Deel 7 EINDE VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST
7.13
Pensioenregelingen Hoofdstuk 7.13 Pensioenregelingen 7.13
Pensioenregelingen
Wet- en regelgeving
Pensioenwet (PW) Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Wet op de loonbelasting 1964 Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds Wet fonds voorheffing pensioenverzekering Wet fiscale behandeling van pensioenen Wet aanpassing fiscale behandeling vut/prepensioen introductie levensloopregeling (WVPL) Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen Algemene wet gelijke behandeling Artikel 7:646 en 647 BW Wet op de ondernemingsraden Cao die eventueel van toepassing is Het pensioenreglement dat voor het bedrijf van toepassing is
Samenvatting
Sinds 1 januari 1957 heeft elke inwoner van Nederland recht op een AOW-uitkering. Tot 2013 ging dit recht in op 65-jarige leeftijd. Met de invoering van de Wet versnelde verhoging AOW-leeftijd op 1 januari 2016 is bepaald dat de AOW-gerechtigde leeftijd van 67 jaar niet zou worden bereikt in 2023 maar reeds is 2021. Met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd is echter bepaald dat de AOW-leeftijd toch minder snel stijgt. De AOW-leeftijd van 67 jaar wordt nu bereikt in 2024. De AOW-leeftijd voor 2023 bedraagt 66 jaar en tien maanden. De aanvangsleeftijd waarop AOW wordt opgebouwd, stijgt evenredig mee en is voor 2023 16 jaar en tien maanden. Naast de AOW bieden de meeste werkgevers een aanvullend pensioen aan. Aanvullende pensioenen zijn de toekomstvoorzieningen die door werkgevers voor werknemers zijn geregeld. De aanvullende pensioenregelingen vormen de tweede pijler van het stelsel van toekomstvoorzieningen. Voor deze vorm van toekomstvoorziening is, juridisch gezien, de term ‘pensioen’ het beste op zijn plaats. Er zijn zo'n negen miljoen werknemers in Nederland. Voor meer dan negentig procent daarvan worden de aanspraken uit wettelijke socialezekerheidsregelingen aangevuld met een pensioen dat via hun werkgever is geregeld. Aanvullende pensioenen hebben niet, zoals de socialezekerheidsuitkeringen, het oogmerk te voorzien in de dekking van kosten voor minimale levensbehoeften. Een aanvullend pensioen beoogt te bewerkstelligen dat de werknemer na een volledig dienstverband ongeveer op gelijke voet kan doorleven. Oorspronkelijk ging het pensioen in bij het bereiken van de AOW-leeftijd. Dit is sinds 2014 niet meer het geval. Voor 2023 is de pensioenrichtleeftijd voor het aanvullend pensioen 68 jaar terwijl de AOW-leeftijd 66 jaar en tien maanden bedraagt. De pensioenrichtleeftijd loopt dus niet synchroon aan die van de AOW-gerechtigde leeftijd. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet verlaging maximumopbouw – en premiepercentage pensioenen en maximering pensioengevend loon van toepassing. Door invoering van deze wet is het niet meer mogelijk boven een bepaald bedrag fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen. Bij aanvang in 2015 bedroeg het bedrag € 100.000. Jaarlijks wordt het bedrag verhoogd. Op de site van de Belastingdienst staan de actuele bedragen vermeld. Hoewel het uitgangspunt is dat de pensioenrichtleeftijd in de pensioenovereenkomst op 68 jaar dient te zijn vastgesteld, is het nog steeds toegestaan een lagere pensioenrichtleeftijd te hanteren. Het hanteren van de maximale opbouwpercentages van 1,875% voor de middelloonregeling en 1,657% voor de eindloonregeling is niet toegestaan. Ook als de pensioenrichtleeftijd 68 jaar bedraagt is het toegestaan eerder met pensioen te gaan, zo-
744