Skip to main content

AvdR Webinars

Page 1

BESLAG EN GEMEENSCHAP SPREKER

MR. E. LOESBERG, VICE-PRESIDENT RECHTBANK DEN BOSCH

1 OKTOBER 2013 09:00 – 11:15 UUR

WWW.AVDRWEBINARS.NL WEBINAR 0351


ADVERTORIAL

De Magna Charta Webinars heeft een abonnement voor u samengesteld van webinars met uiteenlopende onderwerpen op verschillende rechtsgebieden. Met dit abonnement kunt u de jaarlijks benodigde punten behalen. Geen gemiste kansen bij de Academie. U kunt de webinars van uw abonnement on demand terugkijken op elk moment van de dag en op de locatie die u zelf bepaalt.

WAT HOUDT HET MAGNA CHARTA WEBINARS HOOGLERAREN & UPDATES IN? -

Volledig vrije keuze uit 25 webinars (1, 2 of 3 PO-punten) Live en On demand in najaar 2013 op verschillende rechtsgebieden Per 1 uur ontvangt u 1 PO-punt Zoekfunctie Webinars kunnen gevolgd worden op de iPad en andere tablets Garantie dat alle webinars uit dit aanbod doorgaan Elektronische beschikbaarheid van uw certificaat

MAGNA CHARTA WebinarS

HOOGLERAREn & UPDATES

KLIK HIER OM JE AAN TE MELDEN VOOR DE MAGNA CHARTA WEBINARS HOOGLERAREN EN UPDATES


ADVERTORIAL

-

Naast de live mogelijkheid kunt u een webinar ook “on demand” op elk moment van de dag volgen met behoud van de PO-punten* U kunt de uitzending zo vaak u maar wenst bekijken of laten bekijken door uw collega’s De colleges worden door ervaren docenten gegeven Alle AvdR webinars worden opgenomen in onze professionele studio Elk live webinar alsook het “on demand” college is voorzien van een digitale reader en/of een PowerPoint presentatie; ook al volgt u een college niet, blijft de documentatie voor u beschikbaar

* De webinars on demand inclusief de PO-punten blijven beschikbaar tot 1 januari 2014. Zonder PO-punten blijven de webinars on demand langer beschikbaar.

PRIJZEN U betaalt eenmalig Euro 1.000,-- excl. BTW. Bij 10 of meer kantoorgenoten geldt een speciale totale prijs, dat is eenmalig Euro 5.000,-- excl. BTW – kantoorabonnement.

W E B I N A R S


Inhoudsopgave Mr. E. Loesberg Jurisprudentie Hoge Raad 26 november 1954, NJ 1955, 698 (aanbevolen, niet opgenomen in deze reader) Hoge Raad 3 mei 1996, NJ 1996, 473

p. 5

Hoge Raad 23 oktober 1998, NJ 1999, 130

p. 20

Hoge Raad 30 maart 2001, NJ 2002, 380

p. 34

Hoge Raad 15 november 2002, NJ 2003, 373

p. 53

Gerechtshof Arnhem 11 juli 2006, JBPr 2007, 10

p. 75

Hoge Raad 19 december 2008, NJ 2009, 26

p. 81

4


NJ 1996, 473: Conservatoir beslag ter verzekering toekomstige alimentatietermijnen / omvang onderzoek naar deugdelijkheid vordering in kort geding ... Instantie:

Hoge Raad

Datum:

3 mei 1996

Magistraten:

Martens, Roelvink, Mijnssen, Neleman, Nieuwenhuis, De Vries Lentsch-Kostense

Zaaknr:

15960

Conclusie:

-

LJN:

ZC2063

Noot:

-

Roepnaam:

-

Brondocumenten: ECLI:NL:HR:1996:ZC2063, Uitspraak, Hoge Raad, 03-05-1996 Wetingang: Rv (oud) art. 705 Brondocument: HR, 03-05-1996, nr 15960HR, 03-05-1996, nr 15960 Essentie Conservatoir beslag ter verzekering van toekomstige alimentatietermijnen. Omvang onderzoek naar deugdelijkheid vordering in kort geding tot opheffing. Samenvatting Vrouw legt conservatoir beslag ten laste van een tot alimentatie veroordeelde maar bij herhaling betalingsonwillig gebleken man. In de veronderstelling dat de man heeft betoogd dat conservatoir beslag ter verzekering van pas in een verre toekomst (mogelijk) opeisbaar wordende alimentatietermijnen niet toelaatbaar is, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en is het, mede gelet op art. 705 lid 2art. 705 lid 2 Rv, ook niet in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door evenals de president te oordelen dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de vrouw als beslaglegster ingeroepen recht, en dat de behandeling van het uitgebreide debat van partijen dient plaats te vinden in de aanhangige hoofdprocedure. Partij(en) M., te V., eiser tot cassatie, adv. mr. E. van Staden ten Brink, tegen W., te S., verweerster in cassatie, niet verschenen. Bewerkte uitspraak Voorgaande uitspraak Hof: Beoordeling van het hoger beroep

5


1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken, alsmede aan de hand van de in zoverre niet weersproken produkties, staat het navolgende ten processe vast: De partijen zijn in 1983 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk één thans nog minderjarig kind is geboren. Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 5 oktober 1992 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Dat vonnis is op 12 december 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij datzelfde vonnis is aan de vrouw een voorlopige alimentatie toegekend van ƒ 4000 per maand. Bij vonnis van 7 maart 1994 is de definitieve alimentatie vastgesteld op ƒ 4000 per maand. Van dit laatste vonnis is de man in hoger beroep gekomen bij dit hof. Bij beschikking van 6 april 1993 is de man veroordeeld om voor de op 16 april 1984 geboren minderjarige zoon van de partijen een alimentatie te betalen van ƒ 450 per maand. Over de periode juli 1991 tot en met april 1992 heeft de man de krachtens beschikking voorlopige voorzieningen verschuldigde alimentatie voor de vrouw en de zoon niet betaald. Pas nadat de woning van de man in executoriaal beslag was genomen en de datum voor executoriale verkoop was bepaald, heeft de man alsnog betaald. Over de periode oktober 1993 tot juli 1994 heeft de man wederom de door hem verschuldigde alimentatie voor de vrouw en de zoon niet betaald. Voor de minderjarige zoon werd vanaf april 1993 telkens ƒ 50 te weinig betaald. De vrouw heeft daarop de woning van de man wederom in executoriaal beslag genomen, waarna betaling is gevolgd enige uren voor de executoriale verkoop bij opslag. Na laatstgenoemde betaling heeft de man wederom zijn betalingen aan de vrouw gestaakt, waarna de woning van de man voor de derde maal in executoriaal beslag is genomen. In oktober 1994 (memorie van antwoord) had dat beslag nog niet tot betaling geleid. Op 6 april 1994 heeft de president van de rechtbank te Rotterdam de vrouw verlof verleend om conservatoir beslag te doen leggen op de woning van de man aan de ... 25 te V., hetgeen op 7 april 1994 is geschied. Het beslagexploit is op 8 april 1994 aan de man betekend. Het presidentieel verlof is verleend onder de bepaling dat de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld binnen zes maanden na het leggen van het beslag. Blijkens de memorie van antwoord is de man in de hoofdzaak op 3 oktober 1994 ten verzoeke van de vrouw gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam. De in die memorie aangekondigde copie van die dagvaarding heeft het hof niet aangetroffen in het dossier van de man. Blijkens de memorie van antwoord is het conservatoire beslag gelegd ter verzekering van de nakoming door de man van zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw en de zoon voor een periode van twaalf jaar ten belope van een bedrag in hoofdsom groot ƒ 576 000. In de bodemprocedure is gevorderd de man te veroordelen —

te gehengen en gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft, dan wel

6


—

een recht van eerste hypotheek te verstrekken op de woning ten gunste van de vrouw en wel ten belope van voornoemd bedrag, te vermeerderen met een post voor rente en kosten, dan wel

—

vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie te doen stellen ten belope van de bedragen als zojuist aangegeven.

2

Naar het oordeel van het hof kan uit de hiervoor weergegeven feiten worden geconcludeerd dat de man niet aan zijn alimentatieverplichtingen wenst te voldoen. De vrees van de vrouw dat een dergelijke onwil zich ook in de toekomst zal manifesteren, komt het hof dan ook gerechtvaardigd voor.

3

In de eerste grief stelt de man dat de president ten onrechte heeft overwogen 'dat de vordering berust op de grondslag dat naar Nederlands recht een conservatoir beslag ter zake van een wellicht in de toekomst verschuldigde alimentatie-schuld niet mogelijk is, en dat het hier om zulk een schuld gaat'. In de toelichting stelt de man dat de grondslag voor zijn vordering is de stelling dat de vordering van de vrouw (het verstrekken van zekerheid door de man met het oog op de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen) ondeugdelijk is. De grief is ongegrond. Waartoe de vordering van de man strekte was zo duidelijk, dat een omschrijving van de grondslag daarvoor door de president ook achterwege had kunnen blijven. Gelet op het hierboven onder 2 overwogene was er voor de vrouw alle aanleiding zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen tegenover haar zelf en beider zoon, waarmee het leggen van het conservatoir beslag (waaromtrent de president ook naar de mening van de man terecht heeft overwogen dat zo'n beslag in casu rechtens niet onmogelijk is) alleszins gerechtvaardigd was.

4

In de tweede grief stelt de man dat de president ten onrechte het namens de vrouw gelegde conservatoire beslag op de woning van de man niet heeft opgeheven. In de toelichting op de grief, grotendeels een herhaling van de pleitnotities in eerste aanleg, is de man uitgebreid ingegaan op de deugdelijkheid van de vordering van de vrouw in de bodemprocedure en heeft de vrouw daarop even uitgebreid gereageerd. Naar het oordeel van het hof leent een kort geding zich niet voor een dergelijke uitgebreide behandeling; die discussie dient in de bodemprocedure te worden gevoerd. Gelet op het bepaalde in art. 705, tweede lidart. 705, tweede lid, Rv. had de president het beslag dienen op te heffen indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht zou zijn gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft de president terecht geoordeeld dat daarvan in casu geen sprake was en de vordering afgewezen.

5

Gelet op het vorenstaande heeft de derde grief geen eigen belang en kan buiten bespreking blijven.

6

Een en ander leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in

7


hoger beroep worden veroordeeld. (enz.) Cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij arrest de do 17 februari 1995 (rolno 94/1269) op het door de man tegen het vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam de do 5 juli 1994 ingesteld hoger beroep en de tegen dat vonnis aangevoerde grieven, heeft overwogen en beslist, gelijk in 's Hofs arrest vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen —, ten onrechte om één of meer van de navolgende — zonodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen. 1

In rov. 3 overweegt het Hof dat de eerste grief van de man inhoudt dat de President ten onrechte heeft overwogen 'dat de vordering berust op de grondslag, dat naar Nederlands recht een conservatoir beslag terzake van een wellicht in de toekomst verschuldigde alimentatie-schuld niet mogelijk is, en dat het hier om zulk een schuld gaat' en dat de man in de toelichting stelt dat de grondslag voor zijn vordering is de stelling, dat de vordering van de vrouw (het verstrekken van zekerheid door de man met het oog op de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen) ondeugdelijk is.

1.1 Het Hof acht die grief in de eerste plaats ongegrond, omdat — naar oordeel van het Hof — zo duidelijk was 'waartoe de vordering van de man strekte' dat een omschrijving van de grondslag daarvoor door de President ook achterwege had kunnen blijven. Deze overweging van het Hof is onbegrijpelijk. Het moge duidelijk zijn, 'waartoe de vordering van de man strekte' (opheffing van het door de vrouw zijns inziens ten onrechte gelegde beslag), ter beoordeling van de toewijsbaarheid van die vordering, diende het Hof — en diende in eerste aanleg de President — acht te slaan op de gronden, die de man voor de toewijsbaarheid van zijn vordering had aangevoerd. Indien derhalve de man in hoger beroep zich beklaagt, dat de President niet heeft beslist op de door de man aan zijn vordering meegegeven grondslag, maar op een andere grondslag, is zulks een bezwaar dat het Hof rechtens niet kan afdoen met de overweging, dat de President een omschrijving van de grondslag van het gevorderde ook achterwege had kunnen laten. In ieder geval had het Hof tengevolge van bedoeld bezwaar tegen de door de President — volgens de man ten onrechte — veronderstelde grondslag van de vordering de plicht het hoger beroep te beoordelen op de grondslag die de man — blijkens de memorie van grieven — in hoger beroep aan zijn vordering wilde leggen. 1.2 Evenwel heeft het Hof direct nadien overwogen, 'dat er voor de vrouw alle aanleiding was zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen tegenover haarzelf en beider zoon, ... waarmee het leggen van het conservatoir beslag ... alleszins gerechtvaardigd was'. Daarmee is het Hof echter geheel voorbijgegaan aan de stelling van de man, dat het

8


er voor moet worden gehouden, dat de vrouw niet voor toekomstige alimentatietermijnen beslag heeft gelegd, hetgeen ook door de raadsvrouwe van de vrouw is bevestigd (MvG sub 5/6), maar dat de vordering van de vrouw — waarvoor het beslag is gelegd — inhoudt dat de man wordt veroordeeld terzake zekerheid te verstrekken, hetgeen weer bevestiging c.q. nadere omlijning vindt in hetgeen het Hof overweegt in rov. 1 slot, betreffende hetgeen in de door de vrouw aanhangig gemaakte bodemprocedure wordt gevorderd (te gehengen en te gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft, dan wel — kort gezegd — een recht van eerste hypotheek te verstrekken op het beslagen registergoed, dan wel vervangende bankgarantie). 1.3 Ingevolge de stellingen van de man had het Hof derhalve te beoordelen of het conservatoir beslag op het ten processe bedoelde registergoed ter verzekering van die vordering mogelijk was, c.q. of summierlijk van de ondeugdelijkheid van die vordering is gebleken. Door de vordering toch weer te beoordelen aan de hand van de vraag of het leggen van conservatoir beslag om zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen alleszins gerechtvaardigd was, heeft het Hof de zaak toch weer beoordeeld op de grondslag die de President zich tot uitgangspunt had genomen — waarvan de man zich bij MvG uitdrukkelijk had gedistantieerd. Daarmee heeft het Hof zijn taak als appèlrechter miskend, ten onrechte en in strijd met art. 48art. 48 Rv. feitelijke gronden aangevuld en is 's Hofs arrest in ieder geval onbegrijpelijk. 2

In rov. 4 overweegt het Hof dat de man in de tweede grief stelt dat de president ten onrechte het namens de vrouw gelegde conservatoire beslag op de woning van de man niet heeft opgeheven. Het Hof wijst die grief eveneens van de hand, omdat het kort geding zich naar oordeel van het Hof niet leent voor een uitgebreide behandeling, terwijl naar het oordeel van het Hof de President terecht van oordeel was dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken.

2.1 De man heeft in de memorie van grieven niet slechts de deugdelijkheid van de vordering van de vrouw bestreden, maar ook — en zelfs in de eerste plaats — aangevoerd, dat een dergelijke vordering de vrouw niet het recht verschafte conservatoir beslag op de woning van de man te leggen, zie MvG sub 9/10. Het Hof kon rechtens tot geen ander oordeel komen, dan dat een conservatoir beslag, als hier aan de orde, niet ter verzekering van een vordering, gelijk de vrouw op het oog had en door de vrouw in de bodemprocedure aanhangig gemaakt, kon worden gelegd en had op die grond tot het oordeel behoren te komen, dat het beslag behoorde te worden opgeheven. Door zulks niet te overwegen en niet overeenkomstig te beslissen heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof had in ieder geval die stelling niet onbesproken mogen laten en had op die stelling gemotiveerd moeten beslissen. 2.2 De man stelde op juridische gronden, dat de vordering van de vrouw niet deugde. Ook al kent hetgeen — ook op juridisch terrein — in het kader van een kort geding behandeld en beslist kan worden zijn grenzen, niettemin behoort een rechter in kort geding, indien geadieerd terzake van de opheffing van een conservatoir beslag op de grond, dat de vordering tot zekerheid waarvan het beslag is gelegd, juridisch ondeugdelijk is, aan te geven — en in zijn vonnis of arrest ook te motiveren — op

9


welke rechtsgrond de vordering waarvoor het beslag is gelegd is, resp. kan worden gebaseerd. In ieder geval kon het Hof te dezen niet volstaan met de enkele overweging dat te dezen geen sprake was dat summierlijk niet van het door de beslaglegger ingeroepen recht zou zijn gebleken, om partijen voor het overige naar de bodemprocedure te verwijzen. 2.3 De man heeft gesteld, dat een al dan niet gerechtvaardigd vermoeden dat de man ook in de toekomst ingebreke zal zijn met de betaling van alimentatie geen onrechtmatige daad van de man oplevert, terwijl ook art. 3:296art. 3:296 BW geen verplichting voor de man creëert zekerheid te stellen voor toekomstige alimentatieverplichtingen, alsmede dat het stellen van zekerheid voor een nietopeisbare schuld aan te merken is als een onverplichte rechtshandeling, zie MvG 15/16. Ook op deze stellingen van de man had het Hof gemotiveerd behoren te beslissen, en kon het Hof niet volstaan met de enkele overweging dat te dezen geen sprake was dat summierlijk niet van het door de beslaglegger ingeroepen recht zou zijn gebleken, om partijen voor het overige naar de bodemprocedure te verwijzen. 3

Ter toelichting van Grief 2 (inhoudende dat de President het beslag ten onrechte niet heeft opgeheven) heeft de man tevens gesteld, dat de vordering van de vrouw strekte tot het stellen van zekerheid voor alimentatiebetalingen voor de komende twaalf jaar, doch dat allerminst zeker was, dat de man ook voor de verre toekomst nog alimentatie zal moeten betalen om redenen van feitelijke aard: hangend hoger beroep tegen het tot alimentatiebetaling veroordelend vonnis, pensionering van de man, met dienovereenkomstig lagere inkomsten, partijen kunnen komen te overlijden, de vrouw kan hertrouwen;

gezien deze argumentatie, had het Hof mede — gemotiveerd — te beslissen of de onzekerheden waarmee de (achterliggende) alimentatievordering was omgeven het leggen van beslag rechtvaardigde c.q. of het beslag voor een dergelijke onzekere toekomstige vordering als hier aan de orde mogelijk is, en het Hof daaromtrent niets overwegende en beslissende zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed; in welk kader onbegrijpelijk is 's Hofs opmerking dat de President ook naar de mening van de man terecht heeft overwogen, dat zo'n beslag in casu rechtens niet onmogelijk is; de man heeft immers alleen in het algemeen opgemerkt, dat de President gelijk heeft, daar waar hij overweegt dat een conservatoir beslag terzake van een wellicht in de toekomst verschuldigde alimentatieschuld mogelijk is. Hoge Raad: 1

Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie — verder te noemen: de man — heeft bij exploit van 23 juni 1994 verweerster in cassatie — verder te noemen: de vrouw — in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd te bepalen dat het gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak aan de ... 25 te V. is opgeheven. Nadat de vrouw tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de President bij

10


vonnis van 5 juli 1994 de gevorderde voorziening afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 'sGravenhage. Bij arrest van 17 februari 1995 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. (…) 3

Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. i.

Partijen zijn in 1983 met elkaar gehuwd; uit dit huwelijk is op 16 april 1984 een zoon geboren. Bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 5 oktober 1992 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken; dit vonnis is op 12 december 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

ii.

Nadat bij voormeld vonnis het door de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen bedrag voorshands was bepaald op ƒ 4000 per maand, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 maart 1994 het door de man voor het levensonderhoud van de vrouw verschuldigde bedrag eveneens op ƒ 4000 per maand vastgesteld; de man heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

iii.

Bij beschikking van 6 april 1993 heeft de Rechtbank de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over de zoon van partijen benoemd, en bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon ƒ 450 per maand dient te betalen.

iv.

De man, die vermogend is, heeft de over de periode juli 1991 tot en met april 1992 krachtens een beschikking houdende voorlopige voorzieningen verschuldigde alimentatie voor de vrouw en de zoon niet betaald. Pas nadat de vrouw de woning van de man in executoriaal beslag had doen nemen en de datum voor executoriale verkoop was bepaald, heeft de man alsnog betaald.

v.

Over de periode oktober 1993 tot juli 1994 heeft de man wederom de door hem verschuldigde alimentatie voor de vrouw niet betaald; voor de zoon heeft hij vanaf april 1993 telkens ƒ 50 per maand te weinig betaald. De vrouw heeft daarop de woning van de man opnieuw in executoriaal beslag doen nemen, waarna betaling is gevolgd enige uren voor de executoriale verkoop.

vi.

Na die betaling heeft de man wederom zijn betalingen aan de vrouw gestaakt, waarna de woning van de man voor de derde keer in executoriaal beslag is genomen. In oktober 1994 had dit beslag nog niet tot betaling geleid.

vii.

Nadat de vrouw in maart 1994 had vernomen dat de man een hypotheek op zijn woning wilde vestigen, heeft zij op 6 april 1994 aan de President van de Rechtbank te Rotterdam verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op die woning, ter verzekering (aldus het beslagrekest onder 9) van haar 'vordering tot nakoming van alimentatieverplichtingen voor de komende twaalf jaar ten belope van een bedrag van ƒ 576 000, inclusief rente en kosten door

11


de vrouw begroot op (1.1 x ƒ 576 000) ƒ 633 000, af te ronden op ƒ 630 000'. viii. Het gevraagde verlof is op 6 april 1994 verleend, met begroting van de vorderingen van de vrouw met inbegrip van rente en kosten op ƒ 630 000 en 'onder bepaling dat de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld binnen zes maanden na het leggen van het beslag'. Het beslag is op 7 april 1994 gelegd; het beslagexploit is op 8 april 1994 aan de man betekend. ix.

De vrouw heeft de man op 3 oktober 1994, derhalve binnen de door de President bepaalde termijn van zes maanden, doen dagvaarden voor de Rechtbank te Rotterdam, daarbij eisende de man te veroordelen om: te gehengen en gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft, dan wel een recht van eerste hypotheek te verstrekken op de woning ten gunste van de vrouw en wel ten belope van voormelde hoofdsom van ƒ 576 000, te vermeerderen met een post voor rente en kosten, dan wel vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie te doen stellen ten belope van de aangegeven bedragen.

3.2 In het onderhavige, op 23 juni 1994 aanhangig gemaakte kort geding vordert de man opheffing van het door de vrouw gelegde conservatoir beslag op zijn woning. In eerste aanleg heeft hij aangevoerd, voor zover in cassatie van belang, dat de door de vrouw aanhangig te maken hoofdprocedure niet de betaling van alimentatie tot inzet zou kunnen hebben omdat de man reeds tot betaling van alimentatie was veroordeeld, en dat de vrouw blijkens haar beslagrekest zekerheid voor toekomstige termijnen zou vorderen, welke vordering iedere grondslag ontbeert. De vrouw heeft zich verweerd en daarbij gesteld, kort samengevat, dat zij in de hoofdzaak niet een betaling in geld doch — onder meer — de veroordeling van de man om toereikende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen zou vorderen. De President heeft de vordering van de man afgewezen op grond van zijn oordelen, verkort weergegeven: —

dat de vordering berust op 'de grondslag dat naar Nederlands recht een conservatoir beslag ter zake van een wellicht in de toekomst verschuldigde alimentatie-schuld niet mogelijk is, en dat het hier om zulk een schuld gaat';

—

dat evenwel een conservatoir beslag ter zake van in de toekomst te verwachten alimentatie-vorderingen rechtens niet onmogelijk is;

—

dat in dit geval het beslag ook in concreto alleszins passend is, nu de man vermogend is en niettemin de alimentatie-termijnen (ad ƒ 4000 per maand) niet op correcte, regelmatige wijze betaalde en betaalt.

Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd. Tegen deze beslissing en de daartoe door het Hof gebezigde gronden richt zich het middel. 3.3 Het Hof heeft in rov. 2 van zijn arrest — in cassatie niet bestreden — overwogen dat uit de feiten kan worden geconcludeerd dat de man niet aan zijn alimentatieverplichtingen wenst te voldoen, en dat de vrees van de vrouw dat een dergelijke onwil zich ook in de toekomst zal manifesteren, het Hof dan ook

12


gerechtvaardigd voorkomt. 3.4 De eerste appelgrief van de man klaagde over de wijze waarop de President de grondslag van de vordering van de man had omschreven. Het Hof heeft deze grief in rov. 3 van zijn arrest verworpen op grond van zijn oordelen (a) dat zo duidelijk was waartoe de vordering van de man strekte, dat een omschrijving van de grondslag daarvoor door de President ook achterwege had kunnen blijven, en (b) dat voor de vrouw, gelet op het door het Hof in rov. 2 overwogene (zie hiervoor in 3.3), alle aanleiding bestond 'zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen tegenover haar zelf en beider zoon, waarmee het leggen van het conservatoir beslag (waaromtrent de president ook naar de mening van de man terecht heeft overwogen dat zo'n beslag in casu rechtens niet onmogelijk is) alleszins gerechtvaardigd was'. 3.5 De onderdelen 1.1 tot en met 1.3 van het middel keren zich tegen die oordelen van het Hof. De onderdelen strekken ten betoge dat het Hof niet had mogen volstaan met te overwegen dat de President een omschrijving van de grondslag van de vordering van de man achterwege had kunnen laten, dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van de man dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw niet beslag heeft gelegd voor toekomstige alimentatietermijnen, maar voor een vordering tot veroordeling van de man om zekerheid te verstrekken, en dat het Hof zijn taak als appelrechter heeft miskend respectievelijk in strijd met art. 48art. 48 Rv. (bedoeld wordt kennelijk art. 176art. 176 Rv.) feitelijke gronden heeft aangevuld. Dit betoog stuit af op het volgende. Weliswaar heeft de man zowel in eerste aanleg als in appel evengenoemde stelling aangevoerd, maar in 's Hofs arrest ligt besloten dat het Hof die stelling niet als juist heeft aanvaard. Het Hof heeft immers in zijn rov. 1, laatste alinea, geoordeeld dat uit de memorie van antwoord van de vrouw blijkt dat het conservatoire beslag is gelegd 'ter verzekering van de nakoming door de man van zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw en de zoon voor een periode van twaalf jaar', en vervolgens in rov. 3 het hiervoor in 3.4 met (b) aangeduide oordeel gegeven, waarbij het kennelijk, gezien eerstgenoemd oordeel, het conservatoir beslag zèlf beschouwde als de op goede gronden door de vrouw verlangde 'zekerheid' voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen. Deze oordelen, die berusten op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken, zijn geenszins onbegrijpelijk, in het bijzonder gelet op het feit dat het beslagrekest van de vrouw onder 9 de hiervoor in 3.1 onder (vii) weergegeven omschrijving van de door het beslag te verzekeren vordering bevatte en de vrouw aan het slot van het rekest verlof vroeg om beslag te mogen leggen 'ter verzekering van haar voormelde (deels toekomstige) vorderingen'. Uit de omstandigheid dat de vrouw in eerste aanleg op het betoog van de man dat zij reeds over een executoriale titel beschikte, had gereageerd door te vermelden dat zij in de hoofdzaak 'onder meer' de verstrekking van zekerheid zou vorderen, behoefde het Hof niet af te leiden dat zij het beslag niet langer aangemerkt wilde zien als een beslag ter verzekering van haar toekomstige alimentatievorderingen. Veeleer had het Hof gerede aanleiding aan te nemen dat de vrouw het beslag nog steeds bedoelde als een beslag ter verzekering van evenbedoelde vorderingen, nu zij inmiddels in de hoofdprocedure in de eerste plaats had geÍist dat de man zou worden veroordeeld te gehengen en gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft, en slechts als een alternatief veroordeling tot het verstrekken van zekerheid (een eerste hypotheek dan wel een bankgarantie) had

13


geëist. De onderdelen zijn derhalve tevergeefs voorgesteld. 3.6 De onderdelen 2.1 tot en met 2.3 gaan eveneens uit van de onjuist bevonden veronderstelling dat het Hof heeft geoordeeld, of had moeten oordelen, dat het beslag is gelegd ter verzekering van een vordering strekkende tot veroordeling van de man om zekerheid te verstrekken. Ook deze onderdelen falen derhalve. 3.7 Onderdeel 3 verwijst naar het door de man voor het Hof aangevoerde argument dat het allerminst zeker is dat de man ook voor de verre toekomst nog alimentatie zal moeten betalen, en verwijt het Hof te hebben nagelaten — gemotiveerd — te beslissen of het beslag niettegenstaande deze onzekerheid gerechtvaardigd is. Gesteld al dat het Hof dit argument — dat door de man (in diens memorie van grieven sub 18) werd aangevoerd als sluitstuk van zijn betoog dat de vrouw niet gerechtigd is veroordeling van de man tot het verstrekken van zekerheid voor toekomstige alimentatietermijnen te vorderen — heeft opgevat als tevens strekkende ten betoge dat conservatoir beslag ter verzekering van pas in een verre toekomst (mogelijk) opeisbaar wordende alimentatietermijnen niet toelaatbaar is, geldt ook in zoverre dat het Hof in rov. 4 van zijn arrest niet heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en, mede gelet op art. 705 lid 2art. 705 lid 2 Rv., ook niet in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten door evenals de President te oordelen dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de vrouw als beslaglegster ingeroepen recht, en dat de behandeling van het uitgebreide debat van partijen dient plaats te vinden in de aanhangige hoofdprocedure. 4

Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de man in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op nihil.

Conclusie ConclusieA-G mr. De Vries Lentsch-Kostense Inleiding 1

Partijen, verder de man en de vrouw te noemen, zijn negen jaar gehuwd geweest; uit hun huwelijk is — in 1984 — een zoon geboren. De echtscheiding is uitgesproken bij vonnis van 5 oktober 1992; dit vonnis is op 12 december 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nadat aan de vrouw bij genoemd vonnis reeds een voorlopige alimentatie was toegekend van ƒ 4000 per maand, is de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bij vonnis van 7 maart 1994 eveneens vastgesteld op ƒ 4000 (van dit vonnis is de man overigens in hoger beroep gekomen), terwijl de door de man te betalen bijdrage voor zijn zoon bij beschikking van 6 april 1993 is bepaald op ƒ 450 per maand.

14


De man voldoet niet aan zijn alimentatieverplichtingen hoewel hij vermogend is (volgens de eigen aangifte VBVB 1988 ruim 7 miljoen). Over de periode juli 1991 tot en met april 1992 betaalt de man noch de alimentatie voor de zoon noch die voor de vrouw. Pas nadat executoriaal beslag is gelegd op de woning van de man — (…) te V. — wordt door de man alsnog betaald. Over de periode oktober 1993 tot juli 1994 weigert de man wederom de door hem verschuldigde alimentatie voor de vrouw te betalen terwijl hij voor zijn minderjarige zoon vanaf april 1993 telkens ƒ 50 te weinig betaalt. De vrouw legt daarop voor de tweede maal executoriaal beslag op de woning van de man, waarna betaling volgt enige uren voor de executoriale verkoop een aanvang neemt. Na laatstgenoemde betaling staakt de man wederom zijn betalingen aan de vrouw, waarna de vrouw voor de derde maal executoriaal beslag op de woning legt. In oktober 1994 had dat beslag nog niet tot betaling geleid. Nadat het notariskantoor Van der Valk-Bonga & Partners de vrouw bij brief van 25 maart 1994 heeft doen weten dat per 8 april 1994 ten laste van de man een hypotheek dient te worden gevestigd met als onderpand de woning van de man, vraagt de vrouw op 6 april 1994 verlof tot het leggen van conservatoir beslag op deze woning. De te verzekeren vordering is — aldus het beslagrekest onder 9 — de vordering tot nakoming van alimentatieverplichtingen voor de komende twaalf jaar ten belope van een bedrag van ƒ 576 000, inclusief rente en kosten door de vrouw begroot op ƒ 633 600, af te ronden op ƒ 630 000. Dit verlof wordt de vrouw nog diezelfde dag verleend door de President van de Rechtbank te Rotterdam onder de bepaling dat de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld binnen zes maanden na het leggen van het beslag. Het beslag wordt de volgende dag gelegd; het beslagexploit wordt op 8 april 1994 aan de man betekend. De hoofdzaak wordt op 3 oktober 1994 — dat wil zeggen binnen de door de President bepaalde termijn — aanhangig gemaakt. 2

In de onderhavige kort geding-procedure vordert de man opheffing van het door de vrouw gelegde conservatoire beslag. Hij stelt daartoe dat de door de vrouw aanhangig te maken hoofdprocedure (het kort geding is aanhangig gemaakt voordat de hoofdzaak is geëntameerd) niet betaling van de alimentatie tot inzet zal kunnen hebben omdat de man reeds tot betaling van alimentatie is veroordeeld, dat de vrouw blijkens haar beslagrekest zekerheid voor toekomstige termijnen zal vorderen, dat een dergelijke vordering iedere grondslag ontbeert en derhalve ondeugdelijk is. Voorts voert hij aan dat de vrouw de man onder onevenredig zware druk zet doordat betaling van achterstallige termijnen niet zal leiden tot opheffing van het beslag. De vrouw voert verweer. In dat verband stelt zij in de hoofdprocedure niet een betaling in geld te zullen vorderen omdat zij reeds beschikt over een executoriale titel die haar aanspraak geeft op alimentatie; zij betoogt dat zij (onder meer) zal vorderen de man te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen een bepaalde termijn voor de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen toereikende zekerheid aan haar te verstrekken in de vorm van een bankgarantie dan wel een recht van eerste hypotheek op zijn woning. Zij is van oordeel dat een dergelijke vordering voldoende kans van slagen heeft en dat conservatoir beslag kan worden gelegd ter verzekering van een zodanige vordering.

3

De President van de Rechtbank Rotterdam wijst 's mans vordering af, overwegende dat een conservatoir beslag ter zake van in de toekomst te verwachten alimentatievorderingen rechtens niet onmogelijk is en dat het beslag ook alleszins

15


passend is te achten gelet op 's mans vermogen en op het feit dat de man niettemin de alimentatie niet op correcte, regelmatige wijze betaalde en betaalt. Het vonnis dateert van 5 juli 1994. 4

De man gaat in appel. In zijn eerste grief stelt hij — kort gezegd — dat de President in zijn vonnis heeft miskend dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw beslag heeft gelegd niet voor toekomstige alimentatietermijnen doch voor de vordering tot zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie of een hypotheek; in zijn tweede grief betoogt hij dat de President het beslag had moeten opheffen nu voor een vordering tot zekerheidstelling geen beslag op de woning van de man kon worden gelegd terwijl hij voorts betoogt dat deze vordering tot zekerheidstelling ondeugdelijk is. De vrouw voert aan dat het door haar gelegde conservatoire beslag overduidelijk ten doel heeft de in de toekomst verschuldigde alimentatietermijnen daadwerkelijk door de man te doen betalen en dat haar vordering tot zekerheidstelling wel degelijk gerechtvaardigd is.

5

Het Hof verwerpt het beroep van de man bij arrest van 17 februari 1995; het vonnis van de President wordt bekrachtigd met de volgende overwegingen: Overwogen wordt dat het conservatoir beslag blijkens de memorie van antwoord is gelegd 'ter verzekering van de nakoming door de man van zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw en de zoon voor een periode van twaalf jaar ten belope van een bedrag in hoofdsom groot ƒ 576 000'. Tevens wordt vastgesteld dat in de bodemprocedure (hoofdprocedure) is gevorderd 'de man te veroordelen te gehengen en gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft, dan wel een recht van eerste hypotheek te verstrekken op de woning ten gunste van de vrouw ten belope van voornoemd bedrag, te vermeerderen met een post voor rente en kosten, dan wel vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie te doen stellen ten belope van de bedragen als zojuist aangegeven'. Daarop stelt het Hof vast dat kan worden geconcludeerd dat de man niet aan zijn alimentatieverplichtingen wenst te voldoen en dat de vrees van de vrouw dat een dergelijke onwil zich ook in de toekomst zal manifesteren, het Hof dan ook gerechtvaardigd voorkomt. Gelet hierop 'was er' — aldus het Hof — 'voor de vrouw alle aanleiding zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen tegenover haar zelf en beider zoon, waarmee het leggen van het conservatoir beslag (waaromtrent de president ook naar de mening van de man terecht heeft overwogen dat zo'n beslag in casu rechtens niet onmogelijk is) alleszins gerechtvaardigd was'. Vervolgens overweegt het Hof dat de man in de toelichting op de tweede grief uitgebreid is ingegaan op de deugdelijkheid van de vordering van de vrouw in de hoofdprocedure en dat de vrouw daarop in haar memorie van antwoord even uitgebreid heeft gereageerd. Overwogen wordt dat een kort geding zich echter niet leent voor een dergelijke uitgebreide behandeling; die discussie dient — aldus het Hof — in de bodemprocedure (hoofdprocedure?) te worden gevoerd. Gelet op het bepaalde in art. 705 tweede lidart. 705 tweede lid Rv. had de President het beslag dienen op te heffen indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht zou zijn gebleken. Naar het oordeel van het Hof heeft de President

16


terecht geoordeeld dat daarvan in casu geen sprake was. 6

De man stelt tijdig cassatieberoep in. Tegen de vrouw wordt verstek verleend. De man doet de zaak schriftelijk toelichten. Het cassatiemiddel

7

Het eerste middelonderdeel strekt ten betoge — zo meen ik althans dit in drie subonderdelen uiteenvallende middelonderdeel te mogen samenvatten — dat het Hof in zijn derde rechtsoverweging geheel is voorbijgegaan aan 's mans stelling dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw beslag heeft gelegd niet voor toekomstige alimentatietermijnen doch voor haar vordering tot veroordeling van de man tot zekerheidstelling; betoogd wordt dat het Hof aldus ten onrechte niet heeft onderkend dat voor deze vordering geen beslag kan worden gelegd en dat het Hof zijn taak als appelrechter heeft miskend en ten onrechte in strijd met art. 48art. 48 Rv. feitelijke gronden heeft aangevuld terwijl 's Hofs arrest in ieder geval onbegrijpelijk is.

8

Terecht voert dit middelonderdeel aan dat terzake van een vordering tot zekerheidstelling geen beslag kan worden gelegd. Conservatoir beslag kan worden gelegd tot verhaal van een geldvordering (van een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaald of bepaalbaar is), tot afgifte van het beslagen goed of tot blokkering van een tot een gemeenschap behorend goed (het beslag van art. 733art. 733 Rv. en het maritaal beslag van art. 808aart. 808a e.v. Rv.). Zie hierover met name Mijnssen, Materieel beslagrecht, 1992, p. 3 (laatste alinea) p. 7. Zie verder Jansen, Executie en beslagrecht, 1990, p. 304. Geen beslag kan worden gelegd voor een vordering om te doen zoals de onderhavige vordering tot het stellen van zekerheid door middel van een bankgarantie of een hypotheek; een dergelijke vordering is geen vordering met een (voldoende bepaalbaar) geldelijk beloop. Dat wordt niet anders ingeval een zodanige vordering wordt ingesteld op straffe van verbeurte van een dwangsom.

9

Toch is het onderhavige middelonderdeel naar mijn oordeel niet gegrond. Het is gebaseerd op de veronderstelling dat het ervoor moet worden gehouden — en dat ook het Hof daarvan is uitgegaan althans ervan diende uit te gaan — dat door de vrouw beslag is gelegd niet voor toekomstige alimentatietermijnen doch voor de vordering tot het stellen van zekerheid. Die veronderstelling is naar mijn mening echter onjuist. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het conservatoire beslag wel degelijk is gelegd voor de vordering terzake van de toekomstige alimentatietermijnen tot betaling waarvan de man jegens de vrouw en de zoon was gehouden krachtens het vonnis van 7 maart 1994 resp. de beschikking van 6 april 1993. Alvorens ik in het volgende nummer aangeef waarop ik mijn mening baseer, stel ik hier voorop dat een dergelijk beslag mogelijk is. Ik verwijs met name naar de MvA I InvInv. bij art. 441, Parl. Gesch. Wijziging RvRv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 108, waar het volgende wordt opgemerkt: 'Vervolgens heeft de Commissie het geval ter sprake gebracht van een nog niet opeisbare of voorwaardelijke vordering. In de memorie van toelichting op art. 441 wordt erop gewezen dat ter zake van een zodanige vordering krachtens art. 3.11.1 een veroordeling onder dezelfde tijdsbepaling of voorwaarde behoort te volgen, en

17


dat in dit geval geen executoriaal beslag mogelijk is, vóórdat de vordering opeisbaar is geworden, respectievelijk de — opschortende — voorwaarde is vervuld. In een dergelijk geval is inderdaad wèl conservatoir beslag mogelijk, dat door het opeisbaar worden of de vervulling van de voorwaarde dan krachtens artikel 704 lid 1 van rechtswege in een executoriaal beslag overgaat. Anders dan de Commissie heeft verondersteld, is daarvoor geen procedure in de hoofdzaak meer nodig, noch het stellen van een daarop betrekking hebbende termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3, nu zich hier het geval voordoet dat de eis in de hoofdzaak reeds vóór het conservatoire beslag aanhangig was gemaakt en — in dit geval — zelfs uitgeprocedeerd. (…) In geval van een rechterlijke veroordeling tot periodiek te betalen bedragen als huur, loon en dergelijke, zal overeenkomstig het boven reeds opgemerkte, voor de nog niet opeisbare termijnen conservatoir beslag kunnen worden gelegd, dat zonder nadere procedure in een executoriaal beslag overgaat, naar gelang de termijnen opeisbaar worden. Het is dus niet nodig om telkens opnieuw beslag te leggen.' Met name uit de laatste alinea volgt dat — zoals gezegd — conservatoir beslag kan worden gelegd voor de nog niet opeisbare alimentatietermijnen. Wel kan men de vraag stellen of steeds zonder meer beslag kan worden gelegd voor alle nog te verwachten alimentatietermijnen, in casu termijnen over twaalf jaren. Ook de man stelt een vraag van die strekking. Naar mijn oordeel is dit nu een kwestie die in een hoofdprocedure beantwoord dient te worden, een hoofdprocedure die niet de vraag betreft of er een verplichting bestaat doch de vraag of het leggen van het beslag voor alle toekomstige termijnen gezien de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. De President kan bij het door hem te verlenen verlof tot beslaglegging een termijn stellen waarbinnen de hoofdprocedure moet worden geëntameerd. De beslaglegger zal in de hoofdprocedure een verklaring voor recht kunnen vorderen terzake van het door hem gelegde beslag; hij zal ook kunnen vorderen dat de beslagene het beslag gehengt en gedoogt. 10 Zoals gezegd, ben ik van mening dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de vrouw het litigieuze conservatoire beslag wel degelijk heeft doen leggen voor de vordering terzake van de toekomstige alimentatietermijnen. Dat leid ik met name af uit 's Hofs overweging dat het conservatoire beslag blijkens de memorie van antwoord is gelegd ter verzekering van de nakoming door de man van zijn alimentatie alsmede uit de direct daarop volgende overweging waarin het Hof overweegt dat in de bodemprocedure (kennelijk heeft het Hof hier de hoofdprocedure op het oog) is gevorderd de man te veroordelen te gehengen en gedogen dat het beslag gehandhaafd blijft dan wel een recht van hypotheek of een bankgarantie te verstrekken. Dat leid ik ook af uit 's Hofs overweging dat er voor de vrouw alle aanleiding was zekerheid te verkrijgen voor de nakoming van de alimentatieverplichtingen en dat daarmee het leggen van het beslag alleszins gerechtvaardigd was. Doorslaggevend is naar het mij voorkomt daarbij 's Hofs overweging dat de President ook naar het oordeel van de man terecht heeft overwogen dat zo'n beslag in casu rechtens niet onmogelijk was. De man heeft immers betoogd dat beslag voor toekomstige alimentatietermijnen op zichzelf niet onmogelijk is; uit 's Hofs toevoeging dat ook de man heeft betoogd dat zo'n beslag rechtens niet onmogelijk was moet derhalve worden afgeleid dat het Hof van oordeel was dat het litigieuze beslag een beslag voor toekomstige alimentatietermijnen

18


betrof. 's Hofs oordeel acht ik niet onbegrijpelijk in het bijzonder niet nu de vrouw haar vordering als volgt heeft omschreven in het beslagrekest (het behoeft geen betoog dat de vraag ter verzekering van welke vordering het beslag is gelegd met name aan de hand van dit rekest dient te worden beantwoord): 'De te verzekeren vordering is die tot nakoming van alimentatieverplichtingen voor de komende twaalf jaar ten belope van een bedrag van ƒ 576 000 (…)'. Anders dan de man betoogt doet daaraan niet af dat de vrouw in haar beslagrekest tevens vermeldt dat de in te stellen eis in de hoofdzaak slechts zal strekken tot verzekering van de vorderingen die de vrouw uit hoofde van haar executoriale titel reeds heeft. Dat moge duidelijk zijn na hetgeen ik hiervoor onder 9 betoogde. Dat de vrouw in eerste aanleg — naar aanleiding van 's mans betoog dat zij reeds over een executoriale titel beschikte — heeft aangevoerd dat zij in de hoofdprocedure (onder meer) zou vorderen dat de man voldoende zekerheid verstrekt, behoefde het Hof naar mijn mening niet van zijn oordeel te weerhouden. Van een verboden aanvulling van feitelijke gronden is naar het mij voorkomt geen sprake; het Hof heeft door middel van uitlegging vastgesteld tot verzekering van welke vordering het conservatoir beslag was gelegd. 11 Het tweede en het derde middelonderdeel komen op tegen 's Hofs vierde rechtsoverweging waarin het Hof overweegt dat een kort geding zich niet leent voor de door de man voorgestane uitgebreide behandeling van de vordering waarvoor beslag werd gelegd; gezien art. 705 lid 2art. 705 lid 2 Rv. heeft de President — aldus het Hof — terecht geoordeeld dat het beslag niet diende te worden opgeheven nu niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. 12 Het tweede middelonderdeel gaat in al zijn onderdelen uit van de veronderstelling dat beslag is gelegd voor de vordering tot zekerheidstelling; betoogd wordt dat een kort geding zich wel degelijk leent voor de beantwoording van de vraag of voor een dergelijke vordering beslag kan worden gelegd. Dat laatste betoog is juist. Uit hetgeen ik hiervoor bij de bespreking van het eerste middelonderdeel naar voren heb gebracht moge volgen dat ik van oordeel ben dat het middelonderdeel moet falen omdat het uitgaat van een onjuiste veronderstelling. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het kort geding zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of het beslag terecht is gelegd voor alle toekomstige alimentatietermijnen. Met name in de reeds aanhangig gemaakte hoofdprocedure (het Hof spreekt, zoals eerder opgemerkt, steeds van bodemprocedure) moet onder ogen worden gezien of het beslag gerechtvaardigd is voor alle toekomstige termijnen; in dat verband kan ook de vordering tot zekerheidstelling aan de orde komen, een zekerheidstelling waarmee de man het beslag als het ware zal kunnen opheffen. Daarom faalt naar het mij voorkomt ook de in het derde middelonderdeel vervatte klacht dat het Hof had dienen te beslissen op de vraag of het beslag was gerechtvaardigd gezien de onzekerheden waarmee de alimentatievordering was omgeven. Conclusie: Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

19


NJ 1999, 130: Derdenbeslag op bankrekening echtgenote schuldenaar; geëxecuteerde Instantie:

Hoge Raad

Datum:

23 oktober 1998

Magistraten:

Roelvink, Korthals Altes, Heemskerk, Herrmann, Van der Putt-Lauwers

Zaaknr:

16647

Conclusie:

A-G Langemeijer

LJN:

ZC2749

Noot:

-

Roepnaam:

-

Brondocumenten: ECLI:NL:HR:1998:ZC2749, Uitspraak, Hoge Raad, 23-10-1998; ECLI:NL:PHR:1998:ZC2749, Conclusie, Hoge Raad (AdvocaatGeneraal), 23-10-1998 Wetingang: Rv (oud) art. 479; BW art. 1:97art. 1:97 Brondocument: HR, 23-10-1998, nr 16647HR, 23-10-1998, nr 16647 Essentie Derdenbeslag op bankrekening echtgenote schuldenaar; geëxecuteerde. In geval man en vrouw in gemeenschap zijn gehuwd moet derdenbeslag voor vordering man op bankrekening die alleen op naam vrouw staat, worden gelegd ten laste van de vrouw omdat zij dan geëxecuteerde is. Beslaglegger behoeft in dergelijk geval niet uittreksel uit huwelijksgoederenregister over te leggen. Samenvatting Deze zaak betreft een door de ontvanger gelegd executoriaal derdenbeslag op een bankrekening die staat op naam van de echtgenote van de schuldenaar. De ontvanger heeft de bank op de voet van art. 497 (oud) Rv gedagvaard om verklaring te doen. In dit geding is de vraag aan de orde ten laste van welke echtgenoot een derdenbeslag onder een bank moet worden gelegd op een alleen op naam van de vrouw staande bankrekening voor een vordering van de schuldeiser op de man als schuldenaar in een geval waarin de man en de vrouw in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. In cassatie moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat het eventuele tegoed op de voormelde bankrekening deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Voorts kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat de ontvanger op grond van het alleen tegen de man uitgevaardigde dwangbevel verhaal kan uitoefenen op goederen die tot het gemeenschapsvermogen behoren, ook al staan deze op naam van de vrouw. In die situatie moet derdenbeslag ten laste van de vrouw worden gelegd, omdat de vrouw de geëxecuteerde of beslagene is. Zij is immers degene op wier naam de bankrekening is gesteld en die aldus in een contractuele verhouding tot de bank staat, terwijl hetgeen zij uit die verhouding van de bank heeft te vorderen onder haar bestuur

20


staat zoals volgt uit het bepaalde in art. 1:97 lid 1art. 1:97 lid 1 BW. Dat de vrouw zelf geen schuldenaar is met betrekking tot de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, staat niet eraan in de weg dat beslag wordt gelegd ten laste van de vrouw op tot de gemeenschap behorende goederen die op haar naam staan. Als beslagene kan de vrouw voor haar belangen opkomen, bijvoorbeeld wanneer beslag zou zijn gelegd op privĂŠgoederen die buiten de gemeenschap vallen. Bovendien kan de vrouw als rekeninghoudster bij de bank de nodige inlichtingen aan de bank verschaffen omtrent haar huwelijksvermogensregime. Er is ook geen reden om de eis te stellen dat de beslaglegger een uittreksel uit het huwelijksregister overlegt. Opmerking verdient nog dat, wanneer de beslaglegger in onzekerheid verkeert op wiens naam de bankrekening staat, hij derdenbeslag kan leggen ten laste van beide echtgenoten, evenals in het geval dat de bankrekening op naam van beide echtgenoten staat. In geval een beslag wordt gelegd ten laste van beide echtgenoten, moeten beiden als geĂŤxecuteerden worden beschouwd en moet ten aanzien van beiden aan de wettelijk voorgeschreven beslagformaliteiten worden voldaan. Partij(en) De ontvanger van de Belastingdienst Ondernemingen-2 Amsterdam, te Amsterdam, eiser tot cassatie, incidenteel verweerder, adv. mr. J.K. Franx, tegen ABN-AMRO Bank N.V., te Amsterdam, verweerster in cassatie, incidenteel eiseres, adv. mr. J. van Duijvendijk-Brand. Bewerkte uitspraak Voorgaande uitspraak Hof: 4. De beoordeling van het hoger beroep in het principaal appel 4.1 Deze zaak gaat om het volgende: a. Op 21 oktober 1988 heeft de Ontvanger, op grond van een dwangbevel van dezelfde datum, uitgevaardigd tegen L.A. Colle, onder de bank executoriaal beslag gelegd 'op alle gelden en goederen die zij verschuldigd is of wordt of onder haar berusting heeft of krijgt van voornoemde schuldenaar in het bijzonder op rek.nr. 43 28 38 856. Op 25 oktober 1988 heeft de Ontvanger dit beslag aan Colle betekend, zijn exploot doende en sprekende met 'mevr. Colle-Van Schoonhoven, echtgenote'. b. Colle is in gemeenschap van goederen gehuwd met Van Schoonhoven.

21


c. De rekening bij de bank onder nummer 43 28 38 856 staat op naam van Van Schoonhoven. d. Bij exploot van 16 november 1988 heeft de bank de Ontvanger gedagvaard, stellende dat zij een vordering heeft op 'L.A. Colle (in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met M.I. van Schoonhoven)' en dat zij ten laste van Colle executoriaal beslag heeft gelegd onder de bank, tot het doen van verklaring van hetgeen de bank van Colle onder zich had of zou verkrijgen. Nadat de bank zich in de conclusie van antwoord op het standpunt had gesteld dat zij op grond van het gelegde beslag niet gehouden was te verklaren wat zij aan Van Schoonhoven onder zich had, heeft de Ontvanger bij repliek, voor zoveel nodig, zijn eis aldus aangevuld dat de bank moet aangeven hoeveel het tegoed beliep van het in het beslagexploot genoemde bankrekeningnummer ten name van de vrouw. De bank heeft volhard bij haar standpunt dat geen beslag ten laste van Van Schoonhoven is gelegd en dat, voor zover dat wel het geval geweest zou zijn, dat beslag inmiddels was vervallen omdat het niet binnen acht dagen aan Van Schoonhoven was betekend. 4.2 De rechtbank heeft de vordering van de Ontvanger afgewezen — met diens veroordeling in de kosten — op de grond dat de bank onder (waarmee kennelijk wordt bedoeld: ten laste van) Van Schoonhoven geen beslag heeft gelegd en de bank daarom niet gehouden is te verklaren wat zij aan Van Schoonhoven verschuldigd is. De grief is tegen dit oordeel gericht en legt de zaak in volle omvang aan het hof voor. 4.3 Voorop staat dat een schuldeiser die jegens een van de echtgenoten een executoriale titel heeft verkregen, verhaal kan uitoefenen op goederen die tot het gemeenschapsvermogen behoren, ook al staan deze ten name van de andere echtgenoot. 4.4 Ook onder het — op deze zaak van toepassing zijnde — oude recht moet worden aangenomen dat dat verhaal dient plaats te hebben doordat op het bewuste vermogensbestanddeel (mede) ten laste van de andere echtgenoot beslag wordt gelegd. 4.5 Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het door de Ontvanger gelegde beslag aan deze eis niet voldoet: 1. het beslagexploot vermeldt niet dat het beslag mede ten laste van de vrouw wordt gelegd (de enkele vermelding van het rekeningnummer is daartoe niet voldoende) en 2. het beslag is binnen acht dagen niet aan de vrouw betekend (het enkele feit dat Van Schoonhoven het aan Colle uitgebrachte exploot in ontvangst heeft genomen doet daaraan niet af). 4.6 Bij deze stand van zaken rustte op de bank geen verklaringsplicht omtrent hetgeen zij (eventueel) aan Van Schoonhoven verschuldigd was. Het oordeel van de rechtbank is derhalve juist en de daartegen gerichte grief treft geen doel.

22


in het voorwaardelijk incidenteel appel 4.7 De bank heeft, bij gebrek aan wetenschap, betwist dat het tegoed op het bewuste rekeningnummer een gemeenschapstegoed is — en derhalve vatbaar voor verhaal van de vordering van de Ontvanger op Colle —. Niet valt uit te sluiten, aldus de bank, dat Van Schoonhoven het tegoed op de rekening heeft verkregen krachtens testament of schenking waarbij is bepaald dat het nagelatene niet zal vallen in een huwelijksgemeenschap. 4.8 Voor het geval de rechtbank dit verweer zou hebben verworpen, stelt de bank incidenteel appel in. 4.9 Buiten beschouwing kan blijven wat rechtens geweest zou zijn indien het beslag aan Van Schoonhoven zou zijn betekend en deze zich (schriftelijk) verzet zou hebben, verzet zoals in het huidige recht is weergegeven in art. 435art. 435 Rv. Stellig kan niet worden aangenomen dat de rechtbank het bedoelde verweer van de bank heeft verworpen. Nu aan de voor het instellen van het appel genoemde voorwaarde niet wordt voldaan, behoeft het incidenteel appel geen behandeling meer. (enz.) Principaal cassatiemiddel: Schending van het Nederlandse recht en verzuim van vormen waarvan de nietinachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of waarvan de aard zodanige nietigheid meebrengt, door op de in het arrest gebezigde gronden te beslissen als daarin vermeld. Deze algemene klacht wordt hierna uitgewerkt in enkele in onderling verband te beoordelen meer concrete klachten. 1

— Het Hof heeft in de rechtsoverwegingen (r.o.) 4.3 en 4.7–4.10 tot uiting gebracht dat de vraag of het tegoed op het bewuste, op naam van de vrouw (Van Schoonhoven) staande rekeningnummer behoort tot de huwelijkse gemeenschap waarin de fiscale schuldenaar L.A. Colle (de man) en de vrouw met elkaar zijn gehuwd, niet behoeft te worden beantwoord. Derhalve kan in cassatie als uitgangspunt worden genomen dat dat tegoed inderdaad tot die gemeenschap behoort en dat daarom de vrouw verhaal op dat tegoed moet dulden (en aldus 'verhaalsaansprakelijk' is terzake) van vorderingen zoals de onderhavige fiscale vordering van de Ontvanger op de man, ook al is zij zelf niet verplicht die vordering te voldoen en in die zin geen schuldenares van de Ontvanger met betrekking tot bedoelde vordering.

2

— Het Hof heeft miskend dat er geen beslag 'ten laste van' de vrouw kan worden gelegd omdat zij rechtens geen schuldenaar met betrekking tot de onderhavige fiscale schuld van de man is, zodat in een geval als het onderhavige voor verhaal van de fiscale schuld van de man op de bankrekening van de vrouw en voor het doen van verklaring door de bank van hetgeen zij aan de vrouw verschuldigd is, niet is vereist dat het beslagexploot vermeldt dat het beslag mede ten laste van de vrouw wordt

23


gelegd noch dat het beslag binnen acht dagen aan de vrouw wordt betekend. 3

— Subsidiair geldt dat het Hof heeft miskend dat het onderhavige beslag op de bewuste rekening rechtens moet worden geacht mede ten laste van de vrouw, die immers verhaalsaansprakelijk is terzake van de onderhavige fiscale schuld van de man, te zijn gelegd, ook al vermeldt het beslagexploit niet (met zoveel woorden) dat het beslag mede ten laste van de vrouw is gelegd en ook al is het beslag niet binnen acht dagen aan de vrouw betekend.

Incidenteel cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof op grond van de in het arrest, waarvan beroep, vermelde gronden, heeft beslist als in het dictum van het arrest vermeld, zulks ten onrechte om de na te noemen, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, redenen. Inleiding De ontvanger heeft uit hoofde van een op 21 oktober 1988 aan L.A. Colle betekend dwangbevel bij exploit van diezelfde datum onder de Bank executoriaal beslag gelegd 'op alle gelden en goederen die zij (de Bank, JvDB) verschuldigd is of wordt of onder haar berusting heeft of krijgt van voornoemde schuldenaar (de man, JvDB) in het bijzonder op rek.nr. 432838856', zulks teneinde betaling te verkrijgen van een in het beslagexploit omschreven belastingschuld van de man. Het exploit is op 25 oktober 1988 aan de man betekend. Genoemde rekening staat op naam van M.I. van Schoonhoven, de echtgenote van de man. De ontvanger heeft de Bank op 16 november 1988 gedagvaard teneinde verklaring te doen. De Bank heeft verklaard dat zij niets aan de man verschuldigd is of van deze onder zich heeft. Bij conclusie van repliek heeft de ontvanger zijn eis aangevuld en mede gevorderd dat de Bank zou verklaren omtrent het tegoed dat de Bank op de datum van beslaglegging verschuldigd was aan de vrouw en dat de Bank zich bereid zou verklaren dat af te geven aan de ontvanger. De Bank heeft geweigerd deze verklaring af te leggen. Bij vonnis van 28 oktober 1992 heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de vordering van de ontvanger afgewezen. Hiertegen is door de ontvanger appel ingesteld, terwijl de Bank voorwaardelijk incidenteel appel heeft ingesteld. Bij arrest van 6 februari 1997 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en ten aanzien van het voorwaardelijk incidenteel appel vastgesteld, dat dit, bij gebreke van het in vervulling gaan van de voorwaarde, niet is ingesteld. De Bank heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep haar weigering om de gevraagde verklaring af te leggen primair gebaseerd op de stelling dat een beslag als het onderhavige (ten laste van de man onder de Bank op een tegoed op een rekening die alleen op naam staat van de vrouw) niet mogelijk is. Subsidiair heeft de Bank betoogd dat, indien een dergelijk beslag wel mogelijk moet worden geacht, daaraan gelet op de eisen van het rechtsverkeer (beperking onderzoeksplicht) bepaalde eisen dienen te worden gesteld, waaraan ten deze niet was voldaan, te weten dat: —

in het beslagexploit duidelijk melding dient te worden gemaakt van het feit dat (tevens) beslag gelegd wordt op de goederen, die vallen in de gemeenschap waarin

24


de schuldenaar is gehuwd, —

daarbij tevens de naam van de vrouw dient te worden vermeld,

—

een uittreksel uit het huwelijksregister dient te worden overgelegd,

—

het derdenbeslag aan de vrouw moet worden betekend.

Klacht Naar aanleiding van het door de ontvanger ingestelde hoger beroep tegen voormeld vonnis overweegt het Hof te Amsterdam in zijn arrest van 6 februari 1997 onder meer: '4.4. Ook onder het — op deze zaak van toepassing zijnde — oude recht moet worden aangenomen dat dat verhaal dient plaats te hebben doordat op het bewuste vermogensbestanddeel (mede) ten laste van de andere echtgenoot beslag wordt gelegd. 4.5. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het door de Ontvanger gelegde beslag aan deze eis niet voldoet: 1. het beslagexploot vermeldt niet dat het beslag mede ten laste van de vrouw wordt gelegd (de enkele vermelding van het rekeningnummer is daartoe niet voldoende) en 2. het beslag is binnen acht dagen niet aan de vrouw betekend (het enkele feit dat Van Schoonhoven het aan Colle uitgebrachte exploot in ontvangst heeft genomen doet daaraan niet af).' Ten onrechte heeft het hof voor een beslag als het onderhavige niet tevens de eis gesteld dat de beslaglegger een uittreksel uit het huwelijksregister dient over te leggen, althans is het hof, mede gelet op hetgeen daaromtrent in de gedingstukken door de Bank naar voren is gebracht (o.m. bij memorie van antwoord/incidentele memorie van grieven, no's 29 e.v. en 44 e.v.) in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door niet inzichtelijk te maken waarom deze eis naar de mening van het hof niet gesteld kan worden. Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie — verder te noemen: de Ontvanger — heeft bij exploit van 16 november 1988 verweerster in cassatie — verder te noemen: de Bank — gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en — verkort weergegeven — gevorderd dat de Bank verklaring zal doen van hetgeen zij van L.A. Colle (in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met M.I. van Schoonhoven) onder zich heeft of aan hem verschuldigd is, dit in verband met een opeisbare vordering van de Ontvanger wegens belasting- en/of premieaanslagen op Colle voornoemd. De Bank heeft verklaard dat zij niets aan beslagene verschuldigd is of van deze onder zich heeft. Bij conclusie van repliek heeft de Ontvanger zijn eis vermeerderd door tevens verklaring te vorderen van hetgeen de Bank op of na 21 oktober 1988 aan de echtgenote van Colle voornoemd verschuldigd was, hetgeen de Bank heeft geweigerd.

25


De rechtbank heeft bij vonnis van 28 oktober 1992 de vordering van de Ontvanger afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de Ontvanger hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De Bank heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 6 februari 1997 heeft het hof in het principaal appel het bestreden vonnis bekrachtigd en in het incidenteel appel verstaan dat dit appel niet is ingesteld. (…) 2. Het geding in cassatie (…) 3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De Ontvanger heeft bij exploit van 21 oktober 1988 op grond van een dwangbevel executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Bank ten laste van L.A. Colle (de man) als schuldenaar. Het beslag is 'in het bijzonder op rek. nr. 43 28 38 856' gelegd. Deze bankrekening staat op naam van M.I. van Schoonhoven (de vrouw). Het beslag is op 25 oktober 1988 aan de man betekend. De man en de vrouw zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkander gehuwd. De Ontvanger heeft de Bank op de voet van art. 479 (oud) Rv gedagvaard om verklaring te doen. De Bank heeft verklaard dat tussen de Bank en de man geen enkele rechtsverhouding bestaat en dat zij hem niets verschuldigd is. Voorts heeft de Bank gesteld dat, nu geen beslag ten laste van de vrouw is gelegd, de Bank niet verplicht is te verklaren wat zij aan de vrouw verschuldigd is. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 3.2 Bij de beoordeling van het middel moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat het eventuele tegoed op de voormelde bankrekening deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Voorts kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat de Ontvanger op grond van het alleen tegen de man uitgevaardigde dwangbevel verhaal kan uitoefenen op goederen die tot het gemeenschapsvermogen behoren, ook al staan deze op naam van de vrouw. 3.3 Het hof heeft geoordeeld dat ook onder het oude recht, dat in deze zaak van toepassing is, moet worden aangenomen dat zodanig verhaal dient plaats te vinden doordat op het bewuste vermogensbestanddeel (mede) ten laste van de andere echtgenoot — in dit geval de vrouw — beslag wordt gelegd. Daarna heeft het hof vastgesteld dat het door de Ontvanger gelegde derdenbeslag niet ten laste van de vrouw is gelegd en niet overeenkomstig art.

26


476 (oud) Rv binnen acht dagen aan de vrouw is betekend. Het hof heeft hieruit afgeleid dat op de Bank geen verklaringsplicht rustte omtrent hetgeen zij (eventueel) aan de vrouw verschuldigd was. 3.4 Het middel, waarvan onderdeel 1 geen klacht bevat, betoogt in onderdeel 2 dat het hof heeft miskend dat er geen beslag 'ten laste van' de vrouw kan worden gelegd omdat zij rechtens geen schuldenaar is met betrekking tot de onderhavige fiscale schuld van de man. Het middel stelt hiermee de vraag aan de orde ten laste van welke echtgenoot een derdenbeslag onder een bank moet worden gelegd op een alleen op naam van de vrouw staande bankrekening voor een vordering van de schuldeiser op de man als schuldenaar in een geval waarin de man en de vrouw in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. In die situatie moet derdenbeslag ten laste van de vrouw worden gelegd, omdat de vrouw de geëxecuteerde of beslagene is. Zij is immers degene op wier naam de bankrekening is gesteld en die aldus in een contractuele verhouding tot de bank staat, terwijl hetgeen zij uit die verhouding van de bank heeft te vorderen onder haar bestuur staat zoals volgt uit het bepaalde in art. 1:97 lid 1art. 1:97 lid 1 BW. Dat de vrouw zelf geen schuldenaar is met betrekking tot de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, staat niet eraan in de weg dat beslag wordt gelegd ten laste van de vrouw op tot de gemeenschap behorende goederen die op haar naam staan. Als beslagene kan de vrouw voor haar belangen opkomen, bijvoorbeeld wanneer beslag zou zijn gelegd op privé-goederen die buiten de gemeenschap vallen. Bovendien kan de vrouw als rekeninghoudster bij de bank de nodige inlichtingen aan de bank verschaffen omtrent haar huwelijksvermogensregime. Onderdeel 2 is derhalve ongegrond. Opmerking verdient nog dat, wanneer de beslaglegger in onzekerheid verkeert op wiens naam de bankrekening staat, hij derdenbeslag kan leggen ten laste van beide echtgenoten, evenals in het geval dat de bankrekening op naam van beide echtgenoten staat. 3.5 Onderdeel 3 voert subsidiair aan dat het onderhavige beslag, ook al is het ten laste van de man gelegd en uitsluitend aan de man betekend, moet worden geacht mede ten laste van de vrouw te zijn gelegd. Het onderdeel faalt. Ingeval een beslag wordt gelegd ten laste van beide echtgenoten, moeten beiden als geëxecuteerden worden beschouwd en moet ten aanzien van beiden aan de wettelijk voorgeschreven beslagformaliteiten worden voldaan. 4. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep Het middel klaagt dat het hof ten onrechte voor een beslag als het onderhavige niet tevens de eis heeft gesteld dat de beslaglegger een uittreksel uit het huwelijksregister overlegt, althans wat dit betreft zijn arrest niet heeft gemotiveerd. Het middel kan reeds wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Nu het principaal beroep wordt verworpen, behoeft de Bank geen verklaring af te leggen

27


over hetgeen zij aan de vrouw verschuldigd is. Bovendien volgt uit het in 3.4 overwogene dat een beslag als het onderhavige ten laste van de echtgenoot op wiens naam de bankrekening staat, moet worden gelegd en dat die echtgenoot/rekeninghouder dan de nodige inlichtingen aan de bank kan geven, zodat er geen reden is de door het middel bedoelde eis te stellen. 5. Beslissing De Hoge Raad: in het principaal en in het incidenteel beroep: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Conclusie Naar bovenNaar boven ConclusieA-G mr. Langemeijer Deze zaak betreft een executoriaal derdenbeslag op een bankrekening van de echtgenote van de schuldenaar. Kan volstaan worden met beslag ten laste van, respectievelijk met betekening aan, de schuldenaar zelf 贸f behoort ook ten opzichte van de echtgenote aan de beslagformaliteiten te worden voldaan? 1. De feiten en het procesverloop 1.1 Op 21 oktober 1988 heeft eiser tot cassatie (hierna: de ontvanger) op grond van een dwangbevel van dezelfde datum executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Amsterdam Rotterdam Bank NV (de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie, hierna: de bank) ten laste van L.A. Colle als belastingschuldenaar. Het beslag, dat blijkens het (bij inleidende dagvaarding overgelegde) beslagexploot 'in het bijzonder op rek.nr. 43.28.38.856' werd gelegd, is op 25 oktober 1988 aan Colle betekend. 1.2 De genoemde bankrekening stond op naam van mw. M.I. van Schoonhoven, in algehele gemeenschap van goederen met Colle gehuwd en hierna aan te duiden als: de echtgenote[1][1]. 1.3 De ontvanger heeft de bank gedagvaard[2][2] voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd dat de bank verklaring zal doen van hetgeen zij van Colle onder zich heeft of aan hem verschuldigd is. Het gaat dus om een verklaringsprocedure als bedoeld in art. 479 (oud) in verbinding met art. 741 e.v. (oud) Rv. 1.4 De bank heeft een verklaring afgelegd, inhoudend dat tussen de bank en Colle geen enkele rechtsverhouding bestaat en dat zij niets aan Colle verschuldigd is of van hem onder zich heeft. De bank heeft bij gebrek aan wetenschap betwist of het tegoed op de desbetreffende bankrekening een gemeenschapsgoed is. Verder heeft de bank het verweer gevoerd dat de ontvanger niet kan executeren tegen de echtgenote; zou het beslag al geldig zijn jegens de echtgenote, dan is het

28


volgens de bank vervallen omdat het niet tijdig aan de echtgenote is betekend en art. 476 (oud) Rv op zo'n verzuim de sanctie van nietigheid stelt. 1.5 Vervolgens heeft de ontvanger bij repliek zijn eis vermeerderd door tevens verklaring te vorderen van hetgeen de bank op of na 21 oktober 1988 aan de echtgenote verschuldigd was. De bank heeft dit geweigerd. 1.6 De rechtbank heeft bij vonnis van 28 oktober 1992 de vordering van de ontvanger afgewezen[3][3]. Daartoe overwoog zij dat wanneer de ontvanger verhaal wil zoeken op een gemeenschapsgoed hij, voor zover het gemeenschapsgoed uitsluitend op naam van de echtgenote staat, beslag dient te leggen onder[4][4] de echtgenote (r.o. 4 Rb.). Nu dit niet gebeurd is, achtte de rechtbank de bank niet gehouden een verklaring af te leggen omtrent hetgeen zij aan de echtgenote verschuldigd is. 1.7 De ontvanger is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. De bank heeft voorwaardelijk een incidentele grief gericht tegen de impliciete verwerping van haar verweer dat het tegoed op de rekening van de echtgenote niet als gemeenschapsgoed kan worden aangemerkt. 1.8 Het hof heeft bij arrest van 6 februari 1997 op het principaal appèl het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof heeft verstaan dat het incidenteel appèl niet is ingesteld. 1.9 Hierna heeft de ontvanger — tijdig — beroep in cassatie ingesteld, voorzien van een middel dat drie onderdelen telt. De bank heeft geconcludeerd tot verwerping van dit beroep, en heeft van haar kant incidenteel cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van een middel. De ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. 2. Bespreking van het principaal cassatiemiddel 2.1 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de belastingschuld van Colle, terzake waarvan het dwangbevel is uitgevaardigd dat hier ten uitvoer wordt gelegd, een schuld is waarvoor de ontvanger de goederen van de gemeenschap kan uitwinnen omdat de belastingschuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt (art. 1:95art. 1:95 BW), dan wel omdat voldaan is aan de voorwaarden van art. 1:96[5][5]. Men spreekt wel van: de gemeenschappelijke draagplicht van de echtgenoten. De echtgenote wordt daardoor geen mede-schuldenaar[6][6]. Of de gemeenschapsgoederen op naam van de echtgenoot-schuldenaar staan, op naam van de andere echtgenoot of op beider naam doet voor de draagplicht niet terzake: de schuldeiser kan zich rechtstreeks op elk gemeenschapsgoed verhalen. Zou deze regel niet bestaan, dan zou de schuldeiser krachtens de hoofdregel van art. 3:276 (1177-oud) BW verhaal moeten zoeken op het aandeel van de man in de huwelijksgoederengemeenschap, welke gemeenschap bezwaarlijk voor verhaalsdoeleinden ontbonden kan worden. Terzijde kan worden opgemerkt dat deze materie inmiddels voor de gemeenschap in het algemeen is geregeld in art.

29


3:192art. 3:192 BW. 2.2 Het verloop van het geding brengt mee dat bij de beoordeling van het principaal cassatiemiddel tot uitgangspunt dient: de veronderstelling dat het eventuele tegoed op de beslagen bankrekening inderdaad een gemeenschapsgoed is [7][7]. 2.3 Een schuldeiser die beschikt over een voor tenuitvoerlegging vatbare titel tegen één der echtgenoten kan op basis van die titel een gemeenschapsgoed in beslag laten nemen tot verhaal. Dat de tenuitvoerlegging een derde materieel treft, is op zichzelf niet bijzonder: zie voor het huidige recht art. 432art. 432 Rv. Ingevolge het bepaalde in de vroegere InvorderingswetInvorderingswet (zie thans art. 14art. 14 Invorderingswet 1990) levert een fiscaal dwangbevel een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van Rv kan worden tenuitvoergelegd. Maar aan welke formaliteiten moet worden voldaan wanneer een schuldeiser tot verhaal van een vordering op de echtgenoot-schuldenaar beslag wil leggen op een in de huwelijksgoederengemeenschap vallende vordering van de echtgenoot-niet-schuldenaar op een derde? In de geraadpleegde handboeken[8][8] vond ik deze vraag niet uitdrukkelijk behandeld. 2.4 Het beslag wordt in elk geval onder de derde gelegd, dus onder degene die te zijner tijd tot betaling aan de deurwaarder zal moeten overgaan, en niet onder de echtgenoot-niet-schuldenaar. Materieel treft de executie de gemeenschap, dus beide echtgenoten gelijkelijk, in haar vermogen en in zoverre zou gesproken kunnen worden van een beslag dat ten laste van de beide echtgenoten komt. N.m.m. is dit materiële criterium niet doorslaggevend voor de vraag wie formeel als geëxecuteerde heeft te gelden. Zouden de beslagformaliteiten worden bepaald door de vraag welke echtgenoot materieel door het beslag in zijn vermogen getroffen wordt, dan zou een schuldeiser, die voor een schuld van een in enige gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot beslag legt op een gemeenschapsgoed ten name van diezelfde echtgenoot (bijv. een schuldeiser die derdenbeslag/loonbeslag wil leggen onder de werkgever van de echtgenootschuldenaar), genoopt zijn in het beslagexploot beide echtgenoten als geëxecuteerde te laten vermelden en het beslag aan beide echtgenoten te laten betekenen. Die eis is, voor zover mij bekend, niet gebruikelijk. 2.5 Beter lijkt mij de maatstaf dat alleen de echtgenoot op wiens naam de vordering op de derde staat — welke echtgenoot ingevolge art. 1:97 lid 1art. 1:97 lid 1 BW immers het bestuur over het desbetreffende gemeenschapsgoed heeft — als geëxecuteerde geldt. Omdat de onderhavige bankrekening (dus de inbeslaggenomen vordering op de bank) uitsluitend op naam van de echtgenote stond, diende het beslagexploot haar als geëxecuteerde te vermelden en diende dit aan haar te worden betekend. Dat is hier verzuimd. Tot hetzelfde resultaat kwam het hof in r.o. 4.5. Deze keuze sluit n.m.m. het beste aan bij HR 6 december 1968, NJ 1969, 111NJ 1969, 111: de echtgenoot die het bestuur over de vordering van de gemeenschap heeft is degene op wiens naam geprocedeerd wordt indien ter incassering van de vordering op de derde geprocedeerd wordt[9][9]. Daarnaast heeft de ontvanger in de aanvang van zijn s.t. gevraagd om een duidelijke maatstaf ten behoeve van de ontvangerspraktijk; de bestuursregeling van art. 1:97art. 1:97 BW kan deze maatstaf bieden. In het,

30


zich hier niet voordoende, geval van een 'en/of'-rekening op naam van beide echtgenoten zouden in deze zienswijze beide echtgenoten als geëxecuteerden hebben te gelden en zou ten aanzien van beiden aan de beslagformaliteiten behoren te worden voldaan. 2.6 Hoewel in deze zaak niet aan de orde, komt het mij voor dat de echtgenoot, die als mede-draagplichtige materieel door het beslag getroffen wordt maar formeel niet als geëxecuteerde geldt, telkens wél de mogelijkheid heeft van verzet tegen de executie op de voet van art. 438 (oud) en 456 (oud) Rv, respectievelijk 438 en 456 huidig RvRv. Voor derdenverzet door de echtgenoot tegen de achterliggende executoriale titel zelf: zie HR 8 december 1989, NJ 1990, 192NJ 1990, 192. 2.7 Om de hierboven aangegeven reden komt onderdeel 2 mij ongegrond voor. Subsidiair betoogt de ontvanger in onderdeel 3 dat het onderhavige beslag, ook al is het alleen ten laste van de man gelegd en uitsluitend aan de man betekend, geacht moet worden mede ten laste van de vrouw te zijn gelegd. Voor een dergelijke fictie zie ik geen wettelijke basis. Wel zou ik me een equivalent van HR 4 mei 1951, NJ 1951, 525, kunnen voorstellen, in die zin dat, wanneer uit enigerlei wilsverklaring van de echtgenote-niet-schuldenaar kan worden afgeleid dat deze zich neerlegt bij het derdenbeslag op een te haren name staande rekening, het beslag wordt afgewikkeld als ware het te haren laste gelegd. Op een zodanige wilsverklaring van de echtgenote is in dit geding echter geen beroep gedaan, zodat het onderdeel geen doel treft. 3. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel 3.1 Het incidentele cassatiemiddel behelst die klacht dat het hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft nagelaten de eis te stellen dat de beslaglegger bij het leggen van derdenbeslag een uittreksel uit het huwelijksregister overlegt aan de derde-beslagene. In hoger beroep heeft de bank uitvoerig uiteengezet dat het voor haar praktisch ondoenlijk is bij elk derdenbeslag op een bankrekening te controleren of de rekeninghouder wellicht in enige gemeenschap van goederen gehuwd is, en zoja, of het beslagen tegoed op de bankrekening al dan niet in de huwelijksgoederengemeenschap valt. De bank acht het de taak van de executant — en niet de taak van de bank — om dit uit te zoeken en omtrent het huwelijksvermogensregime van de rekeninghouder uitsluitsel te verschaffen. 3.2 Bij verwerping van het principaal cassatiemiddel, zoals hierboven voorgesteld, kan het incidenteel middel bij gebrek aan belang verworpen worden: de bank behoeft in dat geval geen verklaring af te leggen over hetgeen zij aan de echtgenote verschuldigd is. 3.3 Ten overvloede, slechts voor het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat het beslag geldig (mede) ten laste van de echtgenote is gelegd, meen ik dat het incidenteel middel tot een onwenselijke uitkomst leidt. In de s.t. van de zijde van de bank wordt verwezen naar HR 18 maart 1994, NJ 1995, 410NJ 1995, 410 m.nt. WMKWMK[10][10]. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om de vraag aan wie de bank bevrijdend kan betalen (indien het beslag geacht wordt geldig

31


mede ten laste van de echtgenote gelegd te zijn, wordt de bank slechts bevrijd door betaling aan de deurwaarder), maar om de vraag of hetzij de executant hetzij de derde-beslagene het onderzoek naar het toepasselijke huwelijksvermogensregime verricht. Het komt mij voor dat de derde-beslagene (de bank) door haar relatie met de rekeninghouder in het algemeen beter in staat is dit onderzoek te verrichten — en zo nodig de daaraan verbonden kosten door te berekenen — dan een buitenstaander zoals een schuldeiser van de echtgenoot van de rekeninghouder. Nu het incidenteel middel reeds bij gebrek aan belang verworpen kan worden, moge ik met deze korte opmerking volstaan. 4. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principaal en van het incidenteel cassatieberoep.

Voetnoten Voetnoten [1][1] Zie r.o. 3 van het bestreden arrest in verbinding met r.o. 2 van het vonnis in eerste aanleg. [2][2] Niet omgekeerd, zoals het hof in r.o. 4.1d schrijft. [3][3] Het vonnis is gepubliceerd en geannoteerd in Vakstudie Nieuws 1992, p. 36143616Vakstudie Nieuws 1992, p. 3614-3616. [4][4] Het hof leest dit als: 'ten laste van' de vrouw (zie r.o. 4.2). [5][5] In eerste aanleg is dit onderscheid even aan de orde gesteld. Het hof heeft geen keuze tussen 1:95 en 1:96 gemaakt maar gaat in r.o. 4.3 ervan uit dát verhaal mogelijk is. Zie ook: HR 25 juni 1993, NJ 1994, 31NJ 1994, 31 m.nt. WMKWMK en Asser-De Boer, 1998, nr. 322. [6][6] Vgl. HR 12 april 1985, NJ 1985, 662NJ 1985, 662, m.nt. EAAL. Asser-Hartkamp 4–I nrs. 33–39 onderscheidt materieel schuldenaarschap en verhaalsaansprakelijkheid. Zie ook Parl. Gesch. Wijziging RvRv e.a.w. (InvInv. 3, 5 en 6), p. 80: 'De geëxecuteerde behoeft niet steeds ook de schuldenaar te zijn. Zoals blijkt uit art. 435 lid 2 kan het zijn dat hij degene is op wiens goed verhaal wordt genomen voor de schuld van een ander'. [7][7] Aldus ook onderdeel 1 van het middel en de s.t. van de zijde van de bank sub 2.2. [8][8] Wessels e.a. (red), T&C FaillissementswetFaillissementswet en Executie- en beslagrecht (1996); Falkena e.a. (red.), Vademecum Burgerlijk Procesrecht — Executie en beslag; F.M.J. Jansen, Executie- en beslagrecht, 3e druk (1987) voor het oude recht; 4e druk (1990); H. Stein, Goed beslagen (1993); H. Oudelaar, Recht halen, Inleiding in het executie- en beslagrecht (1995); H. Oudelaar,

32


Civielrechtelijke executiegeschillen, diss. 1992. Zie verder: Rb. Alkmaar 14 december 1989, de Gerechtsdeurwaarder 1990 p. 85 m.nt. L.W.A. Toonen, betreffende een derdenverzet van een echtgenoot-niet-schuldenaar tegen beslag op zijn loon voor schulden van zijn echtgenote. R.M.M.M. Schreuders, Het executoriaal verhaalsbeslag onder derden, de Gerechtsdeurwaarder 1996 p. 246 e.v., i.h.b. p. 248. [9][9]

Zie over de materiĂŤle aspecten van de inningsbevoegdheid: HR 18 maart 1994, NJ 1995, 410NJ 1995, 410, welke uitspraak in het incidenteel cassatieberoep nog aan de orde komt.

[10][10] Over dit arrest: L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel, diss. 1996, p. 477–482.

33


NJ 2002, 380: Beslag op volle eigendom i.p.v. op aandeel in ontbonden huwelijksgemeenschap. Geen conversie. Instantie:

Hoge Raad (Civiele kamer)

Datum:

30 maart 2001

Magistraten:

F.H.J. Mijnssen, J.B. Fleers, H.A.M. Zaaknr: Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein

C99/184HR

Conclusie:

A-G Wesseling-van Gent

LJN:

AB0805

Noot:

H.J. Snijders

Roepnaam:

-

Brondocumenten: ECLI:NL:HR:2001:AB0805, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 30-03-2001; ECLI:NL:PHR:2001:AB0805, Conclusie, Hoge Raad (AdvocaatGeneraal), 30-03-2001 Wetingang: BW art. 1:99; BW art. 3:28; BW art. 3:189; BW art. 3:190; BW art. 3:191; Rv (oud) art. 437; Rv (oud) art. 469; Rv (oud) art. 474bb; Rv (oud) art. 707 Brondocument: HR, 30-03-2001, nr C99/184HR Essentie Beslag op volle eigendom i.p.v. op aandeel in ontbonden huwelijksgemeenschap. Geen conversie. Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. Een beslag dat blijkens het proces-verbaal van beslaglegging is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed (de volle in de gemeenschap vallende eigendom van de woning waarop geen verhaal voor de schuld van de schuldenaar mogelijk was) kan niet — bij wege van conversie — worden gewijzigd in een beslag op een wel aan de schuldenaar toekomend recht op dat goed (het aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap). Samenvatting Nadat tussen hen de echtscheiding is uitgesproken, hebben de ex-echtgenoten de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap verdeeld, zulks met uitzondering van de voormalige echtelijke woning die is toebedeeld aan de vrouw. Vervolgens heeft een schuldeiser van de man ter zake van een na de echtscheiding ontstane vordering (conservatoir) beslag gelegd op de nog onverdeelde woning. In het onderhavige kort geding vordert de vrouw een bevel tot opheffing van het beslag. In cassatie is de vraag aan de orde of dit beslag, dat ten onrechte is gelegd op de woning, in dier voege gedeeltelijk kan worden opgeheven dat het nog slechts komt te rusten op het aandeel van de man daarin. Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. De vraag welke bevoegdheden de deelgenoot aan zijn aandeel in de gemeenschap kan ontlenen, kan niet worden beantwoord aan de hand van art. 5:1 BW. Hij heeft op grond van zijn aandeel

34


niet de bevoegdheden genoemd in art. 5:1. Hij heeft ingevolge art. 3:178 BW de bevoegdheid om verdeling van de gemeenschap te vorderen, terwijl de vraag of hij het genot heeft van een gemeenschappelijk goed en de vraag of hij bevoegd is tot gebruik en/of beheer ervan, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen is bepaald in de art. 3:168 e.v. De onderhavige gemeenschap moet worden gekwalificeerd als een bijzondere gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:189 lid 2 BW. Weliswaar behoorde tot de gemeenschap slechts één goed, de woning, maar voor het antwoord op de vraag of een gemeenschap moet worden gekwalificeerd als een bijzondere, zoals bedoeld in laatstgenoemde bepaling, is de rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die tot het bestaan van de gemeenschap heeft geleid beslissend, niet de omstandigheid dat slechts één goed tot de gemeenschap behoort. De schuldeiser kon zijn vordering op de schuldeiser verhalen op, in beginsel, al diens goederen, ingevolge art. 3:191 lid 1 BW ook op diens aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap; dit laatste echter met inachtneming van het in genoemde bepaling gemaakte voorbehoud. Ter voorbereiding van dit verhaal kon de schuldeiser conservatoir beslag op dit aandeel leggen. Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van beslaglegging dient mede ertoe vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.[1] Partij(en) De publiekrechtelijke rechtspersoon Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, te Amsterdam, eiseres tot cassatie, adv. mr. J.C. van Oven, tegen Carla Gerdina Grifhorst, te B., gemeente H., verweerster in cassatie, niet verschenen. Bewerkte uitspraak Voorgaande uitspraak

Hof: 4. Beoordeling 4.1

Het gaat in dit kort geding om een vordering van Grifhorst tot opheffing van het beslag op haar woonhuis. LISV heeft dat beslag gelegd voor een vordering op Grifhorsts ex-echtgenoot, D. Die vordering is ontstaan na de echtscheiding.

4.2

Het huis — de voormalige echtelijke woning — behoorde tot de door de echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap en op het tijdstip van de beslaglegging (21 april 1998) het enige nog onverdeelde object van die gemeenschap. Op 29 april 1998, na de beslagdatum dus, is de verdeling geëffectueerd door inschrijving van de daartoe bestemde notariële akte in de

35


registers en is het huis, conform het in 1993 opgemaakte echtscheidingsconvenant, in volle eigendom op Grifhorst overgegaan. 4.3

Grifhorst stelt dat LISV als (privé)-schuldeiser van D. slechts diens aandeel in de gemeenschap (in casu diens aandeel in het huis) kon uitwinnen en dus ook slechts op dat aandeel beslag had mogen leggen. Nu het beslag op het huis als geheel is gelegd, en daarmee dus ook op het aandeel daarin van Grifhorst, is het beslag jegens haar onrechtmatig en moet het worden opgeheven, aldus Grifhorst.

4.4

De president heeft de vordering afgewezen.

4.5

Met de grieven, die alle strekken ten betoge dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat het beslag niet ten onrechte op Grifhorsts aandeel in het huis is gelegd en dientengevolge rechtmatig is, is de zaak in volle omvang aan het hof voorgelegd. De grieven worden gezamenlijk behandeld.

4.6

Het hof stelt voorop dat het hier een privéschuld van D. betreft, niet een gemeenschapsschuld. De schuld (ter zake van volgens LISV ten onrechte door D. genoten WW-uitkeringen) is immers ontstaan nadat het huwelijk, en daarmee de gemeenschap, door de echtscheiding was ontbonden. Zij kan daarom niet worden verhaald op goederen van de gemeenschap. Krachtens het bepaalde in art. 3:191 BW wèl op het aandeel van D. in de ontbonden huwelijksgemeenschap, in casu zijn aandeel in het huis nu die gemeenschap ten tijde van de beslaglegging niets anders meer omvatte dan het huis.

4.7

Het aandeel van Grifhorst in het huis was niet uitwinbaar voor de schuld van D. Zoals bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep door LISV is erkend, is LISV dan ook niet bevoegd tot executie van het huis als geheel, maar slechts van het (ten tijde van de beslaglegging nog bestaande) 50% aandeel van D.

4.8

Dit een en ander betekent dat LISV dus ook slechts bevoegd was beslag te leggen op het aandeel van D. in het huis en dat ten onrechte op het gehele huis beslag is gelegd. Dat betekent dat het beslag onrechtmatig is jegens Grifhorst.

4.9

LISV heeft bij memorie van antwoord laten weten dat zij Grifhorsts (voormalige) aandeel in het huis zal respecteren en zich daarop niet zal verhalen. Deze toezegging, die slechts obligatoire werking heeft, kan de onrechtmatigheid van het beslag echter niet opheffen.

4.10 LISV heeft voorgesteld het beslag gedeeltelijk op te heffen, d.w.z. voor zover het rust op het (voormalige) aandeel van Grifhorst in het huis. Dit zou volgens LISV kunnen geschieden door inschrijving van een verklaring van waardeloosheid voor dat deel, op de voet van art. 3:28 BW in verbinding met art. 35 Kadasterwet. 4.11 Een dergelijke 'halvering' van het beslag door gedeeltelijke opheffing is evenwel niet mogelijk. Terecht voert Grifhorst in dit verband aan, dat het

36


object van het onderhavige beslag, het woonhuis als geheel, van heel andere aard is en een beslag daarop heel andere rechtsgevolgen heeft dan een beslag op een aandeel in het in de gemeenschap vallende woonhuis, waarbij bij uitwinning de gebruiks- en verdere rechten van de andere deelgenoot, i.c. Grifhorst, dienen te worden gerespecteerd. Het onderhavige beslag kan daarom niet in de door LISV voorgestane zin worden 'geconverteerd' in een beslag op D's aandeel in de gemeenschappelijke onroerende zaak. Daarvoor zou een nieuw beslag nodig zijn. 4.12 Overigens zij opgemerkt dat de bedoelde verklaring van waardeloosheid van art. 3:28 BW ziet op de correctie van de openbare registers, indien daarin een feit is ingeschreven dat niet (meer) juist is, en een puur administratieve handeling is die geen rechten doet ontstaan of tenietgaan. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval, waar het gaat om een onrechtmatig gelegd beslag, geen sprake. 4.13 LISV heeft nog aangevoerd dat zij ten tijde van de beslaglegging niet wist dat D. en Grifhorst van echt waren gescheiden en evenmin op de hoogte was van het echtscheidingsconvenant. Ook dit kan LISV niet baten. Het convenant doet als een slechts tussen de ex-echtgenoten geldende afspraak in het geheel niet ter zake. De echtscheiding van D. is een feit waarvan LISV zich, zo zij daarmee als uitkeringsverstrekkende instantie al niet bekend was of behoorde te zijn, op de hoogte had behoren te stellen alvorens beslag te leggen. Dat zij dit niet heeft gedaan komt voor haar risico. 4.14 Voorts heeft LISV gesteld dat het hier niet een ontbonden huwelijksgemeenschap betreft, maar een eenvoudige gemeenschap waarop de bepalingen van de tweede afdeling van titel 7 van boek 3 BW (art. 3:189 e.v.) niet van toepassing zijn. Hiertoe voert zij aan dat alle goederen van de huwelijksgemeenschap, op het huis na, al in 1994 en 1995 zijn verdeeld en dat D. en Grifhorst nog tot 8 oktober 1998 samen in het huis hebben gewoond. Daaruit leidt LISV af dat D. en Grifhorst al of niet stilzwijgend hebben afgesproken ten aanzien van het huis af te wijken van het convenant. 4.15 Nog afgezien van het feit dat LISV zich ook in dat geval slechts op D.'s aandeel in het huis had kunnen verhalen (art. 3:175 BW), gaat dit betoog niet op. Immers, of de deelgenoten nu direct na de ontbinding dan wel pas later tot effectuering van de verdeling overgaan en ongeacht of zij het enige nog gemeenschappelijke goed tezamen gebruiken, de aan de mede-eigendom ten grondslag liggende titel is — en blijft in beginsel — de gemeenschap van goederen waarin zij destijds waren gehuwd. Van de gestelde afspraak is overigens niet gebleken. 4.16 Het voorgaande leidt, samenvattend, tot het oordeel dat het beslag onrechtmatig is jegens Grifhorst, nu het niet is gelegd op het — destijds bestaande — aandeel van D. in de ontbonden huwelijksgemeenschap (het huis) maar op het huis als geheel. Het beslag dient in zijn geheel te worden opgeheven, omdat in de gegeven omstandigheden een gedeeltelijke opheffing ontoelaatbaar is.

37


(enz.) Cassatiemiddel: Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, omdat het Hof heeft overwogen en rechtgedaan als vermeld in het (hier als ingelast aan te merken) arrest waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen: 1

Eiser tot cassatie (verder t.n.: 'het Lisv') heeft bij proces-verbaal van 20 april 1998 ten laste van D., wonende te B. (gemeente H.) aan de Z.-straat no 109, conservatoir beslag doen leggen op het woonhuis en erf, staande en gelegen te B., gemeente H. aan de Z.-straat 109, kadastraal bekend gemeente H., sektie K nummer 3116, ter grootte van 5 aren en 55 centiaren (hierna t.n.: 'het woonhuis'). Dit proces-verbaal van beslag werd op 21 april 1998 in de daartoe bestemde openbare registers ingeschreven; een afschrift van het proces-verbaal werd op 24 april 1998 aan D. betekend. Het beslag werd gelegd ter verzekering van een (voorlopig op NLG 185 000 begrote) vordering van het Lisv op D. wegens door D. in de periode van 2 januari 1995 tot 1 januari 1998 ten onrechte en/of te veel ontvangen uitkeringen van de Werkloosheidswet. D. is op 5 april 1994 van echt gescheiden van gedaagde in cassatie (verder t.n.: 'Grifhorst'). Bij in de openbare ingeschreven notariĂŤle akte van 29 april 1998 hebben D. en Grifhorst het in beslag genomen woonhuis die toen (en reeds op 21 april 1998) het enige nog onverdeelde object was van de ontbonden huwelijkse goederengemeenschap tussen D. en Grifhorst, toegedeeld (en geleverd) aan Grifhorst. Tot die toedeling hadden D. en Grifhorst zich reeds in een in 1993 opgemaakt echtscheidingsconvenant verbonden. In kort geding vorderde Grifhorst vervolgens (kort gezegd:) dat het Lisv zou worden bevolen het beslag op te heffen op straffe van een dwangsom van NLG 1000 per dag. Zij baseerde deze vordering (o.m.) op de stellingen (inleidende dagvaarding punten 5 en 6) dat de vordering van het Lisv op D. na de echtscheiding is ontstaan, dat terzake van die vordering geen vermogensbestanddelen van Grifhorst kunnen worden uitgewonnen, dat het Lisv slechts beslag had kunnen leggen op het aandeel van D. in het woonhuis en niet op het hele woonhuis en dat het beslag ten onrechte op haar aandeel in het woonhuis is gelegd. De President van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar weigerde de gevraagde voorziening bij vonnis van 3 december 1998. Ten onrechte en/of op onvoldoende naar de eis der wet met redenen omklede gronden heeft het Gerechtshof in hoger beroep het vonnis van de President vernietigd, geoordeeld dat het beslag in zijn geheel dient te worden opgeheven en dat in de onderhavige omstandigheden een gedeeltelijke opheffing ontoelaatbaar is en het Lisv bevolen om het beslag op te heffen en opgeheven te houden. Deze algemene klacht zal in de hierna volgende onderdelen worden geadstrueerd en uitgebreid.

2

Het Hof heeft, er (in rov. 4.7) van uit gaande dat het Lisv niet bevoegd is tot executie van het woonhuis als geheel, maar slechts van het (ten tijde van de beslaglegging nog bestaande) 50% aandeel van D., ten onrechte het verweer van het Lisv dat het had aangeboden (en nog aanbood) het beslag gedeeltelijk op te heffen n.l. voorzover het rustte op het (voormalige) aandeel van Grifhorst in het woonhuis en dienaangaande een verklaring van waardeloosheid van het beslag op de voet van art. 3:28 BW jo. art. 35 Kadasterwet in te (laten) schrijven, verworpen op basis van de

38


redenering (rov. 4.11): 'Een dergelijke 'halvering' van het beslag door gedeeltelijke opheffing is (…) niet mogelijk. Terecht voert Grifhorst in dit verband aan, dat het object van het onderhavige beslag, het woonhuis als geheel, van heel andere aard is en een beslag daarop heel andere rechtsgevolgen heeft dan een beslag op een aandeel in het in de gemeenschap vallende woonhuis, waarbij bij uitwinning de gebruiks- en verdere rechten van de andere deelgenoot, i.c. Grifhorst, dienen te worden gerespecteerd. Het onderhavige beslag kan daarom niet in de door Lisv voorgestane zin worden 'geconverteerd' in een beslag op D.'s aandeel in de gemeenschappelijke onroerende zaak. Daarvoor zou een nieuw beslag nodig zijn.' Voor zover duidelijk steunt deze redenering op de (door het Hof gekoesterde) opvatting dat een gedeeltelijke opheffing van een (conservatoir) (verhaals)beslag op een onroerende zaak (althans op een woonhuis) die (resp. dat) in een gemeenschap valt in dier voege dat dat beslag nog slechts gehandhaafd wordt op het aandeel van één der deelgenoten, rechtens niet mogelijk is. Deze opvatting is onjuist, omdat zo'n gedeeltelijke opheffing wel degelijk mogelijk is. 3

Voorzover de hierboven in onderdeel 2 geciteerde redenering van het Hof niet berust op de bedoelde onjuiste opvatting, is onduidelijk waarom het Hof meent dat het onderhavige beslag op het onderhavige woonhuis niet gedeeltelijk zou kunnen worden opgeheven en is 's Hofs arrest onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

4

Ook 's Hofs opmerking (rov. 4.12): 'dat de bedoelde verklaring van waardeloosheid van art. 3:28 BW ziet op de correctie van de openbare registers, indien daarin een feit is ingeschreven dat niet (meer) juist is, en een puur administratieve handeling is die geen rechten doet ontstaan of tenietgaan. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval, waar het gaat om een onrechtmatig gelegd beslag, geen sprake' snijdt geen hout, nu immers het Lisv heeft aangeboden (MvA punten 8 en 40) het beslag op te heffen voorzover dit rustte op het aandeel van Grifhorst in het woonhuis én een verklaring van waardeloosheid van het beslag te dien aanzien in te (laten) schrijven, zodat het Lisv wel degelijk de juiste weg aangaf om te komen tot een óók in de openbare registers kenbare gedeeltelijke opheffing van het beslag. Ook miskent het Hof, sprekende over 'een onrechtmatig opgelegd beslag', dat het beslag niet geheel en al onrechtmatig was, maar hooguit onrechtmatig was jegens Grifhorst, nl. voorzover het mede op háár aandeel in het woonhuis was gelegd.

5

Voorzover het Hof in de rov. 4.8 en 4.16 oordelende 'dat het beslag onrechtmatig is jegens Grifhorst', bedoelt te zeggen dat het beslag óók voorzover dit rustte op het aandeel van D. in het woonhuis onrechtmatig is jegens Grifhorst, geeft het ook daar blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu een ten laste van één der deelgenoten gedane inbeslagneming van een in een gemeenschap vallende (onroerende) zaak tegenover de overige deelgenoten, naar het Hof kennelijk miskent, — in beginsel — slechts onrechtmatig is voorzover het beslag mede op hun aandelen is komen te rusten.

39


6

In rov. 4.10 heeft het Hof een onbegrijpelijke lezing gegeven van de stellingen van het Lisv. Het Lisv heeft niet gesteld dat hij het beslag zou kunnen opheffen (enkel) door de inschrijving van een verklaring van waardeloosheid, maar dat hij aanbood (zie de MvA punten 8 en 40) het beslag (gedeeltelijk) op te heffen en een verklaring van waardeloosheid te dien aanzien in te (laten) schrijven. Ook in zoverre is 's Hofs arrest onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie — verder te noemen: Grifhorst — heeft bij exploit van 12 november 1998 eiseres tot cassatie — verder te noemen: LISV — in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1

LISV te bevelen binnen 24 uur na het te dezen te wijzen vonnis, althans een door de President in goede justitie te bepalen termijn, het conservatoir beslag gelegd op het woonhuis met garage, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan de Z.-straat nr. (…) te B., gemeente H., kadastraal bekend gemeente H.,sectie K nummer 3116, op te heffen en opgeheven te houden;

2

LISV te veroordelen tot betaling aan Grifhorst van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 1000 voor iedere dag dat LISV in strijd met hiervoor bedoelde bevelen handelt.

LISV heeft de vordering bestreden. De President heeft bij vonnis van 3 december 1998 de gevraagde voorziening geweigerd. Tegen dit vonnis heeft Grifhorst hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 1 april 1999 heeft het Hof vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, LISV bevolen het beslag op te heffen en LISV veroordeeld tot betaling aan Grifhorst van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 1000 voor iedere dag dat LISV in strijd met dit bevel handelt, zulks tot een maximum van ƒ 150 000. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft LISV beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen Grifhorst is verstek verleend. De zaak is voor LISV toegelicht door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot

40


verwerping van het beroep. De advocaat van LISV heeft bij brief van 29 december 2000 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. i.

Grifhorst is op 29 april 1974 in gemeenschap van goederen gehuwd met D. Tot de gemeenschap van goederen behoorde onder meer de echtelijke woning.

ii.

Tussen Grifhorst en D. is echtscheiding uitgesproken. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 5 april 1994.

iii.

Bij schriftelijke overeenkomst van 28 juli 1993 waren Grifhorst en D. een verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap na echtscheiding overeengekomen. Daarbij is de woning toebedeeld aan Grifhorst.

iv.

De aan elk van de deelgenoten toebedeelde goederen zijn aan hen op de voet van art. 3:186 lid 1 BW geleverd in de jaren 1994 en 1995, echter met uitzondering van de woning.

v.

LISV heeft op 20 april 1998 ten laste van D. conservatoir beslag op de woning doen leggen ter zake van de terugbetaling van door D. in het tijdvak van 1995 - 1998 ten onrechte ontvangen werkloosheidsuitkeringen. Het proces-verbaal van de inbeslagneming vermeldt dat in conservatoir beslag is genomen: 'woonhuis en erf, staande en gelegen te B. aan de Z.-straat nr. 109, kadastraal bekend gemeente H., sectie K nummer 3116, ter grootte van 5 aren en 55 centiaren; Welke onroerende zaak in eigendom toebehoort aan, althans staat ten name van voornoemde D.'

vi.

3.2

Op 29 april 1998 hebben Grifhorst en D. de toedeling van de woning aan Grifhorst geëffectueerd door levering ervan aan Grifhorst.

De vordering van Grifhorst in dit kort geding strekt tot het verkrijgen van een bevel aan LISV om het beslag op te heffen. De President heeft deze vordering afgewezen. Het Hof heeft LISV echter alsnog bevolen het beslag op te heffen. Daartoe heeft het Hof overwogen, kort weergegeven, dat LISV slechts bevoegd was beslag te leggen op het aandeel van D. in de gemeenschap, niet op het gehele huis. Het Hof overweegt voorts dat LISV heeft voorgesteld het beslag gedeeltelijk op te heffen, en wel voor zover het rust op het (voormalige) aandeel van Grifhorst in de gemeenschap. Naar 's Hofs oordeel is een dergelijke 'halvering' van het beslag door gedeeltelijke opheffing echter niet mogelijk. Het object van het onderhavige beslag — de woning — is, naar het Hof overweegt, van andere aard dan beslag op een aandeel in de

41


gemeenschappelijke eigendom van het huis. Beslag op het huis heeft ook andere rechtsgevolgen dan een beslag op een aandeel in de gemeenschap. Bij uitwinning van het aandeel dienen immers de rechten van Grifhorst te worden gerespecteerd. Het beslag kan dan naar 's Hofs oordeel ook niet worden 'geconverteerd' in een beslag op het aandeel van D. 3.3

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. 1. Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. De vraag welke bevoegdheden hij aan zijn aandeel in de gemeenschap kan ontlenen kan niet worden beantwoord aan de hand van art. 5:1 BW. Hij heeft op grond van zijn aandeel niet de bevoegdheden genoemd in art. 5:1. Hij heeft ingevolge art. 3:178 BW de bevoegdheid om verdeling van de gemeenschap te vorderen, terwijl de vraag of hij het genot heeft van een gemeenschappelijk goed en de vraag of hij bevoegd is tot gebruik en/of beheer ervan, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen is bepaald in de art. 3:168 e.v. 2. De onderhavige gemeenschap moet worden gekwalificeerd als een bijzondere gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:189 lid 2 BW. Weliswaar behoorde tot de gemeenschap slechts één goed, maar voor het antwoord op de vraag of een gemeenschap moet worden gekwalificeerd als een bijzondere, zoals bedoeld in laatstgenoemde bepaling, is de rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die tot het bestaan van de gemeenschap heeft geleid beslissend, niet de omstandigheid dat slechts één goed tot de gemeenschap behoort. 3. LISV kon haar vordering op D. verhalen op, in beginsel, al diens goederen, ingevolge art. 3:191 lid 1 ook op het aandeel van D. in de ontbonden huwelijksgemeenschap; dit laatste echter met inachtneming van het in genoemde bepaling gemaakte voorbehoud. Ter voorbereiding van dit verhaal kon LISV conservatoir beslag op dit aandeel leggen. Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van beslaglegging dient mede ertoe vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.

3.4.1 In het onderhavige geval heeft LISV, naar blijkt uit het hiervoor in 3.1 onder (v) gedeeltelijk geciteerde proces-verbaal van de beslaglegging, niet beslag gelegd op een aan D. toebehorend goed — het aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap — maar op de volle — in de gemeenschap vallende — eigendom van de woning waarop geen verhaal voor een schuld van D. mogelijk was. 3.4.2 Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen in zijn rov. 4.11, waarin het spreekt

42


van conversie van het beslag, heeft het Hof de stelling van LISV dat het beslag gedeeltelijk zou moeten worden opgeheven — namelijk voor zover het rust op het (voormalige) aandeel van Grifhorst — kennelijk opgevat als een voorstel van LISV om het beslag te wijzigen van een beslag op de volle, tot de gemeenschap behorende, eigendom van de woning in een beslag op het aandeel van D. in die gemeenschap. Het Hof heeft geoordeeld dat zulks niet mogelijk is. Dit oordeel is, in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, juist. 3.4.3 Onderdeel 2, dat zich met een rechtsklacht richt tegen 's Hofs hiervoor onder 3.2 weergegeven oordelen, en uitgaat van de opvatting dat het beslag wel in dier voege gedeeltelijk kon worden opgeheven dat het nog slechts kwam te rusten op het aandeel van D. in de ontbonden huwelijksgemeenschap, faalt derhalve. 3.5

Ook onderdeel 3, dat van dezelfde opvatting uitgaat als onderdeel 2 maar 's Hofs oordeel bestrijdt met een motiveringsklacht, faalt op de hiervoor vermelde gronden.

3.6

Het falen van onderdeel 2 brengt mee dat onderdeel 4 dat de toepassing van art. 3:28 betreft, geen behandeling behoeft. Nu van wijziging van het beslag zoals door LISV bepleit geen sprake kan zijn, komt de vraag wat de gevolgen zijn van inschrijving van gedeeltelijke waardeloosheid van het proces-verbaal van inbeslagneming van de woning niet aan de orde.

3.7

Onderdeel 5 strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het beslag onrechtmatig is jegens Grifhorst omdat een tegen één der deelgenoten gedane inbeslagneming van een in een gemeenschap vallende (onroerende) zaak tegenover de overige deelgenoten slechts onrechtmatig is voorzover het beslag mede op hun aandelen is komen te rusten. Naar uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt gaat het in het onderhavige geval echter niet om beslag op een aandeel in de gemeenschap maar om beslag dat is gelegd op het tot de gemeenschap behorende goed zelf. Het onderdeel treft derhalve geen doel.

3.8

Nu het Hof, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 3.4.1–3.4.3 is overwogen, met juistheid heeft geoordeeld dat gedeeltelijke opheffing van het beslag en beperking ervan tot beslag op het aandeel van D. in de gemeenschap waartoe de woning behoort, niet mogelijk is, heeft LISV geen belang bij onderdeel 6 dat het Hof verwijt een verkeerde lezing te hebben gegeven van het aanbod van LISV om het beslag gedeeltelijk op te heffen. Het onderdeel kan derhalve buiten bespreking blijven.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt LISV in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan

43


de zijde van Grifhorst begroot op nihil. Conclusie

ConclusieA-G mr. Wesseling-van Gent Het gaat in dit kort geding in cassatie om de vraag of een beslag dat is gelegd op een tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behorende woning ter zake van een na echtscheiding ontstane vordering, kan worden getransformeerd in een beslag op het aandeel van de schuldenaar in die woning nadat de woning is geleverd aan de exechtgenoot van de schuldenaar. 1

Feiten[2]en procesverloop

1.1 Verweerster in cassatie (Grifhorst) is op 29 april 1974 te Amsterdam in gemeenschap van goederen gehuwd met D. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde onder meer de (voormalige) echtelijke woning (de woning) aan z-straat te B. 1.2 Bij beschikking van 18 november 1993 heeft de rechtbank te Alkmaar tussen Grifhorst en D. de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 5 april 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam. 1.3 Grifhorst en D. hebben bij convenant van 28 juli 1993 ten aanzien van de woning bepaald dat deze zal worden toegescheiden aan Grifhorst. Met uitzondering van de woning is de verdeling van de huwelijksgemeenschap in 1994–1995 geëffectueerd. Vanaf dat moment vormde de woning het enige nog onverdeelde goed in de ontbonden gemeenschap. 1.4 Op 20 april 1998[3] heeft eiseres tot cassatie (LISV) ten laste van D. conservatoir beslag laten leggen op de nog onverdeelde woning ter zake van door D. ten onrechte dan wel te veel ontvangen uitkeringen uit hoofde van de Werkloosheidswet over een periode van 1995–1998. 1.5 Na de beslagdatum, op 29 april 1998, hebben Grifhorst en D. (alsnog) de verdeling van de woning geëffectueerd door inschrijving van een daartoe bestemde notariële akte in de openbare registers. Voor zover thans nog van belang, is in de leveringsakte bepaald dat de woning vrij van hypotheken en beslagen op Grifhorst overgaat, met uitzondering van het door LISV gelegde conservatoire beslag [4]. De woning is hiermee conform het echtscheidingsconvenant in eigendom op Grifhorst overgegaan. 1.6 Grifhorst heeft LISV bij exploit van 12 november 1998 gedagvaard voor de president van de rechtbank te Alkmaar. In dit kort geding heeft zij — kort gezegd — gevorderd LISV te bevelen het beslag op de woning op te heffen. 1.7 De president heeft deze vordering bij vonnis van 3 december 1998 afgewezen. Grifhorst is van dit vonnis van de president in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het hof heeft bij arrest van 1 april 1999 het vonnis vernietigd en LISV bevolen het beslag op te heffen.

44


1.8 LISV heeft tegen dit arrest tijdig[5] beroep in cassatie ingesteld. Daartoe heeft het één middel van cassatie voorgesteld, dat is opgebouwd uit zes onderdelen. Grifhorst is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. LISV heeft hierna haar beroep nog schriftelijk doen toelichten. 2

Bespreking van het middel

2.1 Voor zover in cassatie van belang heeft het hof aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd: '4.10. LISV heeft voorgesteld het beslag gedeeltelijk op te heffen, d.w.z. voor zover het rust op het (voormalige) aandeel van Grifhorst in het huis. Dit zou volgens LISV kunnen geschieden door inschrijving van een verklaring van waardeloosheid voor dat deel, op de voet van art. 3:28 BW in verbinding met art. 35 Kadasterwet. 4.11. Een dergelijke 'halvering' van het beslag door gedeeltelijke opheffing is evenwel niet mogelijk. Terecht voert Grifhorst in dit verband aan, dat het object van het onderhavige beslag, het woonhuis als geheel, van heel andere aard is en een beslag daarop heel andere rechtsgevolgen heeft dan een beslag op een aandeel in het in de gemeenschap vallende woonhuis, waarbij bij uitwinning de gebruiks- en verdere rechten van de andere deelgenoot dienen te worden gerespecteerd. Het onderhavige beslag kan daarom niet in de door LISV voorgestane zin worden 'geconverteerd' in een beslag op het aandeel van D. in gemeenschappelijke onroerende zaak. Daarvoor zou een nieuw beslag nodig zijn. 4.12. Overigens zij opgemerkt dat de bedoelde verklaring van waardeloosheid van art. 3:28 BW ziet op de correctie van de openbare registers, indien daarin een feit is ingeschreven dat niet (meer) juist is, en een puur administratieve handeling is die geen rechten doet ontstaan of tenietgaan. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval, waar het gaat om een onrechtmatig gelegd beslag geen sprake. 4.16. Het voorgaande leidt, samenvattend, tot het oordeel dat het beslag onrechtmatig is jegens Grifhorst, nu het niet is gelegd op het — destijds bestaande — aandeel van D. in de ontbonden huwelijksgemeenschap (het huis) maar op het huis als geheel. Het beslag dient in zijn geheel te worden opgeheven omdat in de gegeven omstandigheden een gedeeltelijke opheffing ontoelaatbaar is.'[6]. 2.2 De centrale klacht van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het beslag op de woning niet kan worden verminderd tot een beslag op het aandeel van D. daarin. Kern van dit oordeel wordt gevormd door de overweging van het hof dat een beslag op de woning van geheel andere aard is en heel andere rechtsgevolgen heeft dan een beslag op het in de gemeenschap vallende aandeel daarin. Alvorens op het middel in te gaan, zal ik het kader van de beoordeling schetsen waarbij in het bijzonder wordt ingegaan op de vraag of en zo ja, waaruit het door het hof aangeduide verschil in aard en rechtsgevolg tussen beide beslagen bestaat.

45


2.3 Grifhorst en D. waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Ingevolge art. 1:99 lid 1 onder a BW is de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap door de echtscheiding ontbonden. Vanaf dat moment is sprake van een bijzondere gemeenschap als bedoeld in art. 3:189 lid 2 BW, waarop naast de bepalingen van afdeling 2 ook de bepalingen van afdeling 1 van Titel 3.7 BW van toepassing zijn, dit laatste echter alleen voor zover daarvan in afdeling 2 niet wordt afgeweken [7] 2.4 Na ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt het gemeenschappelijk vermogen gefixeerd en vallen na de datum van ontbinding verkregen goederen en ontstane schulden niet meer in het gemeenschapsvermogen[8]. Een privé-schuldeiser heeft dan ook in beginsel slechts verhaal op het privé-vermogen van zijn schuldenaar, waartoe ook diens aandeel in de gemeenschap behoort. Ingevolge art. 3:190 BW is het voor een privé-schuldeiser evenwel in beginsel niet mogelijk dit verhaal te effectueren door het aandeel van zijn schuldenaar in een afzonderlijk goed in die gemeenschap uit te winnen. Ratio hierachter is te voorkomen dat de algemeenheid van goederen zonder toestemming van de deelgenoten wordt opgelost in een aantal kleinere gemeenschappen, waarin de oorspronkelijke overige deelgenoten telkens tegenover andere medegerechtigden kunnen komen te staan [9]. Krachtens art. 3:191 BW kan de privé-schuldeiser daarom in beginsel slechts het aandeel van zijn schuldenaar in de gehele gemeenschap uitwinnen. 2.5 Uw Raad heeft bij arrest van 14 november 1969, NJ 1970, 283 beslist dat de grondslag van de regel dat een mede-erfgenaam niet over zijn aandeel in een afzonderlijk goed van de nalatenschap kan beschikken is gelegen in het krachtens art. 1112 BW (oud) aan iedere erfgenaam toekomende recht scheiding en deling van de gehele nalatenschap te verlangen. Aan dat recht zou afbreuk worden gedaan indien door beschikking over aandelen in de afzonderlijke goederen, de medeeigendom van de boedel zou uiteenvallen in verschillende mede-eigendommen. Aangezien in die zaak de nalatenschap was gescheiden en gedeeld op één perceel na, was aan het verbod om over het onverdeeld aandeel in dat perceel te beschikken de grondslag komen te vervallen, zodat een deelgenoot daartoe gerechtigd was. 2.6 Iets soortgelijks doet zich in deze zaak voor. Ook hier bestond (ten tijde van de beslaglegging) de onverdeelde ontbonden huwelijksgemeenschap nog slechts uit één onroerende zaak. M.i. is in dit geval aan het verbod van art. 3:190 BW de (identieke) ratio komen te ontbreken, nu het aandeel in de onverdeelde bijzondere gemeenschap correspondeert met het aandeel in dat goed. Niet alleen de beschikkingsonbevoegdheid van een deelgenoot ten aanzien van zijn aandeel vervalt dan, dat wil zeggen het vereiste van toestemming van de overige deelgenoten om zijn aandeel te vervreemden, ook een schuldeiser van een deelgenoot kan diens aandeel in dat ene goed zonder toestemming uitwinnen. In zoverre is er geen verschil in rechtsgevolg tussen beslag op de woning en beslag op het aandeel van de man in die woning. 2.7 De schuldeiser van een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap wordt in het eerste lid van art. 3:191 BW de bevoegdheid gegeven zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed uit te winnen[10]. In de toelichting op dit artikel[11] wordt ten aanzien van de wijze van uitwinning opgemerkt dat deze, bij gebreke van een bijzondere regel dient te geschieden overeenkomstig art. 474bb Rv. Ook het middel

46


doet een beroep op dit artikel. Echter, nu in dit geval het aandeel in de gemeenschap gelijk te stellen is met het aandeel in de woning, is hetgeen omtrent de executie van een goed is bepaald van overeenkomstige toepassing op een aandeel in een zodanig goed (art. 437 Rv.). Wat betreft het conservatoir beslag op een goed, bepaalt art. 707 Rv. dat hetgeen daaromtrent is bepaald van overeenkomstige toepassing is op conservatoir beslag op een aandeel in een zodanig goed. Ook hier is er derhalve geen verschil in aard en rechtsgevolg tussen beide beslagen. 2.8 Overigens zou ook als art. 474bb Rv. van toepassing zou zijn, het beslag op een aandeel in de gemeenschap m.i. moeten worden gelegd door het aandeel van ieder goed in die gemeenschap op de voor dat goed geldende wijze te beslaan. Uit art. 474bb Rv. lijkt te volgen dat het beslag moet worden gelegd volgens de regels die gelden voor het beslag op roerende zaken, derhalve d.m.v. één beslagexploit en beschrijving in het proces-verbaal van de desbetreffende bestanddelen van alle goederen in die gemeenschap op de voet van art. 440 e.v. Rv. In de literatuur wordt er echter op gewezen dat, indien tot de gemeenschap ook een registergoed behoort, van het beslag niet zal blijken uit de openbare registers. Het beslag zal alsdan zijn blokkerende werking (kunnen) ontberen[12]. Een verschil in de aard van het beslag behoort er derhalve niet te zijn. 2.9 Toepasselijkheid van art. 474bb Rv. zou echter ook meebrengen dat op de executieverkoop art. 469 Rv van toepassing is, hetgeen impliceert dat het aandeel als één geheel dient te worden verkocht, zulks ten overstaan van de deurwaarder. Dit is een verschil in rechtsgevolg, zij het dat dit verschil ziet op de uiteindelijke wijze van verkoop en niet op het beslag als zodanig. 2.10 Na verkoop dient de levering van het aandeel in de bijzondere gemeenschap vervolgens plaats te vinden op de wijze, zoals voorgeschreven voor elk goed afzonderlijk[13]. Ook hier is er geen verschil in aard of rechtsgevolg. 2.10 Het cassatiemiddel komt — gezien het voorgaande: terecht — niet op tegen het oordeel van het hof dat LISV voor haar vordering slechts verhaal heeft op het aandeel van D. in de ontbonden, maar nog niet (geheel) verdeelde huwelijksgemeenschap en dat LISV dus ook slechts bevoegd was beslag te leggen op dit aandeel. In de schriftelijke toelichting wordt ook met zoveel woorden gezegd dat LISV zich bij het leggen van het conservatoire beslag simpelweg niet heeft gerealiseerd dat D. en Grifhorst reeds van echt waren gescheiden en evenmin dat de vordering van D. (daardoor) niet in de ontbonden huwelijksgemeenschap viel. Dat het beslag jegens Grifhorst onrechtmatig was, is in cassatie dan ook niet in geschil. 2.11 Bestreden wordt daarentegen wel het hiervoor geciteerde oordeel van het hof in de rov. 4.10–4.12 omtrent de door LISV bepleite 'halvering' van het beslag. De centrale klacht van het middel (onderdelen 1–4) luidt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat het in een geval waarin ten onrechte beslag is gelegd op het gehele goed in plaats van op een aandeel daarin, wel degelijk mogelijk is dit beslag op te heffen voor zover het is gelegd op het aandeel van de overige deelgenoten[14]. Gaat het om een (conservatoir) beslag op

47


een onroerende zaak dan zal daarbij tevens op de voet van art. 3:28 BW jø art. 35 Kadasterwet een verklaring van (gedeeltelijke) waardeloosheid moeten worden ingeschreven. 2.12 Zoals ik hiervoor heb uiteengezet, is het oordeel van het hof dat er verschil is in aard en rechtsgevolg tussen het beslag op de woning en het beslag op het aandeel van de man daarin, m.i. onjuist. Omdat de onverdeelde huwelijksgemeenschap nog slechts bestond uit één (onroerende) zaak, vallen beide beslagen nu juist in aard en rechtsgevolg samen. Dit brengt echter m.i. niet mee dat de beslissing van het hof ook onjuist is. 2.13 Doorslaggevend in deze zaak is het feit dat de woning op 29 april 1998 in eigendom is overgegaan op de vrouw. Daarmee is de gemeenschap die tussen Grifhorst en D. heeft bestaan, volledig verdeeld. Vanaf dat moment was er dus geen onverdeelde gemeenschap meer, derhalve ook geen aandeel van de man daarin. Beslaglegging thans op dat aandeel is niet meer mogelijk[15]. Nog afgezien van de algemene vraag of gedeeltelijke opheffing van het beslag in dier voege dat het beslag nog slechts rust op het aandeel van de schuldenaar van LISV in de woning mogelijk is[16], zou in dit geval de door LISV bepleite gedeeltelijke doorhaling van het beslag tot gevolg hebben dat in de openbare registers de vermelding komt te staan dat er beslag rust op een aandeel in een onverdeelde gemeenschap, die er niet meer is. Aanvaarding daarvan zou de rechtszekerheid, die met het stelsel van openbare registers wordt beoogd, geweld aandoen [17]. 2.14 De conclusie op grond van het voorgaande is dat de centrale rechtsklacht van het middel faalt. De verschillende onderdelen van het middel, die een uitwerking daarvan vormen, behoeven daarmee geen afzonderlijke bespreking. Opmerking verdient nog wel dat het door het middel bestreden oordeel een rechtsoordeel is, zodat de in het middel voorgedragen motiveringsklachten niet tot cassatie kunnen leiden. 3

Conclusie Deze strekt toe verwerping van het beroep

Noot Auteur: H.J. Snijders 1

Ter zake van een schuld van Dobbe legt LISV beslag op de aan Dobbe en zijn exechtgenote Grifhorst toebehorende woning, die op het moment van beslag nog het enige goed vormt in hun eerder door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap. De woning was ten tijde van het beslag al toebedeeld aan Grifhorst, maar wordt eerst na het beslag aan haar geleverd (vgl. art. 3:186 BW). Dient het beslag op vordering van Grifhorst geheel opgeheven te worden, omdat het gelegd is op de woning in plaats van op een aandeel in de woning, of kan volstaan worden met gedeeltelijke opheffing? Dat was de hamvraag, zoals reeds blijkt uit r.o. 3.1–2 van de Hoge Raad.

2

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het beslag terecht geheel heeft opgeheven, aangezien ‘niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-

48


verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed’ (r.o. 3.3 sub 3). 3

Men kan dadelijk tegenwerpen dat niet de mogelijkheid van wijziging, maar de mogelijkheid van gedeeltelijke opheffing van het beslag in debat is. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof de stelling van LISV strekkende tot gedeeltelijke opheffing van het beslag ‘kennelijk’ heeft opgevat als een voorstel tot wijziging in een beslag op Dobbe's aandeel in de gemeenschap (r.o. 3.4.2). Het is bekend dat de Hoge Raad bestreden uitspraken evenals cassatiemiddelen wel vaker aankleedt, maar i.c. snijdt hij schijnbaar achteloos de kern van de zaak weg. Voor zover het hof de centrale stelling van LISV al aldus heeft opgevat, had de Hoge Raad deze beslissing onbegrijpelijk kunnen achten (gelet op onderdeel 3 van het cassatiemiddel).

4

Uitgaande van zijn eigen lezing kon de Hoge Raad moeilijk anders beslissen dan hij gedaan heeft. Noch rechters noch partijen kunnen beslagen in die zin wijzigen dat zij gaan rusten op andere dan de oorspronkelijk in beslag genomen goederen. Afgezien van gevallen van substitutie kunnen in beslag genomen vermogensobjecten niet naar believen vervangen worden. Daar komt nog eens bij dat i.c. een niet meer bestaand goed in de plaats zou moeten worden gesteld van het oorspronkelijke beslagobject: door de levering van de woning aan Grifhorst bestond er immers niet meer een in beslag te nemen aandeel van Dobbe. Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent sub 2.13, die echter — als ik het wel heb — ten onrechte in haar noot 14 een parallel trekt met de herleving van een beslag na vernietiging van een rechterlijke uitspraak tot opheffing: weliswaar worden tussentijdse beschikkingsdaden niet aangetast door de herleving, zoals HR 26 mei 2000 (Aruba/Boeije), NJ 2001, 388 m.nt. HJS nog eens bevestigd heeft, maar in ons geval zou het nu juist gaan om een beschikkingsdaad die voorafgaande aan de opheffing van het beslag is geschied.

5

Zou gedeeltelijke opheffing echter wel een oplossing gevormd kunnen hebben? De vraag is niet onbelangrijk. Het komt vaker voor dat een beslaglegger zich begrijpelijkerwijze niet realiseert dat aan de zijde van aspirant-beslagene een persoonlijke mutatie heeft plaatsgevonden, die hem noopt geen beslag te leggen op diens goed X maar op diens aandeel in goed X. Het zou dan praktisch zijn als een onverhoopt toch op goed X gelegd beslag tot aan het aandeel in goed X zou kunnen blijven kleven. Zou een nieuw beslag nodig zijn, dan zou beslaglegger immers wegens tussentijdse mutaties, zoals beschikkingen of andere beslagen, achter het net kunnen vissen, gelijk i.c. Maar biedt de dogmatiek een handvat voor een dergelijke oplossing? De Hoge Raad ziet in de geciteerde zinsnede een aandeel in de gemeenschap van een goed als een volstrekt ander vermogensrecht (A) dan het goed waar dat aandeel in de gemeenschap betrekking op heeft (B): A is geen B. Meer overeenkomstig de aard en inhoud van de gemeenschapsfiguur komt het voor een aandeel in de gemeenschap van een goed als deel van een geheel (pars pro indiviso) te zien, zodat men inderdaad een beslag op goed X door gedeeltelijke opheffing kan terugbrengen tot een beslag op een aandeel in goed X: B wordt 1/2B. Zelfs als de ontbonden gemeenschap nog meer goederen had bevat en Dobbe had beslag gelegd op de woning (B) en op die goederen (C), zou dit beslag eventueel teruggebracht kunnen

49


zijn tot een beslag op een aandeel in de woning als deel van een geheel: B+C wordt 1/2B. Dit laatste kan echter, gelet op art. 3:190 lid 1 BW, slechts met de toestemming van de overige deelgenoten i.c. Grifhorst. Zie ook de noot van W. van Hemel bij dit arrest (JOR 2001, 104). Ik heb enige hoop dat de Hoge Raad een dergelijke aanpak alsnog ooit honoreert. Men kan een aandeel in een goed niet eenvoudigweg als iets volstrekt anders beschouwen dan het goed waarin dat aandeel bestaat. Dat een aandeel niet fysiek te separeren valt van andere aandelen, lijkt toch geen bezwaar te kunnen vormen. Aanvaarding van deze opvatting stuit evenmin op bezwaren ter zake van verschillen in beslagleggingsformaliteiten. Deze zijn voor beslag op aandelen in goederen dezelfde als voor beslag op die goederen zelf (art. 437 en 707 Rv). Dit geldt zelfs voor het geval dat er sprake is van meerdere beslagrechtelijk te onderscheiden goederen — bijv. een gemeenschap van een woning en een auto — en het beslag zou worden teruggebracht tot een beslag op een aandeel in een van die goederen (B+C wordt 1/2B). Ik ga er hierbij wel met A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie sub 2.7–8 en de in haar noot 11 aangehaalde literatuur van uit dat beslag op goederen in een gemeenschap aldus moet worden gelegd dat de voor alle verschillende goederen in de gemeenschap specifiek geldende beslagformaliteiten in acht moeten worden genomen (bij het voorbeeld dus zowel de formaliteiten voor beslag op onroerende zaken als die voor beslag op roerende niet-registerzaken). Het beslag vraagt hier gelet op de belangen van derden een zelfde benadering als de vervreemding en bezwaring, waarvoor wij ook niet met een figuur als de algemeenheid van goederen wensen te werken. Aanvaarding van deze opvatting stuit ook niet op meer algemene bezwaren tegen gedeeltelijke opheffing van beslagen. Vgl. m.n. HR 29 november 1974 (Pierson/De Vos van Steenwijk), NJ 1975, 426 m.nt. WHL en de rechtspraak in noot 15 van de conclusie A-G. Evenmin zou het in dit geval problematisch zijn geweest dat in de openbare registers een beslag op een niet meer bestaand gemeenschapsaandeel zou worden vermeld. Het zou i.c. immers om gedeeltelijke handhaving van een beslag na beschikking (door levering van het toebedeelde goed) gaan, waardoor die beschikking zelf zou worden aangetast en daar gaat het nu juist ook om. Al met al doen advocaten en deurwaarders er in afwachting van meer duidelijkheid van de Hoge Raad ter zake, beter aan, beslagstukken aldus te formuleren dat beslag wordt gelegd op het goed A, B etc. althans aandeel in het goed A, B etc. van de beslagdebiteur. 6

Resteren nog enige minder centrale kwesties van het arrest. In r.o. 3.3 sub 1 oordeelt de Hoge Raad dat de vraag naar de bevoegdheden van een deelgenoot in een gemeenschap niet beantwoord kan worden aan de hand van art. 5:1 BW, het centrale artikel over de bevoegdheden van de eigenaar. De Hoge Raad zal hier bedoelen dat art. 5:1 BW niet uitsluitend maatgevend kan zijn. De deelgenoot in een gemeenschap van (onder meer) zaken, is te beschouwen als mede-eigenaar en als zodanig onderworpen aan art. 5:1, al wordt zijn rechtspositie mede en nader bepaald door geschreven en ongeschreven regels voor deelgenoten in

50


een gemeenschap. Zie ook Van Hemel t.a.p. Dat het hier gaat om een bijzondere gemeenschap in de zin van art. 3:189 lid 2 BW, ook al betreft deze slechts één goed, maakt de Hoge Raad duidelijk in r.o. 3.3 sub 2: de aard van de rechtsverhouding van de deelgenoten is hier beslissend. Is het een rechtsverhouding als bedoeld in art. 3:189 lid 2 BW, dan dient de gemeenschap immers als een afgescheiden vermogen beschouwd te worden, waarvoor juist met het oog op dat afgescheiden vermogen deels andere regels gelden dan voor de overige (de ‘eenvoudige’) gemeenschappen (zie m.n. PG Inv. Boek 3, p. 1286, 1288 en 1302–1303). Of dat afgescheiden vermogen dan bestaat uit één of meer goederen, doet niet ter zake. Ik merk op dat een op één goed na verdeelde, ontbonden (huwelijks)gemeenschap tot dusverre ook wel als eenvoudige gemeenschap werd gekwalificeerd, zij het niet met alle consequenties van dien. Zie bijv. Vermogensrecht (H.H. Lammers), art. 189, aant. 14 en M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, derde druk, Deventer 1997 o.v.n. HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 292 m.nt. G en EAAL. Opmerking verdient ten slotte dat de Hoge Raad op sommige plaatsen waaronder de geciteerde zinsnede tot uitdrukking laat komen dat op de keper beschouwd rechtens niet zaken maar eigendomsrechten op zaken in beslag worden genomen, waarover nader A. van der Steur in haar noot bij dit arrest (NTBR 2001, p. 427). HJS

Voetnoten Voetnoten "Samenvatting" [1]

NTBR 2002/5, p. 206 (A.J. Verheij).

Voetnoten "Conclusie" [2]

Zie onder meer het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 3 december 1998 onder 1.

[3]

Rechtbank en hof spreken ten onrechte van 21 april, vgl. productie 2 bij de pleitnotities mr Van Ketel in eerste aanleg.

[4]

Productie 6 bij pleitnotities mr. Van Ketel in eerste aanleg.

[5]

De cassatiedagvaarding is uitgebracht op maandag 17 mei 1999. De cassatietermijn, die ingevolge art. 295 lid 4 Rv. zes weken bedraagt, verstreek op donderdag 13 mei 1999. Dit was echter Hemelvaartsdag, terwijl vrijdag 14 mei 1999 een met een algemeen erkende feestdag gelijkgestelde dag was als bedoeld in art. 3 lid 3 Algemene Termijnenwet (Besluit van 19 september 1997, Stcrt. 1997, 199, blz. 12).

[6]

In de losbladige Vermogensrecht (Lammers), aant. 10 bij art. 191 wordt het arrest zonder enig commentaar als geldend recht gepresenteerd.'

51


[7]

Zie over deze materie Vermogensrecht (Lammers), aant. 2 bij art. 189; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp, Goederenrecht, 1994, blz. 249–250; Mon. Nieuw BW B9 (Van Mourik), blz. 2–3.

[8]

Asser-De Boer, nr. 356 en Vermogensrecht, Lammers, art. 189, aant. 2.

[9]

Parl. Gesch. Boek 3 (Vermogensrecht in het algemeen), blz. 624. Zie voorts HR 19 december 1997, NJ 1998, 286 en de conclusie voor dit arrest.

[10] Een andere mogelijkheid biedt art. 3:180 BW dat bepaalt dat de schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot heeft, verdeling van de gemeenschap kan vorderen, voor zover dat nodig is voor verhaal van zijn vordering. Na realisering van de verdeling kan hij zich dan verhalen op hetgeen zijn schuldenaar heeft verkregen. Ter inleiding op deze vordering biedt art. 733 Rv. de mogelijkheid conservatoir deelgenotenbeslag te leggen. Dit deelgenotenbeslag betreft een beslag op het desbetreffende gemeenschapsgoed in zijn geheel. Waar LISV dit beslag nimmer heeft beoogd en ook het cassatiemiddel daarover verder niet rept, laat ik het verder buiten beschouwing. [11] Toelichting op de nota van wijziging, 17 496, nr. 6, blz. 20; zie ook nr. 9, blz. 21 en nr. 10, blz. 60. [12] Vgl. Oudelaar, Executie van een aandeel in een gemeenschap van een of meer goederen, Kwartaalbericht Nieuw BW 1987, blz. 74–75; Hartkamp en W. Snijders, NBW en ongehuwd samenwonen, in: Samenleven Samenwerken, 1983, blz. 138– 141; Hidma, Boekbespreking in WPNR 5954, blz. 204; Anders: Perrick, Gemeenschap, schuldeisers en verdeling, 1986, blz. 66–67. [13] Vgl. Parl. Gesch. Boek 3 (Vermogensrecht in het algemeen), blz. 1279 en 1305 en Parl. Gesch. Wijziging Rv. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 146. Zie voorts Burgerlijke rechtsvordering, Van Mierlo, art. 474bb, aant. 1–5; Oudelaar t.a.p., blz. 75; Hartkamp en W. Snijders, a.w., blz. 140. [14] Het middel betoogt niet dat het beslag van rechtswege vanaf het begin rust op het aandeel in de niet ontbonden huwelijksgemeenschap. Een en ander ligt ook niet in het middel besloten. [15] Hetzelfde geldt voor — wat bij vernietiging van het arrest van het hof het geval zou zijn — (gedeeltelijke) herleving van het beslag. [16] Zie over gedeeltelijke opheffing van een beslag President rechtbank Utrecht 17 februari 1969, NJ 1969, 335 en President rechtbank Utrecht 25 november 1999, KG 2000, 9; Vademecum Burgerlijk Procesrecht (Ynzonides), Executie en beslag, Hoofdstuk 2.20, blz. 186–187. [17] Formulering ontleend aan HR 14 juli 2000, NJ 2001, 685.

52


NJ 2003, 373: Stichting derdengelden: derdenbeslag; vordering tot uitbetaling koopsom vordering op notaris of op Stichting? Instantie:

Hoge Raad (Civiele kamer)

Datum:

15 november 2002

Magistraten:

P. Neleman, J.B. Fleers, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop

Zaaknr:

C00/279HR

Conclusie:

A-G De Vries Lentsch-Kostense

LJN:

AF0576

Noot:

W.M. Kleijn

Roepnaam:

-

Brondocumenten: ECLI:NL:HR:2002:AF0576, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 15-11-2002; ECLI:NL:PHR:2002:AF0576, Conclusie, Hoge Raad (AdvocaatGeneraal), 15-11-2002 Wetingang: Rv (oud) art. 475; Rv (oud) art. 477a lid 2 Brondocument: HR, 15-11-2002, nr C00/279HR Essentie Stichting derdengelden: derdenbeslag; vordering tot uitbetaling koopsom vordering op notaris of op Stichting? Voor het antwoord op de vraag of het onder de notaris gelegde derdenbeslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de Stichting derdengelden betaalde en onder haar berustende gelden is beslissend of die gelden deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berusten. Uitgangspunt in cassatie moet zijn dat het door de koper ter voldoening van de koopsom op rekening van de Stichting overgemaakte bedrag deel is gaan uitmaken van het vermogen van de Stichting en niet van dat van de notaris. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft 's Hofs oordeel dat de vordering van de verkoper tot uitbetaling van de koopsom een vordering op de Stichting betrof zodat het onder de notaris gelegde derdenbeslag zich niet uitstrekte tot deze vordering. Samenvatting Eisers tot cassatie hebben onder de notaris, maar niet onder diens Stichting Beheer Derdengelden, derdenbeslag gelegd teneinde verhaal te kunnen nemen op de koopsom van een ten overstaan van de notaris geleverde onroerende zaak. In dit geding vorderden zij op de voet van art. 477a lid 2 Rv veroordeling van de notaris tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot afgifte van de vorderingen en zaken die door het derdenbeslag zijn getroffen. Rechtbank en Hof hebben de vordering afgewezen. Uitgangspunt in cassatie moet zijn dat, gelijk het Hof met de notaris en de Rechtbank — terecht — van oordeel was, het door de koper ter voldoening van de koopsom op rekening van de Stichting overgemaakte bedrag deel is gaan uitmaken van het vermogen van de Stichting en niet van dat van de notaris. Niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is het oordeel van het Hof dat partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of het

53


beslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de Stichting betaalde en onder haar berustende gelden. Het oordeel van het Hof dat voor het antwoord op die vraag beslissend is of die gelden deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berusten getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft geoordeeld dat de koper heeft betaald aan de Stichting, dat de Stichting heeft voldaan aan de verkoper en dat de notaris als bestuurder van de Stichting opdracht aan de bank heeft gegeven tot uitbetaling, zulks in overeenstemming met de statuten van de Stichting, die in het leven is geroepen teneinde te voorkomen dat aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn vermogen zullen vermengen. Hiermee heeft het Hof mede tot uitdrukking gebracht dat de Stichting de op haar rekening gestorte koopsom met instemming van koper en verkoper voor hen beheerde overeenkomstig het in art. 3 lid 1 van haar Statuten omschreven uitsluitende doel van de Stichting — het in beheer nemen van gelden die uit hoofde van zijn ambt aan de notaris worden toevertrouwd om deze gelden te bestemder tijd hetzij uit te keren aan de rechthebbende hetzij te restitueren — en dat partijen als gevolg van dit in beheer geven en nemen een aanspraak op uitbetaling onderscheidenlijk restitutie verkregen jegens de Stichting, niet jegens de notaris. Op deze rustte, zo heeft het Hof in cassatie onbestreden geoordeeld, jegens de koopster en de verkoper wel een zorgplicht uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de nakoming door de partijen van hun verplichting tot levering, onderscheidenlijk betaling. Daarmee heeft het Hof — niet onbegrijpelijk — geoordeeld dat, anders dan eisers bepleitten, de vordering van de verkoper tot uitbetaling van de koopsom een vordering op de Stichting betrof.[1] Partij(en)

1. Gerardus Johannes Adrianus Allegonda de Kroon, te Oirschot, 2. Maria Magdalena Antonette Johannes de Kroon, te Nijmegen, eisers tot cassatie, adv. eerst mr. M.H. van der Woude, thans mr. J.B.M.M. Wuisman, tegen Petrus Wilhelmus Jozef Maria Peters, te Oirschot, verweerder in cassatie, adv. mr. D. Rijpma. Hof: 8.1 Tegen de vaststelling door de rechtbank van de vaststaande feiten zijn geen grieven opgeworpen. Het hof zal daarom ook van die feiten uitgaan behoudens ten aanzien van de door de rechtbank gemelde koopsom die niet ƒ 130 000 maar blijkens de akte ƒ 375 000 bedroeg. 8.2 Deze zaak betreft het volgende. Geïntimeerde (hierna: de notaris) heeft in 1996 als notaris zijn ministerie verleend bij een onroerende zaaktransactie waarbij J.G.F. de Kroon aan J.L.R. van den Wildenberg, beiden wonende te Oirschot, verkocht en leverde het pand Markt 20 te Oirschot voor de prijs van ƒ 375 000. Appellanten (hierna: de Kroon) pretendeerden ieder een vordering op J.G.F. de Kroon van ongeveer ƒ 50 000. Ter verzekering van de betaling van die vordering hebben zij op 4 januari 1996 derdenbeslag gelegd

54


onder Peters & Wedemeijer notarissen te Oirschot op 'alle gelden, zaken en/of geldswaarden, die de derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen' van J.G.F. de Kroon, een en ander tot een bedrag van Ć’ 130 000. Het transport van de genoemde zaak aan van den Wildenberg vond op 4 januari 1996 ten overstaan van de notaris plaats. De desbetreffende akte is op die dag te 13.59 uur aan de bewaarder van het Kadaster en de Openbare Registers te Eindhoven aangeboden. Het beslag is op die dag te 14.00 uur gelegd. Omstreeks 15.21 uur zijn de kooppenningen contant aan J.G.F. de Kroon uitbetaald. Blijkens de akte van levering is de koopprijs met bijbehorende kosten en bedrage van Ć’ 375 000 voldaan door storting op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden Notarissen Peters en Wedemeijer (hierna: de stichting). De ten behoeve van die betaling opgemaakte nota van de notaris d.d. 4 januari 1996 van koopsom en kosten ad Ć’ 387 180,82 vermeldt uitsluitend bankrekeningen van voornoemde stichting. Blijkens het door de notaris overgelegde bankafschrift van die stichting no 254 d.d. 4 januari 1996 is laatstgenoemd bedrag op de rekening van die stichting Beheer Derdengelden overgemaakt. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of het genoemde door De Kroon onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door genoemde koper aan de stichting betaalde en onder de stichting berustende gelden zoals De Kroon stelt maar de notaris betwist. De rechtbank heeft hierbij de notaris in het gelijk gesteld. Tegen dat oordeel en de daartoe gegeven motivering richten zich de grieven van de Kroon. Die grieven strekken zich in het licht van de daarop gegeven toelichting mede uit tot de samenvattende overweging 4.4 van het beroepen vonnis dat de notaris geen verplichting terzake de koopsom jegens J.G.F. De Kroon had. 8.4 Beslissend voor het antwoord op de hiervoor weergegeven vraag is of geoordeeld moet worden dat het onder de stichting berustende geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berust. De stichting is een van de notaris zelf te onderscheiden rechtssubject. De koper heeft betaald aan de stichting. De stichting heeft voldaan aan de verkoper. De notaris heeft als bestuurder van de stichting opdracht aan de bank gegeven tot uitbetaling aan de verkoper. Die opdracht is in overeenstemming met het doel van de stichting: (art. 3 lid 1 statuten) het in beheer nemen van gelden die uit hoofde van zijn ambt aan de notaris worden toevertrouwd om deze tezijnertijd aan de rechthebbende uit te keren of te restitueren aan degene die deze gelden aan de notaris toevertrouwde. Die opdracht is ook in overeenstemming met de aan de notaris in die statuten gegeven bevoegdheid: (art. 3, lid 2) de stichting ontvangt de derdengelden rechtstreeks van degenen die deze willen toevertrouwen, zij voert daarover het beheer en keert overeenstemming de aanwijzingen van de notaris uit. Blijkens de considerans is de stichting in het leven geroepen om te voorkomen dat aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn vermogen vermengen. 8.5 Onder deze omstandigheden en bij deze gang van zaken oordeelt het hof evenals de rechtbank dat bedoelde gelden niet vermengd zijn met het vermogen van de notaris zodat, anders dan De Kroon in zijn memorie van grieven onder 6 betoogt, niet kan worden geoordeeld dat hij ten tijde van het beslag enig geld aan de verkoper verschuldigd was of geld van de verkoper onder zich had. De omstandigheid dat de

55


notaris als bestuurder van de stichting bevoegd was tot het geven van opdrachten tot uitbetaling van onder de stichting berustende gelden, heeft niet de daaraan door De Kroon gestelde betekenis dat die stichting slechts een instrument van de notaris is door middel waarvan hij gelden als de onderhavige onder zich houdt. Ook de omstandigheid dat de transporterende notaris een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de nakoming door de partijen van hun verplichting tot levering en betaling betekent niet noodzakelijk dat de kooppenningen zijn vermogen (moeten) passeren. Deze zorgplicht jegens partijen bij de koop kan ook worden nagekomen door als bestuurder van een stichting als hier aan de orde opdrachten tot inontvangstneming en uitbetaling te geven. Dit oordeel leidt tot de gevolgtrekking dat de grieven I tot en met IV die van een ander standpunt uitgaan en stellen dat ondanks de gebruikmaking van een stichting de gelden aan de notaris zelf zijn toevertrouwd en dat de notaris dus terzake de koopsom verplichtingen jegens de verkoper had, falen. Zij behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking meer. 8.6 Ten overvloede overweegt het hof dat deze opvatting niet in strijd geraakt met die welke is neergelegd in het bij pleidooi door De Kroon aangehaalde arrest van dit hof van 19 oktober 1998 (KG 9800702/BR). In dat — kort — geding beperkte de discussie zich tot de — andere — vraag of een beslag dat was gelegd onder de besloten vennootschap Notaris Practijk BV geldig was nu terzake verlof was gevraagd en verkregen tot het leggen van beslag onder Notaris x. De geldigheid of nietigheid van dat beslag werd, zoals het hof ook overwoog, niet betaald door de omstandigheid dat de betrokken kooppenningen onder de stichting Derdengelden waren gestort. 8.7 Nu de grieven I tot en met IV niet slagen moet grief V die geen zelfstandige betekenis heeft het lot van de andere grieven delen. Omdat alle grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd en dient De Kroon als de in het ongelijk te stellen partij de kosten van het hoger beroep te dragen. (enz.) Cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt doordat het Hof heeft overwogen als in de hierna te noemen overwegingen is geschied en op grond daarvan heeft recht gedaan, een en ander om de navolgende, zonodig in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, redenen: 1

In r.ov. 8.3 heeft het Hof overwogen dat partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of het door De Kroon (eisers tot cassatie) onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de 'stichting derdengelden' van de notaris betaalde en onder die stichting berustende gelden, zoals De Kroon stelt maar de notaris betwist. In r.ov. 8.4 heeft het Hof overwogen dat voor het antwoord op de bedoelde vraag beslissend is of geoordeeld moet worden dat het onder de stichting berustende geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berust. Aldus is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vraag die aan de orde is, althans heeft het de inzet van het geschil op onbegrijpelijke wijze resp. zonder voldoende motivering weergegeven.

56


De vraag namelijk waar het in casu om gaat is of de vordering van J.G.F. de Kroon tot uitbetaling van de door de koper op een rekening van de stichting derdengelden gestorte kooppenningen een vordering was op de notaris, dan wel in plaats van een vordering op de notaris, een vordering op 'diens' 'stichting derdengelden'. Het antwoord op de vraag of J.G.F. de Kroon de desbetreffende vordering had op de notaris dan wel op diens stichting derdengelden hangt ervan af in welke zin partijen — dat wil zeggen J.G.F. de Kroon, notaris Peters en eventueel ook de koper — in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ten betoge dat J.G.F. de Kroon een vordering had op notaris Peters tot afdracht van de koopprijs resp. dat de koper de door haar aan J.G.F. de Kroon verschuldigde koopprijs aan de notaris en niet aan diens stichting derdengelden, heeft toevertrouwd, hebben eisers tot cassatie er bij conclusie van repliek sub 13. op gewezen dat volgens de concept-koopovereenkomst de koopsom diende te worden voldaan door creditering van de bank- en/of girorekening van de notaris. In art. 3 lid 1 van deze concept-akte was bepaald: 'De betaling van de koopprijs en van de overige kosten, rechten en belastingen vindt plaats via het kantoor van de notaris' en in art. 3 lid 2 van deze concept-akte was bepaald: 'Koper is verplicht het verschuldigde te voldoen bij het ondertekenen van de akte van levering door creditering van de bank en/of girorekening(en) van de notaris, ( …)'. (Op de verwijzing naar deze bepalingen van de concept-akte heeft Peters niét gereageerd dat de 'definitieve' akte anders bepaalde omtrent de persoon aan wie de betaling diende te geschieden dan het concept, doch heeft hij slechts gesteld (onder 10. van zijn conclusie van dupliek) dat hetgeen er al dan niet in de onderhandse koopovereenkomst is opgenomen over de wijze van betalen van de koopsom niet relevant zou zijn en dat uitsluitend van belang zou zijn onder wie gelden berusten op het tijdstip van beslaglegging.) Voorts hebben eisers tot cassatie gewezen op hetgeen in art. 3 lid 1 van de statuten van deze stichting derdengelden bepaald was (inleidende dagvaarding sub 9., conclusie van repliek sub 6. en memorie van grieven sub 5.), namelijk: '1. De stichting heeft ten doel in beheer te nemen alle gelden die uit hoofde van hun ambt of beroep worden toevertrouwd aan notaris Petrus Wilhelmus Jozef Maria Peters en/of notaris Mr Petrus Canisius Bobola Maria Wedemeijer te Oirschot, om deze te bestemder tijd uit te keren aan de rechthebbende(n) of te restitueren aan degene(n) die de gelden toevertrouwde(n); (…)' Ook heeft de raadsman van eisers tot cassatie er bij pleidooi in appel (pleitnota blz. 5) op gewezen dat uit de door Peters bij conclusie van antwoord als productie 3 overgelegde modelovereenkomst tussen de notaris en de stichting derdengelden blijkt, dat de notaris in die overeenkomst aan de stichting volmacht geeft om betalingen in ontvangst te nemen en betalingen te doen, derhalve om deze verrichtingen namens de notaris te doen. Een volmacht komt alleen aan de orde indien het de notaris is aan wie de koper de koopprijs toevertrouwt (betaalt) en het de notaris is die jegens de verkoper gehouden is om hem de koopprijs af te dragen. 2

Gegeven de inzet van de discussie in feitelijke instanties resp. de stellingen van

57


eisers tot cassatie ten betoge dat en waarom op de notaris een verbintenis rustte om de koopprijs aan J.G.F. de Kroon af te dragen en gegeven 's Hofs in het eerste onderdeel bestreden weergave van de in 's Hofs visie beslissende rechtsvraag is onduidelijk wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging dat de koper de koopsom heeft betaald aan de stichting derdengelden. Althans heeft het Hof, indien het Hof heeft bedoeld dat er in die zin sprake is geweest van betaling door de koper aan de stichting dat daarmee op de stichting de bedoelde verbintenis jegens J.G.F. de Kroon kwam te rusten om de koopprijs aan hem over te maken, in het licht van de desbetreffende, in onderdeel 1 bedoelde, essentiële stellingen van eisers tot cassatie niet toereikend gemotiveerd waarom het geoordeeld heeft dat de koper de koopprijs aan de stichting derdengelden heeft betaald, in plaats van slechts dat de koper het bedrag op een rekening van die stichting heeft doen storten ter betaling aan Peters, noch heeft het (toereikend) gemotiveerd waarom deze 'betaling' aan de stichting tevens betekent dat J.G.F. de Kroon een vordering verkreeg tot uitbetaling van de door de koper voldane koopprijs niet op notaris Peters, doch op de stichting. 3

Bovendien is het oordeel van het Hof dat, wegens de in r.ov. 8.4 door het Hof genoemde redenen, de door de koper op rekening van de stichting betaalde kooppenningen deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van die stichting en niet van het vermogen van de notaris, eveneens onjuist althans onbegrijpelijk. Bedoelde gelden behoorden slechts tot het vermogen van de stichting indien de stichting er jegens de koper aanspraak op kon maken dat de koper deze aan de stichting afdroeg resp. — zoals voor de beoordeling van het geschil beslissend is — tot het vermogen van de stichting behoorde slechts als passivum een schuld aan J.G.F. de Kroon, indien J.G.F. de Kroon en de stichting overeengekomen waren dat op laatstgenoemde jegens J.G.F. de Kroon de verbintenis rustte om hem de (door de koper aan haar, de stichting, of aan de notaris 'toevertrouwde') koopsom af te dragen. De omstandigheden waarop het Hof in r.ov.v. 8.4 en 8.5 zijn oordeel heeft gebaseerd dat de bedoelde gelden tot het vermogen van de stichting en niet tot dat van de notaris behoorden kunnen niet tot dat oordeel leiden, nu deze omstandigheden evenmin kunnen leiden tot de door het Hof in r.ov. 8.5 gestelde slotsom, dat de notaris ten tijde van het beslag geen geld aan de verkoper verschuldigd was of geld van de verkoper onder zich had, resp. tot 's Hofs slotsom in r.ov. 8.5 dat de grieven I tot en met IV 'die stellen dat ondanks de gebruikmaking van de stichting de gelden aan de notaris zelf zijn toevertrouwd en dat de notaris dus ter zake de koopsom verplichtingen had jegens de verkoper', falen.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Eisers tot cassatie — verder te noemen: De Kroon c.s. — hebben bij exploit van 31 mei 1996 verweerder in cassatie — verder te noemen: de notaris — gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover mogelijk, de notaris te veroordelen tot het doen van een gerechtelijke verklaring van de vorderingen en zaken die door het onder hem gelegde derdenbeslag d.d. 4 januari 1996, ten laste van J.G.F.M. de Kroon te Tilburg, zijn getroffen en hem voorts te veroordelen tot betaling en afgifte aan De Kroon c.s. van hetgeen volgens vaststelling door de Rechtbank aan De Kroon c.s. zal blijken toe te

58


komen. De notaris heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 8 januari 1999 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis hebben De Kroon c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Nadat het Gerechtshof bij tussenarrest van 22 februari 2000 de zaak naar de rol had verwezen voor overlegging van stukken, heeft het Hof bij eindarrest van 6 juni 2000 het bestreden vonnis bekrachtigd. (…) 2. Het geding in cassatie (…) De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van De Kroon c.s. heeft bij brief van 26 september 2002 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1

In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2. Deze feiten houden onder meer in dat De Kroon c.s. op 4 januari 1996 derdenbeslag onder de notaris (en diens ambtgenoot Wedemeijer) hebben gelegd op 'alle gelden, zaken en/of geldswaarden, die de derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen van Johannes Gerardus Franciscus Maria de Kroon'. Deze J.G.F.M. de Kroon heeft een onroerende zaak verkocht en op 4 januari 1996 ten overstaan van de notaris geleverd aan J.L.R. van den Wildenberg.

3.2

De Kroon c.s. hebben zich tot de Rechtbank gewend en op de voet van art. 477a lid 2 Rv. gevorderd de notaris te veroordelen tot het doen van een gerechtelijke verklaring van de vorderingen en zaken die door het derdenbeslag zijn getroffen en tot betaling en afgifte van hetgeen volgens vaststelling van de Rechtbank aan De Kroon c.s. toekomt. Naar De Kroon c.s. betoogden, had de notaris ten onrechte verklaard dat er tussen hem en de beslagdebiteur, hierna aan te duiden als J. de Kroon, geen enkele rechtsverhouding bestond of had bestaan uit hoofde waarvan deze De Kroon iets van hem te vorderen zou hebben of krijgen. J. de Kroon had immers op de notaris een vordering tot afdracht van de door Van den Wildenberg betaalde koopsom ten bedrage van ƒ 375 000, aldus De Kroon c.s. De Rechtbank heeft hun vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof de grieven van De Kroon c.s. verworpen. Partijen, zo heeft het Hof geoordeeld, worden verdeeld gehouden door de

59


vraag of het door De Kroon c.s. onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door Van den Wildenberg aan de Stichting Beheer Derdengelden Notarissen Peters en Wedemeijer betaalde en onder deze Stichting berustende koopsom (rov. 8.3). Voor het antwoord op die vraag is beslissend of het onder de Stichting berustende geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berust (rov. 8.4). Gelet op de in laatstgenoemde rechtsoverweging vermelde omstandigheden en gang van zaken is dat geld niet vermengd met het vermogen van de notaris, zodat niet kan worden geoordeeld dat deze ten tijde van het beslag enig geld aan J. de Kroon verschuldigd was of geld van hem onder zich had (rov. 8.5). 3.3

De schriftelijke toelichting van De Kroon c.s. houdt onder meer in dat zij 'niet langer bestrijden dat het overboeken van de koopprijs door de koopster van het onroerend goed op zichzelf tot een toename aan de actieve zijde van het vermogen van de Stichting heeft geleid: de Stichting kreeg door overboeking van de koopprijs naar de rekening van de Stichting bij haar bank een vordering op die bank ter grootte van de koopprijs.' Uitgangspunt in cassatie moet derhalve zijn dat, gelijk het Hof met de notaris en de Rechtbank — terecht — van oordeel was, het door Van den Wildenberg ter voldoening van de koopsom op rekening van de Stichting overgemaakte bedrag deel is gaan uitmaken van het vermogen van de Stichting en niet van dat van de notaris.

3.4.1 Onderdeel 1 keert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de hiervoor in 3.2 vermelde oordelen van het Hof dat a) partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of het beslag zich ook uitstrekte tot de door Van den Wildenberg aan de Stichting betaalde en onder haar berustende gelden en b) voor het antwoord op die vraag beslissend is of die gelden deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hemzelf berusten. 3.4.2 De klacht dat het Hof aldus de inzet van het geschil op onbegrijpelijke wijze althans zonder voldoende motivering heeft weergegeven, ziet eraan voorbij dat hetgeen De Kroon c.s. in de feitelijke instanties hebben aangevoerd ten betoge dat J. de Kroon op de notaris— en dus niet, zoals de notaris van oordeel was, op de Stichting — een vordering tot afdracht van een bedrag ter grootte van de door Van den Wildenberg gestorte koopsom had, erop neerkomt dat de Stichting slechts een instrument is door middel waarvan de notaris de aan hem toevertrouwde gelden onder zijn berusting houdt. Dit in aanmerking genomen, is geenszins onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat het geschil draaide om de vraag of de door Van den Wildenberg gestorte gelden deel waren gaan uitmaken van het vermogen van de notaris. Dit oordeel behoefde ook geen nadere motivering. Onderdeel 1 faalt derhalve in zoverre. 3.4.3 De rechtsklacht van onderdeel 1 komt erop neer, dat het Hof blijkens zijn weergave van de inzet van het geschil heeft miskend, dat de vraag waar het in deze zaak om gaat is of de vordering van J. de Kroon tot uitbetaling van de door Van den Wildenberg gestorte koopsom een vordering was op de notaris of een vordering op de Stichting, alsmede dat het antwoord op die vraag afhangt van de zin die partijen — J. de Kroon, de notaris en eventueel ook Van den Wildenberg — in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij

60


te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 3.4.4 Het Hof heeft in zijn rov. 8.4 geoordeeld dat Van den Wildenberg heeft betaald aan de Stichting, dat de Stichting heeft voldaan aan J. de Kroon en dat de notaris als bestuurder van de Stichting opdracht aan de bank heeft gegeven tot uitbetaling aan J. de Kroon, zulks in overeenstemming met de statuten van de Stichting, die in het leven is geroepen teneinde te voorkomen dat aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn vermogen zullen vermengen. Hiermee heeft het Hof mede tot uitdrukking gebracht dat de Stichting de op haar rekening gestorte koopsom met instemming van partijen (J. de Kroon en Van den Wildenberg) voor hen beheerde overeenkomstig het in art. 3 lid 1 van haar Statuten omschreven uitsluitende doel van de Stichting — het in beheer nemen van gelden die uit hoofde van zijn ambt aan de notaris worden toevertrouwd om deze gelden te bestemder tijd hetzij uit te keren aan de rechthebbende hetzij te restitueren — en dat partijen als gevolg van dit in beheer geven en nemen een aanspraak op uitbetaling onderscheidenlijk restitutie verkregen jegens de Stichting, niet jegens de notaris. Op deze rustte, zo heeft het Hof in cassatie onbestreden geoordeeld, jegens de koopster en de verkoper wel een zorgplicht uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de nakoming door de partijen van hun verplichting tot levering, onderscheidenlijk betaling. Het Hof is dus niet voorbijgegaan aan de hiervoor in 3.4.3 vermelde vraag, maar heeft die vraag aldus beantwoord dat, anders dan De Kroon c.s. bepleitten, de vordering van J. de Kroon tot uitbetaling van de koopsom een vordering op de Stichting betrof. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is het niet onbegrijpelijk in het licht van de in de klacht vermelde, hierna te bespreken, stellingen van De Kroon c.s. Aan 's Hofs oordeel staat niet in de weg dat volgens de concept-koopovereenkomst de koopsom voldaan diende te worden door creditering van de bank- en/of girorekening van de notaris. Het Hof is immers, gelet op zijn vaststelling dat blijkens de akte van levering de koopprijs voldaan is door storting op de rekening van de Stichting, kennelijk ervan uitgegaan dat partijen de koopovereenkomst wat het 'betaaladres' aangaat door ondertekening van de akte van levering hebben aangepast. Ook het bepaalde in art. 3 lid 1 van de Statuten is niet onverenigbaar met het oordeel van het Hof dat de Stichting de gelden die aan de notaris uit hoofde van zijn beroep worden toevertrouwd, beheert voor de betrokken partijen. Hetzelfde geldt voor het feit dat de tussen de notaris en de Stichting gesloten modelovereenkomst onder 12 bepaalt dat de notaris voor de duur van de overeenkomst aan de Stichting volmacht geeft om betalingen in ontvangst te nemen en te doen. Naar het onderdeel betoogt, volgt uit deze bepaling dat de Stichting genoemde verrichtingen namens de notaris doet, zodat de notaris wél degene is aan wie de koopprijs wordt toevertrouwd en die jegens de verkoper tot afdracht gehouden is. Echter, in aanmerking genomen dat — zoals ook in de considerans van de overeenkomst is vermeld — de Stichting juist in het leven is geroepen teneinde te voorkomen dat de aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met diens vermogen zouden vermengen, kan de door het onderdeel voorgestane uitleg van de overeenkomst, te weten: dat de Stichting de betalingen waarover het hier gaat in ontvangst neemt en doet namens de

61


notaris, niet als juist worden aanvaard. Onderdeel 1 faalt derhalve in zijn geheel. 3.5.1 Onderdeel 2 klaagt, kort samengevat, dat onduidelijk is wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging dat Van den Wildenberg de koopsom heeft betaald aan de Stichting, althans dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel Van den Wildenberg de koopprijs aan de Stichting heeft betaald in plaats van slechts te oordelen dat zij het bedrag op een rekening van de Stichting heeft doen storten ter betaling aan de notaris, en waarom naar zijn oordeel deze betaling aan de Stichting tevens betekent dat J. de Kroon een vordering tot uitbetaling kreeg op de Stichting en niet op de notaris. 3.5.2 Dit onderdeel vindt zijn weerlegging in hetgeen hiervoor in 3.4.4 is overwogen. 3.6 Onderdeel 3 behoeft, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, geen afzonderlijke behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt De Kroon c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de notaris begroot op € 286,89 aan verschotten en € 1365 voor salaris. Conclusie Naar boven ConclusieA-G mr De Vries Lentsch-Kostense Inleiding 1

In deze zaak gaat het om het volgende. Thans eisers tot cassatie (verder: De Kroon c.s.) hebben onder thans verweerder in cassatie, notaris Peters (verder ook: de notaris), en diens compagnon derdenbeslag gelegd op 'alle gelden, zaken en/of geldswaren, die de derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van' J.G.F. de Kroon. (Ik spreek in navolging van het Hof van J.G.F. de Kroon; uit de in appèl in het geding gebrachte stukken blijkt dat het gaat om J.G.F.M. de Kroon.) Genoemde De Kroon heeft ten overstaan van notaris Peters een onroerende zaak verkocht en geleverd. De koopsom (die naar gangbare praktijk pas aan de verkoper wordt doorbetaald ingeval zekerheid is verkregen omtrent een onbelaste en onbezwaarde levering) is door de koper gestort op de rekening van de door de notaris opgerichte Stichting derdengelden; dit laatste conform hetgeen destijds werd voorgeschreven door de Beroepsregels van de Koninklijke Notariële Broederschap. De koopsom is vervolgens na het transport aan de verkoper uitbetaald. Het Hof heeft vooropgesteld dat partijen in dit geding verdeeld

62


worden gehouden door de vraag of het door De Kroon c.s. onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de Stichting betaalde en onder de Stichting berustende gelden zoals De Kroon c.s. stellen maar de notaris betwist; het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daartegen richt zich het middel. 2

3

Tussen partijen staat het volgende vast: i.

Notaris Peters heeft in 1996 als notaris zijn ministerie verleend bij een onroerende zaaktransactie waarbij J.G.F. de Kroon aan J.L.R. van den Wildenberg verkocht en leverde het pand Markt 20 te Oirschot voor de prijs van Ć’ 375 000.

ii.

De Kroon c.s. pretendeerden ieder een vordering op J.G.F. de Kroon van ongeveer Ć’ 50 000. Ter verzekering van de betaling van deze vordering hebben zij op 4 januari 1996 te 14.00 uur derdenbeslag gelegd onder Peters & Wedemeijer notarissen te Oirschot op 'alle gelden, zaken en/of geldswaarden, die derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van' J.G.F. de Kroon, een en ander tot een bedrag van Ć’ 130 000.

iii.

Het transport van het hiervoor genoemde pand aan Van den Wildenberg vond eveneens op 4 januari 1996 plaats. De ten overstaan van de notaris opgemaakte transportakte is op die dag te 13.59 uur aan de bewaarder van het Kadaster en de Openbare Registers te Eindhoven aangeboden.

iv.

In de akte van levering staat vermeld dat de koopprijs met bijbehorende kosten is voldaan door storting op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden Notarissen Peters en Wedemeijer (hierna ook: de Stichting of de Stichting derdengelden); de ten behoeve van deze betaling opgemaakte nota van de notaris d.d. 4 januari 1996 vermeldde ook uitsluitend bankrekeningen van de Stichting.

v.

Uit het door de notaris overgelegde bankafschrift van de Stichting nr. 254 d.d. 4 januari 1996 blijkt dat de koopsom inderdaad op de bankrekening van de Stichting is overgemaakt.

vi.

De kooppenningen zijn op de dag van het transport om omstreeks 15.21 uur contant aan J.G.F. de Kroon uitbetaald.

Bij inleidende dagvaarding van 31 mei 1996 hebben De Kroon c.s. gevorderd de notaris te veroordelen tot het doen van een gerechtelijke verklaring van de vorderingen en zaken die door het onder hem, ten laste van J.G.F. de Kroon, gelegde derdenbeslag zijn getroffen en hem voorts te veroordelen tot betaling en afgifte van hetgeen volgens vaststelling van de Rechtbank aan eisers zal blijken toe te komen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de notaris op 5 januari 1996 ten onrechte heeft verklaard dat er tussen hem en de schuldenaar van De Kroon c.s., de beslagdebiteur J.G.F. de Kroon, geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan deze schuldenaar iets van hem te vorderen zou hebben of krijgen; zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat J.G.F. de Kroon op de notaris een vordering tot afdracht van de koopsom had. Hetgeen De

63


Kroon c.s. ter ondersteuning van dit standpunt hebben aangevoerd komt kort samengevat daarop neer dat de Stichting slechts een instrument was door middel waarvan de notaris de aan hem toevertrouwde gelden onder zijn berusting hield. Zij hebben in dat verband aangevoerd dat de Stichting gezien art. 3 lid 1 van de statuten ten doel heeft om gelden in beheer te nemen die aan de notaris uit hoofde van zijn ambt worden toevertrouwd en voorts dat volgens de conceptkoopovereenkomst de koopsom diende te worden voldaan door creditering van de bank- en/of girorekening(-en) van de notaris. In hoger beroep hebben De Kroon c.s. bovendien nog betoogd dat uit de modelovereenkomst tussen de notaris en de Stichting blijkt dat de notaris aan de Stichting volmacht geeft om betalingen in ontvangst te nemen en betalingen te doen, derhalve deze verrichtingen namens de notaris te doen. 4

De notaris heeft de vordering bestreden. Hij heeft geconstateerd dat 'kern van de discussie tussen partijen' is de vraag of hij gelden voor de beslagdebiteur J.G.F. de Kroon onder zich had waarop door eisers een rechtsgeldig beslag was gelegd. Hij heeft betoogd dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat de koopsom niet onder hem berustte doch onder de Stichting, een volledig zelfstandige entiteit bestemd om gelden van derden die aan de notarissen uit hoofde van hun ambt of beroep worden toevertrouwd, rechtstreeks van degenen die deze gelden willen toevertrouwen te ontvangen, afgescheiden van het privéen ondernemingsvermogen van de notarissen te beheren en volgens de aanwijzingen van de notaris in diens hoedanigheid van bestuurder vervolgens uit te keren. De enige band tussen de notaris privé en deze Stichting is — aldus de notaris — de bestuursfunctie van de notaris in de Stichting. De notaris heeft een copie van de statuten van de Stichting overgelegd alsmede een copie van de door de Koninklijke Notariële Broederschap uitgevaardigde Beroepsregel voor notarissen inzake Stichtingen Derdengelden (hierna ook: de Beroepsregel). Hij heeft gewezen op de slotzin onder punt 1 van de Toelichting bij deze Beroepsregel luidende: 'De in de Stichting aanwezige gelden behoren goederenrechtelijk tot haar vermogen, zij houdt als 'trustee' gelden voor zichzelf.' De notaris heeft geconcludeerd dat hij zorgvuldig en overeenkomstig zijn verplichtingen heeft gehandeld door de Stichting in zijn hoedanigheid van bestuurder de opdracht/aanwijzing te geven om de kooppenningen aan de verkoper uit te betalen. De notaris heeft in appèl betoogd dat het een feit van algemene bekendheid was dat in het notariaat gelden alleen via een stichting beheer derdengelden konden en mochten lopen, althans in het hier ter zake doende tijdvak, en dat deelnemers aan het rechtsverkeer derhalve weten, althans behoren te weten, dat de derdengelden onder de Stichting berusten en dat zij derhalve onder de Stichting beslag moeten leggen. Hij heeft voorts erop gewezen dat in een door thans eiser tot cassatie sub 2 geëntameerde klachtprocedure de Kamer van Toezicht en in appèl het Gerechtshof te Amsterdam ook uitdrukkelijk hebben geoordeeld dat de notaris te dezen als notaris zorgvuldig heeft gehandeld en dat daarbij is overwogen dat het onder de notaris gelegde beslag zich niet uitstrekt over de onder de Stichting berustende gelden.

5

De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft de vordering van De Kroon c.s. bij vonnis van 8 januari 1999 afgewezen. Zij overwoog daartoe onder meer dat de notaris ter zake van de koopsom geen verplichting jegens J.G.F. de Kroon had en ook overigens niet is gesteld of gebleken dat een verplichting van de notaris

64


jegens J.G.F. de Kroon bestond. Zij overwoog voorts dat het op 4 januari 1996 door De Kroon c.s. onder de notaris gelegde beslag zich niet uitstrekte over hetgeen onder de Stichting berustte en dat derhalve de Stichting de onder haar berustende koopsom aan J.G.F. de Kroon kon en mocht doorbetalen en voorts dat de Stichting met deze betaling, die dus niet in weerwil van het beslag is verricht, bevrijdend aan J.G.F. de Kroon heeft betaald. 6

Nadat het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij tussenarrest van 22 februari 2000 de zaak naar de rol had verwezen voor overlegging van stukken, heeft het Hof bij eindarrest van 6 juni 2000 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe overwoog het als volgt na — in rechtsoverweging 8.3 — te hebben vooropgesteld dat partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of het door De Kroon c.s. onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de Stichting betaalde en onder de Stichting berustende gelden zoals De Kroon c.s. stellen maar de notaris betwist: '8.4. Beslissend voor het antwoord op de hiervoor weergegeven vraag is of geoordeeld moet worden dat het onder de stichting berustende geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de notaris en tevens onder hem zelf berust. De stichting is een van de notaris zelf te onderscheiden rechtssubject. De koper heeft betaald aan de stichting. De stichting heeft voldaan aan de verkoper. De notaris heeft als bestuurder van de stichting opdracht gegeven tot uitbetaling aan de verkoper. Die opdracht is overeenstemming met het doel van de stichting: (art. 3 lid 1 statuten) het in beheer nemen van gelden die uit hoofde van zijn ambt aan de notaris worden toevertrouwd om deze tezijnertijd aan de rechthebbende uit te keren of te restitueren aan degene die deze gelden aan de notaris toevertrouwde. Die opdracht is ook in overeenstemming met de aan de notaris in die statuten gegeven bevoegdheid: (art. 3 lid 2) de stichting ontvangt de derdengelden rechtstreeks van degenen die deze willen toevertrouwen, zij voert daarover het beheer en keert overeenkomstig de aanwijzingen van de notaris uit. Blijkens de considerans is de stichting in het leven geroepen om te voorkomen dat aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn vermogen vermengen. 8.5. Onder deze omstandigheden en bij deze gang van zaken oordeelt het hof evenals de rechtbank dat bedoelde gelden niet vermengd zijn met het vermogen van de notaris zodat, anders dan De Kroon in zijn memorie van grieven onder 6 betoogt, niet kan worden geoordeeld dat hij ten tijde van het beslag enig geld aan de verkoper verschuldigd was of geld van de verkoper onder zich had. De omstandigheid dat de notaris als bestuurder van de stichting bevoegd was tot het geven van opdrachten tot uitbetaling van onder de stichting berustende gelden, heeft niet de daaraan door De Kroon gestelde betekenis dat die stichting slechts een instrument is door middel waarvan hij gelden als de onderhavige onder zich houdt. Ook de omstandigheid dat de transporterende notaris een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de nakoming door de partijen van hun verplichting tot levering en betaling betekent niet noodzakelijk dat de kooppenningen

65


zijn vermogen (moeten) passeren. Deze zorgplicht jegens partijen bij de koop kan ook worden nagekomen door als bestuurder van een stichting als hier aan de orde opdrachten tot inontvangstneming en uitbetaling te geven. Dit oordeel leidt tot de gevolgtrekking dat de grieven I tot en met IV die van een ander standpunt uitgaan en stellen dat ondanks de gebruikmaking van een stichting de gelden aan de notaris zelf zijn toevertrouwd en dat de notaris dus terzake de koopsom verplichtingen jegens de verkoper had, falen. Zij behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking meer.' 7

De Kroon c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het Hof. De notaris heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht waarna De Kroon c.s. nog hebben gerepliceerd.

Het cassatiemiddel 8

Middelonderdeel 1 strekt ten betoge dat het Hof met zijn overweging dat partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of het door De Kroon c.s. onder de notaris gelegde beslag zich ook uitstrekte tot de door de koper aan de Stichting betaalde en onder de Stichting berustende gelden zoals De Kroon c.s. stellen maar de notaris betwist en dat voor het antwoord op deze vraag beslissend is of geoordeeld moet worden dat het onder de Stichting berustende geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de notaris, heeft miskend dat de vraag waar het in casu om gaat is of de vordering van J.G.F. de Kroon tot uitbetaling van de door de koper op een rekening van de Stichting gestorte kooppenningen een vordering was op de notaris dan wel een vordering op de Stichting. Het antwoord op deze laatste vraag hangt ervan af — aldus het middel — welke zin partijen — dat wil zeggen J.G.F. de Kroon, notaris Peters en eventueel ook de koper — in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Het middelonderdeel wijst in dat verband erop dat De Kroon c.s. ter adstructie van het betoog dat J.G.F. de Kroon een vordering had op notaris Peters tot afdracht van de koopsom, respectievelijk dat de koper de door haar aan J.G.F. de Kroon verschuldigde koopprijs aan de notaris en niet aan diens Stichting derdengelden heeft toevertrouwd, hebben gesteld dat: —

in de conceptkoopovereenkomst wordt gesproken van betaling via het kantoor van de notaris;

—

in art. 3 lid 1 van de statuten van de Stichting derdengelden als doelstelling van de Stichting wordt vermeld het in beheer nemen van alle gelden die uit hoofde van hun ambt of beroep worden toevertrouwd aan notaris Peters en/of notaris Wedemeijer;

—

in de modelovereenkomst tussen de notaris en de stichting door de notaris aan de stichting volmacht wordt gegeven om betalingen in ontvangst te nemen en betalingen te doen, derhalve om deze betalingen namens de notaris te doen.

66


Middelonderdeel 2 klaagt dat het — gegeven de inzet van de discussie in feitelijke instanties en de in middelonderdeel 1 genoemde (hiervoor weergegeven) stellingen van De Kroon c.s. — onduidelijk is wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging dat de koper de koopsom heeft betaald aan de Stichting, althans dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel de koper de koopprijs aan de Stichting heeft betaald in plaats van slechts dat de koper het bedrag op een rekening van die Stichting heeft doen storten ter betaling aan Peters en waarom naar zijn oordeel deze betaling aan de Stichting tevens betekent dat J.G.F. de Kroon een vordering kreeg tot uitbetaling niet op notaris Peters, doch op de Stichting. Middelonderdeel 3 klaagt dat bovendien onjuist, althans onbegrijpelijk, is 's Hofs oordeel dat de door de koper op rekening van de Stichting betaalde kooppenningen deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van die Stichting en niet van het vermogen van de notaris. Betoogd wordt dat bedoelde gelden slechts tot het vermogen van de Stichting behoorden indien de Stichting jegens de koper aanspraak op afdracht aan haar kon maken of indien J.G.F. de Kroon en de Stichting waren overeengekomen dat op laatstgenoemde de verbintenis rustte om hem de koopsom af te dragen. De omstandigheden waarop het Hof zijn gewraakte oordeel heeft gebaseerd, kunnen niet tot dat oordeel leiden nu deze omstandigheden evenmin kunnen leiden tot de slotsom dat de notaris ten tijde van het beslag geen geld aan de notaris verschuldigd was of geld van de verkoper onder zich had. Aldus het middel. In hun schriftelijke toelichting hebben De Kroon c.s. laten weten dat zij niet langer willen bestrijden dat het overboeken van de koopprijs door de koopster van het onroerend goed op zichzelf tot een toename aan de actieve zijde van het vermogen van de Stichting heeft geleid, doch dat zij wel vasthouden aan hun standpunt dat het overboeken door koopster naar de rekening van de Stichting is geschied in het kader van het toevertrouwen door koopster van de koopprijs aan de notaris in die zin dat zij erop rekende dat hij ervoor zou zorgen dat de koopprijs te bestemder plaatse zou terechtkomen. 9

Ik begrijp de hiervoor weergegeven passage uit de schriftelijke toelichting aldus dat De Kroon c.s. thans — met de notaris, de Rechtbank en het Hof — ervan uitgaan dat de door de koper op rekening van de Stichting overgemaakte kooppenningen deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de Stichting en niet van het vermogen van de notaris. Dat uitgangspunt is juist; voorzover De Kroon c.s. met de in hun schriftelijke toelichting gemaakte restrictie zoals hiervoor weergegeven, willen betogen dat dit uitgangspunt niet onverkort geldt, faalt dit betoog. De notaris heeft terecht in dit geding erop gewezen dat notarissen uit hoofde van de Beroepsregel inzake de Stichtingen derdengelden van de Koninklijke Notariële Broederschap (Nieuwsbrief Notariaat 1995/1, Bijlage VI) verplicht waren de zogenaamde derdengelden (de gelden die de notaris als zodanig worden toevertrouwd om te bestemder tijd uit te keren aan de rechthebbenden) onder te brengen in een speciaal daartoe in het leven geroepen Stichting die de derdengelden rechtstreeks ontvangt van degenen die deze moeten of willen toevertrouwen, die de derdengelden beheert en ten slotte doorbetaalt of restitueert overeenkomstig de aanwi jzingen van de notaris in diens hoedanigheid van bestuurder van de Stichting; deze Beroepsregel, die gold

67


in de periode 1 juli 1995–1 oktober 1999, strekte ertoe om in civielrechtelijke zin de derdengelden af te scheiden van het bedrijfs- en privé-vermogen van de notaris. Die afscheiding werd gerealiseerd doordat de derdengelden op de bankof girorekening van de Stichting werden overgemaakt. Met name omdat de bankof girorekening waarop de derdengelden werden gestort, op naam stond van de Stichting, een zelfstandige rechtspersoon, geldt in ons wettelijk systeem immers dat de derdengelden deel gingen uitmaken van het vermogen van de Stichting nu met de storting op die rekening van een in identificeerbare vorm afgescheiden bedrag geen sprake was. Zie HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752, (Slis-Stroom) m.nt. WMK. De beroepsregel is ingevoerd als reactie op het faillissement van notaris S. dat leidde tot het zojuist genoemde arrest van 3 februari 1984. In dit arrest ging het om de vraag of de door de notaris op een zijn naam staande bankrekening ontvangen geldbedrag dat afkomstig was van de koper van een onroerende zaak en dat bestemd was om aan de verkoper te worden doorbetaald, buiten het — na de ontvangst doch vóór de doorbetaling uitgesproken — faillissement van de notaris moet worden gehouden; de Hoge Raad beantwoordde de vraag ontkennend met een beroep op het wettelijk stelsel waarin beslissend is — aldus de Hoge Raad — dat het geld deel van het vermogen van de notaris is gaan uitmaken en 'dat niet de weg is gekozen van storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper noch een voor wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris daarmee gelijk te stellen weg'. Annotator Kleijn wijst erop dat de Hoge Raad met zijn overweging 'dat niet de weg is gekozen .... ' de weg heeft gewezen om te ontkomen aan de nadelige gevolgen van een faillissement van de notaris. Benadrukkend dat zolang een notaris failliet kan gaan, het publiek gevrijwaard moet worden voor de gevolgen van dit faillissement voor de gevallen waarin de notaris als vertrouwensman ter zake van geldstortingen fungeert, bespreekt hij de diverse daartoe openstaande wegen waaronder die van het oprichten van een Stichting. Die laatste weg is door de Koninklijke Notariële Broederschap gevolgd bij het uitvaardigen van zijn Beroepsregel inzake Stichtingen derdengelden. De stichtingsvorm is dan ook te beschouwen als 'een — wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris — daarmee gelijk te stellen weg' waarop de Hoge Raad in zijn zojuist genoemde arrest had gewezen. Bij de stichtingsconstructie wordt de gewenste afscheiding bereikt door de inzet van een afzonderlijke rechtspersoon die rechthebbende is van de vordering op de bank en van wiens vermogen de gestorte bedragen deel gaan uitmaken. Om te spreken met W. Snijders, Tijdschrift voor Insolventierecht 1999, p. 152: 'De bescherming van betrokken derden zit hier niet in het kwaliteitskarakter van de rekening, maar in het feit dat die rekening aan de stichting toekomt, die als gevolg van haar doelomschrijving niet of nauwelijks andere schuldeisers heeft'; in vergelijkbare zin: S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber, WPNR 6303 (1998), p. 140 en L. Groefsema, Gelden van derden, in: Onderneming en 5 jaar Nieuw Burgerlijk recht, 1997, p. 116; vgl. Rb Amsterdam, 28 juni 2001, JOR 2001, 199; kennelijk anders: Asser-Mijnssen-De Haan-Van Dam (2002), nr. 479.

68


Inmiddels zijn notarissen sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 1999 (Stb. 382) van de nieuwe Wet op het Notarisambt (Stb. 1999, 190) verplicht tot het aanhouden van een of meer kwaliteitsrekeningen zoals bedoeld in art. 25 lid 1 van deze Wet. De wetgever heeft bepaald dat de vordering uit een zodanige kwaliteitsrekening (op de bankinstelling) aan de gezamenlijke belanghebbenden toebehoort (art. 25, lid 3) die in zoverre deelgenoten zijn in een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW, doch dat de notaris privatief bevoegd is tot beheer en beschikking over die rekening (art. 25, lid 2). Aan deze regeling zijn uitvoerige beschouwingen gewijd door: T.H.D. Struycken, WPNR 6241, p. 752 e.v. en Tijdschrift voor Insolventierecht, 1996, p. 166 e.v. en S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber, WPNR 6303, p. 137 ev. zie ook de bijdragen van O.m. Tjittes, Vranken, Vriesendorp en Van Erp in de bundel Inzake kwaliteit, 1999 alsmede de bespreking daarvan door W. Snijders in Tijdschrift voor Insolventierecht 1999, p. 149 e.v. In de kwestie van het derdenbeslag wordt door de wettelijke regeling door middel van een uitdrukkelijke bepaling voorzien. Zie art. 25 lid 5 waarover nader: J.B.M. Vranken in: Inzake kwaliteit 1998, p. 95 en 96 en W. Snijders, Tijdschrift voor Insolventierecht 1999, p. 152 (beiden instemmend) en (kritisch) T.H.D. Struycken, WPNR 6241 (1996), p. 753 en S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber, WPNR 6303 (1998), p. 143. 10 Uit het voorgaande volgt bij de beoordeling van de overige in het middel vervatte klachten uitgangspunt moet zijn dat het Hof de vraag of de door de koper op de rekening van de Stichting overgemaakte kooppenningen deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van de Stichting terecht bevestigend heeft beantwoord. Het Hof heeft zich — zo blijkt uit zijn door het middel bestreden overwegingen — met name op de beantwoording van deze vraag geconcentreerd. Dat lag ook in de rede nu hetgeen De Kroon c.s. in de feitelijke instanties hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun standpunt dat J.G.F. de Kroon op de notaris een vordering tot afdracht van de koopsom had daarop neerkomt dat de Stichting slechts een instrument was door middel waarvan de notaris de aan hem toevertrouwde gelden onder zijn berusting hield. Daaraan ziet middelonderdeel 1 voorbij met zijn motiveringsklacht tegen 's Hof weergave van hetgeen partijen in dit geding verdeeld hield. Eveneens moet falen de klacht dat het Hof heeft miskend dat het in casu gaat om de vraag of de vordering van J.G.F. de Kroon tot uitbetaling van de door de koper op de rekening van de Stichting derdengelden gestorte kooppenningen, een vordering op de notaris was en niet op de Stichting en dat het Hof heeft miskend dat het antwoord op die vraag ervan afhangt welke zin partijen, dat wil zeggen J.G.F. de Kroon, notaris Peters en eventueel ook de koper, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ik laat daar of beslagleggers als De Kroon c.s. zich ter ondersteuning van hun stelling dat de verkoper/beslagdebiteur op de notaris/derde-beslagene een vordering tot uitbetaling van de koopsom heeft, op de Haviltex-maatstaf kunnen beroepen, een beroep dat niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, en welke consequenties aan een dergelijk beroep moeten worden verbonden mede in het licht van het volgens vaste jurisprudentie geldende uitgangspunt dat het de rechter niet vrijstaat af te wijken van een door partijen aan hun overeenkomst gegeven eensluidende uitleg (HR 6 oktober 1978,

69


NJ 1979, 91, m.nt PAS, HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566, m.nt HJS, HR 21 juni 1996, NJ1997, 327, m.nt DWFV en HR 3 januari 1997, NJ 1998, 127, m.nt HJS). Met zijn overweging dat de koper heeft betaald aan de Stichting, dat de Stichting heeft voldaan aan de verkoper en dat de notaris als bestuurder van de Stichting opdracht aan de bank heeft gegeven tot uitbetaling aan de verkoper, een en ander in overeenstemming met de statuten van de Stichting en mede in aanmerking genomen dat de Stichting in het leven is geroepen om te voorkomen dat aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn vermogen vermengen, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat naar zijn oordeel de Stichting de aan haar betaalde koopsommen met wetenschap en instemming van partijen beheerde voor de koper en de verkoper die aldus een directe aanspraak hadden op de Stichting en niet op de notaris. Dat oordeel blijkt voorts uit de — door het middel niet rechtstreeks bestreden — overweging dat de verplichting van de notaris jegens de partijen bij de koop niet meer is dan een zorgverplichting die ook kan worden nagekomen door als bestuurder van de Stichting opdrachten tot inontvangstneming en uitbetaling te geven. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door het middel aangehaalde stellingen. De stelling dat in de concept-koopovereenkomst de koopsom diende te worden voldaan door creditering van de bank- en/of girorekening van de notaris, ziet eraan voorbij dat het Hof heeft vastgesteld dat blijkens de akte van levering de koopprijs is voldaan door storting op de rekening van de Stichting. Het Hof is daarbij kennelijk ervan uitgegaan dat partijen door de ondertekening van de transportakte de inhoud van de transportakte als later geaccordeerde aanpassing van de koop beschouwen. Dat stond het Hof vrij; zie hierover Kleijn in zijn noot onder HR 8 december 2000, NJ 2001, 350. De bepaling van art. 3 lid 1 van de statuten dat de Stichting ten doel heeft alle gelden in beheer te nemen die aan de notaris uit hoofde van zijn ambt of beroep worden toevertrouwd, staat niet in de weg aan de door het Hof getrokken conclusie dat de Stichting deze gelden beheert voor de belanghebbenden en niet voor de notaris. Het betoog dat uit de modelovereenkomst tussen de notaris en de Stichting blijkt dat de notaris in die overeenkomst aan de Stichting volmacht geeft om betalingen in ontvangt te nemen en te doen en derhalve om deze verrichtingen namens de notaris te doen, ziet eraan voorbij dat aan de term 'volmacht' gezien de overige inhoud van de modelovereenkomst en de statuten van de Stichting niet de door het middel bedoelde betekenis kan worden gehecht. 11 Middelonderdeel 2 strekt, zoals hiervoor onder 8 reeds aangegeven, ten betoge dat onduidelijk is wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging dat de koper de koopsom heeft betaald aan de Stichting, althans dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel de koper de koopprijs aan de Stichting heeft betaald in plaats van slechts dat de koper het bedrag op een rekening van die Stichting heeft doen storten ter betaling aan Peters en waarom naar zijn oordeel deze betaling aan de Stichting tevens betekent dat J.G.F. de Kroon een vordering kreeg tot uitbetaling niet op notaris Peters, doch op de Stichting. Deze klacht faalt omdat, zoals hiervoor bij de bespreking van middelonderdeel 1 betoogd, het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de Stichting de aan haar betaalde koopsommen met wetenschap en instemming van partijen beheerde voor de koper en de verkoper die aldus een directe aanspraak hadden op de

70


Stichting en niet op de notaris, een oordeel dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat ook niet onbegrijpelijk is. 12 Middelonderdeel 3 moet eveneens falen zoals moge volgen uit hetgeen ik hiervoor, met name onder 9, betoogde. 13 Volledigheidshalve wijs ik erop dat beslag onder een Stichting derdengelden weliswaar gangbare praktijk is, doch dat het toch gaat om een omstreden kwestie waarover de lagere rechtspraak verschillend oordeelt: zie de overzichten bij G.J.C. Lekkerkerker, JBN 1998, nr. 104 en C. Heck-Vink, WPNR 6374 (1999), p. 759–760. Zie voorts de uitvoerig gemotiveerde uitspraak van het Hof Arnhem van 18 mei 1999 (JOR 1999, 273) waarbij de beslissing van het Hof in de onderhavige zaak aansluit. Ook de literatuur is verdeeld. Het standpunt dat beslag onder de notaris geen doel treft wordt ingenomen door H.G. Punt, Memo Beslagrecht 2002, p. 114, Lekkerkerker, t.a.p. en H. Stein, Hinderlijke schuldeisers, preadvies KNB 1998, p. 51 e.v. Beslag onder de notaris wordt daarentegen mogelijk geacht door: L. Groefsema, a.w., p. 115–116, L.P. Broekveldt, TCR 2000, p. 73, p. 76 noot 28 en R.M. Avezaat, Advocatenblad 1999, p. 1078 e.v. en in: De kwaliteitsrekening, studiepocket privaatrecht nr. 63, 2002, p. 59. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Noot Naar boven Auteur: W.M. Kleijn 1. Belang van de casus in het maatschappelijk verkeer Het gaat hier om een beslag op hetgeen de notaris onder zich zou hebben voor de debiteur van de beslaglegger. In de periode, waarin dit beslag aan de orde was (1995–1999) gold er voor notarissen een beroepsregel, die ertoe strekte dat de derdengelden, die onder de notarissen zouden gaan berusten dienden te worden overgemaakt aan de door de notaris daartoe opgerichte Stichting Derdengelden. In oktober 1999 is de nieuwe Wet op het Notarisambt (NW) (Stb. 1999, 910) in werking getreden en deze houdt een regeling in, krachtens welke een notaris een zg. kwaliteitsrekening dient aan te houden (bij een Bank), die niet aan de notaris, maar aan de gezamenlijke belanghebbenden toebehoort (art. 25 lid 3 NW), over welke rekening de notaris privatief bevoegd is te beschikken (art. 25 lid 2 NW). Literatuur daarover is te vinden in onderdeel 9 van de conclusie van de A-G, evenals literatuur over derdenbeslag t.a.v. deze kwaliteitsrekening, welke is geregeld in artikel 25 lid 5 NW. Met deze laatste ontwikkeling is echter het belang van de onderhavige uitspraak niet (volledig) achterhaald. Immers de Stichting Derdengelden uit gemelde periode was geheel gebaseerd op het bestaande civielrecht met name op het recht omtrent rechtspersonen en de stichting speciaal (art. 2:285 e.v. BW). De

71


bedoeling van die Stichting Derdengelden is om het vermogen dat iemand voor anderen beheert en dat uit soortgoederen, zoals geld bestaat (z.g. derdengelden), zodanig af te zonderen van zijn eigen (des bewaarders) vermogen, dat daartussen geen vermenging plaats heeft. Het voornaamste doel is te voorkomen dat deze derdengelden meegesleept worden in het faillissement of de schuldsanering van de bewaarder. Ook naast de notaris zijn er in het maatschappelijk verkeer voldoende personen of instellingen aan te wijzen, voor wie dit een mogelijkheid is om het, met name voor derden, niet onaantrekkelijk te maken om gelden bij hen tijdelijk te deponeren wanneer hun rechtsverhouding dat meebrengt. Ik denk hierbij aan advocaten, en (regis-ter)accountants, wier kwaliteit soms met dit soort dienstverlening gepaard pleegt te gaan. In de onderhavige uitspraak komt de verhouding tussen beslag en de Stichting Derdengelden aan de orde. 2. De casus, voor zover van belang voor de uitspraak Notaris P. had ter zake van de koop en overdracht van een registergoed korte tijd de koopsom — door de koper gestort bij de Stichting Derdengelden van de notaris — onder zijn beheer, in die zin dat aan de Stichting op verzoek van de notaris deze koopsom door de koper was overgemaakt met de bedoeling dat deze koopsom na de transport-akte aan de verkoper zou worden overgemaakt. Crediteuren van verkoper legden in die periode beslag onder de notaris zelf voor al datgene, wat deze aan de verkoper schuldig mocht zijn of worden of voor deze onder zijn berusting mocht hebben of verkrijgen. De notaris betaalde de koopprijs ondanks dit beslag toch aan de verkoper, met als achtergrond dat hij, notaris, de koopprijs niet zelf onder zich had en dat deze dus niet door hem, notaris, verschuldigd was maar door de Stichting; aldus het standpunt van de notaris. de beslagleggers beriepen zich onder meer op de volgende stellingen: a. het beslag strekte zich ook uit over de Stichting Derdengelden, hoewel gelegd onder de notaris. b. het vermogen van de Stichting is deel gaan uitmaken van het vermogen van de notaris; deze stelling speelde in cassatie geen rol meer als geschilpunt (zie ov. 3.5) c. de Stichting is slechts een instrument, waardoor de notaris de aan hem toevertrouwde gelden onder zijn berusting houdt. De notaris is immers (enig) bestuurder en kan krachtens de statuten over deze gelden beschikken en bovendien heeft de notaris aan de Stichting volmacht gegeven de gelden te ontvangen. d. het antwoord op de vraag of de vordering tot uitbetaling van de koopsom rustte op de notaris of op de Stichting dient aan de hand van de Haviltex formule te

72


worden beantwoord. Het oordeel van de drie instanties was redelijk gelijk en komt thans aan de orde. 3. De juridische meriten van de uitspraak van de Hoge Raad Op de meeste van deze stellingen luidde de uitspraak aldus: Ad a en b De Stichting is in het leven geroepen om te voorkomen, dat de aan de notaris toevertrouwde derdengelden zich met zijn eigen vermogen zouden vermengen. Aangezien partijen — zoals het Hof is casu had vastgesteld — bedoelden dat de betalingen via de Stichting zouden lopen, gold als gevolg daarvan de desbetreffende aanspraak van de verkoper op uitbetaling jegens de Stichting en niet jegens de notaris, ook al rust op de notaris als zodanig een zorgplicht ten aanzien van de nakoming door partijen van hun verplichting tot levering c.q. betaling. ad c De notaris heeft wel een volmacht aan de Stichting gegeven om betalingen in ontvangst te nemen en te doen, maar de conclusie dat deze betalingen en ontvangsten namens de notaris geschieden is inzoverre een onjuiste, in aanmerking genomen, het hierboven sub ‘ad a en b’ eerste zin genoemde doel van de Stichting. ad d Op deze stelling gaat de Hoge Raad niet expliciet in. De A-G wijst in onderdeel 10 van haar veel wetenswaardigs omvattende conclusie dat het volgens vaste jurisprudentie uitgangspunt is, dat het de rechter niet vrijstaat af te wijken van een door partijen aan hun overeenkomst gegeven eensluidende uitleg. Daarover het volgende. Het gaat hier om een derde (de beslaglegger) die zich baseert op een door twee (andere) partijen gecreëerde rechtsverhouding en het is zeer de vraag in hoeverre deze derde dan op een zekere schijnbescherming aanspraak mag maken. Daarvoor is m.i. art. 3:36 BW geschreven en het lijkt niet erg voor de hand liggend aan te nemen, dat de beslaglegger redelijkerwijs aan de door verkoper en koper ten opzichte van de notaris geschapen rechtsbetrekking het vertrouwen mocht ontlenen dat de kopsom onder de notaris (en niet onder diens Stichting Derdengelden) zou gaan berusten. De conclusie is dat deze vergissing t.a.v. het antwoord op de vraag onder wie derdenbeslag gelegd had moeten worden om te kleven, aan de beslaglegger is toe te rekenen. De oplossing voor de praktijk in dit soort situaties ligt voor de hand. Als een beslaglegger op een depot beslag wil leggen dan moet hij dit doen onder de betreffende advocaat of accountant en onder diens Stichting Derdengelden. Zoals gezegd lost art. 25 lid 5 NW dit thans t.a.v. de notaris wettelijk op voor beslag op zijn kwaliteitsrekening bedoeld in artikel 25 NW. 4. De Stichting Derdengelden in het algemeen In hoeverre kan door een Stichting Derdengelden worden heengekeken? Wat de beslaglegger betreft dus niet, mede omdat blijkens de doelstelling en de

73


statuten van de Stichting de strekking is dat het eigen vermogen van de insteller en het vermogen van de Stichting van elkaar afgescheiden moeten blijven. Dit ter bescherming van diegenen die gelden in depot geven. De Stichting kan (en moet om effectief te zijn) zodanige statutaire regelingen kennen dat in principe de Stichting niet meer schulden kan aangaan dan in totaal aan stortingen binnenkomen. Als dit goed is uitgewerkt en gepubliceerd, dan is bij een dergelijke doelbeperking faillissement van de Stichting nagenoeg uitgesloten. De insteller (thans dus nog bijv. een advocaat of accountant) kan uiteraard wel failliet gaan en daarvoor juist dient de deponering van derdengelden op de rekening van de Stichting plaats te hebben. Op grond van ons rechtspersoonlijkheidsbeginsel blijft het vermogen van een stichting in beginsel onvermengd met het vermogen van de insteller, ook al is deze de enige bestuurder. Om dat aan te nemen is een beroep op achtergronden als het arrest Slis-Stroom (Hese-Broos) (HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752) en op de beroepsmatige achtergrond van een dergelijke Stichting strikt genomen niet nodig. Iets anders is het wellicht in de verhouding tegenover crediteuren van de insteller en wel als volgt. Het brengen van eigen vermogen in een Stichting met het doel het uit handen van de prive-crediteuren van de insteller te houden lijkt minder gewenst; dit geldt dus ook voor de positie van een beslaglegger. In dat kader is het wellicht wenselijk grenzen te stellen, maar daarvoor lijkt de Actio Pauliana de aangewezen weg. Gaat het echter blijkens de statuten van de Stichting om depot-gelden van derden, dan lijkt het enkele deponeren bij de Stichting Derdengelden door de enkele vermogensafzondering via de Stichting gerechtvaardigd. Dit laatste zou er ook voor pleiten om deze figuur ook maatschappelijk aanvaardbaar te achten voor andere depot-houders dan — zoals in het verleden — notarissen; zie onderdeel 1 hierboven. Tenslotte nog dit. De rechten van de depotgever(s) op de gedeponeerde gelden vallen in zijn vermogen en dus ook (al of niet voorwaardelijk) in zijn/hun faillissement; zie daarover HR 12 januari, NJ 2002, 371 (HJS). WMK

Voetnoten Voetnoten [1]

Zie ook JOR 2003/25 (m.nt. mr. A. Steneker); NJB 2002, p. 2202; AA 2003, p. 449 (prof. mr. A.I.M. van Mierlo); red.

74


JBPR 2007/10 Gerechtshof Arnhem, 11-07-2006, 2006/00034 KG Betaling in strijd met maritaal beslag Aflevering

2007 afl. 1

College

Gerechtshof Arnhem

Datum

11 juli 2006

Rolnummer 2006/00034 KG

Rechter(s)

Mr. Smeeïng-van Hees Mr. Van der Kwaak Mr. Van der Pol

Partijen

De naamloze vennootschap ABN AMRO Bank NV te Amsterdam, appellante, procureur: mr. K. van der Meulen, tegen Ingrid Christina Maria Hoogedoorn te Almere, geïntimeerde, procureur: mr. F.J. Boom.

Noot

mr. E. Loesberg

Trefwoorden Betaling in strijd met maritaal beslag BW Boek 1 - 102 Regelgeving BW Boek 6 - 33 Rv - 475h ; 770 » Samenvatting De bank heeft in strijd met het door de vrouw ten laste van de man onder de bank gelegde maritaal beslag het saldo van zijn bankrekening aan de man uitbetaald. De bank betaalt het bedrag dat ten onrechte aan de man is uitbetaald, nogmaals aan de vrouw. Omdat de vordering van de man op de bank niet aan de vrouw is toebedeeld, kon de vrouw de bank niet nopen het aan de man betaalde bedrag nogmaals aan haar te betalen. Omdat de bank de vrouw onverschuldigd heeft betaald, heeft de bank niet krachtens art. 6:33 BW een vordering op de man. beslissing/besluit » Uitspraak 1, Het geding in eerste aanleg (...; red.) 2. Het geding in hoger beroep (...; red.)

75


3. De vaststaande feiten 3.1. Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.7 genoemde feiten, gaat ook het hof van die feiten uit. 3.2. Die feiten komen op het volgende neer. Hoogedoorn is op 31 mei 1990 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met M.J. Mol (verder: ‘‘Mol’’), welk huwelijk is geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 13 oktober 2004. Op of omstreeks 17 november 2003 heeft Hoogedoorn maritaal beslag ten laste van Mol doen leggen onder de Bank. Nadien, te weten op 20 november 2003, heeft de Bank het door het beslag getroffen saldo van diens rekening-courant (€ 22.585,99) aan Mol uitbetaald. Op 30 november 2004 heeft Hoogedoorn voor een vordering van in totaal € 26.561,26 uit hoofde van krachtens beschikking voorlopige voorzieningen van 21 november 2003 en vonnis in kort geding van 21 juli 2004 verschuldigd geworden bedragen, alsmede verbeurde dwangsommen, ten laste van Mol een executoriaal verhaalsbeslag doen leggen onder de Bank, waarna de Bank in december 2004 ter uitvoering van dit beslag een bedrag ter hoogte van het (oorspronkelijke) tegoed van Mol minus kosten (per saldo een bedrag van € 21.943,27) aan Hoogedoorn heeft betaald. Op of omstreeks 18 juli 2005 heeft de Bank tot verhaal van een vordering op Mol van € 22.585,99 conservatoir beslag doen leggen op de (nog onverdeelde) voormalige echtelijke woning (verder: ‘‘de woning’’) van Hoogedoorn en Mol. 4. De beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1. In het onderhavige geschil gaat het om de vraag of grond bestaat tot opheffing van het conservatoire verhaalsbeslag dat de Bank op of omstreeks 18 juli 2005 heeft doen leggen op de woning en voorts of grond bestaat de Bank te verbieden opnieuw beslag te leggen op de woning dan wel op het aandeel van Mol of Hoogedoorn in de woning. 4.2. Het hof begrijpt het betoog van de Bank aldus dat zij als meest ver strekkende grief naar voren brengt dat zij niet gehouden was Hoogedoorn na, en ter uitvoering van, het (op 30 november 2004) door Hoogedoorn gelegde executoriaal verhaalsbeslag (opnieuw) te betalen hetgeen zij in weerwil van het eerder (op 17 november 2003) door Hoogedoorn gelegde maritaal beslag op 20 november 2003 aan Mol had betaald, zulks onder meer niet omdat – zoals zij zelf stelt – een maritaal beslag ‘‘strekt tot het bijeen houden van de gemeenschap (tot het moment dat deze kan worden verdeeld) maar zeker niet tot verhaal. De norm dat niet in weerwil van het maritale beslag mocht worden betaald strekt(e) dan ook zeker niet tot bescherming van de (toekomstige) verhaalspositie van Hoogedoorn’’ (memorie van grieven onder 7 en met name 10). 4.3. Dit betoog van de Bank stelt de vraag aan de orde of een crediteur die verhaalsbeslag legt, zich ter uitvoering van dat beslag mag beroepen op de rechtsgevolgen die een eerder door hem gelegd maritaal beslag heeft ten aanzien van handelingen (van debiteur- en/of derde-beslagene) met betrekking tot het beslagene die vóór het leggen van het verhaalsbeslag hebben plaatsgevonden. 4.4. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Hoewel op grond van artikel 770 Rv onder meer artikel 475h lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing is op het maritaal beslag, brengen de uiteenlopende aard en strekking van het maritaal beslag en het verhaalsbeslag – die hierin tot uitdrukking komen dat een maritaal beslag dat door een der echtgenoten tussen wie een algehele of beperkte wettelijke gemeenschap van goederen bestaat wordt gelegd op goederen behorende tot de gemeenschap om te

76


voorkomen dat de andere echtgenoot deze zal wegmaken en aan verdeling zal onttrekken, niet wordt gelegd om op het beslagene verhaal voor een geldvordering te zoeken maar tot behoud van de goederen tot de verdeling – mee dat een crediteur die een (later) verhaalsbeslag vervolgt zich er in beginsel niet op mag beroepen dat handelingen die vóór dat beslag zijn verricht met betrekking tot het beslagene in weerwil van een door hem eerder gelegd maritaal beslag, nietig jegens hem zijn, althans niet tegen hem kunnen worden ingeroepen. In een dergelijk geval zal degeen die eerder maritaal beslag heeft gelegd, zich in beginsel slechts op de rechtsgevolgen van dat beslag kunnen beroepen indien en voorzover hij (uitsluitend of mede) zijn rechten als medegerechtigde tot het betrokken goed vervolgt – hetgeen met name het geval zal zijn indien het goed, ten aanzien waarvan de gewraakte handeling heeft plaatsgevonden, hem bij gelegenheid van de verdeling van de gemeenschap is toebedeeld –, niet indien hij uitsluitend uit andere hoofde, bijvoorbeeld als verhaalscrediteur, daarbij belang heeft. 4.5. Nu Hoogedoorn niet heeft gesteld dat de vordering die op of omstreeks 17 november 2003 bestond jegens de Bank en door het maritaal beslag is getroffen in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan haar is toebedeeld en zij evenmin heeft gesteld dat zij zich (mede) daarom op de rechtsgevolgen van het maritaal beslag beroept, volgt uit het voorgaande dat haar ter vervolging van (uitsluitend) haar verhaalsbeslag geen beroep op de gevolgen van haar maritaal beslag toekwam. 4.6. Het voorgaande impliceert dat de op 20 november 2003 door de Bank aan Mol gedane betaling, die de betrokken vordering teniet heeft doen gaan, ook jegens Hoogedoorn geldig is geweest – voor zover deze althans, zoals in het onderhavige geschil, uitsluitend een beroep doet op haar rechten uit het verhaalsbeslag – en dat de Bank derhalve in verband met de aan Mol gedane betaling door Hoogedoorn (in december 2004) niet kon worden ‘‘genoodzaakt opnieuw te betalen’’ en dus (ten tijde van de (tweede) betaling aan Hoogedoorn in december 2004) geen vordering op Mol heeft verkregen krachtens artikel 6:33 BW maar aan Hoogedoorn onverschuldigd heeft betaald in de zin van artikel 6:203 lid 1 BW. 4.7. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat het de Bank, die immers geen vordering had verkregen op Mol, niet vrijstond beslag te leggen ten laste van Mol. 4.8. Met betrekking tot de vraag of naast Mol – jegens wie de Bank onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van hem beslag te leggen – ook Hoogedoorn, die in het onderhavige geding immers opheffing vordert, belang heeft bij opheffing van dit beslag van de Bank, overweegt het hof dat dit het geval is, omdat zij (mede) belang heeft bij levering van de inmiddels verkochte woning (vgl. memorie van antwoord onder 5), hetgeen, door dit beslag te handhaven, weliswaar niet (geheel) onmogelijk wordt gemaakt maar, naar voorshands mag worden aangenomen, zeker wordt bemoeilijkt. 4.9. Voor zover de Bank zich beklaagt over het in het bestreden vonnis uitgesproken verbod om opnieuw beslag te leggen op de woning dan wel op het aandeel van Mol of Hoogedoorn in de woning, kan het hof de Bank hierin volgen. Nu de Bank krachtens artikel 6:203 lid 1 BW een verhaalsrecht heeft jegens Hoogedoorn staat het haar ingevolge artikel 3:276 BW vrij zich te verhalen op de goederen van Hoogedoorn, waaronder haar aandeel in de woning. Dat dit wellicht betekent dat Hoogedoorn minder verhaal vindt voor haar vordering op Mol, is uitvloeisel van de in de artikelen 3:276 en 3.277 lid 1 BW vervatte uitgangspunten en impliceert niet dat verhaalsuitoefening door de Bank op het aandeel van Hoogedoorn in de woning onrechtmatig handelen van de

77


Bank jegens haar oplevert. Bovendien miskent Hoogedoorn met haar betoog in dit verband dat de Bank in december 2004 reeds een bedrag ter hoogte van ongeveer het (oorspronkelijke) tegoed van Mol aan Hoogedoorn (onverschuldigd) heeft betaald. 4.10. Als de Bank (opnieuw) beslag zou leggen op de woning of op het aandeel van Mol in de woning zou zij daarentegen wel onrechtmatig handelen, omdat in dat geval beslag zou worden gelegd op een goed dat niet (enkel) aan Hoogedoorn toebehoort. Het hof ziet echter geen aanleiding aan de Bank op dit punt een verbod op te leggen, omdat banken zich in de regel stipt aan rechterlijke uitspraken plegen te houden en daarom te dezer zake geen sprake is – zoals wel vereist is voor een dergelijk verbod – van dreigend onrechtmatig handelen. 4.11. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats, zodat het door de Bank gedane bewijsaanbod reeds op die grond wordt gepasseerd. 5. De slotsom Het hoger beroep slaagt ten dele, zodat het bestreden vonnis ten dele zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd. Nu beide partijen ten dele in het ongelijk zullen worden gesteld, ziet het hof aanleiding de kosten te compenseren als hierna bepaald. 6. De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding: 6.1 vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2005, voor zover daarbij aan de Bank een verbod is opgelegd als in het dictum onder II gedaan, en bekrachtigt dit vonnis voor het overige; 6.2 compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt; 6.3 wijst het meer of anders gevorderde af. » Noot 1. Hoogedoorn legt ten laste van haar ex-man Mol maritaal beslag onder de bank. Ondanks het maritaal beslag betaalt de bank het saldo van € 22.585,99 op zijn rekening aan Mol. Op grond van een beschikking voorlopige voorzieningen en een kortgedingvonnis legt Hoogedoorn voor een vordering van € 26.561,26 op Mol vervolgens ten laste van Mol executoriaal beslag onder de bank. Daarna betaalt de bank – na ontbinding van het huwelijk van Hoogedoorn en Mol – het bedrag van € 21.943,27 (het verschil tussen het bedrag van € 22.585,99 dat destijds door het maritaal beslag was getroffen en het bedrag aan kosten dat door de bank in rekening is gebracht) aan Hoogedoorn. 2. De bank heeft het bedrag van € 22.585,99 eerst aan Mol en vervolgens (verminderd met kosten) aan Hoogedoorn betaald. Dat is één keer teveel en de bank wenst het teveel betaalde van Mol terug te ontvangen. De bank legt voor een door haar gepretendeerde vordering van € 22.585,99 op Mol conservatoir beslag op de voormalige echtelijke woning van Hoogedoorn en Mol. Naar aanleiding van een vordering van Hoogedoorn heft de voorzieningenrechter het beslag op. De bank gaat in appel.

78


3. Het hof beantwoordt allereerst de vraag of de bank op grond van art. 6:33 BW een vordering op Mol heeft. Art. 6:33 BW bepaalt onder andere dat de schuldenaar die in strijd met een beslag heeft betaald aan de schuldeiser en op grond daarvan nogmaals aan de beslaglegger moet betalen verhaal heeft op de schuldeiser. De relevante overwegingen zijn te vinden in r.o. 4.4 en 4.5. Het hof overweegt dat het maritaal beslag geen verhaalsbeslag is maar ertoe strekt om de goederen die deel uitmaken van de gemeenschap ten behoeve van de verdeling te behouden. Op grond van art. 770 Rv is weliswaar art. 475h lid 1 Rv – dat onder andere bepaalt dat een in weerwil van het beslag gedane betaling niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen – van overeenkomstige toepassing op het maritaal derdenbeslag maar dat betekent niet dat de beslaglegger een schuldenaar die in strijd met het maritaal beslag aan de schuldeiser heeft betaald, kan nopen nogmaals te betalen. Dat is slechts anders als de vordering op de schuldenaar aan de beslaglegger is toebedeeld. Omdat de vordering op de bank niet aan haar is toebedeeld, kan Hoogedoorn zich volgens het hof er niet op beroepen dat de bank in strijd met het beslag het bedrag van € 22.585,99 aan Mol heeft betaald. Zij kan de bank dan ook niet nopen dat bedrag aan haar te betalen. Omdat Hoogedoorn geen vordering op de bank heeft met betrekking tot het door de bank aan Mol betaalde bedrag heeft de bank Hoogedoorn onverschuldigd betaald en heeft de bank geen vordering op grond van art. 6:33 BW op Mol verkregen. Dit oordeel van het hof lijkt mij juist. 4. Ik vraag mij overigens af of het zoveel uitmaakt dat het gaat om een maritaal beslag en niet om een verhaalsbeslag. Gesteld dat A voor een vordering van 100 op B conservatoir beslag legt onder C. In strijd met het beslag voldoet C zijn schuld van 100 aan B. Kan A C vervolgens verplichten om 100 aan zijn deurwaarder te betalen? Zolang het beslag van A nog conservatoir is, moet C 100 onder zich houden. Hij hoeft het bedrag van 100 nog niet aan de deurwaarder van A af te dragen. Omdat C het bedrag van 100 nog niet aan de deurwaarder hoeft af te dragen, krijgt C na de betaling aan B ook nog geen (opeisbare) vordering van 100 op B. Een variant op de casus is dat C niet 100 maar 150 aan B verschuldigd is. Nadat A voor 100 beslag heeft gelegd ten laste van B onder C, betaalt C 150 aan B. Vervolgens krijgt A nog een vordering van 50 op B. Had C het bedrag van 150 niet aan B betaald, dan had A zich voor zijn beide vorderingen kunnen verhalen op de vordering van B op C van 150. Omdat het beslag van A alleen de vordering op B van 100 betrof, meen ik dat A C kan nopen – nadat zijn beslag executoriaal is geworden – 100 aan zijn deurwaarder te betalen. Hij kan C niet nopen om 150 aan zijn deurwaarder te betalen. De parallel met het maritaal beslag is dat Hoogedoorn de bank eerst tot betaling van € 22.585,99 had kunnen nopen nadat de vordering op de bank aan haar was toebedeeld, met andere woorden nadat het uit haar aard conservatoire maritaal beslag was overgegaan in de executoriale fase: de toebedeling van de vordering. 5. Omdat de bank geen vordering op Mol heeft, heeft de bank ten onrechte beslag gelegd. In r.o. 4.8 overweegt het hof dat ook Hoogedoorn opheffing van het beslag kan vorderen ‘‘(...) omdat zij (mede) belang heeft bij levering van de inmiddels verkochte woning (...) hetgeen, door dit beslag te handhaven, weliswaar niet (geheel) onmogelijk wordt gemaakt maar, naar voorshands mag worden aangenomen, zeker wordt bemoeilijkt’’. Ik neem aan dat het hof in deze rechtsoverweging erop doelt dat de notaris misschien niet zal willen meewerken aan transport van een onroerende zaak waarop een beslag rust. Omdat beslag niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid kan strikt genomen ondanks het beslag worden getransporteerd. Dat de vervreemding volgens art. 505 Rv

79


niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen betekent dat de beslaglegger zijn vordering op de beslagene kan verhalen op het vervreemde goed. 6. Zolang de voormalige echtelijke woning nog gemeenschappelijk eigendom is van Hoogedoorn en Mol, kan de bank haar vordering op Hoogedoorn op grond van onverschuldigde betaling verhalen op het aandeel van Hoogedoorn in de voormalige echtelijke woning. Vgl. Hoge Raad 30 maart 2001, NJ 2002, 380 (LISV/Grifhorst). In het geval dat de bank nog tijdens het huwelijk onverschuldigd aan Hoogedoorn had betaald, had zij ex art. 1:102 BW voor de helft van het onverschuldigd betaalde bedrag na de ontbinding van het huwelijk een vordering op Mol gehad en had zij wel beslag kunnen leggen op de voormalige echtelijke woning. Wetsvoorstel 28 867 (Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) beoogt overigens art. 1:102 BW te wijzigen. mr. E. Loesberg, vice-president van de Rechtbank ’s-Gravenhage

80


NJ 2009, 26 Instantie:

Hoge Raad (Civiele kamer)

Datum:

19 december 2008

Magistraten:

Mrs. J.B. Fleers, O. de Savornin Zaaknr: Lohman, A.M.J. van BuchemSpapens, A. Hammerstein, W.D.H. Asser

C07/137HR

Conclusie:

A-G Langemeijer

LJN:

BG1816

Noot:

-

Roepnaam:

-

Brondocumenten: ECLI:NL:HR:2008:BG1816, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 19-12-2008; ECLI:NL:PHR:2008:BG1816, Conclusie, Hoge Raad (AdvocaatGeneraal), 24-10-2008; Beroepschrift, Hoge Raad, 03-04-2007 Wetingang: Rv art. 437, 505; BW art. 3:166 Brondocument: HR, 19-12-2008, nr C07/137HR Essentie Invordering. Executoriaal beslag Ontvanger op aandeel deelgenoot in gemeenschap; specificatievereiste (HR 30 maart 2001, NJ 2002, 380 m.nt. HJS). Betekening beslag ex art. 505 Rv. Ook voor een executoriaal beslag als het onderhavige (beslag gelegd door de Ontvanger ter zake van belastingschulden op een tweetal onroerende zaken waarvan de belastingplichtige eigenaar is tezamen met zijn echtgenote) geldt hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2001, NJ 2002, 380 m.nt. HJS, heeft overwogen ten aanzien van het daar aan de orde zijnde conservatoir beslag, te weten dat het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap een vermogensrecht van een andere aard is dan de eigendom van de tot de gemeenschap behorende zaken, en dat uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Art. 505 Rv schrijft slechts betekening (van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming) aan de geëxecuteerde voor. Dit brengt niet mee dat, indien beslag is gelegd op het aandeel van de geëxecuteerde in een onroerende zaak, tevens betekening moet geschieden aan de medeëigena(a)r(en) daarvan. Samenvatting De Ontvanger heeft ter zake van belastingschulden van A beslag gelegd op onder meer een tweetal onroerende zaken waarvan A eigenaar is tezamen met zijn echtgenote B. Met betrekking tot dit beslag heeft het hof onder meer overwogen dat het evident is dat de Ontvanger slechts het aandeel van A in beslag kon en heeft genomen en dat het feit dat niet expliciet in het beslagexploot is vermeld dat A voor 1/2e deel eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, niet betekent dat het desbetreffende beslag per

81


ommegaande opgeheven, dan wel nietig verklaard dient te worden. Het hof overwoog voorts dat de strekking van de regeling van art. 505 Rv is bewerkstelliging van externe werking van het gelegde beslag en bescherming van de beslaglegger tegen rechtshandelingen van de beslagschuldenaar (A), en dat daarom niet valt in te zien waarom betekening ook aan B op straffe van nietigheid had behoren plaats te vinden. Tegen deze overwegingen richt zich het cassatiemiddel. Ook voor een executoriaal beslag als het onderhavige geldt hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2001, NJ 2002, 380, m.nt. HJS heeft overwogen ten aanzien van het daar aan de orde zijnde conservatoir beslag, te weten: '(...)Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. (...) Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van beslaglegging dient mede ertoe vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.' Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat art. 505 Rv slechts betekening (van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming) aan de geëxecuteerde voorschrijft en dat dit niet meebrengt dat, indien beslag is gelegd op het aandeel van de geëxecuteerde in een onroerende zaak, tevens betekening moet geschieden aan de medeëigena(a)r(en) daarvan. Partij(en) 1. A., 2. B., beiden te X., eisers tot cassatie, adv. mr. M. de Boorder, tegen de ontvanger van de belastingdienst Rijnmond, te Rotterdam, verweerder in cassatie, adv. mr. J.W.H. van Wijk. Bewerkte uitspraak Uitspraak Hof (tussenarrest): Beoordeling van het hoger beroep 1

Met de eerste zes grieven betogen A. c.s. dat de voorzieningenrechter (ten onrechte) een aantal (naar zij stellen: relevante) feiten niet onder de vaststelling van de feiten heeft opgenomen. Voor zoveel nodig zal het hof hierop in het navolgende terugkomen.

2

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

2.1 Op 26 juli 2004 heeft de Inspecteur van de Belastingdienst voorlopige aanslagen inkomstenbelasting opgelegd aan A. over de jaren 2002 (ter hoogte van € 617.000,00) en 2003 (ter hoogte van € 733.000,00), welke aanslagen direct

82


invorderbaar zijn verklaard. Eveneens op 26 juli 2004 heeft de Ontvanger twee dwangbevelen uitgevaardigd. A. heeft hiertegen op 27 juli 2004 bezwaar gemaakt. 2.2 Op 3 augustus 2004 heeft de Ontvanger beslag gelegd op een aantal onroerende zaken van A. c.s. 2.3 Bij brief van 3 september 2004 heeft de Ontvanger het verzoek tot uitstel van betaling van A. afgewezen. Hypotheekhouder Van der Hoop Effectenbank N.V. (verder: Van der Hoop) heeft de executie overgenomen. 2.4 Op 16 december 2005 heeft de (fiscale) voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht, hangende de bezwaren van A., de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting voor 2002 en 2003 geschorst tot zes weken na de uitspraak op bezwaar en daarbij aangegeven dat dit meebrengt dat invorderingsmaatregelen betreffende die aanslagen achterwege dienen te blijven. De fiscale voorzieningenrechter overwoog hierbij dat de Inspecteur van de Belastingdienst, tegenover de gemotiveerde betwisting door A., niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de oplegging van de voorlopige aanslagen en nadien in de bezwaarfase, in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de definitieve aanslagen vermoedelijk zullen worden vastgesteld op de bedragen waarop de voorlopige aanslagen zijn vastgesteld. 2.5 Op 9 december 2005 is de definitieve aanslag inkomstenbetasting 2002 opgelegd voor een hoger bedrag dan de voorlopige aanslag (€ 189.928,00 hoger). Tegen deze definitieve aanslag heeft A. een bezwaarschrift ingediend. Op 13 februari 2006 heeft de Ontvanger het in rechtsoverweging 2.1 vermelde bezwaar van A. van 27 juli 2004 afgewezen. De Belastingdienst overwoog daarbij onder meer dat, nu de definitieve aanslag over 2002 hoger uitvalt dan de voorlopige aanslag, voldaan is aan de marginale toetsing van de voorlopige aanslag, alsmede dat het, omdat door A. tevens een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag 2002 is ingediend, in verband met een goede procesorde wenselijk is dat de inhoudelijke procedure wordt ge[…] bij de behandeling van het bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag. 2.6 De definitieve aanslag over 2003 is op 1 maart 2006 opgelegd nadat […] februari 2006 in negatieve zin op het bezwaarschrift tegen de voorlopige […] over 2003 was beslist. 2.7 Blijkens een brief van 13 april 2006 van de Inspecteur van de Belasti[…] aan de belastingadviseur van A. is de Inspecteur voornemens […]nitieve aanslagen over 2002 en 2003 grotendeels te handhaven. 2.8 In eerste aanleg vorderden A. c.s. kort gezegd: — opheffing van alle door de Ontvanger in verband met de voorlopige 1) aanslagen gelegde beslagen; — een verbod aan de Ontvanger om invorderingsmaatregelen te treffen ter zake 2) van de voorlopige aanslagen dan wel ter zake van de opgelegde of nog op te

83


leggen definitieve aanslagen zolang deze niet onherroepelijk vaststaan; de Ontvanger te veroordelen na betekening van het vonnis Van der Hoop 3) schriftelijk te berichten dat de executoriale beslagen onjuist waren; —

— de Ontvanger te veroordelen af te zien van geheimhoudingsschendingen 4) jegens A. c.s., zowel richting Van der Hoop als richting andere derden; — de Ontvanger te veroordelen aan A. een voorschot te betalen op de schade in 5) verband met de veiling van de onroerende zaak van A. aan de a-straat 1 te X.; — de Ontvanger te veroordelen om, voor zover hij beoogt onroerend goed dat 6) in mede-eigendom aan B. toebehoort te beslaan, de wettelijke verplichting van artikel 505 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen. 2.9 De voorzieningenrechter wees de vorderingen van A. c.s. af en overwoog daartoe, kort gezegd en onder meer, dat, gelet op de terughoudendheid die de burgerlijke rechter dient te betrachten, voor opheffing van een door de Ontvanger gelegd beslag slechts aanleiding kan zijn indien de aan dat beslag ten grondslag liggende aanslag evident onterecht is en dat zulks zich in deze zaak niet voordoet. 3

De grieven strekken ertoe te bewerkstelligen dat de hiervoor in rechtsoverweging 2.8 onder 1), 2), 3) en 6) bedoelde vorderingen alsnog worden toegewezen.

4

Met de grieven VIII en IX, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, betogen A. c.s. dat de voorzieningenrechter ter ten onrechte miskend heeft dat de opgelegde aanslagen evident onjuist zijn en dat de Ontvanger geen beslag had mogen leggen, doch gewoon uitstel van betaling had behoren te verlenen. Daartoe voeren zij — zakelijk weergegeven en samengevat — aan, dat de voorzieningenrechter niet heeft ingezien dat: de burgerlijke rechter geen terughoudendheid behoeft te betrachten bij de 1) beoordeling van een gelegd beslag; —

— op grond van de uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter van 16 2) december 2005 (voor de burgerlijke rechter) vaststaat dat de aanslagen evident onjuist waren; nu er een verzoek tot uitstel van betaling was ingediend, de Ontvanger geen 3) invorderingsmaatregelen had mogen treffen; —

— op het onroerend goed te plaats C op 20 september 2004 geen beslag had 4) mogen worden gelegd omdat tevoren (op 14 september 2004) uitstel van betaling was verleend; — de Belastingdienst op het moment van opleggen van de voorlopige aanslagen 5) en op het moment van het leggen van de beslagen nog geen enkele

84


onderbouwing voor die aanslagen had; de Belastingdienst niet inhoudelijk beoordeeld heeft of de opgelegde 6) voorlopige aanslagen juist waren. —

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. 4.1 Het eerste bezwaar berust op een onjuiste lezing van het vonnis waarvan beroep. De voorzieningenrechter heeft niet geoordeeld dat de burgerlijke rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van (de rechtmatigheid van) een gelegd beslag, doch — met juistheid — dat de civiele rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van (de terechtheid van) fiscale aanslagen. Dit bezwaar baat A. c.s. derhalve niet. 4.2 Ook het tweede bezwaar biedt A. c.s. geen soulaas. Een belangrijke dragende overweging voor de beslissing van de fiscale voorzieningenrechter is het feit dat de Inspecteur voor de onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de gestelde inkomsten van A. uit het door de Inspecteur gestelde voeren van de feitelijke zeggenschap over A B.V. door A., zich vrijwel uitsluitend beriep op in het verweerschrift van de Inspecteur opgenomen citaten uit processen-verbaal van de FIOD van getuigenverklaringen, zonder overlegging van die processenverbaal. In het onderhavige kort geding zijn die processen-verbaal, die steun bieden aan de stellingen van de Ontvanger, wel in het geding. Voorts heeft de fiscale voorzieningenrechter de voorlopige aanslagen over 2002 en 2003 slechts geschorst tot zes weken na de uitspraak op bezwaar en daarbij overwogen dat hij voor een langere schorsing geen aanleiding ziet, omdat hij ervan uitgaat dat de Inspecteur ter onderbouwing van de voorlopige aanslagen met nadere gegevens zal komen. De Belastingdienst is daadwerkelijk met nadere onderbouwing van de aanslagen gekomen, zowel in de vorm van voormelde processen-verbaal alsook (bijvoorbeeld) in de brief van 13 februari 2006 van de Belastingdienst aan de belastingadviseur van A. (de uitspraak op bezwaar tegen de voorlopige aanslag van 2002). In tegenstelling tot hetgeen A. c.s. ingang willen doen vinden, kan aan die brief worden ontleend dat een inhoudelijke beoordeling van voormelde voorlopige aanslag door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Een en ander betekent dat aan de uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter in dit geding niet de conclusie kan worden ontleend dat de voorlopige aanslagen evident onjuist waren. 4.3 Het derde bezwaar gaat evenmin op, nu, ingeval een aanslag direct invorderbaar is verklaard, een verzoek om uitstel van betaling niet in de weg staat aan invorderingsmaatregelen, voor zover deze ertoe dienen om verhaal op de belastingplichtige te verzekeren. 4.4 Op het onroerend goed in plaats C is beslag gelegd in verband met een viertal aanslagen. Voor twee daarvan was inderdaad uitstel van betaling verleend zodat voor die aanslagen het beslag niet had mogen worden gelegd. Het beslag is echter ook gelegd voor de litigieuze aanslagen waarvoor geen uitstel van betaling is verleend. Derhalve wordt ook dit bezwaar verworpen. 4.5 Ook het vijfde bezwaar leidt niet tot het door A. c.s. gewenste resultaat. Gelet op

85


hetgeen hiervoor met betrekking tot het tweede bezwaar is overwogen alsook gezien de inhoud van de (in dit geding onvoldoende gemotiveerd weersproken) brief van 2 juni 2005 van de Inspecteur aan Fiskas Adviseurs (productie 3 in eerste aanleg aan de zijde van de Rijksadvocaat), kan niet geconcludeerd worden dat voldoende aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslagen en op het moment van het leggen van de litigieuze beslagen nog geen enkele onderbouwing had, laat staan dat zulks zou vaststaan, zoals A. c.s. betogen. 4.6 Het zesde bezwaar deelt het lot van de overige met de grieven VIII en IX opgeworpen bezwaren. Het hof verwijst naar hetgeen met betrekking tot het tweede en vijfde bezwaar is overwogen. 4.7 Het voorgaande impliceert dat de grieven VIII en IX stranden. A. c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de litigieuze aanslagen evident onjuist waren. Hetgeen A. c.s. overigens nog hebben doen zeggen, leidt niet tot een ander oordeel. 5

Grief XI strekt ten betoge dat het beslag op de panden waarvan B. medeeigenares is, geen doel treft omdat de Ontvanger slechts beslag had mogen leggen op het aandeel van A., aldus A. c.s. Ook deze grief is vergeefs voorgesteld. Het is evident dat de Ontvanger in casu slechts het aandeel van A. in beslag kon nemen en in beslag heeft genomen Dat niet expliciet in het beslagexploot is vermeld dat A. voor 1/2e deel eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, betekent niet dat, zoals A. c.s. stellen, het desbetreffende beslag per ommegaande opgeheven, dan wel nietig verklaard dient te worden.

6

Met grief XII stellen A. c.s. zich op het standpunt dat de Ontvanger in strijd handelt met het bepaalde in de laatste volzin van artikel 25, paragraaf 2, lid 3 (oud), van de Leidraad Invordering, luidende: ‘Zolang nog geen uitspraak is gedaan op het ingediende bezwaarschrift kunnen ten aanzien van het bestreden bedrag onherroepelijke invorderingsmaatregelen alleen plaatsvinden na voorafgaande toestemming van het Ministerie.’ Dit standpunt is onjuist, reeds omdat de Ontvanger geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen heeft getroffen. Het hof merkt in dit verband op dat executie door een hypotheekhoudster niet betekent, zoals A. c.s. ingang willen doen vinden, dat de Belastingdienst executeert. Ook deze grief mist doel.

7

Grief XIII behelst een herhaling van het in rechtsoverweging 4 genoemde vierde bezwaar en is derhalve vergeefs voorgedragen.

8

Bij een bespreking van grief XIV hebben A. c.s. geen belang nu zij met deze grief opkomen tegen een overweging van de voorzieningenrechter betreffende de afwijzing van de vordering tot toewijzing van een voorschot op geleden schade, terwijl zij deze vordering niet handhaven.

9

Grief XV strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte, want in strijd met het bepaalde in artikel 505 Rv, geoordeeld heeft dat de niet-tijdige betekening aan B. (van afschriften) van het proces-verbaal van inbeslagneming van de twee onroerende zaken waarvan zij mede-eigenares is, geen nietigheid van de beslagen op die onroerende zaken tot gevolg heeft. Hieromtrent wordt als

86


volgt overwogen. 9.1 De grief faalt. Zoals in rechtsoverweging 5 reeds is overwogen, heeft de Belastingdienst, nu in casu slechts A. (en niet B.) de belastingschuldige is, slechts het aandeel van A. (en niet het aandeel van B.) in de eigendom van de litigieuze twee panden in beslag kunnen nemen (en genomen). Nu voorts de strekking van de regeling van artikel 505 Rv is bewerkstelliging van externe werking van het gelegde beslag en bescherming van de beslaglegger tegen rechtshandelingen van de beslagschuldenaar (A.), valt niet in te zien waarom betekening ook aan B., wier aandeel in de eigendom niet in beslag is genomen en (derhalve) door executie (zonder haar medewerking) niet aan haar kan worden ontnomen, op straffe van nietigheid ook had behoren plaats te vinden. 10 Voor een verantwoorde beoordeling van de grieven VII en X behoeft het hof nadere inlichtingen van partijen. Daartoe zal een comparitie van partijen worden gelast, ter gelegenheid waarvan onder meer aan de orde worden gesteld de actuele stand van zaken en het gegeven dat de Inspecteur (na de behandeling ter zitting van de fiscale voorzieningenrechter, maar) vóór de schorsing een definitieve aanslag voor 2002 heeft opgelegd. Uitspraak Naar boven Hof (eindarrest): Verdere beoordeling van het hoger beroep 1

Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen in het tussenarrest van 19 oktober 2006 is overwogen. Zulks betekent dat nog slechts de grieven VII, X en XVI bespreking behoeven.

2

Grief VII strekt blijkens de daarop gegeven toelichting ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte over het hoofd heeft gezien dat op grond van artikel 25, paragraaf 1, lid 4 van de Leidraad Invordering het feit dat door A. een verzoek om uitstel van betaling is gedaan, tot gevolg heeft dat de Ontvanger gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling geen invorderingsmaatregelen had mogen treffen.

2.1 De grief baat A. c.s. niet. De Ontvanger stelt zich terecht op het standpunt dat hij op grond van artikel 25, paragraaf 1, lid 4, laatste volzin van de Leidraad Invordering — luidende: ‘Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen’ — de bevoegdheid had invorderingsmaatregelen te treffen. Het hof acht op grond van het feit dat A. zich kort voor de versnelde invordering uit het Nederlandse bevolkingsregister heeft laten uitschrijven alsmede gelet op de omstandigheid dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat meerdere bedrijven waarbij A. (direct of indirect) als bestuurder is betrokken, failliet zijn gegaan en belastingschulden onbetaald laten, voldoende aannemelijk dat de Ontvanger (gegronde) vrees had voor de onverhaalbaarheid van zijn vorderingen, waarmee de mogelijkheid van schade

87


aan de belangen van de Staat gegeven is. Dat de Ontvanger zijn bevoegdheid in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur of anderszins onrechtmatig heeft uitgeoefend, is niet aannemelijk geworden. 3

Met grief X betogen A. c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat aan belangenafweging niet tot het oordeel leidt dat er aanleiding is voor opheffing van de beslagen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.1 Voor zover A. c.s. ter toelichting op deze grief feiten of omstandigheden aanvoeren die zij reeds ter toelichting op de eerste negen grieven hebben aangevoerd, laat het hof die verder onbesproken, nu die feiten en omstandigheden A. c.s., blijkens het reeds in het tussenarrest van 19 oktober 2006 overwogene, niet baten. Voorts heeft te gelden dat een executie door de hypotheekhoudster niet betekent, zoals A. c.s. ingang willen doen vinden, dat de Belastingdienst executeert. A. c.s. voeren eveneens nog aan dat een beslag voor een geschorste aanslag niet gehandhaafd mag worden. Aan A. c.s. kan weliswaar worden toegegeven dat een geschorste aanslag tijdelijk niet invorderbaar is, doch gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur reeds (na de behandeling ter zitting van de fiscale voorzieningenrechter maar) vóór de schorsing een definitieve aanslag voor 2002 voor een bedrag van ruim € 800.000,00 had opgelegd, verenigt het hof zich met de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging. Hierbij is in aanmerking genomen dat, blijkens het verhandelde ter comparitie van partijen, de Ontvanger met betrekking tot de definitieve aanslag voor 2002 de mogelijkheid van toepassing van versnelde invordering destijds onder ogen heeft gezien. Hetgeen A. c.s. overigens nog hebben aangevoerd, waaronder de omstandigheid dat B. niet de belastingplichtige is maar wel mede-eigenares van twee van de litigieuze beslagen panden, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De grief faalt. 4

Grief XVI heeft ten opzichte van de overige grieven geen zelfstandige betekenis en deelt derhalve het lot daarvan.

5

De slotsom is dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van A. c.s..

Uitspraak Naar boven Cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof heeft overwogen en beslist in de te dezen bestreden arresten van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 19 oktober 2006 en 8 februari 2007, gewezen onder rolnummer 06/482 KG, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende — zonodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen: Klachten Klacht I

88


1

Rechtens onjuist (o.a. strijd met art. 505 Rv), althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk r.o. 5 van het arrest van 19 oktober 2006, waarin het Hof oordeelt: ‘Grief XI strekt ten betoge dat het beslag op de panden waarvan B. medeeigenares is, geen doel treft omdat de Ontvanger slechts beslag had mogen leggen op het aandeel van A., aldus A. c.s. Ook deze grief is vergeefs voorgesteld. Het is evident dat de Ontvanger in casu slechts het aandeel van A. in beslag kon nemen en in beslag heeft genomen. Dat niet expliciet in het beslagexploit is vermeld at A. voor 1/2e deel eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, betekent niet dat, zoals A. c.s. stellen, het desbetreffende beslag per ommegaande opgeheven, dan wel nietig verklaard dient te worden.’ Om navolgende redenen:

1.1 Van een tweetal panden is vast komen te staan dat mevrouw B. medeeigenares was. Het betreft S. te X. en R. te X.. Terecht constateert het Hof in r.o. 5 van het arrest van 19 oktober 2006 dat de Ontvanger in casu slechts het aandeel van A. in deze twee onroerende zaken in beslag kon nemen en niet het volledige onroerend goed. 1.2 Wat echter niet klopt, is dat de Ontvanger in casu slechts het aandeel van A. in beslag heeft genomen, hetgeen het Hof ook in r.o. 5 heeft opgenomen. Het relevante beslagexploit is in het geding gebracht als produktie 6 in eerste aanleg door requiranten. 1.3 Uit het desbetreffende proces-verbaal van executoriale beslag op onroerende zaken valt het volgende te citeren: ‘Het beslag is door mij, belastingdeurwaarder, gelegd op de volgende onroerende zaken: —

huis, garage, tuin en terras gelegen in de Gemeente X, plaatselijk bekend S., grootte 2 are en 24 centiare.

—

boerderij en weiland gelegen in de Gemeente X., plaatselijk bekend R., grootte 82 are en 70 centiare.’

1.4 Voorts bevinden zich tussen de stukken in eerste aanleg ook uittreksels uit het kadaster waaruit blijkt dat een en ander is ingeschreven als een beslag op een volledig onroerend goed en niet op een aandeel in het onroerend goed in het kadaster. Zie eveneens produktie 6 bij de stukken in eerste aanleg. 1.5 Daarnaast heeft overbetekening van het desbetreffende beslag plaatsgevonden aan de hypotheekverstrekker als ware er sprake van een beslag op een geheel onroerend goed en niet als ware er sprake van een beslag op een aandeel in een onroerend goed. Alleen in de eerste situatie mag de hypotheekhouder uiteraard de executie overnemen; in de tweede

89


situatie mag dat niet. 1.6 Het verschil tussen een beslag op een onroerende zaak als geheel en een beslag op een aandeel in een onroerende zaak heeft dan ook groot juridisch belang. 1.7 Zonder nadere toelichting, die volledig ontbreekt, is dan ook volstrekt onbegrijpelijk waarom het Hof oordeelt dat ‘het evident is dat de Ontvanger slechts het aandeel van A. in het onroerend goed in beslag heeft genomen’. Hoe het Hof tot deze conclusie komt blijft in nevelen gehuld. 1.8 Dit alles heeft het Hof hetzij miskend, hetzij geeft het geen inzicht in zijn gedachtegang hieromtrent en aldus is het arrest onvoldoende gemotiveerd c.q. onbegrijpelijk. Klacht II 2

Rechtens onjuist (o.a. in strijd met art. 509 Rv), althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk r.o. 6 van het arrest van 19 oktober 2006, waarin het Hof overweegt als volgt: ‘Met grief XII stellen A. c.s. zich op het standpunt dat de Ontvanger in strijd handelt met het bepaalde in de laatste volzin van artikel 25, paragraaf 2, lid 3 (oud), van de Leidraad Invordering, luidende: ‘Zolang nog geen uitspraak is gedaan op het ingediende bezwaarschrift kunnen ten aanzien van het bestreden bedrag onherroepelijke invorderingsmaatregelen alleen plaatsvinden na voorafgaande toestemming van het Ministerie.’ Dit standpunt is onjuist, reeds omdat de Ontvanger geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen heeft getroffen. Het Hof merkt in dit verband op dat executie door een hypotheekhoudster niet betekent, zoals A. c.s. ingang willen doen vinden, dat de Belastingdienst executeert. Ook deze grief mist doel.’ Om navolgende redenen:

2.1 Via het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel hebben de heer A. en mevrouw B. zich beroepen op een bepaling uit de Leidraad Invordering. Volgens vaste rechtspraak is de Leidraad Invordering recht in de zin van art. 79 Ro. (zie o.a. HR 28 maart 1990, BNB. 1990/194). 2.2 Bij de beoordeling van de in r.o. 6 door het Hof geciteerde passage is het Hof tot de conclusie gekomen dat een executoriaal beslag op onroerend goed, waarvan de hypotheekhouder verwittigd wordt en waarvan aan de hypotheekhouder derhalve verzocht wordt om aan te geven of de executie zal worden overgenomen, een ‘onherroepelijke invorderingsmaatregel’ oplevert of niet. 2.3 Op dit punt willen de heer A. en mevrouw B. graag een standpunt van de Hoge Raad.

90


2.4 Zij menen dat door de regeling terzake de overname van de hypotheekexecutie door de hypotheekhouder, een executoriaal beslag op onroerende goed afwijkt van een executoriaal beslag op een roerende zaak. 2.5 Bij roerende zaken kan de beslaglegger, beslag leggen en daarna verder geen actie meer ondernemen. De vraag is dan of er sprake is van een ‘ onherroepelijke invorderingsmaatregel’. Bij onroerende zaken ontstaat een kettingreactie zodra executoriaal beslag wordt gelegd. Die kettingreactie is ‘onherroepelijk’. Immers, vervolgens wordt de hypotheekhouder, die veelal ook de geldschieter zal zijn, verwittigd en de hypotheekhouder zal dan moeten bepalen of de executie wordt overgenomen ex art. 509 Rv. De gebeurtenissen die daarna volgen heeft de Ontvanger niet meer in de hand en ook de geëxecuteerde niet. Voor de Ontvanger is het vervolg dus niet meer ‘herroepelijk’ en voor de geëxecuteerde al evenmin. Daarbij is de gangbare situatie dat de Ontvanger niet door zelf een executoriale veiling te houden opbrengst genereert naar aanleiding van een beslag op onroerend goed, doch dat de opbrengst gegenereerd wordt doordat de hypotheekhouder de executoriale veiling ter hand neemt op de voet van art. 509 Rv. 2.6 Dit. alles heeft het Hof hetzij miskend, hetzij geeft het geen inzicht in zijn gedachtegang hieromtrent en is het arrest aldus onvoldoende gemotiveerd c.q. onbegrijpelijk. Volgens requiranten is het arrest op dit punt ook in strijd met art. 509 Rv, de regeling voor de overname van de executie door de hypotheekhouder, alsmede in strijd met art. 25, § 2, lid 3, van de Leidraad Invordering. Klacht III 3

Rechtens onjuist (o.a. strijd met art. 505 Rv), althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk de rechtsoverwegingen 8, 9 en 9.1 van het arrest van 19 oktober 2006, waarin het Hof oordeelt als volgt: ‘8 Bij een bespreking van grief XIV hebben A. c.s. geen belang nu zij met deze grief opkomen tegen een overweging van de voorzieningenrechter betreffende de afwijzing van de vordering tot toewijzing van een voorschot op geleden schade, terwijl zij deze vordering niet handhaven. 9

Grief XV strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte, want in strijd met het bepaalde in artikel 505 Rv, geoordeeld heeft dat de niet-tijdige bestekening aan B. (van afschriften) van het procesverbaal van inbeslagneming van de twee beslagen op die onroerende zaken tot gevolg heeft. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

9.1 De grief faalt. Zoals in rechtsoverweging 5 reeds is overwogen, heeft de Belastingdienst, nu in casu slechts A. (en niet B.) de belastingschuldige is, slechts het aandeel van A. (en niet het aandeel van B.) in de eigendom van de litigieuze twee panden in beslag kunnen

91


nemen (en genomen). Nu voorts de strekking van de regeling van artikel 505 Rv is bewerkstelliging van externe werking van het gelegde beslag en bescherming van de beslaglegger tegen rechtshandelingen van de beslagschuldenaar (A.), valt niet in te zien waarom betekening ook aan B., wier aandeel in de eigendom niet in beslag is genomen en (derhalve) door executie (zonder haar medewerking) niet aan haar kan worden ontnomen, op straffe van nietigheid ook had behoren plaats te vinden.’ Om navolgende redenen: 3.1 Voor een eerste motivering van de klachten tegen deze rechtsoverweging zij verwezen naar hetgeen is opgemerkt naar aanleiding van r.o. 5 in hetzelfde arrest in klacht I. Terecht constateert het Hof wederom dat de Ontvanger slechts het aandeel van de heer A. in de desbetreffende twee panden in beslag had kunnen nemen. Ten onrechte vervolgt het Hof door te constateren dat louter dat aandeel in beslag is genomen. 3.2 Voorts gaat r.o. 9.1 uit van een onjuiste lezing van art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van dat wetsartikel is in geval van beslag op mede-eigendom de Ontvanger verplicht om het beslag over te betekenen aan de mede-eigenaar, zodat deze medeeigenaar op de hoogte geraakt van het beslag. Ook dient een overbetekening aan een hypotheekhouder dan overbetekend te worden aan deze mede-eigenaar. 3.3 Bovendien wordt in r.o. 9.1 de strekking van art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onvolledig weergegeven. In de desbetreffende rechtsoverweging is door het Hof weergegeven de strekking van art. 505, lid 1, eerste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Er is echter ook een tweede volzin van art. 505, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die volzin luidt als volgt: ‘Een afschrift van het proces-verbaal zal op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan 3 dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde worden betekend.’ 3.4 De strekking van deze volzin, waarin de straffe van nietigheid al uitdrukkelijk in de wet is opgenomen, heeft het Hof volledig miskend. Aldus komt het oordeel van het Hof op dit punt ook in strijd met het recht, in het bijzonder art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 3.5 Uit aantekening 3 bij art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering van de hand van Jongbloed blijkt dat deze overbetekening ook dient plaats te vinden aan andere mede-eigenaren: ‘Is sprake van mede-eigendom dan niet betekening ook plaats te vinden aan de andere mede-eigenaren. Evenzo dient de betekening plaats te

92


vinden aan de derde-eigenaar van de beslagen onroerende zaak.’ 3.6 Op dit punt is het oordeel van het Hof dan ook evident in strijd met art. 505, lid 1, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en ligt cassatie voor de hand. 3.7 Dit alles heeft het Hof hetzij miskend, hetzij geeft het geen inzicht in zijn gedachtegang hieromtrent en is het arrest aldus rechts onjuist althans onvoldoende gemotiveerd c.q. onbegrijpelijk. Klacht IV 4

Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk rechtsoverwegingen 4 t/m 4.7 van het arrest d.d. 19 oktober 2006 waarin het Hof heeft overwogen als volgt: ‘4 Met de grieven VII en IX die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, betogen A. c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte miskend heeft dat de opgelegde aanslagen evident onjuist zijn en dat de Ontvanger geen beslag had mogen leggen, doch gewoon uitstel van betaling had behoren te verlenen. Daartoe voeren zij — zakelijk weergegeven en samengevat — aan, dat de voorzieningenrechter niet heeft ingezien dat: de burgerlijke rechter geen terughoudendheid behoeft te 1) betrachten bij de beoordeling van een gelegd beslag; —

— op grond van de uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter 2) van 16 december 2005 (voor de burgerlijke rechter) vaststaat dat de aanslagen evident onjuist waren; — nu er een verzoek tot uitstel van betaling was ingediend, de 3) Ontvanger geen invorderingsmaatregelen had mogen treffen; — op het onroerend goed te plaats C op 20 september 2004 geen 4) beslag had mogen worden gelegd omdat tevoren (op 14 september 2004) uitstel van betaling was verleend; — de Belastingdienst op het moment van opleggen van de 5) voorlopige aanslagen en op het moment van het leggen van de beslagen nog geen enkele onderbouwing voor die aanslagen had; — de Belastingdienst niet inhoudelijk beoordeel heeft of de 6) opgelegde voorlopige aanslagen juist waren. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt: 4.1 Het eerste bezwaar berust op een onjuiste lezing van het vonnis waarvan beroep. De voorzieningenrechter heeft niet geoordeeld dat de burgerlijke rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van (de rechtmatigheid van) een gelegd beslag, doch —

93


met juistheid — dat de civiele rechter terughoudend dient te betrachten bij de beoordeling van (de terechtheid van) fiscale aanslagen. Dit bezwaar baat A. c.s. derhalve niet. 4.2 Ook het tweede bezwaar biedt A. c.s. geen soulaas. Een belangrijke dragende overweging voor de beslissing van de fiscale voorzieningenrechter is het feit dat de Inspecteur voor de onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de gestelde inkomsten van A. uit het door de Inspecteur gestelde voeren van de feitelijke zeggenschap over [A] B.V. door A., zich vrijwel uitsluitend beriep op in het verweerschrift van, de Inspecteur opgenomen citaten uit processen-verbaal van de FIOD van getuigenverklaringen, zonder overlegging van die processen-verbaal. In het onderhavige kort geding zijn die processen-verbaal, die steun bieden aan de stellingen van de Ontvanger, wel in het geding. Voorts heeft de fiscale voorzieningenrechter de voorlopige aanslagen 2002 en 2003 slechts geschorst tot zes weken na de uitspraak op bezwaar en daarbij overwogen dat hij voor een langere schorsing geen aanleiding ziet, omdat hij ervan uitgaat dat de Inspecteur ter onderbouwing van de voorlopige aanslagen met nadere gegevens zal komen. De Belastingdienst is daadwerkelijk met nadere onderbouwing van de aanslagen gekomen, zowel in de vorm van voormelde processen-verbaal alsook (bijvoorbeeld) in de brief van l3 februari 2003 van de Belastingdienst aan de belastingadviseur van A. (de uitspraak op bezwaar tegen de voorlopige aanslag van 2002). In tegenstelling tot hetgeen A. c.s. in gang wil doen vinden, kan aan die brief worden ontleend dat een inhoudelijke beoordeling van voormelde voorlopige aanslag door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Een en ander betekent dat aan de uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter in dit geding niet de conclusie kan worden ontleend dat de voorlopige aanslagen evident onjuist waren. 4.3 Het derde bezwaar gaat evenmin op, nu ingeval een aanslag direct invorderbaar is verklaard, en verzoek om uitstel van betaling niet in de weg staat aan invorderingsmaatregelen, voorzover deze ertoe dienen om verhaal op de belastingplichtige te verzekeren. 4.4 Op het onroerend goed in plaats C is beslag gelegd in verband met een viertal aanslagen. Voor twee daarvan was inderdaad uitstel van betaling verleend, zodat voor die aanslagen het beslag niet had mogen worden gelegd. Het beslag is echter ook gelegd voor de litigieuze aanslagen waarvoor geen uitstel van betaling is verleend. Derhalve wordt ook dit bezwaar verworpen. 4.5 Ook het vijfde bezwaar leidt niet tot het door A. c.s. gewenste resultaat. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het tweede bezwaar is overwogen alsook gezien de inhoud van de (in dit geding onvoldoende gemotiveerd weersproken) brief van 2 juni 2005 van de Inspecteur aan Fiskas Adviseurs (productie 3 in eerste aanleg van de zijde van de Rijksadvocaat), kan niet geconcludeerd worden dat

94


voldoende aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslagen en op het moment van het leggen van de litigieuze beslagen nog geen enkele onderbouwing had, laat staan dat zulks zou vaststaan, zoals A. c.s. betogen. 4.6 Het zesde bezwaar deelt het lot van de overige met grieven VIII en IX opgeworpen bezwaren. Het Hof verwijst naar hetgeen met betrekking tot het tweede en vijfde bezwaar is overwogen. 4.7 Het voorgaande impliceert dat de grieven VIII en IX stranden. A. c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de litigieuze aanslagen evident onjuist waren. Hetgeen A. c.s. overigens nog hebben doen zeggen, leidt niet tot een ander oordeel.’ Om navolgende redenen: 4.1

Allereerst: zowel de rechtbank als het Hof constateren (terecht) dat de civiele rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van fiscale belastingaanslagen, nu de belastingrechter op dat punt bevoegd is.

4.2

In dit geval was er echter een beslissing van de fiscale voorlopige voorzieningenrechter d.d. 16 december 2005 (produktie 17 van de zijde van requiranten in eerste aanleg).

4.3

In r.o. 2.19 overweegt de fiscale voorlopige voorzieningenrechter als volgt: ‘Aannemelijk is dat verzoeker onevenredig nadeel leidt door het voortduren van de voorlopige aanslagen. Na afweging van de wederzijdse belangen acht de rechtbank het treffen van een voorlopige voorziening op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal de voorlopige aanslagen voor 2002 en 2003 om deze reden schorsen tot zes weken na de uitspraak op bezwaar. Dit brengt mee dat invorderingsmaatregelen betreffende die aanslagen achterwege dienen te blijven. Voor een langere schorsing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding omdat hij ervan uitgaat dat verweerder ter onderbouwing van de voorlopige aanslagen met nadere gegevens zal komen.’

4.4

In r.o. 2.18 overweegt de fiscale voorlopige voorzieningenrechter als volgt: ‘Voor de stelling dat verzoeker de feitelijke zeggenschap heeft gevoerd over A BV beroept verweerder zich vrijwel uitsluitend op in het verweerschrift opgenomen citaten uit processen verbaal van getuigenverklaringen. Deze processen verbaal heeft hij niet overgelegd. Evenmin heeft hij op andere wijze een begin van bewijs geleverd van zijn stelling dat verzoeker de gestelde inkomsten heeft genoten. De veronderstelling van verweerder dat verzoeker uit eigen vermogen grote bedragen heeft besteed aan de aankoop van onroerend goed, vindt geen

95


steun in de feiten, nu slechts aankopen zijn komen vast te staan die naar verzoeker heeft gesteld en verweerder niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft weersproken, nagenoeg geheel zijn gefinancierd met geleend geld.’ 4.5

Na deze uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter heeft de Belastingdienst (de Inspecteur) inderdaad enige nadere informatie verstrekt. De Inspecteur had de stelling betrokken dat er sprake was geweest van een groot dividend te belasten in Box 2 genoten door de heer A. als aandeelhouder van A B.V. A. had in dat kader betwist dat hij zeggenschap had over de B.V., dat hij aandeelhouder was van de B.V., alsmede dat hij inkomsten genoten zou hebben. Ten tijde van de procedure bij de fiscale voorlopige voorzieningenrechter ontbrak op dat punt nog ieder bewijs van alle drie eerdergenoemde relevante aspecten. Uit het oordeel van de fiscale voorzieningenrechter blijkt echter dat de additionele informatie niet alleen informatie zou moeten zijn met betrekking tot de stelling van de Belastingdienst dat de heer A. de feitelijke zeggingsschap heeft gevoerd over A B.V., doch dat ook bewijs zou moeten worden geleverd dat de heer A.‘de gestelde inkomsten heeft genoten’.

4.6

Voor wat betreft de correctie van honderdenduizenden euro's ter zake van onroerend goed blijkt uit r.o. 2.18 dat de fiscale voorzieningenrechter die correctie al volledig van tafel veegt. Het onroerend goed hoort thuis in Box 3 en wordt belast op basis van het verschil tussen de waarde en de daarbij behorende schuld. Op dat punt was nader bewijs van de zijde van de Belastingdienst niet meer nodig; op basis van de stukken in het geding kon de rechter zelf al constateren dat de correctie onterecht was bij een summiere beoordeling.

4.7

R.o. 4.2 van de civiele kamer van Hof Den Haag sluit echter volstrekt niet aan op dit oordeel van de deskundige fiscale voorlopige voorzieningenrechter.

4.8

Juist is dat thans stukken in het geding zijn gebracht waaruit de Belastingdienst een (overigens betwist) begin van bewijs heeft omtrent feitelijke zeggenschap van de heer A. over A B.V., doch het bewijs dat de aandelen in A B.V. van hem zijn is niet geleverd en niet te leveren. Ook ontbreekt ieder bewijs van in 2002 en 2003 genoten inkomsten uit A B.V. Nu dat laatste vrij cruciaal is bij een beoordeling van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting, kan geconstateerd worden dat de situatie ten opzichte van de uitspraak van de fiscale voorzieningenrechter van 16 december 2005 niet is gewijzigd.

4.9

Daarbovenop komt dat ook voor de civiele kamer van Hof Den Haag geldt dat deze kamer zich met terughoudendheid dient te begeven in de beoordeling van fiscale problematiek en derhalve beter zoveel mogelijk in het eigen oordeel kan aankoppelen bij de overwegingen van de fiscale voorlopige voorzieningenrechter.

96


4.10 In ieder geval had het Hof echter op eenvoudige wijze bij de beoordeling van het eerste en het tweede bezwaar van de heer A. en mevrouw B. moeten betrekken dat ook met de nieuwe stukken het bewijs van aandelenbezit in A B.V. en ook dan ook maar een begin van bewijs van genoten inkomsten uit A B.V. door de heer A. nog steeds niet was geleverd. 4.11 Een praktisch probleem bij de motivering van het Hof is dat het Hof zich in de motivering in r.o. 4.2 wel richt op ‘de feitelijke zeggenschapsvraag’, doch de voor de inkomstenbelasting veel relevantere vraag van de ‘genoten inkomsten’ volledig heeft genegeerd. In zoverre is het oordeel van het Hof op dit punt dan ook niet toereikend gemotiveerd. 4.12 Ook r.o. 4.3 van het arrest van het Hof van 16 oktober 2006 deugt niet. In de procedure in eerste aanleg en in de procedure bij het Hof hebben de heer en mevrouw A. zich beroepen op art. 25, lid 1, §4 van de Leidraad Invordering. De Leidraad Invordering vormt recht in de zin van art. 79 Ro. Het beroep was op de Leidraad Invordering was gebaseerd op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. De regeling in de Leidraad Invordering houdt kort gezegd in dat als een verzoek om uitstel van betaling wordt ingediend de Ontvanger dient te handelen als ware het desbetreffende verzoek al toegewezen. Het staat de Ontvanger uiteraard vrij om het verzoek snel te behandelen en af te wijzen en daarna invorderingsmaatregelen te treffen. Echter, alvorens invorderingsmaatregelen te treffen dient eerst het desbetreffende verzoek te worden afgewikkeld. 4.13 Er geldt op grond van de Leidraad Invordering een uitzondering indien ‘ het schip de haven dreigt uit te varen’. In zo'n situatie mag de Ontvanger wel invorderingsmaatregelen treffen; voor een deugdelijke afwikkeling van het uitstelverzoek is dan geen tijd meer. 4.14 Hetgeen het Hof overweegt in r.o. 4.3 naar aanleiding van ‘het derde bezwaar’ deugt niet. Hetgeen daar staat is in strijd met het vertrouwensbeginsel, in strijd met het gelijkheidsbeginsel en in strijd met het genoemde leidraadbepaling. Immers, in het geval van de heer A. betrof het onroerend goed; dat onroerend goed loopt niet weg. 4.15 Daarnaast deugt de motivering van het Hof toch al niet omdat iedere beslagactie ‘ertoe dient om verhaal op de belastingplichtige te verzekeren’. In de redenering van het Hof zou derhalve iedere beslagactie nog mogen hangende een verzoek om uitstel van betaling. 4.16 Een eerlijke beoordeling van het Hof had als volgt geluid. Ten tijde van de uitreiking van het dwangbevel en de beslaglegging begin augustus 2004 had de Belastingdienst Rotterdam het bezwaar tegen de desbetreffende aanslag en het verzoek om uitstel van betaling van eind juli 2004 (27 juli 2004) nog niet eens deugdelijk intern geregistreerd. De aanslagen waren gedateerd 26 juli 2004. Men is enkele dagen later

97


versneld beslag gaan leggen, zonder dat men doorhad dat er een verzoek in behandeling lag dat rechtsgeldige invorderingsmaatregelen onmogelijk maakte. 4.17 In ieder geval ontbreekt in dit geval echter een deugdelijke motivering en ieder inzicht in de redenering van het Hof. 4.18 Ook op dit punt geldt dan ook dat het Hof dit alles heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang hieromtrent en het arrest aldus onvoldoende gemotiveerd is c.q. onbegrijpelijk is. 4.19 Ook r.o. 4.4 van het Hof verdient niet de schoonheidsprijs. Terecht constateert het Hof dat voor twee van de vier aanslagen waarvoor beslag was gelegd uitstel van betaling was verleend, zodat het beslag — voor wat betreft deze aanslagen — niet had mogen worden gelegd. Ten onrechte constateert het Hof daarna dat ‘het vierde bezwaar moet worden verworpen’ in r.o. 4.4. Dat klopt logisch redenerend niet. De conclusie staat hier haaks op de motivering. Hier had het Hof uiteraard moeten oordelen dat de grief in ieder geval voor twee aanslagen doel trof. 4.20 Ook met r.o. 4.5 zijn de heer en mevrouw A. het volledig oneens. Volgens de heer en mevrouw A. laten de gedingstukken zich niet anders lezen dan dat het onderzoek naar de juistheid van de onderliggende voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2002 en 2003 eerst is begonnen ruim nadat de desbetreffende aanslagen op 26 juli 2004 zijn vastgesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat er nadien veelvuldig verzocht is om eindelijk eens te komen met een motivering van de aanslagen en dat de Inspecteur daartoe steeds niet in staat bleek. Dat was juist de aanleiding voor het fiscale kortgeding, waarvan produktie 17, de uitspraak van 16 december 2005 van de fiscale kort gedingrechter, het gevolg was. Zie in dat kader o.a. produktie 8, produktie 14, produktie 21, produktie 22, produktie 23 en produktie 24. Nimmer is op die brieven een steekhoudende reactie gekomen; een onderbouwing van de voorlopige aanslagen 2002 en 2003 bleef steeds maar uit. 4.21 Ook op dit punt geldt uiteraard dat het op de weg van de civiele rechter ligt om met terughoudendheid te toetsen hetgeen de fiscale voorzieningenrechter heeft overwogen. 4.22 De fiscale voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat zelfs in december 2005 nog steeds een deugdelijke onderbouwing van de desbetreffende voorlopige aanslagen ontbreekt. 4.23 Het oordeel van het Hof is temeer onjuist, nu het Hof zelf ook constateert in de arresten, dat de kern van de motivering van de voorlopige aanslagen verkregen zou zijn eerst na het fiscale kortgeding (zie r.o. 4.2). 4.24 Al met al is de conclusie met betrekking tot de r.o. 4.1 t/m 4.7 dat het

98


Hof wederom van alles heeft miskend, het recht heeft geschonden, beginselen van behoorlijk bestuur en de leidraad heeft geschonden, alsmede geen inzicht heeft gegeven in de gedachtengang (onvoldoende c.q. onbegrijpelijke motivering), zulks terwijl het Hof enerzijds aangeeft niet op de stoel van de fiscale rechter te willen gaan zitten en dat vervolgens wel doet, doch onvolledig en onjuist omdat men louter de ‘ feitelijke zeggenschapsvraag’ in ogenschouw neemt en niet de inkomstenvraag. 4.25 Ook op dit punt zal dan ook cassatie moeten volgen. Klacht V 5

Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk r.o. 3 en 3.1 van het arrest van 8 februari 2007, waarin het Hof oordeelt: ‘3 Met grief X betogen A. c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat een belangenafweging niet tot het oordeel leidt dat er aanleiding is voor opheffing van de beslagen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. 3.1 Voorzover A. c.s. ter toelichting op deze grief feiten en omstandigheden aanvoeren die zij reeds ter toelichting op de eerste negen grieven hebben aangevoerd, laat het hof die verder onbesproken, nu die feiten en omstandigheden A. c.s. blijkens het reeds in het tussenarrest van 19 oktober 2006 overwogene, niet baten. Voorts heeft te gelden dat een executie door de hypotheekhoudster niet betekent, zoals A. c.s. ingang willen doen vinden, dat de Belastingdienst executeert. A. c.s. voeren eveneens nog aan dat een beslag voor een geschorste aanslag niet gehandhaafd mag worden. Aan A. c.s. kan weliswaar worden toegegeven dat een geschorste aanslag tijdelijk niet invorderbaar is, doch gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur reeds (na de behandeling ter zitting van de fiscale voorzieningenrechter maar) vóór de schorsing een definitieve aanslag voor 2002 voor een bedrag van ruim € 800.000 had opgelegd, verenigt het hof zich met de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging. Hierbij is in aanmerking genomen dat, blijkens het verhandelde ter comparitie van partijen, de Ontvanger met betrekking tot de definitieve aanslag voor 2002 de mogelijkheid van toepassing van versnelde invordering destijds onder ogen heeft gezien. Hetgeen A. c.s. overigens nog hebben aangevoerd, waaronder de omstandigheid dat B. niet de belastingplichtige is maar wel mede-eigenares van twee van de litigieuze beslagen panden, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De grief faalt.’ Om navolgende redenen:

5.1

Verzocht wordt om deze r.o. te beoordelen mede op basis van hetgeen is

99


opgemerkt bij klacht 4 en klacht 5. 5.2

Nogmaals zij opgemerkt dat daar waar in r.o. 3.1 door het Hof wordt opgemerkt dat A. ingang zou hebben willen doen vinden dat de Belastingdienst executeert indien de hypotheekhoudster executeert naar aanleiding van een door de Ontvanger van de Belastingdienst gelegd beslag, de stellingname van A. verkeerd wordt weergegeven en dan ook verkeerd beoordeeld is. Verzocht wordt om cassatie, omdat de juiste stellingname van A. in het kader van het geschil beoordeeld had moeten worden, hetgeen nog steeds niet is geschied, hetgeen een motiveringsklacht oplevert.

5.3

De heer en mevrouw A. hebben de stelling ingenomen dat de Ontvanger van de Belastingdienst heel goed weet dat als er executoriaal beslag wordt gelegd op onroerende zaken er een overbetekening dient plaats te vinden aan de hypotheekhouder en in zo'n situatie de hypotheekhouder in de regel mede gelet op art. 509 Rv de executie overneemt. Aldus dient bij de beoordeling van een dergelijke beslaglegging op voorhand, mede gelet op het beleid van de Ontvanger zoals geformuleerd in art. 25, §1, lid 4, laatste volzin van de Leidraad Invordering, ook dit ‘ kettingreactiegevolg’ mee te worden gewogen. Ook moet worden meegewogen dat in veel gevallen in zo'n situatie de bank het krediet opzegt.

5.4

Daarnaast is de desbetreffende r.o. 3.1 in strijd met het recht. Het Hof meent dat als een aanslag geschorst is, een beslag gelegd op basis van een dergelijke geschorste aanslag nog stand kan houden.

Op dit punt is een rechtsvraag aan de orde, te weten de vraag wat het rechtsgevolg is van schorsing door de rechter van de aanslag. Op dit punt vragen de heer en mevrouw A. het oordeel van de Hoge Raad. 5.5

Op dit punt is er een verschil tussen ‘schorsing van de aanslag’ en ‘ schorsing van de tenuitvoerlegging’. In deze procedure heeft de fiscale voorlopige voorzieningenrechter blijkens produktie 16 bij de procedure in eerste aanleg ervoor gekozen om de aanslag te schorsen.

5.6

Het lijkt erop dat het Hof deze formulering van de fiscale voorlopige voorzieningenrechter heeft miskend en heeft gedaan alsof ‘de tenuitvoerlegging geschorst werd’, zulks terwijl het een schorsing van de aanslag betreft.

5.7

Op dit punt verwijzen de heer en mevrouw A. graag naar het preadvies uitgebracht voor de Vereniging voor het Bestuursrecht over de voorlopige voorziening in het Bestuursrecht, VAR-reeks nr. 136, 2006, blz. 56, alwaar de preadviseur mr drs T.H.G.M. Simons overweegt: ‘De meest voorkomende vorm van een voorlopige voorziening is de schorsing van het bestreden besluit. Deze voorziening past vooral bij besluiten waarbij rechten en/of verplichtingen in het leven zijn geroepen,

100


waartegen een belanghebbende zich vervolgens verzet. Daarbij moet worden bedacht, dat een recht dat aan de één wordt toegekend, een aantasting van de belangen van een ander kan opleveren. (…) In dit soort gevallen is het gevolg van een door de voorzieningenrechter uitgesproken schorsing, dat de situatie die bestond voordat het besluit werd genomen herleeft. Een toegekend recht kan dan voorlopig moet worden geëffectueerd en een opgelegde verplichting behoeft voorlopig niet te worden nageleefd.’ 5.8

In dit geval zijn de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2002 en 2003 geschorst totdat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

5.9

Indien de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2002 en 2003 geschorst is, dan hebben de desbetreffende voorlopige aanslagen geen rechtsgevolg. In zo'n situatie kan er uiteraard geen aanmaning op zo'n aanslag zonder rechtsgevolg worden gegrond, kan er geen dwangbevel op zo'n aanslag zonder rechtsgevolg worden gegrond en kan er ook geen beslag op zo'n aanslag zonder rechtsgevolg worden gegrond. Uit het voorgaande blijkt reeds dat het Hof bij een juiste beoordeling had moeten constateren dat het voortbestaan van een beslag voor een geschorste voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2002 en 2003 niet goed denkbaar is.

5.10 Bij de beoordeling op de voet van art. 3:4 Awb hadden de heer en mevrouw A. voorts graag de volgende relevante aspecten ook meegenomen gezien. 5.11 In dit geval betreft het een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2002 en 2003. Bij voorlopige aanslagen inkomstenbelasting is het beleid van de Belastingdienst en ook de geldende praktijk dat op eerste verzoek c.q. bij het eerste bezwaar de desbetreffende voorlopige aanslag wordt verminderd. Met de invordering van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting dient de Ontvanger, mede gelet op het voorlopig karakter van de desbetreffende aanslag, zeer terughoudend te zijn. Het karakter van de invordering van een voorlopige aanslag is dan ook, mede gelet op het andersoortige karakter van de voorlopige aanslag ten opzichte van de definitieve aanslag, geheel anders dan de invordering van een definitieve aanslag. Voor dit aspect hebben de heer en mevrouw A. mede gelet op de te verrichten belangenafweging de aandacht gevraagd van de beoordelende civiele rechters. 5.12 In dit geval betrof het niet een ‘gewone invordering’, doch ‘versnelde invordering’ op de voet van art. 10, jo 15, Invorderingswet 1990. Versnelde invordering is alleen mogelijk onder zeer bijzondere omstandigheden. Versnelde invordering voor voorlopige aanslagen is een verschijnsel waarmee de Ontvanger nog meer terughoudend moet zijn. 5.13 In dit geval dateren de voorlopige aanslagen van 26 juli 2004, is er bezwaar aangetekend en uitstel van betaling gevraagd op 27 juli 2004 en dateren de beslagleggingen al van 3 augustus 2004, derhalve enkele

101


dagen later. 5.14 In dit geval betreft het voorts nog eens voorlopige aanslagen waarvan de motivering niet deugdelijk is bevonden door de fiscale voorlopige voorzieningenrechter in een uitspraak van 16 december 2005. Voor de uitspraak op bezwaar heeft de Belastingdienst geen kans gezien om de daarvoor geldende wettelijke termijnen opgenomen in art. 25 Awb (1 jaar) te halen, zulks terwijl die wettelijke termijn in fiscale zaken al veel ruimer is dan in ‘gewone Awb-zaken’ (dan immers 13 weken) en het beleid in het Voorschrift Awb aan de Inspecteur voorschrijft om in de regel te trachten om binnen een termijn van 10 weken uitspraak op bezwaar te doen. 5.15 Al deze belangen had het Hof moeten inventariseren in het kader van eerdergenoemde rechtsoverwegingen 3 en 3.1; een dergelijke inventarisatie van relevante belangen heeft echter niet plaatsgevonden. Een verplichting tot het inventariseren van de relevante belangen vloeit voort uit art. 3:4, lid 1, Awb. 5.16 Reeds vanwege het niet inventariseren van de relevante belangen dient dan ook cassatie te volgen. 5.17 Echter, daarnaast dient het Hof ook nog eens de relevante belangen op deugdelijke wijze af te wegen. In dit geval kan mede gelet op het voorlopige karakter van de aanslagen, het steeds maar uitblijven van een deugdelijke motivering, het oordeel van de fiscale voorlopige voorzieningenrechter, enzovoorts, de conclusie niet anders zijn dan dat de Ontvanger in redelijkheid niet in augustus 2004 voor deze voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2002 en 2003 executoriaal beslag had mogen leggen op basis van de versnelde invorderingsregeling van art. 10, jo 15, Invorderingswet 1990. 5.18 Ook op dit punt willen cliënten dan ook een herbeoordeling door de Hoge Raad. Enerzijds is er volgens cliënten sprake van een schending van de inventarisatieplicht die voortvloeit uit art. 3:4, lid 1, Awb. Anderzijds heeft de afweging van belangen niet deugdelijk plaatsgevonden die vereist is ex art. 3:4, lid 2, Awb. Bovendien is er sprake van een ondeugdelijke c.q. onvoldoende motivering. 5.19 Tot slot zij opgemerkt naar aanleiding van rechtsoverwegingen 3 en 3.1 dat de redenering van het Hof dat nu er circa 2 jaar later door de Inspecteur een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 is opgelegd, de definitieve aanslagoplegging tot gevolg heeft dat daarmee eventuele fouten in het kader van de voorlopige aanslagoplegging twee jaar eerder ‘gehecht worden’. Op dat punt is de redenering van het Hof ook onbegrijpelijk en dient cassatie te volgen. 5.20 Ook hier geldt weer dat het Hof art. 3:4 Awb verkeerd heeft toegepast, alsmede onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtengang die zij heeft gehanteerd bij het inventariseren en afwegen van belangen in het

102


kader van art. 3:4 Awb, alsmede op welke wijze het Hof het voorlopige karakter van een voorlopige aanslag heeft meegewogen, het steeds maar uitblijven van een deugdelijke motivering en het toch willen toepassen van de versnelde invordering door de Ontvanger. Klacht VI 6

Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk r.o. 2 en 2.1 van het arrest van 8 februari 2007, waarin het Hof oordeelt: ‘2 Grief VII strekt blijkens de daarop gegeven toelichting ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte over het hoofd heeft gezien dat op grond van artikel 25, paragraaf 1, lid 4 van de Leidraad Invordering het feit dat door A. een verzoek om uitstel van betaling is gedaan, tot gevolg heeft dat de Ontvanger gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling geen invorderingsmaatregelen had mogen treffen. 2.1 De grief baat A. c.s. niet. De Ontvanger stelt zich terecht op het standpunt dat hij op grond van artikel 25, paragraaf 1, lid 4, laatste volzin van de Leidraad Invordering — luidende: ‘Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen’— de bevoegdheid had invorderingsmaatregelen te treffen. Het hof acht op grond van het feit dat A. zich kort voor de versnelde invordering uit het Nederlandse bevolkingsregister heeft laten uitschrijven alsmede gelet op de omstandigheid dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat meerdere bedrijven waarbij A. (direct of indirect) als bestuurder betrokken is, failliet zijn gegaan en belastingschulden onbetaald laten, voldoende aannemelijk dat de Ontvanger (gegronde) vrees had voor de onverhaalbaarheid van zijn vorderingen, waarmee de mogelijkheid van schade aan de belangen van de Staat gegeven is. Dat de Ontvanger zijn bevoegdheid in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur of anderszins onrechtmatig heeft uitgeoefend, is niet aannemelijk geworden.’ Om navolgende redenen

6.1

De complete tekst van art. 25, § 1, lid 4, van de Leidraad Invordering luidt als volgt: ‘Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als ware het verzoek toegewezen. Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.’

6.2

De Leidraad Invordering vormt recht in de zin van art. 79 Ro. Op deze

103


leidraadbepaling hebben de heer en mevrouw A. zich beroepen via het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. 6.3

Deze klacht heeft de strekking om de Hoge Raad te verzoeken te beoordelen of de interpretatie die het Hof geeft aan art. 25, § 1, lid 4, laatste volzin van Leidraad Invordering juist is.

6.4

Het moge duidelijk zijn dat de heer en mevrouw A. het met de beoordeling door het Hof niet eens zijn.

6.5

Allereerst: het betrof in dit geval voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2002 en 2003 d. d. 26 juli 2004, waartegen op 27 juli 2004 reeds bezwaar was aangetekend. De voorlopige aanslagen waren volstrekt ongemotiveerd en eerlijk gezegd hadden betrokkenen het idee dat er van deze aanslagen werkelijk helemaal niets klopte. Dat zijn niet aanslagen waarvoor aannemelijk is dat men maatregelen zal treffen ten einde goederen te verduisteren.

6.6

In dit geval betreft het bovendien nog eens onroerend goed, dat niet of nauwelijks te verduisteren valt.

6.7

Daarnaast moet ook nog eens in ogenschouw worden genomen dat de betrokken bepaling geschreven is voor situaties waarin het ‘schip uit de haven vaart’ en nog snel aan de ketting gelegd moet worden. Immers, het afwijzen van een uitstelverzoek kan de Ontvanger met een enkele pennestreek doen. Alleen voor situaties waarin zelfs die pennestreek niet afgewacht kan worden, is de laatste volzin van § 1, lid 4, bedoeld.

6.8

Er moeten aanwijzingen zijn dat zelfs het per kerende post afwijzen van het uitstelverzoek door de Ontvanger niet meer kan worden afgewacht. Alleen in die situatie is er immers sprake van een situatie waarin ‘de belangen van de Staat kunnen worden geschaad’ indien eerst de pennestreek van de Ontvanger, de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling, moet worden afgewacht alvorens beslag te kunnen leggen.

6.9

Zo'n situatie deed zich evident niet voor bij de heer en mevrouw A.

6.10 Daarnaast weet het Hof heel goed (zie de ontvangstbevestiging van de Belastingdienst d.d. 6 augustus 2004 van het bezwaarschrift van 27 juli 2004) dat de daadwerkelijke reden van de invorderingsacties was dat er een vertraging optrad bij de Belastingdienst bij het registreren van het bezwaarschrift tevens verzoek om uitstel van betaling (produktie 9). Ten tijde van de beslaglegging op 3 augustus 2004 wist de Ontvanger derhalve niet dat er bij de belastingeenheid al een verzoek om uitstel van betaling lag simpelweg omdat de desbetreffende afdeling een enorme achterstand had. 6.11 Het beroep op de tweede volzin van art. 25, § 1, lid 4, van de Leidraad Invordering is een ‘smoesje achteraf’ om de slechte administratieve organisatie bij de Belastingdienst Rijnmond te verdoezelen.

104


6.12 Hoe het ook zij, ook in dit geval is een onjuist criterium aangelegd in het licht van art. 25, § 1, lid 4, laatste volzin van de Leidraad Invordering door het Hof en is er voorts sprake van een ondeugdelijke motivering; reden te meer voor cassatie ook op grond van deze zesde klacht. (enz.) Conclusie Naar boven Conclusie A-G mr. Langemeijer: In dit kort geding is onder meer de opheffing gevorderd van executoriale beslagen die in opdracht van de Ontvanger zijn gelegd. Tegen de afwijzing van deze vordering komt het cassatiemiddel op met klachten van uiteenlopende aard. 1. De feiten en het procesverloop 1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten [1.]:

1.1.1 Op 26 juli 2004 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond aan eiser tot cassatie (hierna kortweg: eiser) voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over 2002 en 2003 opgelegd ter hoogte van, afgerond, € 617.000 respectievelijk € 733.000. Deze aanslagen zijn direct invorderbaar verklaard. Op diezelfde dag heeft verweerder in cassatie (hierna: de Ontvanger) dwangbevelen uitgevaardigd met betrekking tot deze aanslagen. 1.1.2 Op 27 juli 2004 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. 1.1.3 Op 3 augustus 2004 heeft de Ontvanger ten laste van eiser beslag gelegd op een viertal onroerende zaken[2.]. 1.1.4 Bij brief van 3 september 2004 heeft de Ontvanger het verzoek van eiser om uitstel van betaling afgewezen[3.]. De hypotheekhoudster, Van der Hoop Effektenbank N.V., heeft de executie overgenomen. 1.1.5 Op 16 december 2005 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage (sector bestuursrecht) de bovengenoemde voorlopige aanslagen geschorst tot zes weken na de uitspraak op bezwaar en daarbij aangegeven dat dit oordeel meebrengt dat invorderingsmaatregelen ter zake van die aanslagen achterwege dienen te blijven. De voorzieningenrechter overwoog onder meer dat de inspecteur van de Belastingdienst tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de oplegging van de voorlopige aanslagen, en nadien in de bezwaarfase, in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de definitieve aanslagen vermoedelijk zullen worden vastgesteld op de bedragen waarop de voorlopige aanslagen zijn vastgesteld[4.]. 1.1.6 Op 9 december 2005[5.] is aan eiser een (definitieve) aanslag IB over 2002 opgelegd voor een bedrag dat hoger is dan de voorlopige aanslag (en wel: €

105


189.928 hoger). Tegen deze aanslag heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. 1.1.7 Op 13 februari 2006 heeft de Ontvanger[6.] het bezwaar van eiser d.d. 27 juli 2004 tegen de voorlopige aanslag over 2002 afgewezen. Hierbij werd overwogen dat de voorlopige aanslag een marginale toetsing kan doorstaan, nu de definitieve aanslag over 2002 hoger is dan de voorlopige aanslag. 1.1.8 Nadat op 14 februari 2006 in negatieve zin was beslist op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag over 2003, is op 1 maart 2006 een (definitieve) aanslag IB over 2003 opgelegd. 1.1.9 Bij brief van 13 april 2006 aan de belastingadviseur van eiser heeft de inspecteur aangegeven voornemens te zijn de definitieve aanslagen over 2002 en 2003 grotendeels te handhaven. 1.2

Op 2 februari 2006 hebben eiser en zijn echtgenote (thans mede eiseres in cassatie) de Ontvanger in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam. Zij hebben samengevat — voor zover thans nog van belang[7.] — gevorderd dat de voorzieningenrechter: —

alle door de Ontvanger gelegde beslagen in verband met de voorlopige aanslagen IB over 2002 en 2003 ten name van eiser zal opheffen, althans de Ontvanger zal veroordelen om de beslagen op te heffen en te doen doorhalen in de registers;

—

de Ontvanger zal verbieden invorderingsmaatregelen te treffen ter zake van de voorlopige aanslagen dan wel ter zake van opgelegde of nog op te leggen (definitieve) aanslagen ten name van eiser zolang deze aanslagen niet onherroepelijk vaststaan;

—

de Ontvanger zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis schriftelijk aan de hypotheekhoudster te berichten dat de executoriale beslagen ter zake van de voorlopige aanslagen IB 2002 en 2003 onjuist waren;

—

de Ontvanger zal veroordelen om de verplichtingen ingevolge art. 505 Rv in acht te nemen, voor zover hij beoogt beslag te leggen op onroerend goed dat aan de echtgenote van eiser in mede-eigendom toebehoort,

een en ander telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom. 1.3

Aan dit gedeelte van hun vorderingen hebben eisers in het kort ten grondslag gelegd: (a) dat de Ontvanger volgens een beleidsregel geen invorderingsmaatregelen had mogen treffen zolang nog niet was beslist op het verzoek om uitstel van betaling; (b) dat de Ontvanger niet naar behoren de inhoudelijke bezwaren van eiser tegen de voorlopige aanslagen marginaal heeft getoetst alvorens tot invorderingsmaatregelen over te gaan; een marginale toetsing van de aanslagen zou in dit geval hebben meegebracht dat beslaglegging

106


achterwege was gebleven, althans dat de executoriale beslagen onmiddellijk zouden zijn opgeheven; (c) dat de executoriale beslagen in ieder geval door de Ontvanger hadden behoren te worden opgeheven toen de voorlopige aanslagen op 16 december 2005 waren geschorst door de voorzieningenrechter (sector bestuursrecht); (d) dat het beslag op de onroerende zaken te plaats A en plaats B nietig is, nu eiser slechts een aandeel in de mede-eigendom van deze zaken heeft en bovendien het proces-verbaal van beslaglegging niet binnen drie dagen aan eisers echtgenote is betekend, zoals art. 505 Rv voorschrijft. 1.4

De Ontvanger heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 3 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Hij overwoog dat voor een opheffing in kort geding van een executoriaal beslag slechts aanleiding kan zijn indien de aan het beslag ten grondslag liggende belastingaanslag evident ten onrechte is opgelegd. Dat geval doet zich hier niet voor (rov. 3.5 Rb). Ook een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel: het door eiser aangevoerde belang om de hypotheek te kunnen oversluiten prevaleert niet boven het belang van de Ontvanger om de belastingaanslagen op de onroerende zaken te kunnen verhalen (rov. 3.7 Rb). De executie is alleen tegen eiser gericht, zodat de niet tijdige betekening aan eisers echtgenote geen nietigheid van het beslag tot gevolg heeft (rov. 3.4 Rb). De omstandigheid dat de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) de voorlopige aanslagen had geschorst betekent niet dat de beslagen dienen te worden opgeheven. Bovendien is inmiddels een definitieve aanslag IB over 2002 opgelegd, die hoger is dan de voorlopige aanslag, terwijl de definitieve aanslag over 2003 kort daarop zou volgen. Daarmee is de overweging achterhaald dat de inspecteur in redelijkheid niet ervan heeft mogen uitgaan dat de definitieve aanslag zou worden vastgesteld op het bedrag dat niet lager is dan dat van de voorlopige aanslag.

1.5

Eisers hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft bij tussenarrest van 19 oktober 2006 het merendeel van de grieven behandeld en verworpen. Ten aanzien van twee punten van geschil heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Nadat deze was gehouden, heeft het hof bij arrest van 8 februari 2007 ook de resterende grieven verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd [8.].

1.6

Namens eisers is — tijdig[9.] — beroep in cassatie ingesteld. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de Ontvanger heeft gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1

De onderdelen I en III van het middel houden verband met de stelling dat twee van de vier inbeslaggenomen onroerende zaken in mede-eigendom toebehoren aan eiser en zijn echtgenote, ieder voor de helft. Onderdeel I is gericht tegen

107


de verwerping van eisers stelling dat de Ontvanger met betrekking tot die twee onroerende zaken ten hoogste beslag had kunnen leggen op het aandeel van eiser in de eigendom, maar niet op de onroerende zaak zelf (grief XI). Het hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger slechts het aandeel van eiser in de onroerende zaken in beslag kon nemen[10.]. Volgens het hof is deze regel niet geschonden en heeft de Ontvanger slechts het aandeel van eiser in deze onroerende zaken in beslag genomen. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat in het proces-verbaal van inbeslagneming niet uitdrukkelijk is vermeld dat eiser slechts voor de helft eigenaar is van deze twee onroerende zaken, brengt volgens het hof niet mee dat het beslag terstond moet worden opgeheven of nietig verklaard (rov. 5). 2.2

Volgens onderdeel I is 's hofs vaststelling dat de Ontvanger slechts het aandeel van eiser in beslag heeft genomen rechtens onjuist, want in strijd met art. 505 Rv, althans onbegrijpelijk. In de toelichting op deze klacht wijst eiser erop dat het proces-verbaal van inbeslagneming alleen melding maakt van beslag op de onroerende zaken zelf. In de feitelijke instanties zijn uittreksels overgelegd waaruit blijkt dat het beslag in de openbare registers is ingeschreven als een beslag op de onroerende zaken. Ook de betekening aan de hypotheekhoudster is geschied als die van een beslag op de onroerende zaak zelf en niet als een beslag op het aandeel van eiser daarin.

2.3

Naast de bevoegdheden die de Ontvanger heeft op grond van de Invorderingswet 1990, beschikt de Ontvanger ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van andere wetten [11.]. Indien een schuldeiser zijn vordering wil verhalen op het aandeel van de schuldenaar in een bepaalde, te individualiseren zaak, kan hij dat aandeel in beslag nemen en als zodanig executeren. Zo nodig kan hij verdeling van de gemeenschap vorderen. Indien sprake zou zijn van een gebonden gemeenschap (bijv. een onverdeelde nalatenschap, waarin de schuldenaar mede gerechtigd is zonder al aanspraak te hebben op een bepaalde zaak die zich in de onverdeelde nalatenschap bevindt), kan de schuldeiser na inbeslagneming van het aandeel jegens de overige deelgenoten de verdeling van de gemeenschap vorderen, waarna hij zich kan verhalen op de alsdan afgescheiden kavel [12.].

2.4

De artikelen 502 e.v. Rv regelen het executoriaal beslag op onroerende zaken. De inbeslagneming geschiedt door het opmaken van een proces-verbaal door een deurwaarder (art. 504 Rv). Het proces-verbaal van inbeslagneming wordt ingeschreven in de openbare registers (art. 505 lid 1 Rv). Rusten op de zaak een of meer hypotheken, dan doet de beslaglegger het beslag aan de hypotheekhouder(s) betekenen (art. 508 Rv). Indien de hypotheekhouder die uit hoofde van zijn recht bevoegd is tot executoriale verkoop, de executie wil overnemen en dit tijdig en op de voorgeschreven wijze aan de executantschuldeiser aanzegt, geschiedt de executie verder door de hypotheekhouder (art. 509 Rv). Art. 437 Rv schrijft voor dat hetgeen omtrent de executie van een goed is bepaald, van overeenkomstige toepassing is op de executie van een aandeel in een zodanig goed. Dit brengt mee dat de executie van een aandeel in een onroerende zaak geschiedt op dezelfde wijze als de executie van de onroerende zaak, dus door middel van een proces-verbaal van de

108


deurwaarder. 2.5

HR 30 maart 2001, NJ 2002, 380 m.nt. HJS[13.], betrof een geval waarin een schuldeiser conservatoir beslag[14.] had gelegd op een onroerende zaak die aan twee gescheiden echtgenoten gezamenlijk toebehoorde. De man was enig schuldenaar ter zake van de na echtscheiding ontstane schuld, waarvoor het beslag werd gelegd. De Hoge Raad overwoog dat uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het beslag wordt gelegd. Bij executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van inbeslagneming dient mede ertoe, vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Volgens de Hoge Raad kan niet worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in een beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.

2.6

Deze maatstaf stelt betrekkelijk hoge eisen aan de wijze waarop het beslagene in het proces-verbaal van beslaglegging (en, voor zover van toepassing, in het daaraan voorafgaande verzoek om verlof tot het leggen van conservatoir beslag) wordt omschreven[15.]. In het huidige geval is in het proces-verbaal van inbeslagneming niet vermeld dat het beslag zou zijn gelegd op (slechts) het aandeel van eiser in de eigendom van de desbetreffende onroerende zaken. Indien het hof van oordeel is geweest dat het onderscheid tussen inbeslagneming van een onroerende zaak en inbeslagneming van een aandeel in een onroerende zaak niet tot uitdrukking behoeft te worden gebracht in het proces-verbaal van inbeslagneming[16.], is dat oordeel onverenigbaar met het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001. Indien het hof om een andere reden van oordeel is dat, niettegenstaande de vermelding in het procesverbaal, het beslag is gelegd op het aandeel van eiser in de twee desbetreffende onroerende zaken, is bij gebreke van enige motivering voor de lezer van het arrest niet te volgen waarop deze vaststelling berust. De slotsom is dat dit middelonderdeel slaagt.

2.7

In cassatie heeft de Ontvanger aangevoerd dat 's hofs oordeel mede berust op de vermelding in het proces-verbaal van inbeslagneming dat het beslag is gelegd ‘ten laste’ van eiser[17.]. Die mening deel ik niet. Uit deze vermelding volgt slechts dat eiser de geëxecuteerde is: het beslag strekte tot verhaal van een belastingschuld van eiser aan de Ontvanger. Hieruit kan geen gevolgtrekking worden gemaakt over het object van inbeslagneming. Aangezien het hier gaat om een vaststelling van feitelijke aard, zal verwijzing moeten volgen.

2.8

Onderdeel III is gericht tegen rov. 9.1 van het tussenarrest. In grief XV hadden eisers aangevoerd dat art. 505 lid 1 Rv voorschrijft dat een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming aan de geëxecuteerde moet worden betekend, niet later dan drie dagen na de inschrijving van het beslag in de openbare registers, en wel: op straffe van nietigheid van het beslag. Volgens eisers heeft de Ontvanger verzuimd tijdig een afschrift van het proces-verbaal aan eisers echtgenote (als mede-eigenaar en mede geëxecuteerde) te laten betekenen en heeft dit verzuim tot gevolg dat het beslag nietig is, althans

109


onmiddellijk behoort te worden opgeheven. Het hof heeft deze grief verworpen onder verwijzing naar zijn eerdere vaststelling dat de Ontvanger slechts het aandeel van eiser in de desbetreffende onroerende zaken in beslag heeft genomen. Gelet op de strekking van art. 505 Rv valt volgens het hof niet in te zien waarom een betekening aan eisers echtgenote, wier aandeel niet in beslag is genomen, op straffe van nietigheid van het beslag zou hebben moeten plaatsvinden (rov. 9.1). 2.9

Subonderdeel 3.1 herhaalt de klacht van onderdeel I. Indien onderdeel I gegrond wordt bevonden, ontvalt ook de grond aan de daarop voortbouwende volzin in rov. 9.1.

2.10 Voor wat betreft de overige klachten: indien de executie mede gericht zou zijn geweest tegen de echtgenote van eiser, hetzij op de grond dat zij mede aansprakelijk is voor de schuld hetzij omdat op een zaak van haar verhaal wordt genomen voor de belastingschuld van een ander, volgt m.i. uit de tekst van art. 505 Rv dat een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming tijdig (ook) aan haar had behoren te worden betekend. Het voorschrift van tijdige betekening aan de geëxecuteerde(n) [18.] op straffe van nietigheid van het beslag houdt verband met de omstandigheid dat de beslaglegging op (een aandeel in) een onroerende zaak achter het bureau plaatsvindt en daarom niet kenbaar is voor degene tegen wie de executie is gericht. Het hof heeft de echtgenote van eiser niet als (mede) geëxecuteerde beschouwd. 2.11 De Ontvanger heeft in dit verband nog aangevoerd dat eisers bij deze klacht belang missen omdat betekening aan eisers echtgenote (in de ogen van de Ontvanger: ten overvloede) alsnog heeft plaatsgevonden op 15 september 2005. Dat argument gaat niet op: indien eisers echtgenote als medegeëxecuteerde zou moeten worden beschouwd, is ook ten aanzien van haar een tijdige betekening van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming voorgeschreven op straffe van nietigheid van het beslag. 2.12 Vervolgens stellen deze subonderdelen de vraag aan de orde of — met het hof uitgaande van een beslag op slechts het aandeel van eiser in de desbetreffende onroerende zaken — betekening van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming aan een mede-eigenaar, niet zijnde (mede-)geëxecuteerde, noodzakelijk is. In de vakliteratuur is het standpunt ingenomen dat een betekening aan de mede-eigenaar(aren) is aan te bevelen, doch niet onder de nietigheidssanctie van art. 505 lid 1 Rv valt; evenmin is de beslaglegger daarbij gebonden aan een termijn van drie dagen[19.]. Dit standpunt lijkt mij juist. Het is niet ter bescherming van de mede-eigenaar die niet door het beslag op het aandeel van een ander wordt geraakt, maar het is in het belang van de beslaglegger zelf dat de mede-eigenaren op de hoogte geraken van het beslag op enig aandeel in de eigendom van de zaak[20.]. Er is geen reden om de sanctie van nietigheid van het beslag te stellen op de kennisgeving aan de mede-eigenaar die niet (mede) geëxecuteerde is. In zoverre treft onderdeel III geen doel. 2.13 Onderdeel II is gericht tegen rov. 6 van het tussenarrest. Het hof verwierp de stelling van eisers, in grief XII, dat de Ontvanger in strijd heeft gehandeld met

110


art. 25, onderdeel 2 onder 3 (oud), van de Leidraad Invordering 1990. Deze beleidsregel hield in dat zo lang nog geen uitspraak is gedaan op het tegen de aanslag ingediende bezwaarschrift, onherroepelijke invorderingsmaatregelen uitsluitend plaatsvinden na voorafgaande toestemming van de minister van Financiën. Volgens eisers gaat het in dit geval om een onherroepelijke invorderingsmaatregel waarvoor de toestemming van de minister ontbrak. Het hof is van oordeel dat hier geen sprake is van een onherroepelijke invorderingsmaatregel, zodat de Ontvanger geen toestemming van de minister behoefde. In reactie op de stellingen van eiser merkt het hof nog op dat het overnemen van de executie door een hypotheekhouder[21.] niet betekent dat de Belastingdienst doorgaat met de executie van de inbeslaggenomen zaken. 2.14 Volgens de klacht wordt door het hof miskend dat het executoriaal beslag op een onroerende zaak waarop een recht van hypotheek rust, aan te merken is als een ‘onherroepelijke invorderingsmaatregel’ in de zin van deze beleidsregel. Ter toelichting op deze klacht wordt aangevoerd dat een onherroepelijke kettingreactie ontstaat zodra executoriaal beslag is gelegd. Na het leggen van het beslag wordt de hypotheekhouder immers op de hoogte gebracht. Deze beslist vervolgens of hij de executie wil overnemen op de voet van art. 509 Rv. De geëxecuteerde en de Ontvanger hebben de daarna volgende gebeurtenissen niet in de hand; dit geldt in het bijzonder een openbare verkoop van de inbeslaggenomen zaak door de hypotheekhouder. 2.15 In herinnering wordt gebracht dat de voorschriften in de Leidraad Invordering beleidsregels vormen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en moeten worden aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 79 lid 1 onder b RO[22.]. 2.16 Achter de klacht steekt de gedachte dat de Ontvanger, behoudens van de minister van Financiën verkregen toestemming, zich in de bezwaarschriftfase dient te onthouden van elke invorderingsmaatregel indien (de kans bestaat dat) na afwikkeling van het bezwaar tegen de desbetreffende belastingaanslag(en) een terugkeer naar de situatie van vóór de beslaglegging feitelijk niet meer mogelijk is omdat de hypotheekhouder inmiddels de executie heeft overgenomen. Deze gedachte acht ik onjuist. De desbetreffende beleidsregel spreekt van ‘onherroepelijke invorderingsmaatregelen’ en niet van: ‘invorderingsmaatregelen met onherroepelijke gevolgen’. Ook met het oog op de strekking van deze beleidsregel is de in het middelonderdeel verdedigde uitleg niet vol te houden. Bij ieder beslag op een onroerende zaak waarop een recht van hypotheek rust, volgt immers een kennisgeving aan de hypotheekhouder en kan deze ingevolge art. 509 Rv gebruik maken van het daar bedoelde recht om de executie over te nemen. Het is daarom niet aannemelijk dat met deze beleidsregel is bedoeld dat ieder beslag van de Ontvanger op een verhypothekeerde onroerende zaak de toestemming van de minister van Financiën behoeft, uitsluitend omdat de mogelijkheid van zulk een ‘kettingreactie’ in het wettelijk systeem van beslagrecht besloten ligt. Het middelonderdeel faalt. 2.17 Onderdeel IV heeft betrekking op de verwerping van het standpunt dat de door de inspecteur opgelegde voorlopige aanslagen evident onjuist waren zodat de Ontvanger reeds bij marginale toetsing daarvan had behoren in te zien dat

111


invordering in de vorm van beslaglegging onrechtmatig is. In hoger beroep hebben eisers dit standpunt onderbouwd met zes argumenten, welke door het hof in rov. 4 – 4.7 zijn behandeld en achtereenvolgens zijn verworpen. Het middelonderdeel omvat een reeks klachten tegen deze overwegingen. 2.18 Het tweede argument van eisers[23.] hield in dat op grond van de uitspraak van de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) van 16 december 2005 in dit geding bij de burgerlijke rechter vaststaat dat de voorlopige aanslagen over 2002 en 2003 evident onjuist waren. Het hof heeft dit argument verworpen in rov. 4.2. Voor een goed begrip van de klachten geef ik de relevante overwegingen van de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) hieronder weer: Voor de stelling dat verzoeker de feitelijke zeggenschap heeft gevoerd 2.18 over A BV beroept verweerder [dat is de inspecteur van de Belastingdienst, noot A-G] zich vrijwel uitsluitend op in het verweerschrift opgenomen citaten uit processen-verbaal van getuigenverklaringen. Deze processen-verbaal heeft hij niet overgelegd. Evenmin heeft hij op andere wijze een begin van bewijs geleverd van zijn stelling dat verzoeker de gestelde inkomsten heeft genoten. De veronderstelling van verweerder dat verzoeker uit eigen vermogen grote bedragen heeft besteed aan de aankoop van onroerend goed, vindt geen steun in de feiten, nu slechts aankopen zijn komen vast te staan die naar verzoeker heeft gesteld en verweerder niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft weersproken, nagenoeg geheel zijn gefinancierd met geleend geld. ‘

2.19 Aannemelijk is dat verzoeker onevenredig nadeel leidt door het voortduren van de voorlopige aanslagen. Na afweging van de wederzijdse belangen acht de rechtbank het treffen van een voorlopige voorziening op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal de voorlopige aanslagen voor 2002 en 2003 om deze reden schorsen tot zes weken na de uitspraak op bezwaar. Dit brengt mee dat invorderingsmaatregelen betreffende die aanslagen achterwege dienen te blijven. Voor een langere schorsing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding omdat hij ervan uitgaat dat verweerder ter onderbouwing van de voorlopige aanslagen met nadere gegevens zal komen.’ Het hof wijst in rov. 4.2 erop dat de op 16 december 2005 nog ontbrekende processen-verbaal van de FIOD door de Ontvanger ditmaal wel aan de rechtbank zijn overgelegd. Ook wijst het hof erop dat de schorsing voor een beperkte duur was en dat de Belastingdienst — overeenkomstig de door de fiscale voorzieningenrechter uitgesproken verwachting — de ontbrekende onderbouwing van de voorlopige aanslagen alsnog heeft aangeleverd. In dit verband wijst het hof op de inmiddels overgelegde processen-verbaal van de FIOD en naar de brief van de Belastingdienst van 13 februari 2006, houdende de beschikking op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag 2002. 2.19 Volgens het middelonderdeel (i.h.b. subonderdeel 4.7) sluit deze overweging niet aan bij het oordeel van de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht). De voorlopige aanslag berustte volgens eiser op een correctie

112


door de inspecteur van het door hem aangegeven inkomen, omdat eiser in box 2 niet aangegeven inkomsten uit dividend zou hebben genoten wegens deelneming in A B.V. en in box 3 inkomsten uit onroerende zaken onvolledig zou hebben opgegeven. Volgens de klacht heeft de Ontvanger weliswaar thans stukken in het geding gebracht waaruit een (door eiser betwist) begin van bewijs kan worden geput omtrent de feitelijke zeggenschap van eiser in voornoemde vennootschap, maar is daarmee geenszins bewezen dat eiser aandelen houdt in die vennootschap, laat staan dat eiser daaruit inkomsten heeft genoten. Het hof heeft zich wel gericht op de vraag naar de feitelijke zeggenschap, maar heeft de fiscaal veel belangrijker vraag of eiser hieruit inkomsten heeft genoten, laten liggen (subonderdelen 4.10 – 4.11). 2.20 Deze motiveringsklacht mist doel. Het hof heeft in rov. 4.7 overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de litigieuze aanslagen evident onjuist waren. In rov. 4.2 sprak het hof zich uit over het argument van eisers dat de evidente onjuistheid van de aanslagen reeds vaststaat op grond van de uitspraak van de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) van 16 december 2005. Voor de weerlegging van dát argument behoefde het hof niet in te gaan op de juistheid of onjuistheid van de aanslagen zelf. Het hof heeft met betrekking tot dit argument van belang geacht dat de schorsing slechts voor een beperkte duur is verleend en dat de Haagse voorzieningenrechter verwachtte dat de Belastingdienst nog met nadere gegevens zou komen. Verder is het hof nagegaan of de feiten op basis waarvan de Haagse voorzieningenrechter de voorlopige aanslagen heeft geschorst zich nog steeds voordoen. Die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord, omdat nadere informatie ter beschikking was gekomen op de beide in de uitspraak van 16 december 2005 genoemde punten. Daarmee heeft het hof op een begrijpelijke wijze het tweede argument weerlegd. 2.21 Het derde argument van eisers hield in dat de Ontvanger geen invorderingsmaatregelen had mogen treffen nadat een verzoek tot uitstel van betaling was ingediend. Volgens het hof gaat dit argument niet op: ingeval een belastingaanslag direct invorderbaar is verklaard, staat een verzoek om uitstel van betaling niet in de weg aan invorderingsmaatregelen voor zover deze ertoe dienen verhaal op de belastingplichtige te verzekeren (rov. 4.3). 2.22 In de subonderdelen 4.12 – 4.18 komt het middel hiertegen op. Volgens subonderdeel 4.14 heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu zijn oordeel in strijd is met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en met art. 25, onderdeel 1 onder 4, van de Leidraad Invordering. Deze Leidraadbepaling hield in [24.] dat de Ontvanger gedurende de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling handelt overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als ware het verzoek toegewezen. De tweede volzin liet op de hoofdregel een uitzondering toe: ‘Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.’ Volgens de klacht is in de onderhavige zaak geen sprake van een zodanige uitzondering. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat onroerend goed ‘niet wegloopt’.

113


2.23 In de vakliteratuur is gesteld dat als er eenmaal grond is om over te gaan tot een versnelde invordering op grond van art. 10 lid 1 Iw 1990, er in het algemeen ook sprake zal zijn van de uitzonderingssituatie als bedoeld in de tweede volzin van deze bepaling in de Leidraad[25.]. In het onderhavige geval zijn de voorlopige aanslagen versneld invorderbaar verklaard en ingevorderd op grond van art. 10 lid 1, aanhef en onder e, Iw 1990 in verbinding met art. 15 Iw 1990[26.]. Ook overigens geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot deze beleidsregel, het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Het antwoord op de vraag of er in een concreet geval aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, is nauw verweven met de vaststelling en waardering van de feiten, zodat de toetsing in cassatie slechts beperkt kan zijn. 2.24 Subonderdeel 4.15 bevat in dit verband nog de klacht dat de in rov 4.3 gegeven motivering niet deugt, omdat een beslag per definitie ertoe dient verhaal op de schuldenaar te verzekeren. Met de redenering van het hof zou ieder beslag zijn toegestaan in afwachting van de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling. 2.25 Het hof heeft niet beslist dat in afwachting van de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling ieder beslag is toegestaan: het hof heeft in rov. 4.3 het oog op gevallen als het onderhavige, waarin de aanslag direct invorderbaar is verklaard. Niet uit het oog mag worden verloren dat het hof zich in rov. 4.3 niet uitspreekt of de executie mag worden doorgezet (door middel van openbare verkoop van de inbeslaggenomen zaak), maar over de vraag of het beslag wel of niet moet worden opgeheven. Het hof heeft kennelijk bedoeld dat het beslag hier een ‘bevriezende functie’ heeft, die verhaal op de schuldenaar voor de toekomst verzekert, ook als de voorgenomen executoriale verkoop opgeschort is. 2.26 Het vierde argument van eisers hield in dat op de onroerende zaak te plaats C op 20 september 2004 geen beslag had mogen worden gelegd omdat tevoren, namelijk op 14 september 2004, uitstel van betaling was verleend. Het hof heeft daaromtrent vastgesteld dat op deze onroerende zaak beslag is gelegd tot verhaal van vier belastingaanslagen. Voor twee van die aanslagen was uitstel van betaling verleend en had het beslag niet mogen worden gelegd. Het beslag is echter mede gelegd voor de litigieuze aanslagen, waarvoor geen uitstel van betaling is verleend. Op die grond heeft het hof dit argument verworpen (rov. 4.4). 2.27 Volgens subonderdeel 4.19 is de bestreden overweging innerlijk tegenstrijdig: indien het hof van oordeel is dat het argument van eiser opgaat voor twee van de vier aanslagen, had het hof daaraan consequenties moeten verbinden voor het voortduren van het beslag. Met verweerder meen ik dat eiser geen belang heeft bij deze klacht, omdat het resultaat hetzelfde zou zijn, namelijk dat het beslag kan blijven liggen tot verhaal van de resterende aanslagen. 2.28 Het vijfde argument van eisers hield in dat de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de voorlopige aanslagen geen enkele onderbouwing voor die aanslagen had. Het hof heeft dit argument verworpen in rov. 4.5. Volgens

114


subonderdeel 4.20 is dat oordeel onbegrijpelijk, nu uit de gedingstukken niet anders kan worden opgemaakt dan dat het onderzoek naar de grondslag voor de twee voorlopige aanslagen eerst is begonnen nadat zij waren vastgesteld. 2.29 De uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In rov. 4.2 heeft het hof onder meer overwogen dat de in dit kort geding overgelegde processen-verbaal steun bieden aan de eerder door de inspecteur ingenomen stellingen. Hieruit kan worden opgemaakt dat het hof van oordeel is dat reeds vanaf het begin een aanvaardbare (zij het toen nog niet met bewijsstukken gestaafde) onderbouwing van de aanslagen is gegeven. Het hof heeft in rov. 4.2 voorts overwogen dat uit de brief van de Belastingdienst van 13 februari 2006 kan worden opgemaakt dat bij de voorlopige aanslag van 2002 een inhoudelijke beoordeling door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Dit oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de uitleg die het hof in rov. 4.5 geeft aan de brief van 2 juni 2005, die volgens het hof door eisers onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Het hof is van oordeel dat uit de inhoud niet kan worden geconcludeerd dat de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de voorlopige aanslagen nog geen enkele onderbouwing daarvoor had. 2.30 Subonderdeel 4.22 noteert dat de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) tot de conclusie is gekomen dat in december 2005 ‘nog steeds ’ een deugdelijke onderbouwing van de voorlopige aanslagen ontbrak. Dit kan eisers echter niet baten, nu het hof heeft overwogen dat de in het onderhavige geding overgelegde processen-verbaal, die in de procedure bij de Haagse voorzieningenrechter weliswaar waren aangehaald maar niet in het geding waren gebracht, steun bieden aan de eerder door de inspecteur ingenomen stellingen. 2.31 In subonderdeel 4.23 voegen eisers toe dat het bestreden oordeel temeer onjuist[27.] is, nu het hof in rov. 4.2 constateert dat de kern van de motivering van de voorlopige aanslagen pas na de procedure voor de Haagse voorzieningenrechter is verkregen. Dit onderdeel gaat m.i. uit van een onjuiste lezing van rov. 4.2 en mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.2 overwogen dat de processen-verbaal, die in de procedure bij de Haagse voorzieningenrechter nog niet in het geding waren gebracht, steun bieden aan de eerder door de inspecteur ingenomen stellingen. Enige onderbouwing (weliswaar niet gesteund door bescheiden) was derhalve wel gegeven. Subonderdeel 4.24 bevat naast het voorgaande geen nieuwe klacht. De slotsom is dat onderdeel IV geheel faalt. 2.32 Onderdeel V is gericht tegen rov. 3 en 3.1 van het eindarrest. In grief X hadden eisers bezwaar gemaakt tegen de verwerping door de voorzieningenrechter van hun subsidiaire standpunt dat een afweging van de wederzijds betrokken belangen moet leiden tot de opheffing van de gelegde beslagen. Het hof heeft deze grief verworpen. De hoofdklacht houdt in dat sprake is van een schending van de plicht tot inventarisatie van de relevante belangen ingevolge art. 3:4, eerste lid, Awb en van de plicht tot afweging van de relevante belangen zoals vereist door art. 3:4, tweede lid, Awb. Bovendien zou in dit opzicht sprake zijn

115


van een ondeugdelijke of onvoldoende motivering (subonderdelen 5.15 – 5.18). 2.33 Het voorschrift van art. 3:4, eerste en tweede lid, Awb is niet gericht tot het hof, reeds omdat het hof geen bestuursorgaan in de zin van de Awb is. Van een schending van die bepalingen door het hof kan daarom geen sprake zijn. Weliswaar is de rechter in een kort geding gehouden tot een afweging van belangen, maar dat geschiedt in een ander juridisch kader dan in het middelonderdeel is bedoeld. De hoofdklacht faalt daarom. 2.34 Subonderdeel 5.1 vraagt om deze rechtsoverwegingen te beoordelen mede op basis van hetgeen door eisers is opgemerkt in de middelonderdelen IV en V. Dit subonderdeel behoeft geen afzonderlijke bespreking. 2.35 Subonderdeel 5.2 klaagt dat een stelling van eisers onjuist is weergegeven in rov. 3.1. Het gaat om de tweede volzin, waar het hof overweegt dat een executie door de hypotheekhoudster niet, zoals eisers betogen, betekent dat de Belastingdienst executeert. Volgens subonderdeel 5.3 moet de desbetreffende stelling van eisers zo worden begrepen dat bij een executoriaal beslag op onroerende zaken op voorhand rekening ermee moet worden gehouden dat het beslag ter kennis van de hypotheekhouder komt en dat deze in de regel de executie overneemt op de voet van art. 509 Rv en dat de bank in zo'n situatie het krediet opzegt (volgens het middel: het ‘kettingreactiegevolg’). 2.36 De kwestie kwam al aan de orde bij de bespreking van onderdeel II. Het hof heeft m.i. de stelling van eisers niet anders begrepen dan zoals zij bedoeld was. Het hof wil kennelijk hiermee zeggen dat de executie door de hypotheekhoudster en de executie door de Ontvanger niet met elkaar mogen worden vereenzelvigd. De omstandigheid dat de hypotheekhouder gebruik kan maken van zijn recht ingevolge art. 509 Rv, met andere woorden de mogelijkheid van een ‘kettingreactie’, heeft het hof niet beschouwd als een factor die de Ontvanger had behoren te weerhouden van het leggen van executoriaal beslag. De klacht, die van een andere lezing uitgaat, mist feitelijke grondslag. 2.37 In de subonderdelen 5.4 – 5.9 wordt geklaagd dat rov. 3.1 in strijd is met het recht. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) de voorlopige aanslagen op 16 december 2005 had geschorst. Subonderdeel 5.5 benadrukt dat er een verschil bestaat tussen een schorsing van de aanslag en een schorsing van de tenuitvoerlegging. Subonderdeel 5.9 stelt dat het hof had moeten constateren dat het voortduren van een executoriaal beslag niet mogelijk is indien de onderliggende voorlopige aanslag geschorst is. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 2.38 In de procedure voor de Haagse voorzieningenrechter heeft eiser onder meer verzocht te bepalen dat de Ontvanger met betrekking tot de voorlopige aanslagen over 2002 en 2003 geen verdere invorderingsmaatregelen mag nemen en de reeds genomen invorderingmaatregelen ongedaan dient te maken[28.]. De Haagse voorzieningenrechter heeft het verzoek tot ongedaanmaking van de reeds genomen maatregelen afgewezen [29.]. De

116


Haagse voorzieningenrechter heeft zich beperkt tot een tijdelijke schorsing van de aanslagen. 2.39 De schorsing van de voorlopige aanslagen door de Haagse voorzieningenrechter brengt niet mee dat deze aanslagen vervallen of dat zij geacht worden nooit te hebben bestaan: de aanslagen zijn niet vernietigd. Een schorsing heeft slechts tot gevolg dat de werking van de rechtsgevolgen van het geschorste besluit wordt opgeschort[30.]. Voor een geschorste belastingaanslag betekent dit dat (dwang-)invordering van die aanslag niet mogelijk is gedurende de termijn waarvoor de voorlopige voorziening is gegeven. De schorsing heeft alleen gevolgen voor de voortgang van de executie. Het beslag vervalt daardoor niet. Het beslag behoudt zijn bevriezende functie. 2.40 De onderdelen 5.10 – 5.16 betogen dat het hof de volgende belangen had moeten inventariseren: (i)

bij voorlopige aanslagen is het beleid van de Belastingdienst dat op eerste verzoek dan wel bij het eerste bezwaar de voorlopige aanslag wordt verminderd; met de invordering van een ambtshalve opgelegde voorlopige aanslag dient de Ontvanger zeer terughoudend te zijn;

(ii)

in het onderhavige geval gaat het bovendien om versnelde invordering; dit is alleen mogelijk onder zeer bijzondere omstandigheden;

(iii) de beslagen zijn kort na de voorlopige aanslagen gelegd en nadat daartegen bezwaar was aangetekend en uitstel van betaling was aangevraagd; (iv) het gaat hier om voorlopige aanslagen waarvan de Haagse voorzieningenrechter (sector bestuursrecht) heeft geoordeeld dat zij ondeugdelijk gemotiveerd zijn; en (v)

de beslissing op bezwaar is niet binnen de wettelijke termijn van één jaar genomen.

2.41 Voor zover de klacht inhoudt dat het hof zelf op grond van art. 3:4 lid 1 Awb verplicht is tot inventarisering van de genoemde belangen — subonderdeel 5.15 stelt dit — faalt zij. Een verplichting op grond van dit artikel rust op het bestuursorgaan, niet op de rechter. 2.42 In het cassatiemiddel is niet aangegeven waar in de feitelijke instanties de bedoelde stellingen door eiser zijn aangevoerd. Hoe dan ook [31.], het hof overweegt in rov. 3 van zijn eindarrest dat al hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, het hof niet tot een andere uitkomst heeft gebracht. Er was voor het hof geen reden om nader op de onder (i) – (v) bedoelde omstandigheden in te gaan. Om dezelfde reden falen ook de subonderdelen 5.17 en 5.18, die betogen dat het hof heeft nagelaten de relevante belangen deugdelijk af te wegen. Gezien zowel de aard van de procedure — een kort geding — als het feit dat het niet goed mogelijk is om de relatieve waarde van elk van de aangevoerde factoren aan te geven, behoefde het hof niet alle in alinea 2.40

117


genoemde belangen uitdrukkelijk tegen elkaar af te wegen [32.]. Het resultaat van de gemaakte belangenafweging is voorbehouden aan het hof als de rechter die in hoogste instantie over de feiten oordeelt. Een ‘herbeoordeling’ van de aangevoerde belangen door de Hoge Raad, zoals in onderdeel 5.18 is bepleit, is in cassatie niet mogelijk. 2.43 Subonderdeel 5.19 richt een klacht tegen het oordeel van het hof dat het zich verenigt met de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging, gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur reeds vóór de schorsing van de voorlopige aanslagen een (definitieve) aanslag over 2002 voor een bedrag van ruim € 800.000 had opgelegd. Volgens de klacht is de redenering van het hof, dat door de definitieve aanslag eventuele in het kader van het opleggen van de voorlopige aanslag twee jaar eerder gemaakte fouten ‘gehecht worden’, onbegrijpelijk. 2.44 In het onderdeel wordt niet omschreven wat de gestelde ‘fouten’ precies inhielden. In zoverre voldoet de klacht niet aan de eisen die aan een cassatieklacht gesteld mogen worden. Indien de definitieve aanslag IB is vastgesteld op een hoger bedrag dan de voorlopige aanslag, zoals hier is geschied, rust op de belanghebbende op zijn minst een verhoogde stelplicht ten aanzien van de beweerde, in het kader van de voorlopige aanslag gemaakte ‘fouten’: die beweerde fouten hebben immers geen voor de belanghebbende direct nadelige invloed gehad op de hoogte van de voorlopige aanslag. De slotsom is dat onderdeel V niet tot cassatie leidt. 2.45 Onderdeel VI is gericht tegen rov. 2 en 2.1 van het eindarrest, waarin het hof grief VII verwierp. Het hof is van oordeel dat art. 25, onderdeel 1 onder 4, van de Leidraad Invordering niet eraan in de weg stond dat de Ontvanger invorderingsmaatregelen heeft getroffen voordat was beslist op het door eiser gedane verzoek om uitstel van betaling. Zoals eerder aangegeven, houdt deze beleidsregel in dat de Ontvanger ondanks een verzoek om uitstel invorderingsmaatregelen kan treffen indien er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de Ontvanger gegronde reden had, te vrezen voor onverhaalbaarheid van zijn vorderingen. Het hof noemt in dit verband het feit dat eiser zich kort voor de versnelde invordering heeft laten uitschrijven uit het Nederlandse bevolkingsregister en de omstandigheid dat aannemelijk is geworden dat meerdere bedrijven waarbij eiser direct of indirect als bestuurder is betrokken, failliet zijn gegaan en belastingschulden onbetaald laten. 2.46 De klacht houdt in dat het hof aan deze beleidsregel een onjuiste uitleg heeft gegeven, althans zijn oordeel ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe is het volgende aangevoerd: —

Het gaat hier om voorlopige aanslagen die ongemotiveerd waren (onderdeel 6.5). Het gaat niet om zodanige aanslagen dat aannemelijk is dat de belastingplichtige maatregelen zal treffen ten einde goederen te verduisteren.

118


—

Het beslag is gelegd op onroerende zaken die niet of nauwelijks te verduisteren zijn (onderdeel 6.6);

—

In afwachting van de beslissing op een verzoek om uitstel van betaling kunnen invorderingsmaatregelen slechts worden getroffen voor zover zelfs het per kerende post afwijzen van het uitstelverzoek niet kan worden afgewacht. Alleen in een dergelijke situatie is sprake van een situatie waarin de belangen van de Staat kunnen worden geschaad (onderdeel 6.8).

2.47 De rechtsklacht faalt mijns inziens op dezelfde gronden als vermeld in alinea 2.23 hiervoor. Het oordeel van het hof is naar behoren met redenen omkleed. De omstandigheid dat het hier om onroerende zaken gaat, doet aan 's hofs oordeel niet af. Ook de eigenaar van een onroerende zaak is in staat om de zaak te vervreemden en de opbrengst buiten bereik van de fiscus te houden, zodat verhaal voor belastingschulden niet meer mogelijk is. Onderdeel VI leidt niet tot cassatie. 2.48 In de schriftelijke toelichting namens eisers worden nog feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dateren van na de bestreden beslissing. De feitelijke grondslag van de middelen kan echter alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding (art. 419 lid 2 Rv). De uitspraken waarnaar in de s.t. wordt verwezen, zijn niet kenbaar uit de bestreden arresten noch uit de stukken van het geding, zodat deze stellingen als een ontoelaatbaar novum in cassatie buiten beschouwing moeten blijven. 3. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. Uitspraak Naar boven Hoge Raad: 1

Het geding in feitelijke in A. c.s. hebben bij exploot van 2 februari 2006 de Ontvanger in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en voor zover thans nog van belang gevorderd, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter; —

alle door de Ontvanger gelegde beslagen in verband met de voorlopige aanslagen IB over 2002 en 2003 ten name van A. zal opheffen, althans de Ontvanger zal veroordelen om de beslagen op te heffen en doen doorhalen in de registers,

—

de Ontvanger zal verbieden invorderingsmaatregelen te treffen ter zake van de voorlopige aanslagen dan wel ter zake van opgelegde of nog op te leggen (definitieve) aanslagen ten name van A. zolang deze aanslagen niet onherroepelijk vaststaan,

119


—

de Ontvanger zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis schriftelijk aan de hypotheekhoudster te berichten dat de executoriale beslagen ter zake van de voorlopige aanslagen IB 2002 en 2003 onjuist waren,

—

de Ontvanger zal veroordelen om de verplichtingen ingevolge art. 505 Rv in acht te nemen, voor zover hij beoogt beslag te leggen op onroerend goed dat aan de echtgenote in mede-eigendom toebehoort, een en ander telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De Ontvanger heeft de vorderingen bestreden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 maart 2006 de vorderingen van A. c.s. afgewezen. Tegen dit vonnis hebben A. c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft, na tussenarrest van 19 oktober 2006 waarbij een comparitie van partijen is gelast, bij eindarrest van 8 februari 2007 het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 maart 2006 bekrachtigd. De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de arresten van het hof hebben A. c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. A.L. Kruijmer, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. De advocaat van A. c.s. heeft op 7 november 2008 schriftelijk op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1

De Ontvanger heeft ter zake van belastingschulden van A. beslag gelegd op een aantal onroerende zaken waarvan A. eigenaar is, alsmede op een tweetal onroerende zaken waarvan A. eigenaar is tezamen met zijn echtgenote B. Met betrekking tot het beslag op laatstgenoemde zaken heeft het hof in het tussenarrest overwogen: ‘5 Grief XI strekt ten betoge dat het beslag op de panden waarvan B. medeeigenares is, geen doel treft omdat de Ontvanger slechts beslag had mogen leggen op het aandeel van A. c.s. Ook deze grief is vergeefs voorgesteld. Het is evident dat de ontvanger in casu slechts het aandeel van A. in beslag kon nemen en in beslag heeft genomen. Dat niet expliciet in het

120


beslagexploot is vermeld dat A. voor 1/2e deel eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, betekent niet dat A. c.s. stellen, het desbetreffende beslag per ommegaande opgeheven, dan wel nietig verklaard dient te worden. (…) 9

Grief XV strekt ten betoge dat de rechter ten onrechte, want in strijd met het bepaalde in artikel 505 Rv, geoordeeld heeft dat tijdige betekening aan B. (van afschriften) van het proces-verbaal van inbeslagneming van de twee onroerende zaken waarvan zij mede-eigenares is, geen nietigheid van de beslagen op die onroerende zaken tot gevolg heeft gehad. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

9.1 De grief faalt. Zoals in rechtsoverweging 5 reeds is overwogen, heeft de Belastingdienst, nu in casu slechts A. (en niet B.) de belastingschuldige is, slechts het aandeel van A. (en niet het aandeel van B.) in de eigendom van de litigieuze twee panden in beslag kunnen nemen (en genomen). Nu voorts de strekking van de regeling van artikel 505 Rv is bewerkstelliging van externe werking van het gelegde beslag en bescherming van de beslaglegger tegen rechtshandelingen van de beslagschuldenaar (A.), valt niet in te zien waarom betekening ook aan B., wier aandeel in de eigendom niet in beslag is genomen en (derhalve) door executie (zonder haar medewerking) niet aan haar kan worden ontnomen, op straffe van nietigheid ook had behoren plaats te vinden.’ Tegen deze overwegingen komen A. c.s. op in de onderdelen I en III van het middel. 3.2.1 Blijkens het desbetreffende door A. in het geding gebrachte proces-verbaal van executoriaal beslag op onroerende zaken is ten laste van A. beslag gelegd op ‘Huis, garage, tuin en terras gelegen in X., plaatselijk bekend S., grootte 2 are en 24 centiare. Boerderij en weiland gelegen in X., plaatselijk bekend R., grootte 82 are en 70 centiare.’ 3.2.2 Ook voor een executoriaal beslag als het onderhavige geldt hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2001, nr. C99/184, NJ 2002, 380, heeft overwogen ten aanzien van het daar aan de orde zijnde conservatoir beslag, te weten: ‘(…)Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken. (…) Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van

121


beslaglegging dient mede ertoe vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed.’ 3.2.3 Onderdeel I, dat gericht is tegen rov. 5 van het hof, slaagt, omdat het oordeel van het hof dat de Ontvanger slechts het aandeel van A. in beslag heeft genomen, hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het eerste is het geval indien dat oordeel berust op een miskenning van hetgeen hiervóór in 3.2.2 is overwogen. Indien het hof dat niet heeft miskend, is het bedoelde oordeel zonder nadere, door het hof niet gegeven, toelichting niet begrijpelijk in het licht van de inhoud van het procesverbaal van beslaglegging. 3.3

Onderdeel III is gericht tegen rov. 9.1. Voorzover het onderdeel is gegrond op het uitgangspunt dat het beslag mede op het aandeel van B. in de betrokken onroerende zaken is gelegd, mist het feitelijke grondslag, omdat het bestreden oordeel berust op het uitgangspunt dat slechts op het aandeel van A. beslag is gelegd. Voorzover het onderdeel van dit laatste uitgaat, faalt het eveneens, omdat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat art. 505 Rv. slechts betekening (van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming) aan de geëxecuteerde voorschrijft en dit niet meebrengt dat, indien beslag is gelegd op het aandeel van de geëxecuteerde in een onroerende zaak, tevens betekening moet geschieden aan de medeëigena(a)r(en) daarvan.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 2006 en 8 februari 2007; verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van A. c.s. begroot op € 452,03 aan verschotten en € 2.600 voor salaris.

Voetnoten Voetnoten

122


[1.]

Zie rov. 2.1 – 2.7 van het tussenarrest van 19 oktober 2006, hier enigszins verkort weergegeven.

[2.]

Het gaat om onroerende zaken te plaats D, plaats C, plaats A en plaats B. De twee laatstgenoemde zaken behoren in mede-eigendom toe aan eiser en zijn echtgenote, ieder voor de helft.

[3.]

Volgens de voorzieningenrechter (rov. 2.3) zou de Ontvanger op 16 september 2004 alsnog uitstel van betaling hebben verleend. Volgens de Ontvanger (MvA blz. 2) berust die vaststelling op een vergissing en had het verleende uitstel betrekking op andere aanslagen. Ook eisers (grief VII) gaan in hoger beroep ervan uit dat geen uitstel van betaling is verleend voor de litigieuze aanslagen.

[4.]

Het proces-verbaal, houdende weergave van de mondelinge uitspraak, is overgelegd als prod. 17 bij de inleidende dagvaarding.

[5.]

Deze datum is gelegen na de zitting van de voorzieningenrechter (sector bestuursrecht).

[6.]

Het hof vermeldt in rov. 2.5: Ontvanger. Kennelijk is sprake van een vergissing, waar de inspecteur moet zijn bedoeld.

[7.]

In hoger beroep heeft eiser niet alle oorspronkelijk ingestelde vorderingen gehandhaafd.

[8.]

De beide arresten zijn gepubliceerd in VN 2007/21.22.

[9.]

Binnen acht weken: art. 402 lid 2 in verbinding met art. 339 lid 2 Rv.

[10.] Uitwinning van goederen van enige huwelijksgoederengemeenschap (art. 1:95 – 1:96 BW, zonodig in verbinding met art. 1:122 BW) is in dit geding niet aan de orde gesteld. [11.] Art. 3 IW 1990. [12.] Art. 3:180 BW. Zie hierover ook: Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 84–85. [13.] JOR 2001, 104 m.nt. Van den Hemel. Zie over deze uitspraak ook: A. van der Steur, Object van beslag, NTBR 2001, blz. 427 – 430; L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, diss. 2003, blz. 900–901; F.H.J. Mijnssen, Materieel beslagrecht, 2003, blz. 61; A.W. Jongbloed, Bijzondere beslagen, 2003, blz. 29 – 33. [14.] Mijns inziens zou het oordeel niet anders hebben geluid indien het in die zaak was gegaan om een executoriaal beslag. [15.] Zo stelt Snijders in zijn NJ-annotatie dat men een aandeel in een goed niet eenvoudigweg als iets volstrekt anders kan beschouwen dan het goed waarin dat aandeel bestaat. Van Hemel vraagt zich t.a.p. af of in het arrest niet teveel gewicht is toegekend aan de wijze waarop het beslagobject in het proces-verbaal is omschreven. Wat dit laatste betreft merk ik op dat onder het vroegere beslagrecht, waar dit probleem reeds bestond, F.M.J. Jansen, Executie- en beslagrecht, 1990,

123


blz. 124, adviseerde: ‘het beslagen goed ware in het beslagexploot en de publicaties nader aan te duiden met ‘voorzoveel betreft de mede-eigendom (van de beslagene) in voormeld onroerend goed’, waarbij het breukdeel tot hetwelk de debiteur-mede-eigenaar in het goed gerechtigd is, tevens ware aan te geven’. [16.] In het standpunt van de Ontvanger is zulks een vanzelfsprekendheid: omdat de Ontvanger geen beslag kón leggen op de (gehele) onroerende zaak, moet het beslag wel betrekking hebben gehad op het aandeel van eiser daarin. [17.] S.t. namens de Ontvanger, blz. 6. [18.] Zie over het begrip ‘geëxecuteerde’: Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 80. Dat een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming aan eiser zelf tijdig is betekend, is in dit geding geen punt van discussie (zie prod. 6 bij de inleidende dagvaarding). [19.] Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 2 op art. 505 (A.I.M. van Mierlo). [20.] De toelichting op de klacht verwijst naar T&C Rv, aant. 3 op art. 505 (A.W. Jongbloed), die stelt dat ook aan de mede-eigenaren betekend dient te worden. De auteur vermeldt echter geen rechtsbron. In de parlementaire geschiedenis van art. 505 heb ik geen steun gevonden voor de in het middelonderdeel verdedigde opvatting dat betekening aan mede-eigenaren op straffe van nietigheid moet plaatsvinden, ook als zij niet mede geëxecuteerde zijn (Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 228–233). [21.] Volgens eiser is de hypotheekhoudster overgegaan tot openbare verkoop van de onroerende zaak te 's-Gravenhage en dreigt ook executie van de andere inbeslaggenomen zaken. [22.] HR 8 november 1991, NJ 1992, 31. De rechter is niet tot een ambtshalve toepassing van deze regels gehouden; HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, m.nt. MS. [23.] Het eerste argument van eisers (zie rov. 4.1) is in cassatie niet meer aan de orde. [24.] Tekst in de in de onderhavige zaak van toepassing zijnde periode van 1 juli 2004 tot 31 december 2004. [25.] De Vakstudie, Invorderingswet 1990, art. 25, aant. 2.4. Onder het kopje ‘ jurisprudentie’ wordt verwezen naar het bestreden tussenarrest alsmede Rb. 's-Gravenhage 26 mei 2004, V-N 2004/39.25. [26.] Zie hiervoor de producties 4 en 5 van eisers in eerste aanleg. [27.] De woorden ‘temeer onjuist’ veronderstellen dat tegen de bestreden overweging eerder een rechtsklacht is gericht. Dit is echter niet het geval: onderdeel 4.20 behelst slechts een motiveringsklacht. [28.] Zie de uitspraak van 16 december 2005 (prod. 17 van eisers in eerste aanleg), rov.

124


2.5, tweede gedachtestreepje. [29.] Zie onder het kopje ‘beslissing’, laatste gedachtestreepje: ‘wijst de verzoeken voor het overige af.’ [30.] Zie onder meer: H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt en R. van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, 2005, blz. 642; J.J. Vetter e.a., Invordering van belastingen, 2005, blz. 260 en 266 (zie ook blz. 255 m.b.t. het verzet: ‘De schorsende werking van het verzet brengt niet mee dat een reeds door de belastingdeurwaarder gelegd beslag opgeheven wordt, maar alleen dat het beslag (voorlopig) niet vervolgd mag worden. Zie voorts: P.M. Langbroek, Het bestuursrechtelijk kort geding, 1996, blz. 95. [31.] Een deel van de aangevoerde omstandigheden is genoemd in de toelichting op grief X (MvG onder 11). [32.] Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 125 en de daar aangehaalde jurisprudentie.

125


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook