Skip to main content

Testartikel

Page 1

Schadeverhaal na internet-oplichting: noodzaak tot bezinning op de architectuur van het aansprakelijkheidsrecht R.S.B. Kool1

1.Inleiding Onlangs werd in de Tweede Kamer de initiatief-nota ‘Laat slachtoffers van internetoplichting niet in de kou staan’ (hierna: de nota) besproken.2 De nota is ingediend door CDA-kamerlid Van Toorenburg en strekt ertoe de strafrechtelijke bestrijding internet-oplichting te intensiveren en om de mogelijkheden tot schadeverhaal te verbeteren. De nota is inmiddels door de Vaste Commissie besproken, en de minister heeft een eerste, kritische reactie gegeven.3 Niettemin vertegenwoordigt het initiatief een bredere politieke en maatschappelijke zorg over de schadelijke gevolgen van cybercrime, in het bijzonder internet-oplichting.4 Het intiatief van Van Toorenburg verdient dan ook zeker bijval, maar tegelijkertijd geldt dat gehoor geven daaraan afbreuk zou doen aan de architectuur van het aansprakelijkheidsrecht. De kwestie van het schadeverhaal vraagt om een zorgvuldiger doordenking dan in de context van een initiatief-nota kan worden geboden. Het is tijd de lopende ontwikkelingen binnen het strafrecht en het civiele aansprakelijkheidsrecht in samenhang te bezien, en ons te bezinnen op de grondslag van het schadeverhaal na een strafbaar feit. Is die overwegend publiekrechtelijk of privaatrechtelijk van aard? Of vertoont de vordering benadeelde partij trekken van beide rechtsgebieden, en kunnen we spreken van een vordering sui generis? Als dat zo is, zou dit dan niet expliciet erkenning moeten vinden in wetgeving en beleid? In deze bijdrage wordt gepleit voor een diepgaandere bezinning op de kwestie van het schadeverhaal na een strafbaar feit. Er volgt geen blauwdruk voor een toekomstige regeling, want die denkoefening vergt tijd en samenspraak over de rechtsgebieden heen. Het blijft bij een aanzet en waarschuwing om in de waan van de dag niet te volstaan met korte termijn maatregelen. 2. De aanleiding voor de nota De aanleiding voor de nota ligt in de wens om de strafrechtelijke bestrijding van internetoplichting aan te scherpen. Internet-oplichting vormt namelijk een substantieel probleem en vormt een aandachtspunt op de Veiligheidsmonitor 2015-2018. Van overheidswege wordt geïnvesteerd in het uitbouwen van de strafrechtelijke handhaving. Daartoe is onder andere het Landelijk Meldpunt Internetoplichting (hierna: LMIO) ingesteld, waarbinnen politie en openbaar ministerie, in samenwerking met de particuliere sector (in het bijzonder de banken) afspraken maken over informatie-uitwisseling, opsporing en vervolging. Hoewel de voor opsporing en vervolging gestelde targets ruimschoots zijn behaald, wordt aangenomen dat sprake is van een hoog dark number. Uit de cijfers afkomstig van het LMIO blijkt bovendien 1

Renée Kool is werkzaam als senior-docent onderzoeker bij UCall en het WPI, Universiteit Utrecht. Deze bijdrage bevat een uitwerking van een voordracht voor de rechtbank Amsterdam op uitnodiging van het Kenniscentrum Milieu & Fraude, gehouden op 18 september 2017. 2 Tweede Kamer 2016-2017, 31 615, nrs. 1-2. 3 Tweede Kamer 2016-2017, 31 615, nr. 10. 4 Zie in dit verband ook de recent ingevoerde strafbaarstelling van acquisitiefraude (artikel 326d Sr), Stbl. 2016, 133. 1


dat veel zaken afvallen, omdat deze niet voldoen aan de voor het starten van een voorbereidend onderzoek gestelde criteria: 1. Tien of meer aanverwante aangiften, 2. Substantiële schade en 3. De eventuele minderjarigheid van de verdachte.5 Aangegeven wordt dat in 2016 46.000 meldingen zijn gedaan bij het LMIO, waarvan er 7.000 werden ingetrokken. Na beoordeling op het bewijs bleven 28.000 meldingen over, die resulteerden in 346 dossiers, betrekking hebbende op 5.500 aangiften met daarin 498 verdachten. In de helft van de zaken die werden voorgelegd aan de rechter volgde een schuldigverklaring.6 Voor 2015 gelden vergelijkbare bevindingen. Kortom, het aantal zaken waarin het komt tot een strafrechtelijke handhaving met daarin besloten mogelijkheid tot schadeverhaal voor slachtoffers is beperkt. De nota roept op tot het verlagen van de voor opsporing en vervolging gestelde drempels teneinde slachtoffers de mogelijkheid te geven geleden schade via het strafrecht te verhalen. Dat vraagt om capaciteitsuitbreiding en om intensivering van de privaat-publieke samenwerking (informatie-uitwisseling vanuit de bancaire sector, het sneller blokkeren van rekeningen van vermoede oplichters). Het derde voorstel, te komen tot verruiming van de mogelijkheden tot het daadwerkelijk verweven van schadevergoeding na (gedeeltelijke) toewijzing van de schadevordering staat, als opgemerkt, hier centraal. Het betreft zaken die zijn voorgelegd aan de rechter, waarbij sprake is van voeging door een benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, met daarbij behorende vervangende hechtenis. 3. Voorstellen inzake het bevorderen van schadeverhaal Wat zegt de nota over het bevorderen van schadeverhaal voor slachtoffers van internetoplichting, en tegen welke achtergrond moeten die voorstellen worden begrepen? Om met dat laatste te beginnen: bekend is dat slachtoffers van schade als gevolg van een strafbaar feit het strafrecht als preferente optie zien. Van het alternatief, het starten van een onrechtmatige daad actie (of op een andere civielrechtelijke titel, bijvoorbeeld wanprestatie of onverschuldigde betaling) wordt weinig gebruik gemaakt.7 De verklaring daarvoor ligt enerzijds in de verminderde kans van slagen binnen het civiele traject,8 en anderzijds in de executoriale voordelen en bijstand die het strafrechtelijk traject biedt. Daarnaast, maar dat is een minder gemakkelijk vast te stellen fenomeen, lijkt een aanspraak op procedurele rechtvaardigheid te spelen. Men heeft niet zomaar schadeverhaal geleden, maar is slachtoffer van een strafbaar feit en verdient uit dien hoofde publiekrechtelijke erkenning en ondersteuning bij het verhalen van de schade.9 Dit verklaart waarom eerdere voorstellen, zoals een afsplitsing van de schadevordering van het strafproces naar de kantonrechter, geen

5

Deze cijfers worden door de minister van Justitie en Veiligheid aangehaald bij het overleg met de UVC; Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, p. 5. 6 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10 (Verslag van een notaoverleg). 7 W. Schrama en T. Geurts, Schadeverhaal via de civiele rechter, Den Haag: WODC 2015; J.D.M. van Dongen, M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, ‘Je hebt geluk als je van een pauw mag plukken’, Rotterdam: EUR 2015; R.S.B. Kool e.a., Schadeverhaal na een strafbaar feit via de kantonrechter, Den Haag: BoomJu 2014. 8 R.J.J. Eshuis, De daad bij het woord: het naleven van rechterlijke uitspraken en schikkingsafspraken, Den Haag: WODC 2009. 9 G. van Dijck, ‘Emotionele belangen en het aansprakelijkheidsrecht’, NJB, afl. 36, p. 2530-2536; R.M. Huver, K.A.P.C. van Wees, A.J. Akkermans en N.M. Elbers, Slachtoffers en aansprakelijkheid, deel I, Den Haag: WODC 2007. 2


