Skip to main content

Formidable methode Frans VO Deel 1

Page 1


FORMIDABLE!

Cahier d’exercices pour apprendre le français - partie 1

0

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

11

MARCHE

PHRASES EN CLASSE EN SE PRÉSENTER

LES NOMBRES

LES PRONOMS PERSONNELS

LES PRÉPOSITIONS

LA FAMILLE

LES COULEURS ET LES VÊTEMENTS

LES DIZAINES

LES JOURS, LES MOIS, LES SAISONS

LES PRONOMS INTERROGATIFS

LES PRONOMS POSSESSIFS

NIEUW HERHALING

zinnen in de klas - leenwoorden werkwijze Formidable! - jezelf voorstellen

getallen - leren leren

persoonlijke voornaamwoorden lidwoorden

voorzetsels

familie - avoir (hebben) être (zijn)

kleding - kleuren - regelmatige werkwoorden op -er woordvolgorde -spellen

tientallen

dagen, maanden, seizoenen

vragende voornaamwoorden

bezittelijke voornaamwoorden aller (gaan)

dieren

sporten - kloktijden - faire (maken,doen)

persoonlijke voornaamwoorden getallen

persoonlijke voornaamwoordengetallen

voorzetsels - kleding en kleuren - getallen

voorzetsels

getallen

persoonlijke voornaamwoordengetallen - avoir en être kleuren - voorzetsels avoir en être - getallen

werkwoorden op -er voorzetsels - getallen

THEMA'S

ALFABET

opdr. 39 t/m 42

BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD

opdr. 72 t/m 74

BRIEFJE

opdr. 12, 13

DIEREN

opdr. 75 t/m 80

FAMILIE

opdr. 31 t/m 34

FRANKRIJK

opdr. 10, 18, 26, 37, 65, 66

GETALLEN

opdr. 14, 15, 17, 54, 55, 60, 70

JAARINDELING

opdr. 61, 62

KLEDING EN UITERLIJK

opdr. 48 t/m 51, 53, 56

LIDWOORDEN

opdr. 19, 20, 68

MUZIEK

opdr. 58, 59

PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD

opdr. 21 t/m 23, 28

SPORT

opdr. 63, 86 t/m 89

VOORKENNIS EN KENNISMAKING

opdr. 1 t/m 9

VOORSTELLEN

opdr. 46, 47, 57

VOORZETSELS

opdr. 24, 25, 52, 68

VRAGEND

VOORNAAMWOORD

opdr. 64

WERKWIJZE EN LEREN LEREN

opdr. 37, 38, 51, 71

KLEUREN KLOK

opdr. 81 t/m 85

blz 6 t/m 10 en 28 t/m 32

WERKWOORDEN

opdr. 27, 30, 44, 45, 67, 89

MARCHE 0

PHRASES EN CLASSE EN SE PRÉSENTER

OPDRACHT 1 T/M 10

In deze Marche ontdek je hoe je met Formidable! gaat werken. Je maakt kennis met leenwoorden en je leert jezelf voorstellen in het Frans. Wat ga je doen?

Oefeningen woordgroep 0

CHERS ÉLÈVES

WELKOM BIJ DE FRANSE LES!

Misschien denk je wel ‘Frans? Dat kan ik echt niet!’ of ‘Frans? Wat moet ik ermee?’

Misschien is dit de eerste keer dat je iets met de Franse taal te maken krijgt. Misschien ben je wel eens in Frankrijk of een ander land waar ze Frans spreken op vakantie geweest? Misschien heb je wel eens Frans gesproken? Of een Franse film of serie gezien? Of misschien ken je een Frans liedje?

Herken je de persoon of gebouwen hieronder? Je kent er vast wel één!

Schrijf de naam onder de foto:

LEENWOORDEN

Wist je dat alle talen leenwoorden kennen uit andere talen? Vooral wanneer talen met elkaar in contact komen, nemen ze woorden van elkaar over. De Nederlandse taal staat open voor Franse leenwoorden en bevat er veel. Franse leenwoorden zijn een bewijs van de invloed die Frankrijk op Nederland heeft (gehad). Nederlanders en Fransen hebben al eeuwenlang intensief contact met elkaar. Voorbeelden van leenwoorden zijn: restaurant, trottoir, affaire, toilette, amateur, coureur, populair.

Ken jij er nog meer?

Schrijf er minimaal vijf op in dit vak:

WERKWIJZE

WERKWIJZE FORMIDABLE!

Dit schooljaar gaan wij aan de slag met vier verschillende vaardigheden : luisteren, spreken, lezen en schrijven.

Je gaat jezelf aan anderen voorstellen, vragen stellen, vertellen waar je woont enz. Er zullen onderwerpen behandeld worden zoals familie, school en sport. Tijdens de lessen gaan we veel Franse filmpjes bekijken en liedjes luisteren. Én je docent Frans zal op een gegeven moment alleen nog maar Frans praten tijdens de lessen. Zelfs het huiswerk opgeven gaat in het Frans!

IMPORTANT!!

Dit werkboek neem je dus elke les mee. Verder ook je 2-in-1-schrift: een aantekeningen- en een vocabulaireschrift (cahier de notes et cahier voca). Alle digitale onderdelen vind je via de ELO.

Wat moet je nu eigenlijk met dat 2-in-1-schrift doen? Nou, dat is heel simpel. Je docent spreekt op een gegeven moment alleen nog maar Frans tijdens de les. Hij of zij zal de nieuwe woorden (en dat zijn er in het begin heel veel…) voor je opschrijven en die woorden neem je over in je ‘Cahier voca’ met daarbij de vertaling zodat je de woorden kunt gaan leren. Hier zie je een voorbeeld:

Met dank aan Nynke, Lotte en Eva-Lin

Ook zal je docent soms iets uitleggen van grammatica of je gaat bijvoorbeeld bingo spelen. En dat doe je allemaal in je cahier de notes. Zorg dat de aantekening die je maakt altijd een titel heeft! Zo kun je het makkelijk terugvinden. Hier zie je een voorbeeld:

KIES JE EIGEN

ONDERWERP!

