines of toestellen individueel tegen de thermische effecten veroorzaakt door interne defecten, beschermd zijn d.m.v. doeltreffende elektrische beveiligingsinrichtingen;
- ofwel een afscheidingsput geïnstalleerd wordt die het volume aan diëlektrische vloeistof, van de machine of het toestel met het grootste volume, kan opvangen en er de natuurlijke doving van verzekert;
- ofwel de elektrische machines of toestellen zijn beschermd door een vaste automatische brandblusinstallatie. Deze installatie moet manueel kunnen worden bediend van buiten het opstellingslokaal.
De goede staat van werking van de detectie moet jaarlijks worden onderzocht door een terzake bevoegde persoon.
Een vertegenwoordiger van een erkend organisme, bedoeld in artikel 275, controleert bij de periodieke controle of het jaarlijks onderhoud werd uitgevoerd;
- ofwel de belendende lokalen en/of het gebouw waarin deze machines en toestellen zijn ondergebracht zijn gekenmerkt door de uitwendige invloedsfactoren BD1 en BE1 en CA1 en CB1.
d.4) Gevaarlijk elektrisch materieel
De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, het gebruik van bepaald elektrisch materieel verbieden in ruimten waar bijzonder brandgevaar heerst.
d.5) Installaties voor opslag en verwerking van brandbare materialen
In plaatsen voor opslag en verwerking van brandbare stoffen en vloeistoffen met een vlampunt dat hoger is dan 55 ° C (BE2) moet het elektrisch materieel zo vervaardigd zijn dat de temperatuur van zijn genaakbare delen niet de ontbranding kan veroorzaken van de brandbare stoffen die zich in de nabijheid bevinden.
d.6) Gevaarlijke lek- of foutstromen
Maatregelen moeten worden genomen om te verhinderen dat in normaal bedrijf of wegens een fout, een gevaarlijke lek- of foutstroom blijft bestaan. Deze maatregelen moeten coördineren met deze die worden genomen voor de bescherming tegen elektrische schokken en de bescherming tegen overstroom.
In werkruimten bedoeld in artikel 87 en in ruimten met bijzonder brandgevaar, met name: - plaatsen voor opslag of verwerking van brandbare stoffen of vloeistoffen met een vlampunt dat hoger is dan 55 ° C (BE2); - plaatsen voor opslag of verwerking van stoffen onder de vorm van een gevaarlijke hoeveelheid brandbare gassen, dampen of stofdeeltjes (BE3); - brandbare gebouwen (CA2), worden elektrische installaties volgens het TN-C type verboden.
Wanneer uit het oogpunt van brandgevaar het noodzakelijk is de gevolgen van in stroombanen opgewekte foutstromen te beperken moeten deze stroombanen worden beschermd door een automatische differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom kleiner dan of gelijk aan 300 mA.
Wanneer de automatische onderbreking een groter veiligheidsrisico inhoudt dan het risico te wijten aan de aanwezigheid van fout- of massafoutstromen wordt een isolatiecontroletoestel voorzien dat aangesloten is op een doeltreffende meldinrichting. Organisatorische maatregelen zijn getroffen om onmiddellijk aan de gemelde gevaartoestand te verhelpen.
Bij aanwending van een TN-S netstelsel is het toegelaten geen automatische differentieelstroominrichting te plaatsen voor zover dat:
- een bijkomende equipotentiale verbinding met een minimum doorsnede van 10 mm2 wordt geïnstalleerd;
- het verbindingspunt van de bijkomende equipotentiale verbinding en de massa’s van buitenuit zichtbaar is;
- een bijzondere zorg wordt besteed aan deze bijkomende equipotentiale verbinding.
e) Vitale stroombanen
e.1) Algemeenheden
De vitale stroombanen worden bepaald op basis van een risicobeoordeling door de uitbater of zijn afgevaardigde en worden weergegeven op een of meerdere plannen van het bedrijf of de installatie. Deze plannen worden goedgekeurd en geparafeerd door de uitbater of zijn afgevaardigde alsook door de vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in artikel 275.
De brandwerendheid van stroombanen is niet vereist indien elke onderbreking of storing van de stroombaan wordt gemeld en indien de installatie automatisch haar veiligheidsstand inneemt (= principe van de positieve veiligheid).
Worden als vitale stroombanen beschouwd, de stroombanen van de volgende installaties indien deze installaties worden opgelegd door reglementaire voorschriften of door een risicobeoordeling zoals hiervoor vermeld:
- de detectie-installaties;
- de meldingsinstallaties;
- de waarschuwinginstallaties;
- de alarminstallaties;
- de deurontgrendelinginstallaties;
- de installaties voor rookafvoer;
- de overdruk- en onderdrukinstallaties ter bescherming tegen rook;
- de liften met prioritaire oproep;
- de waterdrukverhogende installaties;
- de veiligheidsverlichtingsinstallaties;
- de noodverlichtinginstallaties;
- …
Alle schakelaars waarmee de voeding van vitale stroombanen kan worden onderbroken, worden voorzien van een passende signalisatie die wijst op de risico’s van een buitendienststelling, bijvoorbeeld “BEVEILIGINGSINSTALLATIE
NIET UITSCHAKELEN”.
Onverminderd de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking is het verboden de vitale stroombanen door automatische onderbrekingsinrichtingen bij de eerste massafout te beschermen.
De beschermingsmaatregelen tegen onrechtstreekse aanraking zonder automatische onderbreking bij de eerste massafout zijn:
- de toepassing van ZLVS of ZLBS;
- het gebruik van materieel van klasse II of voorzien van een equivalente isolatie;
- de voeding door een IT-net;
- de bescherming door veiligheidsscheiding.
Dit sluit het gebruik van TN- of TT-netten niet uit wanneer de installatie zodanig ontworpen is dat een massafout de door de installatie gewaarborgde veiligheid niet nadelig beïnvloedt.
De vitale stroombanen zijn duidelijk geïdentificeerd. Ze zijn derwijze uitgevoerd, aangelegd of door bouwelementen afgeschermd dat ze bij een uitwendige brand gedurende ten minste 1 uur operationeel blijven. e.2) Voeding
De vitale verbruikers moeten op redundante wijze worden gevoed vanuit twee of meerdere stroombronnen.
Met uitzondering van de vitale verbruikers die over een autonome hulpbron beschikken:
- moet de hoofdvoeding rechtstreeks gekoppeld zijn aan het laagspanningshoofdverdeelbord en beveiligd tegen kortsluiting door uitsluitend voor dit gebruik voorbehouden beveiligingstoestellen;
- moet de hulpvoedingsbron via een afzonderlijke stroombaan verbonden zijn aan de verdeelborden waarop de vitale verbruikers zijn aangesloten. De hulpvoeding moet automatisch worden ingeschakeld bij het uitvallen van de hoofdvoeding.
Bij gebruik van één enkele hulpvoedingsbron, mag deze niet worden gebruikt voor andere doeleinden. Deze bepaling geldt niet indien bij het uitvallen van de hoofdvoeding voldoende vermogen beschikbaar blijft om alle vitale stroombanen in te schakelen en in bedrijf te stellen. Afzonderlijke voedingsleidingen aangesloten op openbare distributienetten mogen alleen zijn gebruikt indien een gelijktijdige onderbreking van de voedingen onwaarschijnlijk is.
REGELGEVING
Elektrisch materieel dat kan worden gevoed door meer dan één voedingsbron moet zo zijn geïnstalleerd dat de bescherming tegen elektrische schokken en de goede werking niet nadelig worden beïnvloed door een defect in één van de voedende installaties.
Voor voedingsbronnen die niet ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:
- zijn voorzieningen aangebracht om deze parallelwerking te voorkomen;
- is de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting voor iedere voedingsbron gewaarborgd.
Voor voedingsbronnen die wel ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:
- is de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting ook bij parallelwerking gewaarborgd;
- zijn voorzieningen getroffen om de vereffeningsstroom in de verbindingen tussen de nulpunten van de voedingsbronnen te beperken. e.3) Schakel- en verdeelinrichtingen
De schakel- en verdeelinrichtingen zijn:
- ofwel ondergebracht in uitsluitend voor dit doel bestemde ruimten, die ten opzichte van andere ruimten afgeschermd zijn door bouwelementen (wanden, vloeren, zolderingen, deuren,), met een brandweerstand die een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1; - ofwel vervaardigd uit bouwelementen, met inbegrip van hun deuren en doorvoerelementen, en die in hun geheel een brandweerstand hebben die een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
- ofwel brandweerstandbiedend met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1.
Schakel- en verdeelinrichtingen en bedieningstoestellen moeten duidelijk zijn gemerkt en geplaatst in ruimten uitsluitend toegankelijk door bevoegde of gewaarschuwde personen (BA5 of BA4).
e.4) Leidingen
De leidingen en hun toebehoren, ondergebracht in ruimten met een bijzonder brandgevaar, zijn: - ofwel van het type met kenmerk FR2 of equivalent hiermee, met een gewaarborgde operationaliteit zoals bepaald in punt e.1; - ofwel ondergebracht in aanlegsystemen beantwoordend aan het vereiste brandweerstandsniveau dat een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1;
- ofwel verzonken in vloeren en muren beantwoordend aan het vereiste brand-weerstandsniveau dat een operationaliteit waarborgt zoals bepaald in punt e.1; - ofwel ingegraven.
Benevens de vereiste kwaliteit van de leidingen moet de installatie zodanig zijn ontworpen dat de toegekende functie gewaarborgd blijft gedurende de in punt e.1 hiervoor bepaalde duur. De weerstand van de geleiders van de stroomkring evenals de verzwakking van elk transmissiesignaal moeten in rekening worden gebracht voor de mogelijke temperatuursverhoging in het compartiment waarin zich het langste kabelgedeelte bevindt.
e.5) Stroombanen
De vitale stroombanen moeten onafhankelijk zijn van alle andere stroombanen.
De beveiliging tegen overbelasting mag achterwege worden gelaten.
Overstroombeschermingstoestellen in vitale stroombanen moeten op zulke wijze gekozen en geïnstalleerd zijn dat de goede werking van andere vitale stroombanen niet nadelig wordt beïnvloed.
f) Bijzondere voorschriften
f.1) Vorming van corrosieve gassen bij brand
In de lokalen of plaatsen gekenmerkt door de uitwendige invloedsfactoren BD2, BD3 en BD4 zijn slechts kabels geïnstalleerd met de kenmerken SA en SD.
Worden hieronder verstaan: gebouwen hoger dan of gelijk aan 25 m, schouwspelzalen, sportzalen, dancings, scholen, ziekenhuizen, rusthuizen,... f.2) Concentratie of bundeling van warmte
Elektrisch materieel waarbij gevaar bestaat voor concentratie of bundeling van warmte moet:
- hetzij voldoende ver van alle voorwerpen worden verwijderd opdat deze geen gevolgen ondergaan van een gevaarlijke warmteconcentratie of -bundeling;
- hetzij worden gescheiden van deze voorwerpen door een thermisch isolerend scherm dat vervaardigd is uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal.
f.3) Wegspatten van gensters en vlammen
Indien elektrisch materieel, hetzij bij normale werking, hetzij bij beschadiging of verkeerd gebruik, gensters of vlammen kan voortbrengen moet het:
- hetzij worden opgesteld op voldoende afstand van alle voorwerpen of alle delen van het gebouw die het zou kunnen beschadigen;
- hetzij worden gescheiden van deze voorwerpen of delen van het gebouw door een thermisch isolerend scherm dat vervaardigd is uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal. »
Art. 6. In artikel 151 van het AREI wordt het punt 02 vervangen als volgt:
« 02. - Keuze van de leidingen
De na te volgen voorschriften worden gegeven in:
- artikel 104 betreffende de voorzorgsmaatregelen tegen brandgevaar;
- artikel 107 betreffende de voorzorgsmaatregelen tegen ontploffingsgevaar. »
Art. 7. In artikel 200 van het AREI wordt het 3de lid vervangen als volgt:
« De buizen uit thermoplastisch materiaal kunnen van het stijve, het soepelgladde of het geringde type zijn. »
Art. 8. In artikel 207.05, 1ste lid van het AREI, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 april 1986 en 8 september 1997, wordt het punt a vervangen als volgt:
« a. - buizen in brandbaar materiaal te gebruiken tenzij ze verzonken zijn in niet brandbare materialen met een minimum bedekking van 3 cm;”
Art. 9. Dit besluit is van toepassing op elektrische installaties en op belangrijke wijzigingen en uitbreidingen waarvan de uitvoering ter plaatse nog niet is aangevangen drie maanden na de publicatiedatum van dit besluit.
Art. 10. De minister bevoegd voor Werk en de minister bevoegd voor Energie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 25 april 2013.
ALBERT
Van Koningswege:
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET