Skip to main content

Sportgezondheidszorg nr 1 - 2026

Page 1


SportGezondheidsZorg

informeert en verbindt de sportzorg

Rotterdam

Marathon

Sportmedisch

Congres 2026 SPECIAL

IN DIT NUMMER

Congres brengt organisatoren en medici samen - “De kracht zit hem in kennisdelen zodat evenementen goed, veilig en verantwoord kunnen blijven plaatsvinden”

Niet opschalen, maar afschalenDe-escalatieladder bewaakt zorgcontinuïteit bij sportevents De datagedreven hardloper

En verder

» De zin en onzin van supplementen voor sporters

» Leren van Defensie bij het voorkomen, herkennen en behandelen van hitteletsel

» De harde realiteit van anabolen: meer spieren, minder gezondheid

Jaargang 03 01 | april 2026

Uitgave van Golazo Media

Beste lezer,

Het voorjaar is aangebroken. Dat betekent dat ook het seizoen van de grote sportevenementen is losgebarsten. Fiets- en hardloopevents trekken duizenden en soms wel tienduizenden enthousiastelingen die zich in het zweet werken voor hun eigen ultieme sportprestatie. Komend weekend is de Marathon van Rotterdam met 18.000 deelnemers. Het weekend daarna staat de Amstel Gold Race op het programma, waarvan de toerversie 15.000 fietsfanaten trekt.

De laatste jaren worden grootschalige sportevenementen steeds populairder. Deden er in 2005 nog 10.000 lopers mee aan de marathon in Rotterdam, in 2015 waren dat er 15.000 en dit jaar dus 18.000. Over het hele weekend (met de 10 kilometer, wandeltocht en kidsrun erbij) zijn er maar liefst 50.000 deelnemers. Andere grote evenementen zoals de marathon van Amsterdam (inmiddels meer dan 60.000 deelnemers gedurende het hele weekend, waarvan 32.000 aan de marathon) en de Nijmeegse Vierdaagse (47.000 deelnemers) zien hetzelfde.

Dat is hartstikke mooi, maar al die massale sportevenementen zijn niet zonder risico. Waar duizenden mensen tegelijk sporten, liggen blessures en andere letsels op de loer. Van blaren tot valpartijen en van knieblessures tot zeer ernstige hitteberoertes: deelnemers kunnen met veel narigheid te maken krijgen onderweg. Van de medische zorgverlening wordt dan ook steeds meer gevraagd om alle wandelaars, hardlopers en wielrenners veilig te houden. Kennis van en ervaring in de evenementenzorg zijn hiervoor cruciaal.

Om die kennis en ervaring te bundelen en te delen organiseert de Rotterdam Marathon Study Group (RMSG), verantwoordelijk voor de medische zorg rondom de Marathon Rotterdam, sinds een aantal jaar aan de vooravond van het hardloopevenement in de Maasstad een

COLOFON Sportgezondheidszorg is een uitgave van Golazo Media.

Sportgezondheidszorg richt zich op sportzorgprofessionals en verschijnt vier keer per jaar.

Hoofdredactie

Tessa de Wekker

Eindredactie

Karlijn de Jonge

Redactie

Yara Hooglugt

Fotografie

H&H Stadsfotografie, Rob Oostveen, Privéfoto’s van Ciska de Bruijn, Armağan Karahanoğlu,

Thijs Landman, Kim Pannekoek, Adilson da Silva & Irma Weijs, Shutterstock, TGTF/Defensie

Coverfoto

Vincent van den Boogaard

Vormgeving

Dasgoud Creatie & Design

ISSN 3050-7669

Druk

Damen Drukkers, Werkendam

Projectleiding

Marleen Kessel

sportmedisch congres. Ook dit jaar delen experts uit het hele land hun kennis over zowel de organisatorische kant van de evenementenzorg als een aantal inhoudelijke onderwerpen op sportmedisch gebied.

In dit nummer van Sportgezondheidszorg blikken we vooruit op het congres. Zo vertelt voorzitter van de RMSG Kim Pannekoek over het ontstaan van het congres en deelt huisarts in opleiding Thijs Landman zijn kennis over de zin en onzin van sportsupplementen. Onderzoeker (én fervent hardloper) Armağan Karahanoğlu, sportpsycholoog Ciska de Bruijn en hardlooptrainer Adilson da Silva vertellen over de kansen en risico’s van data, apps en AI voor de (amateur)sporter en thermofysioloog bij Defensie Koen Levels laat zien wat de sport kan leren van de krijgsmacht als het gaat om presteren in de hitte en het voorkomen van en handelen bij hitteletsel.

Tot slot vertelt Irma Weijs, beleidsadviseur bij GHOR Zaanstreek-Waterland, over de de-escalatieladder: een stoplichtmodel dat de zorgcontinuïteit moet waarborgen tijdens een groot (sport)evenement. Niet door de zorg almaar op te schroeven, bijvoorbeeld in geval van (extreme) hitte, maar door een evenement tijdig af te schalen. Op die manier kan chaos worden voorkomen en blijft de zorg in de regio bereikbaar voor iedereen die zorg nodig heeft.

Net als de organisatoren van het Rotterdam Marathon Sportmedisch Congres wil ook de redactie van Sportgezondheidszorg kennis over verschillende onderwerpen delen en zo bijdragen aan het goed, veilig en verantwoord houden van sportevenementen. Veel leesplezier!

De redactie

Lezersservice

Abonnementen/adreswijzigingen Golazo Media

Oppert 21 A 3011 HT Rotterdam E-mail: info@sportsmedia.nl

Abonnementen

De kosten voor een introductieabonnement op Sportgezondheidszorg bedragen € 87, 20 per jaar. sportsmedia.nl/introductie-abonnementsportgezondheidszorg.html

Reprorecht

Het verlenen van toestemming tot publicaties in dit tijdschrift houdt in dat de uitsluiting van ieder ander onherroepelijk door de auteur in gemachtigd de door derden verschuldigde vergoeding voor kopiëren, als bedoeld in artikel 17 lid 2 van de Auteurswet 1912 en in het Koninklijk Besluit van 20 juni 1974 (Stb. 35) ex art. 16b van de Auteurswet 1912, te innen en/of daartoe in en buiten rechte op te treden. Overname van artikelen na toestemming van de redactie met bronvermelding is mogelijk.

De redactie draagt geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van de advertenties/advertorials in dit tijdschrift.

Het vakblad Sportgezondheidszorg bevat onder andere artikelen over nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en innovaties, interviews, overzichtsartikelen en best practices. Het stimuleert interdisciplinaire samenwerking rondom de sporter, die een centrale rol inneemt.

SportGezondheidsZorg

Neem nu een abonnement en ontvang het eerste jaar 50% introductiekorting. informeert en verbindt de sportzorg

Interesse?

Programma 2e Rotterdam Marathon Sportmedisch Congres

Aan het woord: Maarten Moen, prestatiemanager Medisch bij NOC*NSF

Sportpsychologie, inspannings­ fysiologie en fysiotherapie: the full package

Hardlopen op leeftijd: Huib Dingen (89) denkt niet aan stoppen

In dit nummer

Voorzittter RMSG

Kim Pannekoek:

“De kennis en ervaring vanuit de Marathon Rotterdam willen we graag delen”

6

En verder

GHORbeleidsadviseur

Irma Weijs:

“We moeten evenementen tijdig afschalen, niet de zorg opschalen”

11

Arts-in-opleiding Thijs Landman

“Er is zoveel zin en onzin te vinden over voeding en supplementen”

18

01 | april 2026

De datagedreven hardloper

“Data kunnen van grote waarde zijn om gezond te blijven, mits ze op een gezonde manier gebruikt worden”

Thermofysioloog Koen Levels:

“Kennis die wij bij Defensie hebben kan één-op-één worden gebruikt in de civiele samenleving”

44

De harde realiteit van anabolen: meer spieren, minder gezondheid

“Met de juiste voorlichting en zorg kunnen we het anabolengebruik in Nederland proberen te beperken” 26 32

RMSC brengt organisatoren en medici samen

“De kracht zit hem in kennisdelen zodat evenementen goed, veilig en verantwoord kunnen blijven plaatsvinden”

Dit nummer van Sportgezondheidszorg staat in het teken van het Rotterdam Marathon Sportmedisch Congres. Alweer voor de vierde keer organiseert de Rotterdam Marathon Study Group dit congres voorafgaand aan de marathon in de stad. Dit jaar ligt de focus op hoe je veilig een massaal sportevenement kunt organiseren. “Het congres is bedoeld om kennis te delen met organisatoren van evenementen, beleidsmedewerkers en iedereen die medisch onderlegd is en op de een of andere manier betrokken is bij evenementenzorg”, zegt Kim Pannekoek.

Zij is sinds dit jaar voorzitter van de Rotterdam Marathon Study Group (RMSG). Van oorsprong is Pannekoek sportfysiotherapeut en in die rol al jaren lid van de RMSG en verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de acute fysiotherapeutische zorg tijdens de Marathon Rotterdam en een aantal andere grote hardloopevenementen. De laatste jaren focust ze zich als klinisch gezondheidswetenschapper binnen de RMSG steeds meer op wetenschappelijk onderzoek rondom evenementenzorg. “We hebben als RMSG zoveel kennis opgedaan in alle jaren dat we verantwoordelijk zijn voor de medische zorg bij de Rotterdam Marathon. Die kennis en ervaring willen we graag delen”, vertelt ze.

Voorheen was er altijd een bijeenkomst voor alle medische en paramedische vrijwilligers die meehielpen tijdens de marathon. Pannekoek: “We vertelden dan van alles over praktische zaken en we koppelden daar ook een inhoudelijk stuk aan, over bijvoorbeeld de behandeling van hitteletsel.” Dat vond men zó interessant, dat de wens ontstond om de bijeenkomst breder te trekken: niet alleen voor de eigen vrijwilligers, maar ook voor andere evenementorganisaties en (para)medici die zijn betrokken bij de zorg tijdens grote sportevenementen. “Zo is het idee ontstaan om een congres te organiseren. En inmiddels zijn we al toe aan de vierde editie.”

Door: Tessa de Wekker Beeld: H&H Stadsfotografie

Landelijk gedragen visie

Het congres, met plenaire en parallelsessies, wordt jaarlijks op de donderdag voor het marathonweekend gehouden en besteedt aandacht aan zowel de organisatorische kant van de evenementenzorg als aan een aantal inhoudelijke onderwerpen op sportmedisch gebied. Deelnemers kunnen zo deels hun eigen programma samenstellen, waardoor het congres voor de verschillende doelgroepen interessant is. Voor de inhoudelijke onderwerpen komen experts uit het hele land naar Rotterdam. Ook wordt recent (eigen) wetenschappelijk onderzoek gedeeld.

Dit jaar is er veel aandacht voor de organisatiekant. Zo is er een panelgesprek over de impact van grote evenementen op de acute zorg en ambulancezorg in de stad.

Ook delen Pannekoek en haar collega RMSG-lid Amber Hoek hun ervaringen van een kijkje achter de scher-

De medische zorg op en rond het parcours is erop gericht om zo veel mogelijk lopers uit het ziekenhuis te houden

men bij de medische organisaties van de marathons van Berlijn en Valencia. Het doel is om te leren van hoe deze grote internationale marathons hun medische zorg hebben georganiseerd, welke keuzes zijn gemaakt en welke inzichten relevant zijn voor de Nederlandse praktijk. Aarnout Brombacher, hoogleraar Technische Universiteit Eindhoven, vertelt over veilig hardlopen in de openbare ruimte. En Irma de Weijs gaat in op de de-escalatieladder voor op- en afschalen van zorg die

de GHOR Zaanstreek-Waterland heeft ontwikkeld naar aanleiding van de Dam tot Damloop in 2019. Die werd stilgelegd vanwege de hitte en de vele lopers die een hitteberoerte kregen. Verderop in dit magazine staat een interview met De Weijs. Pannekoek: “Evenementen in warme omstandigheden zijn geen uitzondering meer in Nederland. Het is goed om een brede landelijk gedragen visie te ontwikkelen over hoe we hier als organisatoren, zorg en beleidsmedewerkers mee om moeten gaan. Wat kunnen we doen in het voortraject om te voorkomen dat afgelasting de enige optie wordt die uiteindelijk overblijft als te veel mensen onwel worden en een beroep moeten doen op medische zorg? Er zijn inmiddels best wat initiatieven in het land, zoals in Zaanstreek-Waterland. Het is goed om die informatie met elkaar te delen en wellicht kan er uiteindelijk een protocol komen hoe we hier mee om gaan. Hoewel elke regio anders is en de omstandigheden natuurlijk nooit hetzelfde zijn, hebben we wel allemaal te maken met dezelfde problematiek.”

Netwerk versterken

Naast organisatorische vraagstukken worden ook sportmedisch inhoudelijke onderwerpen besproken. Dit jaar

zijn er onder andere sessies over hielspoor, voedingssupplementen bij duursport en monitoring als onderdeel van training. Bijna elk jaar zijn er wel één of meerdere sprekers over sporten in warme omstandigheden en hoe te handelen bij hitteletsel. “Dit is een heel belangrijk onderwerp, waar we dus ook veel aandacht aan besteden”, zegt Pannekoek.

Tot slot is het congres belangrijk om het netwerk van iedereen die te maken heeft met de medische kant van grote sportevenementen te versterken. Pannekoek: “De bedoeling is dat we elkaar beter kunnen vinden. Dat is echt wel gelukt in vier jaar tijd. Ik zie die groei van contacten niet alleen op het congres, maar dat merken we ook in het land. We hebben beter contact met andere grote evenementen, zoals de marathon van Amsterdam. Dat is mede voortgekomen uit het congres. Het is laagdrempelig en interessant en mensen vinden het leuk om te komen. Dan spreek je elkaar informeel en dat helpt enorm in het versterken van de contacten. De kracht zit hem in kennis delen en samenwerken zodat we er met zijn allen voor kunnen zorgen dat de evenementen goed, veilig en verantwoord kunnen blijven plaatsvinden.”

Kim met Gregory Sedoc vorig jaar.

Rotterdam Marathon Study Group

De Rotterdam Marathon Study Group (RMSG) zet zich in voor veilige, verantwoorde en gezonde deelname aan grote hardloopevenementen, waarvan de Marathon Rotterdam veruit de grootste is. Dit doet de RMSG door medische zorg tijdens het evenement, wetenschappelijk onderzoek en kennisdeling. “Ons doel is om de kwaliteit en veiligheid van de evenementenzorg te verbeteren. Van onze eigen evenementen, maar door onze kennis en ervaring te delen, willen we ook andere evenementen helpen”, zegt voorzitter Kim Pannekoek.

In 1981, tijdens de eerste Marathon Rotterdam, begon verpleegkundige Marianne van der Burg met een medische post met een aantal veldbedden. Ze wilde daarmee voorkomen dat er te veel hardlopers die in de problemen raakten naar het ziekenhuis zouden moeten, waardoor de reguliere zorg in het gedrang zou kunnen komen. Hoewel zowel de marathon zelf (van zo’n 200 deelnemers in 1981 naar 18.000 nu, en over het gehele weekend zelfs 51.000) als de medische organisatie enorm is gegroeid in 45 jaar, is dat doel in al die jaren ongewijzigd: de medische zorg op en rond het parcours is erop gericht om zo veel mogelijk lopers uit het ziekenhuis te houden.

Uitbreiding taken

Dat lukt goed. Gemiddeld werden tussen 2019 en 2024 480 lopers behandeld, waarvan 219 met medisch-specialistische spoedzorg in de medische posten naast het parcours. 93 procent kon na behandeling naar huis. Gemiddeld vier lopers werden verwezen naar de huisartsenpost en twaalf naar de SEH. Acht slachtoffers werden direct vanaf het parcours naar de SEH vervoerd.

De coördinatie van de medische zorg is in handen van de RMSG. De RMSG heeft negen leden. Dit zijn artsen, verpleegkundigen en fysiotherapeuten van verschillende Rotterdamse ziekenhuizen en paramedische centra. De RMSG bestaat een jaar of zeven onder die naam. Daarvoor was het de medische commissie van de Marathon Rotterdam. “Die naam voldeed niet meer, omdat onze taken en verantwoordelijkheden zich in de loop van de jaren enorm hebben uitgebreid. We organiseren niet meer alleen de medische zorg tijdens de evenementen, maar zijn het hele jaar bezig met de voorbereiding, en ook met wetenschappelijk onderzoek en voorlichting”, zegt Pannekoek.

Preventie

Wetenschappelijk onderzoek is de laatste jaren een steeds belangrijker onderdeel van het werk geworden. Dat is niet

vreemd, want de onderzoeksvragen liggen tijdens een evenement als de Marathon Rotterdam vrij letterlijk op straat.

Pannekoek: “We analyseren elk jaar waar we tegenaan lopen. Welke vragen hebben we? Die kunnen we direct onderzoeken. En het mooie van de evenementenzorg is dat je het resultaat gelijk het jaar erop kunt toepassen in de praktijk.”

De laatste jaren ziet de Study Group dat het met name jonge lopers zijn die hulp zoeken in de medische posten. Opvallend, want je zou verwachten dat het juist oudere deelnemers zijn die in de problemen komen. “In wetenschappelijke literatuur uit het buitenland zien we dezelfde trend”, zegt Pannekoek. Hoewel de onderzoekers hun vermoedens hebben waarom juist jongeren vaker in de problemen komen (enkele hypotheses zijn zelfoverschatting, druk vanuit de omgeving/ sociale media en slechtere voorbereiding omdat ze voor het eerst een marathon lopen zonder echt te weten waar ze aan beginnen), kennen ze het antwoord nog niet. Wel wordt de informatie nu al gebruikt om de voorlichting richting jongere deelnemers te verbeteren. Pannekoek: “Preventie is heel belangrijk als je deelnemers uit het ziekenhuis wilt houden. Dat betekent dat je als organisatie je lopers goed moet informeren over een goede voorbereiding en bijvoorbeeld het herkennen van hitteletsel. De jongere generatie bereik je niet met een mailtje of een praatje bij een loopgroep, maar veel eerder via sociale media. We maken daarom tegenwoordig naast die andere voorlichting ook TikTok-filmpjes met informatie.”

Kennis delen

Daarnaast heeft de RMSG een adviserende rol richting organisatoren van andere (hardloop)evenementen. Zo krijgen Pannekoek en haar collega’s regelmatig vragen om de medische draaiboeken van evenementen te bekijken en beoordelen en adviseren ze over de inrichting en inzet van de (para) medische zorg. Ook heeft de Study Group meegeschreven aan de landelijke Veldnorm Evenementenzorg “Het werk en de verantwoordelijkheid van de Study Group is de laatste jaren enorm uitgebreid. We zijn de enige evenementorganisatie in Nederland die de medische zorg op deze manier heeft georganiseerd. Daarom willen we onze kennis graag delen, zoals bijvoorbeeld tijdens het congres.”

Niet opschalen, maar afschalen

De-escalatieladder bewaakt zorgcontinuïteit bij sportevents

De Dam tot Damloop van 2019 liet zien hoe snel een ogenschijnlijk beheersbare situatie kan omslaan in chaos met vijftig ziekenhuisopnames. Niet omdat de zorg niet goed genoeg georganiseerd was, maar omdat de capaciteit haar grenzen bereikte. GHOR-beleidsadviseur Irma Weijs legt in dit artikel uit hoe deze uit de hand gelopen editie leidde tot een fundamentele herziening van crisisdenken bij sportevenementen. Weijs ontwikkelde de de-escalatieladder: een stoplichtmodel dat de zorgcontinuïteit moet waarborgen.

Het is zondagmiddag 20 september 2019. De Dam tot Damloop is ’s ochtends vrij soepel van start gegaan. Wie de deur uit ging richting parcours, had echt wel een jasje nodig; het was aan de start van de dag nog frisjes. Naarmate de uren verstrijken wordt het wat warmer en ineens, vanaf elf uur, gaat het snel. Irma Weijs, beleidsadviseur risicobeheersing en crisisbestrijding GHOR Zaanstreek-Waterland, weet direct: dit is alle hens aan dek. “Om half twaalf lag de eerste deelnemer al in een koelbad. Het was de eerste editie dat we met koelbaden werkten en dus agressief en snel konden koelen. Dat is een lifesaver geweest.”

Chaos

Vanaf half twee ’s middags ontstaat er chaos op en naast het parcours. De buitentemperatuur loopt op en lopers vallen bij bosjes uit met oververhittingsverschijnselen die variëren van milde symptomen tot levensbedreigende hitteberoertes. Omdat hulpdiensten hun focus volledig richten op het acuut helpen van mensen, wordt de hoeveelheid slachtoffers niet meer goed geregistreerd. Het overzicht is zoek en de chaos is compleet. “Alle communicatie viel op een gegeven moment weg, terwijl de slachtoffers maar bleven komen”, blikt Weijs terug. “Vooraf stonden elf ambulances en 350 hulpverleners

“Een evenement als de Dam tot Damloop hoort de reguliere zorg niet te verstoren”

klaar: EHBO’ers, verpleegkundigen en artsen in ziekenhuizen. Er waren zestien ziekenhuisbedden in de regio beschikbaar. Uiteindelijk moesten vijftig mensen in zeer acute toestand worden opgenomen in ziekenhuizen. Daarom zijn er extra ambulances uit het hele land ingezet. Dat zorgde weer voor krapte in de reguliere paraatheid in bijvoorbeeld Brabant of Zeeland. We kennen één geval van iemand die met spoed naar het ziekenhuis moest vanuit een woonwijk, maar er was gewoon geen ambulance meer beschikbaar. Deze persoon moest vervolgens op de achterbank van een rapid responder [klein ambulancevoertuig met enkel één ambulanceverpleegkundige, red.] vervoerd worden naar het ziekenhuis.”

Ook de regionale ziekenhuizen konden de toestroom van marathonlopers niet meer aan: slachtoffers werden verspreid over andere regio’s opgenomen.

De-escalatieladder

Dit mag nooit meer gebeuren, voelden Weijs en haar collega’s van de organisatie en hulpverlening direct na de Dam tot Damloop: “De eerste vraag die dan misschien bij veel mensen opkomt is: Hadden jullie het wel goed geregeld? Ja, alles was goed geregeld, maar genoeg is genoeg op een gegeven moment. Een evenement als de Dam tot Damloop hoort de reguliere zorg niet te verstoren, en dus wist ik: om dit in de toekomst te voorkomen, moeten we evenementen tijdig afschalen; niet de zorg opschalen.”

Maar om nou bij elke toekomstige editie in spanning de temperatuur in het loopweekend af te wachten? “Ik zag mezelf al zitten met geknepen billen”, zegt Weijs. En dus ontwikkelde ze een de-escalatieladder. “Ik dacht: het kan toch niet zo zijn dat de piek in één keer komt, daar zal toch wel een opbouw in zitten? Daarom ben ik naar ziekenhuizen gegaan om mijn idee voor een stoplicht-

model toe te lichten en te checken of mijn vermoeden klopte. Zat er een escalatietrap in of kwam de chaos in één keer op de ziekenhuizen af? Inderdaad: ziekenhuizen merkten dat de snellere doorloop zich opbouwde en dat het niet zo is dat alle bedden in één keer bezet zijn. Ook bij de ambulancedienst en het Rode Kruis ben ik gaan rondvragen: Welke beheersmaatregelen zouden we kunnen treffen in de organisatie om een situatie van oranje weer terug te krijgen naar groen? En wat is daarvoor nodig? Zo ben ik langzaam gaan bouwen aan de de-escalatieladder.”

Niet opschalen

Weijs omschrijft de ladder als een ‘onderlegger’. Zie het als een model ten behoeve van crisisbeheersing bij evenementen, net zoals er diverse modellen zijn voor het besturen van organisaties, zoals een balancescorecard. De rode draad wordt gevormd door de visie: als puntje bij paaltje komt schaalt niet de zorg op, maar het evenement af. Elke zorgpartij die betrokken is bij de Dam tot Damloop, vult vooraf voor de eigen organisatie in welke waarden bij groen, geel, oranje, rood en uiteindelijk zwart horen (versimpeld gesteld; in de praktijk kent de ladder diverse kleurschakeringen en tussenfasen). De ambulancedienst koppelt bijvoorbeeld het aantal rijdende en vrije ambulances aan de kleuren van het stoplichtmodel en de ziekenhuizen het aantal nog beschikbare bedden. En zo zijn er tal van andere parameters. “Je hangt getallen aan de drukte. Niet het onderbuikgevoel, niet de stressbestendigheid van individuele beslissers in de organisatie bepalen de keuzes die worden gemaakt in het afstemmingsoverleg tijdens het evenement. De deescalatieladder bepaalt als het ware. De keuzes worden gemaakt op basis van indicatoren die feitelijk, objectief en meetbaar zijn.”

Live monitoring

De deelnemers aan het afstemmingsoverleg, ook wel veiligheidsoverleg, komen gedurende de Dam tot Damloop diverse keren bij elkaar. Aan tafel zitten een

“Keuzes worden gemaakt op basis van indicatoren die feitelijk, objectief en meetbaar zijn”

afgevaardigde van de organisatie, gemeente, politie, brandweer en GHOR. In het overleg wordt live gemonitord of de continuïteit van zorg nog gewaarborgd kan worden. De deescalatieladder ligt tegenwoordig, uitgeprint, als een soort placemat op tafel. Er is ook een digitaal dashboard. Weijs: “Een kwartier van tevoren worden de meest actuele data aangeleverd. Die voeren we in ons LCMS in [Landelijk Crisis Management Systeem: software die de gezamenlijke crisispartners gebruiken om netcentrisch informatie uit te wisselen, red.]. Het hoofd informatiemanagement van de GHOR voert de gegevens in Excel in, wat in verbinding staat met het digitale dashboard. Zo weten alle partijen tijdens de loop precies hoeveel ambulances, zorgmedewerkers en bedden er beschikbaar zijn en bij welke bezetting we in oranje en rood zitten. Vroeger werkten we alleen met de vraag: Hoeveel capaciteit is bezet in plaats van hoeveel is beschikbaar? Daar kun je niet handig op sturen. Doordat we nu weten hoeveel capaciteit er nog beschikbaar is, kunnen we op basis daarvan beter het verloop van de zorg voorspellen. Daarbij nemen we een breder perspectief mee: Hoeveel lopers zijn er nog op het parcours, hoeveel gaan er nog starten, wat gaat de temperatuur doen en wat is het slachtofferbeeld? Zo blijven we de ladder continu live bijwerken.”

Beheersmaatregelen

Aan elke kleur op de de-escalatieladder zijn beheersmaatregelen verbonden, legt Weijs uit. “We stellen niet alleen de vraag in welke kleur we zitten, maar ook wat dat betekent voor het evenement. Aan welke knoppen kan een organisator draaien?” Maatregelen kunnen zijn: sponzen uitdelen, deelnemers-

“Het is echt belangrijk dat deelnemers zich meer bewust worden van de risico’s”

groepen spreiden, bepaalde groepen eruit halen of in het uiterste geval deelnemers niet meer laten starten. Maar, zo benadrukt Weijs ook met klem, in een eerdere ‘mildere’ fase is het net zo belangrijk dat lopers zélf hun verantwoordelijkheid nemen. Bijvoorbeeld: in een oranje fase kan het een aanzienlijk aantal slachtoffers schelen als deelnemers de adviezen van de organisatie ter harte nemen.

“Als we gedurende het evenement adviseren om het tempo aan te passen of vaker te wandelen, zeggen we dat niet voor niets. Dat zeggen we omdat er een concreet gezondheidsrisico is. De buitentemperatuur voelt op zo’n moment misschien niet warm aan, maar dat zegt niets. Als we iets adviseren, komt dat ook niet alleen omdat we de temperatuur meten, maar ook omdat we kijken naar het slachtofferbeeld tijdens het evenement.”