Jij bepaalt mee waar de Franse les over gaat . Welke onderwerpen vind jij boeiend om te behandelen? Wil je iets weten over de Franse Revolutie of ben je benieuwd wie de Eiffeltoren ontworpen heeft? Of misschien wil je meer weten over het zonnestelsel? Of over de Tweede Wereldoorlog? Of waarom mensen slimmer zijn dan dieren? Of waarom voetballers zoveel verdienen? Je kunt het niet bedenken of je docent kan er wel een filmpje over vinden! Voor ideeën kun je kijken op de site www.1jour1question.fr

Dus bedenk een onderwerp, schrijf het op een blaadje, maak er een propje van (of vouw het netjes op ) en doe het in de boîte surprise (je docent heeft een digitale of een echte boîte). Met je docent spreek je af wanneer jullie de ‘boîte’ gaan doen. Dit kan natuurlijk op een vast moment maar ook wanneer er bijvoorbeeld tijd over is.

SYMBOLEN

In dit boek zitten allerlei symbooltjes verstopt. Deze geven een activiteit aan. De symbooltjes worden steeds uitgelegd. De eerste die je tegenkomt is deze:

Zodra je dit symbool ziet ga je een bingo doen.

MARCHES EN HALTES

Formidable! is verdeeld in hoofdstukken. Die heten Marches. Elke Marche sluit je af met een Halte. Die bestaat uit vier soorten opdrachten. Als je je huiswerk hebt gedaan – in het boek en online - en alles hebt begrepen, dan kun je die opdrachten van de Halte zonder problemen maken.

Waarom zijn mensen slimmer dan dieren?

ONLINE, VIA DE ELO, VIND JE ALLE

DIGITALE ONDERDELEN VAN FORMIDABLE!:

DE FILMPJES, DE OEFENINGEN EN ALLERLEI

LUISTERFRAGMENTEN.

ONLINE KIES JE EERST DE JUISTE MARCHE.

DAAR VIND JE ALLES WAT ER BIJ HOORT.

ALS JE DIT ICOONTJE ZIET, KUN JE

LUISTEREN NAAR HOE AUDIO ANNE HET UITSPREEKT.

EN ALS JE DIT ICOONTJE ZIET, KUN JE OEFENEN MET GRAMMATICA.

BIJ DIT ICOONTJE KUN JE OEFENEN MET DE WOORDGROEP.

JE DOCENT VERTELT JE WELKE OEFENINGEN JE WANNEER MOET MAKEN. VOORDAT JE AAN EEN HALTE BEGINT, MOET JE ONLINE ALLES HEBBEN GEDAAN.

WAT WIL JE LEREN?

Je gaat dus de Franse taal leren, maar jeetje… ‘even’ een taal leren, dat valt niet mee. Dus we beginnen bij het begin en dan gaan we de taal stap voor stap uitbreiden.

Over welke dingen zou jij in het Frans iets willen kunnen vertellen / iets willen leren? (denk aan bepaalde woordgroepen of aan bepaalde situaties) Schrijf ze op:

Hopelijk staan er een paar dezelfde onderwerpen van jouw lijstje in de inhoudsopgave. Kijk maar eens bij de inhoudsopgave, daar kun je zien wat je allemaal gaat leren. En dat is veel! En toch zal je al snel merken dat het best makkelijk gaat, maar daarvoor moet je wel heel goed dit werkboek, je ‘cahier voca’ én je ‘cahier de notes’ bijhouden! Heel veel succes!

C’EST PARTI!

OPDRACHTEN

OPDRACHT 1: SCHRIJVEN

La France

Schrijf in onderstaande woordballonnen woorden die met de Franse taal en cultuur te maken hebben. Denk aan: eten, sport, bekende personen, landen, steden, geschiedenis, monumenten. Als je niks meer weet dan spiek je even op je schrift

OPDRACHT 2: LEZEN EN SCHRIJVEN

Au collège

In onderstaand verhaaltje vind je minstens 27 Franse leenwoorden. Kun jij ze allemaal vinden? Schrijf ze onder het verhaaltje op.

Naar de middelbare school

Soof en Noor zitten sinds kort op de middelbare school. Hun school heet ‘Het Bossche college’. Ze zijn vanochtend vroeg op de fiets vertrokken. Toen Soof op haar horloge keek, kwamen de sturen in elkaar en belandden de twee vriendinnen op het trottoir. De fiets van Soof lag over Noor heen en er zat een gat in Noors maillot en ook haar bril was kapot. Soof besloot direct de ambulance te bellen. Toen die arriveerde, bleek het gelukkig mee te vallen. Eenmaal op school werden de twee opgevangen door de conciërge die met een prachtig Bosch accent sprak. Toen gingen ze naar de eerste les. Ze keken naar een documentaire over het ontstaan van een heel chic restaurant. Noor moest aantekeningen maken, maar door de val was haar etui uit haar tas gevallen. Bij de tweede les moesten ze naar een uitzending kijken over de premier van

Noteer de leenwoorden hier onder:

Frankrijk. De derde les was heel interessant, het ging over een journalist in Amerika die erg veel leerde van zijn stagiaire.In de pauze dronken ze een glaasje jus d’orange en daarna moest Soof naar het toilet. Het vierde uur hadden ze Nederlands van een beetje een raar type. Het vijfde uur hadden ze Frans op de tweede etage. Tijdens die les kwam een bakker op visite; hij deelde heerlijke croissants uit. Daarna waren ze uit, want de leraar van het zesde en zevende uur was absent. Eenmaal thuis vertelden ze het verhaal aan de ouders van Noor. Zij besloten allereerst naar de opticien te gaan om Noors bril te laten maken. In de avond werd Soof uitgenodigd om te komen gourmetten.

