Voordat je in dit deel begint, kun je een controletoets maken van deel 1. Die vind je bij Marche 11 van deel 1. Als je de uitslag van de toets hebt, weet je op welke onderdelen je nog extra je best moet doen! Alle onderdelen uit deel 1 komen in deel 2 weer voorbij dus zorg dat je goed voorbereid aan deel 2 begint.
Eerst stellen we weer de vraag: Wat wil je leren in deel 2? Schrijf het hiernaast op:
Bekijk nu de inhoudsopgave op pagina 2 en 3 en markeer de onderwerpen die overeenkomen.
Én… vergeet niet ‘la boîte’ te vullen met je favoriete onderwerpen. Amusez-vous bien!
MARCHE 12
LA NOURRITURE
OPDRACHT 1 T/M 10
In deze Marche ga je praten over eten. Je leert ook weer twee onregelmatige werkwoorden. Wat ga je doen?
Oefeningen FIX 1-240 FN
Oefeningen FIX 1-240 NF
Oefeningen woordgroep 12: la nourriture
Oefeningen grammatica: pouvoir en vouloir
Hier kun je afvinken wat je online gedaan hebt!
EXERCICE 1: REGARDER, ÉCOUTER ET ÉCRIRE
1. Nous avons des amis. Ce sont amis.
La nourriture
2. Vous avez une radio. C’est radio.
Bekijk het filmpje
3. Mes parents ont un chat. C’est chat.
Vertaal
LES ALIMENTS =
4. Ils ont aussi trois poissons. Ce sont poissons.
1. Qu’est-ce que tu prends au petit déjeuner? [keskuh tuu pra(n) ooh puhtie dézjeuné?]
5. Mon cousin est le fils de oncle et de tante.
B. Vertaal de zinnen in je cahier de notes!
EXERCICE 90: REGARDER, ECOUTER ET ECRIRE
La nourriture
Bekijk het filmpje
Noteer de juiste betekenis achter de woorden: du pain du beurre de la confiture un croissant des céréales
Noteer de juiste betekenis achter de woorden:
LES ALIMENTS
Qu’est-ce que tu prends au petit déjeuner? keskuh tuu pra(n) ooh puhtie dézjeuné? du pain du beurre de la confiture un croissant des céréales
EXERCICE 91: PARLER
Qu’est-ce que tu manges?
Vertaal
BOISSON =
2. Qu’est-ce que tu bois? [keskuh tuu bwah?] du lait du café du thé du jus de fruits de l’eau
Des fruits
Vertaal
DES FRUITS =
3. Qu'est-ce que tu prends au goûter? [keskuh tuu pra(n) ooh §oetée?] une pomme une banane une poire une orange un citron une pêche une fraise une cerise
Vertaal
DES LÉGUMES =
4. Qu'est-ce que tu prends au dîner? [keskuh tuu pra(n) ooh dienée?]
une carotte une pomme de terre un poivron un oignon une laitue une tomate
Vertaal
AUTRES ALIMENTS = de la soupe de la salade des pâtes du riz de la viande du poulet
du poisson
du jambon un œuf / des œufs des frites un sandwich du fromage de la glace / une glace un yaourt du chocolat un gâteau du sucre du sel de la farine de l’huile d’olive de l’huile de tournesol
Vertaal
BON APPÉTIT! =
je bois [zjuh bwah]
je prends [zjuh pra(n)]
Je mange [zjuh ma(n)zj]
EXERCICE 2: PARLER
Qu’est-ce que tu manges?
WOORDGROEP 9
In de vorige oefening staan vier vragen. Die vier vragen ga je stellen aan een klasgenoot en deze geeft antwoord. Daarna wissel je van rol. Je oefent net zo lang tot de tijd om is. Bon courage!
EXERCICE 3: REGARDER, ECOUTER ET ECRIRE
Un croque-monsieur
Faire la cuisine avec Pierre (koken met Pierre). In dit filmpje ga je leren hoe je een croque-monsieur moet maken.
Kijk naar het filmpje en beantwoord dan de vragen:
1. Is un croque typisch Frans?
2. Vertaal de ingrediënten:
a. du pain de mie
b. un œuf / plusieurs œufs
c. fromage râpé
d. tranches de jambon
e. fromage en tranches
f. du lait
3. Wat betekent ‘tremper’?
4. Is de kaas die Pierre gebruikt van goede kwaliteit?
5. Wat is een ander woord voor simple?
6. Wat betekent ‘au four”?
7. Wat betekent ‘préchauffer le four’?
8. Op hoeveel graden moet je de oven zetten?
9. Hoe lang moeten de croques au four?
10. Wat kun je erbij serveren volgens Pierre?
Huiswerk: maak thuis een Franse tosti!
EXERCICE 4: REGARDER, ÉCOUTER ET ÉCRIRE
Sept plats bizarres
Bekijk het filmpje en schrijf de zeven gerechten op. Schrijf de vertaling er achter.
Omcirkel wat je het lekkerst vindt.
EXERCICE 5: ÉCRIRE
Les pronoms personnels
A. Vul het juiste persoonlijk voornaamwoord in bij deze regelmatige werkwoorden op -er.
1 jouons au foot.
2 manges trois bananes?
3 parle beaucoup!
4 présente ma famille.
5 présentes ta famille.
6 présentons notre famille.
7 présentent leur famille.
8 jouez au tennis?
9 mangent des fraises.
10 parlez trop!
B. Vertaal de zinnen in je cahier de notes
EXERCICE 6: CHERCHE, COLLER ET ÉCRIRE
Bon appétit
Zoek op internet afbeeldingen van jouw favoriete eten en drinken voor het ontbijt, de lunch én het avondeten. Natuurlijk mag je ook je favoriete snack opzoeken. Print alles uit, plak het in je cahier de notes en schrijf overal de Franse woorden bij.
Hieronder zie je een voorbeeld.
EXERCICE 7: LIRE ET ÉCRIRE
Le petit déjeuner
Lees de tekst en markeer alle woorden die je kent uit de FIX, uit je cahier voca of gewoon omdat je ze kent.
Le petit déjeuner et le déjeuner en France
En France, on commence souvent la journée avec le petit déjeuner. Les Français aiment le pain, surtout la baguette. Il y a aussi la ficelle, un pain plus fin.
Avec le pain, on mange souvent du beurre et de la confiture. Et à boire ?
On boit du lait, du café, du thé ou du jus de fruits. Certains préfèrent l’eau plate ou l’eau gazeuse.
Pour ceux qui veulent un petit déjeuner sucré, il y a le croissant, délicieux avec un peu de beurre fondu !
On peut aussi manger une pomme, une banane ou une poire.
À midi, on mange le déjeuner. Par exemple, une assiette de riz ou de pâte, avec du poulet, du poisson ou de la viande. Les légumes sont importants aussi : la carotte, la tomate, le poivron, l’oignon, la salade et bien sûr la soupe en hiver. Comme dessert ? Peut-être un yaourt, une glace, du chocolat, ou un gâteau. Attention au sucre !
Et toi, qu’est-ce que tu manges au petit déjeuner?
Hoeveel woorden heb je gemarkeerd?
1. Wat eten de Fransen vaak als ontbijt?
2. Welke soorten brood worden genoemd in de tekst?
3. Wat drinken de Fransen graag bij het ontbijt? Kies drie opties en vertaal deze.
A) le lait
B) le vin
C) le café
D) le thé
E) la soupe
4. Welke drie stukken fruit worden genoemd als ontbijtoptie? Noteer ze in het Frans en in het Nederlands.
5. Noem minstens vier soorten groenten uit de tekst en vertaal deze.
6. Welk toetje wordt genoemd dat koud en zoet is? Noteer het woord in het Frans en in het Nederlands.
7. Beantwoord de laatste zin van de tekst in het Frans.
EXERCICE 8: REGARDER, ÉCOUTER ET ÉCRIRE
Les verbes irréguliers pouvoir et vouloir
A. Bekijk het filmpje en maak een nette aantekening in je cahier de notes
B. Vul de juiste vorm van pouvoir in.
1. Sylvie a beaucoup d’énergie: elle travailler longtemps.
2. Il fait froid: est-ce que vous fermer la fenêtre?
3. Nous sommes fatigués: est-ce que nous partir?
4. Jacques ne pas enlever son manteau. Vous l’aider?
5. Ils rester plusieurs jours au camping.
6. On boire de l’alcool à dix-huit ans.
7. Je n’ai pas d’argent. Est-ce que tu m’en prêter?
C. Vul de juiste vorm van vouloir in.
8. Il aller en vacances.
9. Nous acheter une nouvelle maison.
10. Vous une autre part de gâteau?
11. Sophie ne plus danser: elle a mal aux pieds.
12. Mes amies apprendre le français.
13. vous m’aider? J’ai besoin d’aide.
14. Roger ne plus travailler. GRAMMATICA
D. Vertaal alle zinnen in je cahier de notes
EXERCICE 9: LIRE ET ÉCRIRE
Les phrases coloriées
Is het je opgevallen dat enkele zinnen in de vorige opdracht blauw zijn? In al deze zinnen zitten nog andere werkwoorden dan pouvoir en vouloir. Wat hebben deze 'andere werkwoorden' met elkaar gemeen? Weet je nog hoe je ze moet vervoegen?
EXERCICE 10: LIRE ET ÉCRIRE
Des légumes
A. In onderstaande tekst zijn sommige werkwoorden gekleurd. Neem deze werkwoorden over in het schema, zoek vervolgens het hele werkwoord, vertaal dit en daarna vertaal je het werkwoord uit de tekst. Kijk eerst naar het voorbeeld.
POURQUOI MANGER DES LÉGUMES ?
Tu connais sûrement cette phrase :
« Mangez cinq fruits et légumes par jour ! »
Ce slogan vient d’un programme en France, commencé en 2001. Son but ? Aider les gens à manger mieux pour être en meilleure santé.
Les légumes sont très bons pour ton corps.
Premier avantage : ils contiennent beaucoup de vitamines.
Tu as besoin de vitamines pour avoir de l’énergie !
Deuxième avantage : les légumes ont aussi des fibres et des minéraux. Cela aide ton corps à mieux digérer.
Bonus : certains légumes ont des antioxydants. C’est bon pour ta peau !
Mais attention ! Il faut bien choisir ses légumes.
Par exemple, une tomate d’été a plus de goût et de vitamines qu’une tomate d’hiver qui pousse sous une serre. Et fais attention aux pesticides, des produits chimiques mauvais pour la santé.
Conclusion : choisis des légumes de saison, si possible bio et cultivés près de chez toi.
Et si tu n’aimes pas les brocolis ou les épinards, pas de panique ! Il existe plein d'autres légumes. Tu vas sûrement trouver quelque chose de bon.
sous une serre · in een kas ils contiennent: ze bevatten goût · smaak les épinards spinazie
werkwoord tekst hele werkwoord vertaling hele ww vertaling ww tekst
1. mangez manger eten eten 2. 3.
Vul aan: In bovenstaand schema staan de regelmatige werkwoorden eindigend op , en de twee meest gebruikte onregelmatige werkwoorden, namelijk: en
Kun je deze werkwoorden vervoegen? ja een beetje nee
B. Lees onderstaande vragen en omcirkel het juiste antwoord. Markeer de zin of het zinsdeel in de tekst waar je je antwoord gevonden hebt.
1. Wat is het doel van het programma ‘Eet vijf stukken fruit en groente per dag’?
A. Meer groenten verkopen
B. Mensen helpen gezonder te eten
C. Nieuwe groentesoorten maken
2. Waarom houdt je lichaam van vitamines?
A. Ze geven energie
B. Ze helpen je slapen
C. Je haalt hogere cijfers
3. Wat is een tweede voordeel van groenten eten?
A. Je haren gaan meer glanzen
B. Je nagels groeien harder
C. Je kunt er beter door poepen
4. Wat is nog een extra voordeel van groenten?
A. je hoeft minder water te drinken
B. Ze maken je huid mooier
C. Je gaat ineens heel hard groeien
5. Waarom is een tomaat uit een kas minder goed?
A. Hij is nog groen
B. Hij is te duur
C. Hij is flauw van smaak
6. Wat zijn pesticiden?
A. Natuurlijke vitamines
B. Chemische producten die gebruikt worden bij het kweken
C. Pestkoppen
7. Wat is een goede manier om groenten te kiezen?
A. Groenten bij de buurman halen
B. Diepvriesgroenten nemen
C. Groenten van het seizoen kiezen, bij voorkeur biologisch en uit de buurt
8. Wat kun je doen als je geen fan bent van broccoli of spinazie?
A. Toch proberen die te eten
B. Andere groenten zoeken, er zijn er genoeg
C. De broccoli en spinazie pureren en dan opeten
C. Bekijk het filmpje en noteer zoveel mogelijk woorden die je begrijpt. Dit doe je in je cahier de notes
D. Teken vijf van jouw favoriete groenten en schrijf de Franse vertaling erbij. Dit doe je in je cahier de notes
Fix je MARCHE 12
A. Vul de juiste Franse woorden in, gebruik elk woord maar één keer. Kies uit:
mon chéri - fort - quel genreen train de - le début - la suite - le compteloin - j’espère - aucune
1. Je suis ............................................ lire un livre intéressant.
2. ............................................ que tu vas aimer le film.
3. ............................................ de l’histoire était très triste.
4. Attends ............................................ ! Ce n’est pas fini !
5. ............................................ m’a préparé un chocolat chaud.
6. Je n’ai ............................................ idée !
7. Tu as vu ............................................ Insta de Paul?
8. Elle habite très ............................................ de Paris.
9. C’est ............................................ de film?
10. Son père est très ............................................
B. Zet de volgende woorden op alfabetische volgorde en vertaal ze.
côté - fin - chérie - habitude - train - prèspremier - dernière - grosse - fort - jeune - loin
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
C. De volgende woorden zijn fonetisch geschreven. Lees ze hardop voor en schrijf er daarna het Franse woord + de vertaling achter.
1. zjun
2. pruhmjé
3. zjèspèr
4. lah swiet
5. for
6. dèrnjé
7. prèh
8. luh zja(n)ruh
9. lahbituud
10. ètruh a(n) trè(n) duh
11. luh kohtée
12 lah fè(n)
LEZEN
HALTE 12
Hieronder vertelt Violaine, een meisje uit de tweede klas, wat zij deze week eet op school. Lees de tekst en beantwoord de vragen.
Salut, je m’appelle Violaine! Je suis en cinquième, je vais au collège Robin à Vienne (département de l’Isère). C’est un collège sympa. À midi, on fait toujours une pause déjeuner d’une heure. Après il y a la récréation de 30 minutes. On mange à la cantine au ‘self’ et on s’amuse entre amis.
Entrée
Salade
Plat
Garniture
Produit laitier
Dessert
Lundi Mardi Jeudi Vendredi
Lundi Mardi Jeudi Vendredi
Oeuf dur à la mayonnaise
Salade à la Grècque
Beignets de calamars au citron
Poireaux béchamel
Radis houmous / betterave
Céléri rapé aux raisins
Steak haché de boeuf sauce bordelaise
Riz créole
Yaourt
Compote pommes et abricots
Fromage La vache qui rit
Corbeille de fruits
Melon
Taboulé à la menthe
Rôti de dinde sauce poivre
Purée de pomme de terre
Fromage frais
Tarte
Normande aux pommes
Pâté
Tomates
Poulet sauce moutarde
Courgettes au gratin
Emmental
Smoothie à l’ananas
orange et fruits rouges
Bien sûr, il y a toujours du pain avec le repas. Et comme boissons, il y a de l’eau plate ou de l’eau gazeuse et des jus de fruits. Tu aimes le menu? On mange équilibrée, c’est important pour la santé. Mais sssst…. Je préfère quand-même les pâtes à la sauce tomate ! �� Bon appétit et ciao !
LEZEN
Beantwoord de vragen.
1. Op welke dag staat er kip met mosterdsaus op het menu?
2. Welke vruchten zitten er in het toetje op maandag?
3. Op welke dag is het bijgerecht aardappelpuree?
4. Welk melkproduct is er op dinsdag?
5. Wat eet Violaine het liefst?
Points: / 5
SCHRIJVEN
A. Welke Franse woorden over eten en drinken kun je terugvinden in dit woordveld?
Schrijf ze over, met de Nederlandse vertaling erachter. (12 points)
tu, le garçon, la maison, la pomme, mes parents, au revoir, le lait, je ne comprends pas, je m’appelle, le sel, cinq, la baguette, seize, l’eau plate, vous, les pâtes, nous, la viande, devant, derrière, j’habite à, le gâteau, à droite de, la natation, le football, la petite-fille, la confiture, mon frère, l’oncle, la pêche, bleu, la fraise, la chaussure, soixante-quinze, lundi, avril, le fromage, combien, le chat.
Français
Néerlandais
B.
In de FIX-lijst van deze Marche staan weer veel nieuwe woorden. Houd ze goed in je achterhoofd bij deze opdracht.
Lees de Nederlandse zin met de Franse vertaling maar pas op, ergens in de Franse zin zit een fout. Kun jij de fout verbeteren? (10 points)
SCHRIJVEN
1. In het begin is Frans leren moeilijk. Aucune idée, apprendre le français est difficile.
2. Ik wil een cola, zoals gewoonlijk. Un coca, mon chéri.
3. Ik hoop dat de trein op tijd komt. Je suis en train de le train arrive à l’heure.
4. De vader van het jonge meisje is erg sterk. Le père de la grosse fille est très fort.
Verbeter de Franse zin
5. Tunesië is erg ver van Nederland. La Tunisie est près des Pays-Bas.
6. Zondag is de laatste dag van de week. Dimanche est le premier jour de la semaine.
7. Welk soort muziek vind jij het leukst? Tu préfères un compte Insta ou la musique?
8. Ik geef rozen aan mijn lieverd (vrouwelijk). Je donne des roses à mon chéri.
9. Het begin van het verhaal is verdrietig. Le côté de l’histoire est triste.
10. Het postkantoor is aan de andere kant van de straat. La Poste est en train de la rue.
C.
De werkwoorden pouvoir en vouloir zijn onregelmatig, maar gelukkig lijken ze toch veel op elkaar. Pouvoir heeft in het Nederlands twee betekenissen, namelijk kunnen en mogen. Vouloir heeft één betekenis: willen. Vertaal de volgende zinnen in het Frans en bedenk goed of je pouvoir of vouloir nodig hebt . (8 points)
SCHRIJVEN
1. Zij (vmv) kunnen Frans spreken.
2. Wil jij met mij naar de bioscoop gaan?
3. Wij mogen hier zwemmen.
4. Ik wil een nieuwe telefoon kopen.
5. Ik kan jouw sleutel gebruiken.
6. Jullie willen dinsdag werken.
7. Hij wil naar Amerika gaan.
8. Kunnen jullie Frans spreken?
Points: /30
Luister naar het geluidsfragment en omcirkel welk Frans woord wordt omschreven.
LUISTEREN
1. la tarte tatin
2. le jus de fruits
3. la banane
4. la poire
5. l’aubergine
6. la tomate
7. la salade
8. le poisson
9. l’huile d’olive
10. le sel
la baguette
le lait
la poire
la cerise
la pomme de terre
la soupe
l’oignon
le jambon
la farine
le sucre
le croissant
le thé
la pomme
le citron
le poivron
la carotte
le riz
les frites
le yaourt
le beurre
Points: /10
SPREKEN
Dit onderdeel doe je samen met een klasgenoot. De een is leerling A, de ander leerling B. Probeer het gesprek in het Frans te voeren, pas als je er echt niet meer uitkomt mag je op de achterkant even spieken.
Tip: Luister naar het voorbeeldgesprek bij Halte 12.
1. Hoi!
2. Wat eet je's ochtends? 3. En in de pauze?
4. En 's avonds? 5. Wat is je lievelingsfruit?
6. Wat vind je echt niet lekker?
8. En op school? 9. Lust je koffie? 10. Hou je van brood?
Points: / 11
1. Hoi!
4. Ik eet aardappelen, groenten en vlees / pasta / rijst / dat is altijd verschillend
2. 's Ochtends eet ik … / In 's Ochtends eet ik niets.
3. In de pauze eet ik …
5. Mijn lievelingsfruit is … 6. Ik hou niet van …
LEERLING A
7. Wat drink je's ochtends?
11. Bedankt voor dit gesprek!
8. Op school drink ik … 9. Ja, heerlijk! / Nee, bah! 10. Ja, lekker! / Nee, ik heb liever snoep.
LEERLING B
7. 's Ochtends drink ik …
11. Graag gedaan!
1. Salut [saluu]
4. Et le soir? [éeh luh swaar?]
8. Et à l’école, qu’est-ce que tu bois?
[éeh ah léekol, keskuh tuu bwah?]
1. Bonjour [bo(n)zjoer]
4. Je mange des pommes de terre, des légumes et de la viande / des pâtes / du riz / c’est toujours différent [zjuh ma(n)zj dèh pom duh tèr, dèh lée§uum éeh duh lah vianduh / dèh paat / duu rie / sèh toezjoer diefféera(n)]