AT ZR.
ELD - DEN H P M O MS. TR
www.avdr.nl
ER augustus 2016 | LIMITED EDITION | €8,95
AND PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
AT T H E N AV Y
LEADING LAWYERS
WITH: Marije Schneider Verwijtbaar of ernstig verwijtbaar: that’s the question ¤ Carola Jongens en Ruben Wiegerink: Wanneer zijn door de werkgever verstrekte schadevergoedingen belast? ¤ Marije Schneider en Ruben van Arkel: Een gewaarschuwd werknemer telt voor twee ¤ Sanne Timmermans: Commissie Borstlap en het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg ¤ Gijs van Midden: De overheid als ondernemer: tussen markt en publieke taak AND MUCH MORE!!!
LEADING
LAWYERS
Inhoudsopgave
12
MARIJE SCHNEIDER ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
VERWIJTBAAR OF ERNSTIG VERWIJTBAAR: THAT’S THE QUESTION
22
CAROLA JONGENS ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
16
28 WANNEER ZIJN DOOR DE WERKGEVER VERSTREKTE SCHADEVERGOEDINGEN
RUBEN WIEGERINK
BELAST?
38
MARIJE SCHNEIDER ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
42 EEN GEWAARSCHUWD WERKNEMER TELT
RUBEN VAN ARKEL ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
6
| juni 2016
VOOR TWEE
48
SANNE TIMMERMANS ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
COMMISSIE BORSTLAP EN
HET COLLECTIEF ARBEIDSVOORWAARDENOVERLEG
58
MEINE DIJKSTRA ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
62 EEN GOED CONTRACT
68
SANNE GROENWOLD ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
78
GIJS VAN MIDDEN ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
72 DE GEWIJZIGDE AANBESTEDINGSWET 2012
NAAR EEN
82
AANSCHERPING VAN DE WET MARKT EN OVERHEID?
90
MONIQUE DE WITTE ATTORNEY AT LAW AT PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN
52
94 HYBRIDE
juni 2016 |
7
GERT SOUER
JURIST BIJ DE
ATTORNEY AT LAW AT
KONINKLIJKE
KONINKLIJKE MARINE
MARINE
98
112
FRANK LENSSEN CAPTAIN LIEUTENANT AT SEA KONINKLIJKE MARINE
QUESTIONS AND
ANSWERS BY FRANK
Q&A 6 questions about the navy by:
Reinout, Monique, Josine, Meine, Carola, Willianne, Ruben Wiegerink, Gert, Gijs, Sanne, Rogier, Marije en Ruben van Arkel on page 106 t/m 111
8
| juni 2016
102 116
THE FUNCTION OF TEACHING IS TO PRODUCE MORE LEADERS, NOT MORE FOLLOWERS. MAGNA CHARTA DON`T BE A FOLLOWER juni 2016 |
WWW.AVDR.NL
9
Editors letter Met gepaste trots presenteert Magna Charta u het magazine ‘LEADING LAWYERS ARBEIDSRECHT’. Defensie en Pels Rijcken ontmoetten elkaar op een unieke locatie, de Zr. Ms. Tromp. Een luchtverdedigings- en commandofregat dat onder andere is ingezet in 2010 voor de kust van Somalië als onderdeel van de antipiraterijmissie Atalanta. Een mooie locatie met veel historische en toekomstige waarde om elkaar nader te leren kennen en te zien hoe het Korps Mariniers te werk gaat. In dit Magazine lees je meer over de (juridische) werkzaamheden van het Korps Mariniers en van Pels Rijcken. Hoe verhouden de uiteenlopende werkwijzen zich tot elkaar? Daarnaast bladert u door verrassende interviews, foto’s op locatie en artikelen waarbij wordt ingegaan op verscheidene juridische onderwerpen. Wij wensen u veel leesplezier, Etienne van Bladel Directeur Academie voor de Rechtspraktijk
10
| juni 2016
They think we do BAD THINGS but we do them very well
12
| juni 2016
juni 2016 |
13
14
| juni 2016
MARI JE
S CH N E I D ER
AT TO R N E Y PEL S
AT
L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
15
16
| juni 2016
Marije Schneider
mr.
juni 2016 |
17
VERWIJTBAAR OF
ERNSTIG
VERWIJTBAAR: THAT’S
THE
QUESTION
18
| juni 2016
the
In dit artikel wordt ingegaan op de redelijke ontslaggrond als neergelegd in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Vragen naar de inhoud van het criterium, het verschil tussen verwijtbaar en ernstig verwijtbaar en hoe daarmee in de rechtspraak wordt omgegaan, komen aan bod. De vraag wordt opgeworpen of de verantwoordelijkheid voor (evident) grensoverschrijdend gedrag niet te veel bij de werkgever wordt gelegd. Sinds de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 in werking is getreden, wordt de jurisprudentie nauwlettend in de gaten gehouden. Hoe oordelen kantonrechters over het nieuwe ontslagrecht? Hoe wordt omgegaan met de aanwijzingen van minister Asscher in de parlementaire geschiedenis? Het aantal uitspraken bleef in het begin tamelijk laag, maar de rechtspraak begint op stoom te komen. De ontslaggrond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW, verwijtbaar handelen of nalaten door de werknemer, blijkt tot nu toe veelvuldig ten grondslag te worden gelegd aan een verzoek tot ontbinding. Maar wat houdt verwijtbaar handelen of nalaten eigenlijk in? Artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW definieert dit begrip niet. Ook de parlementaire geschiedenis geeft geen definitie. Daarin is opgemerkt dat het in eerste instantie aan de werkgever is om te beoordelen of verwijtbaar gedrag van een werknemer reden kan zijn voor ontslag. Het begrip ernstige verwijtbaarheid heeft iets meer aandacht gekregen. In de wetsgeschiedenis zijn een
aantal voorbeelden genoemd van ernstig verwijtbaar handelen: • diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor een werknemer het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt; • handelen in strijd met eigen in de praktijk toegepaste en voor de werknemer kenbare gedragsregels van de organisatie van de werkgever, geld lenen uit de bedrijfskas hetgeen leidt tot een vertrouwensbreuk; • het zonder grond en herhaaldelijk niet naleven van controlevoorschriften bij ziekte, ook nadat het loon is opgeschort; • veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op het werk verschijnen, als hierdoor de bedrijfsvoering wordt belemmerd en de werkgever de werknemer hier al tevergeefs op heeft aangesproken; het op oneigenlijke wijze gunstiger voorstellen van productiecijfers waardoor het vertrouwen van de werkgever ernstig is beschaamd. Er wordt echter geen precieze afbakening tussen verwijtbaar en ernstig verwijtbaar handelen gegeven. De voorbeelden zijn bovendien vrij specifiek en gering in aantal. De praktijk komt er qua handvatten dus bekaaid vanaf. Hoe gaan rechters hiermee om? Enkele kantonrechters hebben zich gewaagd aan het verschil tussen ernstig en ‘gewoon’ verwijtbaar handelen. De Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat een werknemer die zich bot en onbeschoft uitlaat jegens collega’s en op onvoorspelbare momenten ontsteekt in woedeaanvallen, daarmee verwijtbaar handelt. Het gedrag is evenwel niet ernstig verwijtbaar, omdat onvoldoende is gebleken dat de werknemer welbewust op grensoverschrijdend gedrag dan wel frustratie van het werkproces of de verhouding met collega’s uit was.1 1 Rechtbank Noord-Holland 21 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7994
maart 2016 |
19
Tot diezelfde beoordeling komt een andere kantonrechter in een kwestie waarbij de werknemer tot driemaal toe interne richtlijnen niet opvolgde.2 Er is wel sprake van verwijtbaar handelen, maar niet van ernstig verwijtbaar handelen, omdat onvoldoende is gebleken dat de werknemer welbewust uit was op grensoverschrijdend gedrag. Is ‘welbewust handelen’ een goed criterium voor het maken van onderscheid tussen verwijtbaar en ernstig verwijtbaar handelen? Wij kunnen ons voorstellen dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin niet per se sprake is van welbewust handelen, maar het gedrag wel ernstig verwijtbaar is. Bijvoorbeeld een aantal van de voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen uit de parlementaire geschiedenis: het overtreden van controlevoorschriften bij ziekte of het te laat komen. Niettemin geeft deze jurisprudentie handvatten bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid. De kantonrechter Den Haag waagde zich niet aan een beoordeling van de vraag of een gedraging ernstig verwijtbaar was.3 Een klantenservicemedewerkster had een klant niet correct bejegend. Een telefoongesprek liep uit op een scheldpartij en haar werkgever vroeg om ontbinding. Volgens de kantonrechter was er inderdaad sprake van verwijtbaar handelen. De uitlatingen worden echter niet als ernstig verwijtbaar beoordeeld, nu deze situatie volgens de kantonrechter niet op een lijn kan worden gesteld met de voorbeelden in de wetsgeschiedenis. Is dat juist? In de parlementaire geschiedenis worden slechts vijf voorbeelden genoemd en deze voorbeelden zijn blijkens de tekst ook niet limitatief. Er is geen enkele aanwijzing dat alleen deze of soortgelijke situaties als ernstig verwijtbaar gedrag mogen worden betiteld. 2 Rechtbank Noord-Holland 8 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:879. 3 Rechtbank Den Haag 9 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11658
20
| juni 2016
Het is nu juist de taak van de kantonrechter om dat begrip verder in te vullen. Deze uitspraak is wat dat betreft een gemiste kans.
De jurisprudentie laat wat ons betreft zien dat er in een procedure nog veel te winnen is bij de vraag of gedrag verwijtbaar of ernstig verwijtbaar is. De praktijk is zoekende en het antwoord op die vraag kan zeer relevant zijn voor zowel de werknemer als de werkgever. Bij ontbinding wegens verwijtbaar handelen krijgt de werknemer immers een transitievergoeding. Bij ernstig verwijtbaar handelen in beginsel niet. Naast de vraag of de rechter tot ontbinding moet overgaan, zouden juristen hun pijlen daarom zeker moeten richten op de vraag of een bepaalde handelwijze als verwijtbaar of als ernstig verwijtbaar moet worden beoordeeld.
juni 2016 |
21
22
| juni 2016
juni 2016 |
23
24
| juni 2016
CARO L A &
RUBEN
JO N GEN S W I EGER I N K
AT TO R N E YS PEL S
AT
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
L AW
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
25
26
| juni 2016
Carola Jongens
mr.
juni 2016 |
27
WANNEER ZIJN DOOR DE WERKGEVER VERSTREKTE SCHADEVERGOEDINGEN BELAST?
28
| juni 2016
the
Een werknemer of een ambtenaar die letsel oploopt als gevolg van een ongeval op het werk of een beroepsziekte kan zijn werkgever daarvoor aansprakelijk stellen. In dit artikel wordt aan de hand van de geldende (zorg)plichten ingegaan op de belastbaarheid van schadevergoedingen die dientengevolge moeten worden uitgekeerd door de werkgever.
genoten inkomen. Dit is alleen anders wanneer het dienstongeval of de beroepsziekte gekwalificeerd wordt als een beroepsincident. Alsdan heeft de ambtenaar recht op een volledige schadevergoeding. In die situatie kan het slachtoffer ook een schadevergoeding op basis van een hypothetische carrière vorderen. Een beroepsincident is een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaar zettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van de taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken. Wanneer er sprake is van een beroepsincident kan het slachtoffer dus wel op grond van de rechtspositie bijvoorbeeld ook zijn financiële schade als gevolg van een gemiste carrière vergoed krijgen.
Door werkgever aan werknemer toegekende schadevergoedingen
Wanneer de ambtenaar zijn schade niet op grond van de rechtspositie volledig vergoed kan krijgen dan kan de ambtenaar voor eventuele restschade een beroep doen op de algemene norm die geformuleerd is door de Centrale Raad van Beroep. Deze norm houdt in dat wanneer de ambtenaar heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en de werkgever niet kan aantonen aan zijn zorgplicht te hebben voldaan, noch dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar, de werkgever de restschade zal hebben te vergoeden (CRvB, 22 juni 2000, TAR 2000,112).
Een werknemer die letsel oploopt als gevolg van een ongeval op het werk of een beroepsziekte kan zijn werkgever daarvoor aansprakelijk stellen waarbij vooral artikel 7:658 BW –waarin de zorgplicht van de werkgever voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden is neergelegd – een belangrijke rol speelt. Een ambtenaar kan zich niet beroepen op artikel 7:658 BW (artikel 7:615 BW). Voor een ambtenaar geldt een ander regime. Er zijn twee mogelijke gronden waarop de ambtenaar die schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn vordering tot schadevergoeding kan baseren. Ten eerste is dit het rechtspositiereglement van de ambtenaar. Naast het ARAR, de rechtspositieregeling voor rijksambtenaren, kan bijvoorbeeld genoemd worden het BARP (Besluit algemene rechtspositie politie) en het AMAR (Algemeen militair ambtenarenreglement). Wanneer er sprake is van een dienstongeval of beroepsziekte dient de werkgever bepaalde rechtspositionele aanspraken uit te keren, zoals doorbetaling van bezoldiging. De rechtspositie voorziet echter in het algemeen in een uitkering (eventueel in aanvulling op het inkomen na ongeval) tot een bepaald percentage van het oorspronkelijke – ten tijde van het ongeval –
Bij de afwikkeling van personenschade wordt er in de praktijk algemeen van uitgegaan dat vergoedingen wegens “verlies van verdienvermogen” onbelaste vergoedingen zijn.
maart juni 2016 |
29
Dat is echter zeker niet altijd het geval. Een voorbeeld daarvan is de hiervoor geschetste situatie waarin de ambtenaar een volledige vergoeding krijgt op grond van de rechtspositie. Maar ook wanneer het gaat om een werknemer uit de marktsector die een vergoeding voor verlies van verdienvermogen krijgt van zijn werkgever zijn er situaties denkbaar waarin er niet (zonder meer) vanuit kan worden gegaan dat de schadevergoeding onbelast kan worden vergoed. In de praktijk wordt door advocaat die het slachtoffer bijstaat, teneinde eventuele risico’s op dit punt uit te sluiten, een belastinggarantie gevraagd. Om de vergoeding van personenschade op alle merites te kunnen beoordelen is het echter toch van belang enige kennis te hebben van het relevante fiscale recht. Zeker wanneer men optreedt voor de betalende kant. Hieronder zullen wij ingaan op de vraag wanneer door de werkgever verstrekte schadevergoedingen onbelast zijn. Als een werkgever een schadevergoeding toekent aan een werknemer rijst vaak de vraag in hoeverre een dergelijke schadevergoeding is onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om schadevergoeding ter zake van een tijdens de werktijd aan de werknemer overkomen ongeval. Ook is de situatie denkbaar waarin een werknemer is komen te overlijden door een ongeval en de werkgever de nabestaanden een schadevergoeding toekent. De beantwoording van de vraag of dergelijke schadevergoedingen zijn belast, is van groot belang voor alle betrokkenen.Hierna zullen wij na een korte inleiding over de loonbelasting ingaan op de voormelde vraag.
Belastbaarheid schadevergoedingen van de werkgever Inleiding loonbelasting
Loonbelasting wordt geheven op grond van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze belasting wordt door de
30
| juni 2016
Belastingdienst geheven over het loon van werknemers en ambtenaren. De werknemer of ambtenaar is de belastingplichtige voor de loonbelasting. De verschuldigde loonbelasting dient door de werkgever, de inhoudingsplichtige, te worden ingehouden op het loon en te worden afgedragen aan de Belastingdienst. Indien de inhoudingsplichtige de verschuldigde loonbelasting niet inhoudt op het loon en niet afdraagt aan de Belastingdienst, kan de Belastingdienst overgaan tot naheffing van de ten onrechte niet afgedragen loonbelasting. Naheffing vindt in principe plaats bij de inhoudingsplichtige die de belasting had behoren te betalen. Het loon waarover loonbelasting is verschuldigd is al hetgeen uit de (al dan niet publiekrechtelijke) dienstbetrekking wordt genoten. Het gaat dus om elke betaling, in welke vorm dan ook, die door de werkgever aan de werknemer of ambtenaar wordt gedaan. Het loonbegrip omvat bijvoorbeeld ook betalingen in natura. Op die hoofdregel bestaan wel diverse uitzonderingen; zo worden onder omstandigheden bepaalde schadevergoedingen niet als loon aangemerkt. Belastbaarheid aanvullende schadevergoeding verlies aan verdienvermogen en zelfwerkzaamheid Indien een werknemer als gevolg van een ongeval tijdens de uitvoering van zijn dienstbetrekking schade lijdt als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval en die schade wordt vergoed door de werkgever zal de schade mogelijk geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlies aan verdienvermogen en verlies aan zelfwerkzaamheid. Ten aanzien van een vergoeding vanwege verlies aan verdienvermogen c.q. verlies van arbeidsvermogen, geldt dat - indien dit verlies met stukken kan worden onderbouwd - dit bedrag in beginsel niet als loon kan worden aangemerkt en daarover dus geen loonbelasting verschuldigd is, zo blijkt uit jurisprudentie. De Hoge Raad ziet in zijn arrest van 29 juni 1983, BNB 1984/2, de vergoeding door de werkgever van
juni 2016 |
31
verlies van arbeidsvermogen als een compensatie voor de verloren gegane bron van inkomsten en niet als inkomsten die daaruit werden of zullen worden genoten. Dit arrest heeft nog altijd te gelden als het standaardarrest op dit terrein. De feitenrechters nemen dit arrest tot richtsnoer. In de praktijk ziet men dan ook dat de schade wegens verlies van arbeidsvermogen door de werkgever op nettobasis (dat wil zeggen zonder dat daarop loonbelasting wordt ingehouden) wordt vergoed. Daarbij wordt dan veelal een belastinggarantie overeengekomen, inhoudende dat de werkgever eventueel verschuldigde loon- of inkomstenbelasting voor zijn rekening neemt. Uitgangspunt is dus dat een schadevergoeding vanwege verlies van arbeidsvermogen c.q. verdienvermogen geen loon vormt. In zijn arrest BNB 1984/2 heeft de Hoge Raad echter aangegeven dat in het geval van “bijzondere omstandighedenâ€? een uitzondering moet worden gemaakt op dit uitgangspunt, waarbij de schadevergoeding toch wel als belast loon dient te worden aangemerkt. Dat geval doet zich bijvoorbeeld voor indien er bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt waaruit het recht op de schadevergoeding voortvloeit. In dit verband is het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1993, BNB 1994/22 illustratief. Dit arrest betrof een beroepsmilitair die als gevolg van een dienstongeval letsel had opgelopen en daarvoor door Defensie werd gecompenseerd met een invaliditeitspensioen met bijzondere invaliditeitsverhoging. Aan de orde was de vraag of de extra ophoging van het invaliditeitspensioen, die volgens de toelichting op de Algemene militaire pensioenwet een immateriĂŤle schadevergoeding betrof, belast diende te worden als loon of onbelast diende te blijven als smartengeld. Het ging hier om een periodieke uitkering. De Hoge Raad oordeelde dat de uitkering zozeer haar grond vond in de dienstbetrekking
32
| juni 2016
juni 2016 |
33
dat zij als loon moest worden belast. Hij overwoog: “[De uitkeringen] vloeien immers voort uit een rechtspositionele regeling waaraan invalide exmilitairen rechten ontlenen steeds indien verband bestaat tussen de invaliditeit en de uitoefening van de militaire dienst.” Er zijn geen aanwijzingen dat de voormelde regels, zoals die uit de hiervoor besproken arresten van de Hoge Raad volgen, sindsdien zijn gewijzigd. Dat betekent dat als de toekenning van een schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking deze (toch) niet als onbelast kan worden aangemerkt. Terzijde wordt opgemerkt dat voor zover een schadevergoeding wordt toegekend aan een werknemer die tijdelijk arbeidsongeschikt is geraakt, geldt dat de schadevergoeding in zoverre waarschijnlijk als belast zal worden aangemerkt. In dat geval wordt menigmaal geen verlies van de bron inkomsten uit arbeid aanwezig geacht, maar wordt de schadevergoeding beschouwd als vervanging van inkomsten. Ook de vergoeding vanwege het verlies van zelfwerkzaamheid is in principe onbelast, mits desgevraagd aannemelijk kan worden gemaakt dat er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding die hierop ziet. De aard van de schadevergoeding voor het verlies van zelfwerkzaamheid is anders dan die vanwege het verlies van verdienvermogen. Bij een schadevergoeding vanwege het verlies van zelfwerkzaamheid lijkt het verband tussen de schadevergoeding en de dienstbetrekking nog kleiner te zijn dan het geval is bij een schadevergoeding vanwege verlies van verdienvermogen. Een bron van inkomen kan bij een schadevergoeding vanwege het verlies van zelfwerkzaamheid niet goed worden onderkend.
34
| juni 2016
Het is van belang in gedachten te houden dat schadevergoedingen zeker niet zonder meer onbelast kunnen worden verstrekt door de werkgever. Illustratief is in dit verband het geval dat leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3310. In dat geval werd een werknemer op zijn verzoek ontslag verleend naar aanleiding van een verstoorde arbeidsrelatie met zijn werkgever. Hij maakte met zijn voormalige werkgever afspraken over de financiële afhandeling van dat ontslag. Afgesproken werd onder meer dat de exwerknemer een vergoeding voor immateriële schade kreeg van € 85.000. Het Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat deze schadevergoeding belast was en de Hoge Raad volgt het Hof daarin. Omdat de exwerknemer de schadevergoeding had ontvangen van zijn voormalige werkgever, vloeide de vergoeding voort uit de vroegere dienstbetrekking en is er dus in principe sprake van loon. Dit zou anders kunnen zijn als de ex-werknemer aannemelijk maakt dat de vergoeding heel weinig te maken heeft met de dienstbetrekking. De ex-werknemer stelde dat het ontvangen bedrag een vergoeding vormde voor door hem als gevolg van het ontslag geleden psychische schade en dat de vergoeding daarom niet voortvloeit uit de dienstbetrekking. Het Hof was echter van oordeel dat psychische schade hoort bij een ontslag en dat die dus wel degelijk verband houdt met de dienstbetrekking en de Hoge Raad sloot zich daarbij aan. Indien een werkgever in de praktijk een schadevergoeding toekent aan een werknemer, lijkt het goed als hij de vraag of deze schadevergoeding al dan niet is belast, voorlegt aan de Belastingdienst. De Belastingdienst zal de vraag vervolgens beantwoorden door het geven van een standpuntbepaling waaraan in principe vertrouwen kan worden ontleend. Het is van belang dat de werkgever alle voor de beantwoording van de vraag relevante gegevens overlegt.
In voorkomende gevallen zou de werkgever bij het voorleggen van de vraag kunnen wijzen op de jurisprudentie van de Hoge Raad in gevallen waarin een ambtenaar buiten de uitoefening van zijn dienstbetrekking letselschade lijdt en de Staat als werkgever regres neemt op de veroorzaker van die schade. In dergelijke gevallen wordt de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (hierna: VOA) toegepast. In de VOA is bepaald dat geen verhaal kan worden gezocht voor eventuele inkomstenbelasting en premie voor de sociale verzekeringswetten (zie HR 27 november 1987, NJ 1989/47 en HR 25 februari 1994, NJ 1995/608). Ook bij de toepassing van een verhaalsrecht van een particuliere werkgever (zie artikel 6:107a BW) geldt dat niet de inkomstenbelasting en premies kunnen worden verhaald (zie HR 24 oktober 2003, NJ 2004/396). De werkgever zou erop kunnen wijzen dat waar ingeval van door derden toegebrachte letselschade de inkomstenbelasting over doorbetaald loon niet kan worden verhaald op schadeveroorzakers, het niet in de rede licht aan te nemen dat over schadevergoedingen die de werkgever zĂŠlf betaald aan zijn werknemer ter zake van letselschade wĂŠl loon- of inkomstenbelasting is verschuldigd. Voor zover een schadevergoeding is belast met loonbelasting en de werkgever besluit de verschuldigde loonbelasting voor eigen rekening te nemen, vormt deze loonbelasting zelf ook weer loon waarover loonbelasting is verschuldigd (directe brutering).
Belastbaarheid aanvullende schadevergoeding voor nabestaanden
De hoofdregel is dat de schadevergoeding die door de werkgever van de overledene aan nabestaanden wordt toegekend ter zake van het overlijden als gevolg van een ongeval (zie artikel 6:108 BW), onbelast is. Er bestaat geen arbeidsverhouding tussen de werkgever en de nabestaanden. De vergoeding van de kosten van de lijkbezorging
kunnen onbelast worden vergoed omdat deze niets van doen hebben met een bron van inkomsten. Een uitkering ineens aan de nabestaanden wegens gederfd levensonderhoud kan in principe eveneens onbelast worden vergoed. Ten aanzien van deze schadevergoeding zou de Belastingdienst zich in theorie echter op het standpunt kunnen stellen dat deze moet worden beschouwd als een belaste afkoopsom van een recht op periodieke uitkeringen, maar waarschijnlijk lijkt dat niet. Het verdient zekerheidshalve aanbeveling dat een werkgever die een schadevergoeding aan nabestaanden toekent de vraag omtrent de belastbaarheid van deze schadevergoedingscomponent voorlegt aan de Belastingdienst, zodat zekerheid wordt verkregen omtrent de fiscale behandeling van aan nabestaanden toe te kennen schadevergoedingen.
Conclusie
Alle betalingen die een werkgever aan een werknemer doet, zijn in beginsel onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Schadevergoedingen vanwege het verlies van verdienvermogen en zelfwerkzaamheid kunnen normaal gesproken echter onbelast worden vergoed, zo volgt uit de jurisprudentie. Deze schadevergoedingen zijn echter toch belast als deze voortvloeien uit de dienstbetrekking. De schadevergoeding die door de werkgever van een overleden werknemer aan nabestaanden wordt toegekend ter zake van het overlijden als gevolg van een ongeval (zie artikel 6:108 BW) is in beginsel niet onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Het lijkt goed als werkgevers in voorkomende gevallen de vraag over de belastbaarheid van toe te kennen schadevergoedingen vooraf voorleggen aan de Belastingdienst, zodat zekerheid kan worden verkregen omtrent de fiscale positie. Dat is mede van belang, omdat een eventuele naheffingsaanslag in beginsel aan de werkgever wordt opgelegd.
juni 2016 |
35
36
| juni 2016
MARI JE &
S CH N E I D ER
RUBEN
VAN
AT TO R N E YS PEL S
AT
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
ARKEL L AW
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
37
Ruben van Arkel
mr.
38
| juni 2016
juni 2016 |
39
EEN GEWAARSCHUWD WERKNEMER TELT VOOR TWEE
40
| juni 2016
the
In dit artikel wordt uiteengezet dat het bij de beoordeling van verwijtbaar – of zelfs ernstig verwijtbaar – handelen van belang is of het voor werknemers duidelijk is wat voor de werkgever als (on)toelaatbaar heeft te gelden. Bij die afweging weegt mee of er eenduidige (bedrijfs)regels gelden en of een werknemer eerder op zijn gedrag is aangesproken. De rechtspraak over de ‘e’-grond is volop in ontwikkeling. Op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW kan een werknemer worden ontslagen als hij verwijtbaar heeft gehandeld. In de beoordeling of sprake is van verwijtbaar handelen is de vraag belangrijk of het de werknemer van te voren duidelijk was wat zijn werkgever wel of niet toelaatbaar gedrag vindt.1 Eén manier om daarvoor te zorgen is bijvoorbeeld het opstellen van duidelijke interne regels die aan iedere werknemer helder worden gecommuniceerd. Ook kan uit een waarschuwing aan een werknemer blijken wat eenwerkgever toelaatbaar gedrag vindt. De werknemer weet dan immers dat hij dit gedrag voor de toekomst moet laten. Ook rechters wegen eerder gegeven waarschuwingen zwaar mee. In de jurisprudentie over de e-grond is de rol van eerdere waarschuwingen duidelijk zichtbaar in situaties van werkweigering. Als een werknemer meermaals zonder gegronde reden niet op zijn werk verschijnt is dat alleen verwijtbaar handelen, als de werknemer daarop (meer dan eens) tevergeefs is aangesproken door de werkgever.2
Zo bestempelt de kantonrechter Noord-Holland3 de situatie waarin een werknemer met enige regelmaat van het ene op het andere moment en zonder enige aanleiding ‘flipte’ en veranderde in een volstrekt ongecontroleerd persoon, als verwijtbaar handelen. In de beoordeling acht de kantonrechter van belang dat de werkgever de werknemer duidelijk had gemaakt welk gedrag niet werd getolereerd. De werkgever had de werknemer hierop bovendien diverse malen aangesproken.
Het feit dat een werknemer een (meer dan) gewaarschuwd man is, kan er bovendien toe leiden dat een incident – dat op zichzelf genomen niet zo ernstig is dat het een zelfstandige grond voor ontbinding zou kunnen opleveren – de emmer doet overlopen.4 De optelsom van verschillende gedragingen in combinatie met het feit dat de werknemer, na daarop te zijn aangesproken, zijn handelen niet of onvoldoende heeft veranderd, levert verwijtbaar handelen of nalaten op.
Het belang van eerdere waarschuwingen komt ook naar voren ingeval werknemers zich bedienen van ontoelaatbare uitingen richting collega’s of klanten.
Het is derhalve van belang of de werknemer uitdrukkelijk is aangesproken of gewaarschuwd.
1 Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 45. 2 Rechtbank Den Haag 19 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12402
3 Rechtbank Noord-Holland 21 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7994 4 Kantonrechter Leiden 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2924.
juni 2016 |
41
De keerzijde daarvan lijkt te zijn dat wanneer werknemers niet expliciet eerder zijn aangesproken op ontoelaatbare gedragingen, dit gedrag hen niet of in mindere mate kan worden verweten. Zo wees de kantonrechter Rotterdam een ontbinding af, omdat de werknemer er onvoldoende nadrukkelijk was gewezen dat het gebruik van het woord ‘nazi’ niet meer zou worden getolereerd.5 De kantonrechter Amsterdam overwoog dat de manier van communiceren van een leidinggevende bij een winkelketen (onder meer: ‘tering assistent, ga van mijn parkeerplaats af’, Gerben is een […], watje, mietje’) eerder een punt van aandacht is geweest en het om die reden van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.6 Het gedrag is evenwel niet ernstig verwijtbaar, omdat ongepast taalgebruik in de wijze van communiceren niet eerder aan de orde is gesteld. In een andere kwestie werd het feit dat onbehoorlijk gedrag wél in een beoordelingsgesprek aan de orde was gesteld, maar niet had geleid tot een onvoldoende beoordeling, in het nadeel van de werkgever uitgelegd.7 Wordt hierbij de verantwoordelijkheid niet te veel bij de werkgever gelegd?
Wat ons betreft zou evident grensoverschrijdend en onaanvaardbaar gedrag ook zonder eerdere waarschuwingen moeten leiden tot een voldragen e-grond.8 5 Rechtbank Rotterdam 16 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7564. 6 Rechtbank Amsterdam 8 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2015:8949. 7 Rechtbank Rotterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9892. 8 Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Noord-Holland 13 oktober 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:9910 en Rechtbank Gelderland 12 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:7645.
42
| juni 2016
Het had de werknemers in genoemde voorbeelden wat ons betreft ook zonder gesprekken met hun werkgevers duidelijk mogen zijn dat bepaald taalgebruik niet toelaatbaar is. Indien binnen een bepaalde bedrijfscultuur grof taalgebruik gemeengoed is, zou de werknemer een beroep kunnen doen op het bestaan van die cultuur, waardoor de verwijtbaarheid aan zijn handelen ontvalt. Zo wordt de verantwoordelijkheid voor het gedrag weer gelegd waar die hoort: bij de werknemer. De huidige jurisprudentie gaat daar echter niet vanuit. Een tip voor werkgevers is dus: zorg dat het je werknemers duidelijk is welk gedrag wel en niet wordt getolereerd en leg dat goed vast!
juni 2016 |
43
44
| juni 2016
ZORG DAT HET JE WERKNEMERS DUIDELIJK IS WELK GEDRAG WEL EN NIET WORDT GETOLEREERD EN LEG DAT GOED VAST! juni 2016 |
45
46
| juni 2016
SAN N E
T I M M ERMAN S
AT TO R N E Y PEL S
AT
L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
47
48
| juni 2016
Sanne Timmermans
mr.
juni 2016 |
49
COMMISSIE BORSTLAP EN HET COLLECTIEF ARBEIDSVOORWAARDENOVERLEG
50
| juni 2016
the
Het wetsvoorstel Normalisering rechtspositie ambtenaren heeft niet alleen impact op de rechtspositie van de ambtenaar, maar bijvoorbeeld ook op het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid. Het kabinet besefte dit tijdig en heeft hierover advies gevraagd aan de werkgroep Borstlap. In dit artikel wordt vooruitlopend op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel alvast ingegaan op de aanbevelingen van de werkgroep Borstlap en de kabinetsreactie daarop, die de aanbevelingen ook over zal nemen in het geval de normalisering geen doorgang vindt. Het wetsvoorstel Normalisering rechtspositie ambtenaren1 heeft een brede impact. Het heeft uiteraard effect op de rechtspositie van de ambtenaar, maar bijvoorbeeld ook op het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid. Het kabinet besefte dit tijdig en heeft hierover advies gevraagd aan de commissie Borstlap2. De vraag aan werkgroep Borstlap was om na te gaan op welke manier het kabinet na inwerkingtreding van dit initiatiefwetsvoorstel sturing kan houden op 1) de inhoud van arbeidsvoorwaarden en 2) op de organisatie van het collectief overleg. De commissie Borstlap heeft op 18 juni 2015 het rapport ‘Buitengewoon normale sturing’ uitgebracht3. In het rapport worden enkele aanbevelingen gedaan over de inrichting van het collectieve arbeidsvoorwaardenoverleg na de normalisering. 1 Wet normalisering rechtspositie ambtenaren; Kamerstukken 32550. 2 Kamerstukken I, 2013-2014, 32 550, A. 3 Rapport ‘Buitengewoon normale sturing’, Den Haag 18 juni 2015.
Het kabinet heeft op 8 december 2015 een reactie op het rapport gegeven4. Het neemt de aanbevelingen die zijn gedaan in het rapport van de ambtelijke werkgroep Borstlap (op hoofdlijnen) over.
Rapport werkgroep Borstlap
Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Normalisering rechtspositie ambtenaren, vallen ook werknemers in de publieke sector (met uitzondering van de sectoren Defensie, Politie en Rechterlijke macht) onder hetzelfde arbeidsrecht als werknemers in de private sector. Dat betekent ook veranderingen voor het collectief onderhandelen bij de overheid. De Wet op de cao, de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van cao’s en de Wet op de Loonvorming worden dan namelijk op de collectieve onderhandelingen voor ambtenaren van toepassing. Bovendien komt het collectief onderhandelen in de publieke sector vanzelf te vallen onder de werkingssfeer van internationale verdragen over de onderhandelings- en contractvrijheid van werkgevers en werknemers5. Dat levert een noordzaak tot herinrichting van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg op. De noodzaak tot herinrichting vloeit volgens werkgroep Borstlap echter niet alleen voort uit de normalisering, maar is algemeen en breder van aard. Het is volgens werkgroep Borstlap in het algemeen belang dat de publieke werkgevers in hun specifieke sector tot een integrale afweging kunnen komen tussen de eisen van bedrijfsvoering en arbeidsvoorwaarden. Een zekere onderhandelingsvrijheid is hiervoor een vereiste. Het gaat daarbij volgens de werkgroep in de kern om het beginsel van gelijkwaardigheid in de wijze waarop het kabinet omgaat met private en publieke werkgevers en vakbonden. Dat geldt zowel bij voorgenomen algemene wetgeving als bij beleid met gevolgen voor de arbeidsverhoudingen en de arbeidsorganisaties. 4 Kabinetsreactie op het rapport “Buitengewoon normale sturing” (werkgroep Borstlap), 8 december 2015, kenmerk 2015-0000655771. 5 Zie: ILO-verdrag nr. 98, Artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest, Artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
juni 2016 |
51
Dit beginsel van gelijkwaardigheid tussen de publieke en private sector, vraagt volgens werkgroep Borstlap om aandacht op de volgende punten: De besluitvorming over (voorgenomen) wetgeving en beleid dient zodanig te worden ingericht dat dit vooraf wordt gegaan door consultatie van private werkgevers en werknemers, en voortaan ook van publieke werkgevers en werknemers; Het vereist dat de wetgever bevordert en respecteert dat niet alleen private werkgevers en vakbonden onderhandelings- en contractsvrijheid hebben, maar ook alle publieke werkgevers en vakbonden. Voor beide sectoren geldt: binnen algemene wettelijke kaders.
Voorafgaande consultatie
De voorafgaande consultatie van publieke werkgevers en werknemers is nieuw. Het kabinet overlegt immers sinds jaar en dag met (centrales van) werkgevers en werknemers in de marktsector over voorgenomen wetgeving. Deze werkgevers en werknemers zijn verenigd in de Stichting van de Arbeid (StvdA). Een soortgelijk overleg met de georganiseerde werkgevers en werknemers in de publieke sector6 vindt op dit moment (nog) niet plaats.
De werkgroep Borstlap merkt op dat in genormaliseerde verhoudingen meer ruimte zou moeten worden geboden aan de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers in de publieke sector 6 Als voorbeeld noemt werkgroep Borstlap het Sociaal Akkoord van april 2013 waarin door de kabinetsdelegatie werd ingebracht dat de publieke sector 25.000 arbeidsbeperkten aan het werk zou helpen naar de 100.000 te plaatsen arbeidsbeperkten waartoe de marktsector zich zou verplichten. Publieke werkgeversorganisaties zijn hierover niet of nauwelijks geconsulteerd.
52
| juni 2016
waarbij eisen van bedrijfsvoering en arbeidsvoorwaarden integraal worden afgewogen door betrokken publieke werkgevers en vakbonden. Deze integrale afweging laat overigens onverlet dat de wetgever desgewenst kan regelen wat zij meent dat in het algemeen belang geregeld moet worden. De crux is echter, zo noemt werkgroep Borstlap, dat de overwegingen om tot algemene wetgeving of beleid over te gaan, altijd nadrukkelijk dienen te worden afgewogen tegen het belang van onderhandelingsvrijheid van niet alleen private (verenigingen van) werkgevers en werknemers, maar voortaan ook van alle publieke werkgevers en werknemers.
Te respecteren onderhandelings- en contractsvrijheid
Met de normalisering wordt ook ILO-verdrag nr. 98 onverkort van toepassing op de publieke sector. Een belangrijke consequentie hiervan is, is dat er ook binnen de publieke sector moet worden uitgegaan van vrijwillige collectieve onderhandelingen uitmondend in een overeenkomst. Ingrijpen door de overheid in de uitkomsten van de arbeidsvoorwaardenvorming - in het bijzonder in de collectieve arbeidsovereenkomsten -, is op grond van genoemd ILO-verdrag strijdig met het beginsel van vrijwillige collectieve onderhandelingen. Indien de wetgever de onverkorte toepassing van ILOverdrag nr. 98 wil uitsluiten voor de genormaliseerde overheidssectoren dan zal dat bij wetgeving expliciet moeten worden bepaald. Om gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenoverleg binnen de publieke sector te bewerktstelligen, stelt werkgroep Borstlap bij de cao’s van de kabinetssectoren een stapsgewijze aanpak voor. Daarbij wordt rekening gehouden met de dubbele rol van het kabinet als wetgever en werkgever: Het kabinet stelt vooraf als wetgever de algemene, globale beleidsmatige en budgettaire kaders vast na consultatie van de betrokken ministers;
De werkgeversministers (Wonen en Rijksdienst, Veiligheid en Justitie, Defensie) bepalen vervolgens binnen die algemene globale kaders het mandaat voor hun arbeidsvoorwaardenonderhandelaars; de feitelijke arbeidsvoorwaardenonderhandelingen zouden aan hoogambtelijk niveau toevertrouwd kunnen worden; Het kabinet toetst na afloop van de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen als wetgever de onderhandelaarsakkoorden aan de vooraf vastgestelde kaders.
Reactie van het kabinet
Het kabinet deelt op hoofdlijnen de analyse van de werkgroep Borstlap.
Het kabinet constateert dat de aanbevelingen van de werkgroep een zodanig algemene en brede strekking hebben dat implementatie gewenst is, ook als de normalisering van de ambtelijke rechtspositie niet door zou gaan. Het kabinet is voornemens de volgende acties te ondernemen: het starten van een dialoog met de sociale partners in de publieke sector (verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en in de Stichting van het Onderwijs) en sociale partners in de marktsector (via de SER en de StvdA) over de mogelijkheden om te komen tot een consultatie van de sociale partners in de publieke sector. Het is hierbij de bedoeling dat de consultatie inhoudelijk en wat timing betreft, aansluit bij het reguliere sociaal overleg tussen kabinet en sociale
partners over algemene wetgeving en beleid; Het kabinet zal in overleg treden met de overheidswerkgevers om de kosten van de voorbeeldrol en de effecten daarvan voor de bedrijfsvoering en voor de budgetten af te wegen. Het kabinet merkt daarbij op dat het van overheidswerkgevers in het algemeen gevraagd mag worden het goede voorbeeld te geven (in die zin dat zij meedoen en eventueel zelfs voorop lopen) bij de implementatie van algemene wetgeving, beleid en collectieve afspraken; Het kabinet neemt de hiervoor genoemde aanbevelingen met betrekking tot het cao-overleg in de kabinetssectoren over. Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) zal de aanpak na overleg met de meest betrokken ministers verder uitwerken en concretiseren in werk- en procesafspraken binnen het kabinet.
Laatste nieuws
Op 28 april 2016 is, na overleg tussen de indieners van het wetsvoorstel en de minister, aan de Voorzitter van de Eerste Kamer bericht dat er wat hen betreft niets meer in de weg staan aan voortzetting van de behandeling van het voorstel7. Brengt dit een ‘genormaliseerde’ toekomst met gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenoverleg? De tijd zal het leren.
7 Eerste Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 32 550, L.
juni 2016 |
53
54
| juni 2016
juni 2016 |
55
56
| juni 2016
M E I N E
D IJKS TR A
AT TO R N E Y PEL S
AT
L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
57
58
| juni 2016
Meine Dijkstra
mr.
juni 2016 |
59
EEN GOED C O N T R A C T; G E E N GARANTIE VOOR EEN GESLAAGDE OUTSOURCING, MAAR WEL EEN VOORWAARDE VOOR SUCCES 60
| juni 2016
the
Als advocaat gespecialiseerd in het ICT-recht houden Meine Dijkstra en zijn team bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn zich bezig met de risico’s die verbonden zijn aan het contracteren van ICT. Door heldere afspraken vast te leggen trachten zij die risico’s zo goed mogelijk beheersbaar te maken. In deze bijdrage geeft Meine een inkijk in zijn praktijk door enkele aspecten te benoemen waarmee bij het contracteren over ICT rekening moet worden gehouden. Vanzelfsprekend is dit overzicht verre van uitputtend. Voorafgaand aan het sluiten van een contract
Voordat een contract gesloten kan worden, zal in de eerste plaats een leverancier geslecteerd moeten worden. Zoals elders in dit boekje al is beschreven, zijn er verschillende manieren waarop dit proces kan worden vormgegeven. Indien sprake is van een uitbesteder die een overheid of semi-overheid is, zijn op dit proces de regels van de Aanbestedingswet van toepassing. Vanuit juridische oogpunt is het van belang dat het onder het Nederlands recht mogelijk is dat je gebonden bent aan de uitkomst van onderhandelingen voordat een handtekening onder een contract is gezet. Dergelijke gebondenheid kan bestaan indien je het met een bepaalde leverancier al eens bent geworden over de essentiala van de overeenkomst, zoals bijvoorbeeld de scope van de overeenkomst en de prijs die de leverancier voor de werkzaamheden vraagt. Ondanks het bestaan van dergelijke consensus, is het voor een uitbesteder vaak onwenselijk toch gebonden
te zijn aan de uitkomst van de onderhandelingen voordat die zijn vastgelegd in een ondertekend contract. Regelmatig worden onderhandelingen immers gevoerd door een daarvoor aangestelde onderhandelaar of een onderhandelingsteam, terwijl het onderhandelingsresultaat nog zal moeten worden goedgekeurd door bijvoorbeeld de raad van bestuur van een onderneming of het college van burgemeester en wethouders van een gemeente.
Precontractuele gebondenheid kan in de regel voorkomen worden door voorafgaand aan het onderhandelingstraject vast te leggen dat je als uitbestedende partij pas gebonden bent aan het onderhandelingsresultaat zodra het contract door een bevoegde persoon is ondertekend. Indien gebruik wordt gemaakt van een Request for proposal kan dit stuk daarvoor gebruikt worden. Wordt gekozen voor een meer informele aanpak, dan verdient het aanbeveling een ander document op te stellen.
Standaardvoorwaarden of een maatwerkcontract?
Bij het contracteren van ICT wordt veel gebruik gemaakt van standaardvoorwaarden. Daarbij kan zowel gedacht worden aan vrij beschikbare voorwaarden zoals de voorwaarden van ICT Nederland, de ARBIT voorwaarden of het outsourcingscontract van het Platform Outsourcing Nederland, als van
juni 2016 |
61
“ALS JOUW UITBESTEDING ONDER HET BEREIK VAN DE WBP VALT, HEEFT DAT GEVOLGEN VOOR DE AFSPRAKEN DIE JE MET DE LEVERANCIER DIENT TE MAKEN.”
62
| juni 2016
juni 2016 |
63
de standaardvoorwaarden van de uitbesteder of leverancier. In hoeverre dergelijke voorwaarden aansluiten bij jouw uitbesteding, hangt sterk af van de aard en omvang van de uitbesteding. Bij een eenvoudige sourcing zal vaak in grotere mate een beroep kunnen worden gedaan op standaardvoorwaarden, terwijl indien bijvoorbeeld SaaS-dienstverlening wordt ingekocht het gebruik van standaardvoorwaarden minder voor de hand ligt. Bij de keuze voor het gebruik van standaardvoorwaarden zal altijd met twee aspecten rekening moeten worden gehouden. In de eerste plaats bevatten standaardvoorwaarden nooit de aspecten die jouw uitbesteding uniek maken, zoals bijvoorbeeld de scope van de uitbesteding, de prijs die je bent overeengekomen en het tijdspad waarbinnen de transitie moet worden afgerond.
Wij adviseren cliënten die gebruik willen maken van standaardvoorwaarden daarom altijd om naast standaardvoorwaarden ook een ook een raamcontract op te laten stellen waarin dergelijke kernafspraken geregeld worden. Als bijlagen bij dit raamcontract kunnen vervolgens de standaardvoorwaarden en de technische en projectdocumentatie gevoegd worden.
64
| juni 2016
In de tweede plaats moet de uitbesteder zich realiseren dat standaardvoorwaarden vaak sterk gekleurd zijn. Zo zijn de standaardvoorwaarden van ICT Nederland erg gunstig voor ICT leveranciers, hetgeen vaak ook zal gelden voor de eigen voorwaarden van de leverancier. De ARBIT voorwaarden bevatten daarentegen veel voorwaarden die gunstig zijn voor uitbesteders. De ARBIT voorwaarden zijn echter wel specifiek gericht op overheden en zullen bij gebruik door niet-overheden aanpassing behoeven.
Het is de taak van juristen om bij het sluiten van een contract niet alleen te kijken naar de kansen en mogelijkheden die een contract biedt, maar ook om ervoor te zorgen dat een contract voldoende waarborgen biedt indien één van de twee partijen zijn verplichtingen niet nakomt. Je leverancier: nu nog je beste vriend, straks je grootste vijand?
Daarbij is het in de eerste plaats van belang dat een contract een heldere verdeling van verantwoordelijkheden bevat. Een dergelijke verdeling moet erin resulteren dat indien een bepaalde deliverable niet tijdig wordt opgeleverd, precies aanwijsbaar is welke partij daarvoor verantwoordelijk is. Voorkomen moet immers worden dat twee partijen naar elkaar wijzen, terwijl niet het gewenste resultaat is behaald. Het gebruik van termen als “samenwerking” en “partnerschap” moet daarom in contractsdocumentatie zoveel mogelijk beperkt worden.
In een contract zal voorts bepaald moeten worden wat de consequenties zijn indien een partij zijn verplichtingen niet nakomt. Onze filisofie is daarbij dat gekozen wordt voor een realistisch regime. De praktijk leert namelijk dat binnen ICT-projecten milestones vaak niet tijdig gerealiseerd worden, maar dat dit meestal geen reden is om een contract direct te ontbinden. Het contract vol bouwen met fatale data heeft daarom weinig zin. In plaats daarvan ligt het voor de hand om een regime te hanteren waarbinnen de falende partij nog één of meer herkansingen krijgt. Leiden die herkansingen niet tot het overeengekomen resultaat, dan kan het contract worden ontbonden of kunnen andere maatregelen getroffen worden jegens de falende partij. In het contract zal tot slot zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden dat een situatie ontstaat waarin de uitbesteder dermate afhankelijk wordt van de leverancier dat het niet meer eenvoudig is om over te stappen naar een andere leverancier (vendor lock-in). Vendor lock-in is onwenselijk omdat het de (concurrentie)prikkel wegneemt voor de leverancier om kwaliteit te leveren, te innoveren en een marktconforme prijs te rekenen. Vendor lock-in kan voorkomen worden door heldere afspraken te maken over bijvoorbeeld het gebruik van open standaarden, intellectuele eigendomsrechten en exitperikelen (waaronder een verplichting tot het terugleveren van data).
Privacyaspecten
Indien deel van de outsourcing is dat de leverancier persoonsgegevens verwerkt waarvoor de uitbestedende partij verantwoordelijk is, valt de uitbesteding onder het bereik van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Zowel het begrip “persoonsgegevens” als het begrip “verwerken” moeten ruim uitgelegd worden. Persoonsgegevens zijn niet alleen NAW-gegevens, maar alle gegevens die tot een persoon herleidbaar zijn. Van het verwerken is al sprake als de leverancier of een derde toegang krijgt tot de persoonsgegevens. Een
belangrijke vorm van verwerken is vanzelfsprekend het plaatsen van de persoonsgegevens op servers bij de leverancier. Als jouw uitbesteding onder het bereik van de Wbp valt, heeft dat gevolgen voor de afspraken die je met de leverancier dient te maken. Zo vereist de Wbp dat je specifieke afspraken met de leverancier maakt over onder meer de beveiliging van de persoonsgegevens, de toegang tot de persoonsgegevens, de locatie waar de persoonsgegevens worden opgeslagen en hoe om te gaan met een datalek. Vaak wordt er voor gekozen om deze afspraken vast te leggen in een “bewerkersovereenkomst” die als bijlage bij de hiervoor genoemde raamovereenkomst wordt gevoegd. Vanaf 2018 zal de Wbp vervangen worden door de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Veel van onze cliënten worstelen met de vraag hoe zij handen en voeten kunnen geven aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Wij adviseren hen bijvoorbeeld over het aanpassen van hun bewerkersovereenkomsten en het opstellen van privacyprotocollen.
juni 2016 |
65
66
| juni 2016
SAN N E
GRO EN WO LD
AT TO R N E Y PEL S
AT
L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
67
68
| juni 2016
Sanne Groenwold
mr.
juni 2016 |
69
VOOR PRAKTIJK BELANGRIJKE WIJZIGINGEN IN AANBESTEDINGSWET 2012 OP EEN RIJ
70
| juni 2016
the
De Aanbestedingswet 2012 is met ingang van 1 juli 2016 op belangrijke plaatsen gewijzigd. Aanleiding voor de wijzigingen zijn drie Europese aanbestedingsrichtlijnen uit 2014 en de ervaringen met de wet zoals die vanaf 2012 geldt. Daarnaast zijn de Gids Proportionaliteit en het Aanbestedingsreglement Werken vernieuwd en neemt een nieuw Uniform Europees Aanbestedingsdocument de plaats in van de (Nederlandse) Uniforme Eigen Verklaring. De belangrijkste wijzigingen passeren hier kort de revue aan de hand van negen thema’s, waarbij ik me beperk tot de materiële wijzigingen.
Thema 1 – Ruimte voor duurzaamheid en innovatie Marktconsultatie
De mogelijkheid van een marktconsultatie is nu expliciet opgenomen in artikel 2.25 Aw. Dit is de vertaalslag van artikel 40 Richtlijn 2014/24/EU. Artikel 2.25 Aw wijst er uitdrukkelijk op dat een marktconsultatie niet mag leiden tot vervalsing van de mededinging en schending van de beginselen van non-discriminatie en transparantie.
Innovatiepartnerschap
De nieuwe procedure van het innovatiepartnerschap (artikel 2.31a Aw) biedt aanbestedende diensten de mogelijkheid om na een succesvolle ontwikkelfase het daaruit voortkomende product, werk of dienst direct aan te kopen. Daarvoor hoeft dus niet langer een afzonderlijke aanbestedingsprocedure doorlopen te worden. Voorwaarde voor een beroep op deze
procedure is wel dat er sprake moet zijn van een innovatie. Dit begrip is in artikel 1.1 Aw gedefinieerd als een nieuw of aanmerkelijk verbeterd product, dienst of proces, oftewel, het moet gaan om een behoefte waarin de markt nog niet voorziet.
Keurmerken
Onder de gewijzigde Aw wordt het op grond van artikel 2.78 Aw mogelijk om een specifiek keurmerk te eisen. Wel zijn hieraan strikte voorwaarden verbonden (sub a t/m e). De belangrijkste voorwaarde is dat alle onderliggende keurmerkeisen verband dienen te houden met het voorwerp van de opdracht (sub a). Is dat niet het geval, dan bepaalt lid 5 dat aanbestedende diensten de technische specificaties kunnen vaststellen onder verwijzing naar de gedetailleerde technische specificaties van dat keurmerk, voor zover deze verband houden met het voorwerp van de opdracht.
Gunningscriteria
Voortaan wordt het begrip ‘economisch meest voordelige inschrijving’ de overkoepelende term om te benadrukken dat altijd moet worden gestreefd naar de economisch beste oplossing (artikel 2.114 lid 1 Aw). Onder dit begrip vallen de criteria beste prijskwaliteitverhouding, laagste (levenscyclus)kosten en laagste prijs (artikel 2.114 lid 2 Aw). Uitgangspunt blijft dat een opdracht wordt gegund op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Gunning op basis van het criterium laagste prijs of laagste (levenscyclus)kosten moet worden gemotiveerd (artikel 2.114 lid 3 Aw).
Thema 2 – Flexibilisering Mededingingsprocedure met onderhandeling en concurrentiegerichte dialoog
In overweging 42 Richtlijn 2014/24/EU wordt erop gewezen dat aanbestedende diensten behoefte hebben aan extra flexibiliteit bij het kiezen van een aanbestedingsprocedure die voorziet in onderhandelingen en dat een groter gebruik van deze procedures mogelijkerwijs ook de grensoverschrijdende
juni 2016 |
71
72
| juni 2016
handel zal stimuleren. De toepassingsvoorwaarden voor de mededingingsprocedure met onderhandeling (artikel 2.30 lid 1 Aw) en de concurrentiegerichte dialoog (artikel 2.28 lid 1 Aw) zijn daarom gelijkgetrokken. Dit brengt met zich dat voor de toepassing van de procedure van de concurrentiegerichte dialoog niet langer is vereist dat er sprake dient te zijn van een bijzonder complexe overheidsopdracht.
Dynamisch aankoopsysteem
Onder de gewijzigde Aw wordt het dynamisch aankoopsysteem ingesteld door middel van de nietopenbare procedure (artikel 2.48 Aw). De verplichting tot aankondiging van afzonderlijke opdrachten binnen het dynamisch aankoopsysteem vervalt. In plaats daarvan kunnen aanbestedende diensten direct de tot het systeem toegelaten ondernemers uitnodigen om in te schrijven op de specifieke opdracht. Hierdoor kunnen aanbestedende diensten gangbare producten sneller en efficiënter inkopen.
Contractuele wijziging
De jurisprudentie van het HvJ EU over de toelaatbaarheid van een wijziging van een overheidsopdracht gedurende de looptijd ervan is grotendeels gecodificeerd én aangevuld in Richtlijn 2014/24/EU. Uitgangspunt blijft dat een wijziging van een overheidsopdracht of raamovereenkomst tijdens de looptijd ervan noopt tot het volgen van een nieuwe Europese aanbestedingsprocedure. Uitsluitend in zes gevallen kan hiervan worden afgezien, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Zie hiervoor de artikelen 2.163a t/m 2.163g Aw.
Thema 3 – Verlaging administratieve lasten Elektronisch aanbesteden
Onder de gewijzigde Aw wordt elektronisch aanbesteden tussen aanbestedende diensten en ondernemers in uitgangspunt verplicht. Die verplichting gaat voor aanbestedende diensten in op 1 juli 2017 (zie
artikel 4.35 Aw) en voor aankoopcentrales op 18 april 2017 (zie artikel 4.34 Aw). Mondelinge communicatie is slechts toegestaan voor andere mededelingen dan die betreffende de essentiële elementen van een aanbestedingsprocedure, mits de inhoud van de mondelinge communicatie voldoende gedocumenteerd wordt.
Uniform Europees aanbestedingsdocument
Het Uniform Europees aanbestedingsdocument (UEA) vervangt de (Nederlandse) Uniforme Eigen Verklaring. De UEA is door de Europese Commissie vastgesteld en voor het invullen en genereren van het UEA kunnen aanbestedende diensten gebruik maken van een Europese webtool. Ook biedt het Ministerie van Economische Zaken een interactief pdf-formulier aan (nu nog in een betaversie). Nieuw is ook dat aanbestedende diensten het recht krijgen om al tijdens de procedure (alle of een deel van de) bewijsmiddelen op te vragen wanneer dit noodzakelijk is voor een goed verloop van de procedure (artikel 2.101 lid 1 en 2 Aw).
Thema 4 – Integriteit Belangenconflicten
Artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU bepaalt dat aanbestedende diensten passende maatregelen moeten nemen ter voorkoming van belangenconflicten. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 1.10a Aw. Hierin staat dat aanbestedende diensten geen opdracht mogen ontwerpen met het oogmerk om zich te onttrekken aan de toepassing van de wet of om de mededinging op kunstmatige wijze te beperken. Artikel 1.10b Aw implementeert vervolgens artikel 24 Richtlijn 2014/24/EU, waarin is verankerd dat aanbestedende diensten maatregelen dienen te nemen om belangenconflicten, fraude, corruptie en bevoordeling in het kader van aanbestedings- en concessieprocedures te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Het betreft geen nieuwe norm, maar slechts een wettelijke vastlegging.
juni 2016 |
73
Voorafgaande betrokkenheid
Met artikel 2.51 Aw wordt artikel 41 Richtlijn 2014/24/EU inzake voorafgaande betrokkenheid geïmplementeerd. Dit artikel bepaalt dat aanbestedende diensten passende maatregelen dienen te nemen ter voorkoming van vervalsing van de mededinging. Uitsluiting van deelneming aan de aanbestedingsprocedure volgt alleen als er geen andere middelen zijn om gelijke behandeling te verzekeren. Voorwaarde is wel dat de betrokken inschrijver de gelegenheid moet krijgen om te bewijzen dat de mededinging niet is verstoord.
Past performance
In de artikelen 2.86 en 2.87 Aw is – conform artikel 57 Richtlijn 2014/24/EU – het aantal verplichte en facultatieve uitsluitingsgronden uitgebreid. In de Memorie van Toelichting wordt de facultatieve uitsluitingsgrond past performance als majeure wijziging genoemd. Op grond hiervan kunnen ondernemers uitgesloten worden wanneer zij blijk hebben gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift van een eerdere overheidsopdracht én dit heeft geleid tot vroegtijdige beëindiging van die eerdere opdracht, tot schadevergoeding of tot andere vergelijkbare sancties.
Afzien van uitsluiting
Onder de Aw 2012 konden aanbestedende diensten afzien van toepassing van een dwingende of facultatieve uitsluitingsgrond in drie omstandigheden, bijvoorbeeld als een inschrijver naar het oordeel van de aanbestedende dienst voldoende maatregelen heeft genomen om het geschonden vertrouwen te herstellen (sub b). Deze grond vervalt onder de gewijzigde Aw en artikel 2.87a Aw is daarvoor in de plaats gekomen. Op grond van dit artikel dienen ondernemers de mogelijkheid te krijgen hun betrouwbaarheid te bewijzen tegenover de aanbestedende dienst indien uitsluiting dreigt. Het is vervolgens aan de aanbestedende dienst om te bepalen of het bewijs van betrouwbaarheid toereikend is. Indien dat niet het geval is, is de uitsluitingsgrond onverkort van toepassing.
74
| juni 2016
Thema 5 – Publiek-publieke samenwerking Quasi-inhouse
De uitzondering van “quasi-inhouse” is gecodificeerd en uitgewerkt in artikel 2.24a lid 1 Aw. In lid 2 is het beroep op deze uitzondering uitgebreid voor (i) opdrachtverlening “binnen het huis” van “links naar rechts” (bijv. tussen twee gecontroleerde zusterondernemingen) en (ii) opdrachtverlening “binnen het huis” van “beneden naar boven” (bijv. van dochter naar controlerende moeder). Ook kunnen aanbestedende diensten besluiten hun taken van algemeen belang gezamenlijk in een samenwerkingsverband te verrichten, zonder dat daarbij sprake is van een bepaalde rechtsvorm. Deze vorm van publiek-publieke samenwerking wordt aangeduid als horizontale samenwerking. Indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 2.24c Aw is voldaan, kunnen aanbestedende diensten buiten een aanbesteding om opdrachten aan elkaar verstrekken.
Thema 6 – Voorbehouden opdrachten Onder de gewijzigde Aw kunnen opdrachten worden voorbehouden aan sociale werkplaatsen, ondernemers die de maatschappelijke en professionele integratie van gehandicapten of kansarmen tot hoofddoel hebben en programma’s voor beschermde arbeid. Daarnaast is de doelgroep uitgebreid van gehandicapten naar ‘kansarmen’. Van deze mogelijkheid kan al gebruik worden gemaakt als ten minste 30% van de werknemers tot de doelgroep behoort in plaats van het merendeel van de werknemers. Zie hiervoor artikel 2.82 Aw.
Thema 7 – Sociale en andere specifieke diensten Het onderscheid tussen zogenaamde IIA-en IIBdiensten komt in de gewijzigde Aw te vervallen. De huidige IIB-diensten komen deels te vallen onder het reguliere aanbestedingsregime, deels worden zij uitgezonderd van de aanbestedingsplicht en deels
komen zij te vallen onder een aangepast verlicht regime, althans voor zover sprake is van een opdracht voor zo’n dienst met een waarde van € 750.000,- of meer (artikel 2.6a Aw). De diensten die onder het aangepaste verlichte regime vallen, zijn opgesomd in bijlage XIV van Richtlijn 2014/24/EU. Nieuw is dat voor de bijlage XIV-opdrachten met een waarde van € 750.000,- of meer een (voor)aankondiging verplicht wordt gesteld. Zie hiervoor de artikelen 74 e.v. Aw.
sectoropdrachten tot in beginsel acht jaar, om zo de mededinging te versterken. Het speciale-sectorbedrijf kan van dat maximum afwijken, mits die afwijking deugdelijk wordt gemotiveerd.
Thema 8 – Concessieopdrachten Onder Richtlijn 2004/18/EG was sprake van een beperkt aanbestedingsregime voor concessies voor openbare werken, terwijl concessies voor diensten waren uitgesloten. Wel gold, gelet op de jurisprudentie van de Europese rechter, dat het primaire gemeenschapsrecht verplichtte tot een passende mate van openbaarheid voor dienstenconcessies die interessant konden zijn voor een buitenlandse potentiële gegadigde. Richtlijn 2014/23/EU is daarentegen van toepassing op concessies voor werken én diensten waarvan de waarde € 5.225.000,- of meer bedraagt. Een concessieopdracht mag worden gegund voor de duur van vijf jaar. Een langere duur moet gemotiveerd worden en in dat geval dient de looptijd van de concessie beperkt te zijn tot de periode waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat de concessiehouder zijn investering, samen met een rendement, heeft terugverdiend. Een aanbestedende dienst heeft een grote vrijheid bij het inrichten van de procedure. Uiteraard dienen de algemene beginselen wel in acht te worden genomen.
Thema 9 – Speciale sectoren Als gevolg van een wijziging in het toepassingsbereik van de aanbestedingsrichtlijn voor specialesectoropdrachten (Richtlijn 2014/25/EU) regelt de gewijzigde Aw dat activiteiten met betrekking tot de exploratie van olie en gas en bepaalde postdiensten niet langer onder het toepassingsbereik van deel 3 van de wet vallen. Daarnaast maximeert de gewijzigde Aw de looptijd van een raamovereenkomst voor speciale-
juni 2016 |
75
76
| juni 2016
juni 2016 |
77
78
| juni 2016
G IJS
VAN
AT TO R N E Y PEL S
M I D D EN AT
L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
79
80
| juni 2016
Gijs van Midden
mr.
juni 2016 |
81
NAAR EEN AANSCHERPING VAN DE WET MARKT EN OVERHEID?
82
| juni 2016
the
De zogenoemde Wet Markt en Overheid, de in hoofdstuk 4b van de Mededingingswet neergelegde gedragsregels voor overheden wanneer zij marktactiviteiten ontplooien, is nu goed vier jaar van kracht. De wet kende een lange en wat moeizame bevalling en ook de eerste levensjaren verlopen niet zonder kinderziektes, en in ieder geval niet zonder discussie. Enerzijds werd getwijfeld aan de noodzaak om specifieke concurrentieregels voor overheden in het leven te roepen, anderzijds zou de wet vooral gericht zijn op “klein bier”, en door de vele uitzonderingen een ongeschikt wapen zijn om marktverstorend overheidsoptreden tegen te gaan. Toch klonken er van verschillende kanten klachten over vermeend oneerlijke (of vriendelijker: “ongelijke”) concurrentie door overheden. Overheden zouden te gretig gebruik maken van de mogelijkheid om marktactiviteiten omwille van het algemeen belang van de werkingssfeer van de wet uit te zonderen. Deze klachten werden vooral vertolkt door MKBNederland, VNO-NCW en de brancheorganisatie voor de watersportindustrie, HISWA. Deze laatste riep haar leden zelfs actief op om overheden kritisch te volgen en had op haar website zelfs een modelbrief geplaatst1 die haar leden kunnen gebruiken om overheden om hun zienswijze te vragen op de wet in relatie tot de exploitatie van de gemeentelijke jachthaven. Dat een aanzienlijk deel van de besluiten die de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in de afgelopen jaren 1 Zie website van de HISWA: http://www.hiswa.nl/hiswa.nl/up1/ZqrzrbdJG_MODELBRIEF_VOOR_LEDEN.pdf .
heeft genomen, betrekking had op de exploitatie van gemeentelijke jachthavens mag geen verbazing wekken. Al bij de aankondiging van de wet werd een tussentijdse evaluatie in het vooruitzicht gesteld. Onderzoeksbureau Ecorys kreeg de opdracht om de effectiviteit van de wet te onderzoeken en meer specifiek te bekijken in welke mate de wet bijdraagt aan het creëren van een gelijk speelveld tussen ondernemingen en overheden. Portée van haar in samenwerking met Bird & Bird opgestelde rapport is enerzijds dat ongelijke concurrentie door de overheid ervaren wordt als een groot (potentieel) probleem en is anderzijds dat de wet niet altijd optimale bescherming biedt door de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de in de wet neergelegde uitzonderingen. Er is dus ruimte voor verbetering.
De evaluatie van Ecorys
Het rapport2 begint met de ‘identificatie van het probleem’ en stelt daarbij de wezenlijke vraag waar en in hoeverre overheden feitelijk met ondernemingen in concurrentie treden. Naar eigen zeggen verricht 89% van de overheden marktactiviteiten3, waarbij het in de meeste gevallen gaat om de verkoop en verhuur van vastgoed en gronden, de exploitatie van sportaccommodaties en de exploitatie van ‘restcapaciteit’, waaronder ook de inzet van personeel en faciliteiten wordt verstaan. Andere marktactiviteiten die op enige schaal worden verricht bestaan uit het aanbieden van trainingen, inzameling van bedrijfsafval, uitvoeren van keuringen en exploitatie van horeca.4 De economische waarde van deze activiteiten loopt zeer uiteen, met jaaromzetten variërend van € 10.000,- tot € 10 miljoen.5 Circa 30% van de door Ecorys bevraagde ondernemers geeft aan sterke of zeer sterke concurrentie door 2 Ecorys en Bird&Bird, Evaluatie Wet Markt en Overheid, 6 augustus 2015, website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/08/06/valuatie-wet-markt-en-overheid-2012-2015 3 Rapport, p. 22. 4 Rapport, p. 23. 5 Daarbij valt het op dat een groot deel van de overheden niet weet welke omzet met het aanbieden van de marktactiviteiten gemoeid is. Zie rapport, p. 24-25.
juni 2016 |
83
overheden te ervaren. Nog eens bijna 29% geeft aan beperkte concurrentie te ervaren. 6 Daarbij moet worden aangetekend dat vooral ondernemingen die via brancheorganisaties zijn bevraagd aangeven deze concurrentie te ervaren, terwijl van de rechtstreeks door Ecorys bevraagde ondernemingen slechts 10% aangeeft sterke overheidsconcurrentie te ervaren en 67% zegt geen overheidsconcurrentie te ervaren of daar geen zicht op te hebben. 7 Deze verschillen zijn ook zichtbaar in de antwoorden die ondernemers geven op de vraag in hoeverre zij hinder ervaren van overheidsconcurrentie: waar maar liefst 75% van de via de brancheorganisaties bevraagde ondernemingen aangeeft (veel) hinder te ondervinden van overheidsconcurrentie, is dat percentage bij de rechtstreeks gevraagde ondernemingen slechts 24%. 48% van de laatste categorie zegt zelfs geen enkele hinder te ervaren. 8 De ervaren hinder is bovendien sterk afhankelijk van de sector waarin de overheid zich begeeft. Vooral in de onderwijssector, vastgoedsector en de zakelijke dienstverlening wordt overheidsconcurrentie als hinderlijk ervaren. 9
Verder wordt in het Ecorys-rapport uitgebreid stilgestaan bij de uitzondering voor activiteiten die in het algemeen belang worden verricht (neergelegd in artikel 25h, vijfde lid, Mw).12 Voor een beroep op deze uitzondering, moeten overheden een besluit nemen waarin zij motiveren waarom welke activiteiten omwille van het algemeen belang van de werkingssfeer van de wet moeten worden uitgezonderd. Volgens Ecorys heeft 75% van de overheden aangegeven één of meerdere activiteiten in het algemeen belang te verrichten en om die reden van de werkingssfeer van de wet uitgezonderd. Vooral gemeenten en provincies hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, vooral voor de exploitatie van sportvoorzieningen en de verhuur van vastgoed.13 Ecorys constateert dat niet in alle gevallen op een adequate wijze toepassing is gegeven aan deze uitzonderingsgrond. Zo blijken marktpartijen in beperkte mate betrokken te worden bij de vaststelling van de algemeen belang besluiten. Veel overheden hebben hun besluit een uitzondering voor bepaalde marktactiviteiten te creëren weloverwogen genomen, maar beschouwen de vaststelling van de algemeen belang uitzondering echter vooral als een “interne aangelegenheid”, waarbij primair gekeken is naar de bestaande gemeentelijke praktijk en het publieke belang. Overheden lijken daarbij vooral de wet te willen naleven, zonder dat de bredere doelstelling van de wet, het voorkomen van concurrentieverstoring, daarbij een belangrijke rol lijkt te spelen.14
Contrasterend met de door ondernemingen ervaren hinder, is de door overheden ingeschatte impact van hun marktactiviteiten op ondernemers. Hoewel dit niet met cijfers is onderbouwd, blijkt volgens Ecorys dat het besef dat overheidsdienstverlening mogelijk door marktpartijen als oneerlijk wordt ervaren, niet in alle geledingen van de overheidsorganisaties is doorgedrongen. De impact van overheidsactiviteiten op de markt schatten zij beperkt in of zien zij als inherent aan het daarmee te dienen algemeen belang. 10 Dit laatste zal mogelijk ook zijn ingegeven door het feit dat slechts 6% van de bevraagde overheden heeft aangegeven één of meerdere klachten over marktverstoring te hebben ontvangen, slechts 2% van de overheden is in het kader van klachten in aanraking gekomen met toezichthouder ACM. 11
Opvallend is ook dat in lang niet alle gevallen het algemeen belang besluit ‘volgens het boekje’ is genomen. Hoewel verreweg de meeste besluiten een concrete omschrijving van de activiteiten en een onderbouwing waarom de specifieke activiteit in het algemeen belang was bevatten, ontbrak bij 44% van de besluiten een onderbouwing van de wijze waarop het algemeen belang was afgewogen tegenover eventuele nadelige gevolgen.
6 Rapport, p. 27. 7 Rapport, p. 27. 8 Rapport, p. 29. 9 Rapport, p. 30-31. 10 Rapport, p. 31. 11 Rapport, p. 33.
12 Daarnaast wordt ook stilgestaan bij de uitzondering voor onderwijsinstellingen. Onderwijsinstellingen zijn van de Wet Markt en Overheid uitgezonderd, omdat daarvoor specifieke sectorregelgeving geldt. 13 Rapport, p. 45. 14 Rapport, p. 50.
84
| juni 2016
Slechts ca. 22% van de besluiten bevatten een beschrijving van het geografisch gebied en in slechts 10% was de algemeen belang uitzondering voorzien van een periodieke heroverweging of een maximumduur (5%). Hoewel ondernemingen en hun belangen dus weinig betrokken werden bij deze afweging, waren er maar weinig ondernemingen die tegen de algemeen belang besluiten zijn opgekomen: slechts tegen 4% van de besluiten werd een bezwaarschrift ingediend.
Wetsvoorstel van Minister Kamp
Bij Kamerbrief van 3 juni 201615 heeft Minister Kamp van Economische Zaken naar aanleiding van de evaluatie voorstellen gedaan tot aanscherping van de Wet Markt en Overheid. Hij ziet in de bevindingen van het rapport aanleiding om de Wet Markt en Overheid te handhaven. Dat was noodzakelijk gelet op de horizonbepaling in de oorspronkelijke wet, die de geldigheidsduur tot 1 juli 2017 beperkte. Belangrijker dan het besluit de geldigheidsduur van de wet te verlengen, is zijn voorstel om de algemeen belanguitzondering van artikel 25h, vijfde lid, Mw aan te scherpen. Er moeten specifieke motiveringsvereisten komen, en overheden moeten meer inspraak voor ondernemers vooraf organiseren. Met de verplichting om ondernemers goed bij het opstellen van de algemeen belang besluiten te betrekken en aandacht te besteden aan de concurrentienadelen die de ingeroepen uitzondering heeft voor ondernemers, hoopt Kamp de belangrijkste door Ecorys geconstateerde tekortkoming van de wet te repareren. Daarnaast wil Kamp met de betrokken stakeholders in gesprek over de wijze waarop de wet beter kan worden toegepast. Daarmee wil hij tegemoet komen aan het geconstateerde verschil in perceptie tussen enerzijds ondernemers en anderzijds overheden over de gevolgen van de door overheden verrichte marktactiviteiten.
15 Website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/06/03/kamerbrief-met-beleidsreactie-evaluatie-wet-markt-en-overheid
Kamp gaat niet zover als het voorstel dat VVD en D66 hebben gedaan in een initiatiefnota van oktober 201516. Deze twee partijen kwamen met een verbodstelsel, waarbij overheden alvorens zij marktactiviteiten oppakken, eerst moeten onderzoeken of de markt zelf tot een (kwalitatief) vergelijkbaar aanbod kan komen. Daarbij zou ook onderzocht moeten worden of de markt niet via aanbesteding en/of subsidieverlening bewogen kan worden om deze activiteiten te verzorgen. Slechts als de baten van de overheidsmarktactiviteiten opwegen tegen de door het overheidsoptreden veroorzaakte marktverstoring, mogen zij de markt op, zij het dat zij daarbij wel de reeds geldende gedragsregels van Markt en overheid in acht nemen. Een beroep op de algemeen belang uitzondering zou daarmee vervallen. Hoewel Kamp in het verbodsstelsel als voordeel ziet dat overheden worden gedwongen goed te kijken naar de gevolgen van hun marktoptreden voor ondernemers, acht hij een verbodstelsel niet wenselijk. Niet alleen zou dat tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid leiden, ook zou het overheden onnodig lastig maken economische activiteiten te verrichten, terwijl dit juist ook positief voor de welvaart kan zijn.
Commentaar
De conclusies van Ecorys zullen bij weinigen echt verbazing wekken. Dat marktactiviteiten van overheden marktverstorende effecten kunnen hebben, is een feit dat op zich nooit is betwist. Het is goed dat Ecorys’ onderzoek enig inzicht biedt in de mate waarin deze concurrentieverstoring wordt ervaren. De conclusie dat de helft van de bevraagde ondernemers hinder zegt te ervaren van marktactiviteiten van de overheid, is een uitkomst die wellicht niet iedereen had verwacht. Uiteraard is daarbij de kanttekening op zijn plaats dat deze geluiden vooral klinken van ondernemingen die via de brancheorganisaties zijn benaderd, die allicht door het activisme van de branche dit issue scherper op hun netvlies hebben. Dat neemt niet weg dat het feit dat een niet onaanzienlijk deel van de ondernemingen niet alleen concurrentie ervaart, maar deze ook als hinderlijk ervaart op zichzelf
16 KST 34 316, nr. 2.
juni 2016 |
85
genomen al reden genoeg zou moeten zijn om kritisch te kijken naar de manier waarop overheden economische activiteiten vormgeven en de mate waarin zij daarbij rekenschap geven van eventuele nadelige gevolgen voor marktpartijen. In dat opzicht is het kennelijke gemak waarmee overheden de algemeen belang uitzondering hebben toegepast een punt dat serieuze aandacht verdient. Het is een groot goed dat overheden niet in alle gevallen gehouden zijn om diensten die zij omwille van maatschappelijke belangen verrichten, tegen dusdanige voorwaarden aan te bieden dat deze niet meer op aanvaardbare voorwaarden kunnen worden aangeboden. De indieners van het amendement waarmee deze uitzondering in het leven is geroepen hebben niet zonder reden een zeer ruime beoordelingsvrijheid willen geven aan het hoogste politiek orgaan binnen de overheidsorganisatie, zoals de gemeenteraad of provinciale staten. Zij wilden de Wet Markt en Overheid daarmee bijkans facultatief maken. Om enige rechtswaarborgen te bieden, moeten deze algemeen belang uitzonderingen worden neergelegd in een besluit in de zin van de Awb, waartegen aldus de instrumenten van bezwaar en beroep open staan. Van deze instrumenten is, zo blijkt uit het onderzoek, echter maar weinig gebruik gemaakt. Het argument van MKB-Nederland en VNO-NCW dat ondernemers een gang naar de rechter niet aandurven omdat zij ook afhankelijk zijn van dezelfde overheid, zou misschien kunnen kloppen. Het verwijt dat een beroep weinig zin heeft, omdat de wet hen toch nauwelijks waarborgen biedt, is minder terecht. Zoals ook toegelicht in de Handreiking over de Wet Markt en Overheid die het Ministerie van Economische Zaken bij de inwerkingtreding van de wet heeft gepubliceerd, zijn overheden gehouden om een zorgvuldige afweging te maken tussen het nagestreefde algemeen belang en de belangen van ondernemers. Daarbij wordt overheden opgedragen inspraak te organiseren en inzichtelijk te krijgen wat de impact van hun besluit is voor de markt. Ondernemers hadden in voorkomende gevallen de algemeen belang besluiten kunnen aanvechten met het betoog dat hun
86
| juni 2016
concurrentiebelang onvoldoende was meegewogen. De in de Handreiking omschreven zorgvuldigheidseisen vloeien namelijk ook voort uit artikel 3:4 Awb en uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter had de besluiten dus langs deze lat kunnen toetsen. De vraag dringt zich daarom op in hoeverre het werkelijk nodig is om de voorgestelde verzwaarde motiveringseisen in de wet neer te leggen. Uiteraard is het nog niet duidelijk hoe deze norm in de Mededingingswet zal worden neergelegd, maar vraag is wel wat een wettelijke verankering toevoegt aan de reeds op overheden rustende zorgvuldigheidsnormen. Een voordeel van wettelijk omschreven voorbereidingseisen boven de toepassing van de algemene behoorlijkheidsbeginselen, is dat daarmee meer rechtszekerheid wordt gecreĂŤerd. Bij gebreke aan een adequate Wet Markt en Overheid, zouden ondernemers moeten terugvallen op een concurrentierechtelijke invulling van de algemene behoorlijkheidsnormen. Dat is denkbaar en zou passen binnen een zekere waarneembare tendens waarbij het economisch handelen van overheden wordt getoetst over de band van algemene behoorlijkheidsnormen die steeds vaker materieel worden ingevuld aan de hand van de (Europese) marktordeningsregels.17 Voor alle partijen, ook voor overheden, zou het daarom beter zijn om een adequaat stelsel aan geschreven rechtsnormen te hebben waaraan het handelen van de overheid kan worden getoetst. Voor overheden is het wetsvoorstel van Minister Kamp daarom een uitkomst waarmee zij zouden moeten kunnen leven. Kamp is niet gezwicht voor de druk van werkgeversorganisatie en voor die van zijn eigen partij om overheden aan een verbodsstelsel te onderwerpen. Of met zijn voorstel voldoende tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van ondernemers, moet worden afgewacht. Of de toezegging van Kamp om met de stakeholders in gesprek te gaan een voorbode is voor verdergaande aanscherpingen, valt te bezien, maar het toont wel aan dat de problematiek zal blijven ‘leven’. 17 Rb. Den Haag 30 december 2015, reeds aangehaald, r.o. 4.17-4.34.
juni 2016 |
87
88
| juni 2016
juni 2016 |
89
90
| juni 2016
M O N I Q UE AT TO R N E Y PEL S
D E AT
W I T TE L AW
R I JCKEN
D ROO GLEE VER
AT
& FO RTU IJN
juni 2016 |
91
92
| juni 2016
Monique de Witte
mr.
juni 2016 |
93
HYBRIDE
94
| juni 2016
the
Als advocaten bij Pels Rijcken verdedigen wij onder meer het Ministerie van Defensie en als je werkt op het terrein van het ambtenarenrecht, de Minister van Defensie als werkgever. In de zaken die op het terrein van het ambtenarenrecht worden behandeld gaat het altijd direct over de mensen die bij Defensie werken. Defensie is een arbeidsorganisatie van bijzondere aard. Defensie staat voor onze vrijheid, het handhaven van de internationale rechtsorde en helpt als zich rampen voordoen. Daar waar defensieonderdelen in actie komen zijn letterlijk levensbelangen aan de orde. De mensen van Defensie zoals wij ze kennen, staan voor hun taak en worden gekenmerkt door een grote betrokkenheid en idealisme. Bij Defensie werken zowel burgerambtenaren op wie de ‘gewone’ Ambtenarenwet 1929 en daarop gebaseerde regelingen van toepassing zijn, als militaire ambtenaren op wie de Militaire Ambtenarenwet en de daarop gebaseerde regelingen van toepassing zijn. De grondslag van beide regelingen is artikel 109 Grondwet waar is bepaald dat de wet de rechtspositie van Ambtenaren regelt, inclusief regels over de bescherming bij de arbeid en medezeggenschap. Voor de krijgsmacht zijn overigens nog aparte bepalingen in de Grondwet opgenomen, zoals in artikel 98 lid 2 Grondwet de bepaling dat de regering het oppergezag over de krijgsmacht heeft. Die bepaling doet echter niet af aan de bevoegdheden van de wetgever ten aanzien van het regelen van de rechtspositie van zowel militaire als burgerambtenaren en evenmin aan de bevoegdheden van de Minister als bevoegd gezag in ambtenaarrechtelijke zin. Militairen zijn nadrukkelijk uitgezonderd van de brede definitiebepaling van het begrip ambtenaar in de Ambtenarenwet 1929. Voor hen geldt exclusief de Militaire Ambtenarenwet. Tussen de burgerlijke en militaire rechtspositie bestaat een aantal belangrijke
verschillen, die zijn terug te voeren op de bijzondere taken van de krijgsmacht. Dat blijkt al direct aan het begin van Militaire Ambtenarenwet uit de mogelijkheid dat de Minister in buitengewone omstandigheden met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van de krijgsmacht kan afwijken van de bepalingen van de wet. Nood breekt wet en de wet zelf voorziet daarin, zodat ook het breken van de wet een wettelijke grondslag heeft. Daarmee wordt in feite dus de wet niet gebroken, ook niet in nood. Het bekleden van een militaire functie is bepaald niet vrijblijvend. Militairen “dienen” het land en die dienstbaarheid komt ook tot uitdrukking in verplichtingen die de Militaire Ambtenarenwet geeft op het punt van taakuitoefening overal ter wereld en het moeten aanvaarden van opgedragen taken ook als ze niet tot zijn functie behoren. Een militaire functie kun je niet gaan bekleden en dan even kijken of het bevalt. Afhankelijk van je functie ben je verplicht om vier, zeven of tien jaar te blijven en een ontslagverzoek kan worden geweigerd. Het procesrecht voor militairen wijkt af van de Algemene wet bestuursrecht die voor alle ambtenaren geldt. De termijn voor het instellen van rechtsmiddelen en de samenstelling van de rechtbank in militaire ambtenarenzaken verschillen. Op die manier is gewaarborgd dat een militair ook als hij in het buitenland verkeert op tijd een rechtsmiddel kan aanwenden. Hij heeft langer dan de standaard zes weken bezwaar- en beroepstermijn die de Algemene wet bestuursrecht toekent. Bovendien wordt een beroep ingesteld door een militair beoordeeld door een rechtbank waarin ook een militair vertegenwoordigd is. Op die manier is gewaarborgd dat de desbetreffende rechtbank het werk van de militair en de omstandigheden waaronder het moet worden verricht ook van binnenuit kent. Voor militairen eist de wet voorts een wettelijke regeling van de bevordering en het reguleren van instroom, doorstroom en uitstroom, waaronder ook een regeling voor het maximum aantal jaren dat een militair in een rang mag dienen. Militairen zijn verplicht
juni 2016 |
95
mee te werken aan onderzoek op gebruik van alcohol en verdovende middelen. Ten aanzien van het gebruik van alcohol geldt dit overigens alleen tijdens de dienst. Ten aanzien van verdovende middelen is het beleid van Defensie uitermate streng. Bezit en gebruik daarvan kwalificeert als wangedrag in de zin van het Algemeen militair ambtenarenreglement en leidt al snel tot strafontslag. Militair ambtenaren moeten per definitie Nederlander zijn. Voor burgerambtenaren geldt dit alleen als zijn een vertrouwensfunctie bekleden. Voor militairen geldt, juist gelet op de noodzaak zicht te hebben op de inzetbaarheid, een specifieke regeling ten aanzien van de aan hen te verlenen gezondheidszorg door de militair geneeskundige dienst. Op één punt bevat de huidige Militaire Ambtenarenwet ook regels voor burgerambtenaren. Dit betreft een beperking op het stakingsrecht. De militair mag niet staken. Wel mag een militair deelnemen aan andere vormen van collectieve actie tenzij dit de operationele inzet van de krijgsmacht kan verstoren of belemmeren. Burgerambtenaren aangesteld bij Defensie kennen echter ook op grond van de Militaire Ambtenarenwet een beperking op het stakingsrecht. Geen volledige uitsluiting daarvan zoals militairen die kennen maar wel een beperking die ertoe strekt verstoring of belemmering van de operationele inzet van de krijgsmacht te vermijden. Deze regeling onderstreept de verwevenheid van de taken van burgers en militairen binnen Defensie. Hoe logisch de verschillen in rechtspositie ook voortvloeien uit de aard van de taken van militaire ambtenaren, toch roepen verschillende rechtsposities en daarmee twee kenbaar verschillenden groepen medewerkers binnen één organisatie ook vragen op. In 1989 schreef de minister van Defensie aan de Kamer: “Waar het om gaat is, dat het besef ontstaat dat èn burgers èn militairen voor Defensie onmisbaar zijn. Een goed defensieprodukt behoort het resultaat te zijn van een samenwerking die zijn grondslag vindt in wederzijds respect en begrip voor onvermijdelijke verschillen.”1 1 Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 300 X, nr. 55
96
| juni 2016
In 2015 verscheen in de Militaire Spectator2 een artikel over de werkrelaties tussen militairen en burgerpersoneel bij Defensie. Uitgangspunt van dit artikel is hetzelfde als dat wat de Minister eerder in de richting van de Kamer verwoordde. De werkrelaties zijn van belang voor het effectief functioneren van Defensie. En uiteindelijk gaat het daar toch om. Uit dit artikel blijkt dat de onderzoekers naast verschillen in rechtspositie tussen burgers en militairen culturele verschillen zijn tegengekomen tussen militaire en burgerambtenaren. Dat leidde overigens niet tot serieuze problemen in de werkrelaties tussen burgers en militairen. Uitsluitend tot aandachtspunten. Het wetsontwerp ‘Wet normalisering rechtspositie ambtenaren’ had de verschillen kunnen vergroten maar dankzij het gewijzigd amendement Kerssen zal dat, indien dit wetsontwerp dat ten tijde van het schrijven van deze bijdrage aanhangig is bij de Eerste kamer, tot wet wordt verheven, niet het geval zijn. De Minister van Defensie krijgt de bevoegdheid burgerlijke ambtenaren aan te stellen. Die bevoegdheid wordt opgenomen in een nieuwe titel IVa van de Militaire Ambtenarenwet. In de toelichting is opgenomen: “Met het huidige wetsvoorstel worden er binnen Defensie twee rechtsposities gecreëerd. Militair defensiepersoneel behoudt de publiekrechtelijke rechtspositie, terwijl burgerlijk defensiepersoneel een private rechtspositie krijgt, ondanks dat het in de praktijk onmogelijk is voor beide groepen om zonder elkaar te functioneren. De indieners achten het daarom onwenselijk om twee systemen naast elkaar te creëren. Daarom wordt met dit amendement – in navolging van het militair defensiepersoneel – ook het burgerlijk defensiepersoneel uitgezonderd van de wet.” De beproefde balans in het hybride rechtspositionele stelsel bij Defensie wordt derhalve niet gewijzigd. Dat is een verstandige keuze gezien het grote belang van de harmonieuze samenwerking binnen Defensie.
2 http://www.militairespectator.nl/thema/bedrijfsvoering/artikel/werkrelaties-tussen-militairen-en-burgerpersoneel-bij-defensie
juni 2016 |
97
98
| juni 2016
GERT
SOUER
AT TO R N E Y
AT
KO N I N K LIJKE
L AW
AT
MAR I N E
juni 2016 |
99
JURIST BIJ DE KONINKLIJKE MARINE
100
| juni 2016
the
De Noordzee, 57° noorderbreedte, 4° oosterlengte, temperatuur minus 3°C, windkracht 8 bft: Gevechtsvliegtuigen die met donderend geraas laag over scheren, missiles die met twee keer de geluidssnelheid op je worden afgevuurd, onderzeeboten die op de loer liggen……. dit terwijl het fregat waar je zelf op zit in een onstuimige zee, voortdurend met maximale vaart manoeuvrerend, bezig is de vijand te verslaan; probeer in die omstandigheden maar eens binnen korte tijd een afgewogen juridisch advies aan de commandant van een oorlogsschip te geven over het wel/ niet afvuren van een torpedo of een ander geleid wapen. Golf van Aden, 110 zeemijlen van de kust van Somalië, temperatuur 34°C: vanuit Zr. Ms. Holland wordt de FRISC te water gelaten met daarin 8 mariniers die een piratenbootje gaan aanhouden, vanuit het Ministerie van Defensie komen juridische vragen over de actie, er kan geen contact worden gemaakt met de officier van justitie in Nederland voor de noodzakelijke toestemming, de commandant wil weten wat zijn Rules of Engagement zijn, en het openbaar ministerie op de Seychellen meldt opeens aan het schip dat het de vervolging van de eventueel aangehouden piraten toch niet wil overnemen….. iedereen aan boord kijkt naar de jurist: doorgaan met de actie of afbreken? Zie dan maar eens het hoofd cool te houden!
Toch zijn dit twee realistische voorbeelden van de omstandigheden waaronder militair-juristen bij de Koninklijke Marine hun werk doen. Zij worden operationeel ingezet als Legal Advisor (LEGAD) omdat bij militaire operaties het belang van een gedegen juridisch advies sterk toeneemt. Over het algemeen zijn dit maritieme operaties. Voorbeelden hiervan zijn amfibische operaties samen met het Korps Mariniers -, embargo operaties waar de lading van schepen gecontroleerd wordt op contrabande, Counter-drugs operaties in het Caribisch gebied en anti-piraterij operaties voor de kust van Somalië. Uiteraard gaat de marinejurist ook mee bij het beoefenen van dergelijke operaties, bijvoorbeeld als het Korps Mariniers op bergtraining gaat in Schotland of koud-weertraining in Noorwegen. Daarnaast worden onze juristen ook ingezet bij landoperaties, al dan niet in samenwerking met eenheden van de andere krijgsmachtdelen. Dit gebeurde onder meer in Irak, Afghanistan, Zuid-Soedan en de Centraal Afrikaanse Republiek. De Koninklijke Marine en haar personeel worden immers wereldwijd ingezet; op- en vanuit zee. Dit geldt zeker ook voor de militair-juristen. Juristen maken sinds jaar en dag deel uit van de Nederlandse krijgsmacht. Bij de land- en luchtmacht zijn deze militair juristen van oudsher verenigd in een apart dienstvak, de Militair Juridische Dienst. Bij de Koninklijke Marine (formeel: Commando Zeestrijdkrachten, CZSK) bestaat geen apart dienstvak voor juristen. De marinejuristen behoren tot het Korps officieren van de Logistieke Dienst (LD). De meesten van hen zijn aangenomen als en op het Koninklijk Instituut voor de Marine opgeleid tot Officier van de Logistieke Dienst (LD). Als LD Officier geef je in steeds wisselende functies leiding aan de logistieke keten bij de vloot of het Korps Mariniers. Marinejuristen vervullen afwisselend juridische en reguliere logistieke functies Afgezien van operationele inzet ten behoeve van oefeningen, uitzendingen of andere ernstinzet, houden militair-juristen bij de Koninklijke Marine zich bezig met het (militair) straf- en tuchtrecht, het internationale recht (waaronder het humanitair oorlogsrecht) en het bestuursrecht.
juni 2016 |
101
Elke paar jaar wisselen zij van functie en doen zo ruime ervaring op deze verschillende vakgebieden. Om hun kennis op peil te houden, worden er verschillende (inter)nationale opleidingen en cursussen gevolgd, waaronder het specialisatietraject Militair Recht aan de UvA en diverse cursussen aan het International Institute of Humanitarian Law in San Remo, Italië. Tegenwoordig werken de meeste marinejuristen in Den Helder. De kern wordt gevormd door de Afdeling Juridische Zaken CZSK. Van daaruit wordt de Commandant der Zeestrijdkrachten op alle juridische terreinen geadviseerd. Daarnaast vervult een aantal marinejuristen functies bij defensieonderdelen elders in het land én is er permanent een marinejurist geplaatst op Curaçao als juridisch adviseur van de Commandant Zeemacht in het Caribisch Gebied. Mede door de steeds wisselende functies en de regelmatig terugkerende uitzendingen en varende periodes heeft de militair-jurist bij de Koninklijke Marine een zeer afwisselende, enerverende en uitdagende baan!
102
| juni 2016
MILITAIR-JURIST BIJ DE KONINKLIJKE MARINE JE MOET HET MAAR KUNNEN!
juni 2016 |
103
104
| juni 2016
juni 2016 |
105
QUESTIONS & ANSWERS
106
VRAAG VAN REINOUT STERK AAN MONIQUE DE WITTE EN SANNE TIMMERMANS Wat is de meest interessante zaak die je voor Defensie gedaan hebt?
Pels Rijcken wordt door het ministerie van Defensie ingeschakeld voor uiteenlopende zaken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kwesties waarin een ambtenaar Defensie aansprakelijk stelt voor (letsel) schade opgelopen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Die zaken zijn altijd bijzonder, omdat de kwestie vaak grote impact heeft op de betrokkene. Een andere interessante kwestie is die van de zogenoemde AOW-gat problematiek. Daar ligt de vraag voor of het eindigen van de uitkeringen voor defensiemedewerkers bij 65 jaar verboden leeftijdsonderscheid oplevert. De Centrale Raad van Beroep zal hierover binnenkort uitspraak doen.
VRAAG VAN JOSINE KOOPMAN AAN MEINE DIJKSTRA Tijdens ons gesprek kwam een zekere affiniteit met varen naar voren. Wat is uw mooiste nautische ervaring bij Defensie? Wat hoopt u nog een keer mee te mogen maken?
Tijdens mijn dienstplicht was ik vaandrig bij de destijdse Directie Personeel van de KL. Dat was een leuke tijd, maar van varen is er toen natuurlijk niet veel terecht gekomen. Wat na ons bezoek aan Zr Ms Tromp natuurlijk heel leuk zou zijn is een dagje meevaren op de Tromp. Maar als zeiler zou ik het misschien nog wel leuker vinden om een keertje mee te mogen op Zr Ms Urania.
VRAAG VAN JOSINE KOOPMAN AAN CAROLA JONGENS Als advocaat heeft u meermaals de staat bijgestaan in personenschadezaken, zowel met individuele claims als bij de afwikkeling van grote rampen. In hoeverre is het werk van een landsadvocaat voor defensie door de jaren heen veranderd?
U heeft mij de vraag voorgelegd in hoeverre het werk van een landsadvocaat voor Defensie door de jaren heen is veranderd. Wellicht goed om eerst op te merken dat er maar één landsadvocaat is. Sinds 1999 is dat Bert-Jan Houtzagers. Daarnaast zijn er twee plaatsvervangend landsadvocaten werkzaam bij Pels Rijcken. Ik ben natuurlijk wel al jaren als advocaat op het kantoor van de landsadvocaat werkzaam onder meer voor Defensie. Als ik terugkijk op die periode is het werk voor Defensie inhoudelijk niet echt veranderd, maar er is maatschappelijk gezien wel meer aandacht gekomen voor de positie van het slachtoffer. Zo hebben verzekeraars allerlei gedragscodes ontwikkeld om de behandeling van een letselschadezaak binnen bepaalde termijnen en op een goede manier te laten verlopen. Verder wordt in procedures vaak de mogelijkheid geboden mediation te beproeven als alternatieve geschillenoplossing. De wetgever en de rechter hebben de afgelopen decennia de juridische positie van het slachtoffer door wetgeving en gunstige jurisprudentie ook versterkt. Zo heeft bijvoorbeeld een (overheids)werknemer een sterke juridische positie wanneer hem tijdens de werkzaamheden een ongeval overkomt. Voor de behandeling van claims tegen de overheid is van belang dat de Nationale ombudsman in 2011 een rapport heeft uitgebracht waarin de Nationale ombudsman stelt het belangrijk te vinden dat de overheid bij de behandeling van claims niet alleen kijkt naar de juridische kant van de claim, maar ook naar de behoorlijkheid en de overheid aanspoort juridische procedures zo mogelijk te vermijden bijvoorbeeld door gebruik te maken van effectief onderhandelen en mediation. Deze ontwikkelingen hebben dus gevolgen voor de wijze waarop met de claims die tegen Defensie worden ingesteld moet worden omgegaan. In die zin is er wel sprake geweest van een verandering van de inhoud van het werk.
maart 2016 |
107
108
| juni 2016
juni 2016 |
109
VRAAG VAN WILLIANNE KOOIJMAN AAN RUBEN WIEGERINK Wat maakt het kantoor landsadvocaat anders dan een ander advocatenkantoor?
Pels Rijcken is het kantoor van de landsadvocaat. De landsadvocaat, Bert-Jan Houtzagers, is een van de ruim 130 advocaten van het kantoor. Pels Rijcken is eigenlijk een advocatenkantoor als ieder ander, met dat verschil dat de grootste cliënt van het kantoor de Staat is. Net als veel bedrijven en organisaties maakt de Staat gebruik van een vaste, externe advocaat, die werkt volgens de regels die gelden voor alle advocaten in Nederland. De landsadvocaat is niet in dienst van de Staat. De verplichtingen die gelden voor de landsadvocaat gelden ook voor zijn kantoorgenoten. Daarnaast werken de advocaten van Pels Rijcken ook voor andere cliënten. De landsadvocaat en zijn kantoorgenoten treden nooit tegen de Staat op. De landsadvocaat en zijn kantoorgenoten vertegenwoordigen de Staat veel in procedures. Naast procederen wordt er geadviseerd en juridische bijstand verleend in grote projecten. Uiteraard kunnen adviezen over te voeren procedures, te sluiten contracten of voorgenomen besluiten raken aan beleidsvragen. Als dit aan de orde is, handelt de landsadvocaat net zoals voor een andere cliënt. De advocaat kijkt naar de juridische aspecten. Hij adviseert over de proceskansen en procesrisico’s, de mogelijkheid om in of buiten rechte tot een schikking te komen en de processtrategie. De cliënt neemt de beslissingen. Het beleid wordt niet bepaald door de (lands)advocaat.
VRAAG VAN GERT SOUER AAN GIJS VAN MIDDEN EN SANNE GROENWOLD Het Ministerie van Defensie, en dus ook de Koninklijke Marine, zet regelmatig opdrachten in de markt. Denk bijvoorbeeld aan een opdracht voor het uitvoeren van onderhoud aan een marineschip of aan een opdracht voor het leveren van buitenboordmotoren. In hoeverre spelen het aanbestedingsrecht en het mededingingsrecht daarbij een rol? Bij verstrekken van werken, leveringen en diensten door de overheid zijn zowel het aanbestedingsrecht als het mededingingsrecht relevant. Het aanbestedingsrecht ziet primair op de procedurele en inhoudelijke relatie tussen de overheid als opdrachtgever en de zich in de markt bevindende aanbieders van goederen of diensten. Overheid en markt staan in zoverre in een verticale relatie tot elkaar. Bij het organiseren van een aanbesteding gaat het er om een zodanige ‘tijdelijke markt’ te creëren dat daardoor een optimale marktwerking wordt bereikt. Daarmee realiseert de overheid dat zij tegen optimale voorwaarden goederen of diensten inkoopt. Het mededingingsrecht ziet daarentegen op de relatie tussen aanbieders onderling, die als concurrenten in een horizontale relatie tot elkaar staan. Van belang is dat aanbieders hun (onderlinge) concurrentie op de markt niet belemmeren. Bij aanbestedingen moeten beide relaties in evenwicht te zijn. Zonder effectieve concurrentie op de markt waarop de overheid inkoopt, wordt een aanbesteding illusoir. Schenden inschrijvers op een aanbesteding het mededingingsrecht, dan wordt er vaak ook een inbreuk gemaakt op de algemene beginselen van aanbestedingsrecht. Dit kan ertoe leiden dat inschrijvers van de aanbesteding worden uitgesloten. Ook riskeren zij aanzienlijke boetes van kartelwaakhond ACM (tot 10% van de jaaromzet of zelfs hoger als het kartel meerjarig is).
110
| maart 2016
VRAAG VAN ROGIER BRUIN AAN MARIJE SCHNEIDER EN RUBEN VAN ARKEL Jullie specialisatie is (o.a.) het ambtenarenrecht, waar wij als militairen uiteraard ook onder vallen. De rechtspositie van (militair) ambtenaren verschilt op een aantal belangrijke onderdelen van die van werknemers met een arbeidsovereenkomst. Op dit moment ligt het initiatief-wetsvoorstel ‘Normalisering rechtspositie ambtenaren’ bij de Eerste Kamer, een voorstel dat overigens niet van toepassing is op de rechtspositie van de militair ambtenaar. Wat vinden jullie van deze ontwikkeling en van het feit dat deze normalisering de status aparte van militairen onverlet laat? Het wetsvoorstel normalisering rechtspositie ambtenaren heeft, als het wordt aangenomen, een enorme impact op vrijwel alle overheidsorganisaties en zeker ook op ons werk als ambtenarenrechtjuristen. Het wetsvoorstel is inmiddels in de laatste fase van het wetgevingsproces beland. Eind september 2015 werd het voorstel in de Eerste Kamer behandeld. Het is nog niet zeker of het wetsvoorstel wordt aangenomen; de senaat was behoorlijk kritisch. De vraag werd gesteld of er wel een probleem was wat met dit wetsvoorstel wordt opgelost en of de kosten van invoering wel verantwoord zijn gelet op de baten van het wetsvoorstel. Als de normalisering doorgang vindt, betekent dit dat ongeveer een half miljoen ambtenaren zullen gaan vallen onder het civiele arbeidsrecht. Wij vinden het wetsvoorstel op zichzelf een logisch gevolg van de beweging die het arbeids- en het ambtenarenrecht door de decennia heen naar elkaar toe hebben gezet. Verschillende wetten, zoals de Wet op de ondernemingsraden, de Wet arbeid en zorg, Arbeidstijdenwet en de sociale zekerheidswetten zijn zowel op ambtenaren als op werknemers van toepassing. Met de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 is bovendien het ontslagrecht van het arbeidsrecht trekken gaan vertonen van het ambtenarenrecht. Dat vereenvoudigt de normalisering behoorlijk. Tegelijkertijd zien we dat een grote groep ambtenaren van de normalisering wordt uitgezonderd. Aanvankelijk wilden de indieners van het wetsvoorstel slechts 5% van de ambtenaren van de normalisering uitzonderen: het wetsvoorstel zoals dat nu bij de Eerste Kamer aanhangig is, zondert echter ruim 25% van de ambtenaren uit. Wij vragen ons af of het wetsvoorstel daarmee niet zijn doel voorbij schiet. Militaire ambtenaren vallen inderdaad niet onder het wetsvoorstel. Aangezien militairen aan bijzondere eisen moeten voldoen en hun rechten verder dan die van anderen worden beperkt, achten wij dat niet onlogisch. Militairen moeten voldoen aan zware eisen die niet gelden voor ´normale´ werknemers. Zij mogen bijvoorbeeld niet staken wanneer dat de inzet van de krijgsmacht zou verstoren of belemmeren. Personeel van defensie kan worden ingezet gedurende internationale vredesmissies en voor de verdediging en bescherming van de belangen van het Koninkrijk. Om deze reden moet de krijgsmacht de personeelsinzet kunnen garanderen en moeten militairen zonder instemming kunnen worden uitgezonden naar gebieden overal ter wereld. Volgens de indieners van het wetsvoorstel zouden militairen wél onder de normalisering kunnen vallen, wanneer hun speciale status in afzonderlijke wetgeving zou worden vastgelegd. Dit heeft echter zoveel voeten in aarde dat de publiekrechtelijke aanstelling van de militaire ambtenaren voorlopig nog niet wordt afgeschaft. Wanneer in de toekomst alle bijzondere regels die voor militairen gelden op adequate wijze wettelijk zijn geregeld, zouden militairen alsnog onder de normalisering kunnen worden gebracht.
maart 2016 |
111
112
| juni 2016
FR AN K
LEN S S EN
CA P TAIN AT
LIEU T EN A N T
S E A
KO N I N K LIJKE
MAR I N E
juni 2016 |
113
114
| juni 2016
Frank Lenssen
capt.
juni 2016 |
115
QUESTIONS & ANSWERS B Y
116
F R A N K
De marine is o.a. belast met het handhaven van de (internationale ) rechtsorde. Welke rol speelt het recht in uw dagelijks werk?
Het recht speelt altijd een rol in mijn dagelijks werk. Ik ben verantwoordelijk voor een bemanning en het bijbehorende platform, dat overal ter wereld inzetbaar is en een aanzienlijk slagkracht kan genereren. Mijn verantwoordelijkheid voor zowel het beheer als de inzet van Zr.Ms. Tromp brengt mij in aanraking met verschillende vormen van recht (onder andere Zeerecht, Oorlogsrecht, maar ook bestuursrecht en tuchtrecht). Het recht is in die zin feitelijk een rode draad in alles wat wij als militairen ondernemen. Of dat nu tijdens gewone werkzaamheden is, of tijdens inzet. Grofweg onderscheid ik drie gebieden waarop het recht voor ons een belangrijke rol speelt. In de eerste plaats omdat wij als eenheid een onderdeel zijn van de Krijgsmacht en dus een onderdeel zijn van het geweldsmonopolie dat bij de staat berust, kent al ons handelen een formele rechtsgrond. Of dat nu bij nationale inzet is onder de Politiewet (en wij dus vallen onder de Minister van V&J), bij inzet in het Caribische Gebied na goedkeuring door de Rijksminister Raad of tijdens Internationale inzet, waarbij de rechtsgrond wordt gevormd door bijvoorbeeld een VN-resolutie. Ook afspraken vastgelegd in Memoranda of Understanding (MOU’s) of Status of Forces Agreements (SOFA’s) zijn voor ons van groot belang. Het bepaalt bijvoorbeeld wie jurisdictie heeft over mijn bemanningsleden in het buitenland of wat ik wel of niet mag in de territoriale wateren van andere landen. Daarnaast wordt al ons optreden getoetst aan de Rules of Engagement (ROE), of dat nu tijdens vredestijd voor de Nederlandse kust is, of tijdens inzet in crisisgebieden. Niet in de laatste plaats gelden dan voor ons ook nog de bepalingen zoals opgenomen in bijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Humanitair Oorlogsrecht en de Conventies van Geneve. In de tweede plaats vormt de zee ons werkterrein, en daar zijn ook de nodige juridische bepalingen van kracht, waaronder het UNCLOS (Recht van de Zee) waarin de territoriale en maritiem economische aanspraken verwoord zijn, maar waar ook het aanpakken van piraterij bijvoorbeeld in is opgenomen. Daarnaast geeft het feit dat wij een Nederlands oorlogsschip zijn ons ook nog de nodige bevoegdheden op volle zee (bijvoorbeeld in overleg met de Officier van Justitie in Nederland) ten opzichte van andere Nederlands gevlagde schepen. Als laatste vormen de Militaire Ambtenaren Wet en het Militair straf- en tuchtrecht een bijzondere set van wetgeving, specifiek opgesteld voor het bijzondere karakter van het militaire beroep en geeft daarmee een afwijkende invulling aan de rechtspositie van de militair ten opzichte van de ‘burger. Zo kent de militair bijvoorbeeld berechting door de Militaire Kamer van de Rechtsbank, in het geval er sprake is van een misdrijf. Op deze wijze wordt er expliciet rekening gehouden met het feit dat de militair een bijzondere positie bekleedt in de Nederlandse maatschappij.
Hoe is het mogelijk om indien op zee acties moeten worden uitgevoerd, in volle actie toch binnen de grenzen van het recht te (blijven) opereren? Welke systeemwaarborgen gelden daarvoor?
Allereerst is het belangrijk te weten wat de grenzen van het recht zijn en hoe deze bepalend kunnen zijn in ons handelen in de verschillende situaties. Dat vergt een zeer gedegen voorbereiding van de operatie. Dat doen we dan ook in aanloop naar de verschillende operaties, niet alleen binnen mijn team , maar vooral ook met Legal advisors (LEGAD). Voor missies wordt deze juridische grondslag voorbereid op het Ministerie van Defensie, waar juristen nagaan waar onze bevoegdheden beginnen en waar zij eindigen. Er dient altijd een rechtsgrond aanwezig te zijn, anders kan er geen optreden van de Nederlandse Staat (in concreto dus Zr. Ms. Tromp) plaatsvinden. Sommige van deze regelgeving is dus echt vastgelegd in altijd geldende bepalingen, zoals het Recht van de Zee, maar soms is het vastgelegd in een resolutie van de VN Veiligheidsraad of is het een bi-of multilaterale afspraak tussen landen en/of organisaties. Zo ligt er bijvoorbeeld een afspraak tussen de Somalische Regering en de EU, die ons wettelijk de mogelijkheid geeft om te treden tegen piraten binnen de territoriale wateren van Somalië.
maart 2016 |
117
Tijdens de voorbereidingen op onze uitzending of acties proberen we zo concreet mogelijke reële situaties te schetsen waarin we het recht moeten toepassen om richting te geven in ons handelen. De Rules of Engagements (ROE) zijn daarbij eigenlijk ons ‘juridisch handboek’. Deze ROE zijn getoetst door juristen en geven mij als commandant de grenzen en de handvatten voor mijn handelen. Daarbij definiëren we “tripwires” die bij het waarnemen hiervan een aanwijzing zijn voor ons handelen. Dat kunnen hele concrete zaken zijn als bijvoorbeeld het aanzetten van een vuurleidingsradar door een mogelijke opponent. Dit kan in bepaalde situatie een duidelijke aanwijzing zijn van de intenties van de opponent , waardoor we juridisch onderbouwd vervolgmaatregelen kunnen nemen. In sommige operaties kan de commandant gebruik maken van het advies van een LEGAD aan boord en ook is het mogelijk telefonisch juridisch overleg te voeren met juristen van het Ministerie van Defensie en/of het Openbaar miniserie. In zeer troebele situaties waarbij een dreiging zich zeer snel opbouwt zal een commandant snel moeten handelen en wordt hij/zij gedwongen een snelle afweging te maken of de mogelijke acties binnen de grenzen van het recht (inclusief het recht van zelfverdediging) vallen. De commandant moet dan terugvallen op de gedegen voorbereiding en basiskennis van de grenzen van het recht waarbinnen een Nederlands militair mag handelen.
Op welke wijze handhaaft u de orde intern op het schip? Is het treffen van disciplinaire maatregelen wat u betreft een regulier instrument of een soort laatste redmiddel?
Alle leden van Team Tromp zijn professionals. In mijn ogen impliceert dat direct een bepaalde attitude van het personeel. We doen dit werk voor ons beroep, we willen ons werk goed doen, want daar heeft de belastingbetaler immers recht op. Gezien de gevaren die ons beroep kan inhouden kan je dan ook maar beter de beste zijn in ons vak. Dat betekent dat iedereen in het team er toe doet, iedereen essentieel is voor het bereiken van ons product, maar vooral goed samenwerkt en zich bewust is van zijn rol in het team. Ik verlang dan ook dat elk teamlid zich hiervoor volledig inzet en dat omzet in professioneel (gedisciplineerd) gedrag. Ik ben me er ook van bewust dat ik veel jonge mensen aan boord heb die nog niet concreet weten wat dit nu inhoudt en we zullen dus veel moeten investeren in het opleiden maar vooral ook “opvoeden” van onze teamleden. Maar Opvoeden is soms een weerbarstig proces en het nemen van disciplinaire maatregelen is soms een middel om het creëren van een professionele beroepshouding kracht bij te zetten. Niet alleen om de betrokkene te corrigeren of iets bij te brengen, maar ook om het team het vertrouwen te geven dat het mij menens is om een professioneel team in stand te houden. Geen leuke maatregelen om te nemen, maar soms wel nodig.
Aan welke gebeurtenis in uw loopbaan denkt u met het meeste plezier terug?
Toen ik in 2003 voor het eerst als commandant met een schip (de mijnenjager Hr.Ms. Willemstad) naar zee ging, ervoer ik voor het eerst de sensatie dat de bemanning naar mij keek om de beslissing te nemen de trossen los te gooien en te vertrekken. Ondanks een formele commando overdracht een paar weken voor dit moment, voelde toen pas echt dat ik verantwoordelijk was voor mijn bemanning, het schip en alles wat we als team moesten gaan doen. Die sensatie en uitdaging is voor mij nog steeds de reden waarom ik bij de Koninklijke Marine werk. Ook op Zr.Ms. Tromp ervaar ik dat gevoel als ik mag besluiten te vertrekken naar zee, maar die eerste keer op de Willemstad zal ik nooit vergeten.
Waarop bent u het meest trots in relatie tot De Tromp?
Ik ben trots op Team Tromp. Dat team is de groep professionals die vanaf begin 2014 het schip heeft opgewerkt naar operationele status en bij Flag Officer Sea Training (FOST) in Engeland dit opwerktraject met een “Very Satisfactory” resultaat heeft afgerond. Dat team zijn ook de mensen met wie we een zeer succesvolle periode hebben gevaren als onderdeel van de Standing NATO Maritime Group (SNMG) in zowel de Oostzee als de Zwarte Zee en alles wat er tussen zit. Maar het zijn ook de mensen met wie ik nu nog een boord zit , die zich dagelijks inzetten voor een professionele bijdrage aan het product van de Koninklijke Marine als onderdeel van Defensie. Het is vooral de groep met mensen met wie ik 180 tot 200 dagen per jaar op pad ben, met wie ik werk en woon en die ik ook in moeilijke situaties kan vertrouwen. Ik ben trots dat ik deel uit maak van dit team.
118
| juni 2016
juni 2016 |
119
120
| juni 2016
juni 2016 |
121
WE
BIN
AR S
MAGNA
AVDR
C HMAA GRA ZTI NAE
Start reading today!
Word nu GRA TIS abonnee! WWW.AVDR.NL
124
| juni 2016
juni 2016 |
125
TOP
ATHLE TE
MEETS TOP
LAWYER
WILLEMIJN BOS HOCKEY-INTERNATIONAL SANDRA VAN HEUKELOM A DVO CA AT PEL S RI J C K EN & DROOGLEEVER FORTUIJN WOUTER KURPERSHOEK JOURNALIST
NEW
MAGNA THE
CH ARTA
INTERVIEWS
WATCH
THE INTERVIEW
Colofon
Uitgave Redactie
Academie voor de Rechtspraktijk Etienne van Bladel AriĂŤn Pons Sharon Olivier van Genderen
Ontwerp en realisatie Met dank aan Contactgegevens
Mark Pollema Koninklijke Marine, Zr. Ms. Tromp - Den Helder Academie voor de Rechtspraktijk Interne cursuslocatie Kasteel Waardenburg G.E.H. Tutein Noltheniuslaan 7 (navigatie: nr 1) 4181 AS WAARDENBURG T: 030-220 10 70 Traditionele cursussen T: 030-303 10 70 Webinar cursussen F: 030-220 53 27 E-mail: info@avdr.nl
Advertenties ISBN
130
| juni 2016
Etienne van Bladel 9789462286375
“Set your goals high, and don’t stop till you get there.” Bo Jackson - Athlete juni 2016 |
131
this is magna charta