Enfin, een bijzondere dag voor Noor en Soof.

Zo, de eerste 27 Franse woordjes ken je al

OPDRACHT 3: LUISTEREN EN SCHRIJVEN

Des mots drôles

De tien gekste Franse woorden: Bekijk het filmpje en schrijf de betekenis achter de woorden.

la fac drôle

une boîte le caoutchouc un phoque

une chauve-souris un cerf-volant

un pamplemousse

le brouhaha

un pet

OPDRACHT 4: LEZEN EN SCHRIJVEN

Chercher des mots

In de woordzoeker zitten 19 Franse leenwoorden verstopt. Kun jij ze allemaal vinden?

OPDRACHT 5: LUISTEREN EN SCHRIJVEN

Je suis

Eerst bekijk je het filmpje

Vul nu de volgende gegevens van jezelf in, plak er een foto bij of teken jezelf in het rondje:

FICHE D’IDENTITÉ

Date de naissance

Lieu de naissance

Nationalité

Domicile

Numéro de téléphone

Couleur des cheveux (haren)

Couleur des yeux (ogen)

bruns blonds noirs roux bleus marron gris verts

TIP: HIERONDER VIND JE DE MAANDEN IN HET FRANS.

janvier, février, mars, avril, mai, juin, juillet, août, septembre, novembre, décembre

OPDRACHT 6: LUISTEREN, SCHRIJVEN EN PRATEN

En classe

Frans praten tijdens de les. Ik? Ja, jij!

De volgende zinnetjes ga je al snel leren én toepassen tijdens de les. Om je te helpen, hebben we de manier waarop je het uitspreekt (fonetisch) achter de zinnen gezet; het ziet er even raar uit, maar het werkt wel

De Fransen kennen onze ‘zachte g’ niet, zij spreken die uit zoals in het woord ‘goal’. Voor deze klank spreken we het volgende symbool af in dit boekje: §. Dus garage in fonetisch schrift = §araazjuh.

Het is best raar als je een andere taal gaat spreken, maar door veel te oefenen wen je er snel aan!

Online, bij Audio Anne, kun je onderstaande zinnen beluisteren. Dat is extra handig om de uitspraak nog beter te leren!

Opdracht: Lees de zinnen hardop en schrijf de vertaling eronder:

Bonjour Salut

JE BEGROET IEMAND

Bonjour / Salut

bo(n)zjoer / saluu

Ça va? sa va?

Ça va bien, merci. sah vah bjè(n), mersie

Au revoir! oh ruhvwaar!

AUDIO

JE BEGRIJPT IETS NIET

J’ai une question. zjeeh uun kestio(n)

Je ne comprends pas. zjuh nuh ko(m)pra(n) pah

JE HEBT EEN MEDEDELING

J’ai oublié mon cahier. zjeeh oebliejée mo(n) kajéeh

Je peux aller aux toilettes? zjuh peu allée ooh twalet?

Je peux prendre mon portable? zjuh peu pra(n)druh mo(n) portabluh?

De zinnen van de docent: schrijf de vertaling achter de zinnen.

DE DOCENT BEGROET

Bonjour tout le monde!

Comment ça va? Vous allez bien?

DE DOCENT GEEFT TAKEN

Prenez vos cahiers!

Ouvrez vos cahiers!

DE DOCENT GEEFT TAKEN

Les devoirs (agenda / plenda)!

Séparez vos tables!

Silence!

Écoutez!

Regardez le tableau!

Tu peux ouvrir la fenêtre?

Tu peux éteindre la lumière?

Tu peux allumer la lumière?

Tu peux fermer la porte?

Bonjour

Salut

Ça va?

Ça va bien, merci.

Au revoir!

J’ai une question.

Je ne comprends pas.

J’ai oublié mon cahier.

Je peux aller aux toilettes ?

Je peux prendre mon portable?

Comment tu t’appelles?

Je m’appelle

Quel âge as-tu?

J’ai douze/treize ans.

Où habites-tu?

J’habite à …

TIP: misschien hangt er een poster in het klaslokaal met een aantal van deze zinnen. Vraag er anders om bij je docent!

Hallo

Hoi

Hoe gaat het?

Het gaat goed, dank je Tot ziens!

Ik heb een vraag.

Ik begrijp het niet.

Ik ben mijn cahier vergeten.

Mag ik naar het toilet gaan?

Mag ik mijn telefoon pakken?

Hoe heet je?

Ik heet

Hoe oud ben je?

Ik ben twaalf/dertien jaar.

Waar woon je?

Ik woon in …

bo(n)zjoer

saluu

sa va

sah vah bjè(n), mersie oh ruhvwaar!

zjeej uun kestio(n)

zjuh nuh ko(m)pra(n) pah

zjeeh oebliejée mo(n) kajée

zjuh peu allée ooh twalet?

zjuh peu pra(n)druh mo(n)

téeléefon?

komma(n) tuu tappèl?

zjuh mappèl

kèl aazjuh ah tuu?

zjeej doeza(n) oe abiet tuu?

zjabiet ah

Woordgroep

OPDRACHT 7: LUISTEREN EN SCHRIJVEN

Bonjour

Kijk zo vaak als nodig is naar het filmpje Vertaal dan de woorden op de volgende bladzijden.

UNE JOURNÉE À L’UNIVERSITÉ

1. Salut

2. Bonjour

3. Tu vas bien?

4. Oui, et toi?

5. Ça va!

6. Bonjour monsieur

7. Bonjour mademoiselle

8. Comment allez-vous?

Bonjour madame Ça va?

9. Bien, merci

10. Et vous?

11. Très bien

12. Bonne journée

13. Bonjour madame

14. Ça va?

15. Oui madame, et vous?

16. Ça va très bien, merci

17. Au revoir

18. À demain

19. Bonjour, salut

20. Vous allez bien?

21. Oui, ça va, et toi?

22. Oui, ça va

23. Bon, j’y vais

24. Au revoir tout le monde

25. Bonne soirée

OPDRACHT 8: LUISTEREN EN SCHRIJVEN

Poser des questions

Nu weet je hoe je iemand in het Frans kunt begroeten. In het volgende filmpje ga je leren hoe je vraagt naar iemands naam, leeftijd en woonplaats.

Noteer de betekenis achter de zinnen:

Comment tu t’appelles?

komma(n) tuu tappèl?

Je m’appelle

zjuh mappèl

Quel âge as-tu?

Kèl aazjuh ah tuu?

J’ai … ans

zjeeh ... a(n)

Où est-ce que tu habites? / Où habites-tu?

oe eskuh tuu abiet? / oe abiet tuu?

J’habite à

zjabiet ah

Au revoir

ooh ruhvwaar

À la prochaine

ah lah prosjèn

Salut

saluu

À bientôt

ah bjè(n)toh

OPDRACHT 9: LUISTEREN, SCHRIJVEN EN PRATEN

Parler avec une camarade de classe

DE EERSTE KENNISMAKING

Je gaat een gesprekje voorbereiden met een klasgenoot. Luister naar het voorbeeld van Audio Anne. Schrijf eerst de vertaling van de zinnen op de stippellijntjes en daarna de antwoorden op de vragen.

Vertaling Nederlands Antwoord Frans

Bonjour

bo(n)zjoer

Ça va?

sah vah?

Comment tu t’appelles?

komma(n) tuu tappèl?

Quel âge as-tu?

kèl aazjuh ah tuu?

Tu habites où?

tu aabiet oe?

Au revoir!

ooh ruhvwaar!

OPDRACHT 10: LUISTEREN EN SCHRIJVEN

Paris

De hoofdstad van Frankrijk is natuurlijk

Bekijk het volgende filmpje en noteer de vijf genoemde bezienswaardigheden in deze prachtige stad. Bij iedere bezienswaardigheid wordt iets verteld. Als je iets aan informatie begrijpt schrijf het er dan bij!

1.

2.

3.

4.

5.

Voordat je aan

Halte 0 begint, maak je eerst de online opdrachten. Dan is die Halte een makkie. ��

AUDIO ANNE

HALTE 0

Dit is je eerste Halte. Je maakt na iedere Marche een Halte. Daarin kun je controleren of je de Marche goed begrepen hebt. In iedere Halte doe je vier dingen: lezen, schrijven, luisteren en spreken. Veel succes!

Lees onderstaand tekstje en markeer de woorden die je kent (het mogen leenwoorden zijn, maar ook woorden die je misschien herkent uit het Engels of een andere taal).

Aujourd’hui, c’est un jour spécial ! Je vais à l’école, appelée le “collège”.

Je marche sur le trottoir et je regarde les voitures passer. Oh regarde ! Une ambulance! Après les cours, j’ai une visite chez l’opticien. Je choisis des lunettes avec une monture colorée. Ensuite, papa et moi, allons au restaurant pour dîner. Nous commandons un café, un thé et des macarons pour le dessert, c’est délicieux !

Après le dîner, nous rentrons chez nous et prenons une douche. Ensuite, nous regardons un documentaire sur les animaux à la télévision.

En… hoeveel woorden heb je gemarkeerd?

Noteer het hier:

LEZEN

SCHRIJVEN

Je schrijft je in op een camping in Frankrijk. Je ouders spreken geen Frans, dus jij moet het formulier invullen.

Points: / 6

Formulaire d’inscription camping LE MERLE ROUGE

Nom :

Prénom :

Nombre de personnes :

Nationalité :

Domicile :

Numéro de téléphone :

LUISTEREN

A. Luister naar het fragment en omcirkel wat de docent zegt. (8 points)

1. Prenez vos cahiers! Ouvrez vos cahiers!

2. Séparez vos chaises! Séparez vos tables!

3. Les devoirs! Les trottoirs

4. Silence! Écoutez!

5. Tu peux ouvrir la fenêtre? Tu peux offrir la fraise?

6. Regardez le tableau! Regardez les tables!

7. Tu peux éteindre la lumière? Tu peux allumer la lumière?

8. Tu peux fermer la porte? Tu peux fermer la fenêtre?

Points: / 16

Tip: De luisterfragmenten vind je online bij Halte 0.

B. Vertaal hieronder de zinnen die je had omcirkeld. (8 points)

SPREKEN

Dit onderdeel doe je samen met een klasgenoot. De een is leerling A, de ander leerling B. Probeer het gesprek in het Frans te voeren, pas als je er echt niet meer uitkomt mag je op de achterkant even spieken.

Luister naar het voorbeeldgesprek.

Deze staat online bij Halte 0.

Points: / 11

Noteer hier je score van élève B, je mag natuurlijk vaker oefenen voordat je de score invult!

1. Hallo! 2. Hoe gaat het? 3. Ik heb een vraag.

LEERLING A

4. Hoe heet je? 5. Hoe heet je? 6. Hoe oud ben je?

7. Waar woon je?

8. Ik heb een probleempje …

9. Ik heb mijn telefoon vergeten.

10. Ik heb mijn werkboek bij me.

1. Hoi 2. Het gaat goed, dank je. 3. Oké.

11. Fijne dag nog.

4. Ik begrijp het niet, wil je het herhalen? 5. Ik heet … 6. Ik ben … jaar oud

LEERLING B

7. Ik woon in …

8. Ooh? 9. Ik ook!

10. Ik ook!

11. Jij ook, tot morgen!

1. Bonjour [bo(n)zjoer]

4. Comment tu t’appelles ?

[komma(n) tuu tappèl ?]

8. J’ai un petit problème…

[zjéeh u(n) puhtie problèm]

1. Salut [saluu]

4. Je ne comprends pas, tu veux répéter ?

[zjuh nuh ko(m) pra(n) pah, tuu veu réepéetée ?]

8. Ooh ? [ooh?]

2. Ça va ? [sa va?]

5. Comment tu t’appelles ?

[komma(n) tuu tappèl ?]

9. J’ai oublié mon portable

[z]jéeh oebliejée mo(n) portabluh]

2. Ça va bien, merci. [sa va bjè(n), mersie]

5. Je m’appelle … [zjuh mappèl …]

9. Moi aussi ! [mwah oossie !]

3. J’ai une question.

ÉLÈVE A

[zjéeh uun kestjo(n)]

6. Quel âge as-tu ?

7. Où habites-tu ?

[kèl aazjuh ah tuu?]

10. Mais j'ai mon cahier d'exercices.

[mèh zjéeh mo(n) kahjée dèkzèrsies]

3. OK [oohkée]

6. J’ai onze/douze/treize ans

[zjéeh o(n)zuh/doezuh/ trèzuh a(n)]

10. Moi aussi !

[oe abiet tuu?]

11. Bonne journée ! [bon zjoernee]

[mwah oossie !]

ÉLÈVE B

7. J’habite à … [zjabiet ah …]

11. Toi aussi, à demain !

[twah oossie, ah duhmèn !]

MARCHE 1 LES NOMBRES

OPDRACHT 11 T/M 17

Wat ga je doen?

In deze Marche ontdek je welke manier van leren het beste bij je past. Je leert de getallen en je maakt kennis met de FIX.

Oefeningen FIX 1 - 20 FN

Oefeningen FIX 1 - 20 NF

Oefeningen woordgroep 1: les nombres

FREQUENTIE INDEX: ACHTERIN DIT BOEK

Naast je eigen ‘cahier voca’ ga je ook de ‘frequentie-index’ leren. Dit is een lijst (vandaar index) van de 1.200 meest voorkomende (vandaar frequentie) woorden in de Franse taal. Gemiddeld kent een volwassene 42.000 (!) woorden. Maar met behulp van de eerste 1.200 woorden kun je jezelf al prima redden in een Franstalig land.

Het is de bedoeling dat je deze woorden allemaal gaat leren in de onderbouw (440 woorden per jaar, ongeveer 10 per week). In het begin zul je merken dat het leren van de woorden heel lastig is. Dat komt omdat je ze dan nog niet echt in een zin kunt plaatsen. Gelukkig zul je merken dat je na een paar maanden Franse les steeds makkelijker de woorden gaat leren én onthouden! Dus even doorbijten en daarna wordt het makkelijker! Je overlegt met je docent hoeveel woorden haalbaar zijn, dat ligt er ook aan hoeveel uur je per week Frans hebt en op welk niveau je zit.

Je zult al snel merken dat het leren van deze woorden erg nuttig is, om de simpele reden dat ze gewoon heel veel (frequent) voorkomen! Dus het meest gebruikte woordje staat op nummer 1! Welk woord zou dat zijn denk je?

Schrijf het hier op:

Zoek nu achter in je werkboek op of je het goede woordje te pakken had.

LEREN LEREN

Wat is eigenlijk leren? Heel kort samengevat: het opnemen van informatie en het ophalen van informatie. Hoe doe je dat?

Iedereen heeft een andere manier om woorden te leren, dus je zult moeten ontdekken wat het beste bij jou past!

Online vind je onder het kopje ‘Leren leren’ tips over hoe je makkelijk leert. Bekijk filmpje A , B, C en D en gebruik de voor jou fijnste tips!

Als je de woordjes eenmaal geleerd hebt, is het dus heel belangrijk dat je ze overhoort (of laat overhoren). Dit kan iemand in je omgeving doen, maar er zijn natuurlijk ook programma’s zoals StudyGo, Wozzol of Quizlet én de woorden staan allemaal online in de begrippentrainer.. Kies de methode die jij fijn vindt! Één ding is zeker: woordjes leren kost tijd, dus begin op tijd!!!

Hieronder zie je een voorbeeld uit de ‘frequentie-index’ (we korten dit voortaan af met FIX), die je achterin dit werkboek kunt vinden.

VIER KOLOMMEN

De woordenlijst is anders dan je gewend bent; hij bestaat namelijk uit vier kolommen:

HET FRANSE WOORD DE BETEKENIS RUIMTE VOOR EEN EZELSBRUG DE UITSPRAAK / BETEKENIS le vent de wind ventilator luh va(n)

In de derde kolom kun je dus een woordassociatie (je koppelt het Franse woord of de Franse klank aan een Nederlands woord) opschrijven. Maar je mag daar natuurlijk ook de betekenis van het woord opschrijven (doe dat pas als je zeker weet dat je het woord kent!). Hieronder zie je een paar voorbeelden:

beaucoup veel veel koeien bokoe qui wie kiwi kie dans in dansende koeien da(n) in de kamer mais maar maar dat is een grote mèh maiskolf!

nous wij Anouk en ik noe dire zeggen een dier kan niks zeggen dier drôle grappig dat is grappig, er ligt een drol drol op bed fenêtre raam een raam bij de venster- fuhnètruh bank

Het werkt voor veel mensen heel goed om de ezelsbruggetjes te visualiseren, dus voor je te zien. Dat werkt bij iedereen anders. Onze illustrator Maartje had dus dit in haar hoofd:

Om er zeker van te zijn dat je alle woordjes die je wilt visualiseren onthoudt, is het handig om beelden te nemen die je al kent. Bijvoorbeeld je kamer, je huis of de route van huis naar school. Op die route kies je locaties (je hersenen onthouden die heel goed, omdat ze die al kennen), en op iedere locatie plaats je het woord of de associatie die je moeilijk kunt onthouden. Doordat je je kamer, je huis of de route goed kunt inbeelden, kun je later de woorden makkelijker ‘ophalen’. Je kunt dus een woord op een logische plek neerleggen (b.v. stylo = pen) op je bureau, of stylo op stoel (omdat ze beiden met st beginnen). Wat jij fijn vindt!

Hier zie je een voorbeeld van de huiskamer van Jill, een meisje dat dit heeft uitgeprobeerd. Ze kende binnen één minuut zeven nieuwe woorden!

gezicht op tv dit is in haar kamer de boekenkast

luie stoel voor de tv dit is haar keuken, daar staat haar glas

dit is haar bureau, pen en computer

dit is haar huis

Probeer het nu zelf maar eens!

TEKEN HIERBOVEN JE KAMER, JE HUIS OF EEN ROUTE. BEPAAL VAN TEVOREN HOEVEEL DINGEN JE WILT ONTHOUDEN. TEKEN BIJVOORBEELD JE BUREAU OF JE

STOEL MET DAAROP HET WOORD ’STYLO’. KIES NOG EEN

PAAR NIEUWE WOORDEN (MINIMAAL VIJF) UIT DE FIX DIE JE MOEILIJK LIJKEN OM TE LEREN EN ZET ZE IN JE TEKENING OP DE VOOR JOU LOGISCHE PLEKKEN. VERZIN ER IETS BIJ WAARDOOR JE HET WOORD BETER KUNT ONTHOUDEN. HOE GEKKER, HOE BETER JE HET KUNT ONTHOUDEN!

ALS JE DIT EEN FIJNE MANIER VINDT, DAN KUN JE DIT TOEPASSEN BIJ HET LEREN VAN WOORDEN. EZELSBRUGGETJES VISUALISEREN MAG OOK NATUURLIJK, ALS JE HET MAAR ONTHOUDT!

KIES JE VOOR TEKENEN DAN HOEF JE HIERVOOR HELEMAAL NIET ZO MOOI TE KUNNEN TEKENEN, HET DOEL IS DAT JE DE WOORDEN BETER ONTHOUDT. JE HOEFT DIT OOK NIET VOOR ALLE WOORDEN TE DOEN, MAAR MISSCHIEN ALLEEN VOOR DE WOORDEN DIE JE STEEDS VERGEET.

Je zult merken dat je de woorden steeds beter kunt onthouden omdat je de Nederlandse woorden waaraan je het Franse woord of de Franse klank koppelt al kent of omdat je de woorden in een voor jou bekende ruimte plaatst.

Superhandig, maar wel veel werk. Dit is natuurlijk ook niet verplicht, maar voor sommige leerlingen werkt dit gewoon heel fijn. Vaak ook voor leerlingen met dyslexie.

Dus de derde kolom kun je gebruiken hoe jij wilt, met of zonder ezelsbrug, met of zonder tekening.

Nog iets: wat sommige leerlingen ook heel fijn vinden is het woord tekenen met daaronder de betekenis.

Én als je tijdens de toets het woord niet kunt ‘ophalen’ dan kun je altijd nog de ABC-truc toepassen. Je gaat dan alle letters van het alfabet langs en heel vaak schiet het woord je dan te binnen! Succes!

OPDRACHT

11: LEZEN EN MARKEREN

Chercher dans un texte

Bekijk eerst het filmpje. Het filmpje is gemaakt door Zwaan uit de tweede klas.

Pak de eerste twee bladzijdes van de FIX erbij. Je docent doet het even voor, daarna ga je zelf aan de slag!

Ga naar de site: 1jour1actu.com en zoek een artikel waarin je geïnteresseerd bent. Het artikel ga je selecteren en vervolgens plak je het in een Word-bestand (crtlC --> crtlV) en print je het en plak je het in je cahier de notes

Dan klik je in Word op CTRL+F (met deze functie kun je woorden zoeken in een tekst). Nu ga je de woorden van de eerste twee bladzijdes van de FIX steeds intypen en de woorden die je vindt markeer je op je geprinte tekst die in je cahier de notes zit. Als het goed is, zijn het er heel veel! En daarom is het dus zo belangrijk om de FIX goed te leren!

Hoeveel woorden heb je in totaal gemarkeerd?

TIP: KIJK ONLINE BIJ HANDIGE FILMPJES HOE JE ACCENTJES TYPT.

OPDRACHT 12: LEZEN EN SCHRIJVEN

Une lettre

Lees eerst het briefje en beantwoord daarna de volgende vragen.

Bonjour!

près de · dichtbij préféré · lievelings-

Comment vas-tu? Moi, ça va bien. Je vais me présenter: Je m’appelle Luc, j’ai 13 ans et j’habite à Paris, tout près de la tour Eiffel. Paris est la capitale de la France. A Paris il y a deux grands stades: le Parc des Princes et le Stade de France. J’aime jouer au foot, mon footballeur préféré est Antoine Griezmann.

Vrai (waar) of faux (niet waar)

1. Het gaat slecht met Luc.

2. Hij woont dichtbij de Eiffeltoren.

3. Parijs heeft drie grote stadions.

Sa date de naissance est le 21 mars 1991, il a donc 35 ans. Son lieu de naissance est Mâcon (centre-est de la France). Il est petit. Il a les cheveux bruns et les yeux bleus. J’aime aussi parler anglais. Et toi, tu aimes le foot aussi ?

Au revoir, Luc Moreau

4. Antoine Griezmann is geboren in het Westen van Frankrijk.

5. Antoine Griezmann is groot.

6. Antoine Griezmann heeft bruin haar en groene ogen.

7. Luc vraagt op het einde of je mee gaat voetballen.

8. Hij sluit de brief af met ‘tot morgen’.

Je m’appelle Luc, j’ai 13 ans et j’habite à Paris, tout près de la tour Eiffel.
AUDIO ANNE
VRAI / FAUX

OPDRACHT 13: SCHRIJVEN

Réagir à une lettre

En nu jij! Schrijf een briefje terug aan Luc. Vertel daarin wie je bent, hoe oud je bent en waar je woont. Vertel hem ook waar je van houdt.

OPDRACHT 14: LUISTEREN, PRATEN, ZINGEN EN SCHRIJVEN

Les nombres

Bekijk het filmpje en schrijf de getallen voluit.

OPDRACHT 15: SCHRIJVEN

Écrire

A. Schrijf de volgende getallen in cijfers.

trois quatre  vingt  douze  six

neuf  dix-neuf  deux  quinze  cinq

seize  huit  zéro  dix-sept

B. Schrijf de getallen in het Frans uit:

C. Schrijf de uitkomsten in letters op , in het Frans uiteraard :)

cinq + quatre  deux – deux

douze + six treize + trois

quinze – quatre  dix-huit – quatorze

cinq + cinq sept + six

huit + douze dix-neuf – dix

D. Schrijf de getallen voluit in de afbeelding hieronder:

OPDRACHT 16: PRATEN

Compter

Tel in het Frans van 1 tot 20 en weer terug van 20 tot 1. Doe dit net zo vaak totdat je het zonder nadenken kunt.

WOORDGROEP 1

OPDRACHT 17: LUISTEREN

Une fleur

Teken een bloem in je cahier de notes (6 blaadjes).

In de blaadjes schrijf je getallen tussen 0 en 20. Je docent noemt de getallen op, en français bien sûr!! Bonne chance!!

Verderop in het cahier d’exercices zie je regelmatig deze afbeelding:

Zodra je een bloemetje ziet vraag je of je docent een BINGO wil doen, goed opletten dus!

Fix je MARCHE 1

A. Geef het Nederlandse woord en vertaling ervan dezelfde kleur.

ik ben ne…plus ik heb avec j’ai si qui en met et als-of niet ne…pas niet meer wie je suis

B. Lees de zinnen en vul het juiste Franse woord in. Het te vertalen woordje is vetgedrukt.

Je suis grand.

Lucie Isa vont à l’école.

Je suis petit. table est grande. un chat. garçons jouent au foot. une glace.

C’est fille sympa. grand.

Le vélo maman.

Je crois tu as raison. garçon est petit. tu veux, on peut danser.

Danse moi!

C’est beau garçon. va bien. dis-tu?

Je vais Paris. pourquoi tu fais ça ?

Ik ben niet groot

Lucie en Isa gaan naar school.

Ik ben niet meer klein.

De tafel is groot.

Ik heb een kat.

De jongens spelen voetbal.

Ik zou graag een ijsje willen.

Dat is een leuk meisje.

Ik ben groot.

De fiets van mama.

Ik geloof dat je gelijk hebt.

De jongen is klein.

Als je wil, kunnen we dansen.

Dans met mij!

Dat is een knappe jongen.

Het gaat goed.

Wat zeg je?

Ik ga naar Parijs. Maar waarom doe je dat?

J’aime ! est là?

Je demande c’est permis. un restaurant ici.

Très !

J’ai un cadeau toi.

Je suis Paris.

Je veux danser toi.

Ik vind dat leuk!

Wie is daar?

Ik vraag of het mag.

Er is een restaurant hier.

Heel goed!

Ik heb een cadeau voor jou.

Ik ben in Parijs.

Ik wil met jou dansen.

C. De volgende woordjes hebben in het Frans allemaal vier letters. Schrijf ze op de juiste plek, gewoon van links naar rechts. Van ieder woord krijg je één letter cadeau. maar - goed - met - voor - zijn

D. Maak de woordjes compleet. wie met en maar

Si tu as fait les exercices en ligne et cette Marche sérieusement, alors cette Halte sera très facile. �� 20 21 22 23 24 25 26 27

ik zou graag willen als mij er zijn goed dat u a e s j v d i o i y n a p i i c

HALTE 1

Lees onderstaand verhaaltje en vul een passend FRANS woord in. Gebruik woorden uit FIX 1 t/m 20. Let op, sommige woorden mag je meerdere keren gebruiken.

LEZEN

Voor de eerste keer naar de middelbare school.

Points: / 30

Guus Fatma gaan voor de eerste keer naar de middelbare school. Ze wonen allebei Haarlem en ze kennen elkaar van de basisschool. Guus vindt het leuk om nu een middelbare scholier te zijn. Fatma vindt het ook leuk, ze vindt het ook wel spannend! Ze zitten gelukkig bij elkaar in de klas dus ze gaan vast veel plezier beleven. De eerste schooldag fietsen ze samen naar school, Guus heeft een klein cadeautje Fatma; een stressbal. Op school aangekomen ontmoeten ze leraar Frans en lerares Nederlands, omdat zij mentoren zullen dit schooljaar. In de klas 25 leerlingen; 12 jongens 13 meisjes. Tijdens deze kennismakingsdag gaan leerlingen een spel doen. Het spel heet: ‘Alles gaat’. De bedoeling is dat je iemand speelt die je nog kent.

Guus speelt het spel Lucas, ze kennen elkaar al een beetje van de voetbalclub. Fatma speelt het spel met meisje, het meisje heet Zoë. Ze hebben meteen een klik. Zoë vraagt aan Fatma: ‘ je wil kun je na school met naar gitaarles gaan.’ Fatma antwoordt: ‘ lijkt me erg leuk, ik app mijn moeder even het mag.’

Fatma gaat naar Guus en ze vertelt hem ze met Zoë gitaarles gaat.

Guus snapt het dus Fatma stelt Zoë aan Guus voor. Guus vraagt haar waar ze gitaarles heeft. Zoë zegt: ‘ Santpoort, bij studio La Guitare.’ Guus zegt: ‘Dat is toevallig, dat is de studio mijn vader!’

De drie fietsen samen naar huis en ze gaan zijn drieën Studio la Guitare. Als ze daar aankomen zegt Guus tegen zijn vader: ‘ ook gitaar leren spelen. Door Fatma en Zoë er zin in en heel enthousiast .‘

SCHRIJVEN

Je wilt met iemand gaan schrijven om je Frans te verbeteren dus je plaatst online een oproepje waarin je jezelf voorstelt. Eerst oefen je met het oproepje van Julie. Daarna schrijf je je eigen oproepje. Zet onderstaande woorden op de juiste plek in het oproepje van Julie (8 points):

deux - m’appelle - j’habite ça - treize - moi j’aime - et

Bonjour! va? Je

Julie, j’ai ans et à Oudenbosch, aux Pays-Bas. le tennis et la danse. J’ai petits frères une petite sœur. Veux-tu correspondre avec ?

Amitiés, Julie

Points: / 16

LUISTEREN

Schrijf nu je eigen oproepje: (8 points)

Luister naar het fragment en omcirkel wat je hoort.

Tip: De luisterfragmenten vind je online bij Halte 1.

1. ça va / il y a

2. mais / moi

3. ne…plus / ne…pas

4. Je suis à Paris / Je vais à Paris

5. qui / que

6. avec / pour

7. avoir / trottoir

8. de / le

9. bien / bon

10. je suis / j’ai

Points: / 20

11. cinq / quinze

12. deux / douze

13. six / dix

14. trois / treize

15. J’ai quatre ans / J’ai quatorze ans.

16. J’ai deux ans / J’ai douze ans.

17. J’ai neuf ans / J’ai dix-neuf ans.

18. J’ai dix ans / J’ai vingt ans.

19. J’ai trois ans / J’ai treize ans.

20. J’ai onze ans / J’ai seize ans.

SPREKEN

Dit onderdeel doe je samen met een klasgenoot. De een is leerling A, de ander leerling B. Probeer het gesprek in het Frans te voeren, pas als je er echt niet meer uitkomt mag je op de achterkant even spieken.

Tip: Luister eerst naar het voorbeeldgesprek bij Halte 1.

1. Hallo! 2. Wat had u gewild? 3. Alstublieft. Anders nog iets?

4. Alstublieft, zeven bananen.

5. Anders nog iets? 6. Alstublieft, zes appels.

Points: / 11

8. Dus twaalf kiwi’s, zeven bananen en zes appels.

9. Dat is acht euro alstublieft.

10. Dank u wel, hier heeft u twee euro terug.

LEERLING A

7. Is dat alles?

1. Hoi 2. Ik wil graag twaalf kiwi’s. 3. Ja, ik wil ook graag zeven bananen.

11. Fijne dag nog!

4. Dank u wel. 5. Ja, ik wil ook graag zes appels. 6. Heel erg bedankt.

LEERLING

7. Ja, dat is alles.

8. Klopt, hoeveel is het? 9. Alstublieft, tien euro. 10. Dank u wel.

11. U ook!

1. Bonjour [bo(n)zjoer]

4. Voilà, sept bananes. [vwalla, sèt bahnan]

8. Alors, douze kiwis, sept bananes et six pommes.

[alor, doez kiwi, sèt bahnan éh sie pom]

2. Vous désirez ? [voe déezirée ?]

5. Et avec ça? [éeh avèk sah?]

9. Ça fait huit euros, s’il vous plaît.

[sah fèh wiet euro siel voe plèh]

3. Voilà. Autre chose ?

[vwalla. Ootruh sjooz ?]

6. Voilà, six pommes.

[vwalla, sie pom]

10. Merci, voici deux euros de retour.

[mersie, vwassi deuzeuro duh ruhtoer]

7. C’est tout ? [sèh toe ?]

11. Bonne journée ! [bon zjoernée]

[wie, zjuh voedrèh oossie sèt bahnan] ÉLÈVE B le client le vendeur

1. Bonjour [bo(n)zjoer]

4. Merci. [mersie]]

8. D’accord, ça fait combien ?

[dakkor, sah fèh ko(m) bjè(n)?]

2. Je voudrais douze kiwis.

3. Oui, je voudrais aussi sept bananes.

[zjuh voedrèh doez kiwi]]

5. Oui, je voudrais aussi six pommes.

[wie, zjuh voedrèh oossie sie pom]

9. Voilà, dix euros. [vwallah, diezeuro]

6. Merci beaucoup. [mersie bokoe]

10. Merci beaucoup.

[mersie bokoe]

7. Oui, c’est tout. [wie, sèh toe.]

11. Vous aussi ! [voezoossie]

MARCHE 2

LES PRONOMS PERSONNELS

OPDRACHT 18 T/M 23

In deze Marche leer je de persoonlijke voornaamwoorden en de lidwoorden. Ook leer je iets over Frankrijk. Wat ga je doen?

Oefeningen FIX 1-40 FN

Oefeningen FIX 1-40 NF

Oefeningen woordgroep 2: les pronoms personnels

Grammatica: lidwoorden

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook