Hoofdstuk 7.14 Overlijden van de werknemer of de werkgever
7.14
Overlijden van de werknemer of de werkgever Hoofdstuk 7.14 Overlijden van de werknemer of de werkgever 7.14
Wet- en regelgeving
Samenvatting
Overlijden van de werknemer of de werkgever
Burgerlijk Wetboek, artikelen 7:674 en 675 Ziektewet, artikel 35 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 53 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Toeslagenwet De regelgeving in de cao die eventueel van toepassing is Door het overlijden van de werknemer eindigt de arbeidsovereenkomst met die werknemer van rechtswege. Dit wil zeggen dat de werkgever geen ontslaghandelingen hoeft te verrichten. De werkgever is verplicht een overlijdensuitkering te betalen aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer. Had de werknemer ten tijde van het overlijden recht op een ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan neemt het UWV de verplichting over om een overlijdensuitkering te betalen. De arbeidsovereenkomst eindigt alleen wanneer de werknemer overlijdt. Overlijden van de werkgever heeft niet automatisch het eindigen van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. 7.14.1
Overlijden van de werknemer
7.14.1
Overlijden van de werknemer
Het overlijden van de werknemer betekent dat er automatisch een einde aan de arbeidsovereenkomst komt. De werkgever hoeft voor deze beëindiging geen formaliteiten te vervullen. Dit neemt niet weg dat de werkgever een aantal praktische zaken moet regelen, bijvoorbeeld het inlichten van het pensioenfonds, het doorgeven van het overlijden aan de Belastingdienst en het UWV (zie voor het overlijden van de werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval hoofdstuk 6.3).
7.14.1.1
Ontbindingsvergoeding
De situatie kan zich voordoen dat een werknemer overlijdt, vóórdat een hem in het kader van een ontbindingsprocedure toegekende ontbindingsvergoeding, is uitbetaald.
Voorbeeld
Beëindigingsovereenkomst
Voorbeeld
Bij beschikking d.d. 23 december 2005 ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer met ingang van 1 februari 2006 onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van € 50.000 bruto. In januari 2006 overlijdt de werknemer echter. De werkgever gaat in hoger beroep van de uitspraak op de grond dat de arbeidsovereenkomst door het overlijden al is geëindigd en dat de beschikking van de kantonrechter, uitgaande van een ontbindingsdatum nadien, geen stand kan houden. De werkgever wordt in het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard omdat de rechter binnen het toepassingsbereik van de wettelijke bepaling (art. 7:685 BW) is gebleven, nu de rechter bij zijn beschikking rekening heeft gehouden met alle toen aanwezige feiten en omstandigheden. De werknemer was toen immers nog niet overleden. Bron: Gerechtshof Amsterdam, 24 augustus 2006 (ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2522) Een gelijksoortige situatie kan zich voordoen bij een beëindigingsovereenkomst. In verband met verdiscontering van de fictieve opzegtermijn (zie paragraaf 7.16.5.4) zit er regelmatig langere tijd tussen het tekenen van een beëindigingsovereenkomst en het daadwerkelijk einde van de arbeidsovereenkomst. De discussie spitst zich toe of de werkgever dan toch de vergoeding moet betalen. Uitgangspunt is van wel, tenzij uitdrukkelijk anders is afgesproken. De werkgever en de werknemer hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij het ontslag in zou gaan op 1 maart 2009. Aan de werknemer werd een vergoeding van € 71.000 bruto toegekend. Op 28 februari 2009, enkele uren vóór het ontslag, overlijdt de werknemer. De werkgever weigert te betalen, de erfgenamen vorderen het bedrag. Volgens de kantonrechter was er geen enkele bepaling opgenomen waaruit blijkt dat het be791