Skip to main content

Het wetsvoorstel voltooid leven en het recht op leven

Page 1

ARTIKEL | STRAFRECHT + EUROPEES RECHT

HET WETSVOORSTEL VOLTOOID LEVEN EN HET RECHT OP LEVEN

AL GERINGE TIJD SPEELT DE VRAAG NAAR EUTHANASIE EN EEN ZELFGEKOZEN LEVENSEINDE EEN ROL IN DE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ. HET BEGON IN 1991 MET ‘DE PIL VAN DRION’1 EN GAAT DOOR TOT VANDAAG DE DAG MET INITIATIEFGROEP ‘UIT VRIJE WIL’2. VOOR VEEL MENSEN BIEDT DE WET TOETSING LEVENSBEËINDIGING OP VERZOEK EN HULP BIJ ZELFDODING (HIERNA: WTL) ONVOLDOENDE MOGELIJKHEDEN OM OP EEN LEGALE EN ZELFGEKOZEN MANIER TE STERVEN.3 DOOR MELISSA ZEEMAN

16

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 4 2021


ARTIKEL | STRAFRECHT + EUROPEES RECHT

Er zijn onvoldoende mogelijkheden voor mensen om een stervenswens te verwezenlijken, als zij niet voldoen aan het vereiste ‘uitzichtloos en ondraaglijk lijden’ uit de WTL. In 2020 kwam Tweede Kamerlid Pia Dijkstra met het wetsvoorstel Wet Toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek (hierna: wetsvoorstel) die een uitkomst moet bieden voor gezonde ouderen die hun leven voltooid achten en hulp willen bij hun stervenswens.4 Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) bevat onder andere artikel 2 dat het recht op leven van burgers beschermt en een positieve verplichting oplegt aan de overheid. Hierdoor rijst de vraag of de zorgvuldigheidsnormen uit artikel 2 van het wetsvoorstel in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit artikel 2 EVRM. STRAFUITSLUITINGSGROND Sinds 2002 bevat het Wetboek van Strafrecht een bijzondere strafuitsluitingsgrond in de artikelen 293 en 294 Sr voor artsen die euthanasie uitvoeren bij een patiënt en voldoen aan twee voorwaarden. Ten eerste moet de arts voldoen aan de zorgvuldigheidsnormen uit de WTL en ten tweede moet hij zijn handelen melden aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig de Wet op de lijkbezorging.5 Het wetsvoorstel van Pia Dijkstra vereist een aanpassing van artikel 294 Sr door een derde lid toe te voegen, dat een strafuitsluitingsgrond bevat voor de levenseindebegeleider die hulp bij zelfdoding uitvoert overeenkomstig de zorgvuldigheidsnormen uit het wetsvoorstel. HET WETSVOORSTEL Het wetsvoorstel bevat negen zorgvuldigheidsnormen waaraan de levenseindebegeleider moet voldoen. Een aantal daarvan is fundamenteel anders dan de zorgvuldigheidsnormen uit de WTL. De WTL vereist dat

EDITIE 4 2021 | ALIBI MAGAZINE

Het wetsvoorstel moet een uitkomst bieden voor gezonde ouderen die hun leven voltooid achten en hulp willen bij hun stervenswens de verzoeker uitzichtloos en ondraaglijk lijdt door een medische of psychische aandoening en dat verdere hulp niet meer mogelijk is. Voor het wetsvoorstel is dit juist geen vereiste en gaat het om gezonde ouderen die geen hulp meer wensen te ontvangen. Het wetsvoorstel vereist dat de verzoeker Nederlander is of ten minste twee jaar ingezetene van Nederland is. Ten tweede moet de levenseindebegeleider de oudere vragen of hij zijn naasten wil betrekken bij het proces en zo ja, de oudere de kans geven om zijn naasten in te lichten over zijn stervenswens. Ook is het vereist dat de oudere gevraagd wordt om zijn huisarts bij het proces te betrekken. Het verzoek van de oudere moet vrijwillig, weloverwogen en duurzaam van aard zijn, met een tussentijd van twee maanden tussen de opeenvolgende gesprekken tussen de oudere en levenseindebegeleider. Als vijfde vereiste moet het zo zijn dat zowel de oudere als de levenseindebegeleider de overtuiging heeft dat andere hulp niet meer wenselijk is. Een belangrijk vereiste is dat de oudere tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat moet zijn. De laatste drie vereisten komen redelijk overeen met de huidige WTL, namelijk dat de oudere ingelicht moet worden over de procedure, dat er ten minste één andere onafhankelijke levenseindebegeleider geraadpleegd moet zijn, en dat de levenseindebegeleider de hulp

bij zelfdoding op een professionele manier uitvoert.6 De laatste eis voor een verzoe volgt it een de nitie van het begrip oudere: ‘een persoon die de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft bereikt.’7 De verzoeker moet dus een oudere zijn die minimaal de leeftijd van vijfenzeventig heeft bereikt. LEVENSEINDEBEGELEIDER Het wetsvoorstel introduceert het nieuwe begrip ‘levenseindebegeleider’. De huidige WTL spreekt over een arts, maar wat houdt het begrip levenseindebegeleider dan in? Het is een nieuwe medische professie die volgens de commissie-Dijkhuis nodig is, omdat een arts niet in alle gevallen hulp kan bieden aan een oudere die li dt aan het leven r is een s e i eke deskundigheid vereist bij artsen, verpleegkundigen, psychotherapeuten en gezondheidspsychologen die zij verkrijgen na een kopstudie

BIO Melissa Zeeman

Bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

17


ARTIKEL | STRAFRECHT + EUROPEES RECHT

Het wetsvoorstel past dan ook binnen de beschermende kaders van artikel 2 EVRM tot levenseindebegeleider.8 Na het afronden van de kopstudie wordt de levenseindebegeleider opgenomen in het BIG-register, zodat iedereen kan zien o de betre ende levenseindegeleider gediplomeerd is om zijn werkzaamheden te verrichten.9 Naar mijn mening heeft de levenseindebegeleider meer kennis dan een doorsnee arts over ouderen, hun gevoel van een voltooid leven en de wens om op een waardige manier te sterven. HET RECHT OP LEVEN Het recht op leven uit artikel 2 EVRM is één van de meest fundamentele

18

bepalingen uit het Verdrag. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd. Het artikel bevat twee verplichtingen. Ten eerste geldt er een onthoudingsplicht, die inhoud dat er een verbod is om iemand van het leven te beroven, en ten tweede een positieve verplichting voor de overheid die is ontstaan uit de Straatsburgse jurisprudentie.10 De overheid moet haar burgers beschermen tegen derden, maar ook tegen zichzelf in geval van psychische problemen of mensen die in een kwetsbare of afhankelijke positie verkeren.11

JURISPRUDENTIE De inhoud van deze positieve verplichting heeft vooral uiting gekregen in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). In de zaak Pretty t. Verenigd Koninkrijk uit 2002 kwam het recht op leven ter sprake. Het EHRM heeft toen geoordeeld dat het recht op leven niet inhoudt een recht op het tegenovergestelde, namelijk het recht om te sterven. Wel kwam artikel 8 EVRM aan bod. Het recht op privéleven houdt ook in het recht van persoonlijke autonomie, kwaliteit van leven en de keuze om een onwaardig en schrijnend levenseinde te vermijden.12 Het recht op een zelfgekozen levenseinde als aspect van artikel 8 EVRM kwam ook ter sprake in Haas t. Zwitserland, waarin het EHRM oordeelde dat de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat moet zijn en dat de keuze tot levensbeëindiging vrijwillig en met volle begrip gemaakt moet worden. Alleen dan

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 4 2021


ARTIKEL | STRAFRECHT + EUROPEES RECHT

is het recht op een zelfgekozen dood toegestaan onder artikel 8 EVRM. Belangrijk is ook dat ‘the Convention must be read as a whole’ en dat de artikelen 2 en 8 EVRM, in onderlinge samenhang moeten worden gezien.13 Het is zelfs zo dat de overheid de verplichting heeft om maatregelen te tre en die het ogeli a en o de wilsbekwaamheid van de verzoeker en de vrijwilligheid van de wens om te sterven vast te stellen.14 Er is geen consensus in Europa ontstaan over de vraag of euthanasie bestraft of gelegaliseerd moet worden. Hierdoor krijgen de lidstaten een ‘margin of appreciation’, oftewel een beoordelingsvrijheid, om zelf te bepalen of en wat voor regelgeving over hulp bij zelfdoding zij opstellen. Het EHRM stelt zich terughoudend op en beperkt de reikwijdte van hun eigen beoordeling tot een procedurele dimensie. Respect voor de persoonlijke autonomie van de burger staat centraal bij dit onderwerp.15 VERGELIJKING WETSVOORSTEL EN ARTIKEL 2 EVRM Uit de jurisprudentie is gebleken dat het vaststellen van de vrijwilligheid van het verzoek en of het verzoek weloverwogen is, een belangrijk vereiste is voor het toestaan van het recht op een zelfgekozen dood. Het wetsvoorstel stelt deze eis en probeert dit vast te stellen door gesprekken met de oudere te voeren en de naasten en huisarts bij de procedure te betrekken. Een andere belangrijke eis uit de jurisprudentie is dat de verzoeker tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat moet zijn en de beslissing met volle begrip gemaakt moet worden, om het recht op een zelfgekozen dood uit artikel 8 EVRM te mogen uitoefenen. Dit vereiste is terug te zien in het wetsvoorstel. Het verzoek moet namelijk vrijwillig, weloverwogen en duurzaam zijn en de oudere moet in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn

EDITIE 4 2021 | ALIBI MAGAZINE

belangen ter zake te komen. De wilsbekwaamheid van de oudere wordt onderzocht door de levenseindebegeleider door middel van de gesprekken en informatie van de huisarts van de oudere. De gestelde leeftijdsgrens van minimaal vijfenzeventig jaar is er om te waarborgen dat het verzoek weloverwogen en duurzaam is. Iemand van vijfenzeventig jaar of ouder heeft namelijk al vaker voor lastige beslissingen, onverwachte mogelijkheden en drastische wendingen gestaan.16 OVEREENSTEMMING MET ARTIKEL 2 EVRM? Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het wetsvoorstel van Pia Dijkstra in overeenstemming is met de verplichtingen uit artikel 2 EVRM. Onder andere omdat het Verdrag als geheel gezien moet worden, bestaat er samenhang tussen de artikelen 2 en 8 EVRM. Het artikel 8 EVRM geeft het recht op een zelfgekozen dood, als de verzoeker voldoet aan de vereisten van vrijwilligheid, hij tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is en de beslissing met volle begrip maakt. Deze vereisten zijn terug te lezen in een aantal zorgvuldigheidsnormen uit het wetsvoorstel en dit maakt dan ook dat het in overeenstemming is met artikel 2 EVRM. Naar mijn mening bevat het wetsvoorstel gedetailleerde zorgvuldigheidsnormen die ervoor zorgen dat de hulp bij zelfdoding bij een voltooid leven op een professionele en zorgvuldige manier uitgevoerd kan worden door de levenseindebegeleider. Het biedt ook rechtszekerheid aan de uitvoerende levenseindebegeleider en de patiënt die graag de hulp bij zelfdoding wenst. Het wetsvoorstel past dan ook binnen de beschermende kaders van artikel 2 EVRM. Niemand heeft ervoor gekozen om oud te worden, dus laten wij als Nederland de ouderen het recht geven om op een legale, waardige en zelfgekozen manier tot een levenseinde te komen.

Een disclaimer achteraf, het betreft hier wel een wetsvoorstel dat nog in de Tweede Kamer ligt. Zolang het wetsvoorstel nog niet is aangenomen, heeft de Tweede Kamer het recht om de zorgvuldigheidsnormen waar nodig te wijzigen.17 Het is daarmee een voorlopige conclusie voor deze zorgvuldigheidsnormen in het licht van artikel 2 EVRM.

Drion 1992 p.11 Uit Vrije wil (z.d.) https://www.uitvrijewil.nu/ 3 HR 4 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:598 (Heringa), Leenen e.a. 2017, p. 417. 4 Kamerstukken II 2019/20, 35534, nr. 1. 5 Kamerstukken II 1998/99, 26691, nr. 3, p. 5 6 Kamerstukken II 2019/20, 35534, nr. 2, p. 2. 7 Kamerstukken II 2019/20, 35534, nr. 2, p. 36. 8 KNMG, Op zoek naar normen voor het handelen van artsen bij vragen om levenseindebeëindiging in geval van lijden aan het leven, 2004, p. 40. 9 Kamerstukken II 2019/20, 35534, nr. 3, p. 22. 10 Harris, 2014, p. 203 en Vande Lanotte & Haeck, 2004, p. 80-81. 11 EHRM 16 oktober 2008 (Renolde/Frankrijk) en EHRM 17 juni 2008 (Yilmaz/Turkije) 12 EHRM 29 april 2002, par. 39, 61, 65 & 67 (Pretty t. Verenigd Koninkrijk) 13 EHRM 20 januari 2011, par. 53-54 (Haas t. Zwitserland) 14 EHRM 19 juli 2012 (Koch t. Duitsland) en EHRM 26 maart 1985, par. 23 (X en Y t. Nederland) 15 Gevers, TvGR 2017/41, afl. 2, p. 5, Sartori, QIL, Zoom-in 52 (2018) 23-43. p. 16. 16 Kamerstukken II 2019/20, 35534, nr. 3. p. 21. 17 Artikel 84 Grondwet 1

2

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het wetsvoorstel voltooid leven en het recht op leven by ALIBImagazine - Issuu