draagvlak vinden.10 Schadeverhaal is een publieke zaak geworden, en nauw verklonken met de wederrechtelijke dimensie van het strafbare feit. Dat komt ook duidelijk tot uitdrukking in de nota; ik kom daar hieronder op terug. Eerst is het wenselijk aan te geven over welke juridische situatie(s) het gaat, en welke voorstellen worden gedaan ter verbetering daarvan. De uitgangspositie is, als gezegd, dat de verdachte is veroordeeld, de vordering benadeelde partij (gedeeltelijk) is toegewezen (artikel 51f Sv) en een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd (art. 36f Sr).11 In dat geval zal het CJIB de executie van de schadevergoedingsmaatregel ter hand nemen en trachten, eventueel via toepassing van de vervangende hechtenis, de dader tot schadevergoeding te bewegen. Indien dit om enigerlei reden niet lukt en de vervangende hechtenis is geëxecuteerd, vervalt de grondslag voor optreden van het CJIB. Het slachtoffer rest dan slechts de civiele route via het inschakelen van een deurwaarder, teneinde de door de strafrechter toegekende executoriale titel te executeren. Wel kan het slachtoffer aanspraak maken op vergoeding uit hoofde van de Voorschotregeling. Dat kan echter pas na ommekomst van acht maanden en is voor de categorie delicten waarin internet-oplichting in valt, gemaximeerd tot 5000 euro.12 Een andere, relevante strafrechtelijke dienstverlening is het conservatoire belang ex artikel 94a Sv, maar de toepassing daarvan ligt in het vooronderzoek.13 Het slagingspercentage van het CJIB betreffende het realiseren van schadeverhaal via de schadevergoedingsmaatregel ligt hoog (zeventig procent).14 Dat is volgens Van Toorenburg echter niet voldoende. Zij stelt voor om de inningsbevoegdheid van het CJIB, na beëindiging van de strafrechtelijke grondslag daarvan, door te zetten ten behoeve van de executie van de civielrechtelijke titel. Dat zou betekenen dat het slachtoffer geen deurwaarder hoeft in te schakelen ter executie van de civielrechtelijke titel, die taak komt in handen te liggen van de ‘overheidsdeurwaarder’: het CJIB. Deze te creëren, verlengde inningsbevoegdheid zou gekoppeld dienen te zijn aan de mogelijkheid van toepassen van vervangende hechtenis, en eventueel door het CJIB te treffen betalingsregelingen. De minister signaleert terecht een fundamentele doorbreking van de grenzen tussen het strafrecht en het civiele recht. Het CJIB, een publiekrechtelijk orgaan, executeert immers een privaatrechtelijke titel.15 De initiatiefneemster daarentegen spreekt van een ‘tussenvorm’,16 en haar partijgenoot Van Dam van ‘hulpverlening aan gedupeerde burgers om hun eigen civielrechtelijke mogelijkheden daadwerkelijk te laten inzetten’.17 De laatste typering is illustratief, want geeft aan wat de achterliggende drijfveer is achter de nota.

10

E. van den Emster, Proef met opsplitsen strafproces, Rechtspraak.nl, http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Rechtspraaklegtomgangmetslachtoffervanmisdrijfvast.as; px. 11 Dat vormt het meest voorkomende scenario, maar schadevergoeding kan ook zonder voeging door de benadeelde partij worden opgelegd uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel. De rechter zal daartoe als regel enkel toe overgaan wanneer duidelijk is dat het slachtoffer schadevergoeding wenst. Het slachtoffer kan immers ook geen prijs stellen op het ontvangen van geld van de zijde van de dader; Kool e.a. 2016, p. 177. 12 Voor meer ernstige en zwaardere misdrijven (zogenaamde EGZ-misdrijven) geldt geen maximum. 13 E. Gijselaar en S. Meijer, ‘Conservatoir beslag ten behoeve van het slachtoffer’, Delikt en Delinkwent 2014, nr. 3, p. 180-198. 14 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10, p. 37. 15 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10, p. 34. 16 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 2, p. 6. 17 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10, p. 55 (Verslag van een notaoverleg). 3


4. (Grenzen aan de) dienstbaarheid aan het slachtofferbelang De aanleiding voor de voorgestelde uitbreiding van de executoriale bijstand door het CJIB ligt namelijk in het gesignaleerde handhavingstekort en in de opgeld doende focus op het recht op schadeverhaal na een strafbaar feit.18 Van Toorenburg is van mening dat een overheid die bescherming belooft, en zijn burgers oproept aangifte te doen van internetoplichting, verplicht is die burger bij te staan in de afhandeling van dientengevolge ontstane schade.19 De overheid moet ‘naast’ het slachtoffer (van internet-oplichting-RSBK) gaan staan’.20 Op het eerste gezicht lijkt de initiatiefneemster een punt te hebben. Er is immers een handhavingstekort, en investering in de bestrijding van internet-oplichting is nodig. Tegelijkertijd doet deze opstelling de vraag rijzen of de nota geen valse verwachtingen wekt. Strafbaarstelling van internet-oplichting berust immers primair op de vanwege de gemeenschap te communiceren (rechts)norm en niet op het faciliteren van schadeverhaal. Uitgangspunt is weliswaar dat wordt gehandhaafd, maar bij een delict dat zo veelvuldig voorkomt als internet-oplichting is voorzienbaar dat handhaving problematisch is. De typering van internet-oplichting als de ‘fietsendiefstal van de eenentwintigste eeuw’, afkomstig van D66-kamerlid Groothuijzen, is een rake.21 Net als voor fietsendiefstal geldt dat strikte handhaving in geval van internet-oplichting niet opportuun is gelet op de aard ervan, de schade die het veroorzaakt en het beslag dat dit zou leggen op de strafrechtelijke capaciteit. Het gaat immers om cybercrime, een medium dat zich maar in beperkte mate leent voor toezicht van overheidswege. Bovendien is de moderne burger zwaar verknocht aan het internet, en voelt deze er weinig voor af te zien van het gebruik daarvan vanwege daaraan klevende risico’s. Het feit van algemene bekendheid dat het internet een potentiële bron vormt voor fraude ondanks. Dat raakt aan de vraag van de grenzen van het strafrecht in relatie tot de door de burger te betrachten voorzorg, oftewel: de eigen schuld als te wegen factor bij het nemen van de vervolgingsbeslissing en daarop mogelijk volgende besluitvorming over het schadeverhaal. De overheid dringt via publiekelijk gecommuniceerde instructies en waarschuwingen aan op te betrachten voorzorg, maar in hoeverre daaraan gehoor wordt gegeven is de vraag. Een andere factor die gewicht in de schaal legt bij het bepalen van de inzet van het strafrecht is de aard en omvang van de schade. Die schade is er, en veelvuldig. Anders dan de nota lijkt te suggereren betreft het echter in de regel relatief beperkte schade, namelijk in de range van honderd tot vijfhonderd euro.22 Dat maakt de stelling van Van Toorenburg dat het een ‘feit’ is dat er gevallen zijn waarbij slachtoffers zijn opgelicht voor een (veel) hoger bedrag dan 5000 euro (het bedrag waarop aanspraak kan worden gemaakt op grond van de Voorschotregeling-RSBK), niet onjuist. Maar het neemt wel wat van de in de nota gesignaleerde ‘kou’ uit de lucht.

18

Tweede Kamer 2012-2013, 33 552, nr. 2, bijlage (Recht doen aan Slachtoffers). Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 2, p. 7. Ook wordt opgemerkt dat de gemeenschap gebaat zou zijn bevordering van het schadeverhaal, omdat het slachtoffer dan weer een hoger besteedbaar inkomen heeft (p. 14). Zie ook: Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10, p. 5. 20 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 2, p. 8. 21 Tweede Kamer 2016-2017 34 6115, nr. 10, p. 8. 22 C. Reep, Fraude met online handel, Zoetermeer: CBS, 2017/2, p. 8. 19

4


Binnen dit samenspel van krachten moet de oproep van de strafrechtelijke overheid om aangifte te doen van internet-oplichting primair worden gezien als voorwaarde om zicht op zaken te krijgen. Het betreft een fenomeen dat zich nu eenmaal gemakkelijk aan de blik van de strafrechtelijke autoriteiten onttrekt, en de strafrechtelijke overheid heeft informatie nodig van de burger om het sociaal-economisch verkeer te beschermen. Daarom ook is de privaat-publieke samenwerking zo belangrijk. Of aangifte een voldoende aanleiding vormt voor het starten van een voorbereidend onderzoek, mogelijk uitmondende in vervolging, is afhankelijk van de aard van de zaak en de omstandigheden van het geval. Eén van de te wegen belangen daarbij is dat van het slachtoffer bij schadevergoeding. Dat is evenwel een subsidiaire overweging, die ondergeschikt is aan het belang van de rechtshandhaving in het algemene belang. Dein de nota verwoorde gedachte dat het oproepen tot het doen van aangifte van internet-oplichting een verplichting tot handhaving impliceert, met daaraan te verbinden verruiming van executoriale bevoegdheden, berust op een overschatting van de capaciteit en de ‘macht’ van het strafrecht. In het licht van de schaal van de problematiek behoeft de stelling van de minister dat de aanpak van off line fraude niet per se anders moet zijn dan die van online fraude, relativering.23 5. Doorbreking van de grenzen Met het voorgaande in het achterhoofd is het de vraag of het voorstel tot verruiming van de executoriale bijstand bijval verdiend. De minister handhaaft het uitgangspunt dat civielrechtelijk verhaal een kwestie is die tussen partijen moet worden afgehandeld.24 Hij meent dat de dienstbaarheid die het strafrecht ten deze aan slachtoffers heeft te betonen, stopt bij de executie van de strafrechtelijke titel: de schadevergoedingsmaatregel. De nota daarentegen stelt dat er gerede aanleiding bestaat om daarop een uitzondering te maken.25 Het is met name het ten tweede male kunnen inzetten van de vervangende hechtenis die de overschrijding van de grenzen tussen de rechtsgebieden markeert. Deze rechtsfiguur impliceert namelijk vrijheidsbeneming als pressiemiddel om de veroordeelde aan te zetten tot nakoming van diens verplichtingen uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij geldt dat de vervangende hechtenis, als opgemerkt, niet vervangt en om die reden niet onomstreden is.26 Bij insolvabele daders wordt de vervangende hechtenis dan ook regelmatig op een dag gesteld. Zowel om te voorkomen dat deze vervangende als extra ‘straf’ fungeert, als om verslechtering van de insolvabiliteit te voorkomen.27 Toepassing ten tweede male op grond van een civielrechtelijke titel versterkt deze bezwaren en miskent dat de grondslag voor de vervangende hechtenis is gelegen in de publiekrechtelijke opdracht schadeverhaal te

23

Tweede Kamer 2016-2017 34 615, nr. 10, p. 32 (Verslag van een notaoverleg). Zie ook p. 22, waar de minister zelf wijst op de schaal van de problematiek en de problemen die dit met zich meebrengt voor strafrechtelijke handhaving. 24 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 10, p. 24. 25 Tweede Kamer 2016-2017, 34 615, nr. 2, p. 6. 26 Kool e.a. 2016, p. 177-178 ; G.J.M. van Spanje en G.J. van Oosten, Zitten of betalen?, Strafblad 2012, september, p. 296-300. 27 Van Oosten en Van Spanje 2015, p. 300. In relatie tot het conservatoir beslag (artikel 94a Sv) ook: Gijselaar en Meijer 2014, par. 4.2. Gepleit wordt voor een bredere bezinning op de regeling van de lijfsdwang voor vermogensmaatregelen. 5


bevorderen.28 Daarnaast kent het civiele recht een eigen, vergelijkbare voorziening: de lijfsdwang.29 Deze vergt weliswaar inspanningen van het slachtoffer, en doet zodoende haaks op een op dienstbaarheid gerichte attitude, maar het slachtoffer heeft een dwangmiddel ter beschikking.30 Tot slot kunnen vragen worden gesteld bij de inzet van het CJIB als publiekrechtelijk orgaan ten behoeve van civielrechtelijke kwesties. Want dat is wat rest na beëindiging van het strafrechtelijk blijft. Hiermee is niet gezegd dat de gedachte dat verruimde executoriale bijstand ten behoeve van schadeverhaal zou moeten worden verworpen. Integendeel. De aan de nota ten grondslag liggende gedachte dat het gaat om schade als gevolg van schending van een publiekrechtelijke norm, waarvan de gevolgen geredresseerd zouden moeten kunnen worden met behulp van de overheid is invoelbaar. Maar de focus daarin ligt op de victimologische behoeften, en daaraan te verbinden dienstbaarheid van het strafrecht en niet op de gevolgen die dit heeft voor de architectuur van het (strafrechtelijk- en civielrechtelijke) aansprakelijkheidsrecht. Het te waarborgen karakter daarvan noopt echter tot een grondige doordenking. 6. Tijd voor een cross over Elders heb ik betoogd dat de vordering benadeelde partij haar civielrechtelijke status is ontgroeid, en dat het tijd is voor een fundamenteel grondlagentheoretisch onderzoek.31 Duidelijk is dat de opvatting dat schadeverhaal een binnen het strafrecht nastrevenswaardig doel is, inmiddels breed geaccepteerd is, zij het dat het gewaarborgde strafproces als ondergrens geldt.32 Maar er speelt meer, want ook binnen het civielrechtelijke discours is een discussie gaande over de betekenis van schadevergoeding en de maatschappelijke functie van het aansprakelijkheidsrecht. Gezaghebbende civilisten bepleiten een versterking van de ‘handhavende’ functie van het aansprakelijkheidsrecht.33 Inzet is preventie; versterking van de zichtbaarheid van het aansprakelijkheidsrecht zou kunnen leiden tot voorkoming van onrechtmatig handelen. Maar er zijn ook tegengeluiden, want anderen menen dat het civiele recht daarmee een te publiekrechtelijk profiel zou krijgen.34 Wat hier van zij, duidelijk is dat het zoeken naar wegen tot redress in het recht aanleiding geeft tot verschuiving in het denken over de grondslag van het schadeverhaal.35 De vordering benadeelde partij is terecht 28

Tweede Kamer 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 18. Zie over de grondslag van de lijfsdwang: M.B. Beekhoven van den Boezem, ‘Doel en dwangsom en lijfsdwang’, in: BW-krant Jaarboek, Kluwer 2003, afl. 19, p. 161-192. 30 Van Spanje en Van Oosten 2015, p. 298. . 31 R.S.B. Kool, ‘Victim’s compensation: the emergence of convergence’, Utrecht Law Review 2014, nr. 3, p. 1426. Vanaf half oktober start binnen UCall een dissertatie-traject, gewijd aan deze grondslagentheoretische discussie. 32 Kool e.a. 2016, hoofdstuk 6; R. Kool & J. Emaus, ‘Actuele opvattingen over schadeverhaal’, Proces 2017, nr. 1, p. 7-19. Zie ook: V. Van Campen, Schadevergoeding na een transactie bij megafraude, Ars Aequi 2015, september, p. 649-657. Overigens lijkt Van Campen de betekenis van een strafrechtelijke veroordeling voor nader civiel verhaal te veralgemeniseren en daarmee te overschatten ( p. 653). 33 O.a. W. van Boom, Efficiacious enforcement in Contract and Tort, Den Haag: Boom 2006; T. Hartlief, ‘Straf privaatrecht’, in: F.J. Beekhoven van den Boezem & G. Bergervoet, Groninger rechtszekerheid, Deventer: Kluwer 2014, p. 89-102. 34 O.a. J. Kortman, The Tort Law Industry, Amsterdam: Vossius Press 2009. 35 Zie ook: M. Dyson, Unravelling Tort & Crime, Cambridge: Cambridge University Press 2014; M. Dyson, Comparing Tort & Crime, Cambridge: Cambridge University Press 2016. 29

6


getypeerd als ‘bruggenbouwer’ tussen twee rechtsgebieden,36 en draagt inmiddels een eigenstandig karakter.37 De vraag hoe het schadeverhaal na een strafbaar feit vorm te geven betreft een voor het strafrecht én civiele recht fundamentele vraag. Vindt de aanspraak op schadevergoeding naar aanleiding van een strafbaar feit haar grondslag in de verdelende of in de vereffende rechtvaardigheid?38 Indien dat laatste het geval is, noopt dat tot een herbezinning op de conceptualisering van de straf, en in het verlengde daarvan op het maatregelkarakter van de schadevergoedingsstraf en daaraan gerelateerde publiekrechtelijke executoriale ondersteuning. Het betreft overigens geen nieuwe gedachte, want al in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd door de Commissie Terwee voorgesteld om een schadevergoedingsstraf in te voeren.39 De huidige ontwikkelingen geven aanleiding de daaraan te grondslag liggende gedachten opnieuw te bestuderen.40 Betekenisvol hier ook is de vaststelling van Candido en Lindenbergh dat de strafrechter, meer dan zijn civiele collega, genegen is smartengeld toe te wijzen.41 En ook de bij tijd en wijle binnen het civiele recht oplaaiende discussie over de (on)wenselijkheid van invoering van punitive damages vormt een teken aan de wand.42 Hiermee is niet gezegd dat er overeenstemming zou zijn tussen strafrechtjuristen en civilisten over de grondslag van het schadeverhaal naar aanleiding van een strafbaar feit. Wat zich aftekent is een voortschrijdende convergentie, en het op eigen terrein zoeken naar wegen om met inachtneming van de juridische randvoorwaarden soelaas te kunnen bieden aan slachtoffers die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit. Dat vraagt allereerst om overdenking van de grondslag van deze specifieke aanspraak op schadeverhaal, en in samenhang daarmee om uitwerking van de wijze waarop dit in de rechtspraktijk vorm kan krijgen. Gelet op de aanleiding, het publiekrechtelijk verwijt de strafrechtsorde te hebben geschonden, dient het strafrechtelijke discours te prevaleren. Maar duidelijk is dat ook aandacht dient te worden besteed aan de uitwerking van de ‘private’ ondertonen van de aanspraak op schadeverhaal. Kwesties als tarifering van schadeverhaal43 of de uitleg van het ontvankelijkheidcriterium ex artikel 361 lid 3 Sv,44 en in het verlengde daarvan de vraag naar de mogelijkheid van het behandelen van massaschade vragen de aandacht.45 En last, but not

36

F. Ruitenbeek-Bart & A. Schijns, ‘De schadeclaim voor het slachtoffer van strafbare feiten; bruggenbouwer tussen twee rechtsgebieden’, TvP 2014, nr. 2, p.38-74. 37 Kool 2014; Kool e.a. 2016; Keulen 2015. 38 Zie de door Kool besproken teksten van Duff, Dworkin en Cane in: Kool 2014. 39 Commissie Wettelijke voorzieningen voor slachtoffers in het strafproces (Terwee), Rapport, Den Haag: SDU 1988. Zie ook: R.S.B. Kool, ‘Artikel 51f Wetboek van Strafvordering’, in: A.M. Melai en M.S. Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering (losbladig, suppl 182). 40 R. Kool, Going public: de revival van de schadevergoedingsstraf?, http://blog.ucall.nl/index.php/2014/06/going-public-de-revival-van-de-schadevergoedingsstraf/. 41 J. Candido en S. Lindenbergh, ‘Strafrechter en smartengeld, de civiele vordering in het strafproces als aanjager van een rechtsontwikkeling’, NTBR 2014, nr. 5. 42 R.C. Meurkens, Punitive damages, Den Haag: Boom 2014; I. Giesen, Punitive damages: bestraffend en dus een criminal charge’, maar wat dan?, http://blog.ucall.nl/index.php/2015/01/punitive-damages-bestraffend-endus-een-criminal-charge-maar-wat-dan/; T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheidsrecht voor morgen’, NJB, http://njb.nl/blog/aansprakelijkheidsrecht-voor-morgen.21210.lynkx. 43 Aan die vraag was het LANGZS-congres van 2015 gewijd. Zie: Kool e.a. 2016, par. 3.12.3 en 7.11. 44 Kool e.a. 2016, p.60-64. 45 O.a. V.van Campen, Schadevergoeiding na een transactie bij megafraude, Ars Aequi 2015, september, p 649-657 en vanuit civielrechtelijke hoek A. Keirse, Collectieve schadevergoedingsactie in zicht, blog Ucall 7


least, ook de executoriale bijstand ten behoeve van het civiele schadeverhaal. Dat laatste houdt echter nauw verband met de vraag naar de grondslag van het schadeverhaal na een strafbaar feit en dient in samenhang te worden bezien. 6. Afsluiting Er is zeker aanleiding tot intensivering van de strafrechtelijke aanpak van internet-oplichting als bepleit in de nota Van Toorenburg. En in het zog daarvan dient ook de (grondslag van) de executoriale bijstand aan bod te komen. Maar wat voor internet-oplichting geldt, geldt voor meerdere, zo niet alle delicten: het is tijd om de vraag naar de conceptualisering van het schadeverhaal naar aanleiding van een strafbaar feit onder de loep te nemen en de vraag te stellen welke signatuur we daar aan toe willen kennen. Victimologische overwegingen zijn daarbij gelet op de noodzaak tot behoud van een legitieme strafrechtspleging van belang, maar dienen te worden afgewogen tegen de noodzaak tot behoud van het rechtstatelijk karakter van het recht. Zowel dat van het civiele recht, als dat van het strafrecht. In de nota Van Toorenburg ligt een uitnodiging tot zo’n denkoefening die aangegrepen moet worden. Maar tot een onmiddellijke uitvoering van de voorstellen, althans die ten aanzien van de verruiming van de executoriale bijstand moet het niet komen. Dat zou afbreuk doen aan het belang van een goede architectuur van het recht, tot het wekken van verkeerde verwachtingen over wat het recht vermag ten aanzien van het schadeverhaal. En dat staat haaks op de bedoelingen van de initiatiefneemster.

http://blog.ucall.nl/index.php/2016/09/collectieve-schadevergoedingsactie-in-zicht/#more-707; E. Bauw, De claimindustrie als onderzoeksobjecthttp://blog.ucall.nl/index.php/2016/03/de-claimindustrie-alsonderzoeksobject/#more-630 en E. Bauw & S. Voet, Class action Dutch style. Het kind en het badwater, blog UCall, http://blog.ucall.nl/index.php/page/3/. Voorts het wetsvoorstel collectieve afhandeling van massaschade; Tweede Kamer 2016-2017. 8


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Testartikel by ALIBImagazine - Issuu