Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
1.4
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd 1.4
Wet- en regelgeving Samenvatting
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Burgerlijk Wetboek, artikelen 7:649, 652, 653, 657, 667, 668 en 668a De regelgeving in de cao die eventueel van toepassing is. Met iedere werknemer kan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden aangegaan, behalve als dit niet is toegestaan bij cao. Zo'n arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt automatisch aan het einde van de overeengekomen periode, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. De werkgever moet wel een aanzegtermijn van een maand in acht nemen, wat inhoudt dat uiterlijk een maand voor de einddatum kenbaar moet worden gemaakt of de arbeidsovereenkomst wordt verlengd of niet en zo ja, op welke voorwaarden. Vergeet de werkgever de ‘aanzegging’ te doen, dan eindigt de arbeidsovereenkomst nog steeds op de afgesproken einddatum. De werkgever moet dan echter een schadevergoeding (‘aanzegvergoeding’) betalen. Dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder voorafgaande opzegging eindigt, is een groot verschil met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die bij onvrijwillig ontslag moet worden opgezegd of ontbonden. Met de invoering van de Flexwet per 1 januari 1999 is het mogelijk gemaakt om drie tijdelijke contracten af te sluiten, vallende in een periode van maximaal 36 maanden met inbegrip van eventuele onderbrekingen, waarvan de laatste van rechtswege eindigt. Werd de periode van 36 maanden overschreden, dan gold met ingang van de datum van die overschrijding de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstond ook wanneer meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar opvolgden, tenzij sprake was van een onderbreking van minstens drie maanden. Nadat de maximale duur van de keten bij de WWZ (2015) was verkort tot 24 maanden is deze door de WAB (2020) weer teruggebracht naar de oorspronkelijke 36 maanden. De voorheen geldende onderbreking bij drie maanden is sinds 1 juli 2015 een onderbreking bij minimaal zes maanden, tenzij op grond van de cao een kortere onderbreking geldt. Bij cao kan van het aantal van drie contracten en van de periode van 36 maanden worden afgeweken. Wees hier dus bedacht op. Zie ook paragraaf 1.4.6. De maximale proeftijdperiode voor een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor meer dan zes maanden, maar minder dan twee jaar, bedraagt slechts één maand. Dat geldt ook bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder duidelijke einddatum. Ook hier kan een afwijkende termijn in de cao zijn opgenomen. De werkgever doet er verstandig aan om in de overeenkomst een beding van tussentijdse opzegging op te nemen: het opent de deur naar een voortijdige beëindiging. Ten slotte is het verboden om onderscheid te maken tussen werknemers die voor bepaalde en die voor onbepaalde tijd in dienst zijn. 1.4.1
De bepaalde tijd
1.4.1
De bepaalde tijd
Uitgangspunt van het arbeidsovereenkomstenrecht is dat een werknemer voor onbepaalde tijd in dienst treedt, tenzij een bepaalde tijd is afgesproken. Er bestaat een aantal mogelijkheden om die bepaalde tijd overeen te komen.
1.4.1.1
Tijdsperiode
De duur van de overeenkomst kan zijn gekoppeld aan het verstrijken van een bepaalde kalenderperiode. Er geldt geen minimum- of maximumtermijn, het kan een willekeurige periode zijn (dagen, weken, maanden, jaren). Dit is de meest voorkomende situatie. Een half jaar- of een jaarcontract zijn gebruikelijke vormen. Veel cao's of arbeidsovereenkomsten bevatten een pensioenontslagbeding: de dienstbe47