Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN
1.5
Bedingen in een arbeidsovereenkomst Hoofdstuk 1.5 Bedingen in een arbeidsovereenkomst 1.5
Wet- en regelgeving
Samenvatting
Bedingen in een arbeidsovereenkomst
Burgerlijk Wetboek, art. 7:613, 628, 631, 652, 653, 669, 671 en 676. Wetboek van Strafrecht, art. 272, 273. Rijksoctrooiwet, art. 12. De regelgeving in de cao die eventueel van toepassing is. In een arbeidsovereenkomst kan naast de hoofdbepalingen over de duur van de overeenkomst, de functie van de werknemer en het verschuldigde loon, nog een aantal andere belangrijke bepalingen worden opgenomen. Een proeftijd is een beding dat in de meeste arbeidsovereenkomsten voorkomt. Verder valt te denken aan bedingen die de werkgever kunnen beschermen tegen ongewenste kennisoverdracht of concurrentie. Ook kunnen bedingen de werknemer verplichten tot een aantal werkzaamheden die niet nauwkeurig in het contract zijn omschreven. De volgende bedingen komen in dit hoofdstuk aan de orde: proeftijdbeding; concurrentiebeding; relatiebeding; antironselbeding geheimhoudingsbeding; boetebeding uitvindingsbeding; verbod van nevenwerkzaamheden; verplichting tot overwerk; verplichting tot het verrichten van ander werk op een andere tijd en plaats dan gewoonlijk; uitsluiting van loondoorbetalingsplicht; eenzijdig wijzigingsbeding; studiekostenbeding; pensioenbeding. 1.5.1
Proeftijd
1.5.1
Proeftijd
De proeftijd biedt partijen aan het begin van de arbeidsrelatie de ruimte om enige tijd te bekijken of zij met het aangaan van deze arbeidsovereenkomst een juiste stap hebben gezet. Essentie is dat de werkgever en de werknemer een proeftijd moeten afspreken. Die geldt namelijk niet automatisch. Gedurende de proeftijd kunnen zowel de werkgever als de werknemer zonder formaliteiten de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen. De regels die normaal gelden bij opzegging zijn niet van kracht: De opzegtermijnen zijn niet van toepassing. Een ontslagvergunning is niet vereist. De bijzondere opzegverboden gelden niet. De opzegging kan niet nietig of onregelmatig.
1.5.1.1
Vorm en inhoud
Gezien het onverplichtende karakter van de proeftijd dient deze niet langer te duren dan strikt noodzakelijk is.
Vereiste van schriftelijkheid
Een proeftijd moet uitdrukkelijk worden afgesproken. De proeftijd kan slechts schriftelijk worden overeengekomen, op straffe van nietigheid. Dit vereiste is ingevoerd om bewijsproblemen te voorkomen over de vraag of er wel of niet een proeftijdbeding is overeengekomen.
Let op
72
Bij de invoering van de Wet werk en zekerheid heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat het schriftelijk aangaan van een proeftijd alleen mogelijk is vóór de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Dit is een trendbreuk met oudere rechtspraak op grond waarvan het mogelijk (b)leek een vooraf mondeling afgesproken proeftijd later – tijdens de loop-