WBGT

Bovendien speelt er temperatuurtechnisch natuurlijk veel meer mee dan alleen het getal dat we op de thermometer zien, duidt Weijs. Daarom heeft ze in de de-escalatieladder ook de Wet Bulb Globe Temperature-index geïntegreerd (WBGT). Dit is een internationale wetenschappelijke indicator voor hittebelasting. In deze index is niet alleen de luchttemperatuur meegenomen, maar ook luchtvochtigheid, windsnelheid en zonnestraling. In 2010 deed de Amerikaanse arts-onderzoeker William O. Roberts onderzoek naar hittebelasting in relatie tot het aantal medische incidenten. In zijn studie Determining a ‘do not start’ temperature for a marathon on the basis of adverse outcomes stelde hij een medische WBGT-grenswaarde vast: een Do Not Start WBGT-waarde van 21 graden Celsius. Roberts bestudeerde in zijn onderzoek de gegevens

van marathons in plaatsen met vergelijkbare noordelijke breedtegraden als Rotterdam. Dat is nuttig om te weten, immers: de fysiologische belasting hangt sterk samen met de mate van hitteacclimatisatie van de lopers. Die is bij dezelfde WBGT-waarde in een tropisch klimaat anders dan in gematigde klimaten zoals in ons land. Weijs: “Toen we zijn gaan terugkijken, zagen we dat het elke keer weer klopt. We bekeken bijvoorbeeld de temperaturen tijdens de Dam tot Damloop in 2019, en warempel: er gold inderdaad een WBGT-waarde rond de 21 graden. In 2024 was dat precies hetzelfde, en ook toen is de Dam tot Damloop stilgelegd. De WBGT-waarde is voor ons dus een belangrijk ijkpunt.”

Bestuurlijk vastgesteld

Weijs heeft de de-escalatieladder bestuurlijk laten vaststellen en in de driehoek laten accorderen. Dat is belangrijk, zegt ze: elke betrokken partij weet nu wat ze kan verwachten. “Het proces rondom de de-escalatieladder is net zo belangrijk als het papiertje zelf. We hebben essentiële bestuurlijke uitgangspunten opgesteld waarin staat wie aan welke knoppen draait. Rollen en verantwoordelijkheden zijn duidelijk. Iedereen heeft risico awareness, maar vaststaat dat de gemeente de regie heeft wanneer het kantelpunt wordt bereikt. Wij als GHOR ondersteunen en duiden en rijgen de ladder als rode draad met al zijn indicatoren

en variabelen door het proces. Die regierol van de gemeente is belangrijk. Als dat niet lukt, wordt een situatie een GRIP [opschaling van hulpverlening bij grote incidenten, red.] en dan ben je de regie kwijt. Dan sta je als organisatie buitenspel.” Om dat te voorkomen, ligt de last van de besluitvorming op cruciale momenten ook niet op de schouders van één man of vrouw, bijvoorbeeld op die van de Officier van Dienst Geneeskundig van de GHOR. Door meer solidariteit in de besluitvorming, en de de-escalatieladder, wordt een oordeel niet afhankelijk van bijvoorbeeld ervaring of risicoperceptie van één individu op dat ene specifieke moment, maar gedragen door een gezamenlijk vastgesteld kader en een collectief mandaat. Dat verkleint de kans op twijfel of uitstel onder druk en vergroot de voorspelbaarheid van handelen. Besluiten worden daarmee minder persoonsafhankelijk en meer systeemgestuurd – precies wat volgens Weijs nodig is om in een snel verslechterende situatie de regie te behouden.

Deelnemers ook verantwoordelijk

Tegelijkertijd stelt Weijs de vraag: Wanneer is genoeg ook daadwerkelijk genoeg? Als je ieder slachtoffer tegelijk kan koelen, moet je dat dan ook willen? Waarmee ze bedoelt: moeten we het voortaan maar ‘normaal’ gaan vinden dat een Nederlands sportevent inherent is aan zo’n grote groep slachtoffers? “Met

“Tijdens een evenement werken we de ladder continu bij”

goed koelen en goed op elkaar ingespeelde geneeskundige zorg kunnen we echt heel veel aan. Doen wij dit goed, dan zijn we echt een geoliede machine. De witte keten staat met 350 mensen, elf ambulances en zestien bedden, waarvan vier ic-bedden, klaar in opperste staat van paraatheid. Maar op een gegeven moment is het klaar, er zit geen onbeperkte rek in die keten en we moeten ook gaan nadenken over de toekomst.”

De rol van een organisator is daarin het grootst, stelt Weijs. Niet alleen door grip te houden op almaar toenemende deelnemersaantallen – “Dat we nu de ladder hebben betekent niet dat je automatisch de aantallen en zorgcapaciteit kunt blijven opplussen; dat is een drogreden” – maar ook door nóg actiever te communiceren met (toekomstig) deelnemers. “Het is echt belangrijk dat deelnemers zich meer bewust worden van de risico’s. Dat kan écht het verschil maken. Als lopers eerder luisteren naar adviezen en vaker pauzeren, zijn veel problemen echt te voorkomen. Ondanks dat je lang getraind hebt, je familie of vrienden je aanmoedigen of je een bepaalde eindtijd in gedachte hebt, neem de waarschuwingen serieus. Als je in extreme kou gaat lopen, bereid je je toch ook voor met warme kleding? In het bos let je toch ook op dat je niet over een boomstronk struikelt? Waarom lopen we bij het risico op een hitteberoerte bijna allemaal door alsof het gevaar niet bestaat? Geloof

me: de mensen die wij in de koelbaden hebben, zijn bijna altijd goed getrainde, gezonde mensen. Denk dus niet: dat overkomt mij niet.”

Goed deelnemerschap

Als extra impuls benadrukt Weijs: “En denk ook eens aan je naasten. Wanneer iemand een hitteberoerte krijgt, is dat verschrikkelijk om te zien. Het komt voor dat mensen hun partner in elkaar zien zakken en in angst moeten afwachten of ze hem of haar zullen kwijtraken. Daar kun je nog heel lang last van houden.” Goed deelnemerschap: dat is wat Weijs betreft het prominente thema rondom en tijdens sportevenementen in de komende jaren. Die verantwoordelijkheid dragen we allemaal: organisatoren, deelnemers en publiek. De zorg staat klaar, de de-escalatie ligt daar als fundament onder, maar als het aan Weijs ligt werken we toe naar zo gezond mogelijke sportieve evenementen waarbij de mogelijkheden tot agressief koelen, ambulances en ziekenhuisbedden zo min mogelijk worden benut.

Afbeelding: Shutterstock

Het kan slachtoffers schelen als deelnemers de adviezen van de organisatie ter harte nemen

“Het is niet gek dat patiënten en sporters –maar ook zorgverleners – door de bomen het bos niet meer zien”
De zin en onzin van supplementen voor sporters

Er zijn weinig onderwerpen waarover online meer onzin te vinden is dan over supplementen. Influencers, pseudowetenschappers en marketinggoeroes van allerlei fabrikanten buitelen over elkaar heen met desinformatie, die niet zelden best logisch klinkt. “En tegelijkertijd weten veel artsen en andere zorgverleners vaak relatief weinig van goede voeding en de zin en onzin van supplementen omdat het geen vast onderdeel is van de opleiding”, zegt huisarts in opleiding Thijs Landman.

Door: Tessa de Wekker

Hij ging de strijd aan met de online desinformatie. Samen met twee vrienden – de één een jonge sportarts, de ander internist in opleiding, begon hij de website Medicusonline.nl met daarop toegankelijke evidencebased informatie over leefstijlgeneeskunde met bewegen, voeding en supplementen als belangrijkste onderwerpen. Ook geeft hij lezingen en nascholingen aan collega-artsen en andere zorgverleners, zoals tijdens het Rotterdam Marathon Sportmedisch Congres. “Het is belangrijk dat artsen hun patiënten goed kunnen voorlichten.”

Betrouwbare informatie Landman begon Medicus Online in coronatijd. Hij was afgestudeerd als basisarts en bezig met zijn promotieonderzoek naar het effect van beweging op hersen- en cardiovasculaire gezondheid. De coronatijd was naar eigen zeggen een eyeopener voor hem. “Ik hoorde mensen van alles roepen dat echt totaal niet klopte. Met name op sociale media, maar ook elders.” Tegelijkertijd zat hij tijdens de lockdowns net als bijna heel Nederland thuis. Zijn onderzoek lag grotendeels stil, van het sociale leven was niets meer over en hij mocht zijn sport – crossfit – lange periodes niet beoefenen. “Ik verveelde me behoorlijk.” Landman besloot de tijd te doden met het opzetten van een website waarop mensen betrouwbare, op wetenschap gebaseerde, informatie kunnen vinden over zijn passie: leefstijlgeneeskunde. Medicus Online begon klein, met zo’n tien bezoekers per maand. Inmiddels trekt de site – met daarop korte artikelen in categorieën als diëten, hart- en vaatziekten, voeding, sport en bewegen en supplementen – maandelijks tussen de vijf- en tienduizend bezoekers. Dit zijn ‘gewone’ mensen, maar ook zorgverleners. Ook hebben Landman en zijn kompanen de Medicus Academy opgericht, met daarop geaccrediteerde e-learnings voor zorgverleners, met name (huis)artsen, praktijkondersteuners en verpleegkundig specialisten. “Er zijn heel veel vragen over wat nu eigenlijk wetenschappelijk is bewezen over

“Er zijn heel veel vragen over wat nu eigenlijk wetenschappelijk is bewezen over voedingssupplementen”

voedingssupplementen. Over de voordelen en over de bijwerkingen. Ook bij collega’s. Lang niet alle zorgverleners weten er veel over, terwijl patiënten wel met allerlei vragen komen.”

Veel discussie

Landman vindt het niet vreemd dat zijn collega’s over het algemeen weinig weten van leefstijlgeneeskunde en voedingssupplementen. “In de opleiding geneeskunde is het nauwelijks een onderwerp”, zegt hij. Daarom is de behoefte aan betrouwbare op wetenschap gebaseerde informatie groot. Die geeft Landman graag. Inmiddels besteedt hij zo’n anderhalve dag per week aan de website, het ontwikkelen van webinars en presentaties. “Het is een beetje een uit de hand gelopen hobby”, zegt Landman lachend. Zijn ‘hoofdbestaan’ is zijn specialisatie tot huisarts. Landman werkt momenteel drie dagen per week in een huisartsenpraktijk en volgt één dag onderwijs op de universiteit.

Leefstijlgeneeskunde is een grote passie van Landman. Verreweg de meeste vragen in de spreekkamer gaan over voeding en supplementen. Opvallend, vindt hij. “Stoppen met roken en alcohol en meer bewegen levert vaak veel meer gezondheidswinst op”, zegt hij. Toch vindt hij het ook weer niet gek dat veel mensen vragen hebben over voeding en de werking van supplementen.

“Er is heel veel discussie over. Ook in de medische wereld. Als ik iets op LinkedIn plaats over sport en bewegen, komen daar weinig reacties op. Iedereen, van collegaartsen tot mensen met een alternatieve mening, is het er wel eens over dat bewegen goed is voor je. Maar als ik over voeding post, ontstaat er meteen discussie. Er is zoveel zin en onzin te vinden over voeding en supplementen. Het is niet gek dat patiënten en sporters – maar ook zorgverleners – door de bomen het bos niet meer zien.”

Quick fix

Het is niet zo dat er naar de werking van supplementen geen onderzoek gedaan is, zegt hij. “Als je er een beetje moeite voor doet, is er veel goede informatie te vinden. Maar voor veel mensen, zowel sporters als patiënten, is die informatie moeilijk te doorgronden. De gemiddelde persoon die gaat zoeken komt al snel bij heel veel onzin uit. Vaak op sociale media. Influencers met allerlei belangenverstrengelingen proberen supplementen te verkopen. Helaas laten ook zorgverleners zich strikken om daar aan mee te doen. Dat beschadigt de geloofwaardigheid van medici en tegelijkertijd wordt het voor leken wel heel moeilijk om te achterhalen wat nou waar

is en wat niet. Want als zelfs artsen gaan zeggen dat je magnesium moet gaan slikken, wie moet je dan nog geloven?”

Het probleem is dat er met de verkoop van supplementen veel geld wordt verdiend. “En als er ergens geld in zit, wordt er veel desinformatie rondgepompt”, zegt Landman. Bovendien zijn mensen altijd op zoek naar een quick fix. Een pilletje slikken is immers makkelijker dan je in het zweet werken in de sportschool. “Mensen willen daardoor de fabels die op Instagram worden verkondigd graag geloven. Maar iedereen die een supplement als heilige graal verkoopt of aankondigt, moet je per definitie wantrouwen.”

Dit betekent niet dat voedingssupplementen altijd onzin zijn, zeg hij. Voor sommige groepen kunnen bepaalde supplementen wel degelijk helpen (zie kaders voor informatie over verschillende supplementen voor sporters).

Zo hebben ouderen meer eiwitten nodig dan jongeren om hun spieren op peil te houden. “Veel ouderen krijgen uit hun voeding te weinig eiwitten binnen. Voor hen kan aanvulling nuttig zijn”, zegt Landman. Hij waarschuwt wel meteen dat zij ook weer niet te veel moeten gaan bijslikken. “Eiwitten remmen de eetlust. Dus als jij ouderen heel veel eiwitsupplement gaat geven, heb je het risico dat ze niet meer voldoende eten en daardoor allerlei andere dingen zoals vezels, vitaminen en mineralen gaan missen. Het gaat bij supplementen om de nuance en die is in veel online informatie zoek.”

Overdosering

Niet alleen ouderen lopen gevaar om te veel van een bepaald supplement binnen te krijgen. Dat geldt ook voor sporters. Landman waarschuwt voor het gebruik van zogenaamde ‘pre-workouts’. Dit zijn combinaties van verschillende supplementen die in één product gestopt worden. Ze zijn razend populair en worden door influencers en fabrikanten aangeprezen als hét wondermiddel om prestaties tijdens trainingen te verbeteren. “Het gevaar van deze pre-workouts is dat sporters niet precies weten wat erin zit en snel gaan overdoseren. Nog even los van het feit dat er veel discutabele merken op de markt zijn die zijn vervuild met bijvoorbeeld amfetamine”, zegt hij.

Maar ook overdosering zelf kan gevaarlijk zijn. “Veel sporters combineren pre-workouts met andere supplementen. Stel, iemand combineert een pre-workout met een cafeïne-supplement en drinkt ook nog een paar koppen koffie in de uren voor een training. Dan kun je ernstige hartritmestoornissen krijgen.” Hij geeft een voorbeeld

“Iedereen die een supplement als heilige graal verkoopt, moet je per definitie wantrouwen”

van een patiënte uit de huisartsenpraktijk waar hij werkte. Die had last van hartkloppingen tijdens het sporten. “Zij bleek gewoon steeds veel te veel cafeïne binnen te krijgen. Ze was niet op de hoogte van de risico’s en als je als arts niet vraagt of iemand supplementen gebuikt, kom je niet achter de oorzaak.”

Tot slot wil Landman er nog op wijzen dat het gebruik van veel supplementen door een sporter een voorbode kan zijn voor het gebruik van anabolen steroïden. “Iemand die allerlei supplementen slikt, wil blijkbaar heel ver gaan om zijn prestaties te verbeteren. De stap van voedingssupplementen naar anabolen kan dan kleiner zijn. Dat anabolen illegaal zijn, maakt vaak niet uit. Er is heel makkelijk aan te komen, terwijl het gebruik van anabolen grote ellende met zich meebrengt.”

Meer over anabolen lees je in het artikel ‘De harde realiteit van anabolen: meer spieren, minder gezondheid’ vanaf pagina 26.

Thijs Landman: “Het is belangrijk dat artsen hun patiënten goed kunnen voorlichten.”

Veelgebruikte supplementen

Eiwitten/proteïne

Wat zijn het?

Eiwitten zijn essentieel om spiermassa op te bouwen en te behouden. Dierlijke eiwitten komen voor in zuivel, eieren, vlees en vis. Planaardige eiwitten zitten vooral in peulvruchten, noten en groenten zoals broccoli. Het Voedingscentrum adviseert 0,8 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht voor (niet-sportende) volwassenen. De meeste mensen krijgen voldoende eiwitten binnen met hun voeding. Veganisten, ouderen en sporters kunnen wel baat hebben bij een supplement. Ouderen hebben zo’n 1 tot 1,5 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht nodig en krachtsporters 1,7 tot 1,8 gram. Wat doen eiwitsupplementen?

De meeste eiwitsupplementen zijn gemaakt van twee soorten eiwitten: whey of caseïne. Whey zorgt snel na het innemen voor een toename van aminozuren in het bloed. Die zijn nodig voor de aanmaak van spiereiwitten, waardoor spieropbouw kan plaatsvinden. Caseïne verteren duurt langer. Sporters gebruiken na een training daarom vooral whey en voor het slapengaan caseïne. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat sporters die eiwittensupplementen gebruiken op trainingsdagen een hogere toename van vetvrije massa hebben na een krachttrainingsprogramma van meer dan 6 weken dan sporters die niet suppleren. Voor welke sporters?

Eiwitsupplementen zijn vooral geschikt voor krachtsporters en sporters die een korte inspanning moeten leveren, zoals sprinters. Door krachttraining wordt namelijk niet alleen spiermassa opgebouwd, maar gaan spiercellen ook kapot. Herstel kan met rust én eiwitrijk voedsel. Ook duursporters kunnen baat hebben bij eiwitsupplementen. Landman: “Ook zij hebben kracht nodig. Een wielrenner moet zijn pedalen rond kunnen trappen en een schaatser moet ook op de lange afstanden genoeg kracht hebben om in een diepe kniehoek te blijven zitten.”

Opletten en bijwerkingen

Voor mensen met een verminderde nierfunctie kan een hoge eiwitinname schadelijk zijn. Een hoge eiwitinname zorgt voor een verzadigd gevoel. Dit is handig voor mensen die willen afvallen, maar kan voor ouderen schadelijk zijn. Het risico bestaat dat zij onvoldoende eten, waardoor ze andere belangrijke voedingsstoffen missen.

Beta-alanine

Wat is beta-alanine?

Beta-alanine is een aminozuur dat door het lichaam zelf wordt aangemaakt. Daarnaast zit het in vis en vlees. Ook beta-alanine gaat verzuring tegen. Maar in tegenstelling tot bicarbonaat werkt het niet in het bloed, maar in de spier zelf. De hypothese is dat betaalanine samen met histidine zorgt voor de aanmaak van carnosine. Dit stofje helpt de zuurgraad van spieren te reguleren.

Wat doet een beta-alanine-supplement?

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat bij suppletie van 3 tot 6 gram betaalanine per dag, de sportprestaties zo’n twee procent verbeteren. Die hoeveelheid is lastig om via voedsel binnen te krijgen. Voor 5 gram zou iemand elke dag een kilo kip moeten eten.

Voor welke sporters?

Net als bicarbonaat werkt beta-alanine vooral bij hoog-intensieve sporten waar verzuring een rol speelt.

Opletten en bijwerkingen

Suppletie van 3 tot 6 gram beta-alanine per dag is veilig. De enige bekende bijwerking is paresthesie, een tintelend of een ‘slapend’ gevoel dat na vijftien tot zestig minuten weer verdwijnt.

Cafeïne

Wat is cafeïne?

Cafeïne stimuleert het sympathische zenuwstelsel. Na het innemen wordt de hartslag en ademfrequentie verhoogd. Ook wordt iemand alerter. Het opwekkende effect van cafeïne begint meestal binnen een uur na inname. De halveringstijd van cafeïne is zo’n vijf uur. Cafeïne zit in koffie, maar ook in thee, chocolade en in veel energiedrankjes. Er zijn ook supplementen. Welke prestaties verbetert cafeïne?

Cafeïne verbetert zowel het duurvermogen als de spierkracht. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat cafeïne een duurprestatie met twee tot zestien procent kan verbeteren. Landman: “Je moet niet verwachten dat de wereldrecordhouder op de 10 kilometer schaatsen opeens een minuut sneller gaat als die een paar koppen koffie heeft gedronken. Maar voor amateursporters die een marathon willen lopen, kan het gebruik van cafeïne een substantieel voordeel opleveren. Vooral als je het tijdens trainingen inzet. Je wil een overload creëren, zodat je steeds wat meer kan op de training, waardoor je uiteindelijk beter wordt tijdens een wedstrijd.” Ook geeft onderzoek aan dat cafeïne de spiercontractie verbetert en het de prestaties in verschillende krachtoefeningen minimaal bevordert.

Hoeveel heb je nodig voor een optimaal effect?

Verschillende studies laten zien dat een inname vanaf 3 mg per kilogram lichaamsgewicht al kan zorgen voor een verbetering in sportprestaties. Een hogere dosis is niet altijd efficiënt en kan zorgen voor meer bijwerkingen. Er zijn zelfs studies die tonen dat de prestaties vanaf 9 mg juist minder worden. Landman: “In een kop koffie zit ongeveer 80 milligram cafeïne. Dat betekent dat vier koppen koffie gedurende een ochtend vóór een training genoeg is om een sportprestatie te verbeteren.”

Voor welke sporters?

Met name duursporters hebben baat bij cafeïne.

Opletten en bijwerkingen

Voor de prestatiebevorderende werking maakt het niet uit uit welke bron iemand cafeïne binnen krijgt. Te veel koffie kan echter voor maagdarmklachten zorgen. Cafeïnegebruik tot 400 mg per dag is veilig. Te veel cafeïne kan zorgen voor hartkloppingen. Stoppen met cafeïne brengt ontwenningsverschijnselen met zich mee, zoals hoofdpijn.

Creatine

Wat is creatine?

Creatine is een stikstofverbinding die in het lichaam wordt gemaakt uit de aminozuren arginine, methionine en glycine. Het komt ook voor in rood vlees, vis, eieren en paddenstoelen. Creatine wordt in ons lichaam deels omgezet in creatinefosfaat, dat in spiercellen wordt opgeslagen.

Deze voorraad is een energiebron en kan energie leveren voor inspanningen tot ongeveer tien seconden.

Wat doet een creatinesupplement?

Creatine is een van de meest populaire supplementen onder krachtsporters. Uit onderzoek blijkt dat de voorraad creatinefosfaat in spieren door middel van supplementen met tien tot veertig procent verhoogd kan worden. Creatine zorgt voor toename van spiermassa en kracht en verbetert de prestatie bij explosieve sporten.

Voor welke sporters?

Creatinesupplementen zijn alleen effectief voor sporters die heel kort een explosieve prestatie moeten leveren. Denk aan gewichtheffers en honderdmetersprinters. Op inspanningen langer dan tien seconden heeft creatine geen effect.

Opletten en bijwerkingen

Creatine heeft nauwelijks bekende bijwerkingen. Een van de bijwerkingen is het vasthouden van vocht, zeker als iemand net begint met gebruik. Dit is niet gevaarlijk, maar de gewichtstoename kan wel negatieve gevolgen hebben voor de sportprestatie. Hoge inname kan zorgen voor maag-darmklachten. Over bijwerkingen op lange termijn is weinig bekend.

Bron: Medicus Online

BUILDING A HEALTHIER AND HAPPIER SOCIETY

Bicarbonaat

Wat is bicarbonaat?

(Natrium)bicarbonaat komt in het lichaam zelf voor. Daarnaast kennen we het als baking soda. Het zit onder andere in bakpoeder. Het reageert met zuur en wordt dan omgezet in water en koolzuurgas. “Dat zorgt ervoor dat je baksels gaan rijzen”, zegt Landman. “Hetzelfde gebeurt eigenlijk in je lichaam. Bij anaerobe verbranding komt melkzuur vrij. Dat wordt in het lichaam meteen omgezet in lactaat en H+-ionen. De H+-ionen zorgen ervoor dat het bloed zuur wordt. Dat noemen sporters verzuring. Bicarbonaat reageert met de H+-ionen tot water en CO2 en zorgt er zo voor dat er minder verzuring optreedt.”

Wat doet een natriumbicarbonaatsupplement?

Het lichaam produceert zelf bicarbonaat. Dit is een natuurlijke buffer tegen snelle verzuring. Maar op een gegeven moment is de buffer op en verzuur je toch. Een supplement kan de buffer verhogen en het moment van verzuring uitstellen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat dit inderdaad werkt. Voor eenmalig gebruik is de optimale dosis 0,3 gram per kilogram lichaamsgewicht natriumbicarbonaat. Een hogere dosis heeft geen zin. Bij gebruik meerdere dagen achter elkaar kan vier keer per dag 0,1 gram per kilogram lichaamsgewicht worden ingenomen. Landman: “Bicarbonaatsupplementen zijn vaak capsules die maagsapresistent zijn. Daardoor wordt de bicarbonaat pas in de darmen vrijgegeven, waardoor het in het bloed terechtkomt. Een zakje bakpoeder nemen heeft geen zin. Dat reageert al in je maag. Je gaat vooral boeren en het wordt niet meer in je bloed opgenomen.”

Voor welke sporters?

Vooral sporters die hoog-intensieve sporten beoefenen waar verzuring een rol speelt, hebben baat bij bicarbonaatsuppletie. Dit zijn met name sportinspanningen tussen de één en tien minuten. Denk aan baanwielrenners, schaatsers, hardlopers, zwemmers, roeiers en bijvoorbeeld ook judoka’s. Landman: “Sprinters die de 100 meter lopen hebben er niets aan. Die komen niet in de verzuring. Bij 400 meter zal je wat invloed zien en bij de 800 en 1500 meter heb je een optimaal effect. Maar ga je een 10 kilometer of een marathon lopen, dan zal bicarbonaat niet effectief zijn omdat er dan vrijwel geen anaerobe maar vooral aerobe verbranding [verbranding met zuurstof op een lagere intensiteit, red.] is, waarbij verzuring niet de beperkende factor gaat zijn.”

Opletten en bijwerkingen

Bicarbonaat kan zorgen voor maag-darmklachten zoals een opgeblazen gevoel, misselijkheid en diarree. Daarnaast komen supplementen eigenlijk altijd in de vorm van natriumbicarbonaat. Dit zorgt voor extra zoutbelasting van het lichaam en dat heeft gezondheidsnadelen, zoals bijvoorbeeld een hogere belasting voor de nieren en een hoger risico op een hoge bloeddruk.

De harde realiteit van anabolen: meer spieren, minder gezondheid

Een half miljoen Nederlanders gebruiken anabolen steroïden. Uit onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat twintig procent van de mensen die één keer per week naar de sportschool gaat, gebruikt. Dat percentage wordt hoger naarmate iemand vaker naar de sportschool gaat. “Anabolen zijn hartstikke illegaal, maar ze zijn overal te koop. Goede informatie over gebruik en de risico’s ontbreekt vaak, maar is wel essentieel”, zegt internistendocrinoloog Diederik Smit.

Door: Tessa de Wekker

Hij houdt zich al dertien jaar bezig met (onderzoek naar) testosteron en anabolen. Smit behandelt in de Android Health Clinic in Utrecht zo’n duizend mensen, met name mannen, per jaar. Soms is het doel om van de anabolen steroïden af te komen, soms om ze zo veilig mogelijk te gebruiken. Ook geeft Smit voorlichting voor onder andere de Dopingautoriteit en beroepsgroepen die met gebruikers te maken (kunnen) hebben, zoals sporttrainers en (huis-) artsen. “Het zijn lang niet alleen krachtsporters die testosteron gebruiken. Er zijn ook mannen die het vanwege gezondheidsklachten doen”, zegt hij. Dat kan ook positieve effecten hebben. “Maar daar hangt een prijskaartje aan. Het gaat altijd ten koste van gezondheid, maar hoe hoog is die prijs?”

Receptoren

Over het gebruik door verschillende groepen later meer. Eerst geeft Smit een basislesje anabolen steroïden. Anabolen zijn kunstmatige varianten van het mannelijk geslachtshormoon testosteron. Ze zorgen voor de aanmaak van spiervezels. Met name de dikkere type-2-spiervezels waar krachtsporters en sprinters veel van nodig hebben. Anabolen worden vaak gebruikt in combinatie met krachttraining.

Anabolen werken op receptoren in de spieren. Maar diezelfde receptoren zitten ook op andere plekken in het lichaam. Daardoor heeft anabolengebruik veel bijwerkingen. Mensen worden sneller kaal. Ze krijgen acne. Mannen krijgen een grotere prostaat en kleinere testikels.

Ook het risico op hart- en vaatziekten en (al dan niet tijdelijke) onvruchtbaarheid nemen toe. “Er zijn tientallen vormen van anabolen. Het is geprobeerd om middelen

“Hoe langer achter elkaar iemand anabolen gebruikt, hoe langer het ook duurt om de testosteronproductie
normaal te krijgen”

te ontwikkelen die alleen op de spieren werken, maar dat is niet gelukt. Vroeger is veel onderzoek gedaan naar de werking bij sarcopenie [verlies van spierkracht en -massa, bijvoorbeeld door veroudering, red.], met name bij hiv-patiënten. Anabolen waren effectief, maar de nadelige effecten waren groter. Mannen hadden veel bijwerkingen en vrouwen veranderden in mannen. Er kwamen andere geneesmiddelen die veel effectiever zijn en minder bijwerkingen hebben”, vertelt Smit.

Anabolenkuur

Tegenwoordig vormen krachtsporters, zowel mannen als vrouwen, de grootste groep gebruikers. Meestal worden injecties gebruikt, want pillen hebben specifieke nadelen, waaronder overbelasting van de lever. De injecties, soms als cocktail van meerdere middelen, worden op verschillende manieren gebruikt.

De meest ‘klassieke’ vorm is de anabolenkuur. Een kuur duurt zo’n drie maanden. In die periode wordt spiermassa opgebouwd. “Gemiddeld zo’n zes tot acht kilogram. De helft daarvan is water. Maar drie kilo in drie maanden is hartstikke veel. Daar moet je normaal gesproken jaren voor naar de sportschool”, zegt Smit. Na de kuur volgt een pauze om het lichaam rust te gunnen en te herstellen van de bijwerkingen. “In die rustperiode verlies je weer veel spiermassa. Het idee is dat je aan het eind van de rustfase netto meer spiermassa hebt dan voor het begin van de kuur. Bij elke kuur wordt zo verder opgebouwd.”

Die theorie klinkt logisch, maar heeft twee nadelen voor gebruikers. Ten eerste de gedeeltelijke afbraak van spiermassa. Door de rustperiodes duurt het dus langer om veel spiermassa te kweken. Daarnaast is die stopperiode voor veel gebruikers niet prettig. Dat komt door het testosterontekort. Door het gebruik van anabolen wordt de eigen testosteronproductie stilgezet. Na het stoppen duurt het een paar weken voor de productie weer op niveau is. Zeker de eerste weken na het stoppen is er daardoor sprake van een dip: men slaapt minder, wordt neerslachtig en kan allerlei andere klachten krijgen.

Enorme prijs

In plaats van de klassieke kuur met rustperiode wordt daarom vaak aan blast & cruise gedaan. In plaats van helemaal te stoppen, nemen gebruikers een ‘onderhoudsdosis’ tussen de kuren door. Hierdoor is er geen dip en voelen mannen zich beter. “Maar het grote probleem hiermee is dat de eigen testosteronproductie onderdrukt blijft. Hoe langer achter elkaar iemand

“Er is online ontzettend veel desinformatie”

anabolen gebruikt, hoe langer het ook duurt om die productie weer normaal te krijgen. Na een jaar gebruik is de herstelperiode meerdere maanden. En wie vijf jaar achter elkaar gebruikt, loopt een groot risico om helemaal niet meer te herstellen”, waarschuwt Smit. Hij ziet vaak patiënten die mentaal en fysiek kapot gaan na het jarenlange gebruik van anabolen. “Een dip van twee weken overleef je wel, maar een dip van drie jaar niet. De prijs van blast & cruise is enorm. De dip wordt steeds langer of stoppen met anabolen is gewoon geen optie meer.”

Ditzelfde geldt voor TRT, Testerone Replacement Therapy, als dat te lang wordt gedaan. TRT wordt vooral gevolgd door mannen die gezondheidsklachten hebben, niet zozeer door krachtsporters. Ze hebben lange periodes van oververmoeidheid en stress bijvoorbeeld. Een lage testosteronwaarde kan hier de oorzaak van zijn, maar veel vaker zijn leefstijl en overbelasting het probleem. Een normale testosteronwaarde ligt tussen 10 en 30. Het gemiddelde is 14 en tachtig procent van de mannen zit tussen 10 en 14. Smit: “Een waarde van 12 is dus heel normaal. Maar op internet leest men dat 30 fantastisch is. Ze kopen zelf anabolen en gaan gebruiken. Heel veel mannen voelen zich daarna beter en denken: eureka! Maar het echte probleem wordt niet aangepakt, de overbelasting blijft.” En de risico’s van langdurig anabolengebruik komen daar nog eens bij.

Protocollen online

TRT is overgewaaid uit de Verenigde Staten. Er zijn daar behoorlijk veel artsen die anabolen voorschrijven aan ‘patiënten’. Onverantwoord, vindt Smit. “Op de korte termijn voelen mannen zich fantastisch met TRT. Ze zijn niet meer moe, hebben een libido van een konijn en kunnen de hele wereld aan. Dat iemand twintig jaar later een hartinfarct krijgt, daar hoor je die artsen niet over.

In Nederland schrijven artsen alleen TRT voor als er een medische indicatie voor is. Als iemand door chemotherapie een testosterontekort heeft bijvoorbeeld. Maar die doses liggen veel lager dan in de VS. Daar beginnen ze met 250 mg per week.” Die protocollen staan ook gewoon online, waardoor mannen die zelf middelen bestellen vaak overdoseren.

In principe zouden gezonde mannen geen testosterontekort moeten hebben. Ook niet als ze ouder worden. Smit vertelt dat de natuurlijke productie stabiel blijft tot een man een jaar of tachtig is. “Mits een man fit en gezond blijft. Maar dat is vaak niet zo. Mannen worden zwaarder, krijgen diabetes, hebben stress, slapen te weinig. Dan zakt de productie. De testosteronproductie is een soort thermostaat van de gezondheid van de man”, zegt Smit.

In plaats van anabolen te spuiten, kunnen deze mannen beter conditioneel sterker worden, afvallen en goed slapen. “Maar veel mensen willen liever iets nemen om hun probleem op te lossen, dan dat ze hun leven aanpassen.”

“Het zijn lang niet alleen krachtsporters die testosteron gebruiken”
Foto: Rob Oostveen

Harm reduction

Dat is ook niet altijd makkelijk. Smit noemt als voorbeeld een patiënt van hem. De man is piloot. Hij heeft totaal geen bioritme vanwege alle intercontinentale vluchten. “Zijn testosteronlevel was 5 en daar kreeg hij klachten door. Maar ja, ga je dan van baan veranderen? Een langdurig testosterontekort geeft op de lange termijn schade: botontkalking, verlies van essentiële spiermassa, een burn-out... Dan is de afweging welke langetermijngevolgen schadelijker zijn: die van het testosterontekort of die van het gebruik van anabolen. Overigens proberen we met deze patiënt eerst met medicatie zijn eigen testosteronproductie te verhogen.”

Deze patiënt is een voorbeeld van iemand die, voordat hij middelen ging gebruiken, bij Smit terechtkwam. Verreweg de meeste van zijn patiënten gebruiken echter al. Dat zijn deels krachtsporters en deels mannen die anabolen nemen om zich beter te voelen. De patiënten hebben verschillende doelen. Soms is dat afkicken en proberen de natuurlijke testosteronproductie te herstellen. Verreweg de grootste groep komt voor harm reduction. “Met goed advies proberen we de schade te beperken.”

Voorlichting

Dit is niet onomstreden. Soms wordt gedacht dat mannen in de adviezen een legitimering vinden om te gaan gebruiken. Maar Smit ziet dat anders. “Ik vrees dat we er niet aan ontkomen dat veel mannen gaan gebruiken. Zeker niet met de huidige schoonheidsidealen, de sociale media waarop anabolen worden aangeprezen en het feit dat je ze met een paar klikken voor niet al te veel geld online kunt kopen. Daarom vind ik het heel belangrijk om mensen goed voor te lichten over de risico’s en de minst schadelijke manier van gebruik. Hou je kuren laag en kort. Slik er niets bij. En laat je lichaam tussendoor goed herstellen. Dat is veel effectiever dan zeggen: ‘Stoppen met die zooi, want het is levensgevaarlijk.’ Dat vind ik wel, maar dat doen mensen niet. Mensen kijken naar de korte termijn. Ik heb een jongen gehad met hartfalen. Die zegt ondanks alle waarschuwingen: ‘Ik ga toch gebruiken, want ik moet de ring in.’ Daar sta je dan met al je goede bedoelingen.”

Online informatie

Smit verwacht niet van pak hem beet een fysiotherapeut, sportmasseur of diëtist dat die een cliënt gaat voorlichten. Maar wellicht kan diegene de cliënt wel helpen om de juiste informatie te vinden. “Veel mensen weten namelijk helemaal niets over de risico’s. Je kunt beginnen met de vraag of de cliënt naar de sportschool gaat. Daarna vraag je naar het gebruik van eiwitten en creatine. Vervolgens kun je vragen of iemand wel eens hormonen gebruikt. Probeer dat neutraal te formuleren in plaats van: ‘Je gebruikt toch geen anabolen?’” Ook is het belangrijk om te vragen waar de cliënt zijn informatie vandaan haalt. “Veel informatie online oogt ontzettend professioneel, maar het gebruik wordt daarin alleen maar aangemoedigd. Er is enorm veel desinformatie.”

Om die desinformatie tegen te gaan, heeft Smit al een aantal wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar de effecten van het gebruik van anabolen en de effecten van harm reduction. Inmiddels heeft hij subsidie gekregen van het Ministerie van VWS voor aanvullend onderzoek, het geven van meer voorlichting en het inrichten van een kenniscentrum voor gebruikers, met onder andere een website en podcasts. “Uit een eerdere studie naar harm reduction bleek dat onder mannen die zich goed lieten informeren en begeleiden de totale blootstelling aan anabolen met zeventig procent afnam ten opzichte van mannen die dat niet deden. Ik heb niet de illusie dat er niet meer gebruikt zal worden, maar met de juiste voorlichting en zorg kunnen we het anabolengebruik in Nederland wel proberen te beperken.”

Smit vindt het belangrijk dat mensen rondom (kracht-) sporters – en andere mogelijke gebruikers – op de hoogte zijn van de schadelijke gevolgen van anabolen. Niet voor niets geeft hij veel voorlichting aan sportcoaches en andere (paramedische) begeleiders. Herkennen kan lastig zijn. “Als iemand elke dag naar de sportschool gaat, is de kans dat hij gebruikt behoorlijk groot. Als iemand gespierd is en daarnaast ook acne heeft, is de kans ook groter. Maar ook bij mensen die niet gespierd zijn, kun je het niet uitsluiten. Ik heb alle soorten lichamen in mijn spreekkamer gehad.”

“Veel mensen willen liever iets nemen om hun probleem op te lossen, dan dat ze hun leven aanpassen”

“Data kunnen van grote waarde zijn om gezond te blijven, mits ze op een gezonde manier gebruikt worden”

Hardlopen en technologie zijn tegenwoordig onvermijdelijk met elkaar verbonden. Voor veel lopers vormen hartslagmeters, hersteladviezen, AI-gegenereerde trainingsschema’s en platforms als Strava en Garmin een integraal onderdeel van hun sportieve leven. Technologie belooft blessurepreventie en maximale prestaties, maar verandert ook de manier waarop sporters naar hun eigen lichaam luisteren. Armağan Karahanoğlu doet onderzoek naar monitoring als onderdeel van training en de manier waarop amateursporters data interpreteren. Wanneer vormt technologie een waardevolle toevoeging en welke rol kunnen sportmedisch professionals spelen in de begeleiding van de datagedreven atleet?

Door: Yara Hooglugt

Het onderzoek van Armağan Karahanoğlu, universitair hoofddocent Interaction Design aan de Universiteit Twente, begon toen haar persoonlijke interesse verweven raakte met haar promotietraject. Karahanoğlu, zelf hardloper sinds 2011, hield zich voor haar promotieonderzoek bezig met de manier waarop mensen hun gezondheid tracken met apps en online tools en daarmee ook hun fysieke activiteit bijhouden. Zelf was ze daar als recreatief hardloper lange tijd niet mee bezig, totdat er apps op de markt kwamen die specifiek op de hardloper waren gericht. “Eerst gebruikte ik geen enkele technologie: ik ging gewoon een eind lopen en ik zag wel hoe ver ik kwam”, vertelt Karahanoğlu. “Gaandeweg ben ik een paar apps gaan gebruiken en vanaf dat moment heb ik de inzet van technologie tijdens het hardlopen steeds meer geïntensiveerd.” Dat wakkerde ook in haar professionele leven een nieuwe interesse aan: ze raakte nieuwsgierig naar de manier waarop mensen technologie en data inzetten tijdens hun sport- en trainingsactiviteiten. Zo kwam haar welzijnsgerichte PhD samen met een nieuwe invalshoek voor onderzoek.

Verschuiving

De mogelijkheden zijn tegenwoordig eindeloos. Waar hardlopers twintig jaar geleden alleen nog een vrij basic smartwatch met een hartslagmeter konden gebruiken, zijn sporthorloges nu uitgerust met gps-tracking en functies die inzicht geven in slaap, stress, herstel en prestatie-optimalisatie. Apps als Strava, TrainingPeaks en Runkeeper presenteren een compleet dashboard met persoonlijke data voor, tijdens en na een training. Een app vervult niet zelden de rol van coach: hij motiveert de gebruiker om te gaan trainen, stelt trainingsschema’s samen, adviseert rustmomenten voor hersteltijd en daagt uit tot prestatieverbetering. De toepassing van data en technologie binnen training- en wedstrijdmonitoring is zodoende verschoven van louter sensorgestuurde pacing naar datagedreven voortgangsanalyses. Dat beïnvloedt het gedrag van lopers, ziet Karahanoğlu: ze leren meer over de belastbaarheid van hun lichaam en besluiten bijvoorbeeld op basis van data een rustdag in te plannen of juist hun training wat op te schroeven.

Data leren begrijpen Maar de beschikbaarheid van grote hoeveelheden trainingsdata betekent niet automatisch dat deze leiden tot betere beslissingen. Integendeel: het omzetten van ruwe data in nuttige inzichten vraagt om een juiste

interpretatie. Dat kan, zeker voor amateurlopers, nog best een uitdaging zijn. Hoe voorkom je dat je verdrinkt in de enorme zee aan gegevens die al die apps en tools je bieden? “Dat is nog een heel traject op zich”, concludeert Karahanoğlu, die in haar onderzoek veel aandacht besteedt aan ‘data sensemaking’. Zeker voor beginnende lopers kan het ingewikkeld zijn om parameters als VO2 max en stressscores zinvol te interpreteren en te kunnen begrijpen wat deze betekenen voor hun belastbaarheid. Veel sporttrackers leggen bovendien de nadruk op de precieze weergave van dit soort individuele parameters, blijkt uit onderzoek van Karahanoğlu. Hoe de afzonderlijke parameters zich tot elkaar verhouden, wordt niet weergegeven en aan de interpretatie van de gebruiker overgelaten. “Het is een voortdurend leerproces waarbij lopers zich óók continu bewust moeten blijven van wat ze zelf voelen en wat hun lichaam ze vertelt. Neem bijvoorbeeld de stressscore van Garmin. Die score zegt alleen iets over fysieke stresssymptomen: namelijk op basis van hartslaggegevens. Wanneer je je als hardloper puur baseert op fysieke stress en niet ook de mentale oorzaken daarvan onderzoekt, is de stressscore eigenlijk een nutteloze parameter. Of neem de VO2 max: constateren dat die omlaag gaat is één, maar waarom is dat zo? En wat kun je eraan doen? Dat moet je leren: data echt begrijpen, reflecteren en proberen uit te vinden welke parameters voor jou de meest bruikbare maatstaven zijn voor je prestaties.”

Verkeerd uitpakken

Want als data verkeerd geïnterpreteerd worden, zo ziet Karahanoğlu, kan dat er zelfs toe leiden dat een hardloper verkeerde beslissingen neemt die niet goed uitpakken voor zijn of haar lichaam. Zeker bij apps met een

“Ik raakte nieuwsgierig naar de manier waarop mensen technologie en data inzetten tijdens hun sport- en trainingsactiviteiten”

‘sociaal’ aspect waarschuwt ze voor negatieve gevolgen van de prestatiedruk die daarbij komt kijken. Denk aan Strava, de app die, door ranglijsten en de mogelijkheid om vrienden toe te voegen, de competitie- en prestatiedrang bij lopers aanwakkert. “Dat zou ervoor kunnen zorgen dat lopers de technologie alleen nog maar gaan gebruiken om hun doelen te behalen. ‘Hitting the numbers’ wordt dan leidend: continu proberen dat persoonlijke record verbeteren, toch nog even een rondje hardlopen om die ene vriend voorbij te streven. Die psychologische kant van technologie kan op de lange termijn schadelijk zijn. Data kunnen juist van grote toegevoegde waarde zijn om gezond te blijven; laten we data dan ook op een gezonde manier blijven gebruiken.”

Data correspondeert niet Hardlopers kunnen hun eigen lichaam uit het oog verliezen, ziet Karahanoğlu. Dat speelt zowel bij amateurs als bij semiprofs. De onderzoeker noemt een voorbeeld: “Ervaren hardlopers negeren vaak simpelweg hun data. Wanneer technologie voor hen voorspelt dat ze na een hardloopsessie een bepaald aantal uren rust nodig hebben, gaan ze de volgende dag toch gewoon lopen wanneer ze zelf aan hun lichaam denken te voelen dat ze nog lang niet aan rust toe zijn. In ons onderzoek ontdekten we dat veel hardlopers de technologie in veel situaties alleen gebruiken om hun eigen mening en gevoel gevalideerd te krijgen. Wanneer een app hen dan feedback geeft die niet met dat gevoel correspondeert, negeren ze die gewoon. Ook dit is mogelijk schadelijk, want hersteltijd is er niet voor niets: je voorkomt er blessures mee.” Ook het continu bijhouden van het tempo tijdens het hardlopen kan een averechts effect hebben: wanneer hardlopers zichzelf elke minuut tot hun grenzen pushen, kan dat leiden tot overbelasting van de spieren en overall tot overmatige inspanning. Ook hier geldt volgens Karahanoğlu weer: ogenschijnlijk simpele data zoals een gemiddelde snelheid zijn veel meer waard wanneer ze in de juiste context worden geïnterpreteerd.

Rol voor professionals

Juist in die vertaalslag van ruwe cijfers naar verantwoorde trainingskeuzes ligt een belangrijke taak voor professionals in de sportgezondheidszorg, stelt Karahanoğlu. Begeleiding door professionele duiding kan helpen om belasting, herstel en subjectieve ervaring in samenhang te analyseren. “Professionals zoals fysiotherapeuten en sportartsen kunnen lopers ondersteunen door hen te leren begrijpen wat al deze parameters voor hen

“In die vertaalslag van ruwe cijfers naar verantwoorde trainingskeuzes ligt een belangrijke taak voor professionals in de sportgezondheidszorg.”

betekenen. Samen kunnen professional en loper werken met de beschikbare technologie om zo het lichaam van de loper te leren begrijpen.” Wat Karahanoğlu betreft worden daarbij gelijk twee vliegen in één klap geslagen voor het vakgebied: “De sportwetenschap kan veel van de technologie leren, maar de technologie andersom ook van de sportwetenschap.” Enerzijds bieden deze apps en AI-systemen de sportwetenschap toegang tot een enorme schat aan praktijkdata die inzicht geven in belastbaarheid, adaptatie en gedragsverandering bij allerlei typen lopers. Anderzijds kan sportwetenschappelijke kennis bijdragen aan het verbeteren van de onderliggende algoritmen, het nuanceren van automatische trainingsadviezen en het verbeteren van de interpretatie van fysiologische processen die soms complexer liggen dan een AI-tool in eerste instantie inschat.

Meer aandacht nodig

Op dat vlak ziet Karahanoğlu op dit moment nog veel onbenut potentieel. “We hebben hardlopers, we hebben de technologie, maar we hebben ook professionals die deel uit kunnen maken van dit relatief nieuwe ecosysteem. Toch zie ik dat dat nu nog niet vaak op effectieve manier gebeurt. Wanneer je als loper naar een fysiotherapeut gaat, zijn leidende vragen: Hoe is het gegaan de afgelopen tijd? En: Wat is de totale afstand die je in een week loopt? Maar fysio’s kunnen veel breder kijken

Armaģan Karahanoģlu:
“Je moet proberen uit te vinden welke parameters voor jou de meest bruikbare maatstaven zijn voor je prestaties”

dan dat. Vraag een loper bijvoorbeeld naar zijn of haar hartslag, naar hersteltijd, naar stress. De data kunnen op die manier niet alleen voor een individuele loper een nuttig hulpmiddel zijn, maar in samenwerking met een fysio of sportarts ook als tool dienen voor bijvoorbeeld blessurepreventie of bij herstel na een blessure.”

Bovendien kunnen professionals wat Karahanoğlu betreft aan de hand van tools en data veel meer als coach optreden en lopers afremmen als ze neigen naar obsessieve omgang met hun data. In een eigen studie halen Karahanoğlu en collega’s ander onderzoek aan dat daar al voor waarschuwde: “Snooks et al. stellen dat het fixeren op specifieke statistieken meer kwaad dan goed kan doen wanneer mensen hun gedrag aanpassen om aan de verwachtingen van sporttrackers te voldoen. Op de lange termijn kan deze benadering leiden tot een ongezonde obsessie met atletische prestaties en being emotionally invested in hitting the numbers in plaats van een fundamenteel begrip van de onderliggende betekenis van de cijfers.”

Essentie verliezen

Het stemt tot nadenken. Met de opkomst van al die data, sporttrackers en AI-innovaties dringt zich tegelijk een ongemakkelijke vraag op: Zijn we niet langzaam vergeten waarom we ooit begonnen met sporten? Niet om cijfers te kunnen noteren of algoritmes tevreden te stellen, maar om ons goed te voelen, om gezond te blijven of te ontspannen? “Dat is wat technologie ons steeds vaker ontneemt”, waarschuwt Karahanoğlu. “Gewoon in het moment zijn. Natuurlijk zijn al die cijfers, parameters en analyses waardevol, maar ze zorgen er soms ook voor dat we de essentie uit het oog verliezen van waarom we fysiek actief zijn. Waarom ren je een marathon? Om hem per se binnen vier uur te lopen om niet te falen of om een marathon te rennen en gezond over de finish te komen?”

Holistische benadering

App-ontwikkelaars en techbedrijven kunnen lopers helpen weer dichter bij die essentie te komen, stelt Karahanoğlu in een aanbeveling in haar onderzoek. De huidige trackers maken het al mogelijk om subjectieve zelfrapportages (bijvoorbeeld notities) van de trainingen vast te leggen. Maar ten eerste worden niet alle relevante factoren van de trainingservaring in gelijke mate meegenomen en ten tweede worden dergelijke functies niet echt geïntegreerd met de overige data gebruikt. Toekomstige systemen zouden moeten worden uitgebreid met functies om ervaringsgerelateerde factoren vast te

leggen, zoals ‘spierpijn’, ‘teleurstelling over prestaties’ of ‘het gevoel van een ontspannen hardloopsessie’. Bovendien moeten dergelijke gegevens ook op een meer holistische manier worden gerapporteerd, in combinatie met de rest van de parameters, in plaats van ze te presenteren als afzonderlijke, niet-gerelateerde metingen. Ten slotte stelt ze voor dat toekomstige sporttrackers baat zouden kunnen hebben bij een fundamentele ommekeer in het onderliggende paradigma van gegevens versus ervaring: in plaats van zich te concentreren op data en deze uit te breiden met subjectieve ervaringen, zouden ze de subjectieve ervaring op de eerste plaats moeten zetten, zoals de hardlopers zelf in de praktijk ook doen, en vervolgens de ervaring en perceptie van de hardloper ondersteunen met gegevens, inzichten en suggesties uit de kwantitatieve metingen van de tracker.

Voorzichtig blijven

Hoe ging het eigenlijk verder met de hardloopcarrière van Karahanoğlu nadat ze langzaamaan meer apps en AI-tools ging inzetten. “Ik wil niet opscheppen, hoor”, lacht ze. Ze kreeg de smaak van het marathonlopen te pakken, maar haar ervaringen illustreren ook hoe makkelijk het kan misgaan. In 2022 kwalificeerde ze zich voor zowel de Boston Marathon als de Chicago Marathon. “Dus ja: ik schreef me voor beide marathons in. Twee marathons in één jaar, dat kon mijn lichaam helemaal niet aan.” Karahanoğlu finishte beide marathons, maar liep in Boston een ernstige heupblessure op die haar een jaar revalidatie kostte. Inmiddels is ze weer volledig back on track: mét apps en mét AI. Ze besluit met een advies: technologie is mooi, maar blijf onthouden dat je er altijd zelf bij moet blijven. “AI-gegenereerde trainingsschema’s hebben bijvoorbeeld goed gewerkt voor mij, maar ik zou het niet aan iedereen aanraden. Ik wist waarmee ik bezig was en bleef kritisch. Kijk naar

ChatGPT: die tool is geprogrammeerd om gebruikers tevreden te stellen en niet altijd objectief de beste adviezen te geven. Blijf dus voorzichtig. AI kan nooit een echte coach vervangen.”

“Blijf voorzichtig. AI kan nooit een echte coach vervangen”

Hardlooptrainer Adilson da Silva

“De menselijke factor blijft cruciaal”

Traditionele coaching is verleden tijd, stelt Adilson da Silva. De opkomst van trainingsapps en AI heeft de sportwereld in korte tijd fundamenteel veranderd, ziet de looptrainer en eigenaar van Silva Running School. “Ik zie het als een groot voordeel.”

Data, apps en AI-tools als grote concurrenten van de looptrainer van vlees en bloed? Integendeel, zegt Adilson da Silva: ze verrijken juist het vak. “Nu heb ik niet alleen de beschikking over mijn eigen kennis, ervaring en sensitiviteit als mens, maar kan ik mijn analyses ook nog eens onderbouwen met data. Daarmee maak ik mijn feedback richting atleten alleen maar sterker en tastbaarder. Een coach vormt als vertaler en interpreteerder een belangrijke schakel tussen data en atleet.”

Geen vervanging

De toekomst ligt dus niet in vervanging van menselijk handelen door technologie, maar in de integratie ervan. “De menselijke factor als het gaat om motivatie, onzekerheden, herstelgedrag en risicoperceptie blijft cruciaal”, zegt Da Silva. Hij wijst bijvoorbeeld op het risico dat lopers tunnelvisie creëren door de focus op hun data. “Er zijn atleten die zeggen: ‘Luister trainer, afgaand op

mijn VO2 max geeft mijn Garmin aan dat ik op de marathon zes minuten sneller kan zijn dan we in mijn schema hebben vastgesteld.’ Het risico bestaat dat zij zichzelf gaan overschatten. Of omgekeerd zie je lopers die in de stress raken als ze verkouden zijn geweest en hun zuurstofefficiëntie en VO2 max tijdelijk zien dalen. Fysiologisch heel normaal, maar lopers die continu naar hun Garmin kijken, kunnen plotseling vrezen dat ze het niet gaan redden. Resultaat: ze trainen zichzelf in korte tijd over de kop. Beide voorbeelden kunnen resulteren in een averechts effect, namelijk lopers die de eindstreep niet halen.”

Interne kompas kwijt

Da Silva signaleert regelmatig een te hoge mate van afhankelijkheid van data. “Apps als TrainingPeaks en Strava kunnen ertoe leiden dat atleten hun interne kompas verliezen. Toen we nog geen technologie hadden, leerden atleten hun lichaam goed

Adilson da Silva: “Voordat er apps waren, leerden atleten hun lichaam goed kennen door zelfreflectie en continu aanvoelen.”

kennen door zelfreflectie en continu aanvoelen. Zo ontwikkel je je interne kompas: je weet wat je beste cadans is, kunt je vermoeidheid goed inschatten en kent de gevolgen van stress.” Doordat lopers al dat soort zaken nu als het ware uitbesteden, zijn ze sneller geneigd blind te varen op hun data. “Daarom zie ik een belangrijke rol voor een coach: hij of zij moet degene zijn die context en kaders verschaft”, vindt Da Silva.

Blessurepreventie

Want wie data op de juiste manier interpreteert, heeft juist goud in handen, vervolgt hij. “Data zijn heel goed te gebruiken om blessures te voorkomen. Ik gebruik zelf vaak TrainingPeaks, gekoppeld aan Garmin. Als één van de lopers die ik train dan minder goed geslapen heeft, kan ik dat uitlezen. Eén slechte nacht heeft natuurlijk geen gevolgen, maar bij iets structureels ga ik sleutelen aan de intensiteit en het verloop van een training. Doordat we sneller patronen herkennen dankzij data, kun je de trainingsstructuur tijdig veranderen zonder overbelasting te riskeren.”

Focus verdelen

Hoe overtuigend data ook kunnen zijn, Da Silva zegt tegen al ‘zijn’ atleten: het lichaam moet leidend blijven. Niet alleen tijdens trainingen is het belangrijk om zorgvuldig met je gezondheid om te gaan; ook tijdens wedstrijden. “Tijdens de Rotterdam Marathon kan het natuurlijk voorkomen dat we met temperaturen te maken krijgen richting de 25 graden. Als je dan blind vertrouwt op de pace en de voorspelde eindtijd van je Garmin, ben je destructief bezig. Daarom coach ik nog altijd heel veel. Is het 25 graden? Dan moeten we plan A loslaten en overstappen op een aangepast, comfortabeler schema. We gebruiken nog steeds de Garmin, maar in plaats van op pace, lopen we op hartslag. Je weet als loper wat je zones zijn en hoeveel slagen je bij 25 graden moet lopen om gezond over de eindstreep te komen. Dat is het belangrijkst. Daarbij zeg ik: we laten niet alles los, maar creëren nieuwe richtlijnen. Een loper moet dan dus in staat zijn de focus te verleggen van de data naar het lichaam.”

Vergelijkingsdrang

In voorbereiding op een marathon is het voor veel lopers makkelijker gezegd dan gedaan: meer loslaten, meer luisteren naar het lichaam, vertrouwen op een goede afloop. Het competitieve en sociale element van apps als Strava leidt meer en meer tot psychologische bijeffecten, ziet Da Silva. “Ik zie veel vergelijkingsdrang. Bij thuiskomst bekijken lopers gelijk hun app: Heb

“Een coach vormt als vertaler en interpreteerder een belangrijke schakel tussen data en atleet”
Adilson da Silva
“Bij prestatielopers zie ik een enorme datafixatie en een neiging tot overoptimalisatie”
Adilson da Silva

ik het beter of slechter gedaan dan de anderen? Terwijl: data is puur bedoeld voor evaluatie, en bovendien: iedereen heeft een ander schema, dus jouw training valt nauwelijks te vergelijken met die van een ander. Toch leidt een ogenschijnlijk ‘slechtere’ prestatie regelmatig tot het negeren van pijnsignalen en verkeerd interpreteren van stress. Lopers gaan een training van iemand anders nadoen om het gevoel te hebben goed bezig te zijn. Zeker voor nieuwe lopers zonder al te veel ervaring kan dat tot serieuze medische problemen leiden. Ook hier kan een trainer weer een belangrijke rol spelen in de regulering.”

Bereid te leren

Het voordeel van recreanten, en dan met name beginners, stelt Da Silva: “Zij laten zich nog makkelijk coachen omdat ze zelf niet veel kennis hebben. Bovendien staan recreanten, in tegenstelling tot topsporters, midden in de samenleving. Als het niet gaat, durven zij eerder aan de bel te trekken en een bezoek te brengen aan de fysio of huisarts. Dat is nog een blinde vlek bij sommige elitelopers en topsporters. Als ik Khalid Choukoud zou trainen en hem bij 25 graden zou zeggen: ‘We lopen vandaag niet met de Kenianen weg, maar gaan op hartslag lopen’, denk je dat hij dat dan zou doen? Natuurlijk niet! Bij prestatielopers zie ik een enorme datafixatie en een neiging tot overoptimalisatie. En veel topatleten zullen het niet me eens zijn, maar hierin durf ik best stelling te nemen: óók de crème de la crème loopt medisch risico wanneer het heet is. Daarom zou in de topsport best wat meer aandacht besteed kunnen worden aan educatie op dit gebied. Wetenschap en topsport gaan hand in hand. Als we gebruikmaken van de technologie in een hybride model, kunnen we ook de topsport gezonder maken.”

Sportpsycholoog Ciska de Bruijn

“Grens tussen positieve stimulans en negatieve gevolgen is dun”

Een online beloning, in wat voor vorm dan ook, kan een enorme beweegstimulans zijn. Een badge bij 10.000 stappen, een virtueel schouderklopje van een Stravaconnectie.

Maar, zo waarschuwt sportpsycholoog Ciska de Bruijn: de grens tussen een positieve stimulans en een rits negatieve gevolgen is dun.

Het bekendste voorbeeld van een online ontwikkeling die hordes mensen in beweging heeft gebracht, is misschien wel de 10.000-stappen-trend. Die 10.000 stappen zijn, zoals we inmiddels wel weten, een beetje uit de lucht gegrepen, maar feit is wel dat de apps die door de hype op de markt kwamen, mensen net dat zetje hebben gegeven om van de bank te komen op momenten waarop ze normaal gesproken waren blijven zitten. “Uit onderzoek is gebleken dat mensen meer stappen per dag zetten als ze een digitale tool gebruiken”, zegt sportpsycholoog Ciska de Bruijn. “Ze stellen zichzelf in die app een doel en krijgen een badge als ze dat bereiken; daardoor zijn ze veel sneller geneigd toch nog even de deur uit te gaan.”

Een positief effect dus, op individueel niveau maar ook op grotere schaal voor de volksgezondheid. Ook bij mensen die al sportief waren en apps zijn gaan gebruiken om dat te blijven doen en monitoren, ziet De Bruijn positieve gevolgen: “Als lopers apps en AI gebruiken om hun progressie bij te houden en zichzelf uit te dagen door zich te laten inspireren door andere lopers, kunnen dat heel waardevolle tools zijn.”

Extrinsieke motivatie

Maar er zijn ook risicofactoren. Wie louter in beweging komt omdat een app hem of haar dat opdraagt, is extrinsiek gemotiveerd.

Die beloning moet binnengehaald worden, dus er móét bewogen worden. Als de buurman zijn 10 kilometer-rondje in een bepaalde tijd gelopen heeft, móét dat geëvenaard worden in Strava. “Niet het lichaam wordt leidend, maar de digitale gegevens”, stelt De Bruijn.

“Mijn app zegt dat ik móet gaan lopen, dus doe ik dat maar. In plaats van: Hoe voel ik me? Heb ik voldoende rust gepakt? Wat doet het met mijn lichaam als ik nu ga lopen? Wanneer je zo bezig bent met een digitale beloning of met sociale vergelijking, dreig je het contact met je lichaam te verliezen. Je loopt om ermee te kunnen pronken met een post op sociale media, of om bevestiging te krijgen, in plaats van dat je je ervan bewust bent: bewegen is goed voor me en het levert me dit specifieke gevoel op. Terwijl: wanneer plezier juist je motivator is, houd je iets ook makkelijker vol. Je doet iets dat je daadwerkelijk leuk vindt en dat je extra energie geeft, in plaats van dat het je alleen maar energie kost.”

“Wie voor motivatieimpulsen afhankelijk is geworden van data, stapt daar maar moeilijk van af”

Ciska de Bruijn

Risico’s

Dat is nu net het verschil tussen extrinsieke en intrinsieke motivatie. Wie voor motivatie-impulsen afhankelijk is geworden van data, stapt daar maar moeilijk van af, ziet De Bruijn. Dat terwijl in die afhankelijkheid ook een risico schuilt: lopers zijn geneigd zichzelf voorbij te streven en lopen daarbij meer risico op blessures. “Ook zie ik regelmatig dat sporters in een soort sport-burnout terechtkomen. Ze zijn de regie over hun lichaam kwijt en de connectie met hun eigen gedachten en gevoelens verloren. Ze hebben zich puur gericht op de impulsen die van buitenaf op hen af kwamen en raakten daarbij langzaam hun plezier in sport kwijt. Daarbij raakt het voor een sporter dus ook totaal uit zicht waarom hij of zij in eerste instantie was gaan sporten en waarom bepaalde doelen gesteld zijn.”

Self-determination

De Bruijn koppelt de hang naar data en bevestiging aan de self-determination theory, die stelt dat duurzame motivatie pas ontstaat wanneer drie psychologische basisbehoeften vervuld zijn: autonomie, competentie en verbondenheid. Hoezeer apps ook houvast kunnen bieden: wie vooral beweegt omdat een app dat voorschrijft, levert natuurlijk autonomie in. Ook het element competentie verschuift van innerlijk ervaren progressie naar een externe maatstaf: cijfers, badges en ranglijsten bepalen of een inspanning ‘goed genoeg’ was. Verbondenheid ten slotte wordt niet langer

“Wie vooral beweegt omdat een app dat voorschrijft, levert autonomie in”
Ciska

de Bruijn

gevoed door samen bewegen of gedeeld plezier, maar door likes en digitale erkenning. Motivatie, kortom, wordt dus steeds meer extern gereguleerd. Als die externe prikkels uitblijven, dreigt de motivatie te verdwijnen.

Menselijke context

De Bruijn benadrukt dat er met een app als externe motivator in den beginne niets mis is. “De stimulans is mooi, maar de menselijke context mist: ik zie apps en data daarom vooral als een sterke aanvulling. De kunst is dus om je niet blind te staren op je app, maar te blijven voelen wat je lichaam je zegt, zodat je die intrinsieke motivatie op den duur kunt oproepen. Voor sporters die apps niet zozeer gebruiken als motivator, maar als vergelijkings- en monitoringtool,

Ciska de Bruijn: “Wanneer je erg bezig bent met een beloning of vergelijking, dreig je het contact met je lichaam te verliezen.”

zou ik idealiter pleiten voor een combinatie met een persoonlijke coach of sportpsycholoog. Samen kun je continu blijven bekijken: Hoe afhankelijk ben je eigenlijk van een app? Hoe erg is het als je niet voldoet aan wat de app je zegt en waarom is dat voor jou eigenlijk zo erg?”

Terug naar de basis

Zo gaat De Bruijn in haar dagelijkse praktijk ook te werk: terug naar de basis. “We gaan op zoek naar het antwoord op de vraag: Los van die app, wat wil ik zelf? En als het antwoord in eerste instantie is dat je onder de tijd van de buurman wil lopen op de marathon: Waarom wil je dat? Om het op Strava of Instagram te kunnen zetten? Zo ja: Wat is er zo belangrijk aan pronken? Welk element schuilt er in die trots? Vervolgens gaan we bekijken of we van een prestatiegerichte benadering naar een procesgerichte benadering kunnen bewegen. Over het proces heb je volledige controle, over de prestatie niet.

Hoe kun je weer streven naar een loopschema waarbij je blij bent met progressie en je weer fijner voelt in je lichaam? Hoe kun je weer naar een situatie toe waarin je trots bent op je progressie, waarna

dát de stimulans is om weer verder te gaan, in plaats van cijfertjes en online doelen? Bovendien maak je, wanneer je brein die connectie maakt, endorfines aan doordat je beweegt. Die glimlach en dat gevoel: dat is de beste stimulans. Post dáár maar iets over op Instagram. Wanneer je apps weer als mooi hulpmiddel ziet die je kunt gebruiken in combinatie met menselijke factoren, blijft het lichaam leidend. En in die vorm juich ik data als ‘extraatje’ alleen maar toe.”

“Wanneer plezier je motivator is, houd je iets makkelijker vol”
Ciska

de Bruijn

“Kennis die wij hebben kan één-op-één worden gebruikt in de civiele samenleving”

Leren van Defensie bij het voorkomen, herkennen en behandelen van hitteletsel

Inspanningsgebonden hitteletsel vormt een risico tijdens hardloop- of andere sportevenementen. Zeker nu het vaker warm is in Nederland. Preventie van en handelen bij hitteletsel is dan ook een belangrijk thema in de evenementenzorg. Daarbij wordt ook gekeken naar hoe men in andere sectoren omgaat met presteren in de warmte. Bij Defensie bijvoorbeeld. Daar wordt veel onderzoek gedaan naar het voorkomen, herkennen en behandelen van hitteletsel. Op het Rotterdam

Marathon Sportmedisch Congres vertelt Koen Levels wat Defensie allemaal doet en wat andere sectoren, zoals de sport, daar aan kunnen hebben.

Door: Tessa de Wekker Beeld: TGTF/Defensie

Levels is thermofysioloog en onderzoeker bij de afdeling Trainingsgeneeskunde en Trainingsfysiologie (TGTF) van het Commando Landstrijdkrachten. Hittebelasting is zijn expertise. Voor hij bij Defensie aan de slag ging, werkte hij voor NOC*NSF. Hij hielp onder andere topsporters om zich voor te bereiden op de Olympische Spelen in Tokio, die in zeer warme en vochtige omstandigheden plaatsvonden. “Zowel topsporters als militairen moeten top kunnen presteren in extreme omstandigheden, zoals hitte. De voorbereiding daarop is heel vergelijkbaar”, zegt hij.

Drie niveaus

Bij Nederlandse militairen komen regelmatig hitteletsels voor. Ze leveren zware inspanning en door de militaire uitrusting – zware beschermende kleding, rugzak en helm – is het voor het lichaam moeilijker om de warmte kwijt te raken. Sinds een aantal jaar is preventie van hitteletsel een belangrijk thema binnen Defensie. Dat is niet voor niets. Tien jaar geleden kwam een jonge militair in opleiding om tijdens een training in Nederland. En sinds 2016 is een forse stijging van het aantal meldingen van hitteletsel bij defensiepersoneel te zien. Tussen 2016 en 2022 kwamen 103 meldingen binnen van ernstig hitteletsel dat vaak tot een consult of opname in het ziekenhuis leidde.1 Nederland is daarin niet uniek. Ook in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is een stijgende trend te zien. In 1980 overleden nog 1,8 per 100.000 Amerikaanse soldaten aan hitteberoerte. In 2001 waren dat er 14,5 per 100.000.2 En tussen 2011 en 2019 is de incidentie van hitteberoerte in het Amerikaanse leger bijna verdubbeld.3 Levels: “We hebben in het verleden tragische gevallen gehad binnen Defensie. Dat heeft ervoor gezorgd dat het voorkomen van hitteletsel inmiddels heel belangrijk is. Daar doen we dan ook veel onderzoek naar.”

Het beleid van Defensie bestaat uit drie niveaus: voorkomen, herkennen en behandelen. “We steken natuurlijk veel energie in het voorkomen dat er iets misgaat. Maar als dat wel gebeurt, willen we dat er snel gehandeld kan worden. Daarvoor is herkennen van de signalen essentieel”, zegt Levels.

Voorkomen

Educatie staat voorop bij het voorkomen van hitteletsel. In de opleiding en als voorbereiding op trainingen en missies staat het voorkomen en herkennen van hitteproblematiek dan ook standaard op het programma. Levels: “We willen dat iedere militair en iedere instructeur kennis

heeft van hitteletsel. Wat is het? Wat zijn de risicofactoren? En als iemand in de problemen komt: Hoe ziet het er dan uit en wat moet je doen? Deze kennis alleen al kan veel ellende voorkomen.”

Naast educatie is acclimatisering het belangrijkste middel om hitteletsel te voorkomen. Een lichaam dat gewend is aan presteren in warme omstandigheden, komt minder snel in de problemen. Defensie houdt veel oefeningen op Aruba, Bonaire en Curaçao, omdat militairen onder warme omstandigheden moeten kunnen werken. De voorbereiding op zo’n training begint al een halfjaar van tevoren, zegt Levels. “Van iedere deelnemer wordt een risico-inschatting gemaakt. Hoe fit is iemand, gebruikt hij of zij bepaalde medicijnen, heeft iemand eerder inspanningsgebonden hitteletsel gehad? Ook educatie staat wederom op het programma. Een kleine twee weken voor de start van de trainingsmissie start het daadwerkelijke acclimatiseren. We hebben daarin twee smaakjes: in Nederland of op de plek waar de training wordt gehouden”, zegt Levels.

In Nederland heeft Defensie de beschikking over een grote klimaatkamer. Elke dag fietsen de militairen op ergometers in de klimaatkamer. Gebeurt de aanpassing op de plaats van bestemming, dan wordt buiten gesport. Het doel is in beide gevallen om gedurende één tot anderhalf uur de lichaamstemperatuur tijdens inspanning boven de 38 graden Celsius te krijgen. “Als je dat doet, went een lichaam in tien tot veertien dagen volledig aan de warmte”, zegt Levels.

Het lichaam ondergaat in die periode een aantal fysiologische veranderingen. Ten eerste blijft de hartslag tijdens inspanning lager. Die daalt flink, bijvoorbeeld van 150 naar 120 slagen per minuut. Ook neemt het bloedvolume toe. Levels: “Dat is heel gunstig, want dat betekent dat de inspanning als minder belastend wordt ervaren, maar ook dat het lichaam de warmte beter kwijt kan aan de omgeving. Er wordt meer gezweet en dat zweet zal ook beter verdampen. Dat verdampen is essentieel om koel te blijven.”

De afgelopen jaren is een stijgende trend te zien in het aantal hitteberoertes

Acclimatiseren

Acclimatisering is een heel krachtig mechanisme. “Maar het komt niet vanzelf. Je moet er echt flink voor aan de bak en jezelf letterlijk elke dag in het zweet werken. Dat is een pittige opgave, maar wel heel effectief”, zegt Levels.

Het is belangrijk dat de kerntemperatuur van het lichaam tijdens de acclimatisering anderhalf uur lang boven de 38 graden Celsius is. Om dat in de gaten te houden, beschikt Defensie over een app die op de smartwatch van de militairen staat. Met de app wordt de kerntemperatuur geschat. “Dat gebeurt op basis van de hartslag”, vertelt Levels. De app maakt gebruik van een algoritme dat door het Amerikaanse leger is ontwikkeld, het zogeheten ECTemp-algoritme. “Het blijft een schatting van de werkelijkheid, maar de app komt heel dicht in de buurt. Daarom is het een goed hulpmiddel om tijdens de acclimatisering te gebruiken.”

Levels heeft samen met collega’s het ECTemp-algoritme gevalideerd. Militairen hebben tijdens verschillende trainingen de app gebruikt. Tegelijkertijd hadden ze een thermometerpil ingenomen. Levels: “Op groepsniveau klopte het algoritme gemiddeld genomen exact. Op individueel niveau zagen we afwijkingen van maximaal een halve graad hoger of lager. Daarom zeggen we: zorg dat je app anderhalf uur boven de 38,5 graden Celsius zit, dan zit je in elk geval tussen 38 en 39 graden en dat is voor acclimatiseren heel goed.” Overigens geeft de app een signaal als iemand boven een

In de jaren zestig waren er wetenschappers die zich afvroegen of het ontmoedigen van beweging wel zo verstandig en gezond was

bepaalde temperatuur komt, bijvoorbeeld 39 graden Celsius. “Dan weet je: oké, ik ben nu wel echt warm aan het worden. Ik moet rustiger aan gaan doen.”

Herkennen

Binnen Defensie wordt het ECTemp-algoritme ook gebruikt om mogelijk hitteletsel tijdig te herkennen. Tijdens trainingen, zowel in Nederland als in warmere oorden, kunnen militairen hun kerntemperatuur via hun smartwatch in de gaten houden. Het horloge wordt dan ingesteld om een signaal te geven als de temperatuur boven de 39,5 graden Celsius komt. “Dan weet je zeker dat er niemand boven de 40 graden komt. Die temperatuur willen we vermijden, omdat de risico’s dan te groot worden. Dat is nergens voor nodig, zeker niet tijdens oefeningen.”

Tenminste, dat vinden wetenschappers zoals Levels. Maar hij erkent dat zo’n alarmsignaal dilemma’s kan opleveren. “Bij Defensie geldt het principe: train as you fight. En op het slagveld kun je natuurlijk niet zeggen: ‘Ik neem even pauze want mijn temperatuur wordt te hoog.’ Dus ik snap heel goed dat juist militairen willen leren hoe ze op kritieke momenten door moeten gaan. Alleen kun je met een hitteberoerte echt niet doorgaan. Daarom zeggen we: neem maatregelen als iemand tijdens een oefening echt te warm wordt. Hitteletsel kan zorgen voor onherstelbare schade en dat risico moet je tijdens een oefening niet nemen.”

Voor militairen in opleiding is het helemaal lastig om zelf die beslissing te nemen, terwijl juist bij hen de meeste gevallen van ernstig hitteletsel plaatsvinden. (Groeps)druk speelt daarbij een grote rol. Militairen in opleiding willen immers laten zien dat ze geschikt zijn voor de functie en zullen niet snel geneigd zijn te stoppen.

Symptomen

Om hen te beschermen heeft Defensie de ARMORhittemonitor ontwikkeld. Dit systeem werkt ook op basis van het ECTemp-algoritme. “Het verschil is dat nu niet de deelnemer zelf de informatie over de temperatuur krijgt, maar de instructeur of de commandant. Op een tablet kan die via kleurcodes precies in de gaten houden wie tijdens zware inspanning te warm wordt en met wie het nog goed gaat”, legt Levels uit.

De ‘TACO’ (Tarp-Assisted Cooling with Oscillation) wordt bij Defensie gebruikt om militairen zo snel mogelijk te koelen als dat nodig is.

Tijdens trainingen kunnen militairen hun kerntemperatuur via hun smartwatch in de gaten houden

Een lichaam dat gewend is aan presteren in warme omstandigheden, komt minder snel in de problemen

De ARMOR-hittemonitor en het ECTemp-algoritme zijn hulpmiddelen bij het signaleren van hitteletsel. Hoewel de militaire instructeurs en commandanten zijn geschoold in het kunnen herkennen van hitteletsel, blijkt het in de praktijk moeilijk om die te onderscheiden van andere vormen van extreme vermoeidheid of onwelwording. Toch is het naast een hoge temperatuur ook belangrijk om altijd op de symptomen te letten. Dat geldt zowel voor de militair (in opleiding) zelf, diens buddy als de opleider of commandant. “Er is een aantal alarmsymptomen die aangeven dat het niet goed gaat met het centraal zenuwstelsel. Zwalken bijvoorbeeld en irrationeel gedrag. Ook als iemand niet meer helder kan nadenken, kan dit duiden op hitteletsel. Iedere militair heeft een buddy en die is heel belangrijk in het herkennen van symptomen van hitteletsel. De buddy kan aan de bel trekken als iemand zich heel anders gedraagt dan een halfuur eerder.”

Behandelen

Hoewel veel er binnen Defensie op gericht is hitteletsel en zeker hitteberoertes te voorkomen, komt het nog steeds wel eens voor dat er behandeld moet worden. Snel en zo agressief mogelijk koelen is van levensbelang bij hitteberoerte. IJsbaden werken het beste en ook koelen met in ijswater gedrenkte handdoeken is effectief. IJs(water) is alleen vaak niet voorhanden tijdens een militaire training, laat staan tijdens een uitzending. Daarom gebruikt Defensie de zogenoemde ‘TACO’ (Tarp-Assisted Cooling with Oscillation). Dit is een klein pakketje dat normaliter is opgevouwen tot een rugzak. Elke groep krijgt er één mee tijdens een training, in Nederland of in de tropen. Eenmaal uitgevouwen vormt de TACO een soort draagbaar flexibel bad. Levels: “Daar leg je de persoon in, je doet er water bij en dan moet je met drie man zorgen dat het water blijft klotsen. Het werkt eenvoudig,

je hebt weinig nodig en het is erg effectief.” Door het klotsen hoeft het water niet eens heel koud te zijn om het lichaam snel te kunnen afkoelen. “Het is belangrijk dat het water in beweging blijft. We hebben onderzocht dat water tot een graad of dertig koud genoeg is om iemand te kunnen koelen.”

Lessen voor de sport

De ervaring die Defensie heeft in het voorkomen, herkennen en behandelen van hitteletsel is ook belangrijk voor de civiele maatschappij. “Kennis die wij hebben kan één-op-één worden gebruikt. We werken ook samen met bijvoorbeeld de politie en de brandweer. Maar ook voor fabrieksmedewerkers die in beschermende kleding in warme omstandigheden werken is het belangrijk om de risico’s te kennen en zo veel mogelijk te voorkomen. En dat geldt natuurlijk ook voor de sport”, zegt Levels.

De app die militairen gebruiken om hun temperatuur in de gaten te houden mag, vanwege een overeenkomst met de Amerikanen, alleen door Defensie worden gebruikt. Maar voor sporters zijn er alternatieven op de markt, zegt Levels. Niet elk alternatief werkt vooralsnog even goed. “De meeste apps zou ik niet gebruiken, die zijn nog niet nauwkeurig genoeg. Maar de ontwikkelingen gaan heel snel.” Een alternatief dat wel al goed werkt, is de CORE-sensor. “Die wordt in de topsport veel gebruikt en werkt met een clipje op de afsluitband van een hartslagmeter. Die heeft een vergelijkbare precisie als het algoritme dat wij gebruiken. Die sensor kost alleen zo’n 300 euro, dus dat is veel recreanten wellicht net te veel.”

Los van de app is kennis van hitteletsel de belangrijkste bescherming, zegt hij. Hierin ziet hij een taak voor organisatoren van grote sportevenementen, maar ook voor wetenschappers die zich met het thema bezig houden.

“We moeten ons er met zijn allen voor inzetten om de gevaren van hitteletsel, hoe je het herkent en wat je kunt doen om het te voorkomen, bij een breed publiek bekend te krijgen.”

Acclimatisering

Acclimatisering is een effectief middel om de kans op hitteletsel te verkleinen. En daar heeft een recreant echt geen speciale klimaatkamer voor nodig. “Een simpele manier is om genoeg kleding aan te trekken en jezelf inspannen. Lang thermo ondergoed, een dikke trui en eventueel een regenjas zijn al genoeg om het echt warm te krijgen. Het voelt oncomfortabel, maar het is wel effectief.” Zwaar is het wel, dat acclimatiseren, zegt hij. “Vooral omdat je echt tien tot veertien dagen nodig hebt en je anderhalf uur lang je temperatuur rond de 38,5 graden Celsius moet houden.” Omdat het zo zwaar is, ziet hij vaak dat mensen als alternatief de sauna opzoeken. “Maar saunabezoek zonder inspanning heeft amper effect”, zegt Levels.

Koen Levels is thermofysioloog en onderzoeker bij de afdeling

Trainingsgeneeskunde en Trainingsfysiologie (TGTF) van het Commando Landstrijdkrachten. Hittebelasting is zijn expertise.

Wat is inspanningsgebonden hitteletsel?

Een normale lichaamstemperatuur ligt rond de 37 graden Celsius. Bij inspanning stijgt de lichaamstemperatuur. Het lichaam voert de warmte af via de huid en we gaan zweten. Als dit proces moeilijk gaat en we de warmte niet voldoende kunnen afvoeren, noemen we dit hittestress. Als de lichaamstemperatuur door hittestress gevaarlijk stijgt, kan hitteletsel ontstaan. Er zijn verschillende soorten hitteletsels, waarvan de inspanningsgebonden hitteberoerte de gevaarlijkste is. De lichaamstemperatuur is dan na zware inspanning tot boven de 40 granden Celsius gestegen, het centraal zenuwstelsel werkt niet goed meer en het bewustzijn is veranderd. Je kunt dan verward, agressief, bewusteloos of in coma raken of een epileptische aanval krijgen. De symptomen kunnen variëren. Je kunt het erg warm hebben en veel zweten, maar ook juist koud aanvoelen en weinig zweet produceren.

Inspanningsgebonden hitteberoerte is een van de meest voorkomende oorzaken van overlijden bij duursporters. Het is belangrijk om altijd 112 te bellen bij verdenking van een hitteberoerte. Daarnaast is agressief en snel koelen van levensbelang. Dit kan door een slachtoffer uit de zon te halen, te koelen met in (ijs)koud water gedrenkte handdoeken of met wat er maar voor handen is. De volgende factoren kunnen van invloed zijn op het ontwikkelen van een hitteberoerte:

• sporten in een (relatief) warme omgeving (>15 graden) met hoge luchtvochtigheid;

• onvoldoende acclimatisering (wennen aan de temperatuur);

• te warme kleding;

• situaties waardoor de sporter niet goed luistert naar eventuele signalen van het lichaam en een te hoge inspanning levert, zoals een onrealistisch doel hebben gesteld en groepsdruk door aanmoedigingen vanuit het publiek, vrienden of familie;

• leeftijd: hoe jonger de sporter, hoe hoger het risico;

• grote inspanning; de meeste hitteberoertes komen voor bij afstanden boven 10 kilometer, maar dertig minuten inspanning kan al voor een hitteberoerte zorgen;

• obesitas;

• ongetraindheid;

• recente ziekte en/of koorts;

Bronnen

1. Ministerie van Defensie (2024, juni). Handboek Hitteziekte.

2. Carter, R., et al. (2005, augustus). ‘Epidemiology of hospitalizations and deaths from heat illness in soldiers’, in: Medicine & Science in Sports & Exercise. vol 37(8)

3. Alele, F.O., et al. (2020, september). ‘Epidemiology of Exertional Heat Illness in the Military: A Systematic Review of Observational Studies’, in: International Journal of Environmental Research and Public Health. vol 17(19)

• slaaptekort en stress;

• dehydratie waardoor het lichaam zichzelf niet goed kan koelen;

• hogere hartslag dan normaal bij dezelfde inspanning;

• gebruik van antihistamine, bloeddrukverlagers en diuretica;

• huidproblemen die het vermogen om te zweten belemmeren.

De Kinvent test apparatuur heeft diverse test- en trainingsmogelijkheden:

• Dual Force plate voor sprong analyses

• Myometer voor krachtmeting

• EMG meting

• Push/Pull kracht

• ROM meting

KINVENT TEST APPARATUUR

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook