Bol& Teelt

![]()

Zonder vooruit te lopen op de artikelen zelf, laat dit nummer één ding duidelijk zien: de bloembollenteelt staat nooit stil. Van familiebedrijven die al generaties lang bouwen aan kwaliteit, tot technologische innovaties die precisie en duurzaamheid samenbrengen. In dit magazine lees je hoe telers, adviseurs, fabrikanten en onderzoekers ieder vanuit hun eigen rol zoeken naar antwoorden op een snel veranderende praktijk.
Een rode draad in deze editie is kennis die richting geeft. Het Expertisecentrum Bloembollenteelt speelt daarin een sleutelrol. Met onafhankelijk, praktijkgericht onderzoek helpt het Expertisecentrum telers om ook met een steeds beperktere gereedschapskist grip te houden op ziekten, weersinvloeden en regelgeving. Niet door snelle oplossingen te beloven, maar door te laten zien wat écht werkt, vandaag én morgen.
Laat je meenemen in verhalen uit het veld, achter de schermen van onderzoek en vooruitkijkend naar de toekomst van onze sector. Veel leesplezier.
Dennis Meijaard Directeur Business Unit Bloembollen


Nick Karsten, pioenrozenteler in Benningbroek



8 10
Op pad met Jeroen Onderwater
Slim voorspellen, gericht toepassen 4
Expertisecentrum Bloembollenteelt

16
06 Samen in de coöperatie
Anticiperen op het weer
07 Fabrikant aan het woord Koppert
09 Teeltuitdaging
De puzzel van 2026
12 Product en assortiment
14 Techniek en toekomst
Plant Precision Spraying
18 Een team van specialisten
Maak kennis met Jonne van der Hulst en Gijs Roozendaal
19 Product, veiligheid en innovatie
Colofon Bol&Teelt is een uitgave van Agrifirm-GMN Redactie Joyce de Vries, Agrifirm-GMN Tekstbijdragen Nick Karsten, Gerbrant Schilder, Jim Tol, Koppert, Jeroen Onderwater, Peter Klaver, Eric Kiers, BBLeap, Jonne van der Hulst, Gijs Roozendaal, Arjo van den Berg, Joris Roskam Interviews Shirley van der Linden, Hennie van de Kar, Joyce de Vries Ontwerp en opmaak Menno Verheij, Reach Brand Storytellers Fotografie
Nick Karsten, pioenrozenteler in Benningbroek
Wortelstokken in de koelcel, een nog lege schuur en de eerste knoppen die in het veld voorzichtig boven de grond verschijnen. In aanloop naar een nieuw, kleurrijk seizoen gaan we samen met teeltadviseur Gerbrant
Schilder (Agrifirm-GMN) in gesprek met pioenrozenteler
Nick Karsten. Ook opa Wim, vader Jacob, moeder Jolanda, broertje Dion en zwager Sven schuiven aan. Paeon B.V. is namelijk een echt familiebedrijf waarin generaties aan kennis en passie samenkomen.
WWanneer we het erf van pioenrozenteler
Paeon B.V. in het Noord-Hollandse
Benningbroek oprijden, worden we enthousiast welkom geheten door de familie Karsten en vrolijk begroet door hond Charlie. Al snel wordt duidelijk dat het telen hier in het bloed zit. Opa Wim vertelt over de lange familietraditie: “In 1968 nam ik het bedrijf over van mijn ouders. Mijn vader had het op zijn beurt overgenomen van zijn vader. Eerst teelden we allerlei gewassen, zoals diverse groenten, aardappelen en aardbeien. In 1988 kwamen daar de pioenen bij, een prachtige teelt. Mijn zoon Jacob kwam in 1995 in het bedrijf, waarna we ons vanaf 2002 uitsluitend zijn gaan richten op de pioenrozenteelt. In 2009 heb ik het bedrijf volledig aan Jacob overgedragen. Het is mooi om te zien dat de familietraditie wordt voortgezet en dat inmiddels, onder andere met Nick en Dion, alweer een nieuwe generatie klaarstaat.” Nick vult aan: “Drie jaar geleden ben ik mede-eigenaar geworden. Sinds de start van de pioenrozenteelt is ons bedrijf in razendsnel tempo uitgebreid. We telen zo’n 75 soorten. En dat doen we niet langer alleen in Nederland, maar ook in Spanje, Polen en Frankrijk. Internationaal telen is natuurlijk best een
hele onderneming. Het vraagt veel tijd, aandacht en aansturing. Daarom reizen we regelmatig naar onze buitenlandse teeltlocaties. Het zorgt ervoor dat we kunnen profiteren van de lokale voordelen en een langer seizoen hebben: drie tot vier maanden in plaats van één. In de overige maanden zijn we druk met de wortelstokken.”
Kwaliteit
Met bijna 40 jaar ervaring in de pioenrozenteelt staat bij Paeon B.V. kwaliteit voorop. “Wij vinden het belangrijk om een mooi product van hoogwaardige kwaliteit te telen en doen daar dan ook alles voor”, vertelt Nick. “Wij gaan niet voor massa, maar voor een zorgvuldige teelt. Dat vergt tijd en geduld. Onze pioenen worden pas gesneden wanneer ze echt volledig rijp zijn. Ook zijn wij aangesloten bij My Peony Society, een samenwerkingsverband van telers, handelaren en bloemisten die streven naar ultieme kwaliteit en bijzondere variëteiten. Deze pioenen hebben bloeigarantie. Die kwaliteit bereik je niet alleen met vakmanschap en geduld; ook een betrokken team is onmisbaar. Zonder onze vaste medewerkers en uitzendkrachten is een arbeidsintensieve

teelt als deze niet mogelijk. Grote en kleine successen vieren we dan ook graag samen, bijvoorbeeld met een BBQ of een pizza-avond.”
Vitale teelt
Van vitale plant tot een mooie bos bloeiende pioenen. Nick vertelt wat hier allemaal bij komt kijken. “Het begint bij de grond. We nemen grondmonsters om de samenstelling van de bodem te bepalen en vullen waar nodig aan met voedingsstoffen. Teeltadviseur Gerbrant adviseert ons hierbij.” Gerbrant vertelt: “We hebben hier te maken met mooie gronden. Meestal is het zavelgrond, soms klei of zand. Omdat het gewas wordt afgeklapt en vervolgens verteert, blijven voedingsstoffen en organische stof behouden. We bemesten dan ook alleen bij wat echt nodig is, niet te veel. Bijzonder is dat we kalkstikstof toepassen. Dat is een vorm van stikstof die heel langzaam vrijkomt en daardoor minder snel uitspoelt. Daarnaast gebruiken we vanzelfsprekend ijzer en bladmeststoffen voor een gezond, groen gewas.” Nick vervolgt: “Een voedzame bodem én een goede afwatering zijn essentieel. Daarnaast zijn er gedurende het seizoen ook andere uitdagingen die aandacht
vragen, zoals onkruid en schimmels als Phytophthora en Botrytis. Om het onkruid de baas te blijven, voeren we in het seizoen twee bespuitingen uit. Dit doen we vóór het snijden, zodra de pioenen hoog genoeg zijn om eronderdoor te spuiten. Voorheen herhaalden we dat na het snijden nog een keer, maar tegenwoordig passen we dan mechanische onkruidbestrijding toe. Op dat moment kan dat zonder de pioenen te beschadigen. Hiermee verlagen we de spuitfrequentie en daarmee de milieubelasting.” Gerbrant: “Daarnaast is een goede bodemherbicide belangrijk. AZ 500 en Devrinol kwamen als beste uit het onderzoek van het Expertisecentrum Bloembollenteelt en daarom passen we deze hier sindsdien toe. Bovendien wordt de biostimulant Agriculture Plus toegevoegd aan het ontsmettingsbad voor de pioenrozen (wortelstokken).
Dit stimuleert de wortelgroei en maakt de plant op natuurlijke wijze weerbaarder.”
Innoveren en leren
Wet- en regelgeving, een arbeidsintensieve teelt en een krimpend middelenpakket vragen om innovatie. Bij Paeon B.V. wordt daarom vooruitgekeken. “Wij hebben geïnvesteerd in nieuwe machines en een andere manier van telen”, zegt Nick. “Door standaard op 60 centimeter te snijden, is het sorteerwerk in de schuur flink afgenomen. Dankzij nieuwe ontblader-, sorteer- en bosmachines is het werk daarnaast eenvoudiger en efficiënter geworden.

Gerbrant vult aan: “Vanuit Agrifirm-GMN voeren we hier ook veldproeven uit, zoals de zogenoemde ‘onderdoorspuitproeven’. Het is waardevol en fijn dat Nick en zijn vader hieraan willen meewerken.” Nick besluit: “Door het verdwijnen van middelen of het verlagen van toegestane doseringen moeten we echt anders gaan telen. Het is daarom ontzettend belangrijk dat dit soort proeven worden gedaan. De bevindingen zijn belangrijk voor ons én voor de toekomst van de sector.”
Jim Tol

In de bollenteelt is geen dag of week hetzelfde, alleen al door het weer. “Dat maakt het zo interessant om voor en in deze sector te werken”, zegt Jim Tol, die zich al meer dan dertig jaar met bloembollenteelt bezighoudt. “Het is niet te voorspellen en toch moet je anticiperen.” Jim is als category manager bij Agrifirm-GMN binnen zijn team verantwoordelijk voor onder andere de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen. Juist in deze rol is anticiperen op veranderingen waarmee de sector te maken heeft, of krijgt, een must. En dan gaat het dus niet alleen om anticiperen op het weer, maar op veel meer.
Een van de veranderingen waarmee de sector te maken heeft én op wil anticiperen, is de maatschappelijke druk. Die druk neemt alleen maar toe. Jim: “Met de hele sector is het een zoektocht naar gewasbeschermingsmiddelen met een laag milieu impact (LMI) en naar biostimulanten. Qua betrouwbaarheid moeten deze producten natuurlijk ook aantrekkelijk zijn voor ondernemers. Die zoektocht doen we met elkaar in ons bollenteam, met daarin onder andere twee teeltspecialisten (één met specialisatie tulpen, en één met specialisatie overige bolgewassen). Ook inkooporganisatie Cebeco Agro, waaraan ik ben verbonden, is een sparringpartner als het gaat om de knelpunten die binnen vijf a zes jaar in de
sector gaan ontstaan. Samen kunnen we de bloembollentelers helpen om ook in de toekomst goede bollen te kunnen telen. Dit door nú de juiste keuzes te maken.”
Omdenken naar wat wél mogelijk is Jim constateert dat er in het bestaande assortiment van gewasbeschermingsmiddelen momenteel weinig nieuws bijkomt. Ook zullen enkele producten verdwijnen na 2027, zoals tebuconazolhoudende producten. Jim: “Toch geloof ik dat er toekomst zit in deze sector als we maar blijven omdenken en kijken naar wat er wél mogelijk is om met LMI-producten te gaan werken. De proefvelden op diverse locaties spelen
Zijn er betrouwbare biologische alternatieven voor telers als het gaat om bestrijding van bodemziektes?
De proeven die Agrifirm-GMN onder andere met Koppert doet, wijzen uit van wel. Thomas Bokdam, consultant bij Koppert, is daarbij betrokken. Bovendien ondersteunt hij telers bij het inzetten van deze producten, waaronder Trianum.
Trianum voor gebruik in de buitenteelt
Trianum is één van de producten die Koppert als duurzaam alternatief op de markt zet voor de buitenteelt. Thomas: “Het is een gewasbeschermingsmiddel met een bewezen werking tegen de ziektes fusarium, pythium, rhizoctonia en sclerotinia.
Trianum is gebaseerd op een Trichodermaschimmel. Koppert produceert een unieke stam van deze schimmel op grote schaal namelijk de T22 -variant van Trichoderma harzianum.
Na het aanbrengen van Trianum ontkiemen de sporen en koloniseert het mycelium de wortels van de plant. Het mycelium onderdrukt de ontwikkeling van bodempathogenen door met hen te concurreren om ruimte en voedingsstoffen. Het geeft ook secundaire metabolieten af met een antibiotisch effect op de ziekteverwekkers, waardoor ze verzwakken en het mycoparasitisme, dat zich daarna ontwikkelt, wordt bevorderd.”
Twee varianten Trianum
Er zijn twee varianten Trianum: in granulaatvorm Trianum-G en in poedervorm Trianum-P. Thomas: “Trianum-G wordt toegepast als bodembehandeling, dus deze kan ingewerkt worden bij het frezen van de bedden. Trianum-P verspuit je en laat je inregenen als de bollen bijna boven komen.
Goede resultaten met toepassing twee varianten Trianum Uit proeven met Agrifirm-GMN kwam Trianum-P afgelopen jaar goed uit de verf, kijkend naar de vitaliteit van het gewas en het bolgewicht. Thomas: “Naast de ziekte-onderdrukkende werking verbetert ook het wortelstelsel van de plant. En het activeert Geïnduceerde Systemische Resistentie (ISR). Kortom, het geeft het gewas een boost, waardoor de bol beter bestand is tegen biotische en abiotische stress.”
Sparren met Agrifirm-GMN over diverse proeven Thomas was vanuit Koppert betrokken bij de proeven met Trianum van Agrifirm-GMN. Verder deed Koppert afgelopen jaar zelf ook proeven in de buitenteelten, een mooi voorbeeld hiervan is het verspuiten van gaasvlieg-eitjes ter bestrijding van luis. Thomas: “Dat was nog nooit eerder gedaan. En als dat dan lukt, is dat zo gaaf. Zo wordt het scala producten voor buiten steeds groter, met naast Trianum en de genoemde gaasvliegeitjes, ook de inzet van insectparasitaire nematoden tegen de larven van verschillende insectenplagen zoals slawortelboorder en verder de inzet van roofwantsen voor de tripsbestrijding. Onder andere in de gladiolenteelt hebben we daar al goede ervaringen mee. En dan is het goed sparren met onder andere Arjo van den Berg en Thijs Wester van Agrifirm-GMN. Agrifirm-GMN is gepokt en gemazeld in de teelt van bollen; wij hebben bij Koppert de kennis over onze producten. Zo versterken we elkaar bij het samen inzetten van toekomstgerichte producten op de juiste manier, zodat het relevant is voor de bollenteelt.”
daarin een belangrijke rol. Vanuit het Expertisecentrum Bloembollenteelt zetten we daar volop op in.”
Proefvelden Expertisecentrum Bloembollenteelt
Met nieuwe informatie vanuit de proefresultaten over meerdere jaren, kan het Expertisecentrum Bloembollenteelt ondernemers voeden met nieuwe informatie. Jim: “Inmiddels is het al gelukt om hierdoor enkele LMI-producten succesvol in het schema op te nemen.. Daardoor kunnen de bloembollentelers zich bezig blijven houden met hun vak en met het ondernemen.”




Om 10.00 uur ’s ochtends ontmoet de redactie Jeroen Onderwater bij het Expertisecentrum Bloembollenteelt in Breezand. We starten onze dag samen met een kop thee en een gesprek. Jeroen is geen onbekende; hij werkte enige tijd bij GMN, was enkele jaren zelfstandig ondernemer, en is sinds september 2025 terug bij Agrifirm-GMN. “Het voelt goed om weer terug te zijn en mijn ervaring hier in te zetten,” vertelt hij enthousiast.
IZijn werkweek kent een interessante verdeling. “Drie dagen per week houd ik mij bezig met specifiek onderzoek naar virussen en botrytis,” legt Jeroen uit. “De overige twee dagen ben ik op pad als adviseur bij telers.” Hij benadrukt direct het belang van deze combinatie. Door diepgaand onderzoek uit te voeren naar plantenziekten, kan hij in zijn advieswerk veel gerichter schakelen. “Je ziet in het lab wat er speelt, en in de praktijk wat de teler nodig heeft.”
Schoon teeltproces
Na de theorie gaan we op pad naar een Zantedeschia-teler. “Hier kunnen we goed
zien wat het resultaat is van een schoon teeltproces,” zegt Jeroen terwijl we het erf oprijden. In de verwerkingsruimte zijn allerlei mensen hard aan het werk; “de geoogste bollen worden hier schoongemaakt”, wijst Jeroen aan. Hij loopt langs de kisten en inspecteert de bollen nauwkeurig. “Voor de export moeten de bollen aan strenge eisen voldoen. Mijn rol is om samen met de ondernemer te kijken of het proces optimaal verloopt en of de kwaliteit gewaarborgd is.”
Topproducten leveren
Op de terugweg praten we nog even na. Het bezoek aan de Zantedeschia-teler liet
Het is puzzelen voor de tulpenteler dit seizoen. Waar voorheen vertrouwd kon worden op een vast spuitschema om virussen en Botrytis buiten de deur te houden, dreigt de gereedschapskist leeg te raken. De voor 2027 aangekondigde beperkingen zijn een feit: doseringen zijn omlaag en frequenties drastisch ingeperkt.
De grote teeltuitdaging is dan ook: hoe houd je het gewas gezond als je niet meer ‘voor de zekerheid’ kunt spuiten?
De situatie waar de sector al jaren voor waarschuwde, wordt in 2027 werkelijkheid. Waar in het verleden nog twintig keer een bespuiting uitgevoerd mocht worden met synthetische insecticiden (pyrethroïden), moeten telers het vanaf volgend jaar doen met maximaal drie toepassingen. En dat ook nog eens met een gehalveerde dosering.
Kwetsbare teelten

duidelijk zien waar Jeroen zijn kracht ligt: de verbinding tussen technische kennis over virussen en schimmels, en de dagelijkse realiteit van de ondernemer die een topproduct wil leveren.
Voor lelietelers is deze verschraling vervelend, maar vaak op te vangen met het gebruik van minerale oliën. Voor telers van tulpen en zantedeschia’s is het echter een acuut probleem. Deze gewassen reageren vaak slecht op die oliën, met groeiremming tot gevolg. Omdat er geen volwaardige alternatieve middelen beschikbaar zijn, ontstaat er een gevaarlijk gat in de verdediging. Tegelijkertijd wordt het weer wispelturiger. Schimmels als Botrytis (vuur) liggen bij de huidige nattigheid constant op de loer en door de zachtere temperaturen blijven luizen langer actief.
Piekmomenten voorspellen
De oplossing ligt in 2026 niet in meer middelen, maar in het slimmer toepassen van wat er nog is. Als er nog maar drie pijlen op de boog zijn, moet elk schot raak

zijn. Dit dwingt de sector tot een radicale omslag: van routinematig werken op de kalender, naar precisiewerk op basis van historische en actuele data.
Om dit mogelijk te maken wordt er nu gewerkt met geavanceerde voorspellingsmodules. Deze combineren weerdata van bronnen als het KNMI en Visual Crossing met analyses van luchtstromen en omstandigheden uit het verleden. Hierdoor wordt het mogelijk om piekmomenten te voorspellen. De module berekent tot zeven dagen vooruit wanneer er een luizenvlucht wordt verwacht of wanneer de infectiedruk voor Botrytis explosief stijgt.
Strategisch sparen
Deze data stellen de teler in staat om een andere strategie te hanteren. In periodes met een laag berekend risico blijven de chemische middelen in de kast en wordt er ingezet op biostimulanten of wordt er niets gedaan. De schaarse, effectieve middelen worden bewaard voor de voorspelde piekdagen. Alleen door deze uiterste precisie is het mogelijk om met de sterk verminderde frequenties toch een dekkende bescherming te bieden gedurende het langere groeiseizoen.

Op de foto: Peter Klaver
In een sector die snel verandert door het wegvallen van gewasbeschermingsmiddelen, klimaatverandering, ziektedruk en aangescherpte wet- en regelgeving rondom emissies, is een betrouwbare bron van kennis onmisbaar. Dat is precies waarom het Expertisecentrum Bloembollenteelt bestaat, laat manager Peter Klaver weten. In dit artikel vertelt hij hoe jarenlang praktijkgericht onderzoek, onafhankelijke proeven en nauwe samenwerking met sectorpartners en telers kennis oplevert die direct toepasbaar is in het veld.
Lopend door de proeftuin in Breezand is het moeilijk voor te stellen hoeveel proeven het Expertisecentrum Bloembollenteelt jaarlijks uitvoert. “Over de omvang verbaas ik mezelf telkens weer”, vertelt Peter Klaver. “In 2025 deden we 119 onderzoeken. Als onafhankelijk instituut voeren we onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen uit. Daarnaast voeren we toelatingsonderzoek voor fabrikanten uit, doen we proeven voor Agrifirm en is ook participatieonderzoek een belangrijk onderdeel van ons werk. In een participatieonderzoek nemen we middelen en maatregelen van meerdere toeleveranciers, fabrikanten, Agrifim-GMN en ketenpartijen mee. Op deze manier kunnen we goed vergelijken hoe het gewas presteert onder verschillende omstandigheden: wanneer het onbehandeld is, wanneer een standaardbehandeling is uitgevoerd en wanneer een product van een externe partij erop toegepast is. Vorig jaar resulteerde dit in 904 verschillende behandelingen, wat neerkomt op ongeveer 2.500 verschillende veldjes. Dat is enorm veel en benadrukt het belang van onderzoek in de bloembollenteelt.”
Thema’s van onderzoek
Het Expertisecentrum Bloembollenteelt doet doorlopend onderzoek naar een aantal terugkerende thema’s: de schimmelziektes Fusarium en Botrytis (vuur), virusdruk, Rhizoctonia en onkruid. “Deze problemen steken steeds weer de kop op, bijvoorbeeld door klimaatverandering of het wegvallen van middelen”, zegt


Peter. Hij vervolgt: “Maar ook zonder die factoren blijven ze relevant, omdat de natuur zich aanpast. Middelen die eerst heel effectief waren, kunnen later minder goed werken. Dit horen we ook terug van de teeltadviseurs, onze ogen en oren in het veld. Daarom zoeken we voortdurend naar nieuwe oplossingen en toepassingen om deze uitdagingen in de teelt duurzaam en effectief aan te pakken. We doen dit via verschillende onderzoeken, waaronder grootschalige participatieproeven op het gebied van vuurbestrijding, virusbeheersing en galmijt. Dit zijn momenteel onze belangrijkste onderwerpen van onderzoek.”
Dicht bij de praktijk
In de proeven wordt niet alleen onderzocht of een middel of methode werkt, maar ook gekeken naar factoren zoals het juiste toepassingstijdstip en de frequentie, milieu-impact en mogelijke schade aan het gewas. “Ons streven is om een proef meerjarig uit te voeren”, vertelt Peter. “Pas dan kun je een goed en betrouwbaar beeld krijgen. Geen seizoen is immers hetzelfde: natte of droge voorjaren, andere ziektedruk, meer of minder onkruid. We proberen altijd zo dicht mogelijk bij de praktijk te staan én te zoeken naar een groener schema met lagere milieubelasting. We kijken bijvoorbeeld wat het effect is als je de frequentie van je behandeling verlaagt, of wanneer je minder van het middel per keer toepast. Ook onderzoeken we of het mogelijk is om de toepassing gerichter in te zetten. Zo werken we in de Botrytis- en virusproef met een voorspellingsmodule waarmee we onder andere proberen de luizenvlucht in kaart te brengen. Op basis daarvan wordt voorspeld wanneer een hoge luizendruk verwacht wordt. Je kunt hier dan gericht op anticiperen door op het juiste moment je middelen in te zetten. Telers kunnen ook zelf gebruikmaken van deze module.” Hoe dit precies werkt? Daar vertelt Jeroen Onderwater, teeltadviseur bij Agrifirm-GMN, op pagina 16 meer over.
aanpassen bedrijfsstrategie is maatwerk
Aanpassing van normen voor gewasbeschermingsmiddelen beïnvloeden bedrijfsvoering van telers
Strengere norm voor TFA
Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen het toelatingskader van gewasbeschermingsmiddelen veranderen. Het is daarom raadzaam om altijd goed na te denken over wat veranderingen van het beschikbare middelenpakket kunnen betekenen voor je assortiment en afzet. Die boodschap brengt Eric Kiers, verbonden aan CropLife NL als directeur duurzaamheid. Hij praat ons bij over de aangescherpte normen rondom PFAS in gewasbeschermingsmiddelen.
SSinds juni 2021 heeft Europa de definitie rondom PFAS aangescherpt. Hierdoor zijn enkele werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen onder de definitie van PFAS gaan vallen. Overigens geldt dit net zo goed voor geneesmiddelen, diergeneesmiddelen en biociden.
Strengere norm voor Trifluorazijnzuur (TFA) – kleinste verbinding PFAS
Deze middelen, waarbij in de werkzame stof een koolstof-fluorverbinding zit, breken af in metabolieten (afbraakproducten). Een van deze afbraakproducten is mogelijk Trifluorazijnzuur (TFA). Overigens
kent TFA vele bronnen, waarbij inschattingen zijn dat de grootste bron koelmiddelen en F-gassen zijn. Maar ook coatings en farmaceutische middelen dragen bij aan TFA in het leefmilieu.
Bij TFA gaat het om de allerkleinste PFAS-verbinding. Kenmerkend voor dit afbraakproduct is dat het mobiel is, waardoor het snel in het grondwater terecht komt. En daar, is deze PFAS behoorlijk persistent. Eenmaal in het grondwater is het dus niet makkelijk om het daar nog uit te krijgen.
Eric: “Bedrijven moeten in Europa aan een strikte grondwaternorm voldoen. Die strenge regulatie is goed. Ook bij CropLife NL onderschrijven we het belang van schoon grondwater en het tegengaan van normoverschrijdingen.”
Ctgb is aan zet Het Ctgb kijkt op dit moment, in navolging van Denemarken, naar zes werkzame
stoffen die onder de PFAS-definitie vallen.
In totaal gaat het in Nederland om 25 werkzame stoffen die onder de definitie vallen.
Eric: “Het Ctgb zal beoordelen of deze werkzame stoffen nog voldoen aan de strenge Europese normen. Als ze niet voldoen, verliezen ze hun registratie. Sommige van deze middelen zijn essentieel voor Nederlandse teelten, neem alleen al het feit dat een middel soms nodig is om de resistentie van bepaalde schimmels te doorbreken.” Het Ctgb gaat daar niet over, en heeft daarom nadrukkelijk aan het ministerie van LVVN gevraagd om een impactanalyse uit te laten voeren. Dit om na te gaan wat het mogelijk wegvallen van deze middelen zal betekenen voor de Nederlandse land- en tuinbouw. “Dat onderschrijven we”, gaat Eric verder: “want als er in relatieve korte tijd 25 werkzame stoffen weg kunnen vallen, kunnen de economische gevolgen groot
zijn. De telers moeten de tijd krijgen om alternatieve methoden te ontwikkelen om ziekten en plagen effectief te bestrijden of te voorkomen.”
Nadenken over samenstelling van het assortiment
Bedrijven krijgen de mogelijkheid om aan te tonen dat de metabolieten van deze zes werkzame stoffen onder de grondwaternorm blijven.
Eric: “Precisietechnieken gaan mogelijk helpen om onder die norm te blijven. Met heel gerichte bespuitingen bijvoorbeeld in het volle gewas, is de kans groot dat er veel minder middel op de grond komt en dus ook niet in het grondwater. We zien nu al dat met deze precisietechnieken het middelengebruik met 80% te reduceren is. Maar dat de aanpassing van de PFAS-definitie gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van onder andere telers staat vast. Zo zal het waarschijnlijk ingewikkeld worden om luizen en diverse schimmels te bestrijden. Telen zal mogelijk blijven, maar een bepaald deel van het assortiment zal waarschijnlijk wegvallen. Kwaliteit en opbrengst worden minder, wat op een prijsgevoelige wereldmarkt voor bedrijven absoluut een uitdaging is.”
Daarom is het raadzaam om over de gevolgen van deze ontwikkeling voor je bedrijfsvoering – en strategie nu al het gesprek aan te gaan met adviseurs van bijvoorbeeld Agrifirm-GMN en met de afnemers van je gewas.
Aanpassen bedrijfsstrategie is maatwerk
De aanpak zal voor iedere teler anders zijn. Iedere teler heeft zijn eigen soort,
met eigen percelen en eigen rotatie.
samenstellen van assortiment
Eric: “De middelen zijn morgen nog niet weg; er is dus nog de tijd, maar mijn oproep is wel om nu na te denken over je cultivars en je teeltmethode. Maar ook hygiënisch werken wordt steeds belangrijker, waarbij je in de toekomst waarschijnlijk meer plantmateriaal gaat weggooien dan je nu doet.”
De inzet van (autonome) robots kan helpen om een virusselectie te maken, evenals het virusmodel. En nog meer dan voorheen is het nodig om de afhankelijkheid van chemie te reduceren. Dat kan door planmatiger te werken en bijvoorbeeld eerst monsters te nemen van je perceel voordat je het bed gaat voorbereiden. Dat kan betekenen dat het soms beter is om uit te wijken naar een ander perceel waar de ziektedruk minder is.
Samenvattend
Ook de kleinste PFAS-verbinding, TFA, valt sinds juni 2021 onder de Europese definitie van PFAS. TFA kent meerdere bronnen, en wordt in de Europese gewasbeschermingswetgeving sterk gereguleerd doordat deze metaboliet, van onder andere gewasbeschermingsmiddelen, aan zeer strenge grondwaternormen moet
voldoen. Het Ctgb beoordeelt momenteel zes werkzame stoffen die onder deze nieuwe PFAS definitie vallen en zal voor april 2028 een definitief oordeel vellen over deze stoffen. Dat betekent dat het nu al raadzaam is om na te denken wat dat betekent voor je bedrijfsstrategie. Ga daarover in gesprek met bijvoorbeeld de adviseurs van Agrifirm-GMN.
Over Eric Kiers
Eric Kiers behaalde zijn master Plantenziektekunde aan de Universiteit van Wageningen (1995). Hij werkte bij verschillende gewasbeschermingsbedrijven op terrein van chemie, landbouw, voeding, duurzaamheid en communicatie. Sinds 2022 is hij verbonden aan CropLife NL als directeur verduurzaming. CropLife NL behartigt de belangen van bedrijven die chemische en biologische gewasbeschermingsmiddelen en biostimulanten ontwikkelen voor de Nederlandse markt.
Goed spuiten, zonder onder- en overdosering; de techniek is er om dat voor elkaar te krijgen. De techniek voor Plant Precision Spraying is toegankelijk voor elke teler, zónder nieuwe spuitmachines aan te hoeven schaffen. Koen Voordendag van BBLeap vertelt er meer over.
Over BBLeap
De spuittechniek van BBLeap helpt telers om elke plant exact de juiste hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel te geven die hij nodig heeft. De jonge onderneming werkt sinds 2020 aan deze innovatieve techniek en won daarvoor in december 2025 de Agrifoodpluim (zie blz. 15). Wat begon met één systeem in 2020 en drie medewerkers, is in korte tijd gegroeid naar ruim 200 systemen en zo’n dertig medewerkers. Koen Voordendag is daar één van. Al tijdens zijn bachelor Agrotechnologie aan de universiteit van Wageningen raakte Koen in contact met BBLeap. Hij raakte enthousiast over de toegankelijkheid van de door BBLeap ontwikkelde techniek om van elke spuit een precisiespuit te maken. Tijdens zijn master Biosystems Engineering vervulde hij zijn stage bij het jonge bedrijf. Inmiddels werkt hij er twee jaar en houdt hij zich op allerlei manieren bezig met goed spuiten. Zowel in de klantbegeleiding van boeren en telers als in het serviceteam. “We maken de basis van spuiten perfect”, vertelt hij.
Meerwaarde aan bestaande spuitmachine
Om de techniek te kunnen inzetten, is een investering in een nieuwe spuitmachine niet nodig. Koen: “Je geeft meerwaarde aan je bestaande machine met deze techniek, die de kleppen op de doppen van een bestaande spuitmachine afzonderlijk aanstuurt. Dat kan zowel in het volle veld als in fruit- en boomgaarden. Op deze manier kun je goed spuiten.”
Goed spuiten gebeurt in drieën
Om zeker te weten, dat we het over hetzelfde hebben, vragen we Koen wat ze bij BBLeap onder goed spuiten verstaan. Koen: “Het gaat altijd over drie dingen: de juiste druppelgrootte, de juiste verdeling (zowel in de boombreedte als in de rijrichting) en de juiste hoeveelheid. En dat in een heel hoog tempo. Met de LEAPbox kunnen we elk klepje op de spuitmachine tot wel honderd keer per seconde open en dicht laten gaan.”
Ook voor de bloembollenteelt
Koen: “Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een verzekering voor de teler om een gezond en vitaal gewas te kunnen oogsten, dus is het zaak dat het perfect wordt toegepast over het gehele veld. Wanneer de bedekking overal perfect
is, kunnen we dezelfde bescherming garanderen met minder middel.” Het lijkt een verkooppraatje als Koen zegt: “Het zorgt ook voor perfectie in de bloembollen.” Daarom geldt ook hier, eerst zien dan geloven. Het is precies de reden waarom Koen, of een van zijn collega’s, geïnteresseerden regelmatig meeneemt naar een boer of teler die al voor Plant Precision Spraying met de BBLeap-techniek koos. Het bedrijf Teeuwen & ZN. B.V. in Breezand (Noord-Holland) is daar één van. Zij werken met een zelfrijdende veldspuit, aangestuurd door de Leapbox, met een dopafstand van 22,5 centimeter.
Koen: “Door deze dopafstand kunnen de doppen die boven de rijpaden zitten heel eenvoudig worden uitgeschakeld voor bepaalde gewasbeschermingstoepassingen. Dit bedrijf bespaart hierdoor 12,5% aan middelen per spuitbeurt. Ook maakt de teler gebruik van taakkaarten om verschillende rassen op een perceel een andere dosering te geven.”
Lees hun ervaring op: https://bbleap.com/user-stories/ peter-en-mark-teeuwen/. Ook in een eerder artikel in Bol&Teelt (februari, 2025) vertellen zij hun verhaal om te investeren in een zelfrijdende spuit met de BBLeap-techniek.
Toegankelijke techniek voor telers
En toch is nog niet elke teler direct overstag om te kiezen voor Plant Precision Spraying. Koen: “Als een ondernemer eenmaal in zijn hoofd heeft, dat hij wil investeren in nieuw materieel, is het best lastig om dat uit het hoofd te krijgen. Zelfs als je met een veel lagere investering meer precisie kunt bereiken. Totdat men met eigen ogen ziet hoe je op basis van bijvoorbeeld taakkaarten precies kunt bepalen waar je moet spuiten tot een precisie van 25 X 25 centimeter.
Daar hoef je geen technicus voor te zijn. De eenvoud van de techniek, en de toegankelijkheid ervan, maakt deze innovatie zo mooi. Er zit veel ontwikkelwerk achter, maar in de uitvoering is het simpel. Met een druk op de knop kies je voor een spuitpatroon of speel je in op de actuele situatie. Zo kan het midden van een bed langer vochtig blijven dan de buitenkant van het bed. Dan is het mogelijk om een hogere dosering in het midden van het bed te spuiten ten opzichte van de buitenkant van het bed. Ook kun je de doppen boven de rijpaden uitzetten. Je maakt van je spuit dus een precisiespuit. En dan maakt het niet meer uit, hoe snel je rijdt, of je op de kopakker van een veld bent, of ergens middenin, of je nou een bocht neemt of rechtdoor rijdt. Elke plant krijgt precies de juiste hoeveelheid. Dit zorgt voor een betere opbrengst en minder verspilling van middelen.”
Agrifoodpluim voor innovatieve oplossing Voor de ontwikkeling van deze spuittechniek won BBLeap in december 2025 de Agrifoodpluim. Een waardering vanuit provincie Noord-Brabant voor deze innovatieve oplossing om gewasbeschermingsmiddelen nauwkeurig toe te dienen. Scan de qr-code en lees meer over deze prijs. Koen Voordendag: “Deze pluim is een erkenning en helpt bij het krijgen van meer

bekendheid voor deze toegankelijke techniek. We werken in 2026 samen met Agrifirm-GMN in diverse projecten om de middelen verder te reduceren door deze precisie spuittechniek in te zetten. Als de toediening goed is, kun je radicaal minder middelen gebruiken. Oók in de bloembollenteelt.”

Pilot voorspellingsmodule Totaal
Gewasaanpak Botrytis
virus

Nu steeds meer gewasbeschermingsmiddelen verdwijnen en toegestane doseringen en toepassingsfrequenties afnemen, is het noodzakelijk de middelen die nog beschikbaar zijn zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten. Maar hoe doe je dat? Teeltspecialist Jeroen Onderwater (Agrifirm-GMN) start dit jaar op diverse locaties in het land met pilots waarin wordt gewerkt met een voorspellingsmodule binnen de Totaal Gewasaanpak van Botrytis en virusbeheersing. In dit artikel vertelt hij hier meer over.
Aanpak Botrytis
Dit seizoen start een pilot met de voorspellingsmodule in de tulpenteelt.
De deelnemende telers hebben de locaties van hun percelen aangegeven en zullen vanaf de opkomst van het gewas gebruikmaken van de digitale Botrytis-voorspellingsmodule. Jeroen licht toe: “Omdat Botrytis al bij lage temperaturen en langdurig natte omstandigheden kan opkomen, starten
analyseren en te combineren met actuele weersverwachtingen, kan de module piekmomenten voorspellen. In de pilot zal de module worden toegepast en gevalideerd. Hopelijk draagt dit eraan bij dat telers in de toekomst pyrethroïden en specifieke luisdoders gerichter kunnen inzetten, waardoor de voorgeschreven toepassingen toereikend zijn.”
Gedegen advies
keuzes te maken: van het toepassen van biostimulanten bij een laag risico tot het inzetten van specifieke middelen bij oplopende infectiedruk. Zo hopen we dat de voorspellingsmodule bij kan dragen aan een toekomstbestendige manier van telen.”
Aanpak virusbeheersing
we standaard met twee toepassingen van een gewasbeschermingsmiddel om schoon te beginnen. Daarna gaan we aan de slag met de voorspellingsmodule. In deze module worden weer- en databronnen, van onder andere het KNMI en het internationale weersplatform Visual Crossing, gecombineerd. Hiermee kunnen per locatie in Nederland tot op 2 km2 nauwkeurig voorspellingen over de schimmeldruk worden gedaan. Daarnaast zullen we gedurende het groeiseizoen wekelijks foto’s van het perceel en de gewasontwikkeling maken om nog meer data te verzamelen.”
Hij vervolgt: “Uniek aan de module is dat het infectierisico met Botrytis inzichtelijk wordt gemaakt met drempelwaardes, weergegeven in de vorm van een stoplichtsysteem van groen tot rood. Met voorspellingen tot zeven dagen vooruit wordt het mogelijk gerichte
Pyrethroïden en synthetische insecticiden mogen vanaf volgend jaar minder worden toegepast. Voor de lelieteelt is dit geen onoverkomelijk probleem, omdat wordt gestart met schoon materiaal en gebruik gemaakt kan worden van minerale virusoliën. Voor tulpen en zantedeschia’s is de uitdaging groter. Jeroen legt uit: “In onze pilot nemen we ook het thema virusbeheersing mee. Momenteel hebben we nog verschillende mogelijkheden. Zo mogen we tien keer een gewastoepassing uitvoeren met Sumicidin Super. Het
gaat dan om 400cc per hectare, om de week. Volgend jaar zijn nog maar drie toepassingen van een halve dosering toegestaan. In de lelieteelt is dit minder problematisch, omdat minerale olie daar nog kan worden gebruikt. In de tulpenteelt en bij zantedeschia’s is dit niet of nauwelijks mogelijk: het gewas is er gevoelig voor, waardoor er kans op groeiremming is. We hebben momenteel helaas geen alternatieve middelen, terwijl het groeiseizoen in Nederland door weer- en klimaatverandering alleen maar langer wordt. Daarom is het belangrijk de beperkte middelen effectief en op het juiste moment in te zetten. We ontwikkelden een voorspellingsmodel dat op basis van actuele en historische (meteorologische) data in kaart brengt wanneer luizenvluchten te verwachten zijn. Door luchtstromen en omstandigheden uit het verleden te
De resultaten van de diverse onderzoeken die door het Expertisecentrum Bloembollenteelt worden uitgevoerd, brengen Jeroen en zijn collega’s naar het veld, bij de teler. “Door de onderzoeken van het Expertisecentrum Bloembollenteelt kunnen we telers informeren over nieuwe (product)ontwikkelingen en een gedegen advies geven op basis van onafhankelijke cijfers. Je kunt laten zien wat wel en niet werkt”, vertelt Jeroen. “Kom ik in de praktijk teeltuitdagingen tegen, dan koppel ik deze weer terug. Wanneer blijkt dat meerdere telers tegen hetzelfde probleem aanlopen, kan worden besloten om hier onderzoek naar te doen in de proeftuin van het Expertisecentrum Bloembollenteelt. Zo is de cirkel rond. Op deze manier wordt de actualiteit van de onderzoeken en de verbinding met het werkveld gewaarborgd. Dat is natuurlijk enorm belangrijk. Dit zie je ook in de proeven rond Botrytis en virusbeheersing. De aanpak op basis van een voorspellingsmodule, die we als pilot bij diverse kweekbedrijven gaan testen, wordt ook meegenomen in de proeven van het Expertisecentrum Bloembollenteelt.”
Meer weten of meedoen aan de pilot? Neem contact op met teeltspecialist Jeroen Onderwater via j.onderwater@agrifirm.com of 06 - 39 69 44 54.
Advies en begeleiding is in de eerste plaats mensenwerk. Met gepassioneerde medewerkers werken we voortdurend aan onze dienstverlening. Jonne van der Hulst is teeltadviseur en Gijs Roozendaal is onderzoeker bij Expertisecentrum Bloembollenteelt.

Jonne van der Hulst is al sinds 2014 werkzaam als teeltadviseur bij Agrifirm-GMN. De liefde voor het vak zat er al vroeg in. “Van jongs af aan werkte ik tijdens schoolvakanties en op zaterdagen In het bloembollenbedrijf van mijn oom, intussen nu van mijn neef,” vertelt hij. Hij studeerde Commerciële Economie, maar keerde toch terug naar zijn wortels. “De bloembollensector bleef trekken, het is echt waar mijn hart ligt.” Wat het werk voor Jonne zo bijzonder maakt, is de diversiteit. “Geen dag ziet er hetzelfde uit. Het werken met zoveel verschillende producten in de sierteelt en het continu verbeteren van teelten, zowel in de schuur bij de bewaring als buiten op het land, verveelt nooit.” Daarnaast begeleidt hij diverse studiegroepen. “We zijn constant bezig om niet alleen de teelt, maar ook het uiteindelijke eindproduct in de broeierij te verbeteren. Er is eigenlijk geen enkele dag waarop ik niet met plezier aan het werk ben.” Natuurlijk zijn er ook uitdagingen, zoals het steeds krapper wordende middelenpakket. “Dat wordt op bepaalde vlakken wel een enorme uitdaging,” erkent hij. “Maar dat is ook juist weer de uitdaging de komende jaren.”

Sinds oktober 2025 versterkt Gijs Roozendaal het team als onderzoeker bloembollenteelt bij het Expertisecentrum Bloembollenteelt. De affiniteit met de sector zat er al vroeg in. “Mijn oom had een akkerbouwbedrijf waar ik als klein kind regelmatig te vinden was,” vertelt Gijs. “Daarnaast werkte ik als bijbaan op zaterdagen in een orchideeënkwekerij.”
Na zijn opleiding Tuin- en Akkerbouw in Den Bosch werkte hij in de lelieverdeling, maakte hij nog even een uitstapje naar de gezondheidszorg, maar de groene sector bleef trekken. Nu richt hij zich in het Expertisecentrum Bloembollenteelt op het uitvoeren van onderzoeken en proeven. Wat het werk voor hem zo mooi maakt, is de enorme afwisseling. “Geen enkele dag is hetzelfde,” legt hij uit. “Elk seizoen is anders. En net als je denkt dat je de natuur doorhebt of begrijpt, doet ze weer iets onverwachts. Dat zorgt ervoor dat er steeds nieuwe uitdagingen op je pad komen.”Een van die grote uitdagingen pakt hij in zijn nieuwe rol met beide handen aan. “Het middelenpakket krimpt. De kunst is om te zoeken naar manieren om de bollenteelt ook zonder die middelen op de been te houden voor de lange termijn.”
Agrifirm-GMN is de specialist in de bloembollenteelt met een groot aantal teeltadviseurs en (gewas)specialisten. Op de website www.agrifirmgmn.nl/over-ons/onze-adviseurs/ maakt u kennis met hen.


7e APN blijft van kracht
Ethylbloc wordt al jaren ingezet bij de bewaring van tulpen wanneer er minder wordt geventileerd, zoals op warme dagen in augustus. De werkzame stof, 1-MCP, beschermt de bollen tegen ethyleenschade. Deze schade uit zich in hogere gevoeligheid voor fusarium, overmatige verklistering van plantgoed en bloemschade in de broeierij.
Zeker bij een ULO- of CATT-behandeling tegen galmijt is Ethylbloc essentieel, omdat er dan tijdelijk niet geventileerd wordt. Op het Expertisecentrum in Breezand onderzoeken we momenteel hoe we dit proces verder optimaliseren. De resultaten hiervan beoordelen we in februari en maart in de kas. We delen de uitkomsten de volgende Bol & Teelt.
Eind 2025 heeft de Tweede Kamer besloten het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (APN) uit te stellen. Dit betekent dat alle regels, normen en buffers van het huidige 7e APN voorlopig ongewijzigd blijven. Een nieuw programma volgt pas nadat er een nieuw kabinet is aangetreden.
Gevolgen voor uw bemestingsplan
De bemestingsruimte voor komend seizoen blijft hierdoor gelijk aan die van vorig jaar. Op RVO en Boer en Bunder kunt u zien of uw perceel binnen een NV gebied valt. Ondanks de politieke onzekerheid blijft de focus op stikstofbesparing in NV-gebieden essentieel. Hulp nodig met uw bemestingsplan? Neem contact op met uw adviseur.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ligt juridisch onder vuur. Er lopen diverse rechtszaken en via handhavingsverzoeken wordt geprobeerd het gebruik op specifieke percelen te verbieden. Ook in provinciale gebiedsplannen wordt de ruimte voor gewasbescherming kritisch bekeken.
Agrifirm is hierbij nauw betrokken. Wij onderbouwen enerzijds de veilige toepassing van middelen met minder milieu-impact en ondersteunen anderzijds individuele telers. Ons dringende advies: verdiep u in het beleid van uw gemeente en laat uw stem horen tijdens participatieprocessen.
Agrifirm Exlan
Wordt uw bedrijf toch geconfronteerd met een juridische situatie, zoals een handhavingsverzoek? Onderneem dan niets zelf, maar schakel direct juridische bijstand in.
De omgevingsjuristen van Agrifirm Exlan staan klaar om u te helpen. Etylbloc


Botanische naam: Zantedeschia
Familie: Araceae (aronskelkfamilie)
Oorspronkelijke afkomst: Zuid-Afrika
Zantedeschia is een knolgewas uit de aronskelkfamilie dat oorspronkelijk voorkomt in Zuid-Afrika, vaak in moerassige gebieden. De plant is vernoemd naar de Italiaanse botanicus Giovanni Zantedeschi. Calla’s zijn verwant aan onder meer de Anthurium en Arum. De bloemen vallen op door hun elegante kelkvorm; dit is eigenlijk een gekleurd schutblad dat de bloeikolf omhult. Afhankelijk van de cultivar zijn er kleuren in wit, geel, oranje, roze, paars en zwart. Het blad is stevig, pijlvormig en soms gespikkeld. Calla’s groeien uit knolachtige wortelstokken die elk seizoen nieuwe scheuten vormen. Hierdoor kan de plant zich gestaag uitbreiden. Sinds de introductie in Europa is de Calla populair als sierplant en snijbloem. Tegenwoordig behoort zij tot de vaste waarden binnen de bloembollensector. Dankzij de unieke vorm en goede houdbaarheid is de Calla geliefd in boeketten en wordt zij vaak geassocieerd met zuiverheid en schoonheid.