Skip to main content

Het Verzekerings-Archief, Jaargang 85, 1e kwartaal

Page 1

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 1

Column

1 Inmiddels heeft de regeling inzake de verzending van mededelingen langs elektronische weg in het kader van een verzekeringsovereenkomst1 het Staatsblad bereikt. Deze wijze van communicatie levert volgens de toelichting van de huidige Minister van Justitie een besparing op van 6,87 miljoen euro: 0,44 eurocent kosten, postverzending x 1,2 mededeling per polis x 13,015 miljoen polissen (samengesteld uit 3,118 individuele levenspolissen, 0,505 miljoen collectieve levenspolissen en 9,392 miljoen nieuwe schadepolissen exclusief zorgverzekeringen). Het sneller communiceren kan ook nog een aardige besparing opleveren. Het berichten uitwisselen via mobiele telefoon of chatbox (voetnoot: Google: chatbox en verzekering) heeft een heel nieuw taalgebruik via afkortingen doen ontstaan.

HOEST ;) ? Rob Ph. Elzas De toename van het internetverkeer en de ontwikkeling van het netwerk van mobiele telefoons is vergelijkbaar met het steeds sneller uitdijend heelal. Terwijl wij nog in afwachting zijn van de wettelijke reglementering van de elektronische polis zijn het email-verkeer en het communiceren via sms (short message service) al niet meer weg te denken.

Test uw kennis van de in gebruik zijnde SMS-afkortingen2. Hieronder treft U er een aantal aan in de vorm van een fictieve wisseling van sms berichten tussen een schadeverzekeraar en een tussenpersoon die een schade wil melden. Communicatie in Cyberspace via dergelijke afkortingen gaat ongetwijfeld veel sneller, maar de vraag is of de inhoud veel zal veranderen.

Deel I Assurantie Tussenpersoon

Schade Verzekeraar

hbiw fg, 10q, ag? Q wswa ypom asap 2d tg atm jam, ikz whco

Hoest OK zwia el bwjb 2m 8bjv bhm ibw oes

Deel II zww, bmt saf nvv zkiww hkjd? OVSart.5 wjt, kikadewado hkjd gbeo synt

kmk, kwim wkwn? mn: nmp gno wijp pmenv:rbtl! dido yr2w4me eom thx, to2wk

Komt u er niet uit, kijk dan op de volgende pagina voor de uitgewerkte tekst.

1 Kb 8 februari 2008, Staatsblad 2008, 45

›

2 Met dank aan de Succes Agenda

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 2

2

Deel I Assurantie Tussenpersoon

Schade Verzekeraar

hbiw,

Hier ben ik weer

Hoest,

Hoe is het ermee?

fg, 10q, ag?,

fine, thank you, alles goed?

OK,

o.k.

Q,

vraagje

zwia,

zullen we iets afspreken?

wswa,

waar spreken we af?

el,

even lunchen?

Ypom,

your place or mine?

bwjb,

blijf waar je bent

asap,

as soon as possible

2m,

tomorrow

2d,

today

8bjv,

acht uur bij jou vanavond

tg atm,

te gek, at this moment

bhm ibw,

bekijk het maar, ik ben weg

jam, ikz,

just a minute ik kom zo

oes,

over en sluiten

whco,

we houden contact

Deel II zww; bmt,

zijn we weer; bel me terug

kmk, kwim,

kort maar krachtig, know what I mean?

saf,

schade aangifte formulier

wkwn?

wat krijgen we nou?

nvv,

niet verder vertellen

mn: nmp,

mooi niet, not my problem

zkiww,

zo kan ie wel weer

gno,

gaat nergens over

hkjd?

hoe kom je daarbij?

wijp,

wat is jouw probleem

OVS art.5,

Overeenkomst Vereenvoudigde Schade regeling art. 5

pmenv :rbtl!

praat mij er niet van; read between the lines!

wjt, kikadewado,

weet jij toch? kind kan de was doen

dido,

dan is dat opgelost

hkjd,

hoe kom je daarbij

yr2w4me,

you are too wise for me

gbeo,

geluk bij een ongeluk

eom,

end of message

synt,

see you next time

thx, to2wk,

thanks, tot over twee weken.

‚ Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 3

3

Nederlandse verzekeringsconcerns in Europees perspectief Drs. J.K. Gorter en drs. P. Schilp – Het zijn roerige tijden op de financiële markten. De huidige turbulentie laat zien dat de financiële wereld een sterk internationaal karakter heeft. Mede door de invoering van Solvency II, zal de internationalisatiegraad van de Europese verzekeringsmarkt naar verwachting verder toenemen. Tegen deze achtergrond vergelijkt dit artikel de prestaties van de grootste Nederlandse verzekeringsconcerns met die van hun Europese peers. De Nederlandse concerns blijken in Europees perspectief matig te presteren. Als gevolg hiervan kunnen de Nederlandse instellingen onder druk komen te staan om hun strategie te herzien.

] 1. Inleiding De financiële sector is sterk in beweging. Terwijl financiële instellingen de gevolgen van de kredietcrisis nog aan het verwerken zijn, zoemt het in de markt van de fusie- en overnamegeruchten. Zo maken enkele activistische aandeelhouders zich op voor een nieuwe ronde en speuren diverse staatsfondsen naar ondergewaardeerde financiële instellingen. Momenteel staan twee grote Europese verzekeraars in het bijzonder in de aandacht: Generali uit Italië en Ergo uit Duitsland. Beide verzekeraars wordt door hedge funds een gebrekkige strategie en governance verweten. Overigens zijn verzekeraars zelf ook op overnamepad. Zo heeft SNS Reaal vorig jaar Axa Nederland ingelijfd en begin dit jaar Zwitserleven Nederland en Swiss Life Belgium overgenomen. Hierdoor is SNS Reaal na ING de grootste levensverzekeraar op de Nederlandse markt geworden. In de huidige marktdynamiek is het van belang te evalueren hoe Nederlandse verzekeringsconcerns presteren in Europees perspectief, zeker met het oog op invoering van Solvency II. Verdere integratie van de Europese verzekeringsmarkt is namelijk een belangrijke doelstelling van het Solvency II project, evenals een vergroting van het concurrentievermogen van Europese verzekeraars (zie bijvoorbeeld Steffen, 2008). De introductie van het risicogeoriënteerde en marktconsistente Solvency II (naar verwachting in 2012) zal tot een Europese harmonisatie van prudentiële regels leiden, waardoor de transparantie van de verzekeringsmarkt zal vergroten en de consolidatie en internationalisering naar verwachting verder toeneemt. Door de prestaties van de Nederlandse verzeke-

raars met die van een Europese peergroep te vergelijken, wordt duidelijk welke instellingen in staat zijn reserves op te bouwen en dus beter bestand zijn tegen crises. Ook schept het een beeld van de sporen die de toenemende internationale concurrentiestrijd op grote concerns achterlaat. Tabel 1 toont de Europese verzekeringsconcerns die worden betrokken in de analyse. Dit zijn, op basis van premie-inkomsten, de grootste verzekeraars van Europa.1 Met verzekeraars als Aegon, Eureko en ING behoort Nederland – net als het Verenigd Koninkrijk – tot de belangrijkste verzekeringslanden in Europa (en daarmee de wereld). Aangezien een aantal van onderstaande concerns naast verzekeringsactiviteiten ook substantiële bancaire activiteiten heeft, is de kopgroep van het Europese verzekeringswezen gemêleerd. Deze analyse vergelijkt zodoende primaire verzekeraars als Aegon en Swiss Life met breedgeoriënteerde conglomeraten als Fortis en ING. Dit leidt niet tot vertroebeling van de analyse, aangezien deze concerns elkaar ook als peers beschouwen.2 Tabel 1 laat zien dat voor veel concerns de thuismarkt niet de belangrijkste inkomstenbron is: negen concerns behalen minstens 50% van de premie-inkomsten uit het buitenland. Ook voor de overwegend nationaal opererende concerns vormt het buitenland een belangrijke inkomstenbron. De internationale oriëntatie van grote verzekeringsconcerns is sterker dan die van de grote Europese banken.3 PricewaterhouseCoopers (2006) geeft als verklaring dat grote verzekeraars al jaren geleden zijn geconfronteerd met de beperkte groeimogelijkheden in het thuisland. Het is daarom niet vreemd dat Nederland,

Janko Gorter en Paul Schilp zijn beiden werkzaam als beleidsmedewerker bij De Nederlandsche Bank op de afdeling Toezichtstrategie. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. 1

SNS Reaal behoort weliswaar niet tot deze groep, maar is vanwege het belang op de Nederlandse markt toch meegenomen.

2

Levensverzekeraar Aegon vergelijkt zijn prestatie onder andere met die van Allianz, Aviva, Axa, Fortis, Generali en Prudential; conglomeraat ING vergelijkt zijn prestaties onder andere met die van Aegon, Allianz, Aviva, Axa, Fortis en Prudential.

3

Zie Wesseling en Teunissen (2006).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 4

4 Tabel 1. Internationalisatiegraad grootste Europese verzekeringsconcerns ORIËNTATIE (i) Nationaal: minder dan 50% van de premie-inkomsten afkomstig uit buitenland (ii) Europees: meer dan 50% van de premie-inkomsten afkomstig uit buitenland en inkomsten uit Europa zijn groter dan uit de rest van de wereld (iii) Mondiaal: meer dan 50% van de premie-inkomsten afkomstig uit buitenland en inkomsten uit de rest van de wereld zijn groter dan uit Europa

VERZEKERINGSCONCERN CNP (FR), Ergo (DE), Eureko (NL), Legal & General (VK), Prudential (VK), SNS Reaal (NL), Standard Life (VK), Swiss Life (CH) Allianz (DE), Aviva (VK), Axa (FR), Fortis (BE/NL), Generali (IT), Zurich Financial Services (CH)

Aegon (NL), ING (NL), Royal & Sun Alliance (VK)

Bron: Wesseling en Teunissen (2006) en jaarverslagen.

met een verzadigde thuismarkt, twee mondiale concerns kent (Aegon en ING). Dit artikel analyseert de prestaties van de vijf grootste Nederlandse concerns met significante verzekeringsactiviteiten (Aegon, Eureko, Fortis, ING en SNS Reaal) in Europees perspectief.4 In het vervolg wordt ingegaan op de financiële prestaties (§ 2) en het risicoprofiel (§ 3) van de Europese verzekeringsconcerns, en wordt afgesloten met een korte conclusie (§ 4). ] 2. Financiële prestaties Twee veelgebruikte maatstaven voor de winstgevendheid zijn het rendement op het eigen vermogen (Return on Equity, RoE) en het rendement op de totale activa (Return on Assets, RoA). Figuur 1 geeft beide maatstaven voor 2006 weer (overigens is het beeld voor 2005 in hoge mate vergelijkbaar).5 In de figuur hebben financiële instellingen links (rechts) van de verticale stippellijn een benedengemiddelde (bovengemiddelde) RoE, en financiële instellingen onder (boven) de horizontale stippellijn een benedengemiddelde (bovengemiddelde) RoA. De diagonale scheidslijn geeft de gemiddelde hefboom, de verhouding tussen RoE en RoA, weer. Concerns boven (onder) deze lijn passen een benedengemiddelde (bovengemiddelde) hefboom toe.6 De winstgevendheid varieert sterk. Sommige Europese concerns, te weten Aviva, Generali, Prudential en Zurich Financial, presteren naar beide maatstaven goed (kwadrant rechtsboven), andere concerns, waaronder de Nederlandse, doen het aanzienlijk minder. Met name SNS Reaal presteert naar beide maatstaven matig. SNS Reaal heeft met zijn binnenlandse focus duidelijk last van de verzadiging van de Nederlandse levensverzeke-

ringssector. De overige Nederlandse concerns hebben ofwel een behoorlijke RoA (Aegon, Eureko) ofwel een behoorlijke RoE (Fortis, ING), maar niet allebei. Dat laatste wordt verklaard door de financieringsstructuur van de Nederlandse instellingen. De primaire verzekeraars Aegon en Eureko houden relatief veel eigen vermogen aan (respectievelijk 7% en 11% van het balanstotaal) en maken dus in beperkte mate gebruik van hefboomfinanciering. Als gevolg hiervan is een bovengemiddelde RoE moeilijk te realiseren. Hun hoge RoA wordt voornamelijk veroorzaakt door een winstgevende nieuwe productie van leven- en pensioenproducten. Aan de andere kant van het spectrum staan de financiële conglomeraten Fortis en ING. Deze concerns houden relatief juist weinig eigen vermogen aan (3% van het balanstotaal) en maken dus bovengemiddeld gebruik van hefboomfinanciering. Hierdoor neemt – ceteris paribus – niet alleen het verwachte rendement toe, maar ook de volatiliteit van het rendement. Daarmee leidt een hogere hefboomfinanciering op zichzelf tot een hoger risicoprofiel. Dit is niet zichtbaar in figuur 1; in paragraaf 4 wordt hierop nader ingegaan. Het is interessant te bezien in hoeverre de financiële prestaties van de onderzochte concerns door aandeelhouders worden gewaardeerd. Hiertoe zet figuur 2 de RoE van de diverse concerns af tegen hun marktwaarde/boekwaarde-ratio, ofwel de verhouding marktwaarde van het eigen vermogen staat tot boekwaarde van het eigen vermogen.7 Laatstgenoemde ratio geeft inzage in de verwachte toekomstige winstgevendheid van de beursgenoteerde verzekeringsconcerns. Figuur 2 laat zien dat verzekeraars met een goede (matige) huidige winstgevendheid in het algemeen ook een goede (matige) toekomstige winstgevendheid wordt toebedacht. Zo vertaalt de lage RoE van onder andere

4

Vanwege het belang van Fortis in Nederland, wordt deze bankverzekeraar in deze analyse als Nederlands concern beschouwd.

5

Zowel de RoE als de RoA is berekend vóór belastingen.

6

De verhouding RoA staat tot RoE is identiek aan de verhouding eigen vermogen staat tot balanstotaal. Concerns boven de diagonale lijn houden relatief veel eigen vermogen aan en passen derhalve een lagere hefboom toe.

7

Cijfers betreffen 2006. Het beeld voor 2005 is sterk vergelijkbaar.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 5

Nederlandse verzekeringsconcerns in Europees perspectief

5

Figuur 1. Rendement en hefboom, 2006 RoA (%)

2,0 Zurich Financial

1,5

Eureko Aviva Axa

Aegon 1,0

Allianz

Generali Ergo

0,5

Legal & General

ING

Fortis Standard Life

CNP

Royal & Sun Alliance

Prudential

SNS Reaal Swiss life

0,0 0

5

10

15

20

25

30

35

40

RoE (%)

Bron: ISIS Noot: gemiddelde rendementen zijn aangegeven met stippellijnen. Diagonale lijn weerspiegelt de gemiddelde hefboom in de steekproef; instellingen boven (onder) deze lijn passen een benedengemiddelde (bovengemiddelde) hefboomfinanciering toe.

Figuur 2. Rendement en markwaardering, 2006

Marktwaarde/boekwaarde-ratio*

4,0

Generali

3,5

Prudential 3,0 Ergo 2,5

ING

Aviva Standard Life

2,0

Aegon

1,5

Fortis

Allianz

Royal & Sun Alliance

Swiss Life

Legal & General

Axa Zurich Financial

CNP SNS Reaal

1,0 5

10

15

20

25

30

35

40 RoE (%)

Bron: ISIS en Thomson Financial Datastream Noot: * ultimo 2006. Stippellijnen geven gemiddelden weer. Eureko is niet beursgenoteerd en daarom niet weergegeven.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 6

6

Figuur 3. Verandering aandelenkoers en verwachte ontwikkeling winst per aandeel, 2007

Verandering aandelenprijs (%)

20 Ergo

10

CNP Generali

Zurich Financial

0

Royal & Sun Alliance

-10

Reaal

Swiss Life

Axa

Legal & General

Standard Life

Aviva

Aegon

Prudential

SNS

Allianz

-20

ING

-30

Fortis

-40 -15

-10

-5

0

5

10

15

20

25

30

Verwachte ontwikkeling winst per aandeel (%) *

Bron: Thomson Financial Datastream Noot: * verwachting op 31 december 2007. Stippellijnen geven steekproefgemiddelden aan. Eureko is niet beursgenoteerd en is daarom niet weergegeven.

Aegon, Allianz, Axa en SNS Reaal (kwadrant linksonder) zich in een lage marktwaardering. Vice versa hebben beleggers veel vertrouwen in de capaciteiten van bijvoorbeeld Ergo, Generali, ING en Prudential (kwadrant rechtsboven) om de bovengemiddelde winstgevendheid op peil te houden. In tegenstelling tot ING, hebben Ergo, Generali en Prudential bovendien een laag dividendrendement (verhouding dividend staat tot aandelenprijs), wat ook duidt op een bovengemiddeld groeipotentieel.8 Immers, de winsten worden niet uitgekeerd maar direct in het bedrijf geïnvesteerd. Overigens lijkt het verband tussen historische prestaties enerzijds en verwachte toekomstige prestaties anderzijds niet op te gaan voor de concerns in het kwadrant rechtsonder − i.e. Fortis, Legal & General en Zurich Financial. Deze concerns hebben stuk voor stuk een bovengemiddelde rentabiliteit (zowel in 2005 als in 2006), maar worden als zodanig niet beloond op de beurs. Ook het afgelopen jaar hingen de financiële prestaties en de marktwaardering van de onderzochte

8

concerns samen, zij het in mindere mate (zie figuur 3). De verandering van de aandelenprijs over 2007 blijkt gematigd positief te correleren met de verwachte ontwikkeling van de winst per aandeel over diezelfde periode.9 Mede vanwege de marktturbulentie is de relatie tussen recente prestaties en beurswaardering het afgelopen jaar minder eenduidig geweest dan in eerdere jaren. Diverse concerns wijken af van de veronderstelde samenhang, zoals de verzekeraars in het kwadrant linksboven. Hoewel deze instellingen naar verwachting een resultaatsverslechtering hebben neergezet, bleek hun beurswaarde daaronder relatief weinig te lijden. Dit geldt in het bijzonder voor de Duitse verzekeraar Ergo. Hoewel Ergo’s winst per aandeel naar verwachting daalt − onder andere door de gevolgen van winterstorm Kyril10− is de aandelenkoers gestegen. Deze anomalie is goed verklaarbaar: sinds 13 december 2007 staat de Munich Re groep, waar Ergo deel van uitmaakt, publiek onder druk van Cevian, een Zweedse activistische aandeelhouder. Cevian heeft bijna 3% van het aandelenkapitaal in handen en wil naar ver-

Het dividendrendement van Ergo, Generali, ING en Prudential bedroeg in 2006 respectievelijk 0,9%, 2,1%, 3,6% en 2,4%. Het gemiddelde dividendrendement van de peergroep bedroeg in datzelfde jaar 2,7%.

9

Data voor de verwachte winst per aandeel zijn afkomstig van de Institutional Brokers’ Estimate System. I/B/E/S is een database met voorspellingen van financieel analisten voor tienduizenden bedrijven wereldwijd.

10

Winterstorm Kyril raasde in januari 2007 over het Europese vasteland, waarbij met name Duitsland zwaar werd getroffen. De totale schade van deze storm is geschat op circa € 6 miljard. Hiervan komt naar verwachting 10% voor rekening van de Munich Re groep, waar Ergo deel van uitmaakt. De schade voor de Nederlandse schadeverzekeraars is door het Verbond van Verzekeraars geraamd op € 300 miljoen.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 7

Nederlandse verzekeringsconcerns in Europees perspectief

luidt een opsplitsing van herverzekeraar Munich Re en verzekeraar Ergo bewerkstelligen. De combinatie van verzekeren en herverzekeren zou onvoldoende waarde creëren. In reactie op dit nieuws steeg de koers van Ergo in één dag met 13%. Zonder dit nieuws zou de koers van het aandeel Ergo op het niveau van begin 2007 hebben gestaan, wat meer in lijn is met Ergo’s lagere winstverwachting voor dit jaar. Er zijn het afgelopen jaar ook concerns geweest, die ondanks goede prestaties zijn afgestraft op de beurs (figuur 3, kwadrant rechtsonder). Eén van die concerns is ING. Hoewel het ‘subprime risico’ voor de Nederlandse concerns beperkt is (zie box 1), heeft ING in 2007 bijzonder veel marktwaarde moeten inleveren. Dit is onder meer terug te voeren op de sterke verwevenheid van ING met de kwakkelende Amerikaanse economie: circa de helft van het premie-inkomen wordt verdiend in NoordAmerika. Daarnaast staan banken en conglomeraten – zoals ING – in de huidige marktonrust gemiddeld genomen meer onder druk dan pure verzekeraars, daar de oorsprong van deze crisis in het bankwezen ligt. Dit geldt daarom ook voor Fortis. Dit Belgisch-Nederlands conglomeraat heeft in 2007 éénderde van zijn beurswaarde verloren. Naast de kredietcrisis lijdt de beurswaarde van Fortis vermoedelijk ook onder de onzekerheid omtrent (de effecten van) de overname van ABN Amro. Box 1. Subprime risico Nederlandse verzekeringsconcerns beperkt Sinds de zomermaanden van 2007 bevinden de financiële markten zich in onrustig vaarwater. De bron van de problemen is de Amerikaanse huizenmarkt, waarop woningen vaak met een variabele rente zijn gefinancierd. Vanwege de stijgende rente in 2007 zijn veel huiseigenaren met substantieel hogere maandlasten geconfronteerd. Mede hierdoor vinden veel gedwongen huisverkopen plaats en staat de Amerikaanse woningmarkt sterk onder druk. Wanbetalingen lopen met name op bij leningen aan minder kredietwaardige huiseigenaren, de zogenoemde subprime markt. De onrust op de financiële markten duurt voort omdat , vanwege de grootschalige securitisering, nog altijd niet precies duidelijk is waar de kredietrisico’s neerslaan. De onzekerheid houdt ook aan, omdat de afwaardering van exposures op deze risico’s met vertraging doorwerkt. DNB heeft een inventarisatie gemaakt van de risico’s die de Nederlandse verzekeraars lopen ten aanzien van ontwikkelingen op de Amerikaanse hypotheekmarkt (DNB, 2008). Deze inventarisatie bevestigt dat de gevoeligheid van Nederlandse verzekeraars voor subprime risico’s beperkt is. De directe uitzettingen op de Amerikaanse hypo-

11

7

theekmarkt zijn bescheiden. Gemiddeld is slechts 1% van het totale belegde vermogen in subprime beleggingen geïnvesteerd. Alhoewel onzekerheid bestaat over de kwaliteit van de veelal hoge ratings (AAA of AA), duiden ook de geringe afboekingen op subprime beleggingen over 2007 op vooralsnog beperkte risico’s voor de Nederlandse verzekeraars. Dat de potentiële directe impact van problemen bij Amerikaanse monoline verzekeraars evenzo bescheiden lijkt, onderstreept dat de risico’s van Nederlandse concerns thans beheerst zijn. Niettemin blijft DNB de ontwikkelingen nauwlettend volgen, aangezien de onrust op de financiële markten voortduurt.

] 3. Risico Een eerste risico-indicator op basis waarvan de verschillende concerns worden vergeleken, betreft de solvabiliteitspositie. Deze maatstaf, de hefboom van § 2, is gedefinieerd als de verhouding eigen vermogen staat tot balanstotaal. De solvabiliteitspositie (kortweg: solvabiliteit) verschaft inzage in de hoogte van het risicodragend vermogen (voornamelijk afhankelijk van markt- en verzekeringstechnisch risico). In figuur 4 wordt de solvabiliteit van de diverse concerns afgezet tegen het relatieve belang van schadeverzekeringen in hun totale premieomzet. Deze variabelen hangen positief samen: in het algemeen beschikken concerns met relatief omvangrijke schadeverzekeringsactiviteiten, zoals Eureko, Royal & Sun Alliance en Zurich Financial, over een bovengemiddelde solvabiliteit. Omgekeerd houden pure levensverzekeraars als Prudential en Legal & General een benedengemiddelde kapitaalbuffer aan. De observatie dat schadeverzekeraars gemiddeld genomen een hogere solvabiliteit aanhouden, stemt overeen met de kortere termijn focus van deze verzekeraars. Door de kortere looptijd van schadeverzekeringscontracten, is het verzekeringstechnische resultaat van een schadeverzekeraar gemiddeld genomen meer volatiel dan dat van een levensverzekeraar. Om deze winstfluctuaties op te vangen is ceteris paribus meer bufferkapitaal nodig.11 In figuur 4 valt de positie van Aegon op. Deze verzekeraar had in 2006 een aanmerkelijk hogere solvabiliteit dan de andere primaire levensverzekeraars in de peergroep. Verschillende factoren kunnen hieraan ten grondslag liggen, maar het feit dat Aegon in 2007 voor EUR 1 miljard aan eigen aandelen heeft ingekocht, duidt op een ruime solvabiliteitspositie in 2006.

Ter voorbereiding van het nieuwe solvabiliteitsregime Solvency II, worden zogenoemde quantitative impact studies (QIS) gehouden. Deze studies bieden inzicht in de gevolgen van het toekomstige regime voor verzekeraars. Bij de derde kwantitatieve impact studie (QIS3) is naar voren gekomen dat de belangrijkste risicocomponent voor schadeverzekeraars het verzekeringstechnische risico is, en voor levensverzekeraars het marktrisico. (Zie DNB, 2007).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 8

8

Figuur 4. Solvabiliteit versus belang schadeverzekeringen, 2006

Solvabiliteit (%)

14

12

Eureko

Royal & Sun Alliance

10

8

Zurich Financial

Aegon

Axa

6 Swiss life SNS S Reaall CNP

4

Aviva

Ergo ING Legal & General

2

Allianz

Generali Fortis

Prudential 0 0

20

40

60

80

100

Aandeel schade in totale premieomzet (%)

Bron: ISIS

Figuur 5. Idiosyncratisch en systematisch risico, 2007

Idiosyncratisch risico

2,0 Ergo

Standard Life

CNP

idiosyncr. risico 3,1 syst. risico 0,1

Fortis 1,5 Royal & Sun Alliance SNS S Reaall

Prudential

1,0

Allianz

Legal & General Aviva

Swiss Life Aegon Generali

Axa

Zurich Fin.

0,5

ING

0,0 0,6

0,8

1,0

1,2

1,4

1,6 Systematisch risico

Bron: Thomson Financial Datastream Noot: Stippellijnen geven steekproefgemiddelden aan. Eureko is niet beursgenoteerd en daarom niet weergegeven.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‚


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 9

Nederlandse verzekeringsconcerns in Europees perspectief

9

Tabel 2. Rangorde Nederlandse concerns in Europees perspectief, 2006/2007 Indicator

Positie

ROE (2006) ROA (2006) Marktwaarde/boekwaarde (2006) Beurskoersontwikkeling (2007) Solvabiliteit (2006) Specifiek risico (2007) Marktrisico (2007) Gemiddelde score

Aegon

Eureko

Fortis

ING

SNS Reaal

NL*

13 4 13 11 4 5 7 8

16 2 – – 2 – – 7

5 13 7 15 14 13 10 11

6 11 4 14 13 1 8 8

14 16 16 8 11 10 2 11

11 9 10 12 9 7 7 9

Noot: * afgerond, ongewogen gemiddelde van de rang van de vijf Nederlandse concerns (voor zover beschikbaar).

Ter aanvulling op de solvabiliteitsvergelijking in figuur 4 is een risicoanalyse op basis van marktwaarden uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van het Capital Asset Pricing Model.12 In figuur 5 zijn de uitkomsten van deze analyse weergeven. Deze figuur zet het idiosyncratische risico (of specifieke risico) van de diverse concerns af tegen het systematische risico (of marktrisico). Het idiosyncratische risico weerspiegelt de gevoeligheid van het rendement van de verzekeraar voor factoren die specifiek betrekking hebben op de betreffende verzekeraar. Het systematische risico betreft de gevoeligheid van het rendement voor algemene marktontwikkelingen.13 De Nederlandse concerns hebben, met uitzondering van Fortis, een benedengemiddeld risicoprofiel: zowel het specifieke risico als het marktrisico is relatief laag. SNS Reaal kent het op één na laagste systematische risico en ING heeft het laagste specifieke risico. Het lage idiosyncratische risico van ING (dat overigens ook blijkt uit cijfers voor 2006) strookt met de gangbare visie dat de combinatie van een bank en een verzekeraar tot een significante afname van het risicoprofiel leidt.14 Zo verschaft de tegengestelde looptijdenstructuur op de balans van een bank en een verzekeraar een natuurlijke hedge van het renterisico. De hoge risicoscores voor Fortis getuigen van een roerig jaar. Van de buitenlandse concerns hebben Axa en Prudential het hoogste systematische risico; het Italiaanse Generali kent zowel een laag specifiek- als marktrisico.

12

] 4. Conclusie De grootste Nederlandse verzekeringsconcerns presteren matig in vergelijking tot hun Europese peers (zie tabel 2). Hoewel de Nederlandse concerns naar sommige indicatoren goed presteren, behoren ze gemiddeld genomen niet tot de beste vijf. De Nederlandse financiële instellingen worden gekenmerkt door een relatief negatieve beurskoersontwikkeling, waarbij met name Fortis en ING hard zijn geraakt. Verder valt op dat SNS Reaal op géén van de vier winstindicatoren goed scoort. De verzadiging van de Nederlandse levensverzekeringssector speelt dit conglomeraat duidelijk parten. Wat betreft risico’s presteren de Nederlandse concerns aanzienlijk beter. Aegon heeft in het bijzonder een laag risicoprofiel. Hoewel ING een hoge hefboomfinanciering toepast, heeft dit conglomeraat het laagste specifieke risico van de Europese peergroep. Dit stemt overeen met de heersende opinie dat de combinatie van een bank en een verzekeraar tot een significante afname van het risicoprofiel leidt. Het relatief lage risicoprofiel van de Nederlandse concerns leidt overigens niet tot een algemene top-5 notering. Het lijkt er op dat de matige winstgevendheid van de Nederlandse instellingen slechts gedeeltelijk is terug te voeren op een voorzichtiger risicoprofiel.

Volgens deze theorie bestaat het verwachte rendement op bijvoorbeeld (willekeurig) een aandeel Aegon uit de som van het risicovrije rendement (bijvoorbeeld rendement op een staatsobligatie) en een risicopremie. Deze risicopremie is slechts ter compensatie van het systematische risico dat Aegon loopt. Het specifieke risico van Aegon wordt niet geprijsd, omdat dat door diversificatie binnen een beleggingsportefeuille kan worden geëlimineerd. In het voorbeeld van Aegon kan het systematische risico worden bepaald door het dagelijkse rendement op het aandeel Aegon te relateren aan het dagelijkse rendement op een brede marktindex, zoals de Dow Jones Euro Stoxx index. Het deel van het rendement op Aegon dat niet door marktontwikkelingen kan worden verklaard, bepaalt het specifieke risico van Aegon. Zie Bodie, Kane en Marcus (1999) voor een verdere beschrijving van CAPM.

13

Voor de verzekeringsconcerns uit het eurogebied, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland zijn respectievelijk de Dow Jones Euro Stoxx index, de FTSE 100 index en de Swiss Market index, als maatstaven voor de algemene marktontwikkelingen gebruikt.

14

Zie Knot (2007), Bikker en Van Lelyveld (2003) en Oliver, Wyman and Company (2001).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 10

10

Als gevolg van de matige prestaties kunnen de Nederlandse concerns op termijn onder druk komen te staan om de strategie te herzien. Een dergelijk scenario is een ondernemingsrisico voor financiële instellingen, met name in een omgeving van activistisch aandeelhouderschap en internationale consolidatie. Aangezien de ruimte voor internationale concurrentie de komende jaren naar verwachting toeneemt, onder andere door de invoering van Solvency II, is het van belang dat de Nederlandse verzekeraars trachten hun concurrentiepositie te versterken.

Referenties Bikker, J.A. en I.P.P. van Lelyveld (2003), Economic versus regulatory capital for Financial conglomerates, in: Banking supervision at the crossroads (editors T.K. Kuppens, H.M. Prast, A.A.T. Wesseling), Cheltenham UK: Edward Elgar. Bodie Z., A. Kane en A.J. Marcus (1999), Investments, Irwin McGraw-Hill. Bos, J.W.B., J.A.J. Draulans, D. van den Kommer en B.A. Verhoef (2006), An international scorecard for measuring bank performance: The case of Dutch Banks, DNB Occasional Studies 4, nr. 2. DNB (2007), Solvency II: op weg naar een nieuw toezichtkader voor verzekeraars, DNB Kwartaalbericht december 2007, pp. 55-59. DNB (2008), Kwartaalbericht maart 2008 Knot, K. (2007), Eén plus één is anderhalf: de waardering van financiële conglomeraten, Oratie Rijksuniversiteit Groningen. Oliver, Wyman and Company (2001), Study on the risk profile and capital adequacy of financial conglomerates, London: Oliver, Wyman and Company. PricewaterhouseCoopers (2006), Financial Services M&A: review of and outlook for mergers and acquisitions in the European financial services market, PricewaterhouseCoopers. Steffen, T. (2008), Solvency II and the work of CEIOPS, The Geneva Papers on Risk and Insurance – Issues and Practice 33, nr. 1, pp. 60-65. Wesseling, A.A.T. en M.S. Teunissen (2006), Hoe internationaal is de Europese verzekeringssector?, Het Verzekerings-Archief 1-2006, pp. 7-12. ‹

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 11

11

Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp Over alternatieven voor de huidige wijze van afkopen*

M.P.M. Visser MSc en dr. ir. W.J. Willemse – In het geval van afkoop kan een polishouder het ‘eigendomsrecht’ van zijn polis alleen aan de verzekeraar verkopen waarbij hij de polis heeft afgesloten; verzekeraars hebben een zogenaamd kopersmonopolie. In thans opkomende secundaire verzekeringsmarkten kunnen polishouders hun ‘eigendomsrechten’ ook verkopen aan andere partijen dan de originele verzekeraar. Vanwege een hogere economische waarde van de polis betalen zij de polishouder meer dan de afkoopwaarde. Deze ontwikkeling kan invloed hebben op de wijze waarop verzekeraars afkoopwaarden van levensverzekeringsproducten vaststellen. Over secundaire verzekeringsmarkten, waar ‘eigendomsrechten’ van verzekeringspolissen verkocht kunnen worden aan derden, en de mogelijke gevolgen is in Nederland nog weinig gepubliceerd. Dit artikel geeft allereerst een overzicht van de huidige stand van zaken rond de secundaire verzekeringsmarkt. Vervolgens zal ingegaan worden op de mogelijke gevolgen van deze markt voor afkoop en wordt een nieuwe methode geïntroduceerd om de afkoopwaarde te berekenen, die meer aansluit bij de economische waarde van verzekeringspolissen.

] De secundaire verzekeringsmarkt Diverse landen – met name de Verenigde Staten, maar bijvoorbeeld ook het Verenigd Koninkrijk – kennen een alternatief voor afkoop van verzekeringspolissen: verkoop op de secundaire verzekeringsmarkt. Dit artikel gaat over deze verzekeringsmarkt, de markt waar het ‘eigendomsrecht’ van een levensverzekeringspolis verkocht kan worden aan een derde persoon, die geen belang heeft in het leven van de verzekerde. Over de secundaire markt voor levensverzekeringen is nog maar weinig gepubliceerd. In 1996 verscheen het eerste actuariële artikel over dergelijke markten (McGurk, 1996). Pas in 2003 verscheen er een studie naar de economische effecten van deze markt (Bhattacharya e.a., 2003). Sinds 2005 is er meer gepubliceerd over het onderwerp.

] Het ontstaan van een secundaire markt voor verzekeringen Een secundaire verzekeringsmarkt bestond voorheen als ‘ondergrondse’ markt. Het was een markt waar flink gespeculeerd werd, voortkomend uit de oorsprong van de verzekering, waarbij gokken een belangrijke rol heeft gespeeld. Om de grote gokmarkt op menselijke levens te verbieden, werd in Groot-Brittannië in 1774 de Life Assurance Act aangenomen. Deze wet verbood de uitgifte van polissen op levens waar de polishouder geen belang bij heeft. Via jurisprudentie ontwikkelde zich de wetsinterpretatie van dit ‘verzekerbare belang’ Uiteindelijk werd in 1854, in de zaak Dalby versus India & London Life, vastgesteld dat dit belang alleen hoefde te bestaan op het moment van afsluiten. Zodoende zijn polissen in GrootBrittanië na afsluiten overdraagbaar. De eerste publieke

M.P.M. (Martijn) Visser MSc. is Master in de Actuariële wetenschappen en dr. ir. W.J. Willemse is werkzaam bij De Nederlandsche Bank en de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. De opvattingen die erin naar voren worden gebracht zijn niet noodzakelijk die van De Nederlandsche Bank. * Dit artikel is een vervolg op het artikel ‘Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp. Het afkopen van levensverzekeringen bezien vanuit de polishouder’ van de eerste auteur, in Het Verzekerings-Archief 2007, p. 144

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 12

12

veiling van polissen in Groot-Brittannië vond al plaats in 1843 (McGurk, 1996). De grondlegger van de Amerikaanse actuariële school, Elizur Wright, bezocht in 1844 een dergelijke veiling van bestaande levensverzekeringen op de Londense ‘Royal Exchange’. Wright maakte zich zorgen over het gebrek aan regelgeving bij deze transacties en vergeleek dit zelfs met slavernij. Hij introduceerde bij terugkomst in de Verenigde Staten het recht op afkoop in zijn thuisstaat Massachusetts (de mogelijkheid tot afkoop bestond al wel bij diverse verzekeraars). Dit recht betekende dat een polis als het ware teruggekocht moest worden door de verzekeraar. Wright liet ook voorschrijven dat de afkoopwaarde berekend moest worden via de zogenaamde ‘cash value formula’. Alleen polissen, waarvan de marktwaarde vele malen groter was dan de waarde die de verzekeraar toekende, mochten nog op de secundaire markt verhandeld worden. Het doel van Wright’s hervormingen was om eerlijkheid te scheppen voor polishouders die hun polis wilde beëindigen. De hervormingen creëerden echter ook een kopersmonopolie: de verkopende polishouder kon zijn polis alleen aan de verzekeraar verkopen. Om dit monopolie te doorbreken, zouden kopers gevonden moeten worden die meer dan de afkoopwaarde wilden betalen. Rond 1900 werd in de Verenigde Staten daarom het recht om niet langer gewenste verzekeringen aan derden door de verkopen erkend (Belth, 2002; Coventry, 2006). ] Sterke marktgroei door aids-epidemie De secundaire verzekeringsmarkt, waarvan het ontstaan hierboven is beschreven, bleef lange tijd een beperkte markt in zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten. De sterke groei van de markt in beide landen is een relatief recent verschijnsel en ontstond in de late jaren tachtig als reactie op de aids-epidemie. Veel jonge HIV-geïnfecteerde mensen hadden snel geld nodig om hun medicatie te betalen en levensstandaard te behouden. Langetermijn bezittingen hadden geen waarde meer voor hen en op zoek naar liquide middelen werd ook getracht levensverzekeringen te verkopen. Door hun sterk verlaagde levensverwachting nam de gedisconteerde waarde van de uitkering bij overlijden sterk toe en overschreed de afkoopwaarde ruim. Zo ontstond al snel een ondergrondse, speculatieve markt, waaraan de moderne secundaire

verzekeringsmarkt nog steeds een negatief imago heeft overgehouden (Doherty & Singer, 2002). De markt groeide sterk toen eind jaren tachtig van de vorige eeuw geregistreerde maatschappijen een actieve rol ging spelen in de waardering van de polissen en de bemiddeling tussen kopers en verkopers. In het Verenigd Koninkrijk was ‘Policy Network’ in 1988 de eerste maatschappij die dit deed (McGurk, 1996), in de Verenigde Staten werd ‘Living Benefits Inc.’ in 1989 actief op de secundaire markt (Belth, 2002). Ook in Duitsland is er nu minimaal één organisatie actief die polissen verhandelt op een secundaire verzekeringsmarkt. De Duitse consumentenbelangenorganisatie ‘Bundesverband Vermögens-anlagen im Zweitmarkt Lebensversicherungen’ (BVZL) handelt op dezelfde manier als de spelers op de Amerikaanse en Britse secundaire markt (AM, 2006). ] Zoektocht naar nieuwe groeimogelijkheden Rond de eeuwwisseling verbeterde de medicatie voor aids-patiënten sterk, waardoor ook de levensverwachting van aids-patiënten toenam en de secundaire markt minder winstgevend werd. Dit leidde tot een zoektocht naar nieuwe groeimogelijkheden. Door verdere ontwikkeling van hun eenvoudige modellen en methoden zijn de kopers op de secundaire markt nu in staat ook polissen op te kopen van niet-terminale zieken met een verslechterde levensverwachting (Doherty & Singer, 2002). De secundaire markt voor terminaal zieken wordt de ‘viaticaire’2 markt genoemd. Verbeterde technieken en een zoektocht naar nieuwe markten door afnemende winstmarges zorgden voor het ontstaan van de zogenaamde ‘life settlements’ markt. Ook polissen van individuen ouder dan 65 jaar konden nu gekocht worden, mits zij een achteruitgang van gezondheid hebben gekend en een resterende levensverwachting van tussen de zes en twaalf jaar. Bij een langere levensverwachting is de kans op onverwacht lang leven te groot, en dat leidt tot het uitsmeren van het rendement over meerdere jaren, waardoor het rendement van de investering te laag wordt (Doherty & Singer, 2002). Tabel 1 geeft een duidelijk overzicht van de kenmerken van beide markten in de Verenigde Staten.

Tabel 1: Viaticaire markt versus ‘life settlements’ markt in de Verenigde Staten Kenmerken

Viaticaire markt

‘Life Settlements’ markt

Verzekerd bedrag

< $ 100.000, meestal tussen de $ 25.000 en $ 50.000

< $ 100.000, meestal groter dan $ 250.000

Polishouder

Terminaal zieken tussen de 25 en 44 jaar oud

Ouderen van boven de 65 jaar oud

Resterende levensverwachting

< 2 jaar, meestal minder dan 12 maanden

< 2 jaar en meestal tot 12 of 15 jaar

Bron: Deloitte (2005)

2

Viaticum is een oude term voor reis- en teergeld. Voor katholieken is het viaticum de laatste Communie en onderdeel van de laatste sacramenten.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 13

Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp

13

] Negatieve houding van verzekeraars Verzekeraars hebben voornamelijk negatief gereageerd op de aanwezigheid van de secundaire markt voor levensverzekeringen. Een groot deel van dit negativisme is waarschijnlijk te verklaren doordat verzekeraars hun kopersmonopolie zijn kwijtgeraakt en daardoor hun winsten op afkoop onder druk zien staan. Er is in de Verenigde Staten door verzekeraars veel gelobbyd om de groei van de secundaire markt te verhinderen. Daarnaast hebben verzekeraars ook zelf maatregelen genomen om de aantrekkelijkheid van de markt te verminderen. Sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw bestaan er zogenaamde ADB’s (Accelerated Death Benefits) in de markt: opties om de overlijdensuitkering al voor 25 tot 100% vervroegd op te nemen, wanneer aan enkele medische voorwaarden wordt voldaan (Doherty & Singer, 2002).

Figuur 1: Economische waarde en afkoopwaarde

] Werking van de secundaire verzekeringsmarkt: het verband met de afkoopwaarde Zoals al eerder aangegeven wordt op de secundaire verzekeringsmarkt het eigendomsrecht van een levensverzekeringspolis verkocht aan een derde partij, die geen direct belang heeft in het leven van de verzekerde. De polisverplichtingen blijven, in tegenstelling tot bij afkoop, nog steeds gelden voor de verzekeraar. Als gevolg van de transactie ontvangt de koper van de polis dus een financieel belang in een vroege dood van de verzekerde. Waarom bestaat de secundaire verzekeringsmarkt eigenlijk? Waarom zijn er winsten te halen voor kopers op deze markt? Kunnen verzekeraars dit gat niet opvullen? Om deze vragen te beantwoorden is het nodig nader te kijken naar de afkoopwaarden die verzekeraars aan afkopende polishouders toekennen. Als de polishouder oordeelt dat hij de polis niet langer nodig heeft, wenst hij de waarde te ontvangen die hij tot dan toe heeft opgebouwd. Mocht deze afkoopoptie niet bestaan, dan zou de vraag naar levensverzekeringen door onzekerheid over toekomstige behoeften sterk afnemen, vandaar dat verzekeraars afkoop mogelijk maken. De afkoopwaarde voor een individuele polishouder wordt berekend aan de hand van de verstreken loopduur, de poliskenmerken etc. Een belangrijk aspect voor het verklaren van het bestaan van de secundaire markt is echter dat de afkoopwaarde voor een individuele polishouder door de verzekeraar berekend wordt op basis van de gemiddelde verwachtingen van de sterftetrend en de ontwikkeling van interest, kosten en rendementen. Als deze verwachtingen voor een individuele verzekerde verschillen van deze gemiddelde verwachting of als de interest waarmee gerekend is afwijkt van de kapitaalmarktrente dan verschilt de economische waarde van de individuele polis van de (gemiddelde) afkoopwaarde. Indien de sterfteverwachting van een individuele verzekerde slechter is dan de gemiddelde sterfteverwachting, zal een overlijdensuitkering naar verwachting eerder plaatsvinden dan gemiddeld. Zodoende ligt de economische waarde van deze polis hoger dan de gemiddelde economische waarde en ook de afkoopwaarde, hetgeen in figuur 1 geïllustreerd wordt.

Het verschil tussen de economische waarde van de gemiddelde polis en de afkoopwaarde is de marge die een verzekeraar opstrijkt, met daarin tevens een kostenvergoeding. Dit doet vermoeden dat ook bij andere afwijkingen van gemiddelde verwachte parameters polissen via een secundaire markt verkocht kunnen worden. Als de huidige verwachte rendementen bijvoorbeeld lager liggen dan de rendementen waarmee de afkoopwaarde berekend wordt, ligt de economische waarde van polissen ook hoger dan de afkoopwaarde. In Duitsland heeft de belangenorganisatie BVZL een enorme stijging van aankopen op de secundaire markt meegemaakt, toen de rentestanden en –verwachtingen laag waren (AM, 2006).

Poliswaarde

Uitkeringswaarde

Poliswaarde van 65-jarige in slechte gezondheid

Economische waarde bij gemiddelde gezondheid

40 jaar

Afkoopwaarde bij gemiddelde gezondheid

65 jaar

Leeftijd

(Doherty & Singer, 2002)

] De omvang van de secundaire verzekeringsmarkt Hoe groot is de secundaire verzekeringsmarkt? De secundaire verzekeringsmarkt in Groot-Brittannië verhandelde in 1996 voor 200 miljoen pond aan polissen. Naar schatting was dat 25% van het dan geldende potentieel (McGurk, 1996). Op de Amerikaanse life settlements markt werd er anno 2002 voor $ 2 miljard aan poliswaarde verhandeld. Naar schatting 20% van de polishouders ouder dan 65 jaar heeft een polis waarvan de economische waarde de afkoopwaarde overschrijdt. De geschatte waarde van alle polissen van ouderen met een verslechterde gezondheid lag in 2002 rond de $ 100 miljard (Conning, 2003). Volgens de ‘Viatical Association of America’ werd in 1990 voor $ 50 miljoen aan polissen op de secundaire markt verkocht, in 1999 $ 1 miljard en in 2001 al tussen de $ 2 en $ 4 miljard (Doherty & Singer, 2002). Veel artikelen laten zien dat de secundaire markt groeiende is, maar beschikbare data geven een ander beeld, aldus Belth. In tabel 2 staan de transacties van een van de grootste spelers op de viaticaire markt.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 14

14

Tabel 2: Transacties bij het Amerikaanse viaticale bedrijf Life Partners (1995-2000, in miljoenen (VS) dollars) Jaar

Transacties

1995 1996 1997 1998 1999 2000

$ 65,5 mln $ 46,3 mln $ 19,1 mln $ 27,4 mln $ 21,3 mln $ 10,2 mln

(Belth, 2002)

] Toezicht op de secundaire verzekeringsmarkt Door de sterke groei van de secundaire verzekeringsmarkt staat deze markt sinds enige tijd onder toezicht. Vanaf 1992 controleert de Britse toezichthouder tussenhandelaren op de Britse secundaire markt. In de Verenigde Staten kenden in 2005 23 staten wetten voor de life settlements markt. De nationale overkoepelende organen van toezichthouders en tussenhandelaren hebben bovendien regels in ontwikkeling voor deze markt, zoals markttoetreding, basistraining, verplichting voor alle verzekeraars om verzekerden om het bestaan van de markt te wijzen en nieuwe voorlichtingsbrochures (Deloitte, 2005). ] Voor- en nadelen van een secundaire verzekeringsmarkt Voor verzekerden met een verslechterde gezondheid, die niet meer de noodzaak voelen om verzekerd te blijven, zorgt de secundaire markt ervoor dat zij een veel hogere waarde ontvangen voor hun polis dan de afkoopwaarde van de verzekeraar. Over het algemeen neemt zo ook de liquiditeit op de verzekeringsmarkt toe en zal de vraag naar verzekeringen door deze extra optie toenemen. Verzekeraars behouden de contracten en adviseurs hun commissie, want verzekeringnemers kopen niet af. Echter, de secundaire markt stuit op diverse ethische bezwaren. Daarnaast is de markt, zoals deze nu in de Verenigde Staten is ontstaan, fraudegevoelig. Verzekeraars protesteren tevens sterk tegen de markt, want zij zien hun winst op royement dalen. ] Mogelijkheden voor een Nederlandse markt Tenslotte willen we kort ingaan op de mogelijkheid van het ontstaan van een secundaire verzekeringsmarkt in Nederland. De Wet op het financieel toezicht en andere wetten verhinderen het ontstaan van een secundaire verzekeringsmarkt in Nederland in beginsel niet. De vrijheid om de polis na afsluiten over te dragen aan een derde partij is vastgelegd in de polisvoorwaarden. Verzekeraars zullen deze vrijheid niet snel inperken, omdat verzekeringen dan snel hun waarde verliezen voor consumenten die deze gebruiken als object van financiering. De AFM heeft in 2004 duidelijk gemaakt heeft dat zij een viaticaire markt voor verzekeringen in Nederland in strijd vindt met ‘de goede zeden’. Reden hiervoor is dat bij viaticale regelingen de inversteerder een financieel belang bij het zo snel mogelijk overlijden van de verzekerde (AFM, standpunt 9-3-2004). Ook de minister van

Financiën heeft zich in het nabije verleden negatief uitgelaten over de wenselijkheid van een secundaire verzekeringsmarkt in Nederland (Ministerie van Financiën, kamervragen 29-3-2004). Bij beleggingen in viaticaire regelingen beoordeelt de AFM per geval of deze onder de Wft vallen (AFM, standpunt 14-6-2007). ] Een alternatieve berekening van de afkoopwaarde Zoals we in ons vorige artikel lieten zien (VA04/2007), gebruiken verzekeraars sinds het begin van de twintigste eeuw verreweg het meest de zogenaamde Zillmermethode om de afkoopwaarde van verzekeringscontracten te bepalen. Zo nu en dan laaide er in de wetenschappelijke literatuur een discussie op over de te hanteren vergoedingen en kostenposten bij de berekening van afkoopwaarden. Vrijwel altijd waren deze discussies zonder gevolg en anno 2007 wordt in de praktijk voor veel verzekeringsproducten door het merendeel van de Nederlandse verzekeraars nog steeds de Zillmermethode gebruikt om afkoopwaarden te berekenen. Tevens gebruikt de Ombudsman Verzekeringen deze methode bij de behandeling van klachten van polishouders over tegenvallende afkoopwaarden. In deze paragraaf formuleren we een voorstel voor een nieuwe berekeningswijze van de afkoopwaarde. ] De huidige afkoopwaarden worden berekend met een gedateerde methode De Zillmermethode, voor het eerst geformuleerd in een artikel uit 1863 van de Duitstalige actuaris August Zillmer, is een gedateerde methode om de afkoopwaarde vast te stellen. Het gebruik van deze methode is moeilijk te verenigen met de wijze waarop tegenwoordig verzekeringscontracten voor prudentiële verslaggeving onder de Wft gewaardeerd worden. Het is bovendien de vraag of deze methode wel een eerlijke afkoopwaarde voor de polishouder oplevert. Bij introductie van de Zillmermethode was het grote voordeel dat deze methode ook gebruikt werd voor het vaststellen van de technische voorzieningen die voor financiële verslaggeving nodig waren. Nu de waarderingsvoorschriften voor verslaggeving veranderen, is er in wezen ook geen noodzaak meer om vast te houden aan de Zillmermethode voor berekening van de afkoopwaarde. ] Uitgangspunt voor een moderne bepaling van de afkoopwaarde Consumenten, investeerders, kredietverschaffers en toezichthouders verwachten tegenwoordig beter inzicht in de kosten en de rendementen van verzekeraars dan voorheen. Dit is met name te zien op het gebied van transparantie van verzekeringscontracten naar consumenten en explicietere, meer marktconforme voorschriften voor financiële rapportages voor gebruikers van die informatie. Uitgangspunt voor ons om de afkoopwaarde te bepalen, is dat deze zoveel mogelijk overdrachtneutraal moet zijn: de afkopende polishouder dient een afkoopwaarde te ontvangen die zo dicht mogelijk ligt bij de waarde die nodig is om dezelfde verzekering bij een andere verzekeraar voort te zetten. Conceptueel is dit gelijk

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 15

Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp

15

Kader 1: Voorgestelde rekenmethode afkoopwaarde Basis Opgebouwde bruto voorziening op het moment van afkoop (retrospectief, inclusief toekomstige kostenvergoedingen en winstopslagen) Vergoedingen die aan de afkopende klant toekomen (uit de basis halen) Toekomstige vergoedingen provisiekosten Toekomstige vergoedingen directe doorlopende kosten Toekomstige vergoedingen indirecte doorlopende kosten (op ‘break-up’ basis) Toekomstige vergoedingen in- en excassokosten Toekomstige winstopslagen Vergoedingen die aan de verzekeraar toekomen (in de basis laten) Toekomstige vergoedingen eerste kosten Toekomstige vergoedingen indirecte doorlopende kosten (op ‘going concern’ basis) Vergoeding excassokosten uitkeren afkoopwaarde Toekomstige winstdelingen, bonussen en garanties

aan de wijze waarop pensioenfondsen overdrachtwaarden vaststellen onder de huidige Pensioenwet. ] De actuele waarde van het verzekeringscontract vormt de basis van de afkoopwaarde Als basis voor de berekening van de afkoopwaarde van een verzekeringscontract nemen we de actuele waarde van de bruto verplichtingen van de verzekeraar aan de polishouder op het moment van afkoop. Dit komt overeen met de waarde van het verzekeringscontract voor de prudentiële verslaggeving. Deze bruto verzekeringsverplichtingen bevatten de gedisconteerde kasstromen tegen een reële rente op basis van voorzichtige veronderstellingen. Daarnaast worden ook de toekomstige kostenvergoedingen en winstopslagen in de bruto verzekeringsverplichtingen opgenomen. Deze actuele waarde van het verzekeringscontract op het moment van afkoop noemen we hier verder de basis van de afkoopwaarde. Op deze basis zal dan wel een aantal correcties moeten worden toegepast, aangezien deze waarde uitgaat van de veronderstelling dat het contract een onderdeel blijft van de totale portefeuille van een verzekeraar. ] Het verwerken van kostenvergoedingen in de bepaling van de afkoopwaarde Voor verzekeringscontracten met een optie tot afkoop geldt in principe dat de opgebouwde voorziening aan de afkopende polishouder toekomt. Echter, de verzekeraar heeft bij het aangaan van de verzekering diverse kosten gemaakt en investeringen gedaan die niet altijd door premiebetalingen zijn vergoed. Aan de andere kant vervallen sommige kosten bij afkoop, omdat de verzekeraar het contract niet meer hoeft te administreren. Op meerdere punten kan discussie ontstaan over mogelijke kostenvergoedingen in de basis van de afkoopwaarde. In kader 1 zetten we deze punten uiteen. Ons uitgangspunt is daarbij als volgt. De basis van de afkoopwaarde bevat nu nog kostenvergoedingen, waarvan het mogelijk rechtvaardig is deze in de basis te laten. In dat geval zou deze vergoeding gelijk moeten zijn aan het gedeelte van de verwachte kosten dat de verzekeraar voor aanvang van de polis heeft vastgesteld en op dat moment nog niet vergoed zijn door middel van de kostenopslagen in de al gedane premiebetalingen. Is het

niet rechtvaardig deze kosten in de basis te laten, dan komen de bijbehorende toekomstige kostenvergoedingen uit de basis aan de polishouder toe. De verschillen tussen de werkelijke kosten en de van te voren verwachte kosten komen toe aan de verzekeraar. Heeft deze voorzichtige kostenopslagen gekozen of is deze door kostenbesparingsprogramma efficiënter gaan werken, dan ontvangt hij de winst hiervoor. Zijn deze kostenopslagen te laag gekozen, betaalt de verzekeraar dit verlies. Hieronder geven we een toelichting op de afzonderlijke vergoedingen. ] Provisie Veel verzekeraars sluiten hun polissen af via tussenpersonen of, al dan niet in dienst zijnde, adviseurs. Als vergoeding hiervoor ontvangen deze tussenpersonen voor elke afgesloten verzekering een zekere provisie. Vaak dient de tussenpersoon een proportioneel gedeelte van zijn provisie terug te betalen, als de polishouder gedurende de eerste vijf jaar van het contract de polis opzegt. De verzekeraar zou alleen een vergoeding in de basis van de afkoopwaarde moeten laten voor de provisie die de polishouder nog niet via al voldane premiebetalingen vergoed heeft, maar die de verzekeraar wel aan de tussenpersoon moet betalen. Voor provisie die de verzekeraar na afkoop niet aan de tussenpersoon hoeft te betalen, hoeft de verzekeraar natuurlijk geen vergoeding te ontvangen. Deze toekomstige kostenvergoedingen komen aan de polishouder toe. Eerste kosten Eerste kosten zijn kosten voor het tot stand komen van een verzekeringspolis die worden gevormd door onder anderen marketing-, polisadministratie en medische keuringskosten. Deze kosten heeft de verzekeraar gemaakt om de verzekering te kunnen verkopen aan de polishouder en moeten dan ook volledig vergoed worden. De verzekeraar zou voor deze – bij aanvang van de polis verwachte – initiële kosten, die nog niet via premiebetalingen vergoed zijn, een vergoeding in de basis van de afkoopwaarde kunnen laten. Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 16

16

Directe doorlopende kosten Directe doorlopende kosten zijn kosten die direct toegedeeld kunnen worden aan een individuele polis, zoals het maken en opsturen van polisoverzichten, etc. Deze hoeven niet meer betaald te worden wanneer de polis is afgekocht. De afkopende polishouder heeft dan ook recht op de toekomstige kostenvergoedingen voor directe doorlopende kosten en deze moeten dan ook bovenop de basis van de afkoopwaarde vergoed worden. Indirecte doorlopende kosten Doorlopende kosten die niet direct toegedeeld kunnen worden aan een individuele polis, zoals algemene kosten als de salarissen van het personeel van het hoofdkantoor, zijn indirecte doorlopende kosten. Enerzijds kan beargumenteerd worden dat indirecte doorlopende kosten alleen voor de bestaande polissen gemaakt worden en door de polishouders opgebracht moeten worden. Op ‘break up’-basis hoeven deze kosten in de toekomst niet meer gemaakt te worden. De afkopende polishouder zou de toekomstige kostenvergoedingen hiervoor dan bij afkoop volledig terug moeten ontvangen, deze dienen dan bovenop de basis van de afkoopwaarde vergoed worden. Anderzijds heeft de verzekeraar voor het aangaan van de verzekeringspolis diverse investeringen gedaan, die niet direct terug te draaien zijn. Hierbij is hij er vanuit gegaan dat de polishouder tot aan het einde van het contract verzekerd blijft. Op ‘going concern’-basis maakt de verzekeraar deze kosten ook wanneer de polishouder is vertrokken en zou de verzekeraar bij afkoop de toekomstige kostenvergoedingen hiervoor in de basis van de afkoopwaarde mogen laten. Indien er sprake is van collectieve contracten, die een gescheiden administratie voeren, vervallen deze kosten bij afkoop en kan de verzekeraar deze indirecte doorlopende kosten in ieder geval vergoeden bovenop de basis van de afkoopwaarde. In- en excassokosten Voor het innen en de administratie van de al dan niet periodieke premiebetalingen maakt de verzekeraar in- en excassokosten. Deze kosten hoeven niet meer betaald te worden, wanneer de polis afgekocht is. De afkopende verzekerde heeft dan ook recht op de toekomstige kostenvergoedingen voor in- en excassokosten en deze moeten dan ook bovenop de basis van de afkoopwaarde vergoed worden. Echter, een verzekeraar maakt ook kosten voor het uitkeren van de afkoopwaarde en heeft dus wel recht om een redelijke vergoeding van de basis van de afkoopwaarde af te halen voor deze afkoopkosten. Winstdeling, bonussen en rendementsgaranties Het voordeel van de overgang naar marktwaardering in de prudentiële verslaggeving is dat bonussen, rendementsgaranties en winstdelingen (op basis van marktconsistente externe maatstaven) expliciet op de balans tot uitdrukking moeten worden gebracht. Daardoor is het in de meeste gevallen ook goed mogelijk de op het moment van afkoop opgebouwde rechten te berekenen en op het moment van afkoop aan de polishouder mee te geven. Toekomstige rendementen komen

natuurlijk niet ten goede aan vertrekkende polishouders. In de basis van de afkoopwaarde dienen dus alleen de tot dan toe opgebouwde winstdelingen, bonussen en rendementsgaranties vergoed te worden. Dit is reeds in de basis van de afkoopwaarde aanwezig. Als vergoeding voor het beschikbaar stellen van vermogen door aandeelhouders bevatten bruto premies een zekere winstmarge. Bij onderlinge verzekeraars wordt de winst verdeeld onder de blijvende polishouders. Een verzekeraar heeft over de verstreken contractduur tot afkoop via al voldane premies via deze winstopslagen al een vergoeding gehad voor zijn aandeelhouders. Hij heeft geen recht op toekomstige winsten over deze verzekering, aangezien de afkopende polishouder er voor gekozen heeft zijn contract met de verzekeraar te beëindigen en er door de aandeelhouders geen vermogen meer voor deze polis beschikbaar hoeft worden gesteld. Sterfteselectie In de actuariële literatuur is meerdere malen beargumenteerd dat er bij afkoop sprake is van negatieve sterfteselectie, die conservatieve veronderstellingen noodzaakt. Volgens deze redenering hebben afkopende polishouders een hogere levensverwachting dan blijvende polishouders. Een ongezonde polishouder zou namelijk niet snel de polis afkopen, aangezien de economische waarde van de uitkering aanmerkelijk hoger ligt dan de afkoopwaarde. In dat geval zorgt de mogelijkheid van afkoop voor een verhoogd sterfterisico van de blijvende polishouders. Als oplossing hiervoor werd in het verleden vaak gepleit om de afkoopwaarde met lagere sterftekansen te berekenen. Echter, sterfteselectie is in empirisch onderzoek nooit ondubbelzinnig aangetoond. De belangrijkste reden dat polishouders afkopen zijn financiële problemen en veranderende sociale omstandigheden. Zolang als de invloed niet is aangetoond, hoeft er bij de berekening van de afkoopwaarde volgens ons dan ook geen rekening gehouden te worden met sterfteselectie. ] Gevolgen Uiteraard kunnen de afkoopwaarden die contractueel vastgelegd zijn niet meer gewijzigd worden. Dat neemt niet weg dat het van belang is de berekening van de afkoopwaarde te herzien voor nieuwe producten. De in deze paragraaf voorgestelde rekenmethode voor de afkoopwaarde biedt de afkopende polishouder een waarde die zo dicht mogelijk ligt bij een overdrachtneutrale waarde, zonder de verzekeraar en de blijvende polishouders te benadelen. Daardoor past de voorgestelde rekenmethode beter bij de moderne verzekeringsmarkt en de recente ontwikkelingen dan de nu veelvuldig gehanteerde Zillmermethode. Een mogelijk nadelig effect van de methode is dat de afkoopwaarde nu dezelfde fluctuaties vertoont als de bruto verzekeringsverplichtingen, bijvoorbeeld door schommelingen van de reële rente. Hoe de afkoopwaarde ook berekend wordt, het blijft van belang de afkoopwaarde duidelijk aan de polishouder te communiceren. Dit kan tegenwoordig heel gemakkelijk via een overzichtelijke internetpagina, waarop polishouders kunnen inloggen en de dan geldende afkoopwaarde – en de diverse onderdelen ervan – kunnen bekijken.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 17

Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp

] Conclusie De nu veelvuldig gehanteerde Zillmermethode is een gedateerde methode om de afkoopwaarde vast te stellen. Het is bovendien de vraag of deze methode wel een eerlijke afkoopwaarde voor de polishouder oplevert en of de polishouder in bepaalde omstandigheden zijn polis niet beter aan een derde kan verkopen. Wij verwachten dat de huidige gehanteerde Zillmermethode om de afkoopwaarde van een verzekeringscontract vast te stellen, in de nabije toekomst niet meer houdbaar zal zijn. Ontwikkelingen in de waardering van verzekeringscontracten voor financiële verslaggeving en op het gebied van transparantie richting de consument zullen verzekeraars ertoe dwingen om op een modernere wijze om te gaan met het bepalen en communiceren van de afkoopwaarde. Ook het ontstaan van een secundaire verzekeringsmarkt, zoals deze in het buitenland al verder ontwikkeld is, zal onvermijdelijk effect hebben op de wijze waarop afkoopwaarden door verzekeraar toegezegd en berekend worden. De in dit artikel voorgestelde nieuwe rekenmethode voor afkoopwaarden biedt afkopende polishouders een waarde die zo dicht mogelijk ligt bij een overdrachtneutrale waarde, zonder de verzekeraar en de blijvende polishouders te benadelen. Daardoor past de voorgestelde rekenmethode beter bij de moderne verzekeringsmarkt en haar recente ontwikkelingen dan de Zillmermethode. Geraadpleegde Literatuur Actuarieel Genootschap (2002). De Financiële Bijsluiter: voor alle duidelijkheid? Rapport van de ASLI-werkgroep ‘Financiële Bijsluiter’. Woerden: AG-AI. Albizzati, M.-O., Geman, H. (1994). Interest rate risk management and valuation of the surrender option in life insurance policies. JRI, 61(4), 616-37. Assurantie Magazine (2006). Record aantal opzeggingen Duitse levensverzekeringen. München: Bundesverband Vermögensanlagen im Zweitmarkt Lebensversicherungen. Bron: http://www.amweb.nl/open/nieuwspagina.jsp. Autoriteit Financiële Markten (2002). Nadere Regeling Financiële Bijsluiter 2002. Den Haag: AFM. Bacinello, A.R. (2001). Fair valuation of the surrender option embedded in a guaranteed life insurance participa-ting policy. Triëst: Università degli Studi di Trieste. Bacinello, A.R. (2005). Modelling the surrender conditions in equity-linked life insurance. Triëst: Working paper CeRP. Barbarin, J. (2005). Stochastic surrender with asymmetric information. An alternative approach for the fair valuation of life insurance contracts. Leuven: Université Catholique de Louvain.

17 Brown, J.R., Goolsbee, A. (2002). Does the internet make markets more competitive? Evidence from the life insurance industry. JPE, 110, 481-507. Bruning, R., Wolthuis, H. (2005). Syllabus Leven Actuariaat 1. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. Buck, N.F. (1960). First year lapse and default rates. TSA, 12(33), 258-93. Carson, J.M. (1996). Determinants of universal life insu-rance cash values. JRI, 63(4), 673-81. Centraal Bureau voor de Statistiek (2006). Bron: http://statline.cbs.nl (november, 2006). Voorburg: CBS.

‹

Centraal Plan Bureau (2005). Competition in markets for life insurance. Den Haag: CPB. Charles Rivers Associates (2002). Polarisation: research into the effect of commission based remuneration on advice. London: Study Financial Services Authority. Chatham, J. (1896). On the investigation of the rates of mortality, surrender and lapse. JIA, 32, 393-447. Chung, Y., Skipper Jr., H.D. (1987). The effect of interest rates on surrender values of universal life policies. JRI, 54(2), 341-47. Conning Research & Consulting (2003). Life settlements, additional pressure on life profits. Hartford: Conning. Consumentenbond (2006). Aanbevelingscommissie voor kostentransparantie lijfrente en hypotheek. Den Haag: Consumentenbond. Bron: http://www.consumentenbond.nl (21 april 2006). Coventry First Life Settlements (2006). Bron: http://www.coventry.com (November, 2006). Fort Washington: Coventry. Crisford, G. (1879). The values that should be allowed by a life office for the surrender of its policies. JIA, 21, 301-74. Crombie, J.G.R. (1978). An investigation into the withdrawal experience of ordinary life business. TFA, 36, 262-95. De Nederlandsche Bank (1995-2005). WTV staat 500, levensverzekeraars. Apeldoorn: DNB. De Nederlandsche Bank (2005). An exploration into competition and efficiency in the Dutch life insurance industry. Amsterdam: Working paper DNB. De Nederlandsche Bank (2006). Bron: http://www.statistics.dnb.nl/index.cgi?lang=nl&todo= Verzekeraars (november, 2006). Apeldoorn: DNB.

Belth, J.M. (2002). Viatical and life settlement transactions. Ellitsville: The Insurance Forum.

Deloitte Consulting (2005). The life settlements market. An actuarial perspective on Consumer Economic Value. Connecticut: Deloitte & University of Connecticut.

Bhattacharya, J., Goldman, D., Sood, N. (2003). Price regulation in secondary insurance markets. JRI, 71(4), 643-75.

Doherty, N.A., Singer, H.J. (2002). The benefits of a secondary market for life insurance policies. Philadelphia: The Wharton Financial Institutions Center.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 18

18 Engelfriet, J. (1934). Winst en verlies bij ‘onnatuurlijk’ verval. Arnhem. Everitt, B.S. (1977). The analysis of contingency tables. Chapman and Hall, London.

LIMRA (2005). U.S. individual life persistency update. Schaumburg: LIMRA & SOA. Bron: http://www.soa.org/ccm/content/areas-of-practice/life-insurance/experience-studies/us-ind-life-persis-update/ Loewy, A. (1930). Rückkauf. Versicherungslexikon, 3.

Fulford, F.W. (1900). On surrender-values and the principles which underlie their calculation. JIA, 35, 199-228. Haberman, S., Renshaw, A.E. (1986). Statistical analysis of life assurance lapses. JIA, 113, 459-97. Heer, W.J. de, Sattler, J. (1954). Actuariële wiskunde. Den Haag: Martinus Nijhoff.

MacFadyen, J.R. (1872). On the formula to determining the surrender values of life policies. JIA, 17, 381-416. McGurk, P. (1996). Traded Endowments. Presented at the Staple Inn Actuarial Society. MoneyView (2006). Polisvoorwaarden verzekeringen. Bron: http://www.polisvoorwaarden.nl (november 2006).

Hendel, I., Lizzeri, A. (2003). The role of commitment in dynamic contracts: evidence from life insurance. Quarterly Journal of Economics, 1, 299-327.

Myers, R.J. (1937). The effect of the Social Security Act on the life insurance needs of labor. JPE, 45, 5, 681-686.

Hickox, W.E.H. (1936). Surrender values and paid-up amounts. JIA, 67, 222-55.

Nederlandse Mededingingsautoriteit (2004). Monitor Financiële Sector 2004. Den Haag: NMa.

Hickox, W.E.H. (1939). Note on the basis of calculation of surrender values. JIA, 70, 193-95.

Office of Fair Trading (1993). Fair Trading and Life Insurance Savings Products. Hayes: OFT.

Höckner, G. (1905). Zeitschrift für die gesammte Versicherungswis.

Office of Fair Trading (1997). Consumer detriment under conditions of imperfect information. Londen: Research paper London Economics.

Höckner, G. (1909). Das Deckungskapital im Lebensversicherungsvertrag und die Abfindungswerte bei vorzeitiger Vertragslösung. Veröffentlichungen, 16. Höckner, G. (1910). Beitrag zur Theorie und Praxis der Rukkkaufwerte. Mitteilungen der Vereinigung schweizerischer Versicherungsmathematiker, 5, 101. Hosking Tayler, H. (1932). On paid-up policies and surrender values under the Industrial Assurance Acts. JIA, 63, 271-306. Jellicoe, C. (1848). On the proper allowance to be made for the surrender of policies of assurance. JIA (Assurance Magazine), 1, 279-287.

Ombudsman Verzekeringen (2001). Jaarverslag 2001. Den Haag: Klachteninstituut Verzekeringen. Ombudsman Verzekeringen (2003). Jaarverslag 2003. Den Haag: Klachteninstituut Verzekeringen. Ombudsman Verzekeringen (2004). Jaarverslag 2004. Den Haag: Klachteninstituut Verzekeringen. Ombudsman Verzekeringen (2005). Jaarverslag 2005. Den Haag: Klachteninstituut Verzekeringen.

JIA (1947). Book review: Surrender and paid-up policy values, Freeman, H.N. e.a. JIA, 73.

Ombudsman Verzekeringen (2006). Reglement Ombudsman Verzekeringen. Den Haag: Klachteninstituut Verzeke-ringen. Bron: http://www.klachteninstituut.nl/Content/ www.klachteninstituut.nl/Documenten/ reglement_ombudsman.pdf (29 juni 2006).

Kaas, R., Goovaerts, M.J., Dhaene, J., Denuit, M. (2001). Modern actuarial risk theory. Dordrecht: Kluwer.

Patrick, F., Scobbie, A. (1969). Some aspects of withdrawals in ordinary life business. TFA, 31, 53-119.

Karg, Y.S.M. (2004). Regressie of Beslisboom? Amsterdam: Stageverslag Vrije Universiteit.

R (2006). R: A language and environment for statistical computing. Wenen: R Foundation for Statistical Computing. Bron: http://www.R-project.org.

Kass, G. V. (1980). An exploratory technique for investigating large quantities of categorical data. Applied Statistics 29(2):119127.

Redington, F.M. (1952). Review of principles of life office valuation. JIA, 78, 286-315.

Kim, C. (2006). Modelling surrender and lapse rates with economic variables. NAAJ, 9(4), 56-70.

Richardson, C.F.B., Hartwell, J.M. (1951). Review of principles of life office valuation. TSA, 3(7), 338-74.

Landré, C.L. (1911). Mathematisch-Technische Kapitel zur Lebensversicherung. Jena.

Taylor, G.C. (1974). Determination of a basis for surrender and paid-up policy values. TIAANZ, 34-76.

Life Insurance Actuarial Standards Board (2002). Actuarial Standard 4.02: Minimum surrender values and paid-up values. Sydney: Australian Prudential Regulation Autho-rity.

De Telegraaf (2006). Zalm waarschuwt om beleggingspolissen. Amsterdam: De Telegraaf (17 oktober 2006).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 19

Afkoop: een ondergewaardeerd onderwerp

19

Tweede Kamer der Staten Generaal (2001). Besluit Financiële Bijsluiter. 20 december 2001. Den Haag: Tweede Kamer. Verbond van Verzekeraars (1998). Code rendement & risico 1998. Den Haag: Verbond van Verzekeraars. Verbond van Verzekeraars (2004). Code rendement & risico 2004. Den Haag: Verbond van Verzekeraars. Verbond van Verzekeraars (2006). Code rendement & risico 2006. Den Haag: Verbond van Verzekeraars. Visser, M.P.M. (2006a). Interview met de Ombudsman Verzekeringen. Den Haag. Visser, M.P.M. (2006b). Interview met prof. dr. W.M.A. Kalkman, hoogleraar verzekeringsrecht UvA en chief legal ING Europe. Amsterdam. White, C.J. (1970). Some thoughts on ordinary life policy premium bases. TIAANZ, 153-90. Wikipedia (2006). ‘Life settlements’, ‘Viatical settlements’. Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/ (november 2006).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 20

20

Minder toezicht, meer markt Naar een beter werkende intermediaire bedrijfstak

Drs. F. de Jong – Sinds 2006 staat de markt voor bemiddeling in financiële diensten (het intermediaire distributiekanaal) onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Dit artikel gaat over de vraag in hoeverre het huidige toezicht op het intermediair effectief is en geeft indicaties voor de bedrijfstak om zelf actief bij te dragen aan het behalen van de doelstellingen.

] Inleiding Volgens de economische theorie grijpt de overheid in markten in, vanuit twee verschillende motieven: marktfalen en politiek-maatschappelijke overwegingen. Politiek-maatschappelijke overwegingen komen voort uit een vorm van paternalisme bij de overheid, waarbij met name consumentenbescherming bij de aanschaf van financiële producten van groot belang wordt geacht. Dit speelt met name als het gaat om de aanwezigheid van een ‘merit good’ of het herverdelingsmotief (SEO, 2002). Een merit good is een goed waarvan de overheid vindt dat het goed is dat de consumptie van het goed (of dienst, in het geval van de intermediaire bedrijfstak) wordt vergroot. Denk bijvoorbeeld aan kunst en cultuur, maar ook een WA-verzekering en een autoverzekering. Voorbeeld van een demerit good is bijvoorbeeld tabak (roken). Financiële intermediatie is op zich geen dienst waarvan de overheid vindt dat die meer geconsumeerd behoeft te worden. Wel vindt de overheid het noodzakelijk dat de consument bij het raadplegen van een intermediair voldoende beschermd wordt, bijvoorbeeld door informatieverplichtingen, transparantie van beloning en deskundigheidseisen. Als de uitkomsten van een markt ten aanzien van de verdeling van welvaart maatschappelijk of politiek gezien niet wenselijk zijn, kan de overheid besluiten in te grijpen. Bij het streven van de overheid naar herverdeling van welvaart, kan worden afgevraagd of individuele premieverschillen rechtvaardig zijn. Bij zorgverzekeringen bijvoorbeeld is de overheid van mening dat enige mate van overheidsingrijpen gewenst is. Zonder ingrijpen zouden de premieverschillen tussen gezonde en minder gezonde consumenten vele malen groter zijn. Hoewel beredeneerd kan worden dat de overheid vanuit haar paternalistische opstelling ingrijpen in de intermediaire bedrijfstak wenselijk acht, is duidelijk dat de belangrijkste reden van de overheid om in te grijpen is terug te voeren op het bestaan van marktfalen.

De economie onderscheidt twee verschillende theorieën ten aanzien van regulering, de private-interest theorie en de public-interest theorie. De private-interest theorie redeneert dat regulering voortkomt uit de wens van belangenorganisaties tot (meer) regulering, bijvoorbeeld om de markt in enige mate af te kunnen schermen. De wens tot regulering van de intermediaire bedrijfstak kwam mede voort uit het optreden van belangengroepen, zoals de Europese organisatie van intermediairs BIPAR. De public-interest theorie beschrijft regulering als correctie voor marktfalen. Regulering binnen een markt komt voort uit een verondersteld bestaan van marktfalen en vanuit het oogpunt dat regulering gericht is op verbetering van de maatschappelijke welvaart. Van marktfalen is in de context van de intermediaire bedrijfstak sprake als consumenten verkeerde financiële producten aanschaffen doordat de financieel adviseur die bemiddelt de consument niet optimaal informeert en adviseert (De Jong, 2007). Over het algemeen onderscheidt de public interesttheorie vier vormen van marktfalen (Stiglitz, 1988): 1. externaliteiten; 2. marktmacht; 3. publieke goederen; 4. informatie asymmetrie. ] Externaliteiten Externe effecten zijn de niet in de marktprijzen tot uiting komende positieve of negatieve invloeden van de productie of consumptie van goederen en diensten op de welvaart van anderen die niet in de ruil zijn betrokken (Hazeu, 2000). Externaliteiten zijn niet bedoelde gevolgen van de manier waarop de markt functioneert. In het bijzonder gaat het hier om de niet bedoelde gevolgen van het werk van intermediairs in de financiële dienstverlening. Een bekend voorbeeld van een externaliteit is milieuschade. Milieuschade is een onbedoeld gevolg van de industriële ontwikkeling. Een voorbeeld van een

Drs. Fred de Jong is beleidscoördinator bij de Nederlandse vereniging van assurantieadviseurs en financiële dienst verleners (NVA) en werkt aan een proefschrift over de intermediaire bedrijfstak. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 21

Minder toezicht, meer markt

21

(deels) extern effect uit de financiële bedrijfstak is het systeemrisico bij banken. Boot (2005) schrijft hierover: ‘De ondergang van een bank zou via een vertrouwenscrisis of een andere onderlinge afhankelijkheid negatieve consequenties kunnen hebben voor de andere banken. En al dit zou een grote zorg moeten zijn vanwege de aan banken toegeschreven externe effecten. “Vertrouwen” in de financiële sector wordt gezien als cruciaal. De financiële sector is een soort “smeerolie” voor de economie. Zo zou bij een vertrouwenscrisis in de financiële sector het betalingsverkeer kunnen worden bemoeilijkt, en bijvoorbeeld ook de kredietverlening. En dit laatste zou dan weer grote negatieve consequenties kunnen hebben voor het MKB dat nadrukkelijk afhankelijk is van bancair krediet. Deze systeemrisico’s en externe effecten brengen prudentiële toezichthouders er toe om concurrentie in de financiële sector met argusogen te bekijken.’ Het intermediair in de financiële dienstverlening heeft meer te maken met interne effecten dan externaliteiten. Zo kan het intern effect van het advies van een tussenpersoon zijn dat de nabestaanden van een klant bij zijn overlijden niet in financiële problemen komen (positief), maar kan het effect ook zijn dat door het (gebrek aan) advies van de tussenpersoon een consument met een pensioentekort komt te zitten of een restschuld bij de aflossing van de hypotheek (negatief). Een extern effect zou kunnen zijn dat door de aanwezigheid van duizenden fysieke distributiepunten, aanbieders steeds meer grip proberen te kopen (schapruimte) wat weer het onafhankelijke advies belemmert.

Het intermediair bestaat uit 9 400 actieve ondernemingen (AFM-begroting 2008) die onderling zeer verschillen qua omvang, samenstelling en specialisme. Twee jaar terug waren er nog 13 000 intermediairs die een vergunning bij de AFM hadden aangevraagd, een sanering van 25%. Een dergelijke sanering duidt op het bestaan van concurrentie. Ook de NMa constateert in haar Monitor Financiële Sector (2004b) dat er binnen het intermediaire kanaal een beperkt risico is op overtreding van het kartelverbod van de Mededingingswet. ] Publieke goederen of diensten Publieke goederen of diensten hebben in hoofdzaak twee eigenschappen: consumenten kunnen niet worden uitgesloten van gebruik van het goed of dienst en het kost niets om een extra individu van het goed of dienst gebruik te laten maken (SEO, 2002). Voorbeelden van publieke goederen zijn het leger, onze dijken en bewegwijzeringborden. Het is een economisch beginsel dat door geld te vragen aan consumenten voor een dienst, het risico op free-riding minder wordt. Free riding betekent dat consumenten ‘meeeliften’ zonder te betalen en toch gebruik maken van een goed of dienst. Verondersteld wordt dat zodra private marktpartijen interesse tonen in het aanbieden van publieke goederen, er geen sprake meer kan zijn van een publiek goed. Duidelijk is dat de dienstverlening van intermediairs geen betrekking heeft op publieke goederen. ] Informatie asymmetrie

] Marktmacht Een economische machtspositie kan een ondernemer (of groep ondernemers) in staat stellen zich grotendeels onafhankelijk van de concurrenten en de consumenten te gedragen, of zij maakt het hem mogelijk concurrenten van de markt te weren. Dit heeft een prijsopdrijvend effect (De Jong en Keuzenkamp, 2006). De intermediaire bedrijfstak heeft een groot marktaandeel bij de distributie van financiële producten. Bij levensverzekeringen en schadeverzekeringen ongeveer 50% van de nieuwe omzet, het intermediair neemt circa 73% van de bestaande omzet in verzekeringen voor zijn rekening (CVS, 2007). Maar er zijn ook andere kanalen. Ten eerste zijn er direct writers met een distributieaandeel van ruim een kwart. Ten tweede is er het bancaire kanaal dat circa vijftien procent van de verzekeringsmarkt bedient. Wat overblijft wordt met name via werkgevers afgesloten. Om te kunnen spreken van een markt met aanmerkelijke marktmacht, dient gekeken te worden naar de mogelijkheden voor de consument om zijn behoefte via een gelijkwaardig substituut te bevredigen. Financiële producten kunnen en, gezien de eerder genoemde statistieken, worden ook via andere distributiekanalen dan het intermediair afgesloten. Hoewel het intermediair ten opzichte van de andere distributiekanalen duidelijk onderscheidende kenmerken heeft, namelijk de unieke combinatie van advies en bemiddeling voor meerdere aanbieders, worden direct writers en banken zeker als gelijkwaardige kanalen beschouwd door de consument.

Een markt met principaal-agent relaties wordt gekenmerkt door het bestaan van informatie asymmetrie. Het intermediair (de agent) heeft te maken met verschillende principalen, namelijk aanbieders en afnemers van financiële producten. Het intermediair beschikt ten opzichte van haar principalen over meer en betere informatie. Afnemers kunnen bijvoorbeeld de kwaliteit van financiële producten en de kwaliteit van het advies over het algemeen niet goed beoordelen. Met name bij complexe producten als een beleggingsverzekering ervaren consumenten pas na vele jaren of het product aan de verwachtingen heeft voldaan. Financiële producten zijn dan ook veelal vertrouwensgoederen. De consument vertrouwt bij de inschakeling van een intermediair op het advies van die persoon. De public interest theorie van regulering (Van Damme, 1996) stelt dat indien de consument geen inzicht heeft in de kwaliteit, dienstverleners (intermediair en directe aanbieders) zich zonder regulering niet zullen gaan onderscheiden op basis van kwaliteit. Consumenten betalen dan een gemiddelde prijs voor gemiddelde dienstverlening, waardoor op den duur de aanbieders van kwalitatief hoogstaande diensten de markt zullen verlaten. Zulke averechtse selectie is ongewenst en pleit voor het reguleren van meer inzicht in de kwaliteit van dienstverlening van financiële dienstverleners. Er is sprake van marktfalen als er een gebrek aan concurrentie is binnen een bedrijfstak (marktmacht), er informatieproblemen zijn, externe effecten of publieke goederen. Binnen de intermediaire bedrijfstak zijn met Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 22

22

name de informatieproblemen en de mogelijk negatieve externe effecten het meest van toepassing, zoals in onderstaande tabel is samengevat.

Externaliteiten Marktmacht Publieke goederen Informatie asymmetrie (De Jong, 2008)

Risico op marktfalen in intermediaire bedrijfstak -/+ -/-/+/+

Op basis van de voorgaande analyse kan gesteld worden dat er voorafgaand aan het instellen van het toezichtregime op intermediairs sprake was van marktfalen en dat dit marktfalen voor de overheid de belangrijkste reden is geweest om de intermediaire bedrijfstak te reguleren. De overheid heeft daartoe verschillende vormen van regulering ter beschikking, zoals zelfregulering en overheidsregulering. ] Overheidsregulering Bij zuivere overheidsregulering of wetgeving stelt de overheid een doel en stelt tevens ook de middelen vast om tot het gestelde doel te komen en zorgt daarbij voor toezicht en handhaving (SEO, 2004). Toezicht heeft betrekking op het handhaven van een norm. Een norm kan worden opgelegd door de overheid via wet- en regelgeving. ] Zelfregulering In haar adviesrapport geeft de SER (2002) aan weinig fiducie te hebben in zelfregulering als instrument om de consumentenbescherming en de goede werking van de intermediaire markt te kunnen waarborgen. Hoewel wordt erkend dat er brancheorganisaties zijn die voorwaarden stellen aan het lidmaatschap, opleidingen verzorgen en een gedragscode hebben ontwikkeld, waren rond de eeuwwisseling (en nu nog steeds) lang niet alle intermediairs er bij aangesloten. Daardoor had de overheid geen controle op de naleving van de eventuele zelfregulering. Feitelijk kan worden gesteld dat bij het vormgeven van het toezicht op de intermediaire bedrijfstak, zelfregulering voor de overheid geen optie was, vanwege onder meer het feit dat de bedrijfstak niet georganiseerd genoeg was. Ook destijds lag de organisatiegraad van intermediairs op circa 20%, hetgeen betekende dat 20% van alle intermediairs lid was van een brancheorganisatie. Gemeten naar omzet vertegenwoordigen de leden van de brancheorganisaties naar schatting circa 50% van de intermediaire markt. In 2002 heeft de branche nog geprobeerd om verder toezicht te voorkomen door te starten met GIDI. Deze Gedragscode Informatieverstrekking Dienstverlening Intermediair was door de NBVA, NVA en Verbond van Verzekeraars in het leven geroepen om in zelfregulering te voldoen aan belangrijke wensen van de 2

overheid: informatieverstrekking, aansluiting bij een erkende klachteninstantie en het hebben van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Een afweging die in 2001 door de Raad van Financiële Toezichthouders (RFT) werd gemaakt had ook betrekking op het kunnen voeren van keurmerken als vorm van zelfregulering. De RFT vond ‘dat alleen het topsegment van tussenpersonen in staat is een keurmerk te voeren. Er is een grote groep van tussenpersonen die niet in staat is de zelfregulering naar letter en geest te implementeren, dan wel niet de intentie heeft om zich aan zelfregulering te binden’. Daarmee zette de RFT in 2001 grote vraagtekens bij de professionaliteit van de intermediaire bedrijfstak. ] Toezicht door de SER Tot aan de instelling van de AFM als toezichthouder voor de intermediaire bedrijfstak in 2006, was alleen de Sociaal-Economische Raad (SER) een soort van toezichtorgaan. Vanaf 1945 is de overheid zich feitelijk gaan bezighouden met het toezicht op het intermediair. Op 18 januari 1952 is de Wet Assurantiebemiddeling (WAb) tot stand gekomen. Een van de doelstellingen van de ontwerpers van de WAb was: ‘het verplicht stellen van registratie van tussenpersonen en het stellen van bepaalde toelatingseisen voor registratie van bepaalde categorieën tussenpersonen, waaronder vakbekwaamheidseisen’. (Vriesendorp-van Seumeren, 1989). Het toezicht via de SER was dermate minimaal, dat de overheid blijkbaar voldoende vertrouwen had in het reputatiemechanisme. Dit mechanisme betekent dat consumenten bij slechte ervaringen met intermediairs zullen overstappen naar andere intermediairs of substituten van intermediairs. Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van het aantal ingeschreven intermediairs in het SER-register zien: 1956 A 2700 B 10800 C 31500 D – Totaal 45000 (Bron: SER2)

1975 4037 14572 14242 1860 34711

1996 3983 19087 – – 23070

2005 3983 19087 – – 20834

] Toezicht door de AFM De registratie van tussenpersonen bij de SER was de meest betrouwbare bron om te analyseren hoe de omvang van het intermediair zich na de tweede wereldoorlog heeft ontwikkeld. Met de invoering van de Wfd in 2006 werd de AFM als toezichthouder verantwoordelijk voor de registratie van intermediairs in de financiële dienstverlening. De AFM had op de sluitingsdatum voor

Het allereerste register bij de SER bestond uit in totaal 4 verschillende registers, te weten: • A-register voor makelaar in assurantiën (hiervoor moest men als makelaar beëdigd zijn) of assurantiebezorger; • B-register voor erkend assurantieagenten; • C-register voor verzekeringsagenten; • D-register voor aspirant verzekeringsagenten.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 23

Minder toezicht, meer markt

23

het aanvragen van een vergunning (31 januari 2006, alle intermediairs in Nederland hadden 1 maand de tijd om een vergunning aan te vragen om te kunnen bemiddelen in financiële producten, waarna de AFM uiteindelijk de vergunningen uiterlijk december 2007 definitief zou toeof afwijzen) circa 13000 aanmeldingen. Op 31 december 2007 was het totaal aantal afgegeven vergunningen 9400. (De belangrijkste reden voor de afwijkende getallen tussen de SER en de AFM is het feit dat in het SER register meerdere inschrijvingen per onderneming konden bestaan.) Een van de oorzaken voor het onder zwaarder toezicht komen van de intermediaire bedrijfstak, is het feit dat er eind jaren negentig een Europese Richtlijn Verzekeringsbemiddeling werd ontworpen. Hoewel de Richtlijn op de verzekeringsmarkt was geschreven, heeft de Nederlandse overheid er voor gekozen, met name gezien de marktstructuur, om naast verzekeringen ook andere financiële producten en diensten onder de Nederlandse uitwerking van de Richtlijn te brengen. De Minister van Financiën heeft in 2002 in een adviesaanvraag gericht aan de SER gevraagd om advies ten behoeve van de waarborging van een adequaat niveau van consumentenbescherming en het efficiënt functioneren van de financiële markten. (Minfin 2002-481-M) In diezelfde brief aan de SER geeft de Minister aan als beleidsvoornemen te hebben dat ‘de kwaliteitskenmerken informatieverstrekking, deskundigheid en integriteit, waaronder zorgvuldige advisering, door algemene zorgplichten wettelijk worden geborgd. Het voornemen is om de AFM aan te wijzen als toezichthouder op de naleving van zorgplichten’. Het advies van de SER is meegewogen bij de uiteindelijke invulling van de Wet financiële dienstverlening (Wfd), nu opgegaan in de Wet op het financieel toezicht (Wft). De AFM is aangesteld als orgaan om het toezicht op o.a. de intermediaire bedrijfstak uit te oefenen. Vanuit de doelstellingen van de AFM beoordeel ik dan ook de mate waarin de specifieke toezichtdoelstellingen ten aanzien van het intermediair zijn gehaald. Het statutaire doel van de AFM is het toezien op ‘ordelijke en transparante financiële marktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten’. Dit doel is vertaald in drie operationele doelstellingen, die richtinggevend zijn bij de uitvoering van het gedragstoezicht. 1. Het bevorderen van de toegang tot de markt. 2. Het bevorderen van de goede werking van de markt. 3. Het bevorderen van het vertrouwen in de markt. (AFM begroting 2008) ] Bevorderen van toegang tot de markt De dreiging van toetreding van nieuwe spelers op een markt blijkt keer op keer de belangrijkste bron van concurrentie en vernieuwing (Boot 2005). Het is, zoals de AFM met haar doelstelling ook onderkent, van groot belang dat de toetredingsdrempels zo laag mogelijk worden gehouden. Omdat door concurrentie (of de dreiging ervan) marktspelers zichzelf corrigeren als winsten abnormaal worden. Immers dan zullen partijen toetreden om die winsten te gaan innen en zullen bestaande spelers

op de markt hun prijzen weer verlagen naar een redelijk niveau, waarna de toetreders de markt vervolgens weer verlaten. Vanuit dat kader zou je kunnen veronderstellen dat het opmerkelijk is, dat het toezichtregime in de intermediaire bedrijfstak binnen 2 jaar tot een saneringsslag heeft geleid van 25%. Echter vanuit economisch perspectief wordt een dergelijke sanering uitgelegd als een teken van grote concurrentie binnen een bedrijfstak. Blijkbaar zijn de wetgever en de AFM van mening geweest dat er eerst een professionaliseringsslag moest worden gemaakt, zeg maar een zuivering van de markt. Daarmee is de intermediaire bedrijfstak interessanter geworden voor efficiënte toetreders die willen opereren in een meer professionele omgeving. ] Bevorderen van een goede werking van de markt De AFM zegt hierover: ‘Geen enkele partij op de financiële markt mag zich bij voorbaat al benadeeld voelen ten opzichte van andere partijen. De AFM zorgt daarom voor kenbare normen op de financiële markten. Deze normen dragen, samen met de handhaving ervan, bij aan een gelijk speelveld tussen alle partijen. Om de goede werking verder te bevorderen, let de AFM erop dat er voldoende informatie is waar iedereen over kan beschikken.’ De kern van het toezichtbeleid van de AFM is gelegen in het creëren van een gelijk speelveld voor alle partijen en de beschikbaarheid van voldoende informatie. Gezien het feit dat regulering via toezicht voortkomt uit het veronderstelde bestaan van marktfalen, ga ik hier vanuit dat een goede werking van de markt betekent dat de markt geen of nauwelijks marktfalen kent. Dat betekent ook dat het toezicht er op gericht moet zijn om de oorzaken van marktfalen (externaliteiten, informatie assymetrie, marktmacht en publieke goederen) aan te pakken. Dat is mijns inziens de opgave voor de AFM . AFM en marktfalen Per vorm van marktfalen volgt een analyse van de manier waarop een bijdrage kan worden geleverd aan het verminderen van de kans op marktfalen. ] Externaliteiten Simpel gezegd zou de markt, al dan niet via toezicht, er voor moeten zorgen dat de positieve externaliteiten worden bevorderd en dat de negatieve externaliteiten worden beperkt. Daarnaast moet de markt ook rekening houden met de politiek-maatschappelijke motieven, zoals het beschermen van de consument. Dat betekent dat om de positieve externaliteiten te bevorderen het intermediair er voor moet zorgen dat men beloond wordt door de consument voor positief gedrag en men gestraft wordt bij adviezen die leiden tot negatieve externaliteiten. In feite komt deze benadering in de buurt van het werken met prestatieloon. Daarbij kan gedacht worden aan het koppelen van de beloning van het intermediair aan de hoogte van de uitkering bij een levensverzekering met gegarandeerde uitkering of dat het intermediair een beloning ontvangt bij volledige aflossing van een hypotheek, tenminste als dit de gewenste prestaties zijn voor de consument.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 24

24

] Marktmacht Eerder al is aangegeven dat binnen de intermediaire bedrijfstak niet of nauwelijks sprake is van marktmacht. Voor de toezichthouder en de markt is het dus zaak om het ontstaan van mogelijke marktmacht vroegtijdig tegen te gaan. Bijvoorbeeld door concentratie via franchiseketens en serviceproviders te monitoren, om te bezien in hoeverre dergelijke samenwerkingsverbanden een risico op het ontstaan van marktmachten met zich mee brengen. Ook captivisering (het geheel of merendeels in eigendom nemen van een intermediair door een bank of verzekeraar) zou een permanent aandachtsgebied moeten zijn bij het beperken van het risico van marktfalen. Immers als de intermediaire bedrijfstak zou worden beheerst door kantoren in eigendom van banken of verzekeraars, kunnen aanbieders te veel macht ontwikkelen om de prijzen van de dienstverlening van intermediairs te beïnvloeden. ] Informatie asymmetrie Het oplossen van het probleem van informatie asymmetrie lijkt eenvoudig, namelijk meer informatie beschikbaar stellen aan die partijen die nu te weinig informatie tot zich krijgen. Maar met informatie alleen, bijvoorbeeld via transparantie over productvoorwaarden, kosten en beloningen, wordt het doel niet bereikt. Het is van groot belang dat consumenten een gedegen oordeel kunnen vellen over een bepaald financieel product of dienst. Daarom is informatie en inzicht over de kwaliteit van producten en diensten veel belangrijker. Om dat inzicht te verschaffen dienen markt en toezichthouder gezamenlijk op te trekken. De markt geeft de informatie, de toezichthouder controleert de juistheid. Gezien het feit dat de informatie asymmetrie het meest pregnante risico vormt (of oorzaak is) van marktfalen, zoem ik daar iets dieper op in. De invoering van toezicht op de intermediaire bedrijfstak loopt vrijwel parallel aan de afspraken die door de sector zijn gemaakt ten aanzien van beloningstransparantie. Deze afspraken, bekend geworden onder de term adviesmatch, zijn nog voor invoering van de Wfd gemaakt, namelijk in de zomer van 2005. Sectorvertegenwoordigers, consumentenvertegenwoordigers en Ministerie van Financiën kwamen overeen dat beloningstransparantie op complexe producten per oktober 2009 wordt ingevoerd3. Het scheppen van meer duidelijkheid voor de klant over de financiële prikkels die het intermediair heeft om een bepaald financieel product van een bepaalde aanbieder te adviseren wordt daarmee bereikt en leidt er toe dat consumenten zich een beter oordeel kunnen vormen. Tenminste over de kwaliteit van dienstverlening van het intermediair, niet over de kwaliteit van de producten die via het intermediair worden bemiddeld. Daartoe is verdere kostentransparantie noodzakelijk.

3

] Bevorderen van het vertrouwen in de markt De derde doelstelling van de AFM wordt als volgt door de AFM vertaald: ‘De AFM bevordert dat marktpartijen (zowel individueel als gezamenlijk) hun eigen verantwoordelijkheid nemen voor een goede marktwerking. Dit betreft een doorlopende verantwoordelijkheid; de AFM grijpt alleen in waar en wanneer dat nodig is. Om ervoor te zorgen dat het aantal incidenten beperkt blijft en te bevorderen dat transacties in de markt eerlijk en integer zijn, handhaaft de AFM integriteitnormen.’ De AFM is volop in gesprek met de intermediaire bedrijfstak, bijvoorbeeld via de Stichting Financiële Dienstverlening, om partijen op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen. Het gebruiken van het self assessment instrument voor alle intermediairs is ook een middel om het intermediair de eigen verantwoordelijkheid te laten nemen. Het tweede interessante aspect in de omschrijving van de AFM is het handhaven van integriteitsnormen. Alle intermediairs moeten beschikken over een vergunning om te mogen bemiddelen of adviseren in financiële producten. Bij het aanvragen van een vergunning worden de beleidsbepalers binnen het intermediair gescreend op onder meer betrouwbaarheid. Een ander belangrijk instrument van de AFM is de handhaving. Met name bij overtredingen van de toezichtswet heeft de AFM instrumenten om handhavend op te treden. Van deze handhavinginstrumenten gaat ook een duidelijke preventieve werking uit. Gezien de korte periode waarin de AFM actief is binnen de intermediaire bedrijfstak, kan niet worden geconcludeerd dat het toezicht niet effectief is, omdat (nog) niet alle doelstellingen zijn behaald. De markt is onder invloed van de AFM zeker interessanter geworden voor efficiënte toetreders. Om de werking van en het vertrouwen in de markt daadwerkelijk te bevorderen dient de AFM meer aan de markt zelf over te laten. Enerzijds vanwege het risico van toezichtfalen en anderzijds vanwege de voordelen die zelfregulering biedt boven overheidsregulering. ] Toezichtfalen Een kernprobleem bij toezicht is dat de kosten van het toezicht duidelijk zijn (zie ook de begroting van de AFM), maar dat de baten van het toezicht veel minder te kwantificeren zijn. Per definitie zullen partijen dus twijfelen aan de effectiviteit van de toezichthouder en de toezichtwetten, omdat dit niet goed meetbaar is. Als de kosten van toezicht hoger zijn dan de baten, is er sprake van toezichtfalen. Er kunnen verschillende vormen van toezichtfalen optreden. In het rapport Nederland Toezichtland – een economisch perspectief (SEO, 2005), worden een aantal vormen onderscheiden die ik onderstaand toelicht en waarbij het risico van toezichtfalen in de intermediaire bedrijfstak wordt ingeschat:

Inmiddels is de sector met het Ministerie van Financiën in overleg over het vervroegen van beloningstransparantie naar 1 januari 2009, met name als gevolg van de invoering van Mifid. Deze Europese Richtlijn vereist reeds beloningstransparantie op financiële instrumenten, zoals effectenhypotheken en beleggingsrekeningen die ook door het intermediair worden geadviseerd.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 25

Minder toezicht, meer markt

25

1. Er is te veel toezicht Hier is sprake van als de bedrijfstak wordt opgezadeld met onevenredig hoge kosten van toezicht. Gezien de korte tijd dat het toezicht op de intermediaire bedrijfstak van kracht is, is het lastig om nu al in te schatten of de kosten onevenredig hoog zijn. Een ander aspect is dat een overkill aan toezicht leidt tot vormen van moral hazard. Het intermediair dat onder toezicht is gesteld zal zich risicovoller gedragen, omdat verondersteld wordt dat alle risico’s door toezicht en handhaving zijn afgedekt. Dit risico bestaat als intermediairs bijvoorbeeld zouden besluiten minder integer te handelen, vanwege het feit dat men bij het aanvragen van de vergunning al op integriteit is getoetst. 2. Er is meervoudig toezicht De intermediaire bedrijfstak heeft te maken met veel verschillende toezichthouders. Naast de formele toezichthouder, de AFM, kunnen ook organisaties als de Nma, het Ministerie van Financiën, consumentenorganisaties, media (Telegraaf en TROS Radar), de Consumentenautoriteit, de Nederlandsche Bank, banken en verzekeraars als toezichthouder worden beschouwd. Door stapeling van toezicht bestaat het gevaar van een overdaad aan administratieve lasten en het ontstaan van tegenstrijdige regels. 3. Gevoeligheid voor fraude en corruptie Er bestaat altijd een risico dat (medewerkers van) de AFM zich laten verleiden tot het negeren van normovertredingen doordat hen (financieel) gewin in het vooruitzicht wordt gesteld. Het risico hierop is echter niet groter dan bij andere vormen van toezicht. 4. Verkeerd toezicht Dit risico ontstaat als de toezichthouder een informatieachterstand heeft, of beschikt over ondeskundige medewerkers. Bij preventief (ex ante) toezicht loopt de AFM het risico van verkeerd ingrijpen, echter het voordeel voor de markt bij vroegtijdig ingrijpen van de AFM weegt waarschijnlijk zwaarder dan het risico op dit aspect van toezichtfalen. Zonder risico geen succes. 5. Het verkeerde voorbeeld geven Als de AFM zijn eigen regels zelf overtreedt, komt de geloofwaardigheid en daarmee de efficiency van de AFM in het geding. Het risico van overtreding van de eigen regels ten aanzien van de intermediaire bedrijfstak is relatief gering. Daarbij komt dat de AFM reeds heeft laten zien dat vermeende overtreding van de eigen regels niet getolereerd wordt. Zie kader.

Verklaring A.W. Kist: Eis van voorbeeldgedrag noopt tot neerleggen van bestuursfunctie 6-8-2007 Van toezichthouders kan voorbeeldgedrag worden verlangd. Met het oog daarop heb ik besloten mijn functie van bestuurder van de AFM neer te leggen. In januari 2007 ben ik begonnen mij te oriënteren om het integrale beheer van mijn effectenportefeuille in zijn geheel over te dragen aan een vermogensbeheerder die geheel zelfstandig het beleggingsbeleid voert, het zogenaamde vrijehandbeheer. In juni heb ik zo’n contract gesloten met een vermogensbeheerder, die ik de bevoegdheid heb gegeven om naar eigen inzicht (i.e. buiten mijn invloed) te handelen. Het contract is geheel in overeenstemming met de AFM-complianceregels gesloten. De vermogensbeheerder heeft dan ook naar eigen inzicht bepaald wat er met mijn portefeuille moest gebeuren, namelijk algehele verkoop voor een integrale herstructurering zonder dat ik daar enige invloed op heb gehad. De uitvoering daarvan heeft helaas niet het beoogde resultaat gehad. Het resultaat had moeten zijn dat ook in de uitvoering van de overgang naar het vrijehandbeheer aantoonbaar vast was blijven staan dat niet ik, maar de vermogensbeheerder de omzetting heeft bepaald. Voor deze gang van zaken draag ik en neem ik de volle verantwoordelijkheid. Aan de bestuurder van de AFM mogen de hoogste eisen gesteld worden. Daarom heb ik geconcludeerd dat ik, wat er ook zij van mijn bedoeling, niet langer met voldoende gezag als bestuurder van de AFM kan functioneren. Ook al is dit de enige weg die ik kan gaan, dit besluit valt mij bijzonder zwaar. Met volle overtuiging en inzet heb ik, in voortreffelijke samenwerking met de toegewijde staf en bestuurders van de AFM mijn bijdrage geleverd aan de taken van de AFM. Dit alles rauwelijks te moeten afbreken, in het belang van dezelfde AFM, is een even verwarrende als ingrijpende ervaring. (Bron: www.afm.nl) 6. Toezicht werkt verslavend Bij het invullen van (open) normen van de AFM, bestaat het risico dat de toezichthouder zich steeds meer ruimte ten koste van de mogelijkheden tot zelfregulering toe-eigent. Tevens speelt een rol dat de AFM en haar medewerkers, vanuit politiek oogpunt, marktfalen nodig hebben om corrigerend te moeten optreden en daarmee de eigen organisatie in stand te houden. Toezicht dreigt dan een soort self fullfilling prophecy te worden. Om de begroting en het personeelsbestand in stand te houden kan een toezichthouder zich steeds meer taken toe-eigenen. Terwijl een toezichthouder naar mijn mening juist als doel zou moeten hebben zichzelf overbodig te maken. Dan is er immers sprake van een perfect werkende markt.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 26

26

7. Belangenverstrengeling Belangenverstrengeling is nauw verbonden met het vorige aspect van toezichtfalen. Ook bij de AFM is er sprake van enige vorm van belangenverstrengeling. De AFM wordt grotendeels gefinancierd door de ondertoezichtgestelden. Dat betekent dat de AFM er geen belang bij heeft om veel ondertoezichtgestelden uit de markt te verdrijven. Aan de andere kant heeft de AFM belang, bijvoorbeeld vanwege het politieke draagvlak, bij veelvuldig optreden om het eigen bestaansrecht te rechtvaardigen. Ook bij het eerder genoemde voorbeeld over het terugtreden van een bestuurslid, was sprake van een mogelijke vorm van belangenverstrengeling. De Rekenkamer (2004) heeft eerder haar vrees uitgesproken dat bij de AFM sprake zou zijn van belangenverstrengeling, omdat leden van de Raad van Toezicht AFM ook nevenfuncties bekleedden bij onder toezichtgestelde ondernemingen. 8. Incidentengedreven toezicht Vooralsnog is er geen aanleiding te veronderstellen dat de AFM zich schuldig maakt aan incidentengedreven toezicht. Over het algemeen baseert de AFM zich bij haar bevindingen ten aanzien van de intermediaire bedrijfstak op gedegen onderzoeksrapporten en marktconsultaties. Voor de andere toezichthouders geldt dat daar veel meer sprake is van incidentgedreven toezicht. Denk met name aan de publicaties in de media. ] Minder extern toezicht Eerder al heb ik geconcludeerd dat de (operationele) doelstellingen van de AFM tot op heden (nog) niet zijn behaald. Op basis van de hiervoor beschreven analyse kan er echter niet worden geconcludeerd dat er binnen de intermediaire bedrijfstak sprake is van grote mate van toezichtfalen. De effectiviteit van het toezicht op de intermediaire bedrijfstak moet zich in feite nog bewijzen. Daarbij heeft het intermediair de keus om af te wachten in hoeverre het toezicht uiteindelijk effectief blijkt te zijn, of zelf het heft in handen te nemen door initiatieven te ontplooien die bijdragen aan die effectiviteit. De aanvankelijke zorg bij de intermediaire bedrijfstak betrof de toenemende administratieve lasten en de kosten als gevolg van het toezichtregime. Inmiddels is duidelijk dat de AFM van haar totale begroting, een kwart (!) nodig denkt te hebben voor het toezicht op het intermediaire kanaal. De afgelopen jaren hebben geleerd dat de kosten van het toezicht voor het intermediair stijgen en dat de administratieve lasten toenemen. Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen als bijvoorbeeld Mifid nemen de lasten voor het intermediair ook het komende jaar zeker niet af. SEO (2004) concludeert bijvoorbeeld op basis van casestudies: ‘de op papier bestaande baten door hogere effectiviteit van wetgeving kunnen in praktijk te niet worden gedaan door hogere nalevingkosten. Dit geldt sterker indien 100% naleving niet noodzakelijk is om publieke belangen op een acceptabele wijze te borgen. Wetgeving is dan vaak een duur alternatief, omdat de nalevingkosten veelal hoger zijn dan bij zelfregulering’. In het SEO-rapport (2004) stelden de onderzoekers zich ook de vraag of zelfregulering over het algemeen goedkoper is

dan wetgeving. De onderzoekers concluderen dat als er al algemene uitspraken gedaan kunnen worden, deze wijzen in het voordeel van zelfregulering. De zorgen over een stijging van adminstratieve lasten zijn dus nog niet weggenomen. Om zelf als bedrijfstak de kosten van het toezicht en de administratieve lastendruk te kunnen beheersen, dient de markt zelf hard mee te werken aan het nastreven van de doelstellingen die met het toezichtregime werden beoogd. Bijvoorbeeld via zelfregulering. Waar de overheid enkele jaren terug bij de voorbereidingen op het reguleren van de intermediaire bedrijfstak zelfregulering niet als een reële optie beschouwde, dient de bedrijfstak zelf te bereiken dat onder de huidige omstandigheden de overheid wel meer fiducie krijgt in zelfregulering. Zelfregulering moet je verdienen. Het oplossen van het probleem van informatie asymmetrie wordt niet bereikt door meer toezicht, maar juist door minder extern toezicht. Binnen de intermediaire bedrijfstak is, zoals eerder aangegeven, sprake van een informatieprobleem. Zowel tussen aanbieders en intermediair als tussen intermediair en consument. In plaats van een principaal-agent relatie is er bij het intermediair sprake van een plural principal probleem (Hazeu, 2000). Dat betekent dat het intermediair een informatievoorsprong heeft ten opzichte van zowel aanbieders als consumenten. Aanbieders, hier banken en verzekeraars, nemen eigenhandig toezichtsmaatregelen om meer controle op het distributiekanaal te krijgen. Bijvoorbeeld door samenwerkingsovereenkomsten, maar sinds kort ook het opleggen van audits (bij niet volmachtkantoren). Van de consument kan geen eigen toezichtregime worden verwacht, daarvoor heeft de overheid besloten in te grijpen en een toezichthouder voor de intermediaire bedrijfstak in te stellen, de AFM. Met het besluit tot overheidsingrijpen via het toezichtinstrument, creëert de overheid een eigen principaal-agent relatie. De toezichthouder wordt de principaal en de agent wordt het intermediair. In feite ontstaat hiermee een nieuwe driehoeksverhouding, waarbij het intermediair als agent te maken heeft met drie principalen, aanbieders, klanten en toezichthouder. Ik noem dat het triple-principal probleem. Bij principaal-agent relaties bestaat het gevaar van moral hazard. Bij een triple-principaal situatie zijn er zelfs drie mogelijke gevaren van moral hazard. Moral hazard betekent dat de agent zich niet geloofwaardig kan binden om handelingen te verrichten die het belang van alle drie de principalen dienen, zonder actie te ondernemen die het belang van een van de drie principalen kunnen schaden. Moral hazard is vaak een probleem bij overheidsingrijpen om de publieke belangen te beschermen. Zo ook bij een van de doelstellingen van het toezicht op de intermediaire bedrijfstak, betere consumentenbescherming. Zolang de overheid (lees de toezichthouder) niet over betere informatie beschikt dan de intermediaire bedrijfstak zelf, voegt het toezicht weinig toe aan de disciplineringsinstrumenten die de particuliere sector ter beschikking heeft (invulling naar SEO, 2005).

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 27

Minder toezicht, meer markt

27

] Meer markt De beste vorm van disciplinering van ondernemers is als klanten naar de concurrent gaan. Dit zogeheten ‘stemmen met de voeten’ kan voor de intermediaire bedrijfstak worden vertaald naar het overstappen van klanten naar andere intermediairs, het overstappen naar direct writters of het overstappen naar banken. Ontevreden klanten hebben in de intermediaire bedrijfstak in feite twee opties, klagen (voice) of weigeren van de dienst gebruik te maken (exit) (Hirschman 1970). De vraag is in hoeverre het huidige toezicht van de AFM een rem zet op de bevordering van concurrentie binnen de intermediaire bedrijfstak. Door het ingrijpen in de markt en het opleggen van zwaardere toetredingsdrempels is het aantal ondernemingen afgenomen. Daar tegenover staat dat de markt door inspanning van de AFM wel aantrekkelijker wordt voor efficiënte toetreders. Om de doelstellingen van de AFM daadwerkelijk te bereiken is het van belang dat de AFM meer ruimte aan de markt geeft dan zij tot nu toe heeft gedaan. Een belangrijk instrument daarbij is zelfregulering. Bij zelfregulering worden maatschappelijke partijen tot op zekere hoogte zelf verantwoordelijk gemaakt voor het oplossen of voorkomen van een maatschappelijk probleem, bijvoorbeeld marktfalen. Bij zelfregulering is er meestal wel een kader, al dan niet opgelegd door de overheid, waarbinnen de zelfregulering vorm krijgt. Dit om de markt niet volledig vrij spel te geven. Bij zelfregulering kan gedacht worden aan visitatie, keurmerken, certificering, erkenningsregeling, bindend advies en bijvoorbeeld ook garantiestelsels. Een van de belangrijkste gevaren van zelfregulering is dat de concurrentie belemmerend kan worden. Door zelfregulering worden toetredingsdrempels opgeworpen en kunnen vormen van samenspanning ontstaan die de concurrentie beperken. Het is dan ook zaak voor de overheid om bij het toestaan van zelfregulering wel grip te houden op de uitvoering ervan. Op die manier kan de overheid andere, meer efficiënte vormen van toezicht toepassen. In het document beleid en prioriteiten AFM, periode 2007-2009, geeft de AFM enkele prioriteiten qua toezichtsbeleid aan. In relatie tot de intermediaire bedrijfstak vallen de volgende prioriteiten op: verbetering kwaliteit advisering, transparantie en informatieverstrekking, verhoging integriteit en vergroten bewustwording consument. Ik ben van mening dat de intermediaire bedrijfstak, al dan niet in samenwerking met andere partijen binnen de totale financiële markt, er niet alleen baat bij heeft, maar ook in staat moet worden geacht om in zelfregulering de prioriteiten van de AFM te bewerkstelligen. Er zijn ook reeds enkele initiatieven ontwikkeld op dit vlak. ] Verbetering kwaliteit advisering De toezichthouder moet toezien op de kwaliteit van onder meer de advisering over financiële producten. De markt zelf echter moet zorgdragen voor daadwerkelijke verbeteringen van de adviespraktijk. Met de invoering van de WFT hebben veel bestaande keurmerken en erkenningsregelingen moeite om hun onderscheidend-

heid ten opzichte van de wettelijke eisen waar te maken. Denk daarbij aan het Keurmerk Financiële Dienstverlening en de Erkend Hypotheekadviseurs. Op hetzelfde moment komen nieuwe certificeringen die duidelijk bovenwettelijke normen aan hun leden of deelnemers opleggen. Een voorbeeld hiervan is de Nederlandse Vereniging van Hypothecair Planners. Een belangrijke partij om kwaliteitsverbetering in een markt via zelfregulering voor elkaar te krijgen is een brancheorganisatie. Probleem binnen de intermediaire bedrijfstak is echter dat de aansluitingsgraad laag is (circa 20% van de 9400 intermediairs is aangesloten bij een brancheorganisatie) en dat er maar liefst vijf brancheorganisaties naast elkaar opereren (NBVA, NVA, NVF, NVGA en VvHN). Dat bemoeilijkt een effectieve zelfregulering. Via de brancheorganisaties mag dus voorlopig geen marktdekkende kwaliteitsverbetering worden verwacht. Dat betekent dat de behoefte aan advieskeurmerken en certificeringinstellingen de komende jaren zal groeien. ] Transparantie en informatieverstrekking In het verleden heeft de intermediaire bedrijfstak reeds bewezen via zelfregulering een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan het transparanter maken van de informatieverstrekking aan de consument. Ik denk hierbij aan de eerder genoemde gedragscode GIDI uit 2002. De GIDI heeft haar nut meer dan bewezen, gezien het feit alle onderdelen van de GIDI ook in de uiteindelijke WFT zijn opgenomen. Ander voorbeeld is de invoering van de Informatiemodellen beleggingsverzekeringen. Na de commotie over de kosten van beleggingsverzekeringen hebben verzekeraars zelf de Commissie De Ruiter aan het werk gezet en heeft men de adviezen van die Commissie in zelfregulering aan de leden van het Verbond van Verzekeraars opgelegd. Via een vijftal modellen wordt de consument geïnformeerd over de waarde en de kosten van beleggingsverzekeringen. Ook deze vorm van zelfregulering is nu in de WFT vastgelegd. ] Verhoging integriteit Het verhogen van de integriteit binnen de intermediaire bedrijfstak is primair een taak voor de markt zelf. Het zou voor het intermediair dan ook vanzelfsprekend moeten zijn om zelf initiatieven te ontwikkelen om tenminste het integriteitbesef te verhogen. De toezichthouder zou alleen in haar controles en bij onderzoeken moeten kijken of de markt in staat is gebleken om de integriteit te verhogen. Inmiddels laat de markt ook al eerste initiatieven blijken. Zo heeft het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD), een adviescollege voor het Ministerie van Financiën met daarin vertegenwoordigers uit de markt, inmiddels in haar advies over de invulling van het wettelijk verplichte Permanente Educatiesysteem aangegeven dat integriteit een onderdeel van het programma moet worden. ] Bewustwording consument Ten aanzien van het bewuster maken van de consument noemt de AFM in haar prioriteitenagenda onder andere het volgende: ‘Zo vormt de AFM een loket voor Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 28

28

vragen, opmerkingen en klachten van consumenten. De AFM bemiddelt niet bij klachten en geschillen, maar consumentenklachten en -opmerkingen vormen een belangrijke bron voor signalen uit de consumentenmarkt voor de AFM toezichtteams.’ De vraag is gerechtvaardigd of de AFM er niet beter aan kan doen om daarvoor af te gaan op signalen die vanuit het officiële klachteninstituut Kifid naar buiten komen. Een van de initiatieven die de AFM ten aanzien van deze prioriteit heeft ontwikkeld is de website www.geldwaardering.nl. De bedoeling was dat consumenten via de website hun oordeel konden geven over financiële producten. Inmiddels heeft de AFM aangegeven de website te willen overdragen aan een andere instantie die beter in staat zou zijn om de website verder uit te bouwen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ook het geringe succes en de aanhoudende kritiek op het initiatief er toe hebben bijgedragen dat de AFM er mee wil stoppen. Het vergroten van de bewustwording van de consument over financiële producten is niet alleen een taak van de overheid. Gezien de omvang van de doelgroep (alle consumenten) en de complexiteit en hoeveelheid van informatie, kan goede voorlichting alleen in gezamenlijkheid met de markt plaatsvinden. Een goed voorbeeld van een publiek-private samenwerking in deze is het project Centiq. Centiq is een platform van diverse organisaties (overheid, consumentenorganisaties, intermediair, verzekeraars, banken, wetenschap etc.) met als doel om de ‘financiële kennis en vaardigheden van de consument te verbeteren en een actieve houding te stimuleren. Dit moet ertoe leiden dat de consument zelf goed geïnformeerde en bewuste financiële keuzes kan maken. ’ (www.centiq.nl) Een ander voorbeeld van marktinitiatief is de ontwikkeling van een keurmerk financiële producten, wat op initiatief van het Verbond van Verzekeraars en intermediairorganisaties is opgestart. Dit keurmerk wordt ontwikkeld naar aanleiding van de adviezen van de Commissie De Ruiter over beleggingsverzekeringen. Andere aspecten die de branche via zelfregulering ten aanzien van het bewuster maken van de consument reeds in zelfregulering heeft opgepakt, zijn het voorkomen van overkreditering (via de Gedragscode Hypothecaire Financieringen) en het vergroten van het pensioenbewustzijn (via www.pensioenkijker.nl).

voor de ondersteuning en bescherming van de consument. ] Literatuur AFM, begroting 2008, Amsterdam, 2007 AFM, Beleid en prioriteiten 2007, Amsterdam, 2007 Algemene Rekenkamer, Verantwoording en Toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 4, Kamerstuk 29 450, Den Haag, 2004 Boot, A.W.A., Financiële sector en concurrentie, ESB-dossier tien jaar mededingings- en reguleringsbeleid, 2005, p. 24-26 Damme, E. van, Marktwerking en herregulering. Tilburg: Bijdrage aan de bundel ‘Markt en wet’ Schoordijk Instituut, 1996 Hazeu., C.A, Institutionele economie, een optiek op organisatieen sturingsvraagstukken, Bussum, 2000 Hirschman, A.O., Exit, voice and loyalty, Harvard University Press, Cambridge, 1970 Jong, de F. en Keuzenkamp, H. De transparante tussenpersoon, ESB, 2006, p. 86-89 Jong, de F., Financieel adviseur moet weer tussenpersoon worden, MAB, 2007, p. 225-233 Ministerie van Financiën, brief aan de SER met kenmerk FM 2002-481-M, Den Haag, 2002 Nederlandse Mededingingsautoriteit, Monitor Financiële Sector. Den Haag, 2004 Raad van Financiële Toezichthouders, Tussenpersonen in de financiële sector: rapport inzake een toezichtstructuur en regulerend kader voor bemiddelingsactiviteiten in de financiële sector, Den Haag, 2001 SEO-rapport nr. 636, Toegang van consumenten tot financiële diensten, I. Groot en anderen, Amsterdam 2002 SEO-rapport nr. 720, Goed(koop) geregeld: een kosten-batenanalyse van wetgeving en zelfregulering, B. Baarsma en anderen, Amsterdam, 2004 SEO-rapport nr. 792, Nederland Toezichtland – een economisch perspectief, B. Baarsma, Amsterdam, 2005 SER, Advies Bemiddeling in financiële diensten, Den Haag, 2002

] Conclusie De intermediaire bedrijfstak verdient een kans van de overheid om via zelfregulering marktfalen te verminderen. De uitdaging voor het intermediair is dan wel dat er branchebrede initiatieven worden genomen en dat de markt zelf zorgt voor correcte naleving van de regels. Dat is uiteindelijk efficiënter voor zowel de markt als de toezichthouder. Door minder toezicht en meer marktwerking gaat het intermediair meer concurreren op prijs en kwaliteit, en wordt het risico van toezichtfalen kleiner. Daarbij heeft de markt de ruimte nodig om in transparantie te kunnen innoveren en verschillende vormen van dienstverlening te ontwikkelen. Een ambitieuze toezichthouder loopt dan eerder in de weg dan dat het zorgt

Stiglitz, J.E., Economics of the public sector, Norton, New York, 1988 Verbond van Verzekeraars, Verzekerd van Cijfers 2007, Den Haag, 2007 Vriesendorp-van Seumeren, R.M., De positie van de assurantietussenpersoon en zijn relatie tot de verzekeringnemer en de verzekeraar, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1989

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 29

Rubriek statistiek

29

De nieuwe inboedelwaardemeter Alex Hoen en Hein Ririassa Inleiding In 1992 is de eerste versie van de inboedelwaardemeter ontwikkeld. Met deze meter kan de consument op basis van een aantal kenmerken op eenvoudige wijze de waarde van de inboedel schatten. Het model achter de inboedelwaardemeter is een momentopname en dient daarom periodiek herijkt te worden. Na een eerste herijking in 1995, volgde een tweede herijking in 2000. Sinds 2000 zijn periodiek de gehanteerde bedragen geïndexeerd. In 2006 was er opnieuw behoefte voor een grondige herziening van de inboedelwaardemeter, onder andere omdat de inboedelwaardemeter uit 2000 door de vraag naar de WOZwaarde niet altijd eenvoudig is in te vullen. Sommige klanten hebben moeite deze informatie aan te leveren en huurders hebben zelfs niet meer de beschikking over de WOZ-waarde. De nieuwe inboedelwaardemeter moet eenvoudiger in te vullen zijn, beter zijn dan de oude inboedelwaardemeter en mag geen gebruik maken van de WOZ-waarde.

ling uitgevoerd. Dit vond plaats op het moment dat de schade-experts bij de mensen thuis kwamen in verband met een inboedelschade. Een schade-expert heeft middels een quick-scan vastgesteld of de verzekerde waarde op de polis overeenkomt met de aanwezige inboedel. Wanneer dit het geval was, is aan de verzekerde een vragenlijst voorgelegd waarin diverse kenmerken van het huishouden werden gevraagd. Het veldwerk heeft plaatsgevonden in de periode 1 mei 2007 tot en met 15 augustus 2007. In totaal is er een netto steekproef van 782 huishoudens aangeleverd. In deze steekproef zijn onder meer gegevens uitgevraagd over de volgende variabelen: • Samenstelling van het huishouden (aantal personen, geslacht en leeftijden) • Categorie huishouden (samenwonend/gehuwd of alleenstaand) • Hoogst afgeronde opleiding • Beroepssituatie • Inkomen, bruto en netto, van zowel hoofdkostwinnaar als van het totale huishouden • Soort woning • Aantal kamers, oppervlakte en inhoud van de woning • WOZ-waarde van de woning • Koop of huurwoning • Herbouwwaarde, huurprijs en huurderbelang van de woning

Dataverzameling en werkwijze

Op basis van deze gegevens heeft het CVS een aantal modellen ontwikkeld, die het meest in aanmerking komen voor een nieuwe inboedelwaardemeter. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de inboedelwaardemeter ingevuld dient te worden door de consument. Dit legt een aantal extra eisen op aan het model, die enerzijds het gebruik van de inboedelwaardemeter moeten stimuleren en anderzijds klachten moeten voorkomen:

Om de inboedelwaardemeter te kunnen herzien is eerst door het schade-expertise-bureau CED Nomex BV dataverzame-

• Het model dient eenvoudig te zijn (niet te veel variabelen);

Tabel 1: de correlatiecoëfficiënt tussen enkele variabelen en de bijbehorende overschrijdingskans. waarde leeftijd netto inkomen inboedel hoofdkostwinner hoofdkostwinner per maand aantal personen huishouding 0.16 -0.27 0.16 <.0001 <.0001 0.0003 oppervlakte woonkamer 0.31 0.08 0.33 <.0001 0.0587 <.0001 WOZ waarde 0.40 0.18 0.27 <.0001 0.0002 <.0001 aantal kinderen 0.10 0.03 0.14 0.0564 0.60 0.0412 leeftijd hoofdkostwinner 0.19 -0.05 <.0001 0.2522 netto inkomen hoofdkostwinner per maand 0.32 -0.05 <.0001 0.2522 oppervlakte woning 0.26 0.05 0.19 <.0001 0.2540 0.0007

oppervlakte woning 0.13 0.0052 0.71 <.0001 0.44 <.0001 0.06 0.3836 0.05 0.2540 0.19 0.0007

Deze rubriek wordt verzorgd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centrum voor Verzekeringsstatistiek en De Nederlandsche Bank. Voor inlichtingen over deze rubriek: drs. R.C.L. Bakker, rclbakker@rba-advies.nl. Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 30

30 • De te vragen gegevens moeten objectief en eenvoudig zijn te bepalen door de verzekeringsnemer; • Het model moet zo veel mogelijk voldoen aan de logica van de gemiddelde verzekeringsnemer; • De te vragen kenmerken moeten een minimale inbreuk maken op de privacy van de verzekeringsnemer. Uitkomsten onderzoek Alvorens tot een model te komen, zijn alle mogelijke verklarende variabelen afzonderlijk bekeken. Vervolgens is geanalyseerd in hoeverre ze correleren met de waarde van de inboedel. Een groot aantal van deze verklarende variabelen correleren onderling met elkaar, waardoor ze methodologisch niet in één model kunnen worden opgenomen. Zo correleert bijvoorbeeld de oppervlakte woning met de WOZwaarde en het aantal personen in het huishouden met het inkomen (zie tabel 1). Deze correlaties zijn soms erg hoog, maar ook de minder hoge correlaties zijn vaak erg significant en leiden daarom tot multicollineariteit. Voor het model zal dan tussen één van deze variabelen moeten worden gekozen. Statistisch gezien heeft de variabele met de beste fit de voorkeur, maar uit praktisch oogpunt zou een andere variabele gekozen kunnen worden. Ook zijn sommige variabelen slecht ingevuld, waardoor ze beter niet mee kunnen worden genomen in de analyse.

• Samenstelling van het huishouden: alleenstaand of samenwonend (al dan niet met inwonende kinderen) • Oppervlakte van de woning • Netto inkomen van de hoofdkostwinner per maand Voor de schatting van dit model is gebruik gemaakt van 318 waarnemingen. Vanwege non-respons op onderdelen van de vragenlijst is dit aantal ongeveer de helft van de steekproefgrootte. Opvallend is het geringe aantal variabelen. Terwijl we in de dataset kunnen beschikken over enkele tientallen variabelen, blijken de bovenstaande vier variabelen de beste verklaring te geven voor de inboedelwaarde. Het tweede dat opvalt is dat de WOZ-waarde probleemloos kan worden weggelaten. In plaats daarvan is de oppervlakte van de woning gekomen. Verder is het netto huishoudsinkomen vervangen door het netto inkomen van de hoofdkostwinner. Alle variabelen zijn statistisch significant op een significantieniveau van 5% en de R-kwadraat bedraagt 0,45. In de uitwerking verdelen we 100 punten over de verschillende variabelen, waarbij elke punt overeenkomt met een waarde van € 1000. De verdeling ervan staat weergegeven in tabel 2. Tabel 2: punten in de nieuwe inboedelwaardemeter punten

De variabelen zijn eerst rechtstreeks gebruikt, maar daarna zoveel mogelijk ingedeeld in categorieën, om twee redenen. Ten eerste is de relatie tussen een variabele en de inboedelwaarde vaak niet precies lineair. Een indeling in categorieën is dan een manier om de schatting te verbeteren. Ten tweede zijn enkele variabelen privacy-gevoelig. Veel mensen hebben er veel minder moeite mee om deze gegevens in te vullen als ze een klasse mogen invullen, terwijl ze de hoogte niet op zouden geven. Verder maakt het indelen in klassen het invullen van de meter eenvoudiger, omdat een waarde niet precies bekend hoeft te zijn. Uiteraard is voor de indeling in klassen gekeken naar de indeling die de beste statistische resultaten en grenzen heeft op afgeronde getallen, waarbij voor het vergroten van de betrouwbaarheid aan enkele variabelen een maximum is gesteld. Voor wat betreft het netto inkomen van de hoofdkostwinnaar ligt dit op € 4.850 per maand, voor de oppervlakte woning is het maximum 300 vierkante meter. Uit de analyse blijkt dat de inboedelwaardemeter alleen gebruikt kan worden voor inboedels met een waarde onder de € 100.000.

Leeftijd hoofdkostwinner tot en met 35 jaar 36 tot en met 50 jaar 51 tot en met 70 jaar 70 jaar of ouder

22 29 39 37

Netto maandinkomen hoofdkostwinner 1000 euro of minder 1001 tot en met 2000 euro 2001 tot en met 3000 euro 3000 tot en met 4850 euro

0 10 17 28

Samenstelling huishouden Alleenstaand Samenwonend/getrouwd

0 10

Oppervlakte woning 90 m2 of minder 91 tot en met 140 m2 141 tot en met 190 m2 190 tot en met 300 m2

0 6 18 23

De inboedelwaardemeter van 2000 gebruikte de volgende variabelen: • • • • • •

Leeftijd hoofdkostwinner Samenstelling huishouden Netto maandinkomen huishouden WOZ-waarde woning Geschat huurdersbelang Bijtelling koopwoning

In de nieuwe schattingen vinden we voor het statistisch beste model (‘Best fit’) uiteindelijk de volgende variabelen: • Leeftijd van de hoofdkostwinner

Uit de tabel blijkt dat 100 punten het maximum is dat kan worden bereikt met de nieuwe inboedelwaardemeter, en daarmee een maximum bedrag van € 100.000 aan inboedelwaarde. Hierbij zijn de zogeheten bijtellingen, zoals huurdersbelang en kostbaarheden, nog niet meegerekend. De inboedelwaardemeter uit 2000 komt hoogstens uit op een bedrag van € 125.895 voor de waarde van de inboedel. De lagere waarde van de nieuwe inboedelwaardemeter zal in de praktijk nauwelijks een probleem zijn. Zo blijkt uit de risicostatistiek Particuliere Inboedelverzekeringen dat 95% van alle inboedelpolissen een verzekerde som heeft van hooguit € 91.000.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 31

Rubriek statistiek

31

Verschillen tussen de nieuwe en de oude inboedelwaardemeter 1. Gemiddelde afwijking Om de uitkomsten van het nieuwe en het oude model te vergelijken, zijn ze doorgerekend met de gegevens van alle huishoudens die we hebben ontvangen. Omdat uit de enquête de waarde van de inboedel bekend is, kunnen we eenvoudig vergelijken hoeveel het model er naast zit. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gemiddelde afwijking gelijk is aan nul. Het model levert zowel onderschattingen als overschattingen en deze heffen elkaar op. Om toch een beeld te krijgen van de gemiddelde afwijking, nemen wij het gemiddelde van de absolute afwijking. Dat levert de gemiddelde afwijking op, maar zegt niets over het teken, dus of het een overschatting of een onderschatting is. Tabel 3 bevat de resultaten. Hieruit blijkt dat de gemiddelde absolute afwijking voor het nieuwe model € 14.725 bedraagt, oftewel 30% van de feitelijke inboedelwaarde. Het oude model heeft een gemiddelde absolute afwijking van € 17.815, oftewel 38% van de feitelijke inboedelwaarde. Het nieuwe model is dus niet alleen makkelijker in te vullen, het levert ook een betere schatting van de inboedelwaarde. Tabel 3: gemiddelde absolute en procentuele afwijking ten opzichte van de feitelijke inboedelwaarde absolute afwijking procentuele afwijking Nieuwe model 14 257 30% Oude model 17 815 38% In tabel 4 is weergegeven in hoeveel gevallen de nieuwe inboedelwaardemeter afwijkt ten opzicht van de oude meter. Op basis van deze tabel en het gegeven dat de oude meter gemiddeld 4% hoger uitkomt dan de echte gemiddelde inboedelwaarde, kunnen we stellen dat de nieuwe inboedelwaardemeter doorgaans een lagere waarde geeft dan de oude inboedelwaardemeter. Tabel 4: afwijking inboedelwaarde nieuwe meter versus oude meter Afwijking

Aantal gevallen waarbij nieuwe

Aantal gevallen waarbij nieuwe

inboedelwaardemeter

inboedelwaardemeter hoger

lager t.o.v. oude meter

t.o.v. oude meter

0 tot 10%

17,2%

16,8%

10 tot 20%

17,2%

9,0%

20 tot 30%

11,9%

6,3%

30 tot 40%

3,7%

3,7%

40 tot 50%

3,7%

3,7%

50 tot 60%

2,2%

2,2%

60 tot 70%

1,1%

0,4%

70 tot 80%

0,0%

0,4%

80 tot 90%

0,0%

0,0%

90 tot 100%

0,4%

0,0%

100% of meer

0,0%

0,0%

2. Afwijkingen tussen oude en nieuwe inboedelwaarde Eerder zagen we dat de gemiddelde absolute afwijking van het nieuwe model 30% is. Dit is best hoog en doet vanzelfsprekend de vraag rijzen of het wel verstandig is de inboedelwaardemeter aan te passen. Het feit dat de oude inboe-

delwaardemeter een nog hogere fout heeft, beantwoordt deze vraag al snel positief. Een ander mogelijk probleem is dat individuele huishoudens met de nieuwe meter een andere schatting krijgen voor de waarde van hun inboedel. Deze kan aanzienlijk afwijken van de vorige schatting met de oude inboedelwaardemeter, wat ervoor zou kunnen pleiten de oude meter te updaten in plaats van een geheel nieuwe meter te schatten. Echter, ook bij een aanpassing van de meter door het oude model te herschatten, zullen dergelijke verschuivingen optreden. De enige oplossing om dat te voorkomen is het oude model exact te houden zoals het is, inclusief de oude coëfficiënten, maar dat brengt ons direct terug bij de problemen die we wilden oplossen door een nieuw model te schatten. Ter illustratie hebben we enkele gevallen doorgerekend. We hebben hiertoe de variabelen van de oude inboedelwaardemeter genomen en daar nieuwe coëfficiënten bij geschat. Dit heeft grote gevolgen. Zo heeft een persoon met de volgende kenmerken: Leeftijd:

61 - 70 jaar

Samenstelling huishouden:

Echtpaar/samenwonenden

Netto maandinkomen huishouden:

2601 - 3100 euro

WOZ-waarde woning

370 007 - 43 0000 euro

zonder inwonende kinderen

volgens de oude inboedelwaardemeter een inboedel met waarde € 102.795 en volgens de geüpdate oude inboedelwaardemeter een inboedel met waarde € 56.595. Een persoon met de volgende kenmerken: Leeftijd:

31 - 40 jaar

Samenstelling huishouden:

Alleenstaande zonder inwonende

Netto maandinkomen huishouden:

<= 1100 euro

Geschat huurdersbelang:

0

kinderen

heeft volgens de oude inboedelwaardemeter een inboedel met waarde € 16.170 en volgens de geüpdate oude inboedelwaardemeter een inboedel met waarde € 35.805. In beide gevallen is het verschil ongeveer een factor 2. Aangezien de verschillen zowel bij een totaal ander model als bij een herschatting van de oude specificatie zullen voorkomen, verdient het vanwege de grotere nauwkeurigheid nog steeds de voorkeur om te kiezen voor het beste nieuwe model. Conclusie De vorige inboedelwaardemeter stamt uit 2000. Deze meter is enige malen geïndexeerd, maar was inmiddels toe aan een grondige herziening. Hiertoe is data verzameld bij bijna 800 huishoudens, op basis waarvan een nieuwe inboedelwaardemeter kon worden geschat. Enkele extra eisen waren dat er geen WOZ-waarde mag worden uitgevraagd, dat de vragen eenvoudig in te vullen moeten zijn en dat de informatie niet te privacy-gevoelig mag zijn. Uiteraard moeten de uitkomsten wel beter zijn dan die van de oude meter. Het CVS heeft op basis van een uitgebreide analyse vier variabelen geselecteerd die een goede voorspelling geven van de inboedelwaarde.

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 32

32 Deze variabelen zijn: • Leeftijd van de hoofdkostwinner • Samenstelling van het huishouden: alleenstaand of samenwonend (al dan niet met inwonende kinderen) • Oppervlakte van de woning • Netto inkomen van de hoofdkostwinner per maand

Alle variabelen zijn ingedeeld in maximaal 4 klassen en de laatste twee variabelen zijn op een maximum van € 4850 300 vierkante meter gesteld. Deze nieuwe inboedelwaardemeter levert een gemiddelde absolute fout op van 30%, waar de oude inboedelwaardemeter er gemiddeld 38% naast zit. De nieuwe inboedelwaardemeter is dan ook op alle fronten beter dan de oude terwijl ook aan alle extra eisen is voldaan. ‹

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 33

Rubriek juridisch

33

Verzekeringsrechtspraak, regelgeving en literatuur Mr. R.Ph. Elzas, prof. mr. J. Borgesius, prof. mr. J.H. Wansink en mw. B.K.M. Lauwerier RECHTSPRAAK HOGE RAAD Levensverzekering met spaardeel In 1994 wordt een levensverzekering afgesloten bij Ohra, welke polis daarna is overgenomen door Ennia. Het verzekerd bedrag beloopt 100 000 Antilliaanse guldens. Bij akte van verpanding zijn alle rechten uit de verzekering overgedragen aan Ohra. In 2002 overlijdt de man. Ennia weigert een uitkering aan de weduwe op grond van verzwijging. Het opgebouwde spaardeel ten bedrag van AFL 38 595,12 keert Ennia uit aan Ohra Hypotheek Bank. De weduwe vordert het verzekerd bedrag en het opgebouwde spaargeld. Het Hof wijst AFL 100 000 toe. In cassatie klaagt Ennia over het verwerpen van het beroep op verzwijging. Dat betreft een feitelijk oordeel en op grond daarvan verwerpt de Hoge Raad dit cassatie middel. Wel heeft Ennia succes met betrekking tot de toewijzing van het Hof van een bedrag groot AFL 100 000. De polis bepaalt in artikel 9a: ‘bij overlijden van de verzekerde vóór de einddatum zal de uitkering uit belegd vermogen en de uitkering in gevolge de overlijdensrisicoverzekering samen gelijk zijn aan het verzekerd kapitaal’. Deze bepaling laat aldus de Hoge Raad geen andere uitleg toe dan dat Ennia op grond van de polis in het onderhavige geval een bedrag van AFL 100 000 moest uitkeren waarin het spaardeel begrepen is. Nu het spaardeel AFL 38 595,12 bedraagt en dat deel reeds door Ennia is uitgekeerd, resteert een uitkering van AFL 61 404,88 en niet AFL 100 000. HR 23 november 2007, RvdW 2007, 999, Ennia Caribe Leven N.V. Letselschade begroting en peildatum In 1980 wordt een medische fout gemaakt waardoor bij betrokkene een rechter onderarm moest worden geamputeerd. De gelaedeerde is dan 28 jaar oud. De aansprakelijkheid en de volledige schadevergoedingsverplichting van de arts worden erkend. Het Hof heeft de duurschade voor wat betreft weggevallen arbeidscapaciteit en extra kosten begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens met als peildatum 1 januari 1986.

In cassatie wordt aan de orde gesteld dat het Hof bij de begroting van de belastingschade geen rekening heeft gehouden met het nieuwe belastingstelsel dat in 2001 van kracht is geworden. De hiertegen gerichte cassatiemiddelen slagen. Ten tijde van het wijzen van het tussenarrest door het hof op 27 februari 2003 stond vast dat het nieuwe belastingregime inmiddels was ingevoerd en de uitgangspunten voor de begroting van de belastingschade neergelegd in het in eerste aanleg uitgebrachte deskundigenrapport niet langer van toepassing waren. Nu, aldus de Hoge Raad, de rechter bij het bepalen van schadevergoeding zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade dient te begroten, had het Hof zonder nadere motivering, die ontbrak, niet mogen vasthouden aan een begroting van de belastingschade waarin wordt voorbij gegaan aan de ingrijpende wijziging van het belastingstelsel met ingang van 2001. De Hoge Raad houdt vast aan zijn eerder arresten waarbij de rechter wordt toegelaten een peildatum te kiezen die ligt vóór de datum van de uitspraak waarbij de gekapitaliseerde duurschade wordt toegewezen. In een dergelijk geval is de wettelijke rente opeisbaar te rekenen vanaf de peildatum. De benadeelde mist immers het rendement vanaf de peildatum tot aan de datum van de daadwerkelijke uitkering van de gekapitaliseerde schade. In het incidenteel appel wordt onder meer gegrond verklaard het hanteren van een sterftekanscorrectie per peildatum. In dit geval ligt die peildatum ruim voor de datum van de uitspraak. Nu die sterftekans zich in de betreffende periode niet heeft gerealiseerd zal het overlijdensrisico in de jaren voorafgaand aan de uitspraak niet mogen worden verdisconteerd. HR 30 november 2007, RvdW 2007, 1025 Opzetclausule Op 7 september 1998 heeft de verzekerde zijn echtgenote zeer ernstig lichamelijk en psychisch letsel toegebracht door meermalen met een vuisthamer op haar hoofd te slaan. In het kader van een onderzoek heeft de psychiatrische observatiekliniek voor het gevangeniswezen een onderzoek uitgevoerd en geconcludeerd: ‘op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens instaat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden, dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit leidende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit – indien bewezen – hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend’. In de strafzaak heeft het Hof bewezen geacht dat de dader ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk zijn echtgenote van het leven te beroven, opzettelijk, die echtgenote meermalen, althans eenmaal, met een zware hamer op haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het Hof heeft de dader veroordeeld. Ten tijde van het plegen van het feit was een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van kracht. Deze kende een uitsluitingsclausule in Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 34

34 het geval van opzet: de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten is niet verzekerd. De dader heeft zijn aanspraken uit de aansprakelijkheidsverzekering aan zijn echtgenote overgedragen. Die heeft vervolgens als cessionaris zich tot de verzekeraar gewend, die de aanspraak bestrijdt met een beroep op de opzetclausule. Het Hof heeft dat verweer gegrond geacht. De Hoge Raad overweegt: ‘Voor zover het onderdeel betoogt dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin het door de verzekeraar gedane beroep op de opzetclausule wordt bestreden met de stelling, dat de verzekerde in verband met een geestesstoornis geen verwijt kan worden gemaakt van zijn schadetoebrengend handelen omdat die stoornis van zodanige aard was dat hij zich van dat handelen en de gevolgen daarvan niet bewust is geweest, niet voorshands op grond van de gedragingen van de verzekerde tot het oordeel mag komen, dat deze zich ervan bewust was dat het toegebrachte letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn, faalt het. Ook in een dergelijk geval geldt dat, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 15 oktober 2004, NJ 2005, 141, de rechter, behoudens door de verzekerde te leveren tegenbewijs, uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze zich ervan bewust was dat het in feite toegebrachte letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn.’ HR 21 december 2007, RvdW 2008, 51 ABN AMRO Schadeverzekeringen N.V. Derdenverzet tegen uitspraak faillissement invoeringswet Wft art. 15 en 16. De Hoge Raad verwerpt op grond van artikel 81 RO het door derden ingesteld verzet. De Advocaat Generaal bespreekt onder meer de overgangswetgeving in het kader van de invoering van de Wft in het geval op grond van artikel 156 WTV 1993 een noodregeling is uitgesproken mede met het oog op ondermeer artikel 213f Faillissementswet, inwerking getreden per 1 januari 2007. HR 21 december 2007, RvdW 2008, 63 Duurstuiting art. 10 lid 5 WAM Het UWV en het ABP meldden zich tijdig dat wil zeggen binnen de drie jaar termijn van de WAM bij AXA, bij wie de WAM aansprakelijkheid verzekerd is terzake van een ongeval waarbij een uitkeringsgerechtigde letsel heeft opgelopen. AXA stelt zich op het standpunt dat de betreffende brief geen aanvang van onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 5 WAM impliceerde, en dus de verjaring niet werd gestuit conform art. 10 lid 5 WAM. Dat er geen onderhandelingen waren blijkt uit het feit dat er ten tijde van die oorspronkelijke brief aan AXA nog geen uitkeringen door het UWV en het ABP waren gedaan. Dit standpunt van AXA faalt bij de Rechtbank, Hof en Hoge Raad. Teneinde aangemerkt te worden als benadeelde is het niet nodig dat bij de aanvang van de in art. 10 lid 5 bedoelde onderhandeling tenminste maar reeds daadwerkelijk enig op de verzekeraar verhaalbare schade is geleden. De Hoge Raad stelt vast dat het Hof terecht als maatstaf heeft gehanteerd dat van onderhandeling in de zin van art. 10 lid 5 WAM sprake is ingeval van een uitwisseling van berichten waarbij de benadeelde de verzekeraar aansprake-

lijk stelt en deze de aanspraak in behandeling neemt zonder ervan blijk te geven de aanspraak (gedeeltelijk) te honoreren. HR 18 januari 2008, RvdW 2008, 105, AXA Schade N.V. / UWV en Stichting Pensioenfonds ABP Verzekeringsplicht werkgever Werknemer van Akzo raakt als bestuurder van zijn personenauto betrokken bij een verkeersongeval en loopt daarbij letsel op. Hij spreekt de WAM verzekeraar van het andere bij het ongeval betrokken motorrijtuig aan tot vergoeding van zijn schade. In die procedure wordt aan de werknemer van Akzo 25% eigen schuld toegerekend, omdat hij ten tijde van de aanrijding zijn gordel niet droeg. Nadat de dienstbetrekking is beëindigd spreekt de werknemer Akzo aan tot betaling van het niet vergoede gedeelte van 25% van zijn schade gebaseerd op primair art. 7:658 BW (arbeidsongeval) en subsidiair op art. 7:611 BW (goed werkgeversschap). In cassatie neemt de Hoge Raad het volgende tot uitgangspunt: ‘De wetgever heeft in art. 7:658 BW een regeling gegeven met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever jegens de werknemer voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Met deze regeling is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Het in lid 1 bepaalde heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (vergelijk HR 12 september 2003, NJ 2004, 177). Hieruit volgt dat ook op art. 7:611 BW geen onbeperkte aansprakelijkheid voor de schade als door de betrokkene is geleden, kan worden gegrond, nu dit niet in overeenstemming is met het stelsel van de wet, in het bijzonder art. 7:658 BW. Het hiervoor (in 3.3 onder (c)) weergegeven oordeel van het Hof, dat kennelijk impliceert dat de werkgever in gevallen als het onderhavige in beginsel steeds de gehele (resterende) schade van de werknemer moet dragen, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. 4.3 De aan het gemotoriseerd verkeer verbonden, door velen met grote regelmaat gelopen, risico’s van ongevallen hebben mettertijd geleid tot een goede verzekerbaarheid van deze risico’s tegen betaalbare premies. In het licht hiervan moet worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorrijtuig betrokken raken bij een verkeersongeval. De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden – waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd- en de heersende maatschappelijke opvatting omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 35

Rubriek juridisch

35

dient te verlenen. De verzekering behoeft in elk geval geen dekking te verlenen voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. In het bijzonder wanneer voor de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een eigen auto van de werknemer, kan aan de verplichting ook voldaan worden door de werknemer financieel in staat te stellen om voor een behoorlijke verzekering zorg te dragen, mits hiervoor in de verhouding tussen de werkgever en de werknemer voldoende duidelijkheid wordt verschaft. Indien de werkgever is tekort geschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering als hiervoor bedoeld, is hij jegens de werknemer aansprakelijk voor zover deze door die tekortkoming schade heeft geleden.’ De Hoge Raad oordeelt dat een en ander alsnog door de rechter behandeld zal moeten worden. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ook de bewuste roekeloosheid onjuist heeft beoordeeld. In dit verband overweegt de Hoge Raad: ‘Het Hof heeft immers miskend dat het feit dat betrokkene, hoewel hij op de hoogte was van de daaraan verbonden risico’s, ‘een bewuste keuze heeft gemaakt voor het niet dragen van een gordel’, niet zondermeer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van een zodanig gevaarlijke gedraging dat betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar (van het oplopen van letsel bij een aanrijding) had behoren te onthouden.’ Ook dit punt zal in het vervolg van de procedure opnieuw aan de orde komen. HR 1 februari 2008, RvdW 2008, 176, Akzo Nobel.

RECHTSPRAAK GERECHTSHOVEN, RECHTBANKEN EN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN (BL) Brand. Geestesstoornis. Inboedelverzekering en opstalverzekering woonhuis. Opzet. Merkelijke schuld. Gevaarzetting Het woonhuis en de inboedel van verzekerde worden op een bepaald moment door brand verwoest waarna verzekeraar, naar het oordeel van het hof terecht, vergoeding van de schade weigert. Op de betreffende dag van de brand heeft verzekerde een aantal keer met 112 gebeld waarbij hij aangeeft dat hij hulp nodig heeft en ook meerdere keren bevestigt dat hij zijn huis in brand heeft gestoken. De politie treft bij het brandende huis de auto van verzekerde aan met daarin o.m. het rijbewijs, het koopcontract van de woning en andere waardepapieren van hem. Een door verzekeraar ingeschakeld onderzoeksbureau rapporteert dat er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meerdere brandhaarden zijn geweest. Uit medisch onderzoek van verzekerde blijkt o.m. overmatig alcoholgebruik alsook dat zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing van de geestesvermogens niet van dien aard zijn dat de brandstichting hem niet geheel toegerekend zou kunnen worden, althans dat die hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. De door verzekerde zelf geopperde lezing dat de brand is veroorzaakt doordat hij tijdens het

roken van een sigaret in slaap is gevallen, heeft te gelden dat hij zich aldus mede vanwege zijn voorafgaand aanzienlijke alcohol- en medicijngebruik gevaarzettend heeft gedragen en wel op een wijze waarvan hij weet of behoort te weten dat hierdoor een aanmerkelijke kans op schade wordt teweeggebracht. Door zich niet te onthouden van die gedraging, schiet verzekerde in ernstige mate tekort in zorg ter voorkoming van schade. Indien de brand op deze laatstgenoemde wijze is ontstaan, is zij het gevolg van de merkelijke schuld van verzekerde. Het strafbare feit kan verzekerde in verminderde c.q. enigszins verminderde mate worden toegerekend. Hieruit volgt niet dat hem op grond van een stoornis van zijn geestesvermogens van het veroorzaken van de brand geen verwijt te maken valt. Hof Amsterdam 26 mei 2005, S&S 2007, 139 Opstalverzekering. Brand. Bestemmingswijziging. Mededelingsplicht. Onderzoeksplicht. Risicoverzwaring. Causaal verband Voor een antiekwinkel met bovenwoning is een opstalverzekering afgesloten met uitgebreide dekking. Sinds begin mei 2003 wordt de bovenwoning verhuurd. In oktober van dat jaar ontstaat brandschade aan de bovenwoning. Na de brand is gebleken dat de bovenwoning inclusief de zolder, compleet als hennepkwekerij in gebruik was en dat bewoning, gelet op de inrichting, niet mogelijk was. Ook was de beveiliging van de stroomvoorziening gehaald. De hennepkwekerij vormde een wijziging van de bestemming in de zin van art. 293 K en een wijziging van het gebruik in de zin van art. 13 van de polisvoorwaarden welke wijziging niet aan verzekeraar is gemeld. Niet weersproken is dat verzekeraar de verzekeringsovereenkomst niet zou hebben gesloten of voortgezet als zij van de gewijzigde bestemming c.q. gebruik van de bovenwoning op de hoogte was geweest. De rechtbank oordeelt dat verzekerden van deze wijziging redelijkerwijze op de hoogte konden zijn nu zij als professionele beleggers in onroerend goed zijn te beschouwen, de onderhavige polis hen dekking verleent voor in totaal 16 panden en zij ook nog eigenaar zijn van 7 panden elders. Ook zijn ze professionele verhuurders, die de bovenwoning via een professionele makelaar in verhuur hebben gegeven. Van professionele partijen mag mede op basis van de berichten in de media worden verwacht dat zij alert zijn op signalen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een door hen verhuurde woning mogelijk als illegale hennepkwekerij of voor een ander illegaal doel wordt gebruikt en vervolgens dat zij, indien die signalen komen, actief onderzoek instellen. Noch verzekerden noch de makelaar hebben enig onderzoek naar de huurder ingesteld, terwijl dit redelijkerwijs wel van hen verwacht had mogen worden, met name naar de financiële draagkracht van de huurder bij de niet onaanzienlijke huurprijs. Verzekerden hebben het beheer van de bovenwoning uitbesteed aan een professionele beheerder, die eveneens alert had moeten zijn op signalen van illegaal gebruik, doch net als verzekerden het feitelijk gebruik van de woning nimmer heeft gecontroleerd, terwijl verzekerden daarover ook nimmer enige instructie hadden gegeven. Ook is de periode van juni 2003 tot aan de brand zodanig dat verzekerden in redelijkheid niet kunnen volhouden dat die periode te kort was om de hennepkwekerij te kunnen ontdekken. De brand is zeer waarschijnlijk het gevolg geweest Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 36

36 van de illegale en gevaarlijke aanleg van de elektra ten behoeve van de hennepkwekerij. Een andere oorzaak is gesteld noch gebleken. Het causaal verband tussen de aanwezigheid van de hennepkwekerij en de brand staat aldus in voldoende mate vast voor een succesvol beroep van verzekeraars op art. 13 van de polisvoorwaarden. Rb. Rotterdam 3 augustus 2005, S&S 2007, 140 Verhaal WAM-uitkering op verzekeringnemer. Stelplicht Verzekeraar heeft na een aanrijding tussen twee auto’s op grond van de WAM uitgekeerd. De betreffende bestuurder van de achteropkomende auto had ten tijde van de aanrijding geen geldig rijbewijs en wist de auto niet tijdig tot stilstand te brengen met de aanrijding tot gevolg. Nadat de WAM-verzekeraar zich verhaalt op verzekeringnemer stelt deze dat verzekeraar hem de voorwaarden niet ter hand heeft gesteld en niet heeft gewezen op een uitzondering die in die bepalingen voorkomt. Verzekeringnemer stelt tevens dat verzekeraar hem een nadere toelichting had moeten geven op de schuldvraag. Of verzekerde al dan niet veronderstelde of mocht veronderstellen dat de bestuurder wél over een geldig rijbewijs beschikte, is in dit verband niet van belang. Deze stellingen zijn onvoldoende onderbouwd en worden gepasseerd waarmee het verhaal van verzekeraar wordt gehonoreerd. Rechtbank Amsterdam 20 december 2006, VR 2008, 17 Bromfietsverzekering en certificaat Een bromfietsverzekeraar hanteert een verzekeringsformulier waarop aan de achterkant, onder meer, staat dat schade, ontstaan als er wordt gereden zonder geldig bromfietscertificaat, niet verzekerd is. De verzekering is aangegaan met een 16-jarige jongen die geen certificaat heeft. Deze verzekeringnemer veroorzaakt ernstige letselschade, die op grond van de WAM voor rekening van verzekeraar komt. Verzekeraar neemt met succes verhaal nu de jeugdige leeftijd en onervarenheid er volgens het hof niet aan in de weg staan om aan te nemen dat verzekeringnemer de bepaling omtrent het certificaat heeft gelezen en kunnen begrijpen. Ondanks de zeer ingrijpende gevolgen (verhaal ruim € 65 000, nog geen medische eindtoestand) is het inroepen van de uitsluiting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Hof Amsterdam 11 januari 2007, VR 2007, 155; NJF 2007, 336 Niet gemelde werkzaamheden. Geen onrechtmatige inbreuk op het privéleven van verzekerde door particulier onderzoeksbureau dat in opdracht van een verzekeraar een persoonsgericht onderzoek naar verzekerde heeft gedaan Eiser heeft een beroep gedaan op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering omdat hij bij een auto-ongeval een whiplash had opgelopen met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. De verzekeraar heeft na een periode van 16 maanden geen uitkeringen meer aan eiser verstrekt, waarop eiser verzekeraar heeft gedagvaard. Verzekeraar heeft hierop een onderzoeksbureau ingeschakeld. Dit onderzoeksbureau is via een anonieme bron getipt dat eiser wel degelijk aan het werk was. Uit waarnemingen bleek dat eiser op 4 dagen, waarvan drie opeenvolgend, tijdens kantooruren bij een tweetal

bedrijven aanwezig was. Ter voorkoming van aangifte van fraude heeft eiser een schikking met verzekeraar getroffen. Wel meent eiser dat hij vanwege zijn kwetsbare gezondheid heeft ingestemd met de voor hem ongunstige schikking, zodat hij schade lijdt. Hierop heeft hij het onderzoeksbureau gedagvaard. De rechtbank oordeelt dat het gebruik door het onderzoeksbureau van een anonieme tipgever als aanvulling op haar waarnemingen, niet in strijd is met de voor het onderzoeksbureau geldende normen. Het incidenteel observeren van een persoon in zijn woning vanaf de openbare weg kan niet worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Evenmin vormt het volgen van eiser een onrechtmatige gedraging nu niet gebleken is dat het onderzoeksbureau in strijd heeft gehandeld met de daarvoor geldende regelgeving. De duur en de intensiteit zijn beperkt gebleven, zodat het onderzoeksbureau geen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van eiser. Ook de stelling dat sprake zou zijn van een suggestief en onzorgvuldig rapport wordt verworpen. Op het verwijt van eiser dat het onderzoeksbureau de opdracht van verzekeraar had moeten weigeren, oordeelde de rechtbank dat nu eiser geen stukken met betrekking tot het ongeval had overgelegd, eiser tijdens de comparitie een fitte indruk maakte en er onduidelijkheid bestond of de bedrijven van eiser nog bestonden op datum ongeval, er voor het onderzoeksbureau geen reden bestond de opdracht te weigeren. Nu het betreffende onderzoek was toegelaten en correct uitgevoerd worden de vorderingen van eiser afgewezen. Rechtbank Zutphen 9 mei 2007, RAV 2007, 55 Schade veroorzaakt door dronken joyrider. Eigenaresse heeft onvoldoende voorzorgsmaatregelen getroffen ter voorkoming van het wegnemen van de autosleutels De toenmalige vriend van verzekeringneemster heeft onder invloed van alcohol en in een periode van een rijontzegging schade veroorzaakt aan een derde en aan haar auto. Ruim twee maanden na het schadevoorval doet de vrouw aangifte bij de politie van joyriding. De polisvoorwaarden van de autoverzekering bepalen dat geen dekking wordt verleend wanneer de schade wordt veroorzaakt door een bestuurder die onder invloed is van alcohol. Deze dekkingsuitsluiting geldt niet wanneer de verzekeringneemster kan aantonen dat deze omstandigheid zich buiten haar weten en tegen haar wil heeft voorgedaan en dat haar redelijkerwijze geen verwijt kan worden gemaakt. Verzekeraar weigert onder verwijzing naar de bewuste polisvoorwaarden de schade aan de auto van de vrouw uit te keren en vordert de aan de derde vergoede schade terug. De vrouw voert ter disculpatie aan dat haar vriend de gehele dag bij haar aanwezig was en te veel had gedronken. Nadat hij kenbaar maakte te willen autorijden heeft zij dat verboden. Even later zag zij dat haar vriend de autosleutels zonder haar toestemming uit haar handtas had meegenomen. De vrouw stelt dat zij geen nadere maatregelen had genomen uit vrees voor gewelddadigheid van de zijde van haar vriend. Het hof oordeelt dat onder de onderhavige omstandigheden de grieven van de vrouw niet kunnen slagen nu gesteld noch gebleken is dat zij voorzorgsmaatregelen heeft genomen teneinde te voorkomen dat haar vriend met de auto zou gaan rijden. Vast staat dat zij het hem niet onmogelijk heeft gemaakt om de sleutels te bemachtigen, terwijl ze boven-

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 37

Rubriek juridisch

37

dien pas tien weken na het schadevoorval aangifte bij de politie heeft gedaan. Verzekeraar kan derhalve een beroep doen op de clausules. Angst voor gewelddadigheid komt en blijft voor rekening van de vrouw en leidt niet tot overmacht aan haar zijde. De stellingen van de vrouw bevatten onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat de gevolgen voor rekening van verzekeraar zouden moeten worden gebracht. Hof Amsterdam 7 juni 2007, RAV 2008, 3 Verzekeraar mag niet zonder meer afgaan op van de verzekerde verkregen informatie Verzekerde heeft een zogenoemde ziektekostenverzekering buitenland afgesloten die een maximum verpleegprijs per dag kent. Tijdens zijn verblijf in Polen is verzekerde ziek geworden in verband waarmee een opname in een ziekenhuis in Nederland werd geadviseerd. Verzekerde heeft telefonisch contact laten opnemen met de ziektekostenverzekeraar omdat hij er niet gerust op was dat zijn verzekering voor die opname een toereikende dekking zou bieden. De verzekeraar heeft zich vervolgens coulancehalve bereid verklaard ook de in Nederland te maken ziektekosten en alle verpleegkosten te vergoeden. De ziektekostenverzekeraar stelt zich daarbij te hebben gebaseerd op de door de dochter van verzekerde gedane mededeling dat de gedekte verpleegkostenvergoeding van ¤1250 per dag toereikend zou zijn. De ziektekosten overstijgen de maximale verpleegprijs per dag waarna de verzekeraar deze kosten van verzekerde terug vordert. Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat de ziektekostenverzekeraar tekort is geschoten in haar informatieplicht om verzekerde te wijzen op de eventuele consequenties van zijn ziekenhuisopname. In aanmerking genomen de grote belangen die hier in het geding zijn ligt het niet voor de hand om de verzekeraar, de bij uitstek deskundige partij in deze contractsrelatie, te vergunnen dat deze zonder meer mag afgaan op de inlichtingen die de verzekerde bij zijn zoektocht verkreeg. De verzekeraar had er, gelet op de veelheid van tarieven die ziekenhuizen in rekeningen hanteren, ernstig rekening mee te houden dat de verzekerde minder goed geïnformeerd was dan zij meende te zijn. Bovendien kan uit het enkele feit dat zij contact zocht met de verzekeraar worden afgeleid dat zij behoefte had aan aanvullende inlichtingen. Dit zou anders zijn, indien de verzekeraar op grond van haar kennis van de geldende tarieven mocht menen dat verzekerde zich geen zorgen behoefde te maken over een dekkingsprobleem, waarover de verzekeraar echter niets heeft gesteld. Daarbij speelt ook een rol dat het betalingsverkeer zo was geregeld dat verzekerde het in rekening gebrachte tarief pas achteraf zou vernemen en hij aldus afhankelijk was van de van de verzekeraar afkomstige informatie. De verzekeraar is dusdoende tekortgeschoten in haar informatieplicht waarmee afwijzing van de vordering volgt met als gevolg dat de verpleegkosten die niet onder de verzekeringsdekking vallen voor rekening van de verzekeraar dienen te blijven. Hof Amsterdam 7 juni 2007, Gezondheidszorg Jurisprudentie (GJ) 2007, afl. 8, nr. 159; RAV 2007, 63

Samenloop reis- en ziektekostenverzekering. Uitsluitingsclausule. Repatriëringskosten De kern van onderhavig arrest schuilt in de uitleg van de polisvoorwaarden van de ziektekostenverzekering en dan met name van het begrip ‘repatriëringskosten’ in samenhang met de uitsluitingsclausule. De reisverzekeraar, die de schade (onder meer de repatriëringskosten van een verzekerde baby) had vergoed, zoekt met succes verhaal op de ziektekostenverzekeraar naar rato van de bedragen waarvoor iedere verzekeraar afzonderlijk had kunnen worden aangesproken. Tijdens een vakantie op Gran Canaria bevalt een vrouw in de 26e week van haar zwangerschap van een tweede kind. De baby moet geruime tijd ter plaatse in het ziekenhuis blijven. Na ontslag uit het ziekenhuis regelt de hulpcentrale van de reisverzekeraar een ambulancevlucht naar Nederland, waarbij de moeder haar baby begeleidt. De vader reist met het andere kind per gewone vlucht terug naar Nederland. Wegens ademhalingsproblemen van de baby moet een tussenlanding worden gemaakt in Lissabon, waar de baby gedurende enkele weken wordt opgenomen in een ziekenhuis. Vervolgens wordt een tweede ambulancevlucht naar Nederland geregeld. De vader, die naar Lissabon was overgekomen, vliegt dan wederom per gewone vlucht terug naar Nederland. De ziektekostenverzekeraar van de vader en zijn kinderen vergoedt alle medische kosten van de baby. De medische kosten van de moeder worden door haar ziektekostenverzekeraar vergoed. De reisverzekeraar voldoet de kosten van beide ambulancevluchten, alsmede de reiskosten van de vader van Nederland naar Lissabon vice versa. Volgens de reisverzekeraar vallen de door hem vergoede kosten ook onder de dekking van de ziektekostenverzekering, zodat sprake is van samenloop van verzekeringen. De reisverzekeraar dagvaardt de ziektekostenverzekeraar dan ook om naar rato in de betreffende kosten bij te dragen. Deze verweert zich met de stelling dat repatriëringskosten alleen onder de ziektekostenverzekering vallen, indien er een medische noodzaak voor repatriëring is. Daarvan is geen sprake indien de vereiste medische zorg ter plaatse van het tijdelijk verblijf in het buitenland kan worden geboden. Rechtbank en hof verwerpen dit verweer en wijzen de vordering van de reisverzekeraar toe. De uitsluitingsclausule strekt er volgens het hof toe dat uitsluitend de reguliere kosten van behandeling op of ziekenvervoer naar een andere plaats dan de plaats waarop de verzekerde redelijkerwijs is aangewezen, niet voor vergoeding in aanmerking komen, indien geen medische noodzaak voor andere behandelingsplaats bestaat. De clausule heeft echter geen betrekking op repatriëringskosten, waarvoor nu juist aanvullende dekking wordt verleend. Het hof overweegt hieromtrent bovendien dat het slechts tijdelijke verblijf in het buitenland, de vaste woonplaats in Nederland en het uitgangspunt van de verzekering dat behandeling in Nederland plaatsvindt, maken dat alleen voor de verdere (niet spoedeisende) verzorging en behandeling van de zieke verzekerde het thuisadres en/of een behandelplaats in Nederland redelijkerwijs meer is aangewezen dan een behandelplaats in het buitenland. De ziektekostenverzekeraar is dan ook ingevolge zijn polisvoorwaarden gehouden dekking te verlenen voor de kosten van ziekenvervoer/repatriëring naar Nederland, Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 38

38 welk vervoer geïndiceerd werd geacht en geregeld werd door de hulpcentrale van de reisverzekeraar, welke centrale een goede reputatie had. In eerste aanleg had de ziektekostenverzekeraar zich erop beroepen dat hij ook geen dekking hoefde te verlenen, omdat de verzekerde niet aan de meldingsvoorwaarden had voldaan door niet de door de ziektekostenverzekering aangewezen hulporganisatie in te schakelen, maar die van de reisverzekeraar. De rechtbank verwierp dit verweer, dat in hoger beroep terecht niet meer ter sprake werd gebracht. Nu de verzekerde ervoor had gekozen de schade aan te melden bij en te doen vergoeden door de reisverzekeraar en deze geen gronden had om die aanspraak af te wijzen, had de verzekerde er geen belang meer bij ook zijn ziektekostenverzekeraar aan te spreken. De ziektekostenverzekeraar mag zich er dan tegenover de regreszoekende reisverzekeraar niet op beroepen dat de verzekerde de schade niet conform de polisvoorwaarden had aangemeld. Hof Den Bosch 17 juli 2007, RAV 2008, 8 Autobedrijf aansprakelijk voor de bij een inbraak aan de auto van een klant toegebrachte schade Tijdens een inbraak bij een autodealer wordt schade toegebracht aan de in de werkplaats staande auto van een klant. Na de inbraak worden de sleutels van de auto in het contactslot aangetroffen. De inbrekers hebben geprobeerd de auto uit de werkplaats te rijden, waarbij de auto tegen drie andere auto’s en tegen het bedieningsmechanisme van de brug is aangereden. Achmea keert uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst een bedrag uit aan de klant, voor welk bedrag zij in diens rechten subrogeert. Het eigen risico en de waardevermindering van de auto worden niet vergoed. Deze vorderingen worden aan Achmea gecedeerd. Vervolgens vordert Achmea van het autobedrijf betaling van bovengenoemde posten, daartoe stellende dat de autodealer in zijn zorgplicht jegens de klant is tekortgeschoten. De rechtbank wijst de vordering geheel toe. Het hof oordeelt dat een garagebedrijf een zorgplicht heeft ten aanzien van auto’s van klanten die in zijn bedrijf staan voor bijvoorbeeld een reparatie. Wanneer, zoals in de onderhavige uitspraak, bij een inbraak schade aan de auto van een klant wordt toegebracht, kan het garagebedrijf onder omstandigheden daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Het garagebedrijf heeft haar zorgplicht jegens de klant geschonden door de sleutels van de auto onvoldoende zorgvuldig op te bergen. Het causaal verband tussen de handelwijze van het garagebedrijf en de schade is duidelijk. De sleutels zijn in het contactslot aangetroffen en zonder gebruikmaking hiervan hadden de inbrekers niet de aanrijdingschade kunnen veroorzaken. De omstandigheid dat de klant de auto voor de inbraak niet heeft opgehaald, kan hem niet worden verweten. Hof Amsterdam 19 juli 2007, RAV 2008, 4 Kentekenhouder van een bij een ongeval betrokken auto kan als aansprakelijke partij in de zin van art. 15 lid 1 WAM worden aangemerkt, indien hij niet zelf bij de veroorzaking van het ongeval was betrokken Het kenteken van een bij een ongeval betrokken auto staat sinds 11 augustus 2004 op naam van gedaagde. Gedaagde

heeft de auto niet WA verzekerd. Op 16 september 2004 veroorzaakt iemand anders dan gedaagde met die auto schade aan derden. Deze derden spreken VCN als laatst aangemelde verzekeraar in de zin van art. 13 lid 4 WAM aan en deze keert uit aan de gelaedeerden. VCN stelt dat zij een verhaalsrecht heeft op grond van art. 14 lid 1 WAM, aangezien de schade door de auto van gedaagde is veroorzaakt, hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot verzekering en bovendien niet te goeder trouw mocht aannemen dat de auto verzekerd was. Gedaagde verweert zich door te stellen dat hij ten tijde van de aanrijding nog geen eigenaar was (de koopsom was nog niet geheel voldaan), dat hij niet als aansprakelijke persoon kan worden gezien omdat hij de auto ten tijde van het ongeval niet bestuurde en dat hij bovendien mocht aannemen dat de auto verzekerd was. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat gedaagde niet zelf de veroorzaker is van de aanrijding niet betekent dat hij niet als aansprakelijke persoon in de zin van art. 15 lid 1 WM kan worden aangemerkt. Art. 185 WVW brengt immers mee dat ook de eigenaar van een auto reeds in die hoedanigheid aansprakelijk kan zijn. De rechtbank neemt mede op grond van de tenaamstelling van het kentekenbewijs voorshands – behoudens tegenbewijs – aan dat gedaagde eigenaar van de auto was ten tijde van het ongeval. Het enkele tekortschieten in de verzekeringsplicht brengt overigens niet mee dat gedaagde als aansprakelijke partij in de zin van voornoemd artikel kan worden beschouwd: de hierdoor geschonden norm strekt namelijk niet tot bescherming van verzekeraars, maar tot bescherming van verkeersslachtoffers. Evenmin wordt hierdoor een zorgvuldigheidsnorm jegens VCN geschonden. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat gedaagde in dit geval niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Rechtbank Rotterdam 8 augustus 2007, RAV 2007, 52 Een bepaling in een verzekeringsovereenkomst die dekking uitsluit, indien de feitelijke bestuurder geen geldig rijbewijs heeft, is van invloed op de omvang van de dekking en is dus geen algemene voorwaarde maar een kernbeding, mits duidelijk en begrijpelijk geformuleerd Ook deze uitspraak betreft de vraag of verzekeraar met succes op grond van de WAM-verzekering de uitgekeerde schade aan de verzekeraar van de beschadigde auto kan verhalen op verzekerde i.v.m. het ontbreken van een geldig rijbewijs. Verzekeraar heeft daartoe een beroep gedaan op art. 15 WAM jo art. 6 van de op de WAM-verzekering toepasselijke polisvoorwaarden. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Verzekerde verwijt de rechtbank ten onrechte te hebben geoordeeld dat geen beroep op vernietiging van algemene voorwaarden is gedaan en dat niet is gesteld dat de polisvoorwaarden hem niet ter hand zijn gesteld. Verzekerde wenst alsnog met een beroep op art. 6:234 lid 1 sub a BW het polisbeding te vernietigen welk beding uitsluiting van dekking inhoudt indien de bestuurder niet beschikt over een geldig rijbewijs. Verzekeraar stelt dat een beroep op vernietiging niet kan slagen, omdat het hier om een kernbeding gaat. Het hof overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat partijen niet zelf kunnen bepalen wat onder een kernbeding moet worden verstaan, maar dat bepalend is of het beding een belangrijk punt regelt voor de gebruiker of voor

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 39

Rubriek juridisch

39

beide partijen. Als vuistregel geldt dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt. Dit moet in objectieve zin worden bepaald. Een bepaling in een verzekeringsovereenkomst die rechtstreeks van invloed is op de omvang van de dekking dient dan ook niet als een algemene voorwaarde, maar als een kernbeding te worden aangemerkt, voor zover dat beding volgens art. 6:231 sub a BW duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Het hof is op grond hiervan voorshands van oordeel dat art. 6 van de polisbepalingen, waarin de betreffende uitsluiting is opgenomen ingeval de feitelijke bestuurder niet beschikt over een geldig rijbewijs, een beding is dat in voornoemde zin rechtstreeks van invloed is op de omvang van de dekking en aldus geen algemene voorwaarde, maar een kernbeding vormt, zodat die regeling niet van toepassing is. Ter verkrijging van nadere informatie omtrent de vraag op welke wijze de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en welke informatie en bescheiden daarbij tussen partijen zijn uitgewisseld gelast het hof een comparitie en houdt verder iedere beslissing aan. Hof Arnhem 28 augustus 2007, Prg 2007, 182; NJF 2007, 547 Brandverzekering. Dient de schade aan de opstal op basis van sloopwaarde of herbouwwaarde vergoed te worden? Een bouw- en aannemingsbedrijf, dat zich tevens met de exploitatie en ontwikkeling van onroerende zaken bezighoudt, heeft een hem toebehorende woning tegen onder meer tegen brand verzekerd. Dit pand is grotendeels door brand verwoest. Ten tijde van de brand had het bedrijf reeds plannen tot sloop en vervanging van het pand door nieuwbouw. De verzekeraar weigert op grond daarvan de opstalschade naar herbouwwaarde of verkoopwaarde te vergoeden. Het bedrijf stelt vervolgens een vordering in. Het hof oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de brand sprake was van een besluit van het bedrijf tot sloop van het pand, dat zo definitief was dat hoogst onwaarschijnlijk was dat op dat besluit in een later stadium nog zou worden teruggekomen. Verzekerde zou nu op grond van een uitkering van de schade als gevolg van de brand op basis van de herbouwwaarde of verkoopwaarde van het pand in een duidelijk voordeliger positie komen. Het aan het Nederlandse schadeverzekeringsrecht ten grondslag liggende indemniteitsbeginsel brengt mee dat het bedrijf slechts aanspraak heeft op vergoeding van de extra sloopkosten. Hof Den Haag 18 september 2007, RAV 2007, 65 Frisia Verzekeringen verliest als tussenpersoon provisieaanspraken door Aegons medewerking aan de tussentijdse beëindiging van verzekeringscontracten uit haar portefeuille en Aegon laat na haar daarvoor te compenseren. Geen sprake van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen Tot de assurantieportefeuille van tussenpersoon Frisia Verzekeringen behoren twee verzekeringen met een looptijd van telkens tien jaar, die tussen Aegon en een Vereniging van Eigenaars (VvE) zijn gesloten. De VvE wenst op enig moment deze verzekeringen tussentijds te beëindigen waarin Aegon uiteindelijk onverplicht instemt. De VvE brengt de verzekeringen vervolgens tegen gunstiger premievoorwaarden

onder bij Centraal Beheer, met wie Frisia geen samenwerkingsovereenkomst heeft. In de onderhavige procedure vordert Frisia van Aegon vergoeding van schade die zij zou lijden, bestaande uit door Frisia gemiste provisie ten gevolge van het terugbrengen van de contractsduur van de polissen naar één jaar. Aan deze vordering legt Frisia primair wanprestatie ten grondslag en subsidiair onrechtmatig handelen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof overweegt vervolgens onder verwijzing naar HR 11 mei 1990, NJ 1991, 151 dat niet is uitgesloten dat zich omstandigheden voordoen waarin een verzekeraar die onverplicht aan tussentijdse beëindiging van de verzekering meewerkt, daarbij rekening heeft te houden met de gerechtvaardigde belangen van de tussenpersoon, in dier voege dat hij onrechtmatig jegens deze handelt als hij niet zorg draagt dat die tussenpersoon een zekere compensatie voor het verlies van zijn provisieaanspraak ontvangt. In deze zaak is van een dergelijke situatie naar het oordeel van het hof geen sprake, waarbij het volgende van belang wordt geacht. Van de zijde van de VvE bestond een redelijk belang om tot beëïndiging te komen en het stond Aegon vrij om dit belang te laten prevaleren boven het belang van Frisia bij behoud van haar provisieaanspraken. Bovendien is het risisco van onverwachte, voortijdige beïndiging van verzekeringen en daarmee provisieaanspraken in beginsel voor rekening van de tussenpersoon. Met betrekking tot het nalaten door Aegon om overleg te voeren met Frisia, overweegt het hof onder meer dat niet voldoende is onderbouwd de stelling dat Frisia in geval van tijdig overleg in staat zou zijn geweest om de VvE als klant te behouden, met name tegen de achtergrond dat de VvE reeds over een gunstige offerte van een zogenoemde ‘direct writer’ beschikte. Hiermee handelde Aegon niet onrechtmatig jegens de tussenpersoon, alhoewel Aegon wel instemde met voortijdige beëindiging, zonder de tussenpersoon te compenseren voor het verlies aan provisieaanspraken. Hof Den Haag 23 oktober 2007, RAV 2008, 6 Informatieplicht. Geen sprake van merkelijke schuld van de verzekerde die in de weg staat aan vergoeding van bereddingskosten Een partij schroot moet per schip worden vervoerd van Tunesië naar de koper van het schroot in Spanje. Het schroot is door de ladingbelanghebbende BHP all risks verzekerd bij verzekeraars. Reeds in de haven van Tunis loopt het schip bodemschade op. Onderweg wordt het schip in Malta gerepareerd en krijgt het toestemming van de scheepvaartinspectie te Malta om te vertrekken, onder de voorwaarde dat er in Italië nog twee reparaties worden uitgevoerd. Het schip vaart echter niet naar Italië, maar naar zijn thuishaven in Griekenland, waar het zinkt. Daar worden bergingswerkzaamheden uitgevoerd en wordt het schroot uit het gezonken schip gelost en overgeslagen op een ander schip, dat het schroot uiteindelijk aflevert bij de (nieuwe) afnemer in Spanje. BHP is houdster van het verzekeringscertificaat en vordert vergoeding door verzekeraars van de kosten die zij heeft moeten maken om de partij schroot af te leveren bij de koper, waaronder de kosten van de bergingswerkzaamheden. Verzekeraars weigeren een uitkering onder de polis wegens merkelijke schuld van BHP. Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 40

40 Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat verzekeraars dekking moeten bieden voor de bereddingskosten in de zin van art. 283 lid 2 K. Het hof is van oordeel dat verzekeraars niet zijn geslaagd in het, voor merkelijke schuld van BHP vereiste, bewijs dat BHP kennis droeg van de slechte staat waarin het schip verkeerde. Daarbij laat het hof zwaar wegen dat het schip in Malta was gerepareerd en dat het toestemming van de scheepvaartinspectie had verkregen om te vertrekken. Het feit dat van de scheepvaartinspectie te Malta nog twee reparaties moesten worden uitgevoerd, leidt volgens het hof niet tot de conclusie dat sprake was van een niet zeewaardig schip, nog afgezien van het feit dat wetenschap hiervan bij BHP volgens het hof niet is bewezen. Het hof oordeelt dat de niet-zeewaardigheid ook niet kan worden afgeleid uit het feit dat het schip enkele maanden na de reparaties plotseling gezonken is. Het hof oordeelt dat de kosten die gemaakt zijn om het schroot uit het gezonken schip te lossen en over te laden op een ander schip, zijn aan te merken als kosten ter voorkoming of vermindering van schade als bedoeld in art. 283 lid 2 K. Daaraan doet volgens het hof niet af dat het schroot door het zinken van het schip niet was beschadigd, omdat vermogensnadeel voor BHP wel degelijk dreigde. Ook acht het hof de kosten gedekt van de schikking met de berger over het bergingsloon. Daarvoor is volgens het hof niet relevant of BHP het bergingsloon op haar beurt van derden terug had kunnen vorderen. Het hof is ten slotte van oordeel dat verzekeraars zich niet kunnen beroepen op schending van de informatieplicht door BHP. Daartoe stelt het hof voorop dat door verzekeraars niet is gesteld dat zij in hun belangen zijn geschaad door het feit dat zij door BHP niet eerder zijn geïnformeerd. Voorts speelt hierbij een rol dat verzekeraars BHP niet hebben bericht dat zij op de hoogte gehouden wensten te worden en dat zij BHP geen bijstand hebben verleend, doch in plaats daarvan aan BHP hebben laten weten dat zij diende te handelen alsof zij onverzekerd was. Hof Den Haag 23 oktober 2007, RAV 2008, 7

loondienstagent van RVS jegens hem is tekortgeschoten door na te laten eiser in te lichten over de noodzaak van het verhogen van de dekking van de opstalverzekering in verband met de verbouwing van zijn woning, en dat hij daardoor het vertrouwen in RVS heeft verloren. De rechtbank oordeelt dat vermelde beperking ook geldt bij tussentijdse opzegging door de verzekeringnemer. Hiertoe oordeelt de rechtbank dat uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat met art. 7:940 lid 3 BW is beoogd evenwichtige opzegmogelijkheden te creëren voor de verzekeraar en de verzekeringnemer. Wanneer de vierde volzin van art. 7:940 lid 3 BW niet voor de verzekeringnemer zou gelden, zou hij indien in de polisvoorwaarden is opgenomen dat de verzekering tegen de eerstvolgende premievervaldatum kan worden opgezegd, zonder enige grond de verzekering tegen die termijn kunnen opzeggen, terwijl de verzekeraar slechts tegen die termijn zou kunnen opzeggen bij aanwezigheid van een grond die van dien aard is dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd. Een zo vergaande verruiming van de bevoegdheden van de verzekeringnemer volgt niet uit de Parlementaire Geschiedenis en strookt niet met de bedoeling van de wetgever. Ook in de literatuur is kritiek geleverd op art. 7:940 lid 3 vierde volzin BW. Vervolgens komt de subsidiaire grondslag aan de orde. De rechtbank oordeelt dat indien de loondienstagent, gelijk te stellen aan een assurantietussenpersoon, niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan (het opmerkzaam maken van de verzekeringnemer op eventuele dekkingsproblemen), eiser een voldoende gegronde reden had om de verzekering tussentijds op te zeggen wegens het tekortschieten van deze agent. Van hem kon dan niet worden gevergd dat hij gebonden bleef aan de overeenkomst met een verzekeraar, voor wie de loondienstagent optrad. Eiser wordt toegelaten tot het bewijs dat de loondienstagent heeft nagelaten hem te adviseren en dat zijn woning daardoor was onderverzekerd. Rechtbank Arnhem 14 november 2007, NJF 2008, 19; RAV 2008, 20

Beperkende voorwaarde art. 7:940 lid 3, laatste volzin, BW geldt ook bij tussentijdse opzegging door verzekeringnemer

Directe actie

Eiser heeft bij RVS een ‘paraplupakket’, bestaande uit meerdere verzekeringen, afgesloten met een looptijd tot 1 januari 2009. Bij brief van 24 februari 2006 wordt namens eiser verzocht de verzekering met ingang van de eerstvolgende premievervaldag, 1 januari 2007, te beëindigen. De polisvoorwaarden bepalen dat RVS de verzekering tussentijds kan opzeggen tegen de eerstvolgende premievervaldatum, indien RVS daarvoor een opzegtermijn van tenminste 2 maanden in acht neemt. De kern van het geschil tussen partijen is de uitleg van art. 7:940 lid 3 BW. Eiser meent dat het vereiste in de laatste volzin van lid 3 (opzegging slechts op gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd) slechts van toepassing is bij opzegging door de verzekeraar. RVS meent dat dat vereiste zowel van toepassing is bij tussentijdse opzegging door de verzekeraar als door de verzekeringnemer. Subsidiair meent eiser dat er sprake is van feiten en omstandigheden die ernstig genoeg zijn om de tussentijdse opzegging van de verzekering te rechtvaardigen. Daartoe wordt aangevoerd dat de

Iemand die schade lijdt door een verkeersongeval in het buitenland, kan de aansprakelijke WAM-verzekeraar van het motorvoertuig dagvaarden voor de rechtbank van zijn woonplaats. Dit geldt ook voor het slachtoffer van andere ongevallen maar alleen als het toepasselijke nationale recht hem recht geeft op een directe actie tegen de W.A.-verzekeraar. Aanleiding voor deze uitspraak was een Duitse automobilist die schade had geleden door een verkeersongeval in Nederland. Hij dagvaardt vervolgens de Nederlandse aansprakelijkheidsverzekeraar voor het gerecht van zijn woonplaats. Dit gerecht verklaart zijn vordering niet ontvankelijk op grond van een uitleg van de Europese ‘Brussel I’-Verordening betreffende (onder meer) de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken. In hoogste instantie stelt het Duitse Bundesgerichtshof vragen van uitleg aan het Hof van Justitie in Luxemburg over de desbetreffende bepalingen in de ‘Brussel I’ Verordening, met name omdat de uitleg in de Duitse literatuur omstreden is. Het Hof van Justitie oordeelt dat de verwijzing in artikel 11, lid 2 van Brussel I naar artikel 9, lid 1, sub b, aldus moet worden uitgelegd dat de benadeelde bij het gerecht van zijn woonplaats rechtstreeks tegen de verzekeraar een vordering kan

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 41

Rubriek juridisch

41

instellen, indien een dergelijke directe actie mogelijk is en de verzekeraar zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft. Voor deze uitleg pleiten niet alleen grammaticale argumenten maar ook teleologische: Brussel I strekt tot bescherming van zwakke partijen en in de considerans van de vierde WAM-richtlijn wordt overwogen dat de benadeelde een vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar kan instellen voor het gerecht van zijn woonplaats. Hof van Justitie EG, 13 december 2007, VR 2008, 27 Zie tevens C.C. van Dam, VR 2008, 2, p. 33-37 (BL).

REGELGEVING WAM Waarborgfonds Motorverkeer Op 14 december 2007 is in werking getreden de Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2007 waarbij de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer wordt aangewezen om gegevens uit het rijbewijzenregister te ontvangen ten behoeve van het uitvoeren van de in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan de Stichting opgedragen wettelijke taak. De informatie betreft alleen de geldigheid van het rijbewijs, en de naam, adres en woonplaatsgegevens, onder opgave van het rijbewijsnummer, of dat nummer, onder opgave van de NAW-gegevens. Controle van rijbewijsgegevens is van belang, aangezien het Waarborgfonds regelmatig te maken heeft met onbekende of onverzekerde veroorzakers van voertuigongevallen. Daarnaast dient, met name in letselzaken, controle plaats te vinden van de rijbewijsgegevens van bestuurders die het slachtoffer zijn geworden van een aanrijding met een onbekende veroorzaker. De controle van de gegevens is nodig om te zien of deze bestuurders zelf wel in bezit waren van een rijbewijs en niet bijvoorbeeld een rijontzegging hadden ten tijde van het ongeval. Daarnaast wordt geprobeerd de ware identiteit van veroorzakers te achterhalen, die door middel van het opgeven van valse gegevens of identiteitsfraude pogen betalingsverplichtingen te ontlopen. De Beschikking is gebaseerd op art. 128, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 juncto art. 156, onderdeel k, van het Reglement Rijbewijzen. Stcrt. 2007, 241 Gemoedsbezwaarden Op 1 januari 2008 is in werking getreden het Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voor het jaar 2008. Naar aanleiding van de verhoging van de verzekerde bedragen van de WAM-verzekering in 2007 is besloten de omvang van het Fonds Middelen Gemoedsbezwaarden (FMG) te stellen op E 2 miljoen, te bereiken in vijf jaar. De schadelast van het FMG in 2007 wordt aanzienlijk lager geraamd dan begroot. Daarom wordt de bijdrage voor 2008 ongewijzigd gelaten (om een indruk te geven: voor vierwielige personenauto’s € 95,25). Stcrt. 2007, 233 Vrijwillige verzekering Op 1 januari 2008 is een aantal premievaststellingsbesluiten in werking getreden, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 4 december 2007 heeft geno-

men. Het betreft: het Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008, het Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2008, het Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2008, en het Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2008. Indien naast een vrijwillige verzekering Ziektewet eveneens een vrijwillige verzekering Werkloosheidswet is afgesloten, wordt op de premie van eerstgenoemde verzekering een korting gegeven, omdat beide verzekeringen dekking geven voor de kosten van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Voor de vrijwillige verzekering op grond van de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geldt dit niet (zie eerder deze rubriek Het Verzekerings-Archief 2007, p. 69-70). Stcrt. 2007, 246 Zorgverzekering Verplicht eigen risico Op 1 januari 2008 (en op een onderdeel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007) is in werking getreden de Wet van 15 november 2007, houdende wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag houdende vervanging van de no-claimteruggave door een verplicht eigen risico. Naast het verplicht eigen risico (alleen voor verzekerden van achttien jaar en ouder, en niet voor huisartsenzorg, verloskundige zorg en kraamzorg) blijft de keuzemogelijkheid voor een vrijwillig eigen risico bestaan. Voor het bereiken van het jaarmaximum blijven bestaande bijdragen voor een aantal verzekerde prestaties buiten beschouwing. Daarnaast kunnen bij AMvB zorgvormen worden aangewezen met eigen bijdragen die wel meetellen voor het jaarmaximum van het eigen risico. Ook kunnen bij AMvB vormen van zorg worden aangewezen waarvan de zorgverzekeraar kan bepalen dat deze buiten het verplichte eigen risico vallen. Wanneer een zorgverzekeraar gunstige afspraken heeft gemaakt met een bepaalde zorgaanbieder, en de verzekerde ervoor kiest die zorgaanbieder te consulteren, kan de zorgverzekeraar besluiten de kosten niet (geheel) ten laste van het verplichte eigen risico te laten komen. Chronisch zieken en gehandicapten (‘verzekerden met meerjarige onvermijdbare zorgkosten’) ontvangen een compensatie. De invoering van het verplichte eigen risico betekent een verlaging van het maximumbedrag waarvoor zorgkosten voor eigen rekening van de verzekerde kunnen komen. De zorgtoeslag verandert nauwelijks. Stb. 2007, 490 Concentratietoezicht in de zorgsector Op 1 januari 2008 is voor de duur van vijf jaar in werking getreden het Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen, op basis van art. 29, derde lid, van de Mededingingswet (Mw). Concentraties kunnen negatieve effecten hebben op de werking van de markt, wanneer hierdoor de concurrentie op de markt vermindert. Dit is vooral schadelijk in markten in transitie – zoals de zorgsector – omdat concentraties er in dergelijke sectoren toe kunnen leiden dat de beoogde vraagsturing niet van de grond komt, met ongunstige effecten voor de consument. Zo kan door concentraties de kwaliteit, toegankelijkheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van de zorg in een Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 42

42 bepaalde regio in het geding komen. Een verminderd aantal ondernemingen aan de aanbodzijde van de markt voor zorgdiensten kan onder meer leiden tot een verminderde prikkel tot efficiëntieverbetering en innovatie. Naast een beperking van het aantal keuzemogelijkheden voor consumenten/patiënten, kan kan de toegenomen marktmacht van zorgaanbieders ten opzichte van zorgverzekeraars leiden tot hogere prijzen en/of lagere kwaliteit. Daarnaast kan toetreding door concurrenten bemoeilijkt worden als gevolg van marktmacht van zorgaanbieders. In de zorgsector is daarom naast het algemene mededingingstoezicht door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ook een zorgspecifieke toezichthouder aangewezen, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa heeft als taak de zorgmarkten in transitie (zorgverlening, zorgverzekering en zorginkoop) te reguleren. De maatregelen die de NZa kan nemen zijn gericht op het op gang brengen en/of stimuleren van concurrentie op zorgmarkten. Het voorkomen van marktmacht en bestrijden van misbruik hiervan is een gezamenlijk streven van de NMa en de NZa. Beide toezichthouders hebben daarin echter hun eigen taken en bevoegdheden. Zo is concentratiecontrole, onder meer bedoeld ter voorkoming van het ontstaan of versterken van een economische machtspositie, een exclusieve bevoegdheid van de NMa. De NZa adviseert de NMa daarbij conform het samenwerkingsprotocol dat de NMa en de NZa hebben gesloten (zie deze rubriek Het Verzekerings-Archief 2007, p. 23; zie inmiddels ook de ‘Werkafspraken tussen de NMa en de NZa met betrekking tot concentratiezaken’, Stcrt. 2008, 46). Onderdeel van dit advies is een oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de gevolgen van een fusie voor de kwaliteit van de zorg. Samenloop van bevoegdheden kan ontstaan bij de ex-post handhaving door de NMa van het verbod op misbruik van economische machtspositie (art. 24 Mw) enerzoijds en de mogelijkheden tot preventief (ex-ante) optreden door de NZa ten aanzien van partijen met aanmerkelijke marktmacht anderzijds (art. 48, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg). In het samenwerkingsprotocol is uitgewerkt op welke wijze samenwerking bij gelegenheden van wederzijds belang of bij overlap van bevoegdheden plaatsvindt. Met het onderhavige besluit wordt voor thuiszorgorganisaties, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, gehandicapteninstellingen, ziekenhuizen, huisartsen en apothekers de omzetdrempel voor de verplichte melding bij de NMa van voorgenomen fusies, gekwalificeerde deelnemingen en joint ventures verlaagd. Hoofdstuk 5 van de Mededingingswet is van toepassing op concentraties waarbij de gezamenlijke omzet van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan € 55 miljoen, waarvan door ten minste twee van de betrokken ondernemingen ieder ten minste € 10 miljoen in Nederland is behaald, waarvan ieder ten minste € 5,5 miljoen met het verlenen van zorg. Door dit besluit zal de NMa meer concentraties van zorgaanbieders kunnen toetsen die de daadwerkelijke mededinging significant kunnen beperken, met name als gevolg van het verkrijgen van een machtspositie of het versterken daarvan. Stb. 2007, 518 Toepassing Mededingingswet in de zorgsector Op 14 december 2007 zijn in werking getreden de herziene Richtsnoeren voor de zorgsector, op 10 december 2007 vastgesteld door de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mede-

dingingsautoriteit (NMa). In de Richtsnoeren wordt uitgebreid ingegaan op de mededingingsrechtelijke aspecten van de verschillende soorten samenwerkingsverbanden die de afgelopen jaren in de zorgsector zijn ontstaan. Aldus geeft de NMa marktpartijen, belangenorganisaties en overheidsorganisaties die zich (mede) richten op de zorgsector een beter inzicht in de toepassing van de Mededingingswet op samenwerkingsverbanden en concentraties in deze sector. De volledige Richtsnoeren zijn gepubliceerd op de website van de NMa: www.nmanet.nl. Stcrt. 2007, 241 Vrije prijsvorming Via twee Aanwijzingen op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg van 12 november 2007 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met ingang van 1 januari 2008 vrije prijsvorming ingevoerd voor fysiotherapie en oefentherapie, op basis van door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde prestatiebeschrijvingen. Aanleiding zijn de positieve resultaten van de experimentele aanpak sedert 2005, waarin de effecten zijn gemeten van vrije prijsvorming op de doelmatigheid, betaalbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid (‘publieke belangen’) van de fysiotherapeutische zorg. Aan de orde waren de manier waarop zorgverzekeraars hun inkooprol vervulden, het kosteneffect, de kwaliteit van de verleende zorg, de mate waarin de burger geïnformeerd was over het behandelaanbod, zijn of haar keuzemogelijkheden daarin en zijn of haar tevredenheid daarover. Indien de markten voor fysiotherapie en oefentherapie zich alsnog onaanvaardbaar ontwikkelen in relatie tot de publieke belangen, zal het instrument van de wettelijke maximumtarieven weer worden toegepast. Stcrt. 2007, 228 Elektronisch gegevensverkeer Op 5 januari 2008 is in werking getreden de Regeling inrichting en gebruik van een infrastructuur voor elektronische informatie-uitwisseling ter uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Regeling elektronisch gegevensverkeer Zorgverzekeringswet), vastgesteld door het College voor zorgverzekeringen (CVZ) op 17 december 2007. Op grond van art. 92 Zw zijn zorgverzekeraars verplicht om voor bepaalde, door het CVZ aan te wijzen, informatie-uitwisselingen gebruik te maken van een elektronische infrastructuur. Het tweede lid van art. 92 geeft het CVZ de bevoegdheid hierover regels te stellen. Stcrt. 2008, 2 Financieel toezicht (prudentieel) Informatieverstrekking aan de toezichthouder Op 1 januari 2008 is in werking getreden de Regeling houdende wijziging van de Regeling staten financiële ondernemingen Wft van De Nederlandsche Bank NV van 10 december 2007. De wijzigingen zijn technisch van aard en betreffen vooral verduidelijkingen en kleine correcties. Basis voor de Regeling zijn de art. 131, eerste lid, 133, eerste lid, en 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft. Door de Regeling vooraf ter consultatie aan de betrokken representatieve organisaties voor te leggen, is de procedurele waarborg van art. 1:28 Wft in achtgenomen. Stcrt. 2007, 244

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 43

Rubriek juridisch

43

Berekening solvabiliteit Op 31 december 2007 is in werking getreden de Regeling van De Nederlandsche Bank NV van 11 december 2007 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder hybride instrumenten gelijk kunnen worden gesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 98 van het Besluit prudentiële regels Wft, en tot intrekking van de Regeling innovatieve financiële instrumenten en immateriële activa (Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen). Art. 89, tweede lid, onderdeel a, van genoemd Besluit vormt de grondslag voor de onderhavige beleidsmatige voortzetting van de regels omtrent financiële innovatieve instrumenten uit onderdelen van het voorheen door DNB voor het toezicht op banken gehanteerde Handboek Wtk, thans echter met uitbreiding van het toepassingsgebied naar verzekeraars, zowel voor wat betreft het in aanmerking nemen van hybride instrumenten ter dekking van het minimum bedrag van de solvabiliteitsmarge (dat kon voorheen ook al), als (nu ook) voor de berekening van het vermogen dat uitgaat boven het verplichte minimum bedrag van de solbabiliteitsmarge (excess capital). Omdat de wetgeving voor verzekeraars een andere kapitaal- en limietenstructuur kent, is ook de wijze van het in aanmerking nemen van hybride instrumenten in de Regeling in materiële zin niet gelijk, maar wel vergelijkbaar met die voor banken. Stcrt. 2007, 247 Op 31 december 2007 is in werking getreden de Regeling van De Nederlandsche Bank NV van 11 december 2007 houdende regels met betrekking tot het als immateriële activa als bedoeld in de artikelen 91, derde lid, onderdeel c, en 95 derde lid, onderdeel e, van het Besluit prudentiële regels Wft, in aanmerking nemen van activa (Regeling uitsluiting solvabiliteitsaftrek immateriële activa). Met deze Regeling, die dient ter uitvoering van art. 89, tweede lid, onderdeel b, van genoemd Besluit, wordt het bestaande toezichtbeleid ten aanzien van banken op basis van het Handboek Wtk voortgezet, met uitbreiding van het toepassingsgebied naar verzekeraars, voor wie tot dusver geen afzonderlijke regeling bestond. Kern van de regeling is dat activa die vanwege de invoering van de internationale jaarrekeningstandaarden (IAS/IFRS) op 1 januari 2005 door herclassificatie van balansposten tot de immateriële activa moeten worden gerekend, niet in aftrek behoeven te worden gebracht op grond van art. 91, derde lid, respectievelijk 95, derde lid, van het Besluit, en derhalve als gewone balanspost kunnen worden opgenomen. Hiermee is een prudentieel filter gegeven dat enerzijds een neutrale overgang op IAS/IFRS beoogt te waarborgen, en dat anderzijds op gelijke wijze geldt voor ondernemingen die na 1 januari 2005 overgaan op IAS/IFRS. Daarmee wordt de herclassificatie van activa gecorrigeerd die voordien onder Dutch GAAP onder een andere activapost geclassificeerd waren, en daardoor onder strikte toepassing van de prudentiële regels tot aftrek zouden leiden. Er is gekozen voor een open redactie, zodat de onderhavige Regeling eventuele latere ontwikkelingen (zoals een aanpassing van de accountingregels in titel 9 van Boek 2 BW) niet belemmert. Stcrt. 2007, 247

Financieel toezicht (gedrag) Op 1 januari 2008 (en voor enkele onderdelen op een later tijdstip) is in werking getreden het Besluit van 10 december 2007, houdende wijziging van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Teneinde de transparantie van beleggingsverzekeringen te vergroten eist het Bgfo meer inzicht in kostensoorten, jaarlijks informatie over de ontwikkeling van de polis, en meer duidelijkheid over de gevolgen van voortijdige beëindiging van de polis en van andere tussentijdse wijzigingen (zoals het premievrij maken van de polis en verhoging of verlaging van het verzekerd bedrag). Berekeningen laten zien dat aan de maatregelen ter vergroting van de transparantie van beleggingsverzekeringen hoge administratieve lasten zijn verbonden. In het Besluit is bewust gekozen voor principle-based geformuleerde voorschriften om de sector ruimte te geven zelf daaraan technische invulling te geven, zoals verzekeraars hebben gedaan met de modellen van de Commissie De Ruiter. Uitdrukkelijk wordt in de Toelichting opgemerkt dat het Besluit niet als doel en evenmin als strekking heeft de door verzekeraars ontwikkelde modellen goed te keuren. Als in de praktijk blijkt dat die modellen minder informatie bieden dan de wet eist, zullen zij aangepast moeten worden. Verder verduidelijkt het Bgfo de regels over beloningstransparantie en provisiebetaling bij complexe producten. Ten slotte worden de eindtermen die gelden voor de vakbekwaamheid voor financiële dienstverlening aangepast. Stb. 2007, 520

LITERATUUR (BL) WAM en Wft aangepast aan Vijfde WAM-richtlijn De Vijfde WAM-richtlijn, in werking getreden op 11 juni 2005, diende op 11 juni 2007 in de wetgeving van de lidstaten te zijn verwerkt en vanaf die datum te worden toegepast. In dit kader zijn in Nederland de WAM en de Wet op het financieel toezicht bij wet van 24 mei 2007 gewijzigd. Achtereenvolgens komen in dit artikel de volgende aspecten aan de orde: de verzekerde sommen, de aanpassingen in het begrip ‘gewoonlijk gestald’ en aanverwante onderwerpen, het verbod om de dekking te beëindigen als de verzekerde langere tijd in een andere lidstaat verblijft, de verklaring omtrent het schadeverloop en een aantal aspecten rond het Waarborgfonds Motorverkeer en het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars. F.J. Blees, AV&S 2007, nr. 6, p. 304-309 Twee gevallen waarin een beroep op verval van rechten niet opgaat Bespreking van twee arresten die de Hoge Raad op 5 oktober jl. heeft gewezen die van belang zijn voor het verzekeringsrecht. In de eerste te bespreken zaak (LJN BA8774; NJ 2007, 542; RAV 2007, 57 ) ging het om een brand- en inventarisverzekering, in het tweede geval (LJN BA9705; NJ 2008, 57 m.nt. MMM; RAV 2007, 59 ) om een aansprakelijkheidsverzekering bedrijven. In beide zaken kwam, zij het nogal verschillend, aan de orde of de verzekeraar een beroep toekwam op verval van rechten wegens respectievelijk te laat dagvaarden en Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:04

Pagina 44

44 een te late melding van de schade. In beide zaken slaagde dat beroep niet. W.H. Bouman, Bb 2007, afl. 26, nr. 74, p. 315-318 Slachtoffer met directe actie procedeert ‘thuis’ tegen buitenlandse verzekeraar Hof van Justitie EG, 13 december 2007, VR 2008, 27 Iemand die schade lijdt door een verkeersongeval in het buitenland, kan de aansprakelijke WAM-verzekeraar van het motorvoertuig dagvaarden voor de rechtbank van zijn woonplaats. Dit geldt ook voor het slachtoffer van andere ongevallen maar alleen als het toepasselijke nationale recht hem recht geeft op een directe actie tegen de w.a.-verzekeraar. Het Hof van Justitie bevestigde dit in een beslissing van 13 december 2007 (VR 2008, 27) waarin een Duitse automobilist schade lijdt door een verkeersongeval in Nederland. Deze beslissing bevestigt volgens de auteur niet alleen dat Nederlandse benadeelden in geval van een gerechtelijke procedure vaker ‘thuis’ kunnen blijven maar ook dat Nederlandse aansprakelijkheidsverzekeraars met meer rechtszaken in het buitenland worden geconfronteerd. Bovendien zal de Nederlandse rechter, als gevolg van de uiteenlopende regels voor de bevoegde rechter en het toepasselijke recht, vaker buitenlands recht moeten toepassen. C.C. van Dam, VR 2008, 2, p. 33-37

(Rechts)verhoudingen ziekenhuis medisch specialist, zorgverzekeraar nieuwe stijl Aanleiding voor deze bijdrage is de brief van de Minister van VWS van 9 juli 2007 met als onderwerp ‘Met zorg ondernemen’ waarmee het bevorderen van het ondernemerschap van zorgaanbieders om te komen tot kwalitatief hoogwaardige zorgvoorzieningen definitief voeten aan de grond heeft gekregen. Doel is liberalisering van de zorginkoopmarkt door middel van het integraal onderdeel maken van de onderhandelbare prijs van de kapitaallasten enerzijds en anderzijds het meer mogelijk maken van vrije besteding van opbrengsten van een ziekenhuis. In deze bijdrage gaat de auteur in op de veranderde (rechts)verhoudingen binnen de muren van het ziekenhuis en de praktische gevolgen die daaraan zijn verbonden voor ziekenhuis, vrijgevestigd medisch specialist en zorgverzekeraar. Allereerst wordt een korte indruk gegeven van de huidige praktijk. Vervolgens worden enkele handreikingen geboden per (rechts)verhouding om die (rechts)verhoudingen nader in te vullen. T.A.M. van den Ende, Jubileumspecial Rechtspraak Zorgverzekering (RZA) 2007, p. 23-30 Beroep op het vervalbeding

In dit artikel wordt het arrest Manege Bergemo (HR 21 september 2007, RvdW 2007, 789) besproken waarin de Hoge Raad oordeelt dat wanneer een schadevergoedingsplicht op grond van ‘eigen schuld’ wordt verminderd, de verplichting om de buitengerechtelijke kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate wordt verminderd. W. Dijkshoorn en S.D. Lindenberg, MvV 2007, nr. 12, p. 252256

Wederom bespreking van HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 57 m.nt. MMM (Winterthur/Fortis-Tros). De meeste schadeverzekeraars hebben een vervalbeding opgenomen in hun polisvoorwaarden. Mede gezien de gevolgen voor de verzekeringnemer kan het vervalbeding alleen onder voorwaarden door de verzekeraar worden ingeroepen. Op de vraag hoe deze voorwaarden onder het huidige art. 7:941 lid 4 BW moeten worden uitgelegd en hoe de bewijslast omtrent het aantonen van de schending van de redelijke belangen tussen verzekeraar en verzekeringnemer is verdeeld, wordt in dit artikel ingegaan. B.M.M. van der Goes, MvV 2007, nr. 11, p. 232-234

Betalingsperikelen en uitleg

Meldingvervalclausule in een verzekeringsovereenkomst

Het arrest van het Hof Den Haag van 13 februari 2007, RAV 2007, 7 wordt in dit artikel van commentaar voorzien. Centraal in deze zaak staat de vraag centraal of een derde (die de schade heeft geleden) ondanks een betaaladresclausule jegens de verzekeraar aanspraak kan maken op rechtstreekse betaling aan haar van de schadevergoeding onder de CAR-polis. Het hof beantwoordt deze vraag in dit geval (waarin sprake is van faillissement van de verzekeringnemer die in de polis als betaaladres was aangewezen) bevestigend. Het hof stelt hierbij voorop dat de betaaladresclausule volgens het Haviltex criterium dient te worden uitgelegd. Bij die uitleg overweegt het hof dat de strekking van de betaaladresclausule is om een snelle en efficiënte schadeafhandeling en een voorspoedig herstel van het bouwwerk ten behoeve van alle betrokken partijen te bevorderen en dat aan die strekking geen recht wordt gedaan indien de partij die in de polis is aangewezen als betaaladres, in staat van faillissement verkeert en de – aan de benadeelde verzekerde toekomende – schade-uitkering door betaling aan het betaaladres derhalve in de failliete boedel valt. T.J. Dorhout Mees, AV&S 2007, nr. 6, p. 318-321

Ook in dit artikel staat het Winterthur/Fortis-Tros-arrest centraal. De verzekeraar kan het vervallen van het recht op uitkering wegens niet-nakoming van de medewerkingsverplichtingen ex art. 7:941 lid 1 en 2 BW in de polis bedingen voorzover de verzekeraar daardoor in een redelijk belang is geschaad. Van geval tot geval zal moeten worden bekeken of het theoretische belang van de verzekeraar bij het (snel) mededelen van de schade ook een daadwerkelijk belang is. In het onderhavige arrest onderschrijft de Hoge Raad dit uitgangspunt. Dit betekent echter nog niet direct dat er sprake is van een redelijk belang om zich te beroepen op het algeheel verval van het recht op uitkering. Ook in deze bijdrage wordt nader ingegaan op de omvang van de stelplicht en bewijslast voor verzekeraar en verzekerde indien de verzekeraar een beroep doet op het feit dat er sprake is van een redelijk belang in de zin van art. 7:941 lid 4 BW. Tot slot van zijn bijdrage stelt de auteur nog de vraag aan de orde of verzekeraars de bewijslast mogen verleggen in hun polisvoorwaarden. M.L. Hendrikse, NTHR 2008, afl. 1, p. 26-30

Buitengerechtelijke kosten en ‘eigen schuld’

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 45

Rubriek juridisch

45

Risicoverzwaring in het verzekeringsrecht: een weerbarstig leerstuk

Rechtsbijstand door de aansprakelijkheidsverzekeraar en het eigen belang van de verzekerde

Het leerstuk risicoverzwaring impliceert een vergelijking tussen de situatie waarin de verzekeraar het aangeboden risico heeft beoordeeld de ‘nultoestand’, en de risicosituatie op een bepaald moment tijdens de looptijd van de verzekeringsovereenkomst. Deze uitgebreide bijdrage beperkt zich tot risicoverzwaring bij schadeverzekeringen. Het blijkt niet mogelijk te zijn een algemene risicoverzwaringsregeling te construeren langs andere (wettelijke) wegen dan de polisvoorwaarden. Sommige van de besproken mogelijkheden bieden wel soelaas in bepaalde gevallen van risicoverzwaring maar van een algemene bescherming tegen risicoverzwaring is geen sprake. Geconcludeerd wordt dat het beter was geweest indien de wetgever een algemene risicoverzwaringsregeling had opgenomen voor het schadeverzekeringsrecht in Titel 7.17 BW. De wetgever zou zelfs nog een extra stap dienen te zetten door ook een dwingendrechtelijke regeling aangaande risicovermindering in Titel 7.17 BW op te nemen. Wel zou een wettelijke regeling inzake risicoverzwaring en risicovermindering beperkt dienen te blijven tot aanzienlijke en duurzame gevallen. M.L. Hendrikse, RM Themis 2007, nr. 6, p. 241-259

In dit artikel wordt achtereenvolgens ingegaan op de grondslag van de rechtsbijstandcomponent bij een aansprakelijkheidsverzekering, het eigen belang van een verzekerde en mogelijke manieren om met een belangentegenstelling om te gaan. Aanleiding voor deze bijdrage is een uitspraak van het Hof Den Haag van 6 maart 2007 (RAV 2007, 18 Feringa/Aegon), waarin het hof overwoog dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een verzekeraar bij het instellen van het appel rekening dient te houden met de belangen van de verzekerde. A.L. Krenning en N. Vloemans, NTHR 2007,afl. 6, p. 236-243

De veiligheidskleppen bij overdracht van herverzekeringen met toestemming van DNB Op 3 september 2007 werd een wetsvoorstel ingediend om herverzekeraars aan toezicht te onderwerpen. In dit artikel wordt ingegaan op de invoering van een dergelijk toezicht. Meer in het bijzonder wordt aandacht besteed aan portefeuilleoverdracht met toestemming van DNB en de (ontbrekende) waarborgen daarbij. D. Horeman, Tijdschrift voor Financieel Recht 2007, nr. 11/12, p. 343-350 Aansprakelijkheidsverzekering. Toepassing opzetclausule ondanks geestesstoornis verzekerde. HR 21 december 2007, RvdW 2008, 51 In het hier besproken arrest komt de vraag aan de orde of sprake kan zijn van opzet in de zin van de opzetclausule in een aansprakelijkheidsverzekering, indien de aansprakelijk verzekerde een geestesstoornis heeft. In de lagere rechtspraak was deze vraag al meerdere keren bevestigend beantwoord. Hoe de Hoge Raad tegen deze materie aankeek was tot het arrest van 21 december jl. onzeker. Voor een geslaagd beroep op de (hier aan de orde zijnde oude opzetclausule) is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat de verzekerde het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelwijze zou zijn. Dat dit het geval is geweest kan de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde afleiden. Nieuw in het onderhavige arrest is dat de Hoge Raad ook in een geval waarin de verzekerde lijdt aan een geestesstoornis van oordeel is dat de vereiste bewustheid kan worden afgeleid uit zijn gedragingen. Met dit oordeel wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van de A-G Wuisman die had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het hof. M. Keijzer-de Korver, JutD 2008, nr. 2, p. 16-19

Bereddingskosten in het verzekeringsrecht / Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging De arresten van de Hoge Raad van 30 november 2007 (LJN BA7560) en Hof Den Haag 6 december 2005 (LJN BB4165; NJF 2007, 496) worden voorzien van een kort commentaar. Verzekerde vordert van verzekeraars vergoeding van de saneringskosten omdat er naar haar mening sprake is van bereddingskosten ter voorkoming van personenschade, althans (verdere zaakschade). Op grond van asbestgevaar heeft een verzekerde die een groot aantal woningen beheert als eigenaar en verhuurder ruim 300 van de bij haar in beheer zijnde woningen laten saneren. De verzekeraars hebben uitkering geweigerd. Het Hof Den Haag heeft op 6 december 2005 geoordeeld dat er sprake is van bereddingskosten in de zin van art. 283 K waardoor het voor de eigenaar/verhuurder redelijkerwijs verantwoord was om (sanerings)maatregelen te nemen en verzekeraars gehouden zijn tot uitkering. Zo wordt o.m. het beroep van verzekeraars op uitsluiting op de voet van de milieuclausule in de verzekeringsvoorwaarden door het hof verworpen. Bij de uitleg van een contractuele bepaling als deze komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltexmaatstaf ) en het hof acht het niet aannemelijk dat het beding zo ruim moet worden opgevat dat van uitsluiting van dekking in dit geval sprake is. Verzekerde behoefde, ook wanneer zij door een professionele tussenpersoon werd bijgestaan, bij het sluiten van de verzekering in redelijkheid niet te verwachten dat een dergelijk specifiek geval onder de uitsluiting van dit beding zou vallen. Ook stelt het hof dat het feit of de omstandigheden van het geval de door de verzekerde getroffen maatregelen rechtvaardigen, moet worden beoordeeld naar het moment waarop hij tot die maatregelen heeft besloten en dat, indien de verzekerde er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij op dat moment de situatie gevaarlijker heeft ingeschat dan deze in werkelijkheid is geweest, de verzekeraar haar niet kan tegenwerpen dat de getroffen maatregelen geheel of ten dele een overbodig karakter hebben gehad. Zij kon en mocht op het moment van het nemen van haar beslissing uitgaan van een reëel gevaar voor de gezondheid van de bewoners van de onderhavige woningen, dat alleen door het treffen van een bijzondere maatregel (te weten directe sanering) kon worden opgeheven. Als eigenaar/verhuurder van een groot aantal woningen rustte op verzekerde in dit verband Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 46

46 een (dringende) maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht ten opzichte van derden (zowel huurders als overige bewoners) om gezondheidsschade in de woningen te voorkomen. Latere inzichten of ontwikkelingen met betrekking tot het daadwerkelijke gevaar van asbestbesmetting zijn daarbij niet van belang, zelfs niet wanneer uiteindelijk (objectief ) vastgesteld zou kunnen worden dat er in werkelijkheid geen (of een verwaarloosbaar) gevaar van besmetting heeft bestaan en de sanering derhalve niet noodzakelijk was. Ook het feit dat verzekerde (nog) niet aansprakelijk was gesteld vanwege de asbestproblematiek in de onderhavige woningen rechtvaardigt de weigering van verzekeraars niet. De Hoge Raad heeft op 30 november 2007 (LJN BA7560) in onderhavige zaak in gelijke zin geoordeeld. Het arrest van de Hoge Raad biedt de nodige ruimte voor verzekerden om vergoeding van kosten, die als algemene voorzorgsmaatregelen hoe dan ook door hen genomen zouden moeten worden, onder een aansprakelijkheidsverzekering te vorderen als bereddingskosten. Die ruimte zou naar de mening van auteurs gecompenseerd moeten worden door verzekeraars de bevoegdheid te geven om eventueel voordeel dat de verzekerde door de bereddingsmaatregelen geniet, van de vergoedingsplicht van verzekeraars af te trekken. Zo wordt denkbaar geacht dat de verzekerde door maatregelen te treffen niet alleen een onder de polis gedekt belang dient, maar ook een niet gedekt belang (zoals een waardeverhoging van zijn eigen goederen of een commercieel belang). A.L. Krenning en N. Vloemans, NTHR 2008, afl. 1, p. 21-25 Toezicht op herverzekeraars en entiteiten voor risicoacceptatie Wederom bespreking van de Richtlijn herverzekering welke naar verwachting in het eerste kwartaal van 2008 in Nederland zal worden geïmplementeerd. Deze implementatie betekent een wijziging van de Wet op het financieel toezicht en van een aantal uitvoeringsbesluiten. De implementatie van de Richtlijn herverzekering betekent invoering van een systeem van toezicht op herverzekeraars dat in hoofdlijnen vergelijkbaar is met dat op directe verzekeraars. Er komt een vergunningplicht voor herverzekeraars met als uitgangspunten ‘home country control’ en ‘single license’. In deze bijdrage worden de hoofdlijnen en de reikwijdte van het nieuwe toezicht op herverzekeraars besproken. Voorts wordt aandacht besteed aan een nieuw fenomeen in de Wft: ‘entiteiten voor risicoacceptatie’. C.W.M. Lieverse, Tijdschrift voor Financieel Recht 2007, nr. 11/12, p. 336-342 Tussentijdse opzegging van een verzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer De laatste volzin van art. 7:940 lid 3 BW bepaalt dat de verzekeraar slechts tussentijds kan opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd. Dit artikel bespreekt het vonnis van 14 november 2007 (LJN BB8208) waarin de Rechtbank Arnhem heeft overwogen dat deze voorwaarde ook geldt voor de verzekeringnemer hetgeen blijkens de parlementaire geschiedenis in strijd is met de bedoeling van de wetgever. N.J. Margetson, NTHR 2008, afl.1, p. 18-20

Spiegelbeelddekking en onderscheid formele en materiële werkgever Bespreking van het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2007 (LJN BA7217, NJ 2007, 586, RAV 2007, 34) over de uitleg van een verzekeringsvoorwaarde in een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven die uitsluiting van dekking voor motorrijtuigschade inhoudt. Verzekeraar AXA Schade N.V. en Uitzendbureau Excellent B.V. verschilden van mening over de uitleg van de betreffende verzekeringsvoorwaarde. Een aspect dat bij de beoordeling van het geschil vooral van belang was, was dat het in deze zaak om de aansprakelijkheid van Excellent als formele werkgever ging, voor een bedrijfsongeval dat een werknemer van Excellent in de uitvoering van zijn werkzaamheden in het bedrijf van de materiële werkgever was overkomen. Op de achtergrond speelde de ‘spiegelbeelddekking’ tussen de AVB en de verplichte WAM-verzekering een rol. De Hoge Raad overweegt dat met de formulering van uitsluitingen in aansprakelijkheidspolissen met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen beoogd wordt om de dekking van de AVB-polis zoveel mogelijk te laten aansluiten bij die van de WAM-polis, zodat er zo min mogelijk overlappingen of lacunes in de dekking bestaan. Het hof is gelet op deze ratio van de spiegelbeelddekking ten onrechte voorbijgegaan aan hetgeen Excellent heeft gesteld over de gevolgen van de door AXA voorgestane uitleg van de uitsluiting. Voor zover het hof met haar oordeel, dat aan de uitsluiting waarom het hier gaat ten grondslag ligt dat het motorrijtuigenrisico voor de AVB-polis een te hoog risico vormt en dat voor dit risico een zelfstandige polis is ontwikkeld, heeft bedoeld te stellen dat in de leemte van dekking, die door de uitsluiting in de AVB-polis bestaat, wordt voorzien door werkmateriaal- of landmateriaalverzekeringen, overweegt de Hoge Raad dat het hof hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Voor het geval dat het hof bedoeld heeft om met haar overweging over de werkmateriaal- en landmateriaalverzekering een feit van algemene bekendheid of een ervaringsregel aan haar oordeel ten grondslag te leggen, overweegt de Hoge Raad dat van een dergelijk feit van algemene bekendheid of van een dergelijke ervaringsregel geen sprake is. Tot slot acht de Hoge Raad het oordeel van het hof, dat het resultaat van de uitleg die Excellent aan art. 3.3 van de verzekeringsvoorwaarden geeft, zou zijn dat de aansprakelijkheid van Excellent als formele werkgever jegens een bij haar in dienst zijnde uitzendkracht wél gedekt is, maar dat Excellent zich aan de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen uitsluitingen zou kunnen onttrekken door te stellen dat van werkgeverschap in de zin van de uitsluiting géén sprake is, onbegrijpelijk. P. Oskam, Bb 2007, afl. 26, nr. 75, p. 318-322 De belastinggarantie: onontbeerlijk! In de dagelijkse praktijk van de letselschaderegeling wil er nog wel eens discussie ontstaan over het al dan niet afgeven van een belastinggarantie door de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij. Vaak wordt, zelfs door belangenbehartigers, aangegeven dat een garantie voor een deel van de overeengekomen vergoeding volstaat. Naar de mening van de auteur is dit, vanuit het oogpunt van het slachtoffer bezien, een onverstandig standpunt. Indien een belangen-

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 47

Rubriek juridisch

47

behartiger akkoord gaat met deze benadering kan er zelfs sprake zijn van een beroepsfout. W.H.M.J. Pelckmans, VR 2007, nr. 12, p. 401-404 (On)verzekerd van zorg in Zorgverzekeringswet? Doel van dit artikel is een overzicht te geven van de maatregelen die zijn genomen om het aantal onverzekerden zo laag mogelijk te houden. Eerst wordt uiteengezet wie op grond van de Zvw verplicht zijn om een zorgverzekering af te sluiten. Vervolgens wordt ingegaan op de rechtspositie en de problematiek van onverzekerden en daarbij worden de maatregelen beschreven die de Minister van VWS voorstelt om deze groep zo klein mogelijk te maken. Op korte termijn zullen structurele maatregelen worden genomen om wanbetaling zo veel mogelijk tegen te gaan, maar tegelijkertijd mensen wel verzekerd te houden. M.T. Pronk, Jubileumspecial Rechtspraak Zorgverzekering (RZA) 2007, p. 65-71 Juridische aspecten van de informatie- en zorgplichten van financiële ondernemingen onder het regime van de Wet op het financieel toezicht Door de invoering van de Wft wordt de financiële markt niet meer branchegericht maar productgericht benaderd bij de uitoefening van het prudentieel (DNB) en gedragstoezicht (AFM). Kantelend inzicht heeft geleid tot functioneel toezicht waarbij informatie- en zorgplichten evenals transparantie een belangrijke plaats innemen. In dit artikel wordt uitgebreid ingegaan op de complexe problematiek van de samenhang tussen rechtsverhoudingen en de daarbij behorende zorgplichten. J.G.J. Rinkes, NTHR 2007, afl. 6, p. 223-235 Algemene voorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis. Overgang verzekerd belang. Vervaltermijn. Bedrog Ook in dit artikel wordt het arrest besproken van de Hoge Raad van 5 oktober 2007 (NJ 2007, 542) waarin een branden inventarisverzekeraar zonder succes een beroep doet op verval van rechten wegens het te laat dagvaarden. De eigenaar van een eenmanszaak sluit twee verzekeringsovereenkomsten met NOWM Verzekeringen N.V. De verzekeringen die tot stand komen door tussenkomst van Aon Hudig Nijmegen B.V. bieden onder meer dekking voor het risico van brandschade. Vervolgens wordt een BV opgericht, die de onderneming gaat drijven waarna op een gegeven moment de naam van deze BV wordt gewijzigd en een nieuwe BV opgericht welke de onderneming gaat drijven. Nadat brand in het bedrijfspand ontstaat dat door de nieuwe BV van derden wordt gehuurd, weigert verzekeraar NOWM echter om over te gaan tot uitkering van de schade. Kort daarop worden zowel de oude als de nieuwe BV in staat van faillissement verklaard. De curator dagvaardt de verzekeraar vijf jaar en drie dagen na de brand tot het doen van een uitkering onder beide verzekeringsovereenkomsten. De verzekeraar verweert zich met een beroep op de polisvoorwaarde dat elk recht op schadevergoeding vervalt door verloop van vijf jaar na het voorval. Ook beroept de verzekeraar zich op de polisvoorwaarde dat na overgang van het verzekerd belang de overeenkomst ver-

valt door verloop van 30 dagen, tenzij de nieuwe verzekerde binnen die termijn aan de verzekeraar verklaart dat hij de verzekering overneemt, in welk geval de verzekeraar de overeenkomst aan de nieuwe verzekerde mag opzeggen. Verder doet de verzekeraar o.m. nog een beroep op bedrog, omdat is geprobeerd hem met valse stukken ervan te overtuigen dat de mededeling terzake van de overgang van het verzekerd belang in 1994 tijdig heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst de vordering van de curator af. Het hof oordeelt echter dat de verzekeraar wel gehouden is tot uitkering. Hierbij overwoog het onder meer dat het beroep op de betreffende polisvoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Voor dit oordeel kende het beslissende betekenis toe aan het feit dat de verzekeraar (via de makelaar) geruime tijd vóór de brand op de hoogte was geraakt van de gewijzigde organisatiestructuur, maar desondanks de verzekeringen had gecontinueerd. Bovendien achtte het hof niet aannemelijk dat indien de nieuwe verzekerden wel de betreffende verklaring hadden gedaan, de verzekeraar de overeenkomsten zou hebben opgezegd. Afgezien van de rechtsvorm waarin de onderneming werd gedreven en de verschillende namen, was immers niet gebleken dat er met de overgang van het verzekerd belang relevante verzwaringen van het verzekerd risico hadden plaatsgevonden. Het hof legt met instemming van de Hoge Raad art. 7:941 lid 2 BW restrictief uit: de hierin genoemde mededelingsplicht ziet uitsluitend op het verschaffen van inlichtingen en bescheiden die betrekking hebben op de verwezenlijking van het risico die heeft plaatsgevonden en de schade die daaruit voortvloeit. Het beroep op merkelijke schuld door verzekeraar wordt door het hof en de Hoge Raad verworpen. Ook legt het hof met instemming van de Hoge Raad de bepaling dat elk recht op schadevergoeding vervalt door verloop van vijf jaar na het voorval zo uit dat de verzekerde binnen die termijn aanspraak moet hebben gemaakt op een schadeuitkering. Het instellen van een rechtsvordering binnen die termijn is derhalve geen vereiste. J.T. Suijdendorp, JutD 2007, 20 december 2007, nr. 23/24, p. 18-22 Het Europees geslachtsdiscriminatieverbod in verzekering: status quo of nieuwe injectie? Ongeveer een jaar na het indienen van het voorstel van de Europese Commissie werd in de Raad van de Europese Unie een politiek akkoord bereikt omtrent de finale tekst van wat uiteindelijk Richtlijn 2004/113/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten is geworden. Resultaat van de besprekingen is dat het verbod op geslachtsdiscriminatie in het leveren van verzekeringsdiensten gehandhaafd blijft, maar dat voor wat betreft het verbod op het gebruik van seksegerelateerde actuariële berekeningsfactoren de oorspronkelijke formulering is afgezwakt. De lidstaten krijgen namelijk de kans om onder bepaalde voorwaarden afwijkingen te voorzien van het geslachtsdiscriminatieverbod (een opting-out clausule) waar het de berekening van premies en uitkeringen betreft. In deze bijdrage gaat de auteur na of en in welke mate deze Goederen- en dienstenrichtlijn van betekenis is voor het Nederlandse gelijke behandelingsrecht. Tevens wordt aanHet Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 48

48 dacht besteed aan de invloed van het Europeesrechtelijke geslachtsdiscriminatieverbod op het bestaande tariferingsen segmenteringsbeleid van verzekeringsmaatschappijen. Daarbij wordt aandacht besteed aan zowel de manier waarop discriminatoir onderscheid in een concreet geschil kan worden aangetoond als voor de middelen waarmee verzekeringsondernemingen zich in geslachtsdiscriminatieclaims kunnen verweren. Y. Thiery, AV&S 2007, nr. 6, p. 282-292 Directe schade in het contractenrecht

en tussen de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als beleggingsproduct. Allereerst wordt de reikwijdte van MiFID ten opzichte van beleggingsinstellingen besproken. Daarna wordt kort ingegaan op de juridische kwalificatie van de (beheerder van de) beleggingsinstelling. Vervolgens worden de meest belangrijke onderwerpen besproken die invloed hebben op de beleggingsinstellingenindustrie: uitbesteden, ‘best execution’, transactierapportage, provisie en informatieverstrekking. G.A.M. Verwilst, Tijdschrift voor Financieel Recht 2007, nr. 10, p. 309-316

Directe schade is een veelvoorkomende term in contracten. Toch geven de handboeken hier geen omschrijving van. In dit artikel wordt een poging gedaan tot een nadere invulling van deze term, alsmede de verwante begrippen indirecte en gevolgschade. De auteur concentreert zich bij de bespreking op het overeenkomstenrecht. T.F.E. Tjong Tjin Tai, MvV 2007, nr. 11, p. 226-231

Invloed van verdragsrecht op de Nederlandse ziektekostenverzekering

De gevolgen van MiFiD voor de beleggingsinstellingenindustrie

De afbakening tussen Zorgverzekeringswet en de AWBZ

Dit artikel bespreekt de belangrijkste gevolgen van de Markets in Financial Instruments Directive (MiFID) voor de beleggingsinstellingenindustrie. Hierbij wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de MiFID voor beleggingsinstellingen en activiteiten die (binnen een groep) betrekking hebben op beleggingsinstellingen. Waar relevant wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen de (beheerder van een) beleggingsinstelling die optreedt als speler op de financiële markt

Achtereenvolgens worden de belangrijkste aspecten van het Gemeenschapsrecht, de coördinatie-, en de normverdragen voor de Nederlandse ziektekostenverzekering besproken. R.J. Visser, Jubileumspecial RZA 2007, p. 90-98

In dit artikel wordt nader ingegaan op de afbakening tussen de twee wetten die in Nederland de verzekering tegen ziektekosten regelen, de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). De AWBZ richt zich van oudsher op de langdurige, niet-verzekerbare risico’s terwijl de Zvw de verzekering regelt van op genezing gerichte zorg. Diverse ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat dit onderscheid niet meer absoluut is. S.E. Weghaus-Reus, Jubileumspecial RZA 2007, p. 99-106

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 49

Boekaankondiging

49 Rating von Rückversicherungsunternehmen Transparenz im Versicherungsmarkt L. Heermann Lohmar: Josef Eul Verlag 2007, 13 en 112 p. ISBN 9783899366143 The Knowledge Ahead Approach to Risk Theory and Experimental Evidence R. Pope, J. Leitner, U. Leopold-Wildburger Berlin e.a.: Springer Verlag 2007, 16 en 229 p. ISBN 9783540384724

Actuariaat en verzekeringsstatistiek Application of Copula-based Methods in Non-life Insurance M.M. Lindner Ulm: Institut für Finanz- und Aktuarwissenschaften 2007, 6 en 97 p. ISBN 393128980x Die Cairns-Familie von Zinsstrukturmodellen: Kalibrierung, Analyse und Anwendungen im Risikomanagement M. Lutz Ulm: Institut für Finanz- und Aktuarwissenschaften 2007, 142 p. ISBN 3931289796 Extremes in Nature An Approach Using Copulas G. Salvadori, C. de Michele, N. T. Kottegoda, R. Rosso New York e.a.: Springer 2007, XIV en 292 p. ISBN 9781402044144

Verzekeringseconomie/Marketing Financial Stability in the EU Diss. Erasmus Universiteit Rotterdam J.F. Slijkerman Amsterdam: Thela Theses 2007 ISBN 9789051706781 Corporate Social Responsibility and Financial Markets Diss. Rijksuniversiteit Groningen L. Dam Eigen uitgave 2008 ISBN 9789078249061 Insurance Intermediation An Economic Analysis of the Information Services Market M. Eckardt Heidelberg: Physica-Verlag 2007, 6 en 246 p. ISBN 9783790819397 Choosing Innovation Over Cutting Costs: Market Opportunities and Challenges in the Insurance Industry N. Dick Karlsruhe: Verlag Versicherungswirtschaft 2007, 32 p. ISBN 9783899523546 Versicherungsmarketing Strategien, Instrumente und Controlling F. Görgen Stuttgart, W. Kohlhammer 2007 (2e druk), 338 p. ISBN 9783170197350

Redefinition der Wertschöpfungskette von Versicherungsunternehmen Bewertungsmodell zur Entscheidungsunterstützung bei der Disaggregation der Wertschöpfungskette am Beispiel kleiner und mittlerer Versicherungsunternehmen C. Rahlfs Wiesbaden: Gabler Verlag 2007, 16 en 228 p. ISBN 9783835005716 Informationssuche und Konsumentenvertrauen am Beispiel der Versicherungswirtschaft Eine empirische Untersuchung C. Wilke Hamburg: Verlag Dr. Kovac 2007, 252 p. ISBN 9783830027980

Verzekeringsrecht Verzekering en Nieuwe Wetgeving Preadviezen 2006 Vereniging voor Verzekeringswetenschap F.H.J. Mijnssen, B. Sluijters, M.M. Mendel Amstelveen: deLex 2007, 50 p. ISBN 9789086920129

In het preadvies van Mijnssen over Boek 7, Titel 7:17 BW komen aan de orde: de aard van de verzekeringsovereenkomst, onzekerheid, belang, indemniteitsbeginsel, onderscheid tussen schade- en sommenverzekering, en eigen recht. In het preadvies van Sluijters over de Zorgverzekeringswet passeren de revue: het hybride karakter van de wet, verzekeringsplicht en onverzekerden, acceptatieplicht, verevening, zorgplicht, premie, zorgtoeslag, eigen risico, no-claim, overheidstoezicht, bestuurlijke boete, bestuursrechtelijke rechtsbescherming, geschillenregeling verzekeraars/verzekerden (verzekeringnemers), verhouding Zorgverzekeringswet/gewone verzekeringsrecht, en aanvullende verzekering. Mendel behandelt in zijn preadvies een aantal vragen betreffende de inrichting van de tuchtrechtspraak voor verzekeraars in verband met de door de nieuwe financiële toezichtswetgeving voorgeschreven geschilleninstantie (thans: Tuchtraad Financiële Dienstverlening in het kader van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening – KiFid –). Insurance and Europe M.L. Hendrikse, J.G.J. Rinkes (Editors) Zutphen: Uitgeverij Paris 2007, 102 p. ISBN 9789077320525

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

›


VA_Binnenwerk_2008_01_3epr.qxd:_

29-04-2008

16:05

Pagina 50

50 Deze bundel bevat de volgende bijdragen aan een op 23 november 2007 gehouden symposium: – Rinkes/Hendrikse, Europe and Insurance: the Consumer Perspective – Heiss, Principles of European Insurance Contract Law (PEICL) – McGee, Competition in the European Insurance Market – Ronner, Enterprise Risk Management (ERM) in Europe; developments and methods – Kramer, Conflicts of Laws on Insurance Contracts in Europe Verzekeringsrecht Tekst & Commentaar De tekst van Boek 7 titel 17 en 18 BW, verwante regelgeving en toepasselijk recht op verzekeringsovereenkomsten voorzien van commentaar J.H. Wansink, R. Ph. Elzas, J. Borgesius (red.) Deventer: Kluwer 2008, 20 en 894 p. ISBN 9789013037722 Elektronisch handelsrecht/e-commerce law Een verhandeling over de juridische aspecten van elektronische communicatie in het handelsrecht met bijzondere aandacht voor het verzekerings- en vervoerrecht H.P.A.J. Martius Eigen uitgave: diss. Open Universiteit Heerlen 2007, 296 p. ISBN 9789077320488 Hypotheek W.G. Huijgen Deventer: Kluwer 2007 (4e druk), 112 p. ISBN 9789013037708

Compensatie en erkenning voor werknemers met asbestziekten tussen 1978 en 2005 Een rechtssociologisch onderzoek M.G.M. Peeters Nijmegen: Wolff Legal Publishers 2007, 303 p. ISBN 9789058502865 De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht A.S. Hartkamp, C.H. Sieburgh, L.A.D. Keus (red.) Deventer: Kluwer 2007, 600 p. (Algemeen deel) en 715 p. (Bijzonder deel) ISBN 9789013048834 en 9789013048841 Outsourcing und Umsatzsteuer bei Banken und Versicherungen K. Kirchhofer Wien: LexisNexis Verlag ARD Orac 2007, 118 p. ISBN 9783700736738 Der versicherungsrechtliche Gleichbehandlungsgrundsatz zwischen Deregulierung und Diskriminierung F. Krömmelbein Karlsruhe: Verlag Versicherungswirtschaft 2007, 22 en 401 p. ISBN 9783899523478 Die Sanktionierung von Obliegenheitsverletzungen nach dem Alles-oder-Nichts-Prinzip Ein Rück- und Ausblick: von den Anfängen bis zur Reform des VVG zum 01.01.2008 unter Berücksichtigung der Rechtsentwicklungen im europäischen Binnenmarkt R. Steinbeck München: Martin Meidenbauer Verlagsbuchhandlung 2007, 29 en 237 p. ISBN 9783899756456

‹

Het Verzekerings-Archief 1-2008

Frieda Crince Le Roy | friedacrinceleroy@vakmedianet.nl

‹